| |
|
|
|
|
vorige
WET
INBURGERING (Wi)
Tekst zoals deze geldt op
20 juli 2010
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit
inburgering
- Regeling
inburgering
-
Regeling persoonsvolgend budget voor inburgering in de opvang'
WET van 30 november 2006, houdende regels
inzake inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is het huidige stelsel van inburgering in de Nederlandse
samenleving te herzien door een algemene plicht tot inburgeren voor
vreemdelingen en een plicht tot inburgering voor enkele categorieën
Nederlanders te introduceren, alsmede het verstrekken van bepaalde
verblijfsvergunningen afhankelijk te maken van het behalen van het
inburgeringsexamen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie;
b. inburgeringsplichtige: de persoon die op grond van de
artikelen 3, 5 en 6 inburgeringsplichtig is;
c. oudkomer: de vreemdeling die sedert het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet rechtmatig verblijf heeft in de zin
van artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de
Vreemdelingenwet 2000 en die op grond van de artikelen 3 en 5
inburgeringsplichtig wordt, voor zover die vreemdeling op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet geen nieuwkomer
was in de zin van de Wet inburgering nieuwkomers;
d. leerplichtige leeftijd: de leeftijd waarop bij verblijf in
Nederland sprake is van een verplichting tot inschrijving als
bedoeld in artikel 3 van de Leerplichtwet 1969;
e. inburgeringsplicht: de verplichting, bedoeld in artikel 7;
f. college: het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar
woonplaats heeft in de zin van titel 3 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek;
g. geestelijke bedienaar: de persoon die een geestelijk,
godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt bekleedt, arbeid verricht
als geestelijk voorganger, godsdienstleraar of zendeling, dan wel
ten behoeve van een kerkgenootschap of een ander genootschap op
geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag werkzaamheden van
overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard
verricht;
h. exameninstelling: een krachtens artikel 15, eerste lid,
aangewezen instelling;
i. cursusinstelling: een rechtspersoon of een natuurlijk
persoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf
werkzaamheden verricht, gericht op het toeleiden van
inburgeringsplichtigen of vrijwillige inburgeraars naar het
inburgeringsexamen en die:
1°. zolang op grond van artikel 9 geen regels zijn gesteld
over de afgifte van een certificaat, in het bezit is van een
door Onze Minister aan te wijzen keurmerk, of
2°. indien op grond van artikel 9 regels zijn gesteld over
de afgifte daarvan: in het bezit is van een certificaat als
bedoeld in artikel 9;
j. inburgeringsexamen: het examen, bedoeld in artikel 13,
eerste lid;
k. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
l. overheidswerkgever: hetgeen daaronder wordt verstaan in
artikel 1, onderdeel i, van de Werkloosheidswet;
m. burgerservicenummer: het als zodanig overeenkomstig de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer aan een natuurlijke
persoon toegekend nummer;
n. eigenrisicodrager: de werkgever aan wie de toestemming is
verleend, bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b of
c, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
o. Centrale organisatie werk en inkomen: de Centrale
organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
p. algemene bijstand: algemene bijstand als bedoeld in artikel
5, onderdeel b, van de Wet werk en bijstand;
q. vrijwillige inburgeraar: de Nederlander en een persoon als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, die:
1°. ouder is dan 15 jaar;
2°. minder dan acht jaren tijdens de leerplichtige
leeftijd in Nederland heeft verbleven;
3°. niet beschikt over een bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aangewezen diploma, certificaat of ander
document;
4°. niet leerplichtig of kwalificatieplichtig is, dan wel
een opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking
van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
aangewezen diploma, certificaat of ander document;
r. inburgeringsbedrijf: een natuurlijk persoon of rechtspersoon
die in het kader van uitoefening van beroep of bedrijf de
inburgering van personen in Nederland bevordert.
s. persoonlijk inburgeringsbudget: een budget dat door het
college, in het kader van een te sluiten overeenkomst met een
inburgeringsbedrijf, ten behoeve van een inburgeringsplichtige of
vrijwillige inburgeraar ter beschikking wordt gesteld met behulp
waarvan de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar zijn
inburgering op een op zijn persoonlijke situatie afgestemde wijze
vorm geeft.
2. Bij regeling van Onze Minister kan de geestelijke bedienaar,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, nader worden omschreven.
Artikel 2
Een minderjarige is bekwaam de rechtshandelingen te verrichten die
noodzakelijk zijn met betrekking tot de uitoefening, onderscheidenlijk
de nakoming van de voor hem uit deze wet en de daarop berustende
bepalingen voortvloeiende rechten en verplichtingen.
Hoofdstuk 2. Inburgeringsplicht
Artikel 3
1. Inburgeringsplichtig is de vreemdeling met rechtmatig verblijf
in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de
Vreemdelingenwet 2000, die:
a. anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft,
of
b. geestelijke bedienaar is.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over
het voortduren van de inburgeringsplicht in geval van tijdelijke
beëindiging van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent het tijdelijke doel, bedoeld in het eerste lid,
waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het verblijfsrecht van
tijdelijke aard, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van
de Vreemdelingenwet 2000.
4. De inburgeringsplicht, bedoeld in het eerste lid, wordt niet met
terugwerkende kracht gevestigd.
Artikel 4 [Vervallen per 27-06-2008]
Artikel 5
1. In afwijking van artikel 3 is niet inburgeringsplichtig degene
die:
a. jonger dan 16 jaar is dan wel 65 jaar of ouder is;
b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in
Nederland heeft verbleven;
c. beschikt over een bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aangewezen diploma, certificaat of ander document;
d. leerplichtig of kwalificatieplichtig is;
e. aansluitend op de leerplicht of kwalificatieplicht een
opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een
krachtens onderdeel c aangewezen diploma, certificaat of ander
document;
f. heeft aangetoond te beschikken over voldoende mondelinge en
schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en evidente
kennis van de Nederlandse samenleving.
2. Evenmin is inburgeringsplichtig:
a. de persoon die onderdaan is van een lidstaat van de Europese
Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, of Zwitserland;
b. het familielid van de persoon, bedoeld in onderdeel a, dat
onderdaan is van een derde staat en dat uit hoofde van richtlijn
2004/38/EG, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte dan wel de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen
en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat,
anderzijds, over het vrije verkeer van personen, gerechtigd is
Nederland binnen te komen en er te verblijven;
c. de vreemdeling die ingevolge de wetgeving van een lidstaat
van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte heeft
voldaan aan een inburgeringsvereiste om de status van langdurig
ingezetene in de zin van richtlijn 2003/109/EG van 25 november
2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van
derde landen (PbEU L 16) te verkrijgen;
d. de persoon die anderszins op grond van bepalingen van
verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen
inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7 kan worden opgelegd.
3. De inburgeringsplichtige die beschikt over een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aangewezen diploma, certificaat of
ander document, waaruit blijkt dat hij reeds beschikt over een deel
van de vaardigheden en kennis, bedoeld in artikel 7, is vrijgesteld
van de verplichting om dat deel van die kennis of vaardigheden te
verwerven en het betreffende deel van het inburgeringsexamen te
behalen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent:
a. verdere gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de
inburgeringsplicht;
b. het verblijf, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
c. de toepassing van het eerste lid, onderdeel f.
5. Onze Minister kan beleidsregels vaststellen omtrent de
toepassing van het tweede lid, onderdeel d.
Artikel 6
1.Het college ontheft de inburgeringsplichtige van de
inburgeringsplicht, indien die inburgeringsplichtige heeft aangetoond
door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een
verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het
inburgeringsexamen te behalen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
voorzien in:
a. verdere ontheffing van de inburgeringsplicht, en
b. nadere regels omtrent de toepassing van het eerste lid.
Artikel 7
1. De inburgeringsplichtige verwerft mondelinge en schriftelijke
vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse
samenleving. Hij draagt er zorg voor dat hij het inburgeringsexamen
binnen drieënhalf jaar behaalt. De termijn voor de oudkomer vangt
niet aan dan nadat het college zulks ten aanzien van hem op grond van
artikel 26 heeft bepaald.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent:
a. het niveau van de kennis en vaardigheden, bedoeld in het
eerste lid, waarbij voor verschillende categorieën
inburgeringsplichtigen verschillende niveaus kunnen worden
vastgesteld;
b. de verlenging van de termijn, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8
De gemeenteraad stelt bij verordening regels over de
informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, ter
zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van
het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen of
taalkennisvoorzieningen.
Hoofdstuk 3. Overheidscertificering
Artikel 9
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld voor de afgifte van een certificaat aan een
rechtspersoon of een natuurlijk persoon die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf werkzaamheden verricht gericht op
het toeleiden van inburgeringsplichtigen of vrijwillige inburgeraars
naar het inburgeringsexamen.
2. Onze Minister dan wel een door Onze Minister op grond van
artikel 10 aangewezen instelling beslist op aanvraag over de afgifte
van het certificaat, bedoeld in het eerste lid, en is tevens bevoegd
een afgegeven certificaat in te trekken.
3. Een certificaat wordt afgegeven voor een beperkte tijdsduur. Aan
een certificaat kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld omtrent:
a. de aanvraag en de gegevens die daarbij van de aanvrager
worden verlangd;
b. de gronden waarop en de gevallen waarin de afgifte van een
certificaat kan worden geweigerd dan wel een afgegeven certificaat
kan worden verlengd of ingetrokken;
c. de vergoeding die verschuldigd is in verband met de afgifte
van een certificaat en de betaling daarvan.
Artikel 10
1.Onze Minister kan op aanvraag een instelling aanwijzen die de
bevoegdheden, bedoeld in artikel 9, tweede lid, uitoefent.
2.Aan een aanwijzing krachtens het eerste lid kunnen voorschriften
worden verbonden.
3.Een krachtens dit artikel aangewezen instelling verstrekt
desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de voor de uitoefening van
zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen
van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling
van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
gesteld worden voor:
a. de gronden waarop de in het eerste lid bedoelde aanwijzing
kan worden gegeven, ingetrokken dan wel gewijzigd;
b. het opstellen van een verslag van werkzaamheden ten behoeve
van Onze Minister;
c. het toezicht op de instelling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 11
1.Onze Minister kan de krachtens artikel 10 aangewezen instelling
aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van haar taken.
Hij treedt daarbij niet in individuele gevallen.
2.De krachtens artikel 10 aangewezen instelling is gehouden
overeenkomstig de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, te handelen.
Artikel 12
1.Indien naar het oordeel van Onze Minister de krachtens artikel 10
aangewezen instelling zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze
Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.
2.De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet
eerder getroffen dan nadat de krachtens artikel 10 aangewezen
instelling in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze
Minister te stellen termijn alsnog haar taak naar behoren uit te
voeren.
3.Onze Minister stelt beide kamers der Staten-Generaal onverwijld
in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het
eerste lid.
Hoofdstuk 4. Inburgeringsexamen
Artikel 13
1.Onze Minister stelt het inburgeringsexamen vast.
2.Het inburgeringsexamen omvat een onderzoek naar de kennis en
vaardigheden die de inburgeringsplichtige ingevolge artikel 7 moet
hebben verworven.
3.Het inburgeringsexamen bestaat uit een centraal deel en een
praktijkdeel.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent het inburgeringsexamen. Daarbij worden in ieder geval
regels gesteld omtrent:
a. de terzake van het inburgeringsexamen verschuldigde kosten;
b. de identificatie van de persoon die aan het
inburgeringsexamen deelneemt;
c. de inhoud van het inburgeringsexamen;
d. de examencommissie;
e. het beroep tegen de uitslag van het praktijkdeel van het
inburgeringsexamen, en
f. het diploma.
Artikel 14
1.Het inburgeringsexamen is behaald, indien:
a. alle daartoe behorende examens met goed gevolg zijn
afgelegd, of
b. ingeval van gedeeltelijke vrijstelling, de overige daartoe
behorende examens met goed gevolg zijn afgelegd.
2.Ten bewijze dat het inburgeringsexamen is behaald, wordt een
diploma uitgereikt.
3.Bij regeling van Onze Minister wordt het model van het diploma
vastgesteld.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de geldigheidsduur van de uitslagen van de tot
het inburgeringsexamen behorende examens.
Artikel 15
1. Het praktijkdeel van het inburgeringsexamen wordt afgenomen door
Onze Minister en de door Onze Minister aangewezen exameninstellingen.
2. Onze Minister neemt het centrale deel van het inburgeringsexamen
af.
3. Aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kunnen
voorschriften worden verbonden.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent:
a. de eisen waaraan de exameninstelling moet voldoen;
b. de aanvraag en de gegevens die daarbij van de aanvrager
worden verlangd;
c. de gronden waarop aanwijzing kan worden geweigerd, geschorst
en ingetrokken;
d. de terzake van de aanwijzing verschuldigde kosten en de
betaling daarvan, en
e. de door de exameninstelling aan Onze Minister, aan gemeenten
en aan anderen die betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet
te verstrekken gegevens.
5. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid,
kan worden bepaald dat het praktijkdeel van het inburgeringsexamen of
een onderdeel daarvan, in afwijking van het eerste lid, wordt
afgenomen door een bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur
aangewezen exameninstelling, indien de kandidaat een geestelijk
bedienaar is.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent het toezicht op de exameninstellingen door een
onafhankelijke instantie.
Hoofdstuk 5. Faciliteiten
§ 1. Algemeen
Artikel 16
1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een lening aan de
inburgeringsplichtige indien is voldaan aan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels omtrent de voorwaarden
waaronder en de wijze waarop de lening wordt verstrekt.
2. Het bedrag van de lening wordt betaald aan de door de
inburgeringsplichtige aangewezen cursusinstelling en exameninstelling.
3. De inburgeringsplichtige of gewezen inburgeringsplichtige
betaalt de lening vermeerderd met de volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels berekende rente terug.
4. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur worden tevens regels gesteld omtrent:
a. de hoogte van de lening;
b. de betaling en de terugbetaling van de lening, en
c. kwijtschelding.
5. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld omtrent het
verstrekken van een lening aan een inburgeringsplichtige ten behoeve
van het verwerven van kennis en vaardigheden op een hoger niveau dan
is vastgesteld op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a.
Artikel 17
1. De terugbetalingsperiode vangt niet eerder aan dan zes maanden
nadat drie jaar zijn verstreken sedert de verstrekking van de lening
of, indien dat eerder is, zes maanden nadat het inburgeringsexamen is
behaald.
2. Onze Minister kan het terug te betalen bedrag invorderen bij
dwangbevel.
3. Indien de lening wordt kwijtgescholden, gaat de over het
kwijtgescholden bedrag opgebouwde rente op het tijdstip van
kwijtschelding teniet.
Artikel 18
1. Overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te stellen regels verstrekt Onze Minister een vergoeding aan de
gewezen inburgeringsplichtige die binnen drie jaar het
inburgeringsexamen heeft behaald.
2. Voor de oudkomer vangt de termijn, bedoeld in het eerste lid,
niet aan, dan nadat het college zulks ten aanzien van hem op grond van
artikel 26 heeft bepaald.
3. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur worden tevens regels gesteld omtrent:
a. de criteria voor het verstrekken van de vergoeding;
b. de aanvraag van de vergoeding;
c. de wijze waarop het bedrag wordt bepaald;
d. de vaststelling van de vergoeding;
e. de betaling,
f. de verrekening met de lening, bedoeld in artikel 16, en
g. de verlenging van de termijn van drie jaar, bedoeld in het
eerste lid.
4. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld omtrent het
verstrekken van een vergoeding aan de gewezen inburgeringsplichtige
die kennis en vaardigheden heeft verworven op een hoger niveau dan is
vastgesteld op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a.
§ 2. Gemeentelijk aanbod aan inburgeringsplichtigen
Artikel 19
1. Het college biedt in ieder geval aan:
a. een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening aan
de inburgeringsplichtige die houder is van een verblijfsvergunning
als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000, dan
wel
b. een inburgeringsvoorziening aan de inburgeringsplichtige die
geestelijke bedienaar is omtrent welk aanbod bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld.
2. Indien de inburgeringsplichtige daarom verzoekt, kan de
inburgeringsvoorziening, de taalkennisvoorziening of de
inburgeringscomponent van de gecombineerde voorziening, bedoeld in
artikel 20, eerste lid, worden aangeboden in de vorm van een
persoonlijk inburgeringsbudget.
3. Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het
inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
II, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs en omvat het eenmaal kosteloos afleggen
van het desbetreffende examen. Een taalkennisvoorziening is gericht op
de verwerving van de kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk
is voor het kunnen afronden van een beroepsopleiding als bedoeld in
artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs.
4. Een aanbod aan de inburgeringsplichtige die algemene bijstand of
een uitkering op grond van een van de bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen socialezekerheidswetten of
socialezekerheidsregelingen ontvangt, wordt afgestemd op diens
mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Het college stemt het aanbod
aan de inburgeringsplichtige af op de aard van de arbeid die de
inburgeringsplichtige verricht of past de aangeboden
inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening zonodig aan aan de
aard van de arbeid die de inburgeringsplichtige gaat verrichten.
5. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot
het eerste, tweede en derde lid. Deze regels hebben in ieder geval
betrekking op:
a. de procedure die door het college wordt gevolgd voor het
doen van een aanbod als bedoeld in het eerste lid, en de criteria
die daarbij worden gehanteerd, en
b. de vaststelling door het college van een passende
inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, met inbegrip van
de totstandkoming en de samenstelling van die voorziening.
6. Voor de inburgeringsplichtige die houder is van een
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de
Vreemdelingenwet 2000 maakt maatschappelijke begeleiding onderdeel uit
van de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot het persoonlijk
inburgeringsbudget.
Artikel 19A
1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat het college een
inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening voor een
inburgeringsplichtige kan vaststellen.
2. Indien de gemeenteraad toepassing heeft gegeven aan het eerste
lid:
a. kan het college geen inburgeringsvoorziening of
taalkennisvoorziening aanbieden;
b. zijn de artikelen 19, 20 en 21 van overeenkomstige
toepassing, met uitzondering van artikel 19, eerste lid, indien
een inburgeringsplichtige als bedoeld in dat lid ten genoegen van
het college aannemelijk heeft gemaakt dat hij een opleiding volgt
of gaat volgen waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een
krachtens artikel 5, eerste lid, onderdeel c, aangewezen diploma,
certificaat of ander document, en
c. geeft het college, indien de vaststelling betrekking heeft
op een oudkomer, daarbij tevens toepassing aan artikel 26.
Artikel 20
1. Een aanbod voor een inburgeringsvoorziening of een
taalkennisvoorziening aan de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel
19, vierde lid, die tevens verplicht is om arbeid te verkrijgen en te
aanvaarden, wordt uitsluitend gedaan in combinatie met een op grond
van de Wet werk en bijstand, dan wel de Wet investeren in jongeren,
dan wel een van de bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
artikel 19, vierde lid, aan te wijzen socialezekerheidswetten of
socialezekerheidsregelingen, aangeboden voorziening gericht op
arbeidsinschakeling. Binnen een gecombineerde voorziening kunnen
onderdelen volgtijdelijk worden ingezet.
2. Het college is verantwoordelijk voor het aanbieden van een
gecombineerde voorziening als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 21
1. Het college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
de door hem aangewezen deskundige, de desbetreffende eigenrisicodrager
en de desbetreffende overheidswerkgever werken samen bij de uitvoering
van artikel 19, vierde lid, artikel 20, eerste lid, en artikel 22.
2. Het college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
de desbetreffende eigenrisicodrager en de desbetreffende
overheidswerkgever maken in ieder geval afspraken met betrekking tot
de inkoop van een gecombineerde voorziening als bedoeld in artikel 20,
eerste lid, de wijze waarop die voorziening feitelijk wordt aangeboden
en de onderlinge gegevensuitwisseling.
Artikel 22
1. Het college stelt de inburgeringsvoorziening of
taalkennisvoorziening vast, nadat de inburgeringsplichtige een door
het college aangeboden inburgeringsvoorziening of
taalkennisvoorziening heeft aanvaard.
2. Indien de beschikking, bedoeld in het eerste lid, betrekking
heeft op een oudkomer, geeft het college daarin tevens toepassing aan
artikel 26.
Artikel 23
1.De inburgeringsplichtige verleent medewerking aan de uitvoering
van de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening.
2.De inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
een taalkennisvoorziening is vastgesteld, is een eigen bijdrage
verschuldigd van € 270, welk bedrag bij algemene maatregel van
bestuur kan worden gewijzigd.
3.De gemeenteraad stelt bij verordening regels over de rechten en
plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening is vastgesteld.
Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de inning van de eigen
bijdrage door het college en de mogelijkheid van betaling in
termijnen.
4.Indien de inburgeringsplichtige, voor wie een
inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening is vastgesteld,
op grond van artikel 27 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens wordt ingeschreven in een andere gemeente, wordt die
voorziening voortgezet, tenzij het college van de andere gemeente
binnen zes weken na die inschrijving te kennen heeft gegeven dat zij
vervalt. In dat geval biedt hij de inburgeringsplichtige een
gelijkwaardig inburgeringsalternatief aan.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent het inburgeringsalternatief, bedoeld in het vierde
lid.
Artikel 24
1. Het college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
de eigenrisicodrager kunnen de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23,
tweede lid, verrekenen met algemene bijstand of verrekenen met dan wel
inhouden op een uitkering op grond van een van de bij de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19, vierde lid, aan te
wijzen socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen.
2. Indien degene die de eigen bijdrage verschuldigd is een
uitkering ontvangt op grond van een van de socialezekerheidswetten of
socialezekerheidsregelingen, bedoeld in het eerste lid, die wordt
uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de
eigenrisicodrager, betaalt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de eigenrisicodrager desgevraagd aan het
college het bedrag van die bijdrage.
3. Het college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
de eigenrisicodrager zijn niet bevoegd tot verrekening dan wel
inhouding voorzover beslag op hun vordering nietig zou zijn.
4. Het college kan de eigen bijdrage bij dwangbevel invorderen.
§ 3. Gemeentelijk aanbod aan vrijwillige inburgeraars
Artikel 24a
1. Het college kan een inburgeringsvoorziening aanbieden aan een
vrijwillige inburgeraar. Het college kan in afwijking van de eerste
volzin aan een vrijwillige inburgeraar die een beroepsopleiding als
bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs volgt of zal volgen een
taalkennisvoorziening aanbieden.
2. Indien de vrijwillige inburgeraar daarom verzoekt, kan de
inburgeringsvoorziening, de taalkennisvoorziening of de
inburgeringscomponent van de gecombineerde voorziening, bedoeld in
artikel 24b, eerste lid, worden aangeboden in de vorm van een
persoonlijk inburgeringsbudget.
3. Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het
inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
II, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs en omvat het eenmaal kosteloos afleggen
van het desbetreffende examen. Een taalkennisvoorziening is gericht op
de verwerving van de kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk
is voor het kunnen afronden van een beroepsopleiding als bedoeld in
het eerste lid, tweede volzin.
4. Een aanbod aan de vrijwillige inburgeraar die algemene bijstand
of een uitkering op grond van een van de bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen socialezekerheidswetten of
socialezekerheidsregelingen ontvangt, wordt afgestemd op diens
mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Het college stemt het aanbod
aan de vrijwillige inburgeraar af op de aard van de arbeid die de
vrijwillige inburgeraar verricht of past de aangeboden
inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening zonodig aan aan de
aard van de arbeid die de vrijwillige inburgeraar gaat verrichten.
5. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot
het eerste, tweede en derde lid. Deze regels hebben in ieder geval
betrekking op:
a. de procedure die door het college wordt gevolgd voor het
doen van een aanbod als bedoeld in het eerste en tweede lid en de
criteria die daarbij worden gehanteerd, en
b. de wijze waarop het college met een vrijwillige inburgeraar
in overleg treedt om te komen tot een passende
inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening met inbegrip van
de totstandkoming en de samenstelling van die voorziening.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent het persoonlijk inburgeringsbudget.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent het aanbod van de
inburgeringsvoorziening aan de vrijwillige inburgeraar die geestelijke
bedienaar is.
Artikel 24b
1. Een aanbod voor een inburgeringsvoorziening of een
taalkennisvoorziening aan de vrijwillige inburgeraar die algemene
bijstand of een uitkering op grond van een van de bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen socialezekerheidswetten of
socialezekerheidsregelingen ontvangt, en die tevens verplicht is om
arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, wordt uitsluitend gedaan in
combinatie met een op grond van de Wet werk en bijstand, dan wel de
Wet investeren in jongeren, dan wel een van de bij die algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen socialezekerheidswetten of
socialezekerheidsregelingen, aangeboden voorziening gericht op
arbeidsinschakeling. Binnen een gecombineerde voorziening kunnen
onderdelen volgtijdelijk worden ingezet.
2. Het college is verantwoordelijk voor het aanbieden van een
gecombineerde voorziening als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 24c
1. Het college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
de door hem aangewezen deskundige, de desbetreffende eigenrisicodrager
en de desbetreffende overheidswerkgever werken samen bij de uitvoering
van de artikelen 24a, derde lid, 24b, eerste lid, en 24d.
2. Het college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
de desbetreffende eigenrisicodrager en de desbetreffende
overheidswerkgever maken in ieder geval afspraken met betrekking tot
de inkoop van een gecombineerde voorziening als bedoeld in artikel
24b, eerste lid, de wijze waarop die voorziening feitelijk wordt
aangeboden en de onderlinge gegevensuitwisseling.
Artikel 24d
1. Indien de vrijwillige inburgeraar in aanmerking wordt gebracht
voor een inburgeringsvoorziening, een taalkennisvoorziening of een
gecombineerde voorziening als bedoeld in artikel 24b, eerste lid, doet
het college de vrijwillige inburgeraar terzake een aanbod als bedoeld
in artikel 24a, eerste lid.
2. Indien de vrijwillige inburgeraar het aanbod, bedoeld in het
eerste lid, aanvaardt, sluit het college een overeenkomst met de
vrijwillige inburgeraar.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de overeenkomst.
Artikel 24e
1. De vrijwillige inburgeraar met wie een inburgeringsvoorziening
of een taalkennisvoorziening is overeengekomen, is de in artikel 23,
tweede lid, bedoelde eigen bijdrage verschuldigd.
2. In afwijking van het eerste lid kan de gemeenteraad voor
vrijwillige inburgeraars of bepaalde categorieën vrijwillige
inburgeraars bij verordening bepalen dat:
a. geen eigen bijdrage is verschuldigd, of
b. een eigen bijdrage is verschuldigd die lager is dan het
bedrag, genoemd in artikel 23, tweede lid.
3. De vrijwillige inburgeraar met wie een inburgeringsvoorziening
of een taalkennisvoorziening is overeengekomen en die op last van het
college, dan wel een andere instantie als bedoeld in artikel 21,
tweede lid, een gecombineerde voorziening als bedoeld in artikel 24b,
eerste lid, dient te volgen, is geen eigen bijdrage verschuldigd.
Artikel 24f
De gemeenteraad stelt bij verordening regels over de
informatieverstrekking door de gemeente aan vrijwillige inburgeraars ter
zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, de eventuele
inning van de eigen bijdrage door het college en de mogelijkheid van
betaling in termijnen, de niet-nakoming van de overeenkomst, bedoeld in
artikel 24d, tweede lid, alsmede het vaststellen van de identiteit van
de vrijwillige inburgeraar.
Hoofdstuk 6. Handhaving
§ 1. Algemeen
Artikel 25
1. Het college kan de inburgeringsplichtige oproepen om te
verschijnen en gegevens te verstrekken om toepassing te geven aan de
artikelen 19, 19a, en 26.
2. Het college kan een persoon ten aanzien van wie het op redelijke
gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is, oproepen om te
verschijnen en gegevens te verstrekken die voor diens
inburgeringsplichtigheid van belang zijn.
3. De in het tweede lid bedoelde gegevens kunnen betrekking hebben
op:
a. het doel van het verblijf in Nederland;
b. verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd;
c. het bezit van diploma's, certificaten of andere documenten
als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, en derde lid;
d. het aansluitend op de volledige leerplicht volgen van een
opleiding waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een
diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 5,
eerste lid, onderdeel c;
e. het verrichten van arbeid als geestelijke bedienaar;
f. de toepasselijkheid van een verdrag of besluit als bedoeld
in artikel 5, tweede lid;
g. feiten of omstandigheden die op grond van artikel 5, vierde
lid, onderdeel a, kunnen leiden tot gehele of gedeeltelijke
vrijstelling van de inburgeringsplicht;
h. de aanwezigheid van een psychische of lichamelijke
belemmering, dan wel een verstandelijke handicap als bedoeld in
artikel 6, eerste lid;
i. feiten of omstandigheden die op grond van artikel 6, tweede
lid, onderdeel a, kunnen leiden tot ontheffing van de
inburgeringsplicht.
4. De in het eerste en tweede lid bedoelde persoon geeft gehoor aan
de oproep en verleent medewerking aan het onderzoek.
Artikel 26
Het college bepaalt voor de oudkomer de dag waarop de in de artikelen
7, eerste lid, onderdeel b, en 18, eerste lid, bedoelde termijnen
aanvangen. De termijnen vangen op dezelfde dag aan.
Artikel 27
Het college stelt de identiteit van de krachtens artikel 25
opgeroepen personen vast aan de hand van een document als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
Artikel 28
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld met betrekking tot het oproepen van personen krachtens artikel
25.
§ 2. Bestuurlijke boete
Artikel 29
Het college legt een bestuurlijke boete op aan de krachtens artikel
25, eerste of tweede lid, opgeroepen persoon ter zake van overtreding
van artikel 25, vierde lid.
Artikel 30
Het college legt een bestuurlijke boete op aan de
inburgeringsplichtige ten aanzien van wie een beschikking als bedoeld in
artikel 19a, eerste lid, of 22, eerste lid, is gegeven, ter zake van
overtreding van artikel 23, eerste lid, dan wel van de krachtens artikel
23, derde lid, gestelde regels.
Artikel 31
1. Het college legt de inburgeringsplichtige die niet binnen de in
artikel 7, eerste lid, bedoelde termijn of de op grond van het tweede
lid, aanhef en onderdeel a of b, verlengde termijn, het
inburgeringsexamen heeft behaald, een bestuurlijke boete op.
2. In afwijking van het eerste lid:
a. verlengt het college de in artikel 7, eerste lid, bedoelde
termijn, indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem
geen verwijt treft terzake van het niet behalen van het
inburgeringsexamen;
b. verlengt het college de in artikel 7, eerste lid, bedoelde
termijn eenmalig met ten hoogste twee jaar en zes maanden, indien
aantoonbaar een alfabetiseringscursus als bedoeld in artikel
7.3.1, eerste lid, onder e, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs wordt of is gevolgd voor het verstrijken van de
eerder bedoelde termijn, of
c. verleent het college ontheffing van de inburgeringsplicht,
indien het college op grond van door de inburgeringsplichtige
aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het
voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te
behalen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent het tweede lid.
Artikel 32
Het college stelt in de boetebeschikking, bedoeld in artikel 31,
eerste lid, een nieuwe termijn van ten hoogste twee jaren waarbinnen de
inburgeringsplichtige na het bekendmaken van de boetebeschikking alsnog
het inburgeringsexamen moet behalen.
Artikel 33
1.Het college legt de inburgeringsplichtige die binnen de krachtens
artikel 32 vastgestelde termijn het inburgeringsexamen niet heeft
behaald, een bestuurlijke boete op. Artikel 31, tweede en derde lid,
en artikel 32 zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Zolang de inburgeringsplichtige na het verstrijken van de
krachtens het eerste lid gestelde termijn het inburgeringsexamen nog
steeds niet heeft behaald, legt het college iedere twee jaar een
bestuurlijke boete op. Artikel 31, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 34
De bestuurlijke boete kan niet hoger zijn dan:
a. € 250 voor het handelen in strijd met artikel 25;
b. € 500 voor het handelen in strijd met artikel 23, eerste
lid, of de krachtens artikel 23, derde lid, gestelde regels;
c. € 500 voor het niet naleven van artikel 7, eerste lid;
d. € 1000 voor het niet behalen van het inburgeringsexamen
binnen de bij of krachtens de artikelen 32 en 33 gestelde termijnen.
Artikel 35
De gemeenteraad stelt bij verordening het bedrag vast van de
bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden
opgelegd.
Artikel 36
Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing
indien artikel 30, 31, eerste lid, of 33 is overtreden.
Artikel 37
Het college legt geen bestuurlijke boete op indien voor dezelfde
gedraging de bijstand kan worden verlaagd op grond van artikel 18,
tweede lid, van de Wet werk en bijstand, de inkomensvoorziening kan
worden verlaagd op grond van artikel 41 van de Wet investeren in
jongeren, dan wel indien voor dezelfde gedraging een boete of maatregel
kan of moet worden opgelegd op grond van een van de bij de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19, vierde lid, aan te wijzen
socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen.
Artikel 38 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 39 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 40 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 41 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 42 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 43 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 44
1. Het college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
de eigenrisicodrager kunnen de bestuurlijke boete verrekenen met
algemene bijstand of verrekenen met dan wel inhouden op een uitkering
op grond van een van de bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld
in artikel 19, vierde lid, aan te wijzen socialezekerheidswetten of
socialezekerheidsregelingen.
2. Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering
ontvangt op grond van een van de socialezekerheidswetten of
socialezekerheidsregelingen, bedoeld in het eerste lid, die wordt
uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de
eigenrisicodrager, betaalt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de eigenrisicodrager desgevraagd aan het
college het bedrag van de boete.
3. Het college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
de eigenrisicodrager zijn niet bevoegd tot verrekening dan wel
inhouding voorzover beslag op hun vordering nietig zou zijn.
Artikel 45 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 46 [Vervallen per 01-07-2009]
Hoofdstuk 7. Informatiebepalingen
Artikel 47
1. Er is een Informatiesysteem Inburgering, beheerd door Onze
Minister. Dit systeem bevat een systematisch geordende verzameling van
gegevens die van belang zijn met betrekking tot de inburgering op
grond van deze wet.
2. Het Informatiesysteem Inburgering heeft tot doel de
verstrekking:
a. aan het college, Onze Minister en een of meer bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen uitvoerende
instanties van gegevens die van belang zijn voor de uitvoering van
deze wet en van de Wet participatiebudget, voor zover het betreft
inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen;
b. aan Onze Minister van gegevens die van belang zijn voor de
bekostiging, bedoeld in artikel 52, en met het oog op de evaluatie
van bestaand beleid en de voorbereiding van toekomstig beleid;
c. aan Onze Minister van Justitie van gegevens die van belang
zijn voor de uitvoering van de artikelen 16a, 21 en 34 van de
Vreemdelingenwet 2000 en voor de beoordeling van een verzoek tot
verkrijging van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op
het Nederlanderschap.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent het Informatiesysteem Inburgering. Daarbij worden in
ieder geval regels gesteld met betrekking tot de in het
Informatiesysteem Inburgering op te nemen gegevens en de verwerking
van die gegevens.
Artikel 48
1. Er is een Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen, beheerd
door Onze Minister. Dit bestand bevat persoonsgegevens van
vreemdelingen van wie Onze Minister op basis van gegevens, vastgelegd
in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en het
vestigingsregister, bedoeld in artikel 112 van de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens, en van bij Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berustende gegevens inzake krachtens
artikel 5, eerste lid, onderdeel c, en derde lid aangewezen diploma's,
certificaten of andere documenten, niet met zekerheid kan vaststellen
dat zij niet inburgeringsplichtig zijn.
2. Het doel van het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen is:
a. het college, Onze Minister en een of meer bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen uitvoerende
instanties van zodanige informatie te voorzien dat zoveel mogelijk
wordt voorkomen dat een vreemdeling ten onrechte als
inburgeringsplichtige wordt aangemerkt, en
b. het verstrekken aan een of meer bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen uitvoerende instanties van
gegevens die van belang zijn voor de uitvoering van deze wet;
c. het verstrekken aan Onze Minister van informatie met het oog
op de evaluatie van bestaand beleid en de voorbereiding van
toekomstig beleid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen.
Daarbij worden in ieder geval regels gesteld met betrekking tot de in
het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen op te nemen gegevens en
de verwerking van die gegevens.
Artikel 49
Het college, de cursusinstellingen, de exameninstellingen en Onze
Minister nemen in de registratie, die zij voor de uitvoering van deze
wet aanleggen, het burgerservicenummer van de geregistreerde op.
Artikel 50
1. Bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet
bescherming persoonsgegevens kunnen door het college, de
cursusinstellingen, de exameninstellingen en Onze Minister worden
verwerkt, voorzover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de doelmatige
en doeltreffende uitvoering van deze wet.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ter
waarborging van de persoonlijke levenssfeer. Daarbij wordt in ieder
geval geregeld:
a. op welke wijze de verwerking, bedoeld in het eerste lid,
plaatsvindt;
b. op welke wijze door passende technische en organisatorische
maatregelen deze gegevens worden beveiligd tegen verlies of
onrechtmatige verwerking;
c. welke gegevens, aan welke personen of instanties, voor welk
doel en op welke wijze kunnen worden verstrekt;
d. op welke wijze wordt gewaarborgd dat de verwerkte
persoonsgegevens slechts worden verwerkt voor het doel waarvoor ze
zijn verzameld of voor zover het verwerken met dat doel
verenigbaar is, alsmede hoe daarop wordt toegezien.
Artikel 51
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over het
verstrekken van beleidsinformatie door de gemeenten, de
cursusinstellingen en de exameninstellingen over uitvoering van de in de
hoofdstukken 4, 5, paragraaf 2, en 6 bedoelde taken, die niet reeds op
grond van artikel 47 of op grond van artikel 5 van de Wet
participatiebudget is verstrekt.
Hoofdstuk 8. Financiële bepalingen
Artikel 52
1. Mede ten behoeve van de kosten van voorzieningen als bedoeld in
de artikelen 19 en 20, niet zijnde uitvoeringskosten, ontvangt de
gemeente op grond van de Wet participatiebudget een uitkering.
2. Ten behoeve van uitvoeringskosten voortvloeiend uit de artikelen
6, eerste lid, 19 tot en met 33, 47 en 51 en ten behoeve van de
informatieverstrekking over de inburgeringsplicht ontvangen gemeenten
een uitkering uit het gemeentefonds.
Hoofdstuk 9. Rechtsbescherming
Artikel 53
[Wijzigt de Beroepswet.]
Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
Artikel 54
[Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000]
Artikel 55
[Wijzigt de Welzijnswet 1994]
Artikel 56
[Wijzigt de Wet kinderopvang]
Artikel 57
[Wijzigt de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank]
Artikel 58
[Wijzigt de Wet werk en bijstand]
Artikel 59
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers]
Artikel 60
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen]
Artikel 61
[Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen]
Artikel 62
[Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs]
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 63
Deze wet is niet van toepassing op de oudkomer die op het tijdstip
waarop deze wet in werking treedt 60 jaar of ouder is.
Artikel 64
1.Onverminderd artikel 7 blijft het bepaalde bij en krachtens de
Wet inburgering nieuwkomers van toepassing op de inburgeringsplichtige
die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet:
a. nieuwkomer was in de zin van die wet, en
b. heeft voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van die wet
bedoelde verplichting.
2.Een met toepassing van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, juncto
derde lid, onderdeel a, van de Wet inburgering nieuwkomers verleende
ontheffing wordt aangemerkt als een ontheffing in de zin van artikel
6, eerste lid, van deze wet.
3.Zolang het bepaalde bij en krachtens de Wet inburgering
nieuwkomers op hem van toepassing is, zijn de artikelen 55, 56 en 62
niet van toepassing ten aanzien van de inburgeringsplichtige, bedoeld
in het eerste lid.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot de invoering van deze wet.
Artikel 65
Het college van een gemeente die op 1 januari 2006 beschikt over een
voor dit tijdstip opgebouwde reserve aan op grond van de Wet inburgering
nieuwkomers verstrekte, maar niet bestede rijksbijdragen, wendt deze aan
voor het aanbieden van inburgeringsprogramma's aan anderen dan
nieuwkomers overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.
Artikel 66
Het college van een gemeente die op het tijdstip van inwerkingtreding
van deze wet beschikt over een in artikel 65 bedoelde reserve, wendt
deze aan voor het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen overeenkomstig
de artikelen 19, eerste lid, en 20.
Artikel 67
Op rijksbijdragen die op grond van de Wet inburgering nieuwkomers
zijn verstrekt ten behoeve van tijdvakken voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat voor het
desbetreffende tijdvak gold van toepassing.
Artikel 68
1.Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kan aan
regionale opleidingencentra als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs een vergoeding toekennen in verband met
de invoering van deze wet.
2.Bij regeling van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap worden regels gesteld met betrekking tot de vergoeding.
Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. de criteria voor het verstrekken van de vergoeding;
b. de hoogte van de vergoeding;
c. de verantwoording;
d. de betaling en de terugvordering.
Artikel 69
[Wijzigt deze wet]
Artikel 70
[Wijzigt deze wet]
Artikel 71
Onze Minister zendt binnen vier jaar na inwerkingtreding van deze
wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Artikel 72
De Wet inburgering nieuwkomers wordt ingetrokken.
Artikel 73
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald dat artikel 65 terugwerkt
tot en met 1 januari 2006.
Artikel 74
Deze wet wordt aangehaald als: Wet inburgering.
Lasten en bevelen dat deze in
het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 30 november 2006
BEATRIX
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
M.C.F. Verdonk
Uitgegeven de zevende december 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|