Nadere regelgeving:
- Aanwijzing voor de
Consumentenautoriteit inzake het sluiten van
massaschadeovereenkomsten
WET van 20 november 2006,
houdende regels omtrent instanties die verantwoordelijk zijn voor
handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (Wet
handhaving consumentenbescherming)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in
overweging genomen hebben dat het, mede ter uitvoering van Verordening
(EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de
nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de
wetgeving inzake consumentenbescherming (PbEU L 364), noodzakelijk is
regels te stellen inzake privaatrechtelijke en publiekrechtelijke
handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming;
Zo is het,
dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1.1
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. andere overheidsinstantie: een
andere overheidsinstantie als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
vanverordening 2006/2004;
b. bevoegde autoriteit: een
bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 3, onderdeel c, van
verordening 2006/2004;
c. Consumentenautoriteit: de
Consumentenautoriteit, bedoeld in artikel 2.1;
d. consumentenorganisaties:
stichtingen of verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die
krachtens hun statuten tot taak hebben het behartigen van de
collectieve belangen van consumenten;
e. financiële dienst of
activiteit:
1°. een financiële dienst
als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel
toezicht en het aanbieden van effecten aan het publiek of
het doen toelaten van effecten tot de handel op een in
Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt,
bedoeld in artikel 5:2 van de Wet op het financieel
toezicht, waarbij voor de toepassing van deze wet onder deze
financiële diensten en activiteiten mede worden begrepen de
overeenkomsten met betrekking tot een of meer financiële
producten als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het
financieel toezicht die rechtstreeks uit deze financiële
diensten of activiteiten voortvloeien of daarvan het
resultaat zijn;
2°. het in de uitoefening
van een bedrijf buiten besloten kring aantrekken, ter
beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van
opvorderbare gelden van anderen dan professionele
marktpartijen als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de
Wet op het financieel toezicht, dan wel het als
tussenpersoon werkzaamheden verrichten in de zin van artikel
4:3, eerste lid, van laatstgenoemde wet;
3°. een wisseltransactie als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel
toezicht;
4°. het exploiteren of
beheren van een gereglementeerde markt waarvoor een
vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de
Wet op het financieel toezicht is verleend of het
exploiteren van een multilaterale handelsfaciliteit waarvoor
een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 van de Wet op het
financieel toezicht is verleend;
5°. een dienst als bedoeld
onder 6 van de bijlage van richtlijn nr. 2007/64/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13
november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne
markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG,
2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn
97/5/EG (PbEU L 319);
f. inbreuk: elk handelen of
nalaten dat in strijd is met een van de wettelijke bepalingen,
bedoeld in de bijlage bij deze wet, en dat schade toebrengt of
kan toebrengen aan de collectieve belangen van consumenten;
g. intracommunautaire inbreuk:
een intracommunautaire inbreuk als bedoeld in artikel 3,
onderdeel b, van verordening 2006/2004;
h. lidstaat: een lidstaat van de
Europese Unie of een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
i. Onze Minister: Onze Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
j. overtreder: degene die een
overtreding pleegt of medepleegt;
k. overtreding: een inbreuk of
intracommunautaire inbreuk;
l. verbindingsbureau:
verbindingsbureau als bedoeld in artikel 3, onderdeel d,
vanverordening 2006/2004;
m. verordening 2006/2004:
verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2004 betreffende
samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk
zijn voor handhaving van de wetgeving inzake
consumentenbescherming (PbEU L 364);
n. wettelijke bepalingen: de
communautaire wetgeving ter bescherming van de belangen van de
consument bedoeld in de bijlage bij deze wet, zoals
geïmplementeerd in het Nederlands recht en het recht van de
lidstaten.
Hoofdstuk 2. De consumentenautoriteit
§ 1. Aanwijzing en taken
Artikel 2.1
1. Onze Minister wijst een onder
hem ressorterende ambtenaar als Consumentenautoriteit aan.
2. Onze Minister kan één of meer
onder hem ressorterende ambtenaren als plaatsvervanger van de
Consumentenautoriteit aanwijzen.
Artikel 2.2
De Consumentenautoriteit is belast
met de handhaving van de wettelijke bepalingen, bedoeld in de
onderdelen a en b van de bijlage bij deze wet. Zij is niet bevoegd
indien de overtreding betrekking heeft op een financiële dienst of
activiteit.
Artikel 2.3
1. De Consumentenautoriteit wordt
aangewezen als het verbindingsbureau in Nederland.
2. Met betrekking tot
intracommunautaire inbreuken op een van de wettelijke bepalingen,
bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage bij deze wet, wordt
de Consumentenautoriteit aangewezen als bevoegde autoriteit,
tenzij de intracommunautaire inbreuk betrekking heeft op een
financiële dienst of activiteit.
3. De Consumentenautoriteit heeft
mede tot taak de coördinatie van activiteiten van communautair
belang, administratieve samenwerking en verslaglegging, bedoeld in
de artikelen 16, 17 en 21 van verordening 2006/2004.
Artikel 2.4
1. De bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaren en andere personen zijn belast met het
toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen waarvoor de
Consumentenautoriteit is belast met de handhaving. Van dat besluit
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
2. Artikel 5:17 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op geschriften gewisseld
tussen een overtreder en een advocaat die is toegelaten tot de
balie, die zich bij de overtreder bevinden, doch waarop, indien
zij zich zouden bevinden bij die advocaat, artikel 5:20, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zou zijn.
§ 2. Privaatrechtelijke handhaving
Artikel 2.5
1. De Consumentenautoriteit kan een
verzoekschrift als bedoeld in artikel 305d van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek indienen indien naar haar oordeel sprake is van
een overtreding van een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in
onderdeel a van de bijlage bij deze wet, tenzij de overtreding
betrekking heeft op een financiële dienst of activiteit.
2. Alvorens de
Consumentenautoriteit een verzoekschrift indient, stelt zij de
overtreder een redelijke termijn om:
a. de overtreding te staken;
b. gegevens waarop het
voornemen om een verzoekschrift in te dienen berust, in te
zien en daarvan afschriften te vervaardigen.
Artikel 2.6
1. Een overeenkomst strekkende tot
vergoeding van schade die het gevolg is van een overtreding van
één of meer wettelijke bepalingen met de handhaving waarvan de
Consumentenautoriteit is belast, gesloten door de
Consumentenautoriteit met één of meer andere partijen die deze
bepalingen hebben overtreden en die zich bij deze overeenkomst
hebben verbonden tot vergoeding van deze schade, kan door de
rechter op verzoek van de partijen die de overeenkomst hebben
gesloten verbindend worden verklaard voor personen aan wie de
schade is veroorzaakt. Onder personen aan wie de schade is
veroorzaakt worden mede begrepen personen die een vordering ter
zake van deze schade onder algemene of bijzondere titel hebben
verkregen.
2. De artikelen 907, tweede tot en
met zesde lid, en 908 tot en met 910 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek en titel 14 van het derde boek van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister geeft een
aanwijzing aan de Consumentenautoriteit over de wijze waarop zij
de in het eerste lid bedoelde overeenkomst tot stand brengt.
§ 3. Bestuursrechtelijke handhaving
Artikel 2.7
Deze paragraaf heeft, met
uitzondering vanartikel 2.10, tweede lid, uitsluitend betrekking op
overtredingen van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel b
van de bijlage bij deze wet.
Artikel 2.8 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 2.9
1. Indien de Consumentenautoriteit
van oordeel is dat een overtreding heeft plaatsgevonden, kan zij
de overtreder opleggen:
a. een last onder dwangsom;
b. een bestuurlijke boete.
2. Voor zover een last onder
dwangsom of bestuurlijke boete verplicht tot betaling van een
geldsom, komt deze geldsom toe aan ’s Rijks schatkist.
Artikel 2.10
1. Op het opleggen van een last
onder dwangsom krachtens deze paragraaf zijn de artikelen 5:32,
tweede lid, tot en met 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing, zijn de artikelen 5:48 tot en met 5:51 van de Algemene
wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing en is artikel 51
van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing.
2. De Consumentenautoriteit kan een
last onder dwangsom opleggen, die strekt tot verzekering van de
medewerking die krachtens artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht kan worden gevorderd bij de uitoefening van de
bevoegdheden van de toezichthouders, bedoeld in artikel 2.4.
Artikel 2.11 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 2.12 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 2.13 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 2.14 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 2.15
1. De inartikel 2.9 bedoelde
bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde
categorie geldboete, bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van
Strafrecht.
2. In afwijking van het eerste lid
bedraagt de bestuurlijke boete, indien het betreft een overtreding
van artikel 8.8, ten hoogste € 450 000.
Artikel 2.16 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 2.17 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 2.18 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 2.19 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 2.20 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 2.21 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 2.22 [Vervallen per
01-07-2009]
Artikel 2.23
1. De Consumentenautoriteit kan een
beschikking openbaar maken omtrent het opleggen van een last onder
dwangsom of bestuurlijke boete, met inbegrip van een beschikking
dat geen last onder dwangsom of bestuurlijke boete wordt opgelegd
of een toezegging door de overtreder dat een overtreding zal
worden gestaakt.
2. De Consumentenautoriteit maakt
een voornemen tot openbaarmaking van een beschikking als bedoeld
in het eerste lid te voren bekend aan de overtreder; indien het
een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom dan wel
een bestuurlijke boete betreft geschiedt dit gelijktijdig met het
in de gelegenheid stellen van de overtreder daarover zijn
zienswijze naar voren te brengen.
3. De Consumentenautoriteit maakt
een beschikking als bedoeld in het eerste lid niet eigener
beweging openbaar gedurende twee weken nadat het besluit op de in
artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven
wijze bekend is gemaakt, tenzij de overtreder de beschikking zelf
heeft openbaar gemaakt, heeft doen openbaar maken of
openbaarmaking met de overtreder is overeengekomen.
§ 4. Gegevensuitwisseling
Artikel 2.24
Gegevens die de Consumentenautoriteit
verkrijgt van andere bevoegde autoriteiten en andere
overheidsinstanties als bedoeld in hoofdstukken 3 en 4 van deze wet
maakt de Consumentenautoriteit alleen openbaar met toestemming van
de desbetreffende autoriteit of instantie.
Hoofdstuk 3. Andere bevoegde
autoriteiten
§ 1. Stichting Autoriteit
Financiële Markten
Artikel 3.1
1. De Stichting Autoriteit
Financiële Markten wordt aangewezen als bevoegde autoriteit voor
intracommunautaire inbreuken op de wettelijke bepalingen, bedoeld
in deonderdelen a en d van de bijlage bij deze wet, voor zover de
intracommunautaire inbreuk betrekking heeft op een financiële
dienst of activiteit.
2. De Stichting Autoriteit
Financiële Markten wordt voorts aangewezen als bevoegde
autoriteit voor intracommunautaire inbreuken op de wettelijke
bepalingen bedoeld in onderdeel c van de bijlage bij deze wet.
Artikel 3.2
1. De bij besluit van de Autoriteit
Financiële Markten aangewezen personen zijn belast met het
toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen, bedoeld in
de onderdelen a, c en d van de bijlage bij deze wet, voor zover de
overtreding betrekking heeft op een financiële dienst of
activiteit. Van dat besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing
in de Staatscourant.
2. Deartikelen 2.4, tweede lid,
2.10 en 2.23 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.3
1. De Stichting Autoriteit
Financiële Markten kan een verzoekschrift als bedoeld in artikel
305d van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek indienen indien naar
haar oordeel sprake is van een overtreding van een van de
wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel a van de bijlage bij
deze wet, en de overtreding betrekking heeft op een financiële
dienst of activiteit.
2. De artikelen 2.5, tweede lid, en
4.3, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.4
1. De Stichting Autoriteit
Financiële Markten kan, indien zij van oordeel is dat een
overtreding op een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in
onderdeel c, sub c.1, van de bijlage bij deze wet, heeft
plaatsgevonden:
a. een bestuurlijke boete
opleggen;
b. een last onder dwangsom
opleggen.
2. Met betrekking tot de toepassing
van het eerste lid:
a. zijn de artikelen 2.10 2.23
en 2.24 van overeenkomstige toepassing; en
b. zijn artikel 1:81 van de Wet
op het financieel toezicht van overeenkomstige toepassing.
3. De Stichting Autoriteit
Financiële Markten kan, indien zij van oordeel is dat een
overtreding op een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in
onderdelen c, sub c.2 en d van de bijlage bij deze wet, heeft
plaatsgevonden:
a. een bestuurlijke boete
opleggen;
b. een last onder dwangsom
opleggen.
4. Met betrekking tot de toepassing
van het derde lid zijn deartikelen 2.10 2.15, 2.23, 2.24 en 4.3,
tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Het Staatstoezicht op de
volksgezondheid
Artikel 3.5
Het Staatstoezicht op de
volksgezondheid wordt aangewezen als bevoegde autoriteit voor
intracommunautaire inbreuken op de wettelijke bepalingen, bedoeld in
onderdeel e van de bijlage bij deze wet.
Artikel 3.6
1. De krachtens artikel 100 van de
Geneesmiddelenwet aangewezen ambtenaren van het Staatstoezicht op
de volksgezondheid zijn belast met toezicht op de naleving van de
wettelijke bepalingen inzake intracommunautaire inbreuken voor
welke het als bevoegde autoriteit is aangewezen.
2. Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan, indien naar zijn oordeel
een intracommunautaire inbreuk op een van de wettelijke
bepalingen, bedoeld in onderdeel e van de bijlagebij deze wet
heeft plaatsgevonden:
a. een bestuurlijke boete
opleggen;
b. een last onder dwangsom
opleggen.
3. Deartikelen 2.4, tweede lid,
2.10, 2.23 en2.24 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Wat betreft de hoogte van de
bestuurlijke boete is het eerste lid van artikel 101 van de
Geneesmiddelenwet van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Het Commissariaat voor de Media
Artikel 3.7
Het Commissariaat voor de Media wordt
aangewezen als bevoegde autoriteit voor intracommunautaire inbreuken
op de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel f van de bijlage
bij deze wet.
Artikel 3.8
1. De leden van het Commissariaat
voor de Media en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen
medewerkers van het Commissariaat, bedoeld in artikel 7.11, tweede
lid, van de Mediawet 2008, zijn belast met het toezicht op de
naleving van de wettelijke bepalingen waarvoor het Commissariaat
voor de Media als bevoegde autoriteit is aangewezen.
2. Indien naar het oordeel van het
Commissariaat voor de Media een intracommunautaire inbreuk op een
van de wettelijke bepalingen als bedoeld in onderdeel f van de
bijlage bij deze wet heeft plaatsgevonden, kan het Commissariaat
voor de Media:
a. een bestuurlijke boete
opleggen;
b. een last onder dwangsom
opleggen.
3. Deartikelen 2.4, tweede lid,
2.10, 2.23 en2.24 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De artikelen 7.12 en 7.19 van de
Mediawet 2008 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Inspectie Verkeer en Waterstaat
Artikel 3.9
De Inspectie Verkeer en Waterstaat
wordt aangewezen als bevoegde autoriteit voor intracommunautaire
inbreuken op de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel g van de
bijlage bij deze wet.
Artikel 3.10
1. Met het toezicht op de naleving
van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel g van de
bijlage bij deze wet, zijn belast de bij besluit van Onze Minister
van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren. Van dat
besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
2. Onze Minister van Infrastructuur
en Milieu kan, indien naar zijn oordeel een intracommunautaire
inbreuk op een van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 261/2004
van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot
vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en
bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of
langdurige vertraging van vluchten (PbEU 2004, L 364) of een
overtreding van een van de bepalingen van Verordening (EU) nr.
1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november
2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of
binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG)
nr. 2006/2004 (PbEU 2010, L 334) heeft plaatsgevonden:
a. een bestuurlijke boete
opleggen;
b. een last onder dwangsom
opleggen.
3. Deartikelen 2.4, tweede lid,
2.10, 2.15, 2.23 en2.24 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Voedsel en Warenautoriteit
Artikel 3.11
De Voedsel en Warenautoriteit wordt
aangewezen als bevoegde autoriteit voor intracommunautaire inbreuken
op de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel h van de bijlage
bij deze wet.
Artikel 3.12
1. De krachtens artikel 13, eerste
lid, van de Tabakswet benoemde ambtenaren zijn belast met het
toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen inzake
intracommunautaire inbreuken voor welke de Voedsel en
Warenautoriteit als bevoegde autoriteit is aangewezen.
2. Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan, indien naar zijn oordeel
een intracommunautaire inbreuk op een van de wettelijke
bepalingen, bedoeld in onderdeel h van de bijlage bij deze wet
heeft plaatsgevonden:
a. een bestuurlijke boete
opleggen;
b. een last onder dwangsom
opleggen.
3. Deartikelen 2.4, tweede lid,
2.10, 2.23 en2.24 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Artikel 11b, tweede lid, van de
Tabakswet is van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Gegevensuitwisseling
Artikel 3.13
Alle informatie die een bevoegde
autoriteit op grond van verordening 2006/2004 aan bevoegde
autoriteiten van andere lidstaten en de Commissie verstrekt,
verstrekt de bevoegde instantie eveneens aan de
Consumentenautoriteit als het verbindingsbureau.
Hoofdstuk 4. Andere
overheidsinstanties
Artikel 4.1
1. Als andere overheidsinstantie
worden aangewezen:
a. de Nederlandse
Zorgautoriteit;
b. de Onafhankelijke Post en
Telecommunicatie Autoriteit;
c. de raad van bestuur van de
Nederlandse Mededingingsautoriteit;
d. de Belastingdienst/FIOD-ECD.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen andere overheidsinstanties worden aangewezen.
Artikel 4.2
1. Indien zowel de
Consumentenautoriteit als een andere overheidsinstantie bevoegd
zijn toezicht uit te oefenen of handhavingsmaatregelen te nemen
ten aanzien van dezelfde gedraging, maakt de Consumentenautoriteit
geen gebruik van de aan haar in deze wet toegekende bevoegdheden.
2. In afwijking van het vorige lid
kan de Consumentenautoriteit gebruik maken van de aan haar in deze
wet toegekende bevoegdheden indien:
a. de andere overheidsinstantie
de Consumentenautoriteit daaromtrent verzoekt; of
b. de andere overheidsinstantie
niet aan de verplichting uit artikel 4.5, tweede lid, kan
voldoen.
Artikel 4.3
1. Voor zover door een andere
overheidsinstantie bij de uitoefening van haar bevoegdheden
begrippen worden uitgelegd, die worden gehanteerd in een van de
wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel a van de bijlage van
deze wet, dan wordt deze uitleg afgestemd met de
Consumentenautoriteit. In de samenwerkingsprotocollen, bedoeld in
artikel 5.1, worden hierover nadere afspraken gemaakt.
2. Voor zover door een andere
overheidsinstantie bij de uitoefening van haar bevoegdheden
begrippen worden uitgelegd, die worden gehanteerd in een van de
wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel b van de bijlage van
deze wet, dan vindt deze uitleg plaats in overeenstemming met de
Consumentenautoriteit. In de samenwerkingsprotocollen, bedoeld
inartikel 5.1, worden hierover nadere afspraken gemaakt.
Artikel 4.4
Indien een andere overheidsinstantie
toezichts- of handhavingsmaatregelen neemt ten aanzien van een
gedraging, die eveneens een intracommunautaire inbreuk op kan
leveren, stelt zij de Consumentenautoriteit als het
verbindingsbureau hiervan op de hoogte.
Artikel 4.5
1. Indien de Consumentenautoriteit
een verzoek om wederzijdse bijstand als bedoeld in verordening
2006/2004 krijgt ten aanzien van een gedraging waarvan ook een
andere overheidsinstantie bevoegd is, verwijst de
Consumentenautoriteit het verzoek door naar de desbetreffende
overheidsinstantie.
2. Indien de Consumentenautoriteit
een verzoek om wederzijdse bijstand aan een andere
overheidsinstantie doorverwijst, is de andere overheidsinstantie
verplicht om toezicht uit te oefenen of handhavingsmaatregelen te
nemen ten aanzien van de betrokken gedraging, tenzij sprake is van
een van de uitzonderingsgronden als bedoeld in artikel 15 van
verordening 2006/2004. Alle gegevens omtrent genomen toezichts- en
handhavingsmaatregelen worden aan de Consumentenautoriteit als het
verbindingsbureau bekend gemaakt.
Hoofdstuk 5. Samenwerkingsprotocollen
Artikel 5.1
1. Onze Minister kan afspraken
maken met:
a. Onze Minister van
Financiën, voor wat betreft de Belastingdienst/FIOD-ECD;
b. Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu, voor wat betreft de Inspectie
Verkeer en Waterstaat;
c. Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor wat betreft het
Staatstoezicht op de Volksgezondheid;
d. andere in aanmerking komende
Ministers.
2. Onze Minister kan afspraken
maken met het bevoegde gezag van:
a. de Stichting Autoriteit
Financiële Markten;
b. de Nederlandse
Mededingingsautoriteit;
c. het Commissariaat voor de
Media;
d. de Nederlandse
Zorgautoriteit;
e. de Onafhankelijke Post en
Telecommunicatie Autoriteit;
f. het College van
Procureurs-Generaal;
g. de Stichting Het Juridisch
Loket;
h. andere
overheidsinstellingen.
3. De afspraken bedoeld in het
eerste lid en het tweede lid, onderdelen b tot en met h, worden
vastgelegd in samenwerkingsprotocollen en hebben onder meer
betrekking op:
a. effectief en doelmatig
toezicht op en optreden tegen inbreuken;
b. consumentenvoorlichting;
c. de gemeenschappelijke
activiteiten en verslaglegging, bedoeld in de artikelen 16, 17
en 21 van verordening 2006/2004.
4. De afspraken bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, worden vastgelegd in een
samenwerkingsprotocol en hebben betrekking op:
a. de uitleg van begrippen als
bedoeld in artikel 4.3;
b. de samenwerking tussen de
Stichting Autoriteit Financiële Markten en de
Consumentenautoriteit in de uitoefening van haar taak als het
verbindingsbureau.
5. Onze Minister doet mededeling
van de samenwerkingsprotocollen in de Staatscourant.
Hoofdstuk 6. Consumentenorganisaties
en instanties met een rechtmatig belang
Artikel 6.1
1. Onze Minister kan afspraken
maken met consumentenorganisaties. De afspraken kunnen onder meer
betrekking hebben op het doorverwijzen van consumenten voor wat
betreft informatievoorziening, de behandeling van klachten en
geschillenbeslechting.
2. Onze Minister kan afspraken
maken met stichtingen of verenigingen met volledige
rechtsbevoegdheid die krachtens hun statuten tot taak hebben de
behandeling van klachten van consumenten en geschillenbeslechting.
De afspraken kunnen onder meer betrekking hebben op de behandeling
van klachten en geschillenbeslechting.
3. Afspraken zoals bedoeld in het
eerste en tweede lid worden vastgelegd in
samenwerkingsprotocollen. Onze Minister doet mededeling van de
samenwerkingsprotocollen in de Staatscourant.
Artikel 6.2
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen instanties worden aangewezen die een rechtmatig belang hebben
bij de beëindiging van of het verbieden van intracommunautaire
inbreuken als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van verordening
2006/2004.
Artikel 6.3
1. De Consumentenautoriteit
organiseert een maatschappelijk overleg met
consumentenorganisaties en centrale ondernemersverenigingen.
2. Doelstelling van het
maatschappelijk overleg is:
a. de taken van de
Consumentenautoriteit ter uitvoering van deze wet zo goed
mogelijk aan te laten sluiten bij private initiatieven ter
bescherming van de consument;
b. Onze Minister, de bevoegde
autoriteiten en andere overheidsinstanties te informeren over
de effecten en de doeltreffendheid van de uitvoering van deze
wet.
3. De Consumentenautoriteit nodigt
ten minste elk kwartaal consumentenorganisaties en centrale
ondernemersverenigingen uit voor het maatschappelijk overleg. Ook
kunnen stichtingen of verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid
die krachtens hun statuten tot taak hebben de behandeling van
klachten van consumenten en geschillenbeslechting als bedoeld in
artikel 6.1 en aangewezen instanties die een rechtmatig belang
hebben bij de beëindiging van overtredingen als bedoeld in
artikel 6.2 voor het maatschappelijk overleg worden uitgenodigd.
4. Andere bevoegde autoriteiten en
andere overheidsinstanties kunnen toehoorders aanwijzen voor het
maatschappelijk overleg.
5. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld over deelname aan het
maatschappelijk overleg en de werkwijze en verslaglegging van het
maatschappelijk overleg en over de vergoeding van reis- en
onkosten van deelnemers aan het maatschappelijk overleg.
Hoofdstuk 7. Rechtsbescherming
Artikel 7.1
Tegen een uitspraak in hoger beroep
van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kan de
procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden beroep in
cassatie in het belang der wet instellen wegens schending of
verkeerde toepassing van artikel 8.8.
Artikel 7.2
Consumentenorganisaties worden
aangemerkt als belanghebbenden bij besluiten krachtens deze wet.
Hoofdstuk 8. Consumentenbescherming
Artikel 8.1
1. De in dit hoofdstuk neergelegde
bepalingen gelden uitsluitend indien de wederpartij een consument
is.
2. In dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
a. consument: een natuurlijk
persoon die niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of
bedrijf;
b. handelaar: natuurlijk
persoon of rechtspersoon die handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf of degene die ten behoeve van hem handelt;
c. algemene voorwaarden: een of
meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal
overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van
bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover
die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.
Artikel 8.2
1. Degene die een dienst van de
informatiemaatschappij verleent als bedoeld in artikel 15d, derde
lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, neemt artikel 15d,
eerste en tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in
acht.
2. Indien commerciële communicatie
als bedoeld in artikel 15e, derde lid, van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek, deel uitmaakt van een dienst van de
informatiemaatschappij of een dergelijke dienst vormt, zorgt
degene in wiens opdracht de commerciële communicatie geschiedt,
dat artikel 15e, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek
in acht wordt genomen.
3. De dienstverlener, bedoeld in
het eerste lid, neemt de artikelen 227b, eerste en tweede lid, en
227c, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in acht.
4. Indien een wederpartij langs de
elektronische weg een verklaring als bedoeld in artikel 227c,
tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek uitbrengt die door de in
het eerste lid bedoelde dienstverlener mag worden opgevat hetzij
als een aanvaarding van een door hem langs de elektronische weg
gedaan aanbod, hetzij als een aanbod naar aanleiding van een door
hem langs de elektronische weg gedane uitnodiging om in
onderhandeling te treden, bevestigt de dienstverlener de ontvangst
van deze verklaring zo spoedig mogelijk langs elektronische weg
aan de wederpartij.
5. Het derde en vierde lid zijn
niet van toepassing, indien een overeenkomst uitsluitend door
middel van de uitwisseling van elektronische post of een
soortgelijke vorm van individuele communicatie tot stand komt.
Artikel 8.3
Degene die algemene voorwaarden
gebruikt in een overeenkomst met een consument, bindt die consument
niet aan een beding als bedoeld in artikel 236 van Boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 8.4
Bij een consumentenkoop als bedoeld
in artikel 5, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek,
neemt de verkoper artikel 6a, tweede en derde lid, van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek in acht.
Artikel 8.5
1. De toezending van een niet
bestelde zaak of het verrichten van een niet opgedragen dienst met
het verzoek tot betaling van een prijs, bedoeld in artikel 7,
tweede en vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is
niet toegestaan.
2. De verkoper of dienstverlener
neemt bij een koop op afstand als bedoeld in artikel 46a, onder b,
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 46c en 46h,
eerste, tweede, vierde, vijfde en zevende lid, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek in acht.
3. Een ieder die elektronische
contactgegevens voor elektronische berichten heeft verkregen in
het kader van de verkoop van een zaak mag deze gegevens slechts
gebruiken voor het overbrengen van communicatie ter bevordering
van de totstandkoming van een koop op afstand met betrekking tot
eigen gelijksoortige zaken, indien daarbij artikel 46h, derde lid,
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in acht wordt genomen.
4. Degene die ongevraagd
communicatie overbrengt of mededelingen doet ter bevordering van
de totstandkoming van een koop op afstand, neemt artikel 46h,
zesde en zevende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in
acht.
5. Op het bepaalde in het tweede
tot en met het vierde lid, is artikel 46i van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.6
Een handelaar als bedoeld in artikel
50a, onderdeel b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, die een
overeenkomst aangaat als bedoeld in artikel 50a, onderdelen c tot en
met f, van dat Boek, neemt de artikelen 50b en 50c van Boek 7 van
dat Boek in acht. Op de vorige volzin zijn de artikelen 50g lid 1 en
50h van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 8.7
Een reisorganisator als bedoeld in
artikel 500 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek neemt de bij of
krachtens de artikelen 501 en 502 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek gestelde eisen in acht.
Artikel 8.8
Het is een handelaar niet toegestaan
oneerlijke handelspraktijken te verrichten als bedoeld in Afdeling
3A van Titel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 8.9
De dienstverrichter die diensten
verricht als bedoeld in richtlijn 2006/123/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006
betreffende diensten op de interne markt (PbEU L 376), neemt de
bepalingen van Afdeling 2a van titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek in acht.
Hoofdstuk 9. Wijziging in andere
wetten
Artikel 9.1
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek
3]
Artikel 9.2
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak
bedrijfsorganisatie]
Artikel 9.3
[Wijzigt de Wet op de economische
delicten]
Artikel 9.4
[Wijzigt de Prijzenwet]
Artikel 9.5
[Wijzigt de Elektriciteitswet 1998]
Artikel 9.6
[Wijzigt de Wet financiële
dienstverlening]
Artikel 9.7
[Wijzigt de Wet marktordening
gezondheidszorg]
Artikel 9.8
[Wijzigt de Gaswet]
Artikel 9.9
Zolang het bij koninklijke boodschap
van 8 december 2003 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van
een nieuwe Geneesmiddelenwet, Kamerstukken II, nr. 29 359, nog niet
tot wet is verheven en in werking is getreden, zijn de krachtens
artikel 22 van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening aangewezen
ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid belast met
het toezicht, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid.
Hoofdstuk 10. Slotbepalingen
Artikel 10.1
Onze Minister brengt jaarlijks vóór
1 juni verslag uit over de werkzaamheden van de
Consumentenautoriteit in het afgelopen jaar en brengt dit verslag
ter kennis van de beide Kamers van de Staten-Generaal.
Artikel 10.2
1. Onze Minister zendt binnen vier
jaar na de inwerkingtreding van de wet en vervolgens na iedere
vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en doelmatigheid van:
a. het functioneren van de
Consumentenautoriteit;
b. de samenwerking en
coördinatie tussen de bevoegde autoriteiten en andere
overheidsinstanties, voor zover deze betrekking hebben op de
handhaving van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel
a van de bijlage bij deze wet.
2. Het verslag, bedoeld in het
eerste lid, omvat mede een rapportage betreffende de bestuurlijke
vormgeving van de Consumentenautoriteit.
Artikel 10.3
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter uitvoering
van overeenkomsten als bedoeld in artikel 18 van verordening
2006/2004.
2. Bij de regels, bedoeld in het
eerste lid, kunnen taken worden opgedragen en bevoegdheden worden
verleend aan een krachtens deze wet aangewezen bevoegde
autoriteit.
Artikel 10.4
[Wijzigt deze wet]
Artikel 10.5
Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 10.6
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
handhaving consumentenbescherming.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle
ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 20 november 2006
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Economische Zaken,
C.E.G. van Gennip
Uitgegeven de vijfde
december 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage bij de wet
Onderdeel a
| Richtlijn
90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende
pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en
rondreispakketten (PbEG L 158) |
het bepaalde bij of krachtens
de artikelen 500 en 503 tot en met 513 van boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek |
|
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad
van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in
consumentenovereenkomsten (PbEG L 95); Richtlijn laatstelijk
gewijzigd bij Besluit 2002/995/EG van de Commissie (PbEG L
353) |
artikelen 231 tot en met 235 en
237 tot en met 247 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek,
tenzij de overtreder een beding als bedoeld in artikel 236 van
boek 6 van het Burgerlijk Wetboek gebruikt |
|
Richtlijn 2008/122/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende
de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde
aspecten van overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd,
vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling
(PbEU L 33/10) |
artikel 50a en de artikelen 50d
tot en met 50i van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek |
|
Richtlijn 97/7/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de
bescherming van de consument bij op afstand gesloten
overeenkomsten (PbEG L 144); Richtlijn laatstelijk gewijzigd
bijRichtlijn 2002/65/EG (PbEG L 271). |
artikelen 46a, 46b, 46d tot en
met 46g, 46i, uitgezonderd de tweede volzin van het eerste
lid, en 46j van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek |
|
Richtlijn 1999/44/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende
bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor
consumptiegoederen (PbEG L 171) |
artikelen 5, 6 en 6a, eerste,
vierde en vijfde lid, artikelen 17 tot en met 19, artikelen 21
tot en met 23 en artikel 25 van boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek |
|
Richtlijn 2000/31/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende
bepaalde juridische aspecten van de diensten van de
informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in
de interne markt («Richtlijn inzake elektronische handel») (PbEG
L 178) |
artikelen 15a tot en met 15c en
15f van boek 3, artikel 196c en artikelen 227a, 227b, vierde,
vijfde en zesde lid, en 227c, derde, vijfde en zesde lid, van
boek 6 van het Burgerlijk Wetboek |
Onderdeel b
| Richtlijn
85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de
bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten
gesloten overeenkomsten (PbEG L 372) |
het bepaalde bij of krachtens
de Colportagewet, voor zover niet betrekking hebbend op een
financiële dienst of activiteit |
|
Richtlijn 98/6/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende
de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van
aan de consument aangeboden producten (PbEG L 80) |
het bepaalde bij of krachtens
de artikelen 2b en 3, voor zover samenhangend met artikel 2b,
van de Prijzenwet |
|
Richtlijn 2000/31/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende
bepaalde juridische aspecten van de diensten van de
informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in
de interne markt («Richtlijn inzake elektronische handel») (PbEG
L 178) |
Artikel 8.2 van deze wet, voor
zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
|
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad
van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in
consumentenovereenkomsten (PbEG L 95); Richtlijn laatstelijk
gewijzigd bij Besluit 2002/995/EG van de Commissie (PbEG L
353) |
Artikel 8.3 van deze wet, voor
zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
|
Richtlijn 1999/44/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende
bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor
consumptiegoederen (PbEG L 171) |
Artikel 8.4 van deze wet, voor
zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
|
Richtlijn 97/7/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de
bescherming van de consument bij op afstand gesloten
overeenkomsten (PbEG L 144); Richtlijn laatstelijk gewijzigd
bijRichtlijn 2002/65/EG (PbEG L 271). |
Artikel 8.5 van deze wet en
artikelen 11.7 en 11.8 van de Telecommunicatiewet, voor zover
niet betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
|
Richtlijn 2008/122/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende
de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde
aspecten van overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd,
vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling
(PbEU L 33/10) |
Artikel 8.6 van deze wet, voor
zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
|
Richtlijn 90/314/EEG van de
Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip
van vakantiepakketten en rondreispakketten (PbEG L 158) |
Artikel 8.7 van deze wet, voor
zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
|
Richtlijn 2005/29/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende
oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens
consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn
84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en
2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van
Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en
de Raad («Richtlijn oneerlijke handelspraktijken») (PbEU
2005, L 149) |
artikel 8.8 van deze wet, voor
zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
|
Richtlijn 2006/123/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12
december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU L
376) |
artikel 8.9 van deze wet |
|
Artikel 23 van verordening (EG)
nr. 1008/2008 van het Europees parlement en de Raad van de
Europese Unie van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke
regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap
(PbEU L 293) |
|
|
Richtlijn 2002/58/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de
verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische
communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische
communicatie) (PbEG L 201): artikel 13 |
artikel 11.7 van de
Telecommunicatiewet |
Onderdeel c
Sub c.1
| Richtlijn
87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de
harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PbEG L
42); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/7/EG van
het Europees Parlement en de Raad (PbEG 1998, L 101). |
het bepaalde ingevolge de
artikelen 2:60, 2:80, 4:20, derde en vierde lid, en 4:33,
derde en vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht |
|
Richtlijn 2002/65/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002
betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan
consumenten (PbEU L 271) |
het bepaalde ingevolge de
artikelen 4:19, tweede lid, en 4:20, eerste tot en met vijfde
lid, van de Wet op het financieel toezicht |
Sub c.2
| Richtlijn
2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni
2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten
van de informatiemaatschappij, met name de elektronische
handel, in de interne markt («Richtlijn inzake elektronische
handel») (PbEG L 178) |
Artikel 8.2 van deze wet, voor
zover betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
|
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad
van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in
consumentenovereenkomsten (PbEG L 95); Richtlijn laatstelijk
gewijzigd bij Besluit 2002/995/EG van de Commissie (PbEG L
353) |
Artikel 8.3 van deze wet, voor
zover betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
|
Richtlijn 1999/44/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende
bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor
consumptiegoederen (PbEG L 171) |
Artikel 8.4 van deze wet, voor
zover betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
|
Richtlijn 97/7/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de
bescherming van de consument bij op afstand gesloten
overeenkomsten (PbEG L 144); Richtlijn laatstelijk gewijzigd
bijRichtlijn 2002/65/EG (PbEG L 271). |
Artikel 8.5 van deze wet en
artikelen 11.7 en 11.8 van de Telecommunicatiewet, voor zover
betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit |
|
Richtlijn 90/314/EEG van de
Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip
van vakantiepakketten en rondreispakketten (PbEG L 158) |
Artikel 8.7 van deze wet, voor
zover betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
Onderdeel d
| Richtlijn
85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de
bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten
gesloten overeenkomsten (PbEG L 372) |
het bepaalde bij of krachtens
de Colportagewet, voor zover betrekking hebbend op een
financiële dienst of activiteit |
|
Richtlijn 2005/29/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende
oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens
consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn
84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en
2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van
Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en
de Raad («Richtlijn oneerlijke handelspraktijken») (PbEU
2005, L 149) |
artikel 8.8 van deze wet, voor
zover betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
|
Richtlijn 2008/122/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende
de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde
aspecten van overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd,
vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling
(PbEU L 33/10) |
Artikel 8.6 van deze wet, voor
zover betrekking hebbend op een financiële dienst of
activiteit |
Onderdeel e
| Richtlijn
2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6
november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek
betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik: artikelen
86 tot 100 (PbEG L 311); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij
Richtlijn 2004/27/EG (PbEU 2004, L 136).
Artikel 14, eerste en tweede
lid, en 17, derde lid van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van
3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten
inzake de uitoefening van bestuursrechtelijke bepalingen in de
lidstaten inzake de uitoefening van
televisieomroepactiviteiten (PbEG L 298); Richtlijn
laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees
Parlement en de Raad (PbEG 1997, L 202) |
de artikelen 82 tot en met 96
Geneesmiddelenwet |
Onderdeel f
| Artikelen
10, 11, 17, eerste, tweede en vierde lid, 18 tot en met 21 van
Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989
betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de
uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PbEG L 298);
Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het
Europees Parlement en de Raad (PbEG 1997, L 202) |
artikelen uit de Mediawet 2008:
1.1, 2.1, tweede lid, onderdeel e, 2.88, 2.89, 2.94, eerste en
tweede lid, onderdeel a, 2.95, eerste lid, onderdelen b en c,
en tweede lid, 2.96, 2.97, 2.106, derde lid, 2.107, 2.109,
tweede lid, 2.113, 2.114, eerste lid, 3.5 en 3.7 tot en met
3.18 |
|
Artikelen 12, 15 en 16 van
Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober betreffende de
coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van
televisieomroepactiviteiten (PbEG L 298); Richtlijn
laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees
Parlement en de Raad (PbEG 1997, L 202) |
De artikelen in de Nederlandse
Reclame Code en de Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken
van de Stichting Reclame Code die dienen ter implementatie van
de artikelen 12, 15 en 16 van Richtlijn 89/552/EEG, gewijzigd
bij Richtlijn 97/36/EG, en waarop de artikelen 2.92, 3.6 en
9.16 van de Mediawet 2008 van toepassing zijn. |
Onderdeel g
| Verordening
(EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11
februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels
inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij
instapweigering en annulering of langdurige vertraging van
vluchten (PbEU L 46) |
|
Verordening (EU) nr. 1177/2010
van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010
betreffende de rechten van passagiers die over zee of
binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening
(EG) nr. 2006/2004 (PbEU 2010 L 334) |
Onderdeel h
| Artikelen
13 en 17, tweede lid van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van
3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten
inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PbEG
L298 ); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG
van het Europees Parlement en de Raad (PbEG 1997, L 202) |
artikelen 4 en 5 van de
Tabakswet |
|