Nadere regelgeving:
- Besluit
toezicht financiële verslaggeving
WET van 28 september 2006, houdende
regels inzake het toezicht op en de handhaving van de voorschriften voor
financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen alsmede
tot wijziging van enige wetten (Wet toezicht financiële
verslaggeving)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat een
verbetering van het toezicht op de naleving en de handhaving van de
voorschriften voor de financiële verslaggeving van effectenuitgevende
instellingen gewenst is;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities en reikwijdte
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt – voor zover
niet anders is bepaald – verstaan onder:
a. Autoriteit Financiële Markten: de Stichting Autoriteit
Financiële Markten;
b. effectenuitgevende instelling: uitgevende instelling als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht waarvan
Nederland de lidstaat van herkomst is als bedoeld in artikel 5:25a,
onderdeel c, van die wet:
1°. met statutaire zetel in Nederland waarvan effecten zijn
toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, of
de handel op een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar
systeem uit een staat die geen lidstaat is, als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, die gelegen
is of functioneert in een staat die niet een lidstaat is van de
Europese Unie;
2°. Met statutaire zetel in een andere lidstaat of een staat
die geen lidstaat is waarvan effecten zijn toegelaten tot de
handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1
van de Wet op het financieel toezicht;
c. IAS-verordening:verordening (EG) nr. 1606/2002 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002
betreffende de toepassing van internationale standaarden voor
jaarrekeningen (PbEG L 243);
d. financiële verslaggeving:
1°. de vastgestelde jaarrekening, bedoeld in artikel 361 van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. het jaarverslag, bedoeld in artikel 391 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek;
3°. de gegevens die op grond van artikel 392 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek aan de jaarrekening en het jaarverslag
worden toegevoegd;
4°. indien de effectenuitgevende instelling zetel heeft in
een andere lidstaat, de overeenkomstig artikel 5:25c, eerste en
vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht algemeen
verkrijgbaar gestelde en opgestelde jaarrekening en het
overeenkomstig artikel 5:25c, eerste en vierde lid, van de Wet
op het financieel toezicht algemeen verkrijgbaar gestelde en
opgestelde jaarverslag;
5°. indien de effectenuitgevende instelling zetel heeft in
een staat die geen lidstaat is, de overeenkomstig artikel 5:25c,
eerste en vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht
algemeen verkrijgbaar gestelde jaarrekening en jaarverslag dan
wel de op grond van artikel 5:25c, eerste lid, jo. artikel
5:25v, eerste lid, algemeen verkrijgbaar gestelde jaarlijkse
financiële verslaggeving;
6°. de algemeen verkrijgbaar gestelde verklaringen inzake de
jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 5:25c,
tweede lid, onderdeel c, van de Wet op het financieel toezicht;
en
7°. de algemeen verkrijgbaar gestelde halfjaarrekening, het
algemeen verkrijgbaar gestelde halfjaarverslag en de algemeen
verkrijgbaar gestelde verklaringen, bedoeld in artikel 5:25d van
de Wet op het financieel toezicht dan wel de op grond van
artikel 5:25d, eerste lid jo. artikel 5:25v, eerste lid algemeen
verkrijgbaar gestelde halfjaarlijkse financiële verslaggeving.
e. Onze Minister: Onze Minister van Financiën.
Artikel 1a
1. Deze wet is niet van toepassing op effectenuitgevende
instellingen die uitsluitend obligaties of effecten zonder
aandelenkarakter als bedoeld in artikel 5:1, onderdeel e, van de Wet
op het financieel toezicht uitgeven met een nominale waarde per
eenheid van ten minste€ 100 000.
2. Deze wet is niet van toepassing op effectenuitgevende
instellingen met zetel in een door Onze Minster aangewezen staat die
geen lidstaat is en die op grond van artikel 5:25v van de Wet op het
financieel toezicht hun financiële verslaggeving opmaken
overeenkomstig de in die staat geldende wettelijke voorschriften met
betrekking tot financiële verslaggeving. Onze Minister kan een staat
uitsluitend aanwijzen indien het in die staat uitgeoefende toezicht op
de naleving van de in de vorige volzin bedoelde wettelijke
voorschriften voldoende waarborgen biedt ter bescherming van de
belangen die deze wet beoogt te beschermen.
3. In afwijking van het eerste lid is deze wet niet van toepassing
op effectenuitgevende instellingen die uitsluitend obligaties of
effecten zonder aandelenkarakter uitgeven die tot de handel op een
gereglementeerde markt in de Europese Unie zijn toegelaten en waarvan
de nominale waarde per eenheid ten minste € 50 000 bedraagt of de
tegenwaarde daarvan, op de datum van uitgifte, in een andere
munteenheid, en die al voor 31 december 2010 tot de handel op een
gereglementeerde markt in de Europese Unie zijn toegelaten, zulks voor
de looptijd van deze obligaties of effecten zonder aandelenkarakter.
Hoofdstuk 2. Toezicht op de naleving van financiële
verslaggevingsvoorschriften
Artikel 2
1. De Autoriteit Financiële Markten kan ten behoeve van het
toezicht op de financiële verslaggeving aan een effectenuitgevende
instelling om een nadere toelichting verzoeken omtrent de toepassing
van voorschriften ingevolge artikel 3 van de IAS-verordening , Titel 9
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of de artikelen 5:25c, tweede,
vierde of vijfde lid, 5:25d, tweede of vierde tot en met tiende lid,
of artikel 5:25v, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
Deze nadere toelichting wordt verstrekt binnen een door de Autoriteit
Financiële Markten te stellen redelijke termijn.
2. De Autoriteit Financiële Markten is verplicht tot geheimhouding
van het in het eerste lid bedoelde verzoek en de naar aanleiding
daarvan verstrekte nadere toelichting.
2a. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van andere
organisatieonderdelen van de Autoriteit Financiële Markten die belast
zijn met toezicht uit hoofde van andere wetten.
3. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de
accountantsverklaring, bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek dan wel de verklaring van de accountant,
bedoeld in artikel 5:25c, vierde lid, van de Wet op het financieel
toezicht of de verklaring of beoordeling van de accountant, bedoeld in
artikel 5:25d, derde lid, van die wet.
4. Het eerste lid en de artikelen 3 en 4 zijn niet van toepassing
op belegginginstellingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht waarvan de rechten van deelneming op verzoek van
de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden
ingekocht of terugbetaald.
5. Het bepaalde ingevolge dit artikel en deartikelen 3 en 4 is van
overeenkomstige toepassing op jaarrekeningen, jaarverslagen en de
daaraan toe te voegen gegevens van een effectenuitgevende instelling
die ingevolge artikel 394, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek openbaar zijn gemaakt.
6. De artikelen 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
van overeenkomstige toepassing op het bepaalde in dit artikel.
Artikel 3
1. De Autoriteit Financiële Markten kan, nadat de in artikel 2,
eerste lid, bedoelde nadere toelichting is verkregen, aan de
effectenuitgevende instelling schriftelijk mededelen dat de
financiële verslaggeving, of een onderdeel daarvan, niet voldoet aan
de in artikel 2, eerste lid, genoemde voorschriften. De Autoriteit
Financiële Markten kan de in de eerste volzin bedoelde mededeling
voorts doen indien de in de eerste volzin bedoelde nadere toelichting
niet binnen de door de Autoriteit Financiële Markten gestelde termijn
is verkregen.
2. De in het eerste lid bedoelde mededeling kan vergezeld gaan van
een aanbeveling aan de effectenuitgevende instelling om binnen een
door de Autoriteit Financiële Markten te bepalen redelijke termijn
een bericht algemeen verkrijgbaar te stellen en bij de Autoriteit
Financiële Markten te deponeren waarin de effectenuitgevende
instelling:
a. uitlegt op welke wijze de in het eerste lid bedoelde
voorschriften in de toekomst zullen worden toegepast en de
gevolgen daarvan voor de financiële verslaggeving beschrijft; of
b. uitlegt op welke onderdelen de financiële verslaggeving
niet voldoet aan de ingevolge artikel 3 van de IAS-verordening,
Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of de artikelen
5:25c, tweede, vierde of vijfde lid, 5:25d, tweede lid of vierde
tot en met tiende lid, of artikel 5:25v, eerste lid, van de Wet op
het financieel toezicht gestelde voorschriften en de gevolgen
daarvan voor de financiële verslaggeving beschrijft.
3. De Autoriteit Financiële Markten is verplicht tot geheimhouding
van de in het eerste lid bedoelde mededeling en de in het tweede lid
bedoelde aanbeveling. De Autoriteit Financiële Markten kan in
afwijking van de eerste volzin de gegevens verkregen bij uitvoering
van zijn taak op grond van deze wet verstrekken aan de met
verschillende taken belaste organisatie onderdelen van de Autoriteit
Financiële Markten.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot:
a. aan het in het tweede lid bedoelde bericht toe te voegen
stukken, en
b. de wijze waarop en de termijn waarbinnen het bericht,
bedoeld in het tweede lid, algemeen verkrijgbaar wordt gesteld en
bij de Autoriteit Financiële Markten wordt gedeponeerd.
Artikel 4
1. De Autoriteit Financiële Markten kan een verzoek als bedoeld in
artikel 452 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek doen, indien een
effectenuitgevende instelling onvoldoende gevolg heeft gegeven aan
artikel 2, eerste lid bedoelde verzoek of artikel 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht.
2. De Autoriteit Financiële Markten kan, nadat zij een mededeling
als bedoeld inartikel 3, eerste lid, aan de effectenuitgevende
instelling heeft gedaan zonder dat zij daarbij een aanbeveling als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, heeft gedaan, in het belang van een
adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de
belegger op die markten, een verzoek als bedoeld in artikel 447 of 454
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek doen.
3. De Autoriteit Financiële Markten kan een verzoek als bedoeld in
artikel 447 of 454 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek doen, indien
de effectenuitgevende instelling onvoldoende gevolg heeft gegeven aan
een aanbeveling als bedoeld in artikel 3, tweede lid, of aan het
ingevolgeartikel 3, vierde lid, bepaalde.
4. De Autoriteit Financiële Markten brengt het feit dat zij een
verzoek als bedoeld in artikel 447, 452 of 454 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek heeft gedaan ter openbare kennis, nadat zij de
effectenuitgevende instelling in de gelegenheid heeft gesteld binnen
een redelijke termijn ter openbare kennis te brengen dat de Autoriteit
Financiële Markten een verzoek als bedoeld in artikel 447, 452 of 454
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek heeft gedaan en de
effectenuitgevende instelling daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
Indien de Autoriteit Financiële Markten het feit dat een verzoek is
ingediend ter openbare kennis brengt, vermeldt zij daarbij de naam van
de effectenuitgevende instelling, de datum van indiening van het
verzoek, de wettelijke grondslag voor het verzoek en, indien het een
verzoek als bedoeld in het tweede of derde lid betreft, in welk
opzicht de financiële verslaggeving volgens het verzoek herziening
behoeft.
5. Artikel 2, lid 2 en 2a, zijn van overeenkomstige toepassing op
uit een nadere toelichting afkomstige gegevens en inlichtingen die aan
de Autoriteit Financiële Markten is verstrekt op grond van een bevel
ingevolge artikel 452, vierde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek en op verzoeken als bedoeld in dit artikel.
6. De Autoriteit Financiële Markten kan in verzoeken als bedoeld
in dit artikel uit een nadere toelichting afkomstige gegevens of
inlichtingen opnemen die aan haar zijn verstrekt op grond vanartikel
2, eerste lid, of op grond van een bevel ingevolge artikel 452, vierde
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Hoofdstuk 3. Het register
Artikel 5
1.De Autoriteit Financiële Markten houdt een register waarin
worden opgenomen:
a. de ingevolge artikel 3, tweede lid, bij de Autoriteit
Financiële Markten gedeponeerde berichten;
b. het ingevolge artikel 4, vierde lid, ter openbare kennis
gebrachte feit dat een verzoek is gedaan; en
c. afschriften van de beschikkingen, bedoeld in artikel 453 of
455 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede afschriften van
uitspraken van beroep in cassatie tegen de eerstgenoemde
beschikkingen.
2.De Autoriteit Financiële Markten draagt zorg voor het goed
functioneren van het register.
3.De Autoriteit Financiële Markten houdt de gegevens in het
register voor een ieder kosteloos ter inzage.
4.Binnen vijf werkdagen volgend op de werkdag waarop de Autoriteit
Financiële Markten de stukken, berichten of afschriften heeft
ontvangen of het feit, bedoeld in onderdeel c van het eerste lid, ter
openbare kennis is gebracht, neemt zij deze op in het register.
5.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot:
a. de inrichting en werking van het register en de wijze waarop
wijzigingen in het register kunnen worden aangebracht, en
b. de wijze waarop de in het register op te nemen stukken of
berichten aan de Autoriteit Financiële Markten worden verstrekt.
Hoofdstuk 4. Uitwisseling van gegevens en samenwerking
Artikel 6
1. In afwijking van de artikelen 2, tweede lid, en 3, derde lid, en
artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Autoriteit
Financiële Markten gegevens of inlichtingen, verkregen bij de
vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken
aan de Nederlandsche Bank, aan een instantie die in een andere
lidstaat met het toezicht op financiële verslaggeving is belast of
een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instantie die tot
taak heeft een eenvormige toepassing van de standaarden voor de
jaarrekening binnen de Europese Unie te bevorderen en een
gemeenschappelijke aanpak op het vlak van de handhaving daarvan te
ontwikkelen, tenzij:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
gebruikt onvoldoende is bepaald;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet
past in het kader van het toezicht op de financiële verslaggeving
van effectenuitgevende instellingen;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet
zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen
die deze wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen
niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze
worden verstrekt.
2. In afwijking van de artikelen 2, tweede lid, en 3, derde lid, en
artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Autoriteit
Financiële Markten gegevens of inlichtingen, verkregen bij de
vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken
aan een instantie die in een staat die geen lidstaat is met het
toezicht op financiële verslaggeving is belast, indien met betrekking
tot de gegevens en inlichtingen krachtens de wet in die staat ten
minste gelijkwaardige waarborgen gelden ten aanzien van geheimhouding
als op grond van het eerste lid, en voor zover de uitwisseling ten
behoeve van de uitoefening van het toezicht door de desbetreffende
instantie geschiedt.
3. De Autoriteit Financiële Markten zendt onverwijld nadat met
inachtneming van het tweede lid met een instantie van een staat die
geen lidstaat is een overeenkomst is gesloten ten einde gegevens of
inlichtingen te kunnen uitwisselen, een afschrift van de overeenkomst
aan Onze Minister.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de wijze waarop en de voorwaarden waaronder door de
Autoriteit Financiële Markten gegevens of inlichtingen kunnen worden
verstrekt.
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 5. Rekening en verantwoording van de autoriteit financiële
markten
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 15
1.De Autoriteit Financiële Markten legt een voorgenomen
statutenwijziging ter voorafgaande instemming voor aan Onze Minister.
De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing.
2.De instemming, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd:
a. indien de statuten na wijziging onvoldoende zijn afgestemd
op het in deze wet bepaalde;
b. indien de statuten onvoldoende waarborgen bieden voor een
onafhankelijke taakvervulling door de Autoriteit Financiële
Markten;
c. wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Artikel 16
1. De Autoriteit Financiële Markten draagt met betrekking tot de
uitoefening van haar taak op grond van deze wet zorg voor:
a. een tijdige voorbereiding en uitvoering;
b. de kwaliteit van de daarbij gebruikte procedures;
c. de zorgvuldige behandeling van een ieder die met haar in
aanraking komt;
d. de zorgvuldige behandeling van klachten die worden
ontvangen.
2. De Autoriteit Financiële Markten treft voorzieningen, waardoor
ieder die met haar in aanraking komt in de gelegenheid is voorstellen
tot verbetering van werkwijzen en procedures te doen.
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 20
1.Onze Minister kan aan de Autoriteit Financiële Markten de
gegevens of inlichtingen vragen die nodig zijn voor een onderzoek naar
de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Autoriteit
Financiële Markten deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat
ter wille van het toezicht nodig blijkt.
2.De Autoriteit Financiële Markten verstrekt aan Onze Minister de
in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen, tenzij het
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betreft in de zin van artikel
2:5 van de Algemene wet bestuursrecht die betrekking hebben op of
herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon of vennootschap.
In afwijking van de vorige volzin verstrekt de Autoriteit Financiële
Markten aan Onze Minister wel gegevens of inlichtingen die betrekking
hebben of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke effectenuitgevende
instelling ten aanzien waarvan surséance van betaling is verleend, of
die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een
rechterlijke uitspraak is ontbonden.
3.Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen
die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan
hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in
zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen
in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing zijn.
4.Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij
ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het
vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de
wijze waarop de Autoriteit Financiële Markten deze wet uitvoert of
heeft uitgevoerd.
5.Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn
verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede en derde
lid ontvangen gegevens of inlichtingen.
6.Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de
aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit
getrokken conclusies aan de beide kamers der Staten-Generaal mededelen
en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7.De Wet openbaarheid van bestuur, de Wet Nationale Ombudsman en
Titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing
met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen
die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich
heeft.
Artikel 21
1.Indien naar het oordeel van Onze Minister de Autoriteit
Financiële Markten haar taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister
de noodzakelijke voorzieningen treffen.
2.Ter uitvoering van het eerste lid kan Onze Minister besluiten een
of meer onderdelen van de taak van de Autoriteit Financiële Markten
zelf uit te voeren of door een ander bestuursorgaan te laten
uitvoeren. Alsdan komen de desbetreffende bevoegdheden van de
Autoriteit Financiële Markten toe aan Onze Minister onderscheidenlijk
het andere bestuursorgaan.
3.De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet
eerder getroffen dan nadat de Autoriteit Financiële Markten in de
gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen
termijn alsnog haar taak naar behoren uit te voeren.
4.Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal
onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld
in het eerste lid.
Artikel 22
1.Onze Minister zendt drie jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet en vervolgens elke vijf jaar een verslag
aan beide kamers der Staten-Generaal over de doeltreffendheid en
doelmatigheid van het functioneren van de Autoriteit Financiële
Markten in het kader van de uitvoering van deze wet.
2.De Autoriteit Financiële Markten verstrekt desgevraagd aan Onze
Minister gegevens en inlichtingen ten behoeve van het verslag.
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 6. Wijziging van andere wetten
Artikel 24
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel 25
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie]
Artikel 26
[Wijzigt Burgerlijk Wetboek Boek 2]
Artikel 27
[Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering]
Artikel 28
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 29
[Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995]
Hoofdstuk 7. Overgangs-en slotbepalingen
Artikel 30
1. Binnen zes weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet zendt de Autoriteit Financiële Markten ter instemming aan Onze
Minister een begroting van de in het resterende deel van het
kalenderjaar te verwachten baten en lasten, investeringsuitgaven
alsmede inkomsten en uitgaven met betrekking tot de uitvoering van de
bij en krachtens deze wet opgedragen taak en daaruit voortvloeiende
werkzaamheden.
2. Artikel 9, tweede, vijfde en zesde lid, en artikel 11 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 30a
1. Deze wet heeft geen betrekking op jaarrekeningen, jaarverslagen
en de daaraan toe te voegen gegevens van een rechtspersoon,
vennootschap, effectenuitgevende instelling of beleggingsinstelling
die betrekking hebben op boekjaren die vóór 1 januari 2006 zijn
aangevangen.
2. Met betrekking tot financiële verslaggeving als bedoeld in het
eerste lid blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet van toepassing.
Artikel 31
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 32
Deze wet wordt aangehaald als: Wet toezicht financiële
verslaggeving.
Lasten en bevelen dat deze in
het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 28 september 2006
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de drieëntwintigste november 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|