Nadere regelgeving:
- Besluit
bestuurlijke boetes financiële sector
- Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
- Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Regeling
parameters pensioenfondsen (vervallen)
- Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
terrorisme
WET van 7 december 2006 houdende regels
betreffende pensioenen (Pensioenwet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is te komen tot een herziening en modernisering van de
regelgeving voor pensioenen, teneinde deze ook voor de toekomst veilig
te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied
§ 1.1. Begripsbepalingen
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder:
– aanspraakgerechtigde: persoon die begunstigde is voor een nog
niet ingegaan pensioen;
– accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
– afkoop: iedere handeling waardoor pensioenaanspraken of
pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen;
– arbeidsongeschiktheidspensioen: een geldelijke, vastgestelde
uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer of gewezen
werknemer, waarop recht bestaat na afloop van de periode bedoeld in
artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet of, indien de werknemer of
gewezen werknemer Ziektewetuitkering ontvangt, na afloop van de
periode bedoeld in artikel 29, vijfde en negende lid, van de
Ziektewet;
– basispensioenregeling: de collectieve pensioenregeling of het
deel van de pensioenregeling waaraan de werknemer op basis van de
pensioenovereenkomst gehouden is om deel te nemen;
– bedrijfstakpensioenfonds: een pensioenfonds ten behoeve van
een of meer bedrijfstakken of delen van een bedrijfstak;
– beëindiging van de deelneming: het beëindigen van de
pensioenverwerving op basis van een pensioenovereenkomst anders dan
door:
a. het overlijden van de deelnemer; of
b. het ingaan van het ouderdomspensioen;
– bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van andere
lidstaten dan Nederland die op grond van artikel 6, onderdeel g, van
richtlijn 2003/41/EG zijn aangewezen om de in die richtlijn
vastgelegde taken te verrichten;
– bijdrage: iedere geldsom die wordt voldaan aan een
pensioenuitvoerder in het kader van de uitvoering van
pensioenovereenkomsten en uitvoeringsovereenkomsten;
– bijdragende onderneming: een onderneming of ander lichaam,
ongeacht of deze een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen
die optreden als werkgever of zelfstandige, dan wel een combinatie
daarvan, omvat of hieruit bestaat, en die aan een pensioenfonds,
beroepspensioenfonds, premiepensioeninstelling of pensioeninstelling
uit een andere lidstaat bijdragen betaalt;
– bijzonder partnerpensioen: de aanspraak op partnerpensioen
die op grond van artikel 57, eerste, tweede of derde lid, verkregen
wordt door de gewezen partner;
– buitenlandse instelling: een instelling met zetel buiten
Nederland, niet zijnde een pensioeninstelling uit een andere
lidstaat, een verzekeraar met een zetel buiten Nederland, een van de
Europese Gemeenschappen of een instelling als bedoeld in artikel 70,
tweede lid;
– deelnemer: de werknemer of gewezen werknemer die op grond van
een pensioenovereenkomst pensioenaanspraken verwerft jegens een
pensioenuitvoerder;
– dienstbetrekking: de rechtsbetrekking tussen werkgever en
werknemer;
– directeur-grootaandeelhouder:
a. persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een
tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van
de werkgever vertegenwoordigen;
b. indirect persoonlijk houder van aandelen welke ten minste
een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap
van de werkgever vertegenwoordigen; of
c. houder van certificaten van aandelen, uitgegeven door
tussenkomst van een administratiekantoor waarvan hij voor ten
minste een tiende deel in het bestuur vertegenwoordigd is, welke
ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de
vennootschap vertegenwoordigen;
– elektronisch: door middel van een elektronische
informatiedrager die de ontvanger in staat stelt de verstrekte
informatie duurzaam te bewaren;
– gedetacheerde werknemer: een werknemer die in een andere
lidstaat wordt gedetacheerd om daar te werken en die krachtens titel
II van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de
socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die
zich binnen de gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149), onderworpen
blijft aan de wetgeving van de lidstaat van oorsprong;
– gepensioneerde: pensioengerechtigde voor wie het
ouderdomspensioen is ingegaan;
– gewezen deelnemer: de werknemer of gewezen werknemer door wie
op grond van een pensioenovereenkomst geen pensioen meer wordt
verworven en die bij beëindiging van de deelneming een
pensioenaanspraak heeft behouden jegens een pensioenuitvoerder;
– groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek;
– kapitaalovereenkomst: een pensioenovereenkomst inzake een
vastgesteld kapitaal dat uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet
in een pensioenuitkering;
– lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie alsmede een
staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is
bij de Overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte;
– nabestaandenpensioen: partnerpensioen of wezenpensioen;
– ondernemingspensioenfonds:
a. een pensioenfonds verbonden aan een onderneming of een
groep; of
b. een pensioenfonds verbonden aan meerdere ondernemingen of
groepen door samenvoeging van de aan de afzonderlijke
ondernemingen of groepen verbonden pensioenfondsen;
– ondernemingsraad: de ondernemingsraad, bedoeld in de Wet op
de ondernemingsraden;
– ontvangende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder aan wie
in het kader van waardeoverdracht waarde wordt overgedragen;
– Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
– ouderdomspensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering
voor de werknemer of de gewezen werknemer bij wijze van
inkomensvoorziening bij ouderdom;
– overdrachtswaarde: de ten behoeve van de waardeoverdracht
vastgestelde waarde van de over te dragen pensioenaanspraken of
pensioenrechten;
– overdragende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder die in
het kader van waardeoverdracht waarde overdraagt aan een andere
pensioenuitvoerder;
– partner: echtgenoot, geregistreerde partner of partner in de
zin van de pensioenovereenkomst;
– partnerpensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor
de echtgenoot, de geregistreerde partner of de partner, de gewezen
echtgenoot, de gewezen geregistreerde partner of gewezen partner
wegens het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer;
– partnerrelatie: huwelijk, geregistreerd partnerschap of
partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;
– pensioen: ouderdomspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen
of nabestaandenpensioen, zoals tussen werkgever en werknemer
overeengekomen;
– pensioenaanspraak: het recht op een nog niet ingegaan
pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke
toeslagverlening;
– pensioenfonds: een rechtspersoon die niet een
premiepensioeninstelling is, waarin ten behoeve van ten minste twee
deelnemers, gewezen deelnemers of hun nabestaanden gelden worden of
werden bijeengebracht en worden beheerd ter uitvoering van ten
minste een basispensioenregeling;
– pensioengerechtigde: persoon voor wie op grond van een
pensioenovereenkomst het pensioen is ingegaan;
– pensioeninstelling uit een andere lidstaat: een op basis van
kapitaaldekking gefinancierde instelling, ongeacht de rechtsvorm,
die zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland en die
onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak is
opgericht met als doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde
pensioenuitkeringen op basis van een als volgt gesloten
overeenkomst:
a. individueel of collectief tussen een of meerdere
werkgevers en een of meerdere werknemers of hun respectievelijke
vertegenwoordigers; of
b. met zelfstandigen,
en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden
verricht;
– pensioenovereenkomst: hetgeen tussen een werkgever en een
werknemer is overeengekomen betreffende pensioen;
– pensioenrecht: het recht op een ingegaan pensioen,
uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening;
– pensioenregeling:
a. een pensioenregeling op grond van een
pensioenovereenkomst; of
b. indien de bijdragende onderneming zetel heeft in een
andere lidstaat dan Nederland, een overeenkomst, een trustakte
of voorschriften waarin is bepaald welke pensioenuitkeringen
worden toegezegd en onder welke voorwaarden;
– pensioenreglement: de door de pensioenuitvoerder opgestelde
regeling met betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder
en deelnemer;
– pensioenuitvoerder: een ondernemingspensioenfonds, een
bedrijfstakpensioenfonds, of een premiepensioeninstelling of
verzekeraar die zetel heeft in Nederland;
– pensioenverplichtingen: verplichtingen van de
pensioenuitvoerder uit hoofde van pensioenaanspraken en
pensioenrechten;
– premie: de in geld uitgedrukte periodiek vastgestelde
structurele prestatie die verschuldigd is aan de pensioenuitvoerder
en die bestemd is voor de verzekering van pensioen en de daaraan
verbonden kosten;
– premieovereenkomst: een pensioenovereenkomst inzake een
vastgestelde premie die uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet
in een pensioenuitkering;
– premiepensioeninstelling: een premiepensioeninstelling die op
grond van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf
van premiepensioeninstelling mag uitoefenen;
– richtlijn 2003/41/EG: richtlijn nr. 2003/41/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003
betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen
voor bedrijfspensioenvoorziening (PbEG L 235/10);
– scheiding: echtscheiding, ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed, beëindiging van een geregistreerd
partnerschap anders dan door dood, vermissing of omzetting van een
geregistreerd partnerschap in een huwelijk of beëindiging van een
partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;
– schriftelijk: in schrifttekens op papier;
– toeslag: een verhoging van:
a. een pensioenrecht;
b. een pensioenaanspraak van een gewezen deelnemer, mits die
verhoging bij een kapitaalovereenkomst niet voortvloeit uit
rente- of winstdeling of bij een premieovereenkomst niet
voorvloeit uit behaald beleggingsrendement;
c. een pensioenaanspraak van een deelnemer op grond van een
uitkeringsovereenkomst gebaseerd op het middelloonstelsel of
gebaseerd op een vastebedragenregeling, mits de verhoging geen
verband houdt met een verhoging van de pensioengrondslag, de
toename van het in aanmerking te nemen aantal jaren of een
wijziging van de pensioenovereenkomst; of
d. een pensioenaanspraak van een gepensioneerde ten behoeve
van zijn partner;
– toezichthouder: de Stichting Autoriteit Financiële Markten
of De Nederlandsche Bank N.V., ieder voor zover belast met de
uitoefening van het toezicht bij of krachtensartikel 151;
– uitkeringsovereenkomst: een pensioenovereenkomst inzake een
vastgestelde pensioenuitkering;
– uitvoeringsovereenkomst: de overeenkomst tussen een werkgever
en een pensioenuitvoerder over de uitvoering van een of meer
pensioenovereenkomsten;
– uitvoeringsreglement:
a. de door een bedrijftakpensioenfonds opgestelde regeling
met betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder en
werkgever;
b. de door een pensioenuitvoerder opgestelde regeling inzake
de uitvoering van de pensioenovereenkomsten met zijn werknemers;
– verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds: een
bedrijfstakpensioenfonds waarin de deelneming verplicht is gesteld
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte
deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 en artikel 21,
eerste lid, van de Wet privatisering ABP;
– verzekeraar: een verzekeraar die op grond van de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van levensverzekeraar
of schadeverzekeraar mag uitoefenen;
– voorwaarden in verband met de partnerrelatie: huwelijkse
voorwaarden, voorwaarden van een geregistreerd partnerschap of
voorwaarden in verband met een partnerrelatie in de zin van de
pensioenovereenkomst;
– vrijwillige pensioenregeling: het deel van de
pensioenregeling waaraan de werknemer op basis van de
pensioenovereenkomst de mogelijkheid heeft om deel te nemen;
– waardeoverdracht: iedere handeling waarbij de waarde van
opgebouwde pensioenaanspraken of pensioenrechten wordt aangewend ten
behoeve van:
1°. andere pensioenaanspraken of pensioenrechten bij
dezelfde of een andere pensioenuitvoerder; of
2°. dezelfde pensioenaanspraken of pensioenrechten bij een
andere pensioenuitvoerder;
– werkgever: degene die een werknemer krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke
aanstelling arbeid laat verrichten;
– werkgeverspremie: het deel van de premie dat voor rekening
komt van de werkgever;
– werknemer: degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht
voor een werkgever, met uitzondering van de
directeur-grootaandeelhouder en de werknemer die onder de
werkingsfeer van een verplichtgestelde beroepspensioenregeling als
bedoeld in de Wet verplichte beroepspensioenregeling valt;
– werknemerspremie: het deel van de premie dat voor rekening
komt van de werknemer;
– wezenpensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor
een kind tot wie de overleden werknemer of gewezen werknemer als
ouder in familierechtelijke betrekking stond of voor diens stief- of
pleegkind, wegens het overlijden van de werknemer of gewezen
werknemer;
– zetel: de plaats waar een rechtspersoon volgens zijn statuten
of reglementen is gevestigd of, indien het een pensioenfonds of
pensioeninstelling uit een andere lidstaat betreft, de plaats waar
deze volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd en zijn
hoofdbestuur heeft of, indien het een pensioeninstelling uit een
andere lidstaat betreft die geen rechtspersoon is of een natuurlijke
persoon betreft, de plaats waar die pensioeninstelling of persoon
zijn hoofdbestuur heeft.
Artikel 2. Nadere bepalingen definities
1. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld over hetgeen onder de directeur-grootaandeelhouder wordt
verstaan.
2. Met een pensioenovereenkomst wordt gelijkgesteld:
a. de uit de dienstbetrekking voortvloeiende rechtsbetrekking
tussen een werkgever en een werknemer met betrekking tot pensioen
in geval van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op basis
van een verplichtstelling; en
b. de uit de dienstbetrekking voortvloeiende rechtsbetrekking
tussen een overheidswerkgever en een overheidswerknemer als
bedoeld in de Wet privatisering ABP met betrekking tot pensioen op
grond van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4 en 5 van die wet.
3. Bij regeling van Onze Minister kan een categorie van personen,
niet zijnde werknemers, die werkt in een arbeidsverhouding waarbij
tegen beloning persoonlijke arbeid wordt verricht, worden aangewezen
die voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt gelijkgesteld met werknemers.
4. Een geldelijke, vastgestelde uitkering voor een gewezen
werknemer die wordt gedaan bij wijze van inkomensvoorziening bij
ouderdom in verband met vervroegde uittreding is geen pensioen in de
zin van deze wet, indien die uitkering:
a. uiterlijk eindigt bij het bereiken van de ingangsdatum van
de uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet, bij het
bereiken van de pensioenleeftijd voor het levenslange
ouderdomspensioen of bij eerder overlijden en die gebaseerd is op
een overeenkomst die alleen aanspraak op een uitkering toekent aan
degenen die tijdens de looptijd van de regeling, welke ten hoogste
vijf jaar bedraagt, een bepaalde leeftijd hebben bereikt; of
b. gebaseerd is op de Wet kaderregeling Vut overheidspersoneel.
5. Een geldelijke, vastgestelde uitkering voor een gewezen
werknemer bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom is geen
pensioen in de zin van deze wet wanneer deze uitkering is gebaseerd op
een regeling:
a. die leidt tot uitkeringen vanaf een bepaalde leeftijd aan
werknemers die werkzaamheden verrichten die door de werkgever als
substantieel bezwarend zijn aangemerkt;
b. die leidt tot een uitkering die uiterlijk eindigt bij het
bereiken van de ingangsdatum van de uitkering op grond van de
Algemene Ouderdomswet, bij het bereiken van de pensioenleeftijd
voor het ouderdomspensioen of bij eerder overlijden; en
c. die bij regeling van Onze Minister is aangewezen.
6. Een uitkering voor een gemoedsbezwaarde als bedoeld in artikel
64, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale
verzekeringen is geen pensioen in de zin van deze wet.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
op grond waarvan aanvullingen op een loonaanvullingsuitkering of een
vervolguitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen die geen
arbeidsongeschiktheidspensioen zijn als bedoeld in artikel 1 worden
aangemerkt als arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in dat
artikel.
8. De voordracht voor een krachtens het zevende lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
9. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot kapitaalovereenkomsten of premieovereenkomsten waarbij
het op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal wordt gesplitst
in een deel dat wordt aangewend voor aankoop van een direct ingaande
tijdelijke uitkering en een deel dat later wordt aangewend voor de
aankoop van een, op de tijdelijke uitkering aansluitende, levenslange
uitkering. In deze regeling:
a. kunnen dergelijke uitkeringen, en daarbij horende
uitkeringen voor nabestaanden, worden gelijkgesteld met een
pensioen als bedoeld inartikel 1;
b. kan worden bepaald dat dit pensioen voldoet aan de artikelen
15 en63;
c. kan worden bepaald dat pensioenuitvoerders verplicht zijn
mee te werken aan splitsing zoals beschreven in de aanhef; en
d. kunnen regels worden gesteld betreffende een goede
uitvoering.
10. De regeling, bedoeld in het negende lid, is uitsluitend van
toepassing indien de pensioendatum is gelegen na 31 december 2008 en
het op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal nog niet is
aangewend voor aankoop van een levenslange uitkering.
11. Bij samenvoeging van pensioenfondsen als bedoeld in de
definitie van ondernemingspensioenfonds in artikel 1, geldt als
voorwaarde dat de afzonderlijke pensioenfondsen voor de samenvoeging
gedurende een periode van ten minste 5 jaar waren verbonden aan een
onderneming of groep, tenzij de samenvoeging plaatsvindt omdat de
ondernemingen of groepen waaraan de pensioenfondsen waren verbonden
een onderneming of groep zijn geworden.
12. Bij een ondernemingspensioenfonds dat pensioenregelingen
uitvoert voor meerdere ondernemingen of groepen als bedoeld in de
definitie vanartikel 1 kan een uitvoeringsovereenkomst worden
beëindigd overeenkomstig de hierover in de statuten opgenomen
bepalingen.
13. Waar in deze wet sprake is van de Nederlandse sociale en
arbeidswetgeving betreft dit in ieder geval de artikelen 1, 2, 4, 7
tot en met 29, 31, 35 tot en met 53, 55 tot en met 95, 97 en 98 van
deze wet.
§ 1.2. Toepassingsgebied van de wet
Artikel 3. Gedeeltelijke toepasselijkheid bij personen, niet zijnde
werknemer of werkgever, die onder de werkingssfeer van een
verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds vallen
1. Deze wet is met uitzondering van de artikelen 7 en 9 van
overeenkomstige toepassing op de persoon die geen werkgever of
werknemer is, die in een arbeidsverhouding werkt waarbij tegen
beloning persoonlijke arbeid wordt verricht en die onder de
werkingssfeer valt van een door een verplichtgesteld
bedrijfstakpensioenfonds uitgevoerde pensioenregeling.
2. Deze wet is met uitzondering van de artikelen 7 en 9 van
overeenkomstige toepassing op de persoon die als zelfstandige onder de
werkingssfeer valt van een door een verplichtgesteld
bedrijfstakpensioenfonds uitgevoerde pensioenregeling.
Artikel 4. Gedeeltelijke toepasselijkheid bij pensioenverevening
Op een pensioenaanspraak die of een pensioenrecht dat een tot
verevening gerechtigde echtgenoot of geregistreerde partner op grond van
artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding verwerft,
zijn de artikelen 58, 61, 71 tot en met 74, 78 tot en met 80, 85 tot en
met 89 niet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5. Relatie met verzekeringsovereenkomsten
1.De artikelen 929, 935, eerste lid, 936, tweede tot en met zesde
lid, 941, vijfde lid, 969, 972, 977, tweede lid, 978, 979, 980, tweede
lid en 983 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van
toepassing op verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in
verband met een pensioenovereenkomst als bedoeld in deze wet of
verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een
rechtsbetrekking die op grond van deze wet is gelijkgesteld met een
pensioenovereenkomst.
2.Het verminderen of vervallen van een uitkering op grond van een
verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid op basis van
artikel 930, derde tot en met vijfde lid, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek is niet mogelijk, tenzij door een persoon met wie
een pensioenovereenkomst is gesloten of door een persoon voor wie een
op grond van deze wet met de pensioenovereenkomst gelijkgestelde
rechtsbetrekking geldt, niet is voldaan aan de in artikel 928 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek omschreven mededelingsplicht betreffende
zijn risico. In dat geval beperkt de vermindering of het verval van de
uitkering zich tot het risico met betrekking tot de in de eerste zin
bedoelde persoon. Voorzover de eerste zin in de weg staat aan
vermindering dan wel verval van een uitkering, heeft het pensioenfonds
of de verzekeraar een recht van verhaal op de werkgever.
3.Een beding als bedoeld in artikel 941, vierde lid, van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek is nietig wanneer dit is opgenomen in een
verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid.
4.Voor zover bepalingen van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek in strijd zijn met het bij of krachtens deze wet
bepaalde blijven die bepalingen van het Burgerlijk Wetboek buiten
toepassing.
Artikel 6. Relatie met Wet op het financieel toezicht
De Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op de
verhouding tussen een verzekeraar of een premiepensioeninstelling en een
aanspraak- of pensioengerechtigde, tenzij in deze wet anders is bepaald.
Hoofdstuk 2. Pensioenovereenkomst
§ 2.1. De totstandkoming van een pensioenovereenkomst
Artikel 7. Informatie aan werknemer en aanbod pensioenovereenkomst
1. De werkgever informeert de werknemer binnen een maand na aanvang
van de werkzaamheden schriftelijk of hij de werknemer al dan niet een
aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst doet, en zo ja,
binnen welke termijn het aanbod wordt gedaan en wie de
pensioenuitvoerder is.
2. Indien de werkgever de werknemer op basis van het eerste lid
heeft medegedeeld dat hem geen aanbod tot het sluiten van een
pensioenovereenkomst zal worden gedaan, maar de werkgever op een later
tijdstip alsnog een aanbod tot het sluiten van een
pensioenovereenkomst doet, informeert hij de werknemer hierover
schriftelijk.
3. Indien een pensioenovereenkomst is gesloten, maar de werknemer
nog geen pensioen verwerft, informeert de werkgever de werknemer
daarover en geeft de werkgever daarbij aan:
a. aan welke voorwaarden voldaan moet worden om de verwerving
van pensioenaanspraken te laten beginnen; en
b. welke diensttijd in het kader van de pensioenovereenkomst
relevant is.
4. Indien de werkgever niet heeft voldaan aan het eerste of tweede
lid, wordt een werkgever geacht aan een werknemer een onherroepelijk
aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst gedaan te hebben,
indien die werknemer behoort tot dezelfde groep van werknemers, aan
wie de werkgever al een aanbod tot het sluiten van een
pensioenovereenkomst heeft gedaan.
Artikel 8. Bescherming deeltijder en jonge werknemer
1. Ingeval een werkgever aan een of meer werknemers een aanbod doet
tot het sluiten van een pensioenovereenkomst, mag deze werkgever het
doen van een aanbod aan een andere werknemer niet achterwege laten
vanwege het enkele feit dat die andere werknemer minder dan de
volledige arbeidstijd werkt.
2. Indien als voorwaarde voor het verwerven van pensioenaanspraken
op basis van een pensioenovereenkomst het overstijgen van een
minimumloongrens wordt gesteld, wordt voor de toepassing van die
loongrens het loon van een werknemer die minder dan de volledige
arbeidstijd werkzaam is, herleid naar het loon dat ingeval van een
volledige arbeidstijd zou zijn verkregen.
3. Bij de vaststelling van aanspraken op ouderdoms- en
nabestaandenpensioen worden aan werknemers die minder dan de volledige
arbeidstijd werkzaam zijn, pensioenaanspraken verleend naar
evenredigheid van de pensioenaanspraken die ingeval van een volledige
arbeidstijd zouden zijn verkregen.
4. Bij de vaststelling van aanspraken op
arbeidsongeschiktheidspensioen die aan de pensioenovereenkomst kunnen
worden ontleend, is onderscheid op grond van het enkele feit van de
omvang van de arbeidstijd niet toegestaan, met dien verstande dat bij
de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspensioen rekening
gehouden mag worden met een uitkering uit hoofde van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen voorzover die uitkering verband houdt met
dezelfde dienstbetrekking.
5. In geval een werkgever aan een of meer werknemers een aanbod
doet tot het sluiten van een pensioenovereenkomst, mag deze werkgever
het doen van een aanbod aan een andere werknemer niet achterwege laten
vanwege het enkele feit dat die werknemer een bepaalde leeftijd nog
niet heeft bereikt, tenzij:
a. de werknemer jonger is dan 21 jaar; of
b. het een ouderdomspensioen betreft dat uitsluitend voorziet
in een uitkering tot het bereiken van de pensioenleeftijd op grond
van de Algemene Ouderdomswet of tot het bereiken van de
pensioenleeftijd voor het levenslange ouderdomspensioen.
Artikel 9. Pensioenovereenkomst bij overgang van onderneming
Door de overgang van een onderneming, bedoeld in artikel 662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij de vervreemder met de aan die
onderneming verbonden werknemers geen pensioenovereenkomst heeft
gesloten, wordt, indien de verkrijger met zijn werknemers vóór het
tijdstip van de overgang een pensioenovereenkomst heeft gesloten, de
verkrijger geacht op het moment van de overgang het aanbod tot het
sluiten van een zelfde pensioenovereenkomst te hebben gedaan aan de
werknemers van de vervreemder.
§ 2.2. Inhoud pensioenovereenkomst
Artikel 10. Karakter pensioenovereenkomst
De pensioenovereenkomst houdt in:
a. een uitkeringsovereenkomst;
b. een kapitaalovereenkomst; of
c. een premieovereenkomst.
Artikel 11. Vaststelling uitkering, kapitaal of premie
De uitkering, het kapitaal en de premie in het kader van een
pensioenovereenkomst worden vastgesteld in Nederlands wettig
betaalmiddel.
Artikel 12. Betalingsvoorbehoud
1. De werkgever kan zich bij het sluiten of bij een wijziging van
de pensioenovereenkomst het recht voorbehouden de premiebetaling,
voorzover deze betrekking heeft op de bijdrage van de werkgever, te
verminderen of beëindigen in geval van een ingrijpende wijziging van
omstandigheden.
2. Andere bedingen dan die bedoeld in het eerste lid, waarin een
voorbehoud wordt gemaakt inzake premiebetaling, zijn nietig.
Artikel 13. Verlening van toeslagen
In de pensioenovereenkomst wordt bepaald of er toeslagen worden
verleend en, zo ja, wat het ambitieniveau is en welke voorwaarden gelden
bij de toeslagverlening.
Artikel 14. Beperking onderscheid naar leeftijd bij verwerving en
aanbod
1. Het verwerven van ouderdomspensioenaanspraken op basis van een
pensioenovereenkomst begint uiterlijk op de 21-jarige leeftijd van de
werknemer of op de latere datum van indiensttreding, tenzij het een
ouderdomspensioen betreft dat uitsluitend voorziet in een uitkering
tot het bereiken van de pensioenleeftijd op grond van de Algemene
Ouderdomswet of tot het bereiken van de pensioenleeftijd voor het
levenslange ouderdomspensioen.
2. Het in het eerste lid genoemde tijdstip waarop de verwerving
begint kan, indien in de pensioenovereenkomst is voorzien in een
wachttijd of drempelperiode, met betrekking tot ouderdompensioen
worden uitgesteld met ten hoogste twee maanden of, indien sprake is
van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek, tot de werknemer in meer dan 26 weken arbeid
heeft verricht. Voor de berekening van de termijn van 26 weken is
artikel 691, vierde en vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek van overeenkomstige toepassing. Wachttijden of drempelperioden
zijn niet toegestaan voor het nabestaandenpensioen en het
arbeidsongeschiktheidspensioen.
3. In geval een werkgever die nog geen enkele pensioenovereenkomst
heeft gesloten of die alleen een pensioenovereenkomst heeft gesloten
met werknemers die tot een bepaalde groep behoren, over gaat tot het
sluiten van een of meer pensioenovereenkomsten, geldt ten aanzien van
zijn werknemers die bij het sluiten van de pensioenovereenkomst ouder
zijn dan 21 jaar, niet de eis dat de verwerving van pensioen op
21-jarige leeftijd moet zijn begonnen.
4. Elk beding in strijd met het eerste lid en tweede lid is nietig.
Artikel 15. Nadere eisen ouderdomspensioen
1. Indien een pensioenovereenkomst voorziet in een
ouderdomspensioen, wordt in de overeenkomst bepaald dat dat pensioen
levenslang wordt uitgekeerd aan de gepensioneerde, tenzij het
ouderdomspensioen uitsluitend voorziet in een uitkering tot het
bereiken van de pensioenleeftijd op grond van de Algemene Ouderdomswet
of tot het bereiken van de pensioenleeftijd voor het levenslange
ouderdomspensioen.
2. Elk beding in strijd met het eerste lid is nietig.
Artikel 16. Nadere eisen partnerpensioen
1. Indien een pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen
ten behoeve van een partner met wie de deelnemer niet gehuwd is, noch
een geregistreerd partnerschap heeft, gelden voor deze partner ten
aanzien van de wijze van vaststelling van het partnerpensioen dezelfde
rechten en plichten als voor een gehuwde of geregistreerde partner.
2. Elk beding in strijd met het eerste lid is nietig.
Artikel 17. Evenredige verwerving pensioenaanspraken
De verwerving van pensioenaanspraken in het kader van een
uitkeringsovereenkomst of een kapitaalovereenkomst vindt gedurende de
deelneming ten minste evenredig in de tijd plaats.
Artikel 17a. Evenredig doorberekenen van kosten
Het doorberekenen van kosten in het kader van een premieovereenkomst
vindt evenredig in de tijd plaats.
Artikel 18. Behoud aanspraken bij verlaging pensioengevend salaris
1. In geval van verlaging van de pensioengrondslag van een
werknemer worden de op grond van de pensioenovereenkomst tot het
tijdstip van verlaging opgebouwde pensioenaanspraken niet gewijzigd.
2. In geval van verlaging van de pensioengrondslag blijven de
opgebouwde pensioenaanspraken behouden en worden de pensioenaanspraken
vastgesteld overeenkomstig artikel 55.
3. Elk beding in strijd met het eerste of tweede lid is nietig.
§ 2.3. Wijziging pensioenovereenkomst
Artikel 19. Wijziging pensioenovereenkomst
Een werkgever kan de pensioenovereenkomst zonder instemming van de
werknemer wijzigen indien de bevoegdheid daartoe schriftelijk in de
pensioenovereenkomst is opgenomen en er tevens sprake is van een zodanig
zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat
door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid moet wijken.
Artikel 20. Gevolgen van wijziging van een pensioenovereenkomst
In geval van een wijziging van een pensioenovereenkomst worden de
voor de aanspraakgerechtigden tot het tijdstip van wijziging opgebouwde
pensioenaanspraken niet gewijzigd, behoudens het bepaalde in deartikelen
76, 78, 83 en 134.
§ 2.4. Informatie-en hoorplicht werkgever
Artikel 21. Startbrief en melding van wijzigingen
1. De werkgever draagt er zorg voor dat de werknemer waarmee hij
een pensioenovereenkomst heeft gesloten en die pensioenaanspraken
verwerft, binnen drie maanden na de start van de verwerving door de
pensioenuitvoerder wordt geïnformeerd over:
a. de inhoud van de basispensioenregeling;
b. de toeslagverlening;
c. het recht van de werknemer om bij de pensioenuitvoerder het
voor hem geldende pensioenreglement op te vragen;
d. het bestaan van een vrijwillige pensioenregeling;
e. omstandigheden die betrekking hebben op het functioneren van
de pensioenuitvoerder;
f. het recht van de werknemer om bij de pensioenuitvoerder een
verzoek in te dienen voor een berekening van de effecten van
uitruil op zijn pensioenaanspraak.
2. De werkgever informeert de pensioenuitvoerder over iedere
wijziging in de pensioenovereenkomst, bedoeld in het eerste lid. De
pensioenuitvoerder informeert de werknemer binnen drie maanden na een
wijziging in de pensioenovereenkomst over die wijziging en de
mogelijkheid om het gewijzigde pensioenreglement op te vragen bij de
pensioenuitvoerder.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de werkgever
uiterlijk zes maanden voor het sluiten van de pensioenovereenkomst met
de werknemer een eerdere pensioenovereenkomst met dezelfde werknemer
heeft gesloten op grond waarvan de werknemer de in het eerste lid
bedoelde informatie heeft ontvangen. Informatie die sinds de vorige
verstrekking is gewijzigd wordt wel verstrekt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de inhoud en de wijze van verstrekking van de in dit
artikel bedoelde informatie.
Artikel 22. Hoorrecht vereniging van pensioengerechtigden bij
uitvoering door verzekeraar
1. De werkgever stelt een vereniging van pensioengerechtigden in de
gelegenheid haar oordeel uit te spreken over een voorgenomen besluit
van de werkgever in het kader van een uitvoeringsovereenkomst met een
verzekeraar indien:
a. dit besluit van invloed is op de uitvoering of de hoogte van
pensioenrechten van gepensioneerden; en
b. de som van het aantal werknemers en het aantal
gepensioneerden dat een pensioenovereenkomst heeft gesloten met de
werkgever op dat moment gelijk is of meer bedraagt dan 250.
2. Een vereniging van pensioengerechtigden als bedoeld in het
eerste lid dient volledige rechtsbevoegdheid te bezitten en tevens te
voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. haar statutaire doel omvat in elk geval het behartigen van
de belangen van de gepensioneerden die in dienst zijn geweest bij
de werkgever;
b. ten minste 10% van alle gepensioneerden die in dienst zijn
geweest bij de werkgever is lid van de vereniging;
c. de vereniging meldt haar bestaan bij de werkgever en de
verzekeraar.
3. Het oordeel van een vereniging van pensioengerechtigden wordt op
een zodanig tijdstip gevraagd dat het van invloed kan zijn op het in
het eerste lid bedoelde besluit.
4. Bij het vragen van een oordeel wordt aan de vereniging van
pensioengerechtigden een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor
het besluit en van de gevolgen die het besluit naar verwachting voor
de deelnemers, gewezen deelnemers, gepensioneerden en andere
pensioengerechtigden zal hebben.
5. De werkgever verstrekt desgevraagd aan een vereniging van
pensioengerechtigden tijdig alle inlichtingen en gegevens, die deze
voor het vormen van haar oordeel redelijkerwijze nodig heeft. De
inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk verstrekt.
6. De verzekeraar informeert de pensioengerechtigden, die pensioen
ontvangen op grond van een pensioenovereenkomst met de in het eerste
lid bedoelde werkgever, over het bestaan van een vereniging van
pensioengerechtigden als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 3. Uitvoeringsovereenkomst
§ 3.1. Sluiten uitvoeringsovereenkomst
Artikel 23. Onderbrengingsplicht werkgever
1. De werkgever brengt een pensioenovereenkomst, uiterlijk wanneer
een werknemer pensioenaanspraken verwerft, onder door onmiddellijk een
schriftelijke uitvoeringsovereenkomst te sluiten met en in stand te
houden bij:
a. een pensioenuitvoerder;
b. een pensioeninstelling uit een andere lidstaat die beschikt
over een daartoe verleende vergunning als bedoeld in artikel 199
en de bevoegde autoriteiten in kennis heeft gesteld
overeenkomstigartikel 199; of
c. een verzekeraar met een zetel buiten Nederland, mits die
verzekeraar op grond van de Wet op het financieel toezicht in
Nederland het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar
mag uitoefenen.
De werkgever kan bij een premiepensioeninstelling uitsluitend
onderbrengen een premieovereenkomst waarbij de
premiepensioeninstelling geen risico draagt.
2. De in het eerste lid opgenomen verplichting van de werkgever tot
het sluiten en instandhouden van een schriftelijke
uitvoeringsovereenkomst geldt niet bij uitvoering door een
bedrijfstakpensioenfonds:
a. mits de werkgever gehouden is of zich verbonden heeft door
lid te zijn van een werkgeversvereniging tot naleving van de
statuten en reglementen van dit bedrijfstakpensioenfonds; en
b. een uitvoeringsreglement door het bedrijfstakpensioenfonds
is opgesteld dat voldoet aan de eisen die inartikel 25 ten aanzien
van de uitvoeringsovereenkomst zijn gesteld.
3. De in het eerste lid opgenomen verplichtingen van de werkgever
tot onderbrenging en het sluiten en in stand houden van een
schriftelijke uitvoeringsovereenkomst gelden niet wanneer een
pensioenovereenkomst is gesloten door een werkgever die tevens
pensioenuitvoerder is, mits:
a. de pensioenovereenkomsten van deze werknemers worden
ondergebracht bij de werkgever in zijn hoedanigheid van
pensioenuitvoerder; en
b. een uitvoeringsreglement door de werkgever is opgesteld.
4. Wanneer een werkgever het voornemen heeft een
pensioenovereenkomst onder te brengen bij een pensioeninstelling uit
een andere lidstaat, een premiepensioeninstelling of bij een
pensioenfonds dat op grond van artikel 212 ontheffing heeft gekregen
van het bepaalde in de artikelen 99, 100, 101, 109 en 110, is artikel
27 van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24. Premie aan pensioenuitvoerder door werkgever
De werkgever voldoet de pensioenuitvoerder de verschuldigde premie,
tenzij er sprake is van voldoening door de gewezen werknemer in geval
van een vrijwillige voortzetting als bedoeld in artikel 54.
§ 3.2. Inhoud uitvoeringsovereenkomst
Artikel 25. Eisen inzake inhoud uitvoeringsovereenkomst
1. In de uitvoeringsovereenkomst wordt in ieder geval een regeling
opgenomen met betrekking tot de volgende onderwerpen:
a. de wijze waarop de verschuldigde premie wordt vastgesteld;
b. de wijze waarop en termijnen waarin de verschuldigde premie
moet worden voldaan met inachtneming van artikel 26;
c. de informatie welke door de werkgever aan de
pensioenuitvoerder wordt verstrekt;
d. de procedures welke gelden bij het niet nakomen van
premiebetalingsverplichtingen door de werkgever;
e. de procedures welke gelden bij het opstellen en wijzigen van
het pensioenreglement in verband met het sluiten en wijzigen van
een pensioenovereenkomst;
f. de voorwaarden waaronder toeslagverlening plaatsvindt;
g. de uitgangspunten en procedures welke gelden ten aanzien van
de besluitvorming over vermogenstekorten en vermogensoverschotten
dan wel winstdeling;
h. de voorwaarden die gelden bij beëindiging van een met een
verzekeraar of premiepensioeninstelling gesloten
uitvoeringsovereenkomst. In deze regeling worden de belangen van
zowel de verzekeraar of de premiepensioeninstelling als de
werkgever vanuit actuarieel en bedrijfseconomisch oogpunt op
evenwichtige wijze gewaarborgd door rekening te houden met:
1°. de overige voorwaarden in de uitvoeringsovereenkomst;
2°. de gehanteerde tarieven; en
3°. de winstdelingsvorm.
De regeling kan geen uitsluiting van collectieve
waardeoverdracht inhouden; en
i. de criteria die de premiepensioeninstelling hanteert bij de
keuze voor een verzekeraar voor de inkoop van een
pensioenuitkering.
2. In de uitvoeringsovereenkomst wordt, voor zover overeengekomen,
een regeling opgenomen met betrekking tot de volgende onderwerpen:
a. een voorbehoud van de werkgever als bedoeld inartikel 12;
b. in geval van premiekorting of terugstorting: de voorwaarden
waaronder sprake is van premiekorting of terugstorting, de wijze
van vaststelling van de hoogte van de premiekorting of
terugstorting en de bestemming ervan;
c. ingeval van een bijstortingsverplichting van de werkgever:
onder welke voorwaarden sprake is van een bijstortingsverplichting
en hoe de hoogte ervan wordt bepaald;
d. de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting van de
pensioenregeling na beëindiging van het dienstverband;
e. de aansluitingscriteria op grond waarvan de vrijwillige
aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds heeft plaatsgevonden;
of
f. de rechten en verplichtingen met betrekking tot vrijwillige
pensioenregelingen.
Artikel 26. Eisen inzake premiebetaling
In de uitvoeringsovereenkomst wordt vastgelegd hoe de betaling van de
premies door de werkgever aan de pensioenuitvoerder geschiedt, waarbij
aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. een werkgever voldoet uiterlijk binnen een maand na afloop van
elk kwartaal de werkgeverspremie en de op het loon van de werknemer
ingehouden werknemerspremie, welke over dat kwartaal zijn
verschuldigd, aan de pensioenuitvoerder;
b. wanneer de premie op basis van een langere termijn dan een
kwartaal wordt vastgesteld en in rekening gebracht, is deze termijn
ten hoogste gelijk aan een jaar en voldoet de werkgever uiterlijk
binnen een maand na afloop van elk kwartaal een vierde gedeelte van
de door hem op basis van zijn eigen bijdrage verschuldigde
jaarpremie op basis van een schatting van de pensioenuitvoerder en
de op het loon van de werknemer ingehouden werknemerspremie, aan de
pensioenuitvoerder; en
c. de totale jaarpremie, bestaande uit de werkgeverspremie en de
werknemerspremies, wordt uiterlijk binnen zes maanden na afloop van
het kalenderjaar voldaan aan de pensioenuitvoerder.
Artikel 27. Premiebetaling bij beëindiging deelneming
De in artikel 26genoemde termijnen gelden niet indien sprake is van
een beëindiging van de deelneming. In dat geval wordt de ten tijde van
de beëindiging nog verschuldigde premie binnen dertien weken voldaan.
Artikel 28. Melding door pensioenfonds inzake premieachterstand en
tekort minimaal vereist eigen vermogen
1. Een pensioenfonds informeert elk kwartaal schriftelijk de
deelnemersraad en, bij het ontbreken daarvan, de deelnemers, gewezen
deelnemers en pensioengerechtigden wanneer sprake is van een
premieachterstand ter grootte van 5% van de totale door het
pensioenfonds te ontvangen jaarpremie en tevens niet voldaan wordt aan
de bij of krachtens artikel 131 geldende eisen inzake het minimaal
vereist eigen vermogen.
2. Gedurende de in het eerste lid bedoelde situatie informeert een
pensioenfonds tevens elk kwartaal de ondernemingsraad van de
onderneming die nog premie aan het pensioenfonds verschuldigd is.
3. Indien een ondernemingspensioenfonds op grond van artikel 123,
tweede of derde lid, gescheiden vermogens aanhoudt, worden de
voorgaande twee leden toegepast per afgescheiden vermogen.
Artikel 29. Melding door verzekeraar bij premieachterstand en
gevolgen van premieachterstand
1. Een verzekeraar informeert de deelnemers en de werkgever wanneer
de premieachterstand het noodzakelijk maakt de opbouw van
pensioenaanspraken te beëindigen door premievrijmaking of
pensioenaanspraken zonder premievrije waarde te laten vervallen.
2. Een verzekeraar kan de in het eerste lid bedoelde mededeling aan
de deelnemers pas doen indien hij zich aantoonbaar heeft ingespannen
om de achterstallige premie te innen.
3. De verzekeraar kan op zijn vroegst drie maanden na de in het
eerste lid bedoelde mededeling de opbouw van pensioenaanspraken
beëindigen door premievrijmaking of pensioenaanspraken zonder
premievrije waarde laten vervallen.
4. De premievrijmaking, bedoeld in het derde lid, vindt op zijn
vroegst plaats per de datum die vijf maanden voor het tijdstip van
informeren van de deelnemers is gelegen.
5. De dekking van het arbeidsongeschiktheidsrisico of het
overlijdensrisico blijft volledig in stand tot drie maanden na de in
het eerste lid bedoelde mededeling.
6. Bij de premievrijmaking wordt de verzekering premievrij
voortgezet zonder verrekening van premie en rente met de
pensioenaanspraken. Kosten, voor zover voortvloeiend uit het
premievrij maken, worden evenmin verrekend met de pensioenaanspraken.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een
premiepensioeninstelling.
Artikel 30. Toepasselijk recht
In een uitvoeringsovereenkomst met een verzekeraar met zetel buiten
Nederland waarin bij de totstandkoming of op een later tijdstip wordt
gekozen voor ander dan Nederlands recht, wordt de volgende clausule
opgenomen:
Ongeacht het gekozen rechtsstelsel is ten aanzien van deze
uitvoeringsovereenkomst in ieder geval de Pensioenwet van toepassing.
§ 3.3. Overig
Artikel 31. Verbod verpanding en andere handelingen
Verpanding van de uit de uitvoeringsovereenkomst voortvloeiende
rechten door de werkgever of andere handelingen die door hem worden
verricht waardoor aan anderen dan de aanspraak- of pensioengerechtigden
rechten worden verleend, is nietig.
Hoofdstuk 4. Algemene bepalingen met betrekking tot de
pensioenuitvoerder
§ 4.1. Taken pensioenuitvoerder
Artikel 32. Algemene taak
Een pensioenuitvoerder heeft tot taak een pensioenovereenkomst uit te
voeren op basis van een uitvoeringsovereenkomst of een
uitvoeringsreglement.
Artikel 33. Waarborging goed bestuur
1. Een pensioenuitvoerder richt zijn organisatie zodanig in dat een
goed bestuur is gewaarborgd waardoor er in ieder geval:
a. verantwoording wordt afgelegd aan de aanspraak- en
pensioengerechtigden en de werkgever; waarvoor bij pensioenfondsen
een verantwoordingsorgaan is ingesteld; en
b. intern toezicht is.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het
eerste lid regels worden gesteld. Die regels kunnen in het bijzonder
betrekking hebben op de naleving van in die algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen principes voor goed pensioenfondsbestuur.
Artikel 34. Uitbesteding
1. Indien een pensioenuitvoerder werkzaamheden uitbesteedt aan een
derde draagt hij er zorg voor dat deze derde de bij of krachtens deze
wet gestelde regels, die van toepassing zijn op de uitbestedende
pensioenuitvoerder, naleeft.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen:
a. werkzaamheden worden aangewezen die niet mogen worden
uitbesteed;
b. regels worden gesteld met betrekking tot de uitbesteding in
verband met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens
deze wet bepaalde; en
c. regels worden gesteld met betrekking tot de beheersing van
risico’s die verband houden met de uitbesteding.
Artikel 35. Opstellen en inhoud pensioenreglement
1. De pensioenuitvoerder stelt een pensioenreglement vast in
overeenstemming met de pensioenovereenkomst en de
uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement.
2. In het pensioenreglement worden in ieder geval bepalingen
opgenomen betreffende:
a. de wijze waarop de pensioenuitvoerder omgaat met inkomende
waarden in het kader van waardeoverdracht;
b. de hoogte van de ruilvoet en de opbouwkeuzevoet, bedoeld in
artikel 60 en 61, en de afkoopvoet, bedoeld in artikel 66; en
c. de kortingsregel, bedoeld inartikel 134.
Artikel 36. Registreren deelnemingsjaren
1. De pensioenuitvoerder registreert de deelnemingsjaren van de
deelnemers en verstrekt hierover informatie aan de deelnemers en
gewezen deelnemers.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot het eerste lid, waaronder de perioden die in
aanmerking komen als deelnemingsjaren.
Artikel 37. Melding arbeidsongeschiktheid
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen meldt de
arbeidsongeschiktheid van een deelnemer aan de pensioenuitvoerder.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ten aanzien
van het eerste lid.
Artikel 38. Verstrekken informatie aan deelnemers jaarlijks
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer jaarlijks:
a. een opgave van de verworven pensioenaanspraken;
b. een opgave van de reglementair te bereiken
pensioenaanspraken;
c. informatie over toeslagverlening; en
d. een opgave van de aan het voorafgaande kalenderjaar toe te
rekenen waardeaangroei van pensioenaanspraken overeenkomstig
artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop
berustende bepalingen.
2. De in het eerste lid bedoelde informatie wordt verstrekt in de
vorm van een door de pensioenuitvoerders op te stellen uniform
pensioenoverzicht.
3. De in het eerste lid bedoelde informatie kan in afwijking van
het bepaalde inartikel 49 elektronisch ter beschikking worden gesteld
indien de verworven pensioenaanspraak minder bedraagt dan het op basis
vanartikel 66 bepaalde bedrag, tenzij de deelnemer hiertegen bezwaar
maakt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
opgaven en informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 39. Verstrekken informatie aan deelnemers bij beëindiging
deelneming
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging
van de deelneming:
a. een opgave van de opgebouwde pensioenaanspraken op grond van
artikel 55;
b. informatie over toeslagverlening;
c. informatie die voor de deelnemer specifiek in het kader van
de beëindiging relevant is; en
d. informatie over omstandigheden die betrekking hebben op het
functioneren van de pensioenuitvoerder.
2. De in het eerste lid bedoelde informatie kan in afwijking van
het bepaalde inartikel 49 elektronisch ter beschikking worden gesteld
indien de verworven pensioenopbouw minder bedraagt dan het op basis
van artikel 66 bepaalde bedrag, tenzij de deelnemer hiertegen bezwaar
maakt.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 40. Verstrekken informatie aan gewezen deelnemers periodiek
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de gewezen deelnemer ten minste
een keer in vijf jaar:
a. een opgave van zijn opgebouwde pensioenaanspraken; en
b. informatie over toeslagverlening.
2. De pensioenuitvoerder informeert de gewezen deelnemer binnen
drie maanden na een wijziging van het toeslagbeleid over die
wijziging.
3. De in het eerste lid bedoelde informatie kan in afwijking van
het bepaalde inartikel 49 elektronisch ter beschikking worden gesteld
indien de verworven pensioenopbouw minder bedraagt dan het op basis
van artikel 66 bepaalde bedrag, tenzij de gewezen deelnemer hiertegen
bezwaar maakt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 41. Verstrekken informatie aan gewezen partner bij scheiding
1. De pensioenuitvoerder verstrekt degene die gewezen partner wordt
en een aanspraak verkrijgt op bijzonder partnerpensioen:
a. een opgave van de opgebouwde pensioenaanspraak op
partnerpensioen;
b. informatie over toeslagverlening; en
c. informatie die voor de gewezen partner specifiek van belang
is.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 42. Verstrekken informatie aan gewezen partner periodiek
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de gewezen partner ten minste
een keer in de vijf jaar:
a. een opgave van zijn opgebouwde aanspraak op partnerpensioen
op grond van artikel 41; en
b. informatie over toeslagverlening.
2. De pensioenuitvoerder informeert de gewezen partner binnen drie
maanden na een wijziging van het toeslagbeleid over die wijziging.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 43. Verstrekken informatie aan pensioengerechtigden bij
pensioeningang
1. De pensioenuitvoerder verstrekt degene die pensioengerechtigde
wordt:
a. een opgave van zijn pensioenrecht;
b. een opgave van de opgebouwde aanspraken op
nabestaandenpensioen wanneer de pensioenregeling daarin voorziet;
en
c. informatie over toeslagverlening.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgaven en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 44. Verstrekken informatie aan pensioengerechtigden periodiek
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de pensioengerechtigde
jaarlijks:
a. een opgave van zijn pensioenrecht;
b. een opgave van de opgebouwde aanspraken op
nabestaandenpensioen wanneer de pensioenregeling daarin voorziet;
en
c. informatie over toeslagverlening.
2. De pensioenuitvoerder informeert de pensioengerechtigde binnen
drie maanden na een wijziging van het toeslagbeleid over die
wijziging.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgaven en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 45. Verstrekken informatie aan deelnemers inzake vrijwillige
pensioenregeling
1. De pensioenuitvoerder informeert een deelnemer voorafgaand aan
de deelneming in de vrijwillige pensioenregeling over:
a. de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling;
b. een opgave van de reglementair te bereiken
pensioenaanspraken uit hoofde van de vrijwillige pensioenregeling;
en
c. de toeslagverlening.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 46. Informatie op verzoek
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen
deelnemer, de gewezen partner en de pensioengerechtigde op verzoek:
a. het voor hem geldende pensioenreglement;
b. het jaarverslag en de jaarrekening van de
pensioenuitvoerder;
c. de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement;
d. de voor hem relevante informatie over beleggingen; en
e. informatie over andere bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen onderwerpen.
2. De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen
deelnemer en de gewezen partner op verzoek informatie die specifiek
voor hem relevant is waaronder een indicatie van het mogelijk te
bereiken kapitaal op de pensioendatum bij premieovereenkomsten waarbij
de premie wordt belegd en een indicatie van de hoogte van de in te
kopen periodieke uitkeringen bij aanwending van het mogelijk te
bereiken kapitaal bij kapitaalovereenkomsten en premieovereenkomsten.
3. De pensioenuitvoerder verstrekt de gewezen deelnemer op verzoek
een opgave van de hoogte van zijn opgebouwde pensioenaanspraken.
4. De pensioenuitvoerder verstrekt de in het eerste lid bedoelde
informatie op verzoek ook aan vertegenwoordigers van deelnemers, van
gewezen deelnemers, van gewezen partners of van pensioengerechtigden.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in dit artikel bedoelde informatie en de
wijze waarop deze wordt verstrekt.
Artikel 47. Verstrekken informatie bij vertrek naar een andere
lidstaat
1. De pensioenuitvoerder verstrekt deelnemers, gewezen deelnemers
en gepensioneerden die zich in een andere lidstaat vestigen informatie
over hun pensioenaanspraken en pensioenrechten en over de
mogelijkheden die hun op grond van de pensioenregeling worden geboden.
2. De informatie die op grond van het eerste lid wordt verstrekt is
ten minste overeenkomstig de informatie die wordt verstrekt aan
deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden die in Nederland
blijven.
Artikel 48. Informatie tijdig en duidelijk
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de informatie, bedoeld in de
artikelen 21en 38 tot en met 47, tijdig. De informatie, bedoeld in de
artikelen 21,38 tot en met 45, 46, eerste lid, onderdeel d, tweede tot
en met vierde lid, en 47 verstrekt de pensioenuitvoerder in duidelijke
en begrijpelijke bewoordingen.
2. De informatie over toeslagverlening, bedoeld in deartikelen 21
en 38 tot en met 45, wordt in ieder geval uitgedrukt in een
kwalitatieve en beeldende maatstaf.
3. De in het tweede lid bedoelde maatstaf houdt in ieder geval
rekening met:
a. de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige
toeslagverlening, zoals deze uit de continuïteitsanalyse volgen
en welke onderdeel zijn van de voorwaardelijkheidsverklaring,
bedoeld in artikel 95; en
b. de te verwachten toeslagverlening in de pensioenovereenkomst
afgezet tegen het minimale percentage van het gemiddelde
prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 144, eerste lid, onderdeel a.
4. Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van het tweede en
derde lid.
Artikel 49. Informatie schriftelijk tenzij
De pensioenuitvoerder verstrekt de informatie schriftelijk, tenzij de
deelnemer, gewezen deelnemer, pensioengerechtigde of gewezen partner
instemt met elektronische verstrekking.
Artikel 50. Verstrekken informatie door pensioenuitvoerder
1. De pensioenuitvoerder kan zich voor het schriftelijk verstrekken
van de informatie, bedoeld in de artikelen 38 tot en met 44, houden
aan het laatst hem bekende adres van de deelnemer, gewezen deelnemer,
pensioengerechtigde of gewezen partner.
2. Indien dit adres onjuist blijkt te zijn doet de
pensioenuitvoerder navraag bij de gemeentelijke basisadministratie in
de laatst bekende woonplaats van de deelnemer, gewezen deelnemer,
pensioengerechtigde of gewezen partner.
3. Indien de pensioenuitvoerder kosten maakt in verband met
werkzaamheden die voortvloeien uit het feit dat de deelnemer, gewezen
deelnemer, pensioengerechtigde of gewezen partner verzuimd heeft de
pensioenuitvoerder omtrent een wijziging van adres te informeren, kan
de pensioenuitvoerder deze kosten bij deze in rekening brengen, maar
kunnen deze kosten niet direct in mindering worden gebracht op de
uitkering.
4. Indien het bij de pensioenuitvoerder bekende adres voor de
elektronische verstrekking van informatie onjuist blijkt, verstrekt de
pensioenuitvoerder de informatie schriftelijk.
Artikel 51
1. Er is een pensioenregister, ingericht en in stand gehouden door
de pensioenuitvoerders, dat tot doel heeft op duidelijke en
begrijpelijke wijze de aanspraakgerechtigde in de gelegenheid te
stellen gegevens over zijn pensioenaanspraken te raadplegen. Onder
pensioenaanspraken in de zin van dit artikel wordt tevens verstaan
aanspraken op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet.
2. De pensioenuitvoerder verstrekt op verzoek van de
aanspraakgerechtigde tijdig zijn gegevens met betrekking tot
pensioenaanspraken door middel van het pensioenregister.
3. De Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verstrekt op verzoek
van de aanspraakgerechtigde tijdig zijn gegevens over
verzekeringstijdvakken en daarop gebaseerde aanspraak op
ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet door middel
van het pensioenregister.
4. De gegevens die op grond van het tweede en derde lid worden
verstrekt door middel van het pensioenregister worden in dat kader
uitsluitend gebruikt voor het in het eerste lid omschreven doel.
5. Een door Onze Minister aan te wijzen instelling ontwikkelt en
beheert het pensioenregister en draagt zorg voor de tijdige verwerking
van de gegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, en het goed
functioneren van het pensioenregister.
6. De instelling, bedoeld in het vijfde lid, is bewerker in de zin
van de Wet bescherming persoonsgegevens voor het verwerken van de
gegevens die door de pensioenuitvoerders en de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, door middel van het
pensioenregister worden verstrekt.
7. De instelling, bedoeld in het vijfde lid, stelt in verband met
haar rol als bewerker als bedoeld in het zesde lid een reglement vast
waarin regels worden gesteld met betrekking tot het ontwikkelen en
beheren van het pensioenregister. Dit reglement bevat in ieder geval
regels over de gegevens die verstrekt worden, de wijze waarop deze
gegevens verstrekt worden en de bekostiging en beveiliging van het
pensioenregister.
8. Het reglement alsmede elke wijziging daarvan behoeft de
goedkeuring van Onze Minister.
9. Hetgeen bij of krachtens hoofdstuk 7 van toepassing is bij het
toezicht op de uitvoering van dit artikel door pensioenuitvoerders is
van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van dit artikel door
de instelling, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 52. Zorgplicht pensioenuitvoerder bij premieovereenkomsten
met beleggingsvrijheid
1. Bij de uitvoering van een premieovereenkomst met
beleggingsvrijheid is de pensioenuitvoerder verantwoordelijk voor de
beleggingen en handelt daarbij overeenkomstig artikel 135.
2. De pensioenuitvoerder biedt de deelnemer en de gewezen deelnemer
de mogelijkheid de verantwoordelijkheid voor de beleggingen over te
nemen.
3. Indien de deelnemer of de gewezen deelnemer de
verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen, adviseert
de pensioenuitvoerder de deelnemer of de gewezen deelnemer over de
spreiding van de beleggingen in relatie tot de duur van de periode tot
pensioendatum, waarbij het beleggingsrisico kleiner wordt naarmate de
pensioendatum nadert.
4. De pensioenuitvoerder onderzoekt ten minste een keer per jaar of
de beleggingen van de deelnemer of gewezen deelnemer zich binnen de op
basis van het derde lid gestelde grenzen bevinden en informeert de
deelnemer en de gewezen deelnemer hierover.
5. Afdeling 4.2.3 van de Wet op het financieel toezicht is van
overeenkomstige toepassing op de in dit artikel bedoelde
premieovereenkomsten ingeval de deelnemer of gewezen deelnemer de
verantwoordelijkheid over de beleggingen heeft overgenomen.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
gesteld worden met betrekking tot dit artikel.
Artikel 53. Verstrekken uitkeringen (in andere lidstaten)
De pensioenuitvoerder betaalt de uitkering uit hoofde van een
pensioenrecht op verzoek van de pensioengerechtigde in een andere
lidstaat van de Europese Unie dan de lidstaat waar die
pensioenuitvoerder is gevestigd, waarbij transactiekosten op de
uitkering uit hoofde van het pensioenrecht in mindering kunnen worden
gebracht.
Artikel 54. Uitvoeren vrijwillige voortzetting
1. Een pensioenuitvoerder kan voor de deelnemer die gewezen
werknemer wordt een vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling
uitvoeren indien de vrijwillige voortzetting gedurende ten hoogste
drie jaar vanaf de beëindiging van de dienstbetrekking voortduurt.
2. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van tien jaar
voor zover de genoemde gewezen werknemer, aansluitend aan de
beëindiging van de dienstbetrekking, gedurende die periode winst uit
onderneming geniet als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
3. Van de in het eerste lid genoemde termijn kan worden afgeweken
indien:
a. de deelnemer ten tijde van de beëindiging van de
dienstbetrekking arbeidsongeschikt is. De periode waarin sprake
kan zijn van vrijwillige voortzetting is dan ten hoogste drie jaar
of de duur van de arbeidsongeschiktheid indien deze langer is; of
b. de deelnemer na de beëindiging van de dienstbetrekking een
periodieke uitkering ontvangt ter vervanging van in verband met de
beëindiging van de dienstbetrekking gederfde inkomsten op grond
van een tussen één of meer werkgevers en één of meer
werknemers afgesproken regeling. De periode waarin sprake kan zijn
van vrijwillige voortzetting is dan ten hoogste drie jaar of de
periode waarin de uitkering wordt ontvangen indien deze langer is.
4. De vrijwillige voortzetting begint uiterlijk negen maanden na
beëindiging van de dienstbetrekking. Artikel 14, tweede lid, is niet
van toepassing op de periode vanaf de beëindiging van de
dienstbetrekking tot het begin van de vrijwillige voortzetting.
§ 4.2. Behoud aanspraak
Artikel 55. Behoud aanspraak op pensioen bij beëindiging deelneming
1. Bij beëindiging van de deelneming behoudt de gewezen deelnemer
de tot dat moment opgebouwde pensioenaanspraken indien er sprake is
van een uitkeringsovereenkomst of een kapitaalovereenkomst. Deze
pensioenaanspraak dient volledig gefinancierd te zijn op het moment
van beëindiging. In geval van premievrijmaking op grond van artikel
29, vierde lid, wordt daarmee bij de vaststelling van de opgebouwde
aanspraken rekening gehouden.
2. Bij een premieovereenkomst wordt bij beëindiging van de
deelneming de vaststelling van de pensioenaanspraken als volgt
uitgevoerd: het tot op dat moment ontstane kapitaal voortvloeiend uit
de tot de beëindiging beschikbaar gestelde premies wordt:
a. belegd tot de pensioendatum;
b. aangewend voor de aankoop van een verzekerd kapitaal dat
beschikbaar komt op de pensioendatum; of
c. aangewend voor een verzekerde levenslange uitkering vanaf de
pensioendatum, al dan niet in combinatie met een aanspraak op
nabestaandenpensioen.
3. Indien de opzet van de premieovereenkomst zodanig is dat de
beschikbaar gestelde premie direct, en niet pas bij de beëindiging
van de deelneming, wordt aangewend voor een uitkering of kapitaal, dan
geldt het eerste lid.
4. Deelnemers en andere aanspraakgerechtigden die na beëindiging
van de deelneming aan een pensioenregeling naar een andere lidstaat
van de Europese Unie verhuizen behouden hun pensioenaanspraak in
dezelfde mate als deelnemers en andere aanspraakgerechtigden die na
beëindiging van de deelneming in Nederland blijven.
5. Indien de pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen
op risicobasis behoudt de deelnemer, die na beëindiging van de
deelneming recht heeft op een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet gedurende de periode dat hij de uitkering ontvangt,
aanspraak op partnerpensioen ten behoeve van zijn partner. De hoogte
van het partnerpensioen wordt vastgesteld alsof hetzelfde pensioen op
opbouwbasis zou zijn overeengekomen, waarbij rekening wordt gehouden
met het partnerpensioen verkregen op grond van artikel 61. Dit lid is
van overeenkomstige toepassing op de deelnemer, die na beëindiging
van de deelneming recht heeft op werkloosheidsuitkering van zijn
woonland.
Artikel 56. Behoud aanspraak op partnerpensioen bij verlof
Indien de pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen is het
opnemen van onbetaald verlof tot een maximum van 18 maanden door de
deelnemer tijdens de deelneming niet van invloed op de dekking uit
hoofde van het partnerpensioen.
Artikel 57. Behoud aanspraak in geval van scheiding
1. Indien de partnerrelatie van een deelnemer eindigt door
scheiding verkrijgt de gewezen partner van de deelnemer een zodanige
aanspraak op partnerpensioen als de deelnemer ten behoeve van die
gewezen partner zou hebben behouden indien op het tijdstip van
scheiding zijn deelneming zou zijn geëindigd.
2. Indien de partnerrelatie van een gewezen deelnemer eindigt door
scheiding, en de gewezen deelnemer ten behoeve van die partner een
aanspraak op partnerpensioen heeft behouden bij beëindigen van de
deelneming, gaat de aanspraak over op de gewezen partner van de
gewezen deelnemer.
3. Indien de partnerrelatie van een gepensioneerde eindigt door
scheiding, en de gepensioneerde ten behoeve van die partner een
aanspraak op partnerpensioen heeft behouden bij het ingaan van het
ouderdomspensioen, gaat die aanspraak over op de gewezen partner van
de gepensioneerde.
4. Het eerste, tweede en derde lid vindt geen toepassing indien de
partners bij voorwaarden in verband met de partnerrelatie of een
schriftelijk gesloten overeenkomst met betrekking tot de scheiding
anders overeenkomen. Deze voorwaarden of overeenkomst zijn
respectievelijk is slechts geldig indien de pensioenuitvoerder zich
bereid heeft verklaard hiermee in te stemmen en bereid is een uit de
afwijking voortvloeiend risico te dekken dan wel het niveau van de
uitkering aan te passen.
5. Een gewezen partner met een recht op bijzonder partnerpensioen
als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, heeft het recht dit te
vervreemden aan een eerdere of latere partner van de overleden
deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, mits:
a. de pensioenuitvoerder bereid is een eventueel uit die
overdracht voortvloeiende wijziging van het risico te dekken;
b. de vervreemding onherroepelijk is; en
c. dit wordt overeengekomen bij notarieel verleden akte.
Artikel 58. Gelijke behandeling bij toeslagen
1. Indien een ouderdomspensioenrecht van een gepensioneerde die
geen gewezen deelnemer is geweest wordt verhoogd door middel van een
toeslag, wordt het ouderdomspensioenrecht van een gepensioneerde die
wel gewezen deelnemer is geweest in dezelfde mate verhoogd indien zij
in dezelfde pensioenregeling hebben deelgenomen.
2. Indien een recht op partnerpensioen van de partner van een
overleden gepensioneerde die geen gewezen deelnemer is geweest wordt
verhoogd door middel van een toeslag, worden de
partnerpensioenrechten:
a. ten behoeve van de partners van overleden gepensioneerden
die gewezen deelnemer zijn geweest;
b. ten behoeve van de partners van overleden gewezen
deelnemers;
c. ten behoeve van de partners van overleden deelnemers; en
d. van de gewezen partners met een bijzonder partnerpensioen;
in dezelfde mate verhoogd, mits deze rechten voortvloeien uit een
pensioenovereenkomst die gebaseerd is op dezelfde pensioenregeling als
die van de overleden gepensioneerde die geen gewezen deelnemer is
geweest.
3. Indien een ouderdomspensioenrecht wordt verhoogd door middel van
een toeslag, wordt de aanspraak op ouderdomspensioen van een gewezen
deelnemer die in dezelfde pensioenregeling heeft deelgenomen in
dezelfde mate verhoogd.
4. Indien een aanspraak op partnerpensioen van een gepensioneerde
die geen gewezen deelnemer is geweest wordt verhoogd door middel van
een toeslag, worden de partnerpensioenaanspraken:
a. ten behoeve van de partner van een gepensioneerde die wel
gewezen deelnemer is geweest;
b. ten behoeve van de partner van een gewezen deelnemer; en
c. van de gewezen partner van de gewezen deelnemer met een
bijzonder partnerpensioen;
in dezelfde mate verhoogd, mits deze aanspraken voortvloeien uit
een pensioenovereenkomst die is gebaseerd op dezelfde pensioenregeling
als die van de gepensioneerde die geen gewezen deelnemer is geweest.
5. Bij de verlening van toeslagen op partnerpensioen wordt geen
onderscheid gemaakt tussen partners.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gewezen deelnemer
niet verstaan de werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van
de Wet privatisering FVP die recht heeft op een bijdrage van de
Stichting Financiering Voortzetting Pensioenverzekering.
Artikel 59. Geen verjaring ten gunste van de pensioenuitvoerder
Een rechtsvordering tegen een pensioenuitvoerder tot het doen van een
uitkering verjaart niet bij leven van de pensioengerechtigde.
§ 4.3. Beschikken over pensioen
Artikel 60. Keuzerecht hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen
1. Indien een pensioenregeling op basis van een
pensioenovereenkomst voorziet in de opbouw van een ouderdomspensioen
en een partnerpensioen, biedt de pensioenregeling aan de deelnemer of
gewezen deelnemer met betrekking tot perioden van opbouw vanaf 1
januari 2002, ongeacht zijn burgerlijke staat, het recht in elk geval
met ingang van de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat of kan
ingaan, in plaats van partnerpensioen te kiezen voor één van de
volgende wijzigingen van het ouderdomspensioen:
a. een hoger ouderdomspensioen;
b. een eerder ingaand ouderdomspensioen; of
c. een hoger en een eerder ingaand ouderdomspensioen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de aanspraak op
bijzonder partnerpensioen van de gewezen partner.
3. Indien er in de pensioenovereenkomst geen recht op de
keuzemogelijkheid als bedoeld in het eerste lid is opgenomen heeft de
deelnemer of gewezen deelnemer het recht om te kiezen voor één van
deze mogelijkheden.
4. De pensioenuitvoerder waarborgt dat bij gebruikmaking van het
keuzerecht geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen
door vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet.
5. De pensioenuitvoerder waarborgt bij de vaststelling van een
ruilvoet of opbouwkeuzevoet dat voldaan wordt aan het vereiste van
collectieve actuariële gelijkwaardigheid hetgeen inhoudt dat de
collectieve actuariële waarde van het ouderdomspensioen, bedoeld in
het eerste lid, dat wordt gekozen in plaats van het partnerpensioen,
bedoeld in het eerste lid, ongeacht de datum waarop de keuze wordt
gemaakt, ten minste gelijkwaardig is aan de op dezelfde grondslagen
berekende collectieve actuariële waarde van dat partnerpensioen.
6. Bij de keuze, bedoeld in het eerste of derde lid, is de
toestemming vereist van de partner die begunstigde is voor het in het
eerste lid bedoelde partnerpensioen.
7. Het vierde en vijfde lid zijn:
a. met betrekking tot uitkeringsovereenkomsten en
kapitaalovereenkomsten van toepassing op pensioenaanspraken die
vanaf 1 januari 2002 zijn opgebouwd;
b. met betrekking tot premieovereenkomsten van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2005 zijn opgebouwd.
8. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid
pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije
voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd, is het
eerste lid van toepassing indien het recht op die premievrije
voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2002.
9. In afwijking van het zevende lid kunnen het vierde en vijfde lid
van toepassing zijn op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1
januari 2002 respectievelijk 1 januari 2005 indien dit is
overeengekomen in de pensioenovereenkomst.
10. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het eerste tot en met het vijfde lid.
Artikel 61. Keuzerecht uitruil ouderdomspensioen in partnerpensioen
1. Indien een pensioenovereenkomst voorziet in een
ouderdomspensioen, heeft de deelnemer of gewezen deelnemer het recht,
in plaats van ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen
te kiezen voor partnerpensioen in elk geval:
a. bij beëindiging van de deelneming; en
b. met ingang van de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat
of kan ingaan;
waarbij de hoogte van het partnerpensioen maximaal 70
percent bedraagt van het ouderdomspensioen dat na de uitruil resteert.
2. Indien een pensioenovereenkomst voorziet in een
ouderdomspensioen, biedt de pensioenuitvoerder de deelnemer bij
beëindiging van de deelneming en in het laatste jaar voor ingang van
het ouderdomspensioen standaard de mogelijkheid, genoemd in het eerste
lid, aan.
3. De pensioenuitvoerder waarborgt dat bij gebruikmaking van het
keuzerecht geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen
door vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet.
4. De pensioenuitvoerder waarborgt bij de vaststelling van een
ruilvoet of opbouwkeuzevoet dat voldaan wordt aan het vereiste van
collectieve actuariële gelijkwaardigheid hetgeen inhoudt dat de
collectieve actuariële waarde van het partnerpensioen, bedoeld in het
eerste lid, dat wordt gekozen in plaats van het ouderdomspensioen,
bedoeld in het eerste lid, ongeacht de datum waarop de keuze wordt
gemaakt, ten minste gelijkwaardig is aan de op dezelfde grondslagen
berekende collectieve actuariële waarde van dat ouderdomspensioen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de inhoud van de keuzemogelijkheid, de
wijze waarop de keuzemogelijkheid wordt geboden en de collectieve
actuariële gelijkwaardigheid, bedoeld in het vierde lid.
6. De in het eerste lid omschreven mogelijkheid heeft geen
betrekking op het deel van een ouderdomspensioen waarop een recht op
uitbetaling rust als bedoeld in artikel 2 van de Wet verevening
pensioenrechten bij scheiding.
7. Indien de deelnemer of gewezen deelnemer niet binnen de door de
pensioenuitvoerder gestelde termijn reageert op de keuzemogelijkheid
die hem ingevolge het tweede lid in het laatste jaar voor de ingang
van het ouderdomspensioen is aangeboden, gaat de pensioenuitvoerder
over tot het uitruilen van het ouderdomspensioen in partnerpensioen
indien:
a. de pensioenovereenkomst niet voorziet in een aanspraak op
partnerpensioen vanaf de datum waarop het ouderdomspensioen
ingaat; en
b. de deelnemer of gewezen deelnemer gehuwd is of een
geregistreerde partnerrelatie heeft.
8. In de pensioenregeling wordt bepaald wat de verhouding is tussen
ouderdomspensioen en partnerpensioen na uitruil als bedoeld in het
zevende lid.
9. Indien de uitruil, bedoeld in het zevende lid, ertoe zou leiden
dat het ouderdomspensioen op jaarbasis lager wordt dan het op grond
van artikel 66 bepaalde bedrag wordt de in het achtste lid bedoelde
verhouding tussen ouderdomspensioen en partnerpensioen zodanig
aangepast dat het ouderdomspensioen op jaarbasis meer bedraagt dan het
op grond van artikel 66 bepaalde bedrag.
10. Indien de pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen
op risicobasis kan in de pensioenregeling worden bepaald dat het
zevende lid, aanhef en onderdeel b, van overeenkomstige toepassing is
bij beëindiging van de deelneming. Het achtste en negende lid is van
toepassing.
Artikel 62. Keuzemogelijkheden andere vormen van uitruil
1. Indien de pensioenovereenkomst de deelnemer of gewezen deelnemer
de mogelijkheid biedt:
a. in plaats van een bepaald soort pensioen geheel of
gedeeltelijk te kiezen voor een ander soort pensioen, dan het
pensioen, bedoeld in de artikelen 60 en 61;
b. de ingangsdatum van het ouderdomspensioen te vervroegen of
uit te stellen;
c. de hoogte van het ouderdomspensioen te laten variëren; of
d. tot een keuze anders dan bedoeld in de voorgaande
onderdelen;
waarborgt de pensioenuitvoerder dat bij gebruikmaking van de
keuzemogelijkheid geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en
vrouwen door vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet per
keuzerecht die voldoet aan het vereiste van collectieve actuariële
gelijkwaardigheid.
2. Bij gebruikmaking van een in het eerste lid bedoelde
keuzemogelijkheid is de toestemming vereist van de partner die
begunstigde is voor partnerpensioen indien de hoogte daarvan door
gebruikmaking van de keuzemogelijkheid wordt verlaagd.
3. Het eerste lid is:
a. met betrekking tot uitkeringsovereenkomsten en
kapitaalovereenkomsten van toepassing op pensioenaanspraken die
vanaf 1 januari 2002 zijn opgebouwd;
b. met betrekking tot premieovereenkomsten van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2005 zijn opgebouwd.
4. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid
pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije
voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid
van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is
ontstaan op of na 1 januari 2002.
5. In afwijking van het derde lid kan het eerste lid van toepassing
zijn op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2002
respectievelijk 1 januari 2005 indien dit is overeengekomen in de
pensioenovereenkomst.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 63. Variatie hoogte pensioenuitkering
1. De hoogte van een pensioen kan na ingang variëren mits:
a. de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75% van de
hoogste uitkering; en
b. de mate van variatie uiterlijk op de ingangsdatum van het
pensioen wordt vastgesteld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid blijft in de periode
tussen de ingangsdatum van het pensioen en het bereiken van de
65-jarige leeftijd, van de uitkering buiten aanmerking het gedeelte
dat overeenkomt met het bedrag bedoeld in artikel 18d, derde lid, van
de Wet op de loonbelasting 1964.
Artikel 64. Verbod van vervreemding en mogelijkheid van volmacht
1. Vervreemding of elke andere handeling, waardoor de
aanspraakgerechtigde of de pensioengerechtigde enig recht op zijn
pensioenaanspraken of pensioenrechten aan een ander toekent is nietig,
tenzij:
a. verpanding plaatsvindt voor het verlenen van zekerheid voor
het verkrijgen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25,
vijfde lid, van de Invorderingswet 1990;
b. vervreemding plaatsvindt op grond van artikel 57, vijfde
lid;
c. verevening plaatsvindt op basis van de Wet verevening
pensioenrechten bij scheiding;
d. in het kader van een verrekening van pensioenrechten bij
scheiding in plaats van de aanspraakgerechtigde of de
pensioengerechtigde diens gewezen partner respectievelijk diens
partner wordt aangewezen als begunstigde voor het geheel of een
deel van het ouderdomspensioen, mits de pensioenuitvoerder hiermee
instemt; of
e. in het kader van een verrekening van pensioenrechten bij
scheiding de waarde van het geheel of een deel van het
ouderdomspensioen van de aanspraakgerechtigde of de
pensioengerechtigde bij dezelfde pensioenuitvoerder wordt
aangewend voor een ouderdomspensioen op het leven van diens
gewezen partner respectievelijk diens partner, mits de
pensioenuitvoerder hiermee instemt.
2. Een volmacht tot invordering van uitkeringen uit hoofde van een
pensioenrecht, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
Artikel 65. Afkoop
1. Afkoop is slechts mogelijk in bij of krachtens de artikelen 66
tot en met 69en 134 bedoelde situaties of in geval van toepassing van
artikel 3:161 van de Wet op het financieel toezicht.
2. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
Artikel 66. Afkoop klein ouderdomspensioen bij beëindiging
deelneming
1. De pensioenuitvoerder heeft het recht om op zijn vroegst twee
jaar na beëindiging van de deelneming pensioenaanspraken van een
gewezen deelnemer af te kopen, indien op basis van de tot het tijdstip
van beëindiging opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen de
uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere
ingangsdatum minder zal bedragen dan € 400 [Red: per 1 januari 2012:
€ 438,44] per jaar, tenzij:
a. dit recht op afkoop in de pensioen- en
uitvoeringsovereenkomst is beperkt of uitgesloten; of
b. de gewezen deelnemer binnen twee jaar na beëindiging van de
deelneming een procedure tot waardeoverdracht is gestart.
2. Indien de reguliere ingangsdatum van het ouderdomspensioen ligt
voor het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn van
twee jaar, heeft de pensioenuitvoerder het recht om bij de ingang van
het ouderdomspensioen een aanspraak op ouderdomspensioen en eventuele
andere aanspraken ten behoeve van de gepensioneerde of zijn
nabestaanden af te kopen, indien de uitkering van het
ouderdomspensioen op de ingangsdatum minder bedraagt dan € 400 [Red:
per 1 januari 2012: € 438,44] per jaar.
3. De pensioenuitvoerder die gebruik wil maken van het in het
eerste lid bedoelde recht informeert de gewezen deelnemer over zijn
besluit hieromtrent binnen zes maanden na afloop van de periode van
twee jaar na beëindiging van de deelneming en gaat over tot de
uitbetaling van de afkoopwaarde binnen die termijn van zes maanden.
4. De pensioenuitvoerder die gebruik wil maken van het in het
tweede lid bedoelde recht informeert de gepensioneerde over zijn
besluit hieromtrent binnen zes maanden na de ingang van het pensioen
en gaat over tot de uitbetaling van de afkoopwaarde binnen die termijn
van zes maanden.
5. De pensioenuitvoerder stelt de afkoopwaarde van de
pensioenaanspraken ter beschikking aan de gewezen deelnemer dan wel de
gepensioneerde, met uitzondering van de afkoopwaarde van een bijzonder
partnerpensioen, die ter beschikking wordt gesteld aan de gewezen
partner.
6. De pensioenuitvoerder betaalt de uitkering op de dag dat de
aanspraken of rechten vervallen in verband met de afkoop.
7. De pensioenuitvoerder kan na de in het derde lid bedoelde
termijn van 2 jaar en zes maanden afkopen indien:
a. de gewezen deelnemer of gepensioneerde daarmee instemt; en
b. de hoogte van het ouderdomspensioen op jaarbasis per 1
januari van dat jaar lager is dan het in het eerste lid bedoelde
grensbedrag.
8. Het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag wordt bij
regeling van Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari op
basis van de consumentenprijsindex Alle Huishoudens, zoals berekend
door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De herziening wordt
bepaald door de procentuele wijziging die dat indexcijfer over de
maand oktober, voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten
opzichte van de maand oktober van het daaraan voorafgaande jaar.
9. De pensioenuitvoerder waarborgt met betrekking tot perioden van
opbouw vanaf 1 januari 2005 bij de vaststelling van de afkoopwaarde
door vaststelling van een afkoopvoet dat geen onderscheid gemaakt
wordt tussen mannen en vrouwen waarbij voldaan wordt aan het vereiste
van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
10. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen er
nadere regels worden gesteld aan het vaststellen van de afkoopwaarde,
bedoeld in het zesde lid.
Artikel 67. Afkoop klein partnerpensioen of wezenpensioen bij ingang
1. De pensioenuitvoerder heeft jegens de nabestaanden het recht om
een recht op partnerpensioen of wezenpensioen ten behoeve van de
nabestaanden van dezelfde deelnemer, gewezen deelnemer of
gepensioneerde af te kopen, indien de uitkering van het
partnerpensioen of wezenpensioen op jaarbasis op de ingangsdatum
minder bedraagt dan het op basis van artikel 66 bepaalde bedrag,
tenzij dit recht op afkoop in de pensioen- en uitvoeringsovereenkomst
is beperkt of uitgesloten.
2. De pensioenuitvoerder die gebruik maakt van het in het eerste
lid bedoelde recht informeert de nabestaande hierover binnen zes
maanden na de ingangsdatum en gaat binnen die termijn over tot
uitbetaling van de afkoopwaarde aan de nabestaande.
3. De pensioenuitvoerder kan na de in het tweede lid bedoelde
termijn het partnerpensioen of wezenpensioen afkopen indien:
a. de nabestaande daarmee instemt; en
b. indien de hoogte van het partnerpensioen of wezenpensioen op
jaarbasis per 1 januari van dat jaar lager is dan het op basis van
artikel 66 bepaalde bedrag.
4. Artikel 66, zesde en negende tot en met elfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 68. Afkoop klein bijzonder partnerpensioen bij scheiding
1. De pensioenuitvoerder heeft jegens de gewezen partner het recht
om een aanspraak op bijzonder partnerpensioen af te kopen indien de
uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis op de ingangsdatum
minder zal bedragen dan het op basis van artikel 66 bepaalde bedrag,
tenzij dit recht op afkoop in de pensioen- en uitvoeringsovereenkomst
is beperkt of uitgesloten.
2. De pensioenuitvoerder die gebruik maakt van het in het eerste
lid bedoelde recht informeert de gewezen partner hierover binnen zes
maanden na de melding van de scheiding en gaat binnen die termijn over
tot uitbetaling van de afkoopwaarde aan de gewezen partner.
3. De pensioenuitvoerder kan na de in het tweede lid bedoelde
termijn afkopen indien:
a. de gewezen partner daarmee instemt; en
b. indien de hoogte van het partnerpensioen op jaarbasis per 1
januari van dat jaar lager is dan het op basis van artikel 66
bepaalde bedrag.
4. Artikel 66, zesde en negende tot en met elfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 69. Bevoegdheid tot afkoop van fiscaal bovenmatig pensioen
1. De pensioenuitvoerder is bevoegd om over te gaan tot afkoop van
het deel van de pensioenaanspraken:
a. dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het
tijdstip van ingang van het pensioen uitgaat boven de
begrenzingen, bedoeld in de artikelen 18a, zevende lid, 18b,
zevende lid, 18c, vijfde en zesde lid, en 18e, vierde lid, van de
Wet op de loonbelasting 1964, met inachtneming van artikel 18d,
eerste lid, onderdelen a, b en d, van die wet; of
b. dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het
tijdstip waarop de deelnemer of de gewezen deelnemer ophoudt
binnenlands belastingplichtige te zijn uitgaat boven de
begrenzingen, bedoeld in onderdeel a.
2. De afkoopwaarde wordt door de pensioenuitvoerder aan de
deelnemer of gewezen deelnemer ter beschikking gesteld, met
uitzondering van de afkoopwaarde voor een bijzonder partnerpensioen
die ter beschikking wordt gesteld aan de gewezen partner.
3. De pensioenuitvoerder waarborgt bij de vaststelling van de
afkoopwaarde door vaststelling van een afkoopvoet dat geen onderscheid
gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen waarbij voldaan wordt aan het
vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
4. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing op
pensioenaanspraken als bedoeld in de artikelen 38d, 38e en 38f van de
Wet op de loonbelasting 1964.
5. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen er regels
worden gesteld aan het vaststellen van de afkoopwaarde.
Artikel 70. Begrip en reikwijdte waardeoverdracht
1. Voor de toepassing van deartikelen 71 tot en met 92 wordt onder
ontvangende pensioenuitvoerder mede verstaan:
1°. een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling; en
2°. de Stichting Notarieel pensioenfonds, bedoeld in artikel
113a, eerste lid, van de Wet op het notarisambt.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen instellingen worden
aangewezen jegens wie een pensioenuitvoerder een verplichting tot
waardeoverdracht heeft.
3. Waardeoverdracht is slechts mogelijk in de in deartikelen 71 tot
en met 92 bedoelde situaties.
4. Voor de toepassing van de artikelen 71 tot en met 92 wordt onder
een pensioenfonds dat optreedt als ontvangende pensioenuitvoerder mede
verstaan een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling of de Stichting Notarieel
pensioenfonds, bedoeld in artikel 113a, eerste lid, van de Wet op het
notarisambt.
Artikel 71. Plicht tot waardeoverdracht op verzoek gewezen deelnemer
bij wisseling van werkgever of toetreding tot een
beroepspensioenregeling
1. De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de
gewezen deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens
pensioenaanspraken over te dragen indien:
a. er sprake is van een individuele beëindiging van de
dienstbetrekking dan wel individuele beëindiging van de
deelneming; en
b. die waardeoverdracht ertoe strekt het de gewezen deelnemer
mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de
ontvangende pensioenuitvoerder van de nieuwe werkgever of de
beroepspensioenregeling;
tenzij sprake is van een van de in de artikelen 72 en 73
omschreven situaties.
Indien het verzoek van de gewezen deelnemer tot waardeoverdracht
partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht van dit
partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde is voor
het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. De ontvangende pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek
tot waardeoverdracht van een deelnemer de overdrachtswaarde aan te
wenden ter verwerving van pensioenaanspraken voor die deelnemer.
3. De plicht van de overdragende pensioenuitvoerder om de waarde
rechtstreeks over te dragen en de plicht van de ontvangende
pensioenuitvoerder om de waarde aan te wenden ontstaat indien de
deelnemer binnen zes maanden na aanvang van de verwerving van
pensioenaanspraken in de door de ontvangende pensioenuitvoerder
uitgevoerde pensioenregeling een opgave heeft gevraagd van zijn
pensioenaanspraken aan de ontvangende pensioenuitvoerder en daarna het
verzoek tot waardeoverdracht doet aan de ontvangende
pensioenuitvoerder.
4. De ontvangende pensioenuitvoerder waarborgt dat de actuariële
waarde van de door de deelnemer te verwerven pensioenaanspraken ten
minste gelijk is aan de op dezelfde grondslagen berekende waarde van
de over te dragen pensioenaanspraken.
5. De overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerder brengen in
het kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de
gewezen deelnemer.
6. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld ten aanzien van de berekening van de overdrachtswaarde, de
waarde van met de overdrachtswaarde te verwerven pensioenaanspraken
alsmede de in acht te nemen procedures.
Artikel 71a. Uitzondering op de plicht tot waardeoverdracht in
verband met afkoop
De in artikel 71 genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet
indien na de waardeoverdracht de voor de bedrijfspensioenvoorziening
geldende wetgeving van een andere staat dan Nederland op de overgedragen
pensioenaanspraken van toepassing is en de mogelijkheden tot afkoop van
de waarde van de overgedragen pensioenaanspraken na de waardeoverdracht
ruimer zijn dan op basis van deze wet.
Artikel 72. Uitzondering op de plicht tot waardeoverdracht in verband
met financiële positie pensioenuitvoerder of werkgever
De in artikel 71 genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet
zolang:
a. de overdragende of ontvangende pensioenuitvoerder een
pensioenfonds is waarbij de technische voorzieningen niet meer
volledig door waarden worden gedekt;
b. de overdragende of ontvangende pensioenuitvoerder een
verzekeraar is:
1°. waarop de noodregeling, bedoeld in artikel 3:161 van de
Wet op het financieel toezicht van toepassing is; of
2°. die failliet is; of
c. de overdragende pensioenuitvoerder een verzekeraar is en
aanvullende bijdragen van de werkgever noodzakelijk zijn maar de
financiële toestand van die werkgever blijkens een schriftelijke
verklaring van een niet aan de onderneming van de werkgever
verbonden registeraccountant of accountant-administratieconsulent
die aanvullende bijdragen niet toelaat.
Artikel 72a. Uitzondering op de plicht tot waardeoverdracht in
verband met bijbetaling [Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip]
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
over de tijdelijke inperking van de in artikel 71 genoemde plicht tot
waardeoverdracht in verband met aanvullende bijdragen van de oude of
de nieuwe werkgever.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 73. Uitzondering op plicht tot waardeoverdracht in verband
met datum
De in artikel 71genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet met
betrekking tot pensioenaanspraken ondergebracht bij:
a. een pensioenfonds, indien de deelneming is geëindigd vóór 8
juli 1994;
b. een verzekeraar, indien de dienstbetrekking van de gewezen
deelnemer is geëindigd vóór 8 juli 1994.
Artikel 74. Herleving van de plicht tot waardeoverdracht bij
wisseling van werkgever of toetreding tot een beroepspensioenregeling
1. Indien de in artikel 72 genoemde omstandigheden niet meer van
toepassing zijn:
a. herleven de in artikel 71 bedoelde plichten van de
overdragende pensioenuitvoerder en de ontvangende
pensioenuitvoerder;
b. wordt de inartikel 71, derde lid, omschreven verplichting
van de deelnemer om binnen zes maanden een opgave te vragen en
daarna een verzoek tot waardeoverdracht te doen verlengd tot zes
maanden na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het tweede lid.
2. Een overdragende pensioenuitvoerder die in de periode waarin de
in artikel 72 bedoelde omstandigheden op hem van toepassing zijn
verzoeken tot waardeoverdracht heeft gekregen, informeert, wanneer
deze omstandigheden niet meer van toepassing zijn, alle deelnemers die
in die periode gewezen deelnemer zijn geworden en de betrokken
ontvangende pensioenuitvoerders over de mogelijkheid alsnog waarde
over te dragen.
3. Een ontvangende pensioenuitvoerder die in de periode waarin de
in artikel 72 genoemde omstandigheden op hem van toepassing zijn
verzoeken tot waardeoverdracht heeft gekregen, informeert wanneer deze
omstandigheden niet meer van toepassing zijn, alle deelnemers die in
die periode een verzoek tot waardeoverdracht hebben gedaan en de
betrokken overdragende pensioenuitvoerders over de mogelijkheid alsnog
waarde over te dragen.
Artikel 75. Bevoegdheid tot waardeoverdracht op verzoek gewezen
deelnemer bij wisseling werkgever of toetreding tot een
beroepspensioenregeling
1. Indien in de in artikel 71 bedoelde situatie geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat omdat:
a. de deelnemer niet voldaan heeft aan de in artikel 71, derde
lid, omschreven verplichting om binnen zes maanden een opgave te
vragen; of
b. sprake is van de inartikel 73 bedoelde situatie;
is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht indien
voldaan wordt aan de in artikel 71, eerste en vierde lid, genoemde
voorwaarden.
2. Indien in de in artikel 71 bedoelde situatie geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat, omdat er geen sprake is van een individuele
beëindiging, is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht
indien:
a. wordt voldaan aan de in artikel 71, eerste lid, onderdeel b
en tweede zin, en vierde lid, genoemde voorwaarden;
b. de overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerders aan
wie door een groep gewezen deelnemers verzoeken tot
waardeoverdracht worden gedaan, dit schriftelijk hebben gemeld aan
de toezichthouder; en
c. de toezichthouder binnen drie maanden na de melding geen
verbod tot waardeoverdracht heeft opgelegd aan een van beide
pensioenuitvoerders.
3. Indien de financiering van de aanspraken van de gewezen
deelnemer bij de overdragende pensioenuitvoerder nog niet is voltooid
overeenkomstig artikel 55 kan de pensioenuitvoerder ondanks de lagere
waarde en de daaruit bij de ontvangende pensioenuitvoerder
resulterende lagere pensioenaanspraken de waarde overdragen indien de
gewezen deelnemer en zijn partner schriftelijk hiermee instemmen en
mits sprake is van de in artikel 72, onderdeel c, of de in artikel 73
bedoelde situatie.
Artikel 76. Plicht tot waardeoverdracht op verzoek deelnemer bij
andere pensioenovereenkomst met dezelfde werkgever
1. De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de
gewezen deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens
pensioenaanspraken over te dragen indien:
a. sprake is van een individuele beëindiging van de deelneming
bij een nieuwe of voortgezette dienstbetrekking bij dezelfde
werkgever; en
b. die waardeoverdracht ertoe strekt het de gewezen deelnemer
mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de
ontvangende pensioenuitvoerder;
tenzij de overdragende en ontvangende pensioenuitvoerder
niet identiek zijn en sprake is van de in artikel 72 omschreven
situaties.
Indien het verzoek van de gewezen deelnemer tot waardeoverdracht
partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht van dit
partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde is voor
het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. De ontvangende pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek
tot waardeoverdracht van een deelnemer de overdrachtswaarde aan te
wenden ter verwerving van pensioenaanspraken voor die deelnemer.
3. De plicht van de overdragende pensioenuitvoerder om de waarde
rechtstreeks over te dragen en de plicht van de ontvangende
pensioenuitvoerder om de waarde aan te wenden ontstaat indien de
deelnemer binnen zes maanden na aanvang van de verwerving van
pensioenaanspraken in de door de ontvangende pensioenuitvoerder
uitgevoerde pensioenregeling een opgave heeft gevraagd van zijn
pensioenaanspraken aan de ontvangende pensioenuitvoerder en daarna het
verzoek tot waardeoverdracht doet aan de ontvangende
pensioenuitvoerder.
4. De overdrachtswaarde wordt door de overdragende
pensioenuitvoerder zodanig vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen
te verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van
collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde
grondslagen wordt voldaan.
5. Het vierde lid is:
a. met betrekking tot uitkeringsovereenkomsten van toepassing
op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2002 zijn of worden
opgebouwd;
b. met betrekking tot premieovereenkomsten en
kapitaalovereenkomsten van toepassing op pensioenaanspraken die
vanaf 1 januari 2005 zijn of worden opgebouwd.
6. In afwijking van het vijfde lid kan het vierde lid van
toepassing zijn op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1
januari 2002 respectievelijk 1 januari 2005 indien dit is
overeengekomen in de pensioenovereenkomst.
7. De overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerder brengen in
het kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de
gewezen deelnemer.
8. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van de berekening van de overdrachtswaarde,
de waarde van met de overdrachtswaarde te verwerven pensioenaanspraken
alsmede de in acht te nemen procedures.
Artikel 77. Herleving van de plicht tot waardeoverdracht bij andere
pensioenovereenkomst met zelfde werkgever
Indien in de in artikel 76 bedoelde situatie de in artikel 72
genoemde omstandigheden niet meer van toepassing zijn herleeft de plicht
tot waardeoverdracht overeenkomstig artikel 74.
Artikel 78. Bevoegdheid tot waardeoverdracht op verzoek deelnemer bij
andere pensioenovereenkomst met zelfde werkgever
1. Indien in de in artikel 76 bedoelde situatie geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat omdat de deelnemer niet voldaan heeft aan de
in artikel 76, derde lid, omschreven verplichting om binnen zes
maanden een opgave te vragen, is de pensioenuitvoerder bevoegd tot
waardeoverdracht indien voldaan wordt aan de in artikel 76, eerste en
vierde lid, opgenomen voorwaarden.
2. Indien in de in artikel 76 bedoelde situatie geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat omdat er geen sprake is van een individuele
beëindiging, is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht
indien:
a. wordt voldaan aan de in artikel 76, eerste lid, onderdeel b
en tweede zin, en vierde lid, genoemde voorwaarden;
b. de overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerders aan
wie door een groep gewezen deelnemers verzoeken tot
waardeoverdracht worden gedaan niet identiek zijn hetgeen zij
schriftelijk hebben gemeld aan de toezichthouder; en
c. de toezichthouder binnen drie maanden na de melding geen
verbod tot waardeoverdracht heeft opgelegd aan een van beide
pensioenuitvoerders.
Artikel 79. Plicht tot waardeaanwending bij keuzerecht of
keuzemogelijkheid
1. De pensioenuitvoerder is verplicht om op verzoek van de
deelnemer of gewezen deelnemer de waarde van diens pensioenaanspraken
aan te wenden in het kader van het keuzerecht overeenkomstig de
artikelen 60 en 61 of de keuzemogelijkheden overeenkomstig artikel 62.
2. De pensioenuitvoerder brengt in het kader van de
waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de deelnemer of gewezen
deelnemer.
Artikel 80. Bevoegdheid tot waardeoverdracht voor pensioenfondsen bij
bereiken pensioendatum op grond van de pensioenovereenkomst
1. Een pensioenfonds is bevoegd om op verzoek van de deelnemer,
gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde de waarde van zijn
pensioenaanspraken welke voortvloeien uit een kapitaalovereenkomst of
een premieovereenkomst die voorziet in de uitkering van een aan te
wenden kapitaal op de pensioendatum, per de pensioendatum rechtstreeks
over te dragen aan een andere pensioenuitvoerder indien:
a. de pensioenovereenkomst hierin voorziet;
b. de overdrachtswaarde zodanig door het overdragende
pensioenfonds wordt vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te
verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van
collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde
grondslagen wordt voldaan; en
c. indien de ontvangende pensioenuitvoerder een pensioenfonds
is, de deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde
reeds pensioenaanspraken heeft jegens dat pensioenfonds.
Indien het verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer tot
waardeoverdracht partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht
van dit partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde
is voor het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2005 zijn opgebouwd.
3. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid
pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije
voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid,
onderdeel b, van toepassing indien het recht op die premievrije
voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2002.
4. In afwijking van het tweede lid kunnen de in het eerste lid,
onderdeel b, opgenomen voorwaarden van toepassing zijn op
pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2005 indien dit
is overeengekomen in de pensioenovereenkomst.
5. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 81. Verplichting tot waardeoverdracht voor verzekeraars bij
bereiken pensioendatum
1. De verzekeraar is verplicht om op verzoek van de deelnemer,
gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde de waarde van zijn
pensioenaanspraken welke voortvloeien uit een kapitaalovereenkomst of
een premieovereenkomst die voorziet in de uitkering van een aan te
wenden kapitaal op de pensioendatum, per de pensioendatum rechtstreeks
over te dragen aan een andere pensioenuitvoerder indien:
a. de overdrachtswaarde zodanig door de overdragende
verzekeraar wordt vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te
verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van
collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde
grondslagen wordt voldaan; en
b. indien de ontvangende pensioenuitvoerder een pensioenfonds
is, de deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde
reeds pensioenaanspraken heeft jegens dat pensioenfonds.
Indien het verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer tot
waardeoverdracht partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht
van dit partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde
is voor het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. Het eerste lid, onderdeel a, is van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2005 zijn opgebouwd.
3. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid
pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije
voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid,
onderdeel a, van toepassing indien het recht op die premievrije
voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2002.
4. In afwijking van het tweede lid kunnen de in het eerste lid,
onderdeel a, opgenomen voorwaarden van toepassing zijn op
pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2005 indien dit
is overeengekomen in de pensioenovereenkomst.
5. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 81a. Verplichting tot waardeoverdracht voor
premiepensioeninstellingen op datum van omzetting in pensioenuitkering
dan wel bereiken pensioendatum
1. De premiepensioeninstelling is verplicht de waarde van de
pensioenaanspraken van de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde op de datum van omzetting van de aanspraken in
een pensioenuitkering rechtstreeks over te dragen aan een door de
premiepensioeninstelling aan te wijzen verzekeraar.
2. In afwijking van het eerste lid is de premiepensioeninstelling
verplicht op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde de waarde van zijn pensioenaanspraken per de
pensioendatum rechtstreeks over te dragen aan een pensioenuitvoerder
die door de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde is aangewezen. Daarbij gelden de volgende
voorwaarden:
a. indien de door de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde aangewezen pensioenuitvoerder een
pensioenfonds is, de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde al pensioenaanspraken heeft jegens dat
pensioenfonds; en
b. de ontvangende pensioenuitvoerder hanteert dezelfde methode
als de premiepensioeninstelling om aan het vereiste van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen te voldoen.
Indien het verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer tot
waardeoverdracht partnerpensioen betreft, is voor de waardeoverdracht
van dit partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde
is voor het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
3. De overdrachtswaarde wordt door de premiepensioeninstelling
zodanig vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven
pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve
actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt
voldaan.
4. Het derde lid is van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf
1 januari 2005 zijn opgebouwd.
5. Voor zover het pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een
premievrije voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, is het
derde lid van toepassing indien het recht op die premievrije
voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2002.
6. In afwijking van het vierde lid kunnen de in het derde lid
opgenomen voorwaarden van toepassing zijn op pensioenaanspraken die
zijn opgebouwd voor 1 januari 2005 indien dit is overeengekomen in de
pensioenovereenkomst.
7. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 82. Overdracht pensioenkapitaal op pensioendatum
1. In geval van overdracht van pensioenkapitaal op de pensioendatum
ten behoeve van aankoop van een periodieke pensioenuitkering, draagt
de overdragende pensioenuitvoerder het pensioenkapitaal over:
a. aan de door de deelnemer of gewezen deelnemer aangewezen
ontvangende pensioenuitvoerder op de pensioendatum of binnen acht
weken na het verzoek hiertoe van de deelnemer of gewezen deelnemer
indien deze dat verzoek minder dan acht weken voor de
pensioendatum heeft gedaan;
b. aan de door de aanspraakgerechtigde, niet zijnde de
deelnemer of gewezen deelnemer, aangewezen ontvangende
pensioenuitvoerder binnen acht weken na het verzoek hiertoe van
die aanspraakgerechtigde.
2. De overdragende pensioenuitvoerder is verplicht tot vergoeding
van de schade die de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde ondervindt ten gevolge van de aan die
pensioenuitvoerder toerekenbare niet tijdige overdracht; de schade is
ten minste gelijk aan de wettelijke rente op het over te dragen
pensioenkapitaal.
Artikel 83. Bevoegdheid tot collectieve waardeoverdracht op verzoek
werkgever
1. De pensioenuitvoerder is op verzoek van de werkgever bevoegd tot
collectieve waardeoverdracht indien:
a. de waardeoverdracht ertoe strekt in verband met de
beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst tussen de werkgever en
de overdragende pensioenuitvoerder de waarde onder te brengen bij
de ontvangende pensioenuitvoerder met wie de werkgever een
uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten;
b. de werkgever wordt overgenomen als gevolg van een overgang
van een onderneming als bedoeld in artikel 662 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, en de overnemende onderneming een
uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten of gaat sluiten met een
andere pensioenuitvoerder of dezelfde pensioenuitvoerder; of
c. de waardeoverdracht ertoe strekt in verband met een
collectieve wijziging van de pensioenovereenkomsten de waarde van
pensioenaanspraken of pensioenrechten aan te wenden bij dezelfde
pensioenuitvoerder overeenkomstig die gewijzigde
pensioenovereenkomsten.
2. Bij een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in het eerste
lid wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of de
pensioengerechtigden hebben geen bezwaren jegens de
pensioenuitvoerder kenbaar gemaakt tegen de waardeoverdracht nadat
zij over het voornemen schriftelijk zijn geïnformeerd;
b. de overdrachtswaarde wordt door de overdragende
pensioenuitvoerder zodanig vastgesteld dat de voor mannen en
vrouwen te verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het
vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis
van dezelfde grondslagen wordt voldaan; en
c. het voornemen tot waardeoverdracht aan een
pensioenuitvoerder wordt door de overdragende pensioenuitvoerder
uiterlijk drie maanden voor de beoogde datum van waardeoverdracht
schriftelijk gemeld aan de toezichthouder en de toezichthouder
heeft binnen die periode geen verbod tot waardeoverdracht
opgelegd.
3. Het tweede lid, onderdeel b, is met betrekking tot:
a. uitkeringsovereenkomsten van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2002 zijn opgebouwd;
b. premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten van
toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2005 zijn
opgebouwd.
4. Op pensioenaanspraken die voor de in het derde lid genoemde data
zijn opgebouwd is de eis van individuele actuariële
gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van toepassing,
tenzij in de pensioenovereenkomst is overeengekomen dat de
voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van toepassing
zijn.
5. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid
pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije
voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd is onderdeel
b van het tweede lid van toepassing indien het recht op die
premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2002.
6. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 84. Verplichting tot collectieve waardeoverdracht bij
liquidatie van de pensioenuitvoerder
1. De pensioenuitvoerder is verplicht tot waardeoverdracht aan een
andere pensioenuitvoerder bij liquidatie van de eerstgenoemde
pensioenuitvoerder.
2. In geval van een waardeoverdracht als bedoeld in het eerste lid
gelden de volgende voorwaarden:
a. het voornemen tot waardeoverdracht aan een
pensioenuitvoerder wordt door de overdragende pensioenuitvoerder
uiterlijk drie maanden voor de beoogde datum van waardeoverdracht
schriftelijk gemeld aan de toezichthouder en de toezichthouder
heeft binnen die periode geen verbod tot waardeoverdracht
opgelegd;
b. de overdrachtswaarde wordt zodanig door de overdragende
pensioenuitvoerder vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te
verwerven pensioenrechten gelijk zijn, waarbij aan het vereiste
van collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van
dezelfde grondslagen wordt voldaan.
3. Het tweede lid, onderdeel b, is met betrekking tot:
a. uitkeringsovereenkomsten van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2002 zijn opgebouwd;
b. premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten van
toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2005 zijn
opgebouwd.
4. Op pensioenaanspraken die voor de in het derde lid genoemde data
zijn opgebouwd is de eis van individuele actuariële
gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van toepassing
tenzij in de pensioenovereenkomst is overeengekomen dat de
voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van toepassing
zijn.
5. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid
pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije
voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd is onderdeel
b van het tweede lid van toepassing indien het recht op die
premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2002.
6. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 85. Plicht tot waardeoverdracht aan een pensioeninstelling
uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland op
verzoek gewezen deelnemer
1. De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de
gewezen deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens
pensioenaanspraken over te dragen aan een pensioeninstelling uit een
andere lidstaat of een verzekeraar met een zetel buiten Nederland als
bedoeld in artikel 23, eerste lid, indien voldaan wordt aan de in
artikel 71 genoemde voorwaarden, met dien verstande dat:
a. de in artikel 72 gestelde eis inzake de ontvangende
pensioenuitvoerder niet van toepassing is; en mits
b. de mogelijkheden tot afkoop van de waarde van de
overgedragen pensioenaanspraken na de waardeoverdracht niet ruimer
zijn dan op basis van deze wet.
2. Indien op grond van de in artikel 72 genoemde omstandigheden
tijdelijk geen plicht tot waardeoverdracht bestaat, maar deze plicht
overeenkomstig artikel 74herleeft, is artikel 74, derde lid, niet van
toepassing.
3. De overdragende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de
waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de gewezen deelnemer.
Artikel 86. Plicht tot waardeoverdracht aan een van de Europese
Gemeenschappen of aangewezen instelling
1. De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de
gewezen deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens
pensioenaanspraken over te dragen aan een van de Europese
Gemeenschappen of aan een op grond van artikel 70, tweede lid, door
Onze Minister aangewezen instelling, indien:
a. er sprake is van beëindiging van de dienstbetrekking dan
wel beëindiging van de deelneming;
b. die waardeoverdracht ertoe strekt het de gewezen deelnemer
mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij een van de
Europese Gemeenschappen of de aangewezen genoemde instelling; en
c. de waarde rechtstreeks wordt overgedragen aan de betrokken
Europese Gemeenschap of de aangewezen instelling.
Indien het verzoek van de gewezen deelnemer tot waardeoverdracht
partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht van dit
partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde is voor
het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. De overdragende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de
waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de gewezen deelnemer.
3. De op grond van artikel 71, zevende lid, bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur gestelde regels ten aanzien van de
berekening van de overdrachtswaarde zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 87. Bevoegdheid tot waardeoverdracht aan een andere
instelling
1. De pensioenuitvoerder die een verzoek tot waardeoverdracht
ontvangt van een gewezen deelnemer waarbij beoogd wordt de waarde over
te dragen aan een buitenlandse instelling, meldt dit aan de
toezichthouder.
2. Waardeoverdracht aan een buitenlandse instelling is alleen
mogelijk wanneer ten genoegen van de toezichthouder wordt aangetoond
dat:
a. voldaan wordt aan de in artikel 71, eerste lid, genoemde
voorwaarden;
b. de in artikel 72 bedoelde omstandigheden op de overdragende
pensioenuitvoerder niet van toepassing zijn;
c. de buitenlandse instelling de pensioenregeling uitvoert van
de nieuwe werkgever;
d. de buitenlandse instelling in het land van vestiging is
onderworpen aan een vorm van overheidstoezicht;
e. de vermogens van de instelling en de werkgever juridisch
zijn gescheiden door het bestaan van een aparte juridische
entiteit van de instelling, door een speciale preferentieregeling
ten gunste van pensioengerechtigden of anderszins; en
f. de mogelijkheden tot afkoop van de overgedragen
pensioenaanspraken na de waardeoverdracht niet ruimer zijn dan op
basis van deze wet.
Artikel 88. Bevoegdheid tot waardeoverdracht aan een
pensioeninstelling uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel
buiten Nederland op verzoek gewezen deelnemer bij wisseling werkgever of
toetreding tot een beroepspensioenregeling
De pensioenuitvoerder is bevoegd om op verzoek van de gewezen
deelnemer de waarde van zijn pensioenaanspraken over te dragen aan een
pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel
buiten Nederland als bedoeld in artikel 23, eerste lid, indien wordt
voldaan aan de inartikel 75 opgenomen voorwaarden.
Artikel 89. Bevoegdheid tot waardeoverdracht aan een
pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel
buiten Nederland bij bereiken pensioendatum op grond van de
pensioenovereenkomst
De pensioenuitvoerder is bevoegd om op verzoek van de deelnemer,
gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde de waarde van zijn
pensioenaanspraken welke voortvloeien uit een kapitaalovereenkomst of
een premieovereenkomst per de pensioendatum rechtstreeks over te dragen
aan een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar
met zetel buiten Nederland als bedoeld inartikel 23, eerste lid, indien
wordt voldaan aan de in artikel 80opgenomen voorwaarden.
Artikel 90. Collectieve waardeoverdracht naar pensioeninstelling uit
een andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland
1. De pensioenuitvoerder is bevoegd om op verzoek van de werkgever
over te gaan tot collectieve waardeoverdracht overeenkomstig artikel
83 indien de werkgever een uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten met
een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met
zetel buiten Nederland als bedoeld in artikel 23, eerste lid.
2. Aan de in artikel 84 geformuleerde verplichting tot
waardeoverdracht in geval van liquidatie kan ook worden voldaan door
waardeoverdracht aan een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of
een verzekeraar met zetel buiten Nederland als bedoeld inartikel 23,
eerste lid, in plaats van aan een pensioenuitvoerder.
Artikel 91. Verplichting tot medewerking aan inbreng van waarde
1. Indien een pensioenuitvoerder het verzoek krijgt om in het kader
van waardeoverdracht een waarde van een pensioeninstelling uit een
andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland aan te
nemen die verband houdt met een pensioenovereenkomst waarop deze wet
tot het tijdstip van waardeoverdracht niet van toepassing is, is de
pensioenuitvoerder gehouden daarvoor als ontvangende
pensioenuitvoerder op te treden, mits:
a. die waardeoverdracht ertoe strekt het de verzoekende
werknemer mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de
ontvangende pensioenuitvoerder;
b. op de pensioenuitvoerder de in artikel 72 genoemde
omstandigheden niet van toepassing zijn; en
c. aan de pensioenuitvoerder geen voorwaarden in verband met de
waardeoverdracht worden gesteld die in strijd zijn met deze wet.
Indien het verzoek tot waardeoverdracht partnerpensioen betreft is
voor de waardeoverdracht van dit partnerpensioen tevens vereist dat de
partner die begunstigde is voor het partnerpensioen met de
waardeoverdracht instemt.
2. De ontvangende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de
waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de deelnemer.
Artikel 92. Bevoegdheid tot medewerking aan inbreng van waarde
Indien een pensioenuitvoerder het verzoek krijgt om in het kader van
waardeoverdracht een waarde van een buitenlandse instelling aan te nemen
die verband houdt met een pensioenovereenkomst waarop deze wet tot het
tijdstip van waardeoverdracht niet van toepassing is, is de
pensioenuitvoerder bevoegd daarvoor als ontvangende pensioenuitvoerder
op te treden, mits:
a. die waardeoverdracht ertoe strekt het de verzoekende werknemer
mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de ontvangende
pensioenuitvoerder;
b. op de pensioenuitvoerder de in artikel 72 genoemde
omstandigheden niet van toepassing zijn; en
c. aan de pensioenuitvoerder geen voorwaarden in verband met de
waardeoverdracht worden gesteld die in strijd zijn met deze wet.
Indien het verzoek tot waardeoverdracht partnerpensioen betreft is
voor de waardeoverdracht van dit partnerpensioen tevens vereist dat de
partner die begunstigde is voor het partnerpensioen met de
waardeoverdracht instemt.
§ 4.4. Rechten van de pensioenuitvoerder in het kader van de
uitvoering
Artikel 93. Informatie uit de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens
Inlichtingen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
en inlichtingen en uittreksels uit de registers van de burgerlijke
stand, die de pensioenuitvoerder nodig heeft met het oog op de
uitvoering van zijn taak, zijn vrij van leges.
Artikel 94. Burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
sociaal-fiscaalnummer
1. Het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer kan door de pensioenuitvoerder in een door hem
beheerde persoonsregistratie worden opgenomen en bij het verstrekken
van gegevens daaruit worden gebruikt.
2. De pensioenuitvoerder gebruikt dit burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan, dit sociaal-fiscaalnummer uitsluitend:
a. in het verkeer met de persoon op wie het nummer betrekking
heeft; of
b. in contacten met personen en instanties voor zover deze zelf
gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of,
bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer in een
persoonsregistratie.
§ 4.5. Overige bepalingen
Artikel 95. Voorwaardelijke toeslagverlening
1. Bij voorwaardelijke toeslagverlening dient er een consistent
geheel te zijn tussen de gewekte verwachtingen, de financiering en het
realiseren van voorwaardelijke toeslagen.
2. Bij regeling van Onze Minister wordt invulling gegeven aan het
begrip consistentie, bedoeld in het eerste lid. Een regeling als
bedoeld in de eerste volzin kan worden vastgesteld vier weken nadat
het ontwerp is overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal.
3. Een toeslag is alleen voorwaardelijk indien in de
pensioenovereenkomst, de uitvoeringsovereenkomst, het
pensioenreglement, de opgaven op grond van de artikelen 21, 38 tot en
met 46 en in de overige informatieverstrekking door de
pensioenuitvoerder een voorwaardelijkheidsverklaring is opgenomen.
4. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de
inhoud van de voorwaardelijkheidsverklaring.
Artikel 96. Informatie in jaarverslag over dwangsommen en
bestuurlijke boeten
Een pensioenuitvoerder vermeldt in zijn jaarverslag of in het
afgelopen boekjaar:
a. aan de pensioenuitvoerder dwangsommen en bestuurlijke boeten
zijn opgelegd, en zo ja, hoeveel deze in totaal hebben bedragen;
b. een aanwijzing als bedoeld in artikel 171 aan de
pensioenuitvoerder is gegeven;
c. een bewindvoerder als bedoeld in artikel 173 is aangesteld;
d. een kortetermijnherstelplan als bedoeld in artikel 140 van
toepassing is;
e. een langetermijnherstelplan als bedoeld in artikel 138 van
toepassing is;
f. de beëindiging van de situatie, bedoeld inartikel 172, waarin
de bevoegdheidsuitoefening van alle of bepaalde organen van een
pensioenfonds is gebonden aan toestemming van de toezichthouder.
Artikel 97. Deelneming tijdens detachering
1. Een gedetacheerde werknemer kan tijdens de detachering blijven
deelnemen aan de pensioenregeling.
2. Indien tijdens detachering in Nederland de betaling van
bijdragen in een andere lidstaat wordt voortgezet, worden de in
Nederland gedetacheerde werknemer en diens werkgever vrijgesteld van
de verplichting tot het betalen van bijdragen in Nederland.
3. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op detacheringen
die op of na 25 juli 2001 zijn aangevangen.
Artikel 98. Overlijden ten gevolge van een uitgesloten oorzaak
Overlijdt een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde ten
gevolge van een van het risico uitgesloten oorzaak en betrof het een
partnerpensioen op opbouwbasis, dan keert de pensioenuitvoerder aan de
partner een periodieke uitkering van partnerpensioen uit die gebaseerd
is op de premievrije waarde berekend naar de dag voorafgaande aan het
overlijden.
Artikel 98a. Uitvoering buitenlandse pensioenregeling
De Nederlandse sociale en arbeidswetgeving is niet van toepassing
voor zover een pensioenuitvoerder een pensioenregeling uitvoert waarop
de voor de bedrijfspensioenvoorziening geldende regels van een andere
staat dan Nederland van toepassing zijn.
Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen met betrekking tot pensioenfondsen
§ 5.1. Pensioenfondsen algemeen
Artikel 99. Samenstelling bestuur pensioenfonds
1. In het bestuur van een bedrijfstakpensioenfonds bezetten de
vertegenwoordigers van werkgeversverenigingen en de vertegenwoordigers
van werknemersverenigingen in de betrokken bedrijfstak of
bedrijfstakken evenveel zetels.
2. Indien de statuten van een bedrijfstakpensioenfonds voorzien in
stemgerechtigde vertegenwoordigers in het bestuur van anderen dan
werknemers- of werkgeversverenigingen binnen de betrokken bedrijfstak
of bedrijfstakken, worden die vertegenwoordigers voor de toepassing
van het eerste lid gelijkgesteld met vertegenwoordigers van
werknemersverenigingen.
3. In het bestuur van een ondernemingspensioenfonds bezetten de
werknemersvertegenwoordigers ten minste evenveel zetels als de
werkgeversvertegenwoordigers, met dien verstande dat indien
vertegenwoordigers van pensioengerechtigden zetels bezetten, zij
tezamen met werknemersvertegenwoordigers ten minste evenveel zetels
bezetten als de werkgeversvertegenwoordigers.
4. Indien een ondernemingspensioenfonds pensioenregelingen uitvoert
voor meerdere ondernemingen of groepen wordt elke onderneming of groep
door ten minste een werknemersvertegenwoordiger en een
werkgeversvertegenwoordiger vertegenwoordigd in het bestuur.
5. De benoeming van de werknemersvertegenwoordigers in het bestuur
van een ondernemingspensioenfonds vindt plaats:
a. na verkiezing van de vertegenwoordigers door en uit de
deelnemers;
b. op voordracht van de vertegenwoordigers van de deelnemers in
een deelnemersraad als bedoeld in artikel 110;
c. op voordracht van de ondernemingsraad; of
d. op een andere wijze, mits de ondernemingsraad heeft
ingestemd met deze benoemingswijze.
6. Indien de statuten van een ondernemingspensioenfonds voorzien in
stemgerechtigde vertegenwoordigers in het bestuur van anderen dan
werknemers of de werkgever, worden die vertegenwoordigers voor de
toepassing van het derde en vierde lid gelijkgesteld met de
werknemersvertegenwoordigers.
7. Het derde tot en met zesde lid is niet van toepassing voor zover
een onderneming of groep waaraan het pensioenfonds verbonden was heeft
opgehouden te bestaan.
Artikel 100. Keuze medezeggenschap bij ondernemingspensioenfonds
1. Een ondernemingspensioenfonds waarvan:
a. het aantal pensioengerechtigden ten minste 10% bedraagt van
de som van het aantal deelnemers en het aantal
pensioengerechtigden en waarvan het aantal pensioengerechtigden
ten minste 25 personen bedraagt; of
b. het aantal pensioengerechtigden ten minste 1000 personen
bedraagt;
stelt een deelnemersraad in waarin vertegenwoordigers van
pensioengerechtigden zitting hebben of heeft een bestuur waarin
vertegenwoordigers van pensioengerechtigden zitting hebben.
2. Het ondernemingspensioenfonds raadpleegt schriftelijk de
pensioengerechtigden over de wijze waarop de medezeggenschap van
pensioengerechtigden, bedoeld in het eerste lid, wordt vorm gegeven,
tenzij bij het ondernemingspensioenfonds al is voorzien in een
deelnemersraad en een bestuur waarin vertegenwoordigers van
pensioengerechtigden zitting hebben.
3. Het ondernemingspensioenfonds volgt met betrekking tot de wijze
waarop de medezeggenschap van pensioengerechtigden vorm wordt gegeven
de wens van de meerderheid van de responderende pensioengerechtigden,
mits ten minste de helft van het aantal pensioengerechtigden zijn
voorkeur kenbaar heeft gemaakt, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om
af te wijken van de door de meerderheid van de pensioengerechtigden
gemaakte keuze.
Artikel 101. Vertegenwoordigers van pensioengerechtigden in bestuur
ondernemingspensioenfonds
1. De verdeling van de zetels van werknemersvertegenwoordigers en
vertegenwoordigers van pensioengerechtigden vindt plaats op basis van
de onderlinge getalsverhoudingen, met dien verstande dat de
vertegenwoordigers van pensioengerechtigden ten hoogste de helft van
het aantal zetels in het bestuur van een ondernemingspensioenfonds
bezetten dat werknemersvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van
pensioengerechtigden gezamenlijk bezetten.
2. In afwijking van het eerste lid kunnen vertegenwoordigers van
pensioengerechtigden meer zetels bezetten dan
werknemersvertegenwoordigers, indien het aantal deelnemers minder
bedraagt dan 10% van de som van het aantal deelnemers en
pensioengerechtigden.
3. In afwijking van het eerste lid kunnen vertegenwoordigers van
pensioengerechtigden minder zetels bezetten dan het aantal op basis
van de onderlinge getalsverhoudingen, bedoeld in het eerste lid,
indien pensioengerechtigden bij de raadpleging, bedoeld in artikel
100, tweede lid, hebben gekozen voor een deelnemersraad en de
vertegenwoordigers van pensioengerechtigden al voor die raadpleging
zetels in het bestuur bezetten.
4. De benoeming van de vertegenwoordigers van pensioengerechtigden
in het bestuur van een ondernemingspensioenfonds vindt plaats na
verkiezing van de vertegenwoordigers door en uit de
pensioengerechtigden.
Artikel 102. Melding oprichting van een pensioenfonds
1. Het pensioenfonds meldt binnen drie maanden na zijn oprichting
deze oprichting aan de toezichthouder door middel van een door de
toezichthouder vastgesteld formulier.
2. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, worden gevoegd:
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting van het
pensioenfonds;
b. een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van het reglement
of de reglementen van het pensioenfonds;
c. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de
uitvoeringsovereenkomst;
d. een actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in
artikel 145; en
e. een eventuele overeenkomst tot verzekering, overdracht of
onderbrenging.
Artikel 103. Toezending wijziging officiële stukken
Het pensioenfonds zendt:
a. een authentiek afschrift van de akte houdende wijziging van de
statuten;
b. een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van wijziging van
de reglementen;
c. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen
in de uitvoeringsovereenkomst;
d. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen
in de actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in artikel
145; en
e. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen
in de eventuele overeenkomst tot verzekering, overdracht of
onderbrenging;
binnen twee weken na totstandkoming van die wijziging aan de
toezichthouder.
Artikel 104. Bescherming leden pensioenfondsbestuur, deelnemersraad
en verantwoordingsorgaan
1. De werkgever draagt er zorg voor dat de werknemers die staan of
gestaan hebben op een kandidatenlijst voor de deelnemersraad of het
verantwoordingsorgaan alsmede de leden en de gewezen leden van het
pensioenfondsbestuur, de deelnemersraad of het verantwoordingsorgaan
niet uit hoofde van hun kandidaatstelling voor of hun lidmaatschap van
het pensioenfondsbestuur, de deelnemersraad of het
verantwoordingsorgaan worden benadeeld in hun positie als werknemer.
2. Indien het pensioenfonds in zijn hoedanigheid als werkgever aan
de deelnemersraad of het verantwoordingsorgaan een secretaris heeft
toegevoegd is het eerste lid op die secretaris van overeenkomstige
toepassing.
3. Op degene die het initiatief neemt of heeft genomen tot het
instellen van een deelnemersraad is het eerste lid van overeenkomstige
toepassing.
4. De deelnemersraad, het verantwoordingsorgaan en een werknemer
als bedoeld in het eerste tot en met derde lid kunnen de kantonrechter
verzoeken te bepalen dat de werkgever gevolg dient te geven aan
hetgeen in deze leden is bepaald.
5. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen met de
werknemer die lid is van een bestuur van een pensioenfonds, een
deelnemersraad of van een verantwoordingsorgaan. Indien de werkgever
aan een pensioenfonds, deelnemersraad of een verantwoordingsorgaan een
secretaris heeft toegevoegd, is de eerste volzin op die secretaris van
overeenkomstige toepassing.
6. De werkgever kan zonder voorafgaande toestemming van de
kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet opzeggen met een werknemer
die geplaatst is op een kandidatenlijst voor een bestuur van een
pensioenfonds, een deelnemersraad of een verantwoordingsorgaan of die
korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een bestuur van een
pensioenfonds, een deelnemersraad of een verantwoordingsorgaan.
7. De toestemming van de kantonrechter wordt gevraagd bij
verzoekschrift. De kantonrechter verleent de toestemming slechts
indien de werkgever aannemelijk heeft gemaakt dat opzegging geen
verband houdt met een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid. Van
de uitspraak staat geen hoger beroep of beroep in cassatie open.
8. Ten aanzien van personen die krachtens publiekrechtelijke
aanstelling bij de werkgever werkzaam zijn, treedt een andere sector
van de rechtbank in de plaats van de kantonrechter.
9. Het vijfde tot en met achtste lid zijn niet van toepassing bij
een opzegging gedurende de proeftijd, wegens een dringende reden,
indien de werknemer schriftelijk met de opzegging instemt of indien de
opzegging geschiedt wegens de beëindiging van de werkzaamheden van de
onderneming of van het onderdeel van de onderneming, waarin de
werknemer uitsluitend of in hoofdzaak werkzaam is.
Artikel 105. Eisen ten aanzien van beleid, deskundigheid en
betrouwbaarheid
1. Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks
beleid van een pensioenfonds.
2. De personen die het beleid van een pensioenfonds bepalen of mede
bepalen richten zich bij de vervulling van hun taak naar de belangen
van de bij het pensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers,
andere aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgever
en zorgen ervoor dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze
vertegenwoordigd kunnen voelen.
3. Het beleid van een pensioenfonds wordt bepaald of mede bepaald
door personen die deskundig zijn in verband met de uitoefening van het
bedrijf van het pensioenfonds.
4. Iedere bestuurder van een pensioenfonds is bevoegd een
deskundige te raadplegen, of zich krachtens een bestuursbesluit,
waarbij ten minste één vierde van de bestuurders zich daarvoor heeft
uitgesproken, ter vergadering door een deskundige te laten bijstaan.
5. Het bestuur van een pensioenfonds draagt er zorg voor dat de
betrouwbaarheid van de personen die het beleid van het pensioenfonds
bepalen of mede bepalen buiten twijfel staat.
6. Het bestuur van het pensioenfonds meldt elke wijziging in de
samenstelling van de personen die het beleid van het pensioenfonds
bepalen of mede bepalen vooraf aan de toezichthouder.
7. Een wijziging als bedoeld in het zesde lid wordt niet
doorgevoerd indien:
a. de toezichthouder binnen zes weken na ontvangst van de
melding van de wijziging aan het pensioenfonds bekend maakt dat
het niet met de voorgenomen wijziging instemt; of
b. de toezichthouder om nadere gegevens of inlichtingen heeft
verzocht en binnen zes weken na ontvangst van die gegevens of
inlichtingen aan het pensioenfonds bekend maakt dat het niet met
de voorgenomen wijziging instemt.
8. Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten die van
invloed is op de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in het
vijfde lid, stelt het pensioenfonds de toezichthouder daarvan
onverwijld schriftelijk in kennis.
9. De betrouwbaarheid van een persoon staat buiten twijfel wanneer
dat eenmaal door de toezichthouder voor de toepassing van deze wet is
vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of
omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe
beoordeling.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het derde en het vijfde tot en met het
achtste lid.
Artikel 106. Statuten
1. In de statuten van een pensioenfonds worden bepalingen opgenomen
betreffende:
a. het doel van het pensioenfonds, waaronder een omschrijving
van de werkingssfeer;
b. de bestemming van de middelen van het pensioenfonds;
c. het beheer van het pensioenfonds;
d. de inkomsten van het pensioenfonds;
e. de belegging van de gelden;
f. de wijze waarop de bestuursleden worden benoemd;
g. de wijze waarop de leden van de deelnemersraad worden
gekozen;
h. de wijziging van de statuten;
i. de liquidatie van het pensioenfonds, waaronder begrepen de
verplichtingen van de liquidateuren en de bestemming van de
bezittingen van het pensioenfonds;
j. de wijze waarop het intern toezicht is georganiseerd;
k. de wijze waarop de leden van het verantwoordingsorgaan
worden benoemd en ontslagen; en
l. de wijze waarop beëindiging van een uitvoeringsovereenkomst
als bedoeld in artikel 2, twaalfde lidgeschiedt.
2. De omschrijving van de werkingssfeer, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, vindt ten aanzien van een bedrijfstakpensioenfonds plaats
door het omschrijven van de bedrijfsactiviteiten van de bedrijfstak.
3. Een bedrijfstakpensioenfonds dat aan werkgevers de mogelijkheid
biedt om zich vrijwillig aan te sluiten bepaalt in zijn statuten onder
welke voorwaarden deze vrijwillige aansluiting mogelijk is.
Artikel 107. Verbod leeftijdsgrens
Iedere bepaling die het lidmaatschap van het bestuur, een
deelnemersraad of een verantwoordingsorgaan onmogelijk maakt op grond
van het bereikt hebben van een bepaalde leeftijd is nietig.
Artikel 108. Instemmingrecht
Iedere bepaling die een instemmingsrecht inhoudt van een partij, die
geen orgaan is van het pensioenfonds, inzake een besluit of voorgenomen
besluit van het pensioenfonds is nietig, tenzij in deze wet anders is
bepaald.
Artikel 108a. Omzetting pensioenfonds
1. Voor omzetting van een pensioenfonds in een andere rechtsvorm
als bedoeld in artikel 18 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is een
verklaring van geen bezwaar van de toezichthouder vereist. De
toezichthouder verleent de verklaring indien hij van oordeel is dat de
belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, andere
aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgever
voldoende gewaarborgd zijn.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld terzake van het eerste lid.
§ 5.2. Deelnemersraad
Artikel 109. Instelling deelnemersraad bij bedrijfstakpensioenfonds
1. Een bedrijfstakpensioenfonds stelt een deelnemersraad in.
2. In de deelnemersraad zijn de deelnemers en de
pensioengerechtigden evenredig op basis van onderlinge
getalsverhoudingen vertegenwoordigd.
3. Op grond van door het bestuur van het pensioenfonds vast te
stellen criteria kunnen naast de in het tweede lid bedoelde
vertegenwoordigers ook één of meer vertegenwoordigers van gewezen
deelnemers in de deelnemersraad zitting hebben.
4. In geval van verkiezing van de leden van de deelnemersraad door
deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden worden
kandidaten voorgedragen door een of meer verenigingen van wie:
a. ten minste 1% van de geleding, voor welke die vereniging een
kandidaat voordraagt, lid is; of
b. ten minste 250 personen van die geleding, voor welke die
vereniging een kandidaat voordraagt, lid zijn.
5. Voor zover geen verkiezing door de deelnemers, gewezen
deelnemers en pensioengerechtigden plaatsvindt, zijn verenigingen, die
voldoen aan de in het vierde lid bedoelde criteria, evenredig aan hun
ledentallen binnen het pensioenfonds vertegenwoordigd in de
deelnemersraad binnen de betreffende geleding.
6. Een vereniging als bedoeld in het vierde en vijfde lid, bezit
volledige rechtsbevoegdheid. Haar statutair doel omvat mede het
behartigen van de belangen van haar leden als belanghebbenden bij een
bedrijfstakpensioenfonds.
7. Bij regeling van Onze Minister kunnen verenigingen worden
aangewezen op wie het vierde, vijfde en zesde lid, voor een bij die
aanwijzing te bepalen periode niet van toepassing zijn.
Artikel 110. Instelling deelnemersraad bij ondernemingspensioenfonds
1. Het bestuur van een ondernemingspensioenfonds gaat over tot het
instellen van een deelnemersraad:
a. op eigen initiatief van het ondernemingspensioenfonds;
b. indien dit wordt verzocht door ten minste 5% van de
deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden; of
c. indien de pensioengerechtigden in de raadpleging, bedoeld in
artikel 100, zich overeenkomstig artikel 100, tweede en derde lid,
hebben uitgesproken voor instelling van een deelnemersraad.
2. In de deelnemersraad zijn de deelnemers en de
pensioengerechtigden evenredig op basis van onderlinge
getalsverhoudingen vertegenwoordigd. Indien een
ondernemingspensioenfonds pensioenregelingen uitvoert voor meerdere
ondernemingen of groepen wordt elke onderneming of groep door ten
minste een deelnemer en een pensioengerechtigde vertegenwoordigd in de
deelnemersraad.
3. Op grond van door het bestuur van het pensioenfonds vast te
stellen criteria kunnen naast de in het tweede lid bedoelde
vertegenwoordigers ook één of meer vertegenwoordigers van gewezen
deelnemers in de deelnemersraad zitting hebben.
4. In geval van verkiezing van de leden van de deelnemersraad door
deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden kunnen
kandidaten worden voorgedragen door verenigingen en door individuele
deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden.
5. Voor zover geen verkiezing door de deelnemers, gewezen
deelnemers en pensioengerechtigden plaatsvindt, maar de leden worden
benoemd door verenigingen, zijn deze verenigingen evenredig aan hun
ledenaantallen binnen hun geleding binnen het
ondernemingspensioenfonds vertegenwoordigd in de deelnemersraad.
6. Een vereniging als bedoeld in het vierde en vijfde lid bezit
volledige rechtsbevoegdheid; haar statutair doel omvat mede het
behartigen van de belangen van haar leden als belanghebbenden bij een
ondernemingspensioenfonds.
Artikel 111. Adviesrecht deelnemersraad
1. De deelnemersraad adviseert het pensioenfonds desgevraagd of uit
eigen beweging over aangelegenheden die het pensioenfonds betreffen.
2. Het pensioenfonds stelt de deelnemersraad in ieder geval in de
gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit van het
pensioenfonds tot:
a. het nemen van maatregelen van algemene strekking;
b. wijziging van de statuten en reglementen van het
pensioenfonds;
c. vaststelling van het jaarverslag, de jaarrekening, de
actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 145en
een langetermijnherstelplan als bedoeld in artikel 138;
d. vermindering van de verworven pensioenaanspraken en
pensioenrechten indien toepassing wordt gegeven aan artikel 134;
e. het vaststellen en wijzigen van het toeslagbeleid;
f. gehele of gedeeltelijke overdracht van de verplichtingen van
het pensioenfonds of de overname van verplichtingen door het
pensioenfonds;
g. liquidatie van het pensioenfonds;
h. het sluiten, wijzigen of beëindigen van een
uitvoeringsovereenkomst;
i. het terugstorten van premie of geven van premiekorting,
bedoeld in artikel 129;
j. samenvoeging van pensioenfondsen als bedoeld in de definitie
van ondernemingspensioenfonds in artikel 1;
k. het omzetten van het pensioenfonds in een andere rechtsvorm,
bedoeld in artikel 18 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Het advies van de deelnemersraad wordt op een zodanig tijdstip
gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de in het tweede
lid bedoelde besluiten.
4. Het pensioenfonds stelt de deelnemersraad na de in artikel 114,
aanhef en onderdeel a, bedoelde mededeling over het
kortetermijnherstelplan in de gelegenheid advies uit te brengen over
dit kortetermijnherstelplan.
5. Bij het vragen van advies wordt aan de deelnemersraad een
overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit en van de
gevolgen die het besluit naar verwachting voor de deelnemers, gewezen
deelnemers en pensioengerechtigden zal hebben.
6. Het bestuur van het pensioenfonds en de deelnemersraad komen ten
minste tweemaal per kalenderjaar in vergadering bijeen. Tijdens deze
vergaderingen worden de aangelegenheden aan de orde gesteld waarover
het bestuur van het pensioenfonds of de deelnemersraad
overleg wenselijk acht.
7. Het pensioenfonds verstrekt desgevraagd aan de deelnemersraad
tijdig alle inlichtingen en gegevens, die deze voor de vervulling van
zijn taak redelijkerwijze nodig heeft. De inlichtingen worden
desgevraagd schriftelijk verstrekt.
Artikel 112. Verdere bevoegdheden deelnemersraad
In de statuten van het pensioenfonds kunnen aan de deelnemersraad
verdere bevoegdheden dan de in deze wet genoemde worden toegekend.
Artikel 113. Informatie omtrent advies
Het pensioenfonds deelt de deelnemersraad zo spoedig mogelijk
schriftelijk mee, of het een advies niet of niet geheel volgt, waarbij
tevens wordt meegedeeld waarom van het advies of van een daarin vervat
minderheidsadvies wordt afgeweken.
Artikel 114. Informatie aan deelnemersraad
Een pensioenfonds informeert de deelnemersraad onverwijld
schriftelijk over:
a. de verplichting tot opstelling van een kortetermijnherstelplan
als bedoeld in artikel 140;
b. de verplichting tot opstelling van een langetermijnherstelplan
als bedoeld in artikel 138;
c. de aanstelling van een bewindvoerder als bedoeld in artikel
173; en
d. de beëindiging van de situatie, bedoeld in artikel 172,
waarin de bevoegdheiduitoefening van alle of bepaalde organen van
een pensioenfonds is gebonden aan toestemming van een of meer door
de toezichthouder aangewezen personen.
Artikel 115. Voorzieningen deelnemersraad
1. Een bedrijfstakpensioenfonds en een ondernemingspensioenfonds
staan de leden van een deelnemersraad het gebruik toe van de
voorzieningen waarover het kan beschikken, voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taken nodig is.
2. Ten aanzien van de rechten en bevoegdheden van een
deelnemersraad in verhouding tot het bestuur van het
bedrijfstakpensioenfonds en ondernemingspensioenfonds zijn de
artikelen 10, 16, 17, 18, 22 van de Wet op de ondernemingsraden van
overeenkomstige toepassing.
§ 5.3. Taakafbakening
Artikel 116. Verbod van nevenactiviteiten
1. Een pensioenfonds verricht slechts activiteiten in verband met
pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ter zake van activiteiten die door pensioenfondsen
kunnen worden verricht.
Artikel 117. Uitvoering vrijwillige pensioenregeling
Een pensioenfonds kan uitsluitend een vrijwillige pensioenregeling
uitvoeren indien dit een aanvulling op een door datzelfde pensioenfonds
uitgevoerde basispensioenregeling betreft.
Artikel 118. Eisen uitkeringsovereenkomsten
1. Een basispensioenregeling in de vorm van een
uitkeringsovereenkomst welke wordt uitgevoerd door een pensioenfonds
voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de werkgever draagt ten minste 10 procent van de actuariële
kosten van de basispensioenregeling bij; of
b. de werknemerspremie voor de basispensioenregeling is voor
alle deelnemers gelijk of bedraagt een gelijk percentage van het
loon dan wel van het gedeelte van het loon dat voor de
pensioenberekening in aanmerking wordt genomen, met dien verstande
dat voor verschillende soorten pensioen en voor verschillende
pensioenregelingen verschillende premies kunnen worden
vastgesteld.
2. Een vrijwillige pensioenregeling in de vorm van een
uitkeringsovereenkomst welke wordt uitgevoerd door een pensioenfonds
voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de werkgever draagt ten minste 10 procent van de actuariële
kosten van de vrijwillige pensioenregeling bij;
b. de werknemerspremie voor de vrijwillige pensioenregeling is
voor alle deelnemers gelijk of bedraagt een gelijk percentage van
het loon dan wel van het gedeelte van het loon dat voor de
pensioenberekening in aanmerking wordt genomen, met dien verstande
dat voor verschillende soorten pensioen en voor verschillende
pensioenregelingen verschillende premies kunnen worden
vastgesteld; of
c. de kosten verbonden aan het toeslagbeleid worden niet ten
laste gebracht van de individuele deelnemers, maar ten laste van
de collectiviteit van het pensioenfonds en voor de
toeslagverlening gelden dezelfde voorwaarden die van toepassing
zijn op de basispensioenregeling.
3. Indien de vrijwillige pensioenregeling voldoet aan de
voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, deelt het
pensioenfonds dit schriftelijk aan de deelnemers en de toezichthouder
mee.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een verplichtgesteld
bedrijfstakpensioenfonds.
Artikel 119. Eisen kapitaalovereenkomsten
1. Een basispensioenregeling in de vorm van een
kapitaalovereenkomst welke wordt uitgevoerd door een pensioenfonds
voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de werkgever draagt ten minste 10 procent van de actuariële
kosten van de basispensioenregeling bij; of
b. de werknemerspremie voor de basispensioenregeling is voor
alle deelnemers gelijk of bedraagt een gelijk percentage van het
loon dan wel van het gedeelte van het loon dat voor de
pensioenberekening in aanmerking wordt genomen, met dien verstande
dat voor verschillende soorten pensioen en voor verschillende
pensioenregelingen verschillende premies kunnen worden
vastgesteld.
2. Een vrijwillige pensioenregeling in de vorm van een
kapitaalovereenkomst welke wordt uitgevoerd door een pensioenfonds
voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de werkgever draagt ten minste 10 procent van de actuariële
kosten van de vrijwillige pensioenregeling bij; of
b. indien de deelnemer overlijdt dan wel gepensioneerde of
gewezen deelnemer wordt, wordt het opgebouwde kapitaal omgezet in
een pensioenrecht of pensioenaanspraak in de vorm van een
periodieke uitkering indien dat ook met betrekking tot de
basispensioenregeling geschiedt of de basispensioenregeling een
uitkeringsovereenkomst betreft en zijn daarop overeenkomstige
voorwaarden van toepassing als welke gelden bij de
basispensioenregeling bij beëindiging van de deelneming door deze
omstandigheden.
3. Indien de vrijwillige pensioenregeling voldoet aan de
voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, deelt het
pensioenfonds dit schriftelijk mee aan de deelnemers en de
toezichthouder.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een verplichtgesteld
bedrijfstakpensioenfonds.
Artikel 120. Eisen premieovereenkomsten
1. Voor een basispensioenregeling in de vorm van een
premieovereenkomst welke wordt uitgevoerd door een pensioenfonds geldt
dat de werkgeverspremie ten minste 10 procent van de premie van de
basispensioenregeling bedraagt.
2. Een vrijwillige pensioenregeling in de vorm van een
premieovereenkomst welke wordt uitgevoerd door een pensioenfonds
voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de werkgever draagt ten minste 10 procent van de premie van
de vrijwillige pensioenregeling bij;
b. indien de deelnemer overlijdt dan wel gepensioneerde of
gewezen deelnemer wordt, wordt het kapitaal dat is ontstaan uit de
som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde
rendementen omgezet in een pensioenrecht of pensioenaanspraak in
de vorm van een periodieke uitkering, indien dat ook met
betrekking tot de basispensioenregeling geschiedt of de
basispensioenregeling een uitkeringsovereenkomst betreft en zijn
daarop overeenkomstige voorwaarden van toepassing als welke gelden
bij de basispensioenregeling bij beëindiging van de deelneming
door deze omstandigheden; of
c. indien de deelnemer overlijdt dan wel gepensioneerde of
gewezen deelnemer wordt, wordt het kapitaal dat is ontstaan uit de
som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde
rendementen omgezet in een verzekerd kapitaal, indien dat ook met
betrekking tot de basispensioenregeling geschiedt of de
basispensioenregeling een kapitaalovereenkomst betreft en zijn
daarop overeenkomstige voorwaarden van toepassing als welke gelden
bij de basispensioenregeling bij beëindiging van de deelneming
door deze omstandigheden.
3. Indien de vrijwillige pensioenregeling voldoet aan de
voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, deelt het
pensioenfonds dit schriftelijk mee aan de deelnemers en de
toezichthouder.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een verplichtgesteld
bedrijfstakpensioenfonds.
Artikel 121. Vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds
Een bedrijfstakpensioenfonds kan een uitvoeringsovereenkomst sluiten
met een werkgever die niet onder de werkingssfeer van het
bedrijfstakpensioenfonds valt, maar die zich op vrijwillige basis bij
het bedrijfstakpensioenfonds wil aansluiten, indien:
a. de loonontwikkeling bij deze werkgever ten minste gelijk is
aan die in een bedrijfstak waarin het bedrijfstakpensioenfonds
werkzaam is en de werkgever deelneemt in de sociale fondsen van
dezelfde bedrijfstak;
b. er sprake is van een groepsverhouding tussen de werkgever die
zich vrijwillig wil aansluiten en een andere werkgever die onder de
werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds valt; of
c. dit aansluitend gebeurt aan een periode waarin de werkgever
wel onder de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds viel.
Artikel 122. Beëindiging verbondenheid met groep
Indien een onderneming niet langer deel uitmaakt van een groep
waaraan een ondernemingspensioenfonds verbonden is, of een groep die
valt onder de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds, kan dit
pensioenfonds blijven optreden als pensioenuitvoerder voor deze
onderneming, tenzij de onderneming onder de werkingssfeer van een
verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds valt.
Artikel 123. Uitvoeren van meerdere pensioenregelingen
1. Indien een pensioenfonds meerdere pensioenregelingen uitvoert
vormen deze pensioenregelingen financieel één geheel.
2. In afwijking van het eerste lid houdt een
ondernemingspensioenfonds dat pensioenregelingen uitvoert voor
meerdere ondernemingen of groepen gescheiden vermogens aan per
onderneming of groep.
3. In afwijking van het eerste en, indien van toepassing, het
tweede lid kan een ondernemingspensioenfonds, indien de bij een
onderneming of groep horende pensioenregelingen waren ondergebracht
bij verschillende pensioenfondsen die zijn samengevoegd met het
ondernemingspensioenfonds, een gescheiden vermogen aanhouden voor de
pensioenregelingen die voor de samenvoeging bij een afzonderlijk
pensioenfonds waren ondergebracht.
Artikel 124. Inkoop van pensioenopbouw
Een pensioenfonds kan de mogelijkheid bieden tot verhoging van de
pensioenaanspraken indien het deel van de pensioenaanspraken dat
voortvloeit uit deze inkoop overeenkomstig de pensioenaanspraken op
grond van de basispensioenregeling wordt behandeld.
Artikel 125. Vergunning en kennisgeving grensoverschrijdende
activiteit
1. Het is een pensioenfonds verboden bijdragen te ontvangen van een
bijdragende onderneming die zetel heeft in een andere lidstaat dan
Nederland:
a. zonder een daartoe door de toezichthouder verleende
vergunning; en
b. zonder de toezichthouder van het voornemen daartoe in kennis
te hebben gesteld, op de wijze, bedoeld in artikel 194, en met
inachtneming van artikel 196.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, artikel 140, derde lid,
onderdeel b,artikel 141, tweede lid, en de paragrafen 7.4.2 en 7.4.3
wordt onder het ontvangen van bijdragen verstaan het ontvangen van
bijdragen voor de uitvoering van een pensioenregeling die afkomstig is
uit een andere lidstaat dan de lidstaat waar het pensioenfonds
gevestigd is.
Hoofdstuk 6. Financieel toetsingskader inzake pensioenfondsen
Artikel 125a. Financieel toetsingskader bij afgescheiden vermogens
Indien een ondernemingspensioenfonds op grond vanartikel 123, tweede
of derde lid, gescheiden vermogens aanhoudt, wordt hetgeen bij of
krachtens de artikelen 126, 128 tot en met 142, 143, voor zover het de
continuïteitsanalyse betreft, 145, 147 en 149 is bepaald, toegepast per
afgescheiden vermogen.
Artikel 125b. Inbreng gehele vermogen
Bij samenvoeging van pensioenfondsen als bedoeld in de definitie van
ondernemingspensioenfonds in artikel 1, brengt een deelnemend
pensioenfonds zijn gehele vermogen in.
Artikel 126. Vaststelling technische voorzieningen
1. Een pensioenfonds stelt toereikende technische voorzieningen
vast met betrekking tot het geheel van pensioenverplichtingen.
2. De berekening wordt uitgevoerd met inachtneming van de volgende
beginselen:
a. de technische voorzieningen worden berekend op basis van
marktwaardering;
b. de voor de berekening van de technische voorzieningen
gebruikte grondslagen inzake overlijden of arbeidsongeschiktheid
en levensverwachting worden gebaseerd op prudente beginselen; en
c. de methode en de grondslag van de berekening van de
technische voorzieningen blijven van boekjaar tot boekjaar
ongewijzigd, tenzij wijzigingen daarin gerechtvaardigd zijn als
gevolg van een verandering van de juridische, demografische of
economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag
liggen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de wijze van berekening van het minimum bedrag van de
technische voorzieningen, de daarbij in acht te nemen
voorzichtigheidsmarges en kunnen regels worden gesteld over de
frequentie waarmee de technische voorzieningen worden berekend.
Artikel 127. Financiering ouderdomspensioen
Ouderdomspensioen wordt gefinancierd op basis van kapitaaldekking.
Artikel 128. Hoogte kostendekkende premie
1. Een pensioenfonds stelt een kostendekkende premie vast die
bestaat uit:
a. de premie die actuarieel benodigd is in verband met de
aangroei van de pensioenverplichtingen;
b. de opslag die nodig is voor het bij de aangroei van de
pensioenverplichtingen behorende vereist eigen vermogen als
bedoeld in artikel 132;
c. de opslag die nodig is voor de bij de aangroei van de
pensioenverplichtingen behorende uitvoeringskosten van het
pensioenfonds; en
d. de premie die actuarieel benodigd is ten behoeve van
toeslagverlening indien gekozen is voor financiering op de wijze,
bedoeld in artikel 137, onderdeel a, b of d;
2. De kostendekkende premie kan worden gedempt.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld inzake het eerste en het tweede lid.
Artikel 129. Terugstorting of premiekorting
1. Het pensioenfonds kan uitsluitend korting verlenen op de
kostendekkende premie of de gedempte premie indien ten aanzien van de
pensioenverplichtingen wordt voldaan aan de artikelen 126, 132 en 133
en de eventuele voorwaardelijke toeslagen kunnen worden nagekomen
overeenkomstig de artikelen 95 en 137.
2. Het pensioenfonds kan uitsluitend terugstorten indien:
a. ten aanzien van de pensioenverplichtingen wordt voldaan aan
de artikelen 126, 132 en 133;
b. de voorwaardelijke toeslagen met betrekking tot de
voorgaande tien jaar zijn verleend en kunnen worden verleend
overeenkomstig de artikelen 95 en 137;
c. de korting op de pensioenaanspraken en pensioenrechten op
grond van artikel 134 in de voorgaande tien jaar gecompenseerd is.
Artikel 130. Vermelding premie in jaarrekening en jaarverslag
Een pensioenfonds vermeldt in zijn jaarrekening en jaarverslag:
a. de hoogte van de totale kostendekkende premie, bedoeld in
artikel 128, eerste lid;
b. de hoogte van de totale gedempte premie, bedoeld in artikel
128, tweede lid; en
c. de hoogte van de totale feitelijke premie.
Artikel 131. Minimaal vereist eigen vermogen
1. Een pensioenfonds beschikt over een minimaal vereist eigen
vermogen, tenzij:
a. een pensioenfonds tot volledige overdracht of onderbrenging
is overgegaan; en
b. de toezichthouder heeft ingestemd met het feit dat het
pensioenfonds daarom niet beschikt over een minimaal vereist eigen
vermogen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de omvang
en de samenstelling van het minimaal vereist eigen vermogen bepaald.
Artikel 132. Vereist eigen vermogen
1. Een pensioenfonds beschikt over een vereist eigen vermogen.
2. Een pensioenfonds stelt het vereist eigen vermogen zodanig vast
dat met een zekerheid van 971/2 procent wordt voorkomen dat het
pensioenfonds binnen een periode van één jaar over minder waarden
beschikt dan de hoogte van de technische voorzieningen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld inzake de berekening en de samenstelling van het
vereist eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid, en het bepaalde in
het tweede lid.
Artikel 133. Dekking door waarden
De technische voorzieningen en de aan het pensioenfonds verstrekte
leningen worden volledig door waarden gedekt.
Artikel 134. Korting pensioenaanspraken en pensioenrechten door
pensioenfonds
1. Een pensioenfonds kan verworven pensioenaanspraken en
pensioenrechten uitsluitend verminderen indien:
a. de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen
vermogen niet meer volledig door waarden zijn gedekt;
b. het pensioenfonds niet in staat is binnen een redelijke
termijn de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen
vermogen door waarden te dekken zonder dat de belangen van
deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, andere
aanspraakgerechtigden of de werkgever onevenredig worden geschaad;
en
c. alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering
van het beleggingsbeleid, zijn ingezet zoals uitgewerkt in het
kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 140.
2. Een pensioenfonds informeert de deelnemers, gewezen deelnemers,
pensioengerechtigden en de werkgever schriftelijk over het besluit tot
vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten.
3. De vermindering, bedoeld in het eerste lid, kan op zijn vroegst
een maand nadat de deelnemers, gewezen deelnemers,
pensioengerechtigden, werkgever en toezichthouder hierover
geïnformeerd zijn, worden gerealiseerd.
Artikel 135. Eisen ten aanzien van beleggingen
1. Een pensioenfonds voert een beleggingsbeleid dat in
overeenstemming is met de prudent-person regel en met name gebaseerd
is op de volgende uitgangspunten:
a. de waarden worden belegd in het belang van aanspraak- en
pensioengerechtigden; en
b. beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt tot
ten hoogste 5% van de portefeuille als geheel, en ingeval de
bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen
in de ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende
onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10% van de
portefeuille. Wanneer een groep van ondernemingen aan het
pensioenfonds premies betaalt, geschieden beleggingen in deze
bijdragende ondernemingen prudent, waarbij rekening wordt gehouden
met de noodzaak van een behoorlijke diversificatie;
c. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van
marktwaardering.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter
waarborging van het prudente beleggingsbeleid nadere regels gesteld.
3. De eisen die zijn opgenomen in het eerste lid, aanhef en
onderdeel b, en de regels die op grond van het tweede lid worden
gesteld ten aanzien van de diversificatie van waarden zijn niet van
toepassing op beleggingen in staatsobligaties.
Artikel 136. Leningen
1. Een pensioenfonds gaat geen leningen aan, tenzij de lening
tijdelijk wordt aangegaan voor liquiditeitsdoelstellingen en treedt
niet namens derde partijen op als garant.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van het eerste lid met betrekking tot de
tijdelijkheid van de lening en de liquiditeitsdoelstellingen.
Artikel 137. Financiering voorwaardelijke toeslagverlening
1. Pensioenfondsen kunnen de voorwaardelijke toeslagverlening
financieren door:
a. het creëren van technische voorzieningen;
b. het creëren van eigen vermogen boven het vereist eigen
vermogen ten behoeve van de toeslagverlening;
c. het putten uit het eigen vermogen boven het vereist eigen
vermogen ten behoeve van de toeslagverlening;
d. het hanteren van een opslag op de premie; of
e. overrendement.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld inzake het eerste lid.
Artikel 138. Langetermijnherstelplan
1. Wanneer een pensioenfonds voorziet of redelijkerwijs kan
voorzien dat het niet meer voldoet of zal voldoen aan de bij of
krachtens artikel 132gestelde vereisten ten aanzien van het eigen
vermogen, meldt het pensioenfonds dit onverwijld aan de
toezichthouder.
2. In de in het eerste lid bedoelde situatie dient het
pensioenfonds binnen drie maanden of zoveel eerder als de
toezichthouder bepaalt ter instemming bij de toezichthouder een
concreet en haalbaar langetermijnherstelplan in. In dit
langetermijnherstelplan werkt het pensioenfonds uit hoe het uiterlijk
binnen 15 jaar zal voldoen aan artikel 132.
3. Het pensioenfonds handelt onverwijld overeenkomstig het
langetermijnherstelplan.
4. Het pensioenfonds rapporteert gedurende de uitvoering van het
langetermijnherstelplan de toezichthouder jaarlijks of het herstel
verloopt overeenkomstig de doelstellingen van het
langetermijnherstelplan; waarbij wordt aangegeven:
a. welke activiteiten het pensioenfonds in het afgelopen jaar
heeft uitgevoerd;
b. welke resultaten deze activiteiten tot dan toe hebben gehad;
en
c. hoe de actuele positie van het pensioenfonds is.
5. De toezichthouder beoordeelt ten minste eenmaal per drie jaar of
aanvullende maatregelen nodig zijn zodat het langetermijnherstelplan
ook daadwerkelijk kan worden gerealiseerd.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de inhoud en opstelling van een
langetermijnherstelplan.
Artikel 139. Ingrijpende wijzigingen tijdens uitvoering
langetermijnherstelplan
1. Wanneer gedurende de looptijd van het langetermijnherstelplan,
bedoeld inartikel 138, ingrijpende wijzigingen plaatsvinden in:
a. de samenstelling van de technische voorzieningen; of
b. de samenstelling, de omvang en de waarde van de beleggingen;
meldt het pensioenfonds dit onverwijld aan de toezichthouder.
2. De toezichthouder geeft aan of:
a. het bestaande langetermijnherstelplan kan worden
gehandhaafd;
b. het bestaande langetermijnherstelplan binnen drie maanden
dan wel eerder moet worden vervangen door een nieuw
langetermijnherstelplan, waarbij rekening gehouden wordt met de
reeds verstreken looptijd van het te vervangen
langetermijnherstelplan. Dit nieuwe langetermijnherstelplan wordt
ter instemming bij de toezichthouder ingediend; dan wel
c. het bestaande langetermijnherstelplan kan worden ingetrokken
en niet vervangen hoeft te worden door een nieuw
langetermijnherstelplan.
Artikel 140. Kortetermijnherstelplan
1. Wanneer een pensioenfonds voorziet of redelijkerwijs kan
voorzien dat het niet meer voldoet of niet zal voldoen aan de bij of
krachtens artikel 131 gestelde vereisten ten aanzien van het minimaal
vereist eigen vermogen, meldt het pensioenfonds dit onverwijld aan de
toezichthouder.
2. In de in het eerste lid bedoelde situatie dient het
pensioenfonds binnen twee maanden of zoveel eerder als de
toezichthouder bepaalt, een concreet en haalbaar
kortetermijnherstelplan ter instemming bij de toezichthouder in. In
dit kortetermijnherstelplan werkt het pensioenfonds uit hoe het
uiterlijk binnen drie jaar zal voldoen aan artikel 131waarbij:
a. de kans op herstel verbetert;
b. de risico’s voor de aanspraak- en pensioengerechtigden
niet toenemen; en
c. de kans op toeslagverlening niet negatief wordt beïnvloed.
3. In afwijking van het tweede lid geldt voor het
kortetermijnherstelplan een termijn van een jaar indien:
a. niet is voldaan aan de voorwaarden in het tweede lid, sub a,
b en c; of
b. het pensioenfonds bijdragen ontvangt van een in een andere
lidstaat gevestigde bijdragende onderneming.
4. Het pensioenfonds handelt onverwijld overeenkomstig het
kortetermijnherstelplan.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de inhoud en opstelling van een
kortetermijnherstelplan.
Artikel 141. Mogelijkheid tot ontheffing
1. De toezichthouder kan, rekening houdend met de specifieke
situatie van het pensioenfonds en in het belang van de aanspraak- en
pensioengerechtigden, op aanvraag van een pensioenfonds geheel of
gedeeltelijk, ontheffing verlenen van het bij of krachtens de
artikelen 131, 132, 134, eerste lid, onderdeel a, 137 en 138 bepaalde,
indien het pensioenfonds aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan
worden voldaan en dat de doeleinden die deze artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
2. De toezichthouder kan in bijzondere gevallen, rekening houdend
met de specifieke situatie van het pensioenfonds en in het belang van
de aanspraak- en pensioengerechtigden, op aanvraag van een
pensioenfonds dat geen bijdragen ontvangt van een in een andere
lidstaat gevestigde bijdragende onderneming, geheel of gedeeltelijk,
ontheffing verlenen van het bij of krachtens artikel 140bepaalde.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen
en met betrekking tot het verlenen van de ontheffing.
Artikel 142. Langere termijnen bij uitzonderlijke situatie
Onze Minister kan na overleg met de toezichthouder vrijstelling
verlenen van de in artikel 138 en140 genoemde termijnen van 15 jaar
respectievelijk drie en een jaar, indien er sprake is van een
uitzonderlijke economische situatie waardoor een groot aantal
pensioenfondsen niet kan voldoen aan de bij of krachtens deze wet
gestelde vereisten inzake het vereiste eigen vermogen en het minimaal
vereist eigen vermogen.
Artikel 143. Beheerste en integere bedrijfsvoering
1. Een pensioenfonds richt zijn organisatie zodanig in dat deze een
beheerste en integere bedrijfsvoering waarborgt.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het eerste lid. De regels hebben in ieder
geval betrekking op:
a. het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s;
b. integriteit;
c. de soliditeit van het pensioenfonds, waaronder wordt
verstaan:
1°. het beheersen van financiële risico’s; en
2°. het beheersen van andere risico’s die de soliditeit
van het pensioenfonds kunnen aantasten;
d. het beheersen van de financiële positie over de lange
termijn door periodiek een continuïteitsanalyse te maken.
Artikel 144. Parameters
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden, ten behoeve van de
berekeningen, bedoeld bij de artikelen 126, 128, 138, 140 en 143,
regels gesteld over:
a. het minimale percentage van het gemiddelde loon-of
prijsindexcijfer;
b. het maximaal te hanteren gemiddelde rendement op
vastrentende waarden; en
c. de maximaal te hanteren risicopremies op onder andere
aandelen en onroerend goed.
2. De in het eerste lid bedoelde regels worden iedere drie jaren
getoetst, rekening houdend met financieel-economische ontwikkelingen
in het verleden en realistische inzichten ten aanzien van toekomstige
financieel-economische verwachtingen.
3. Voordat de voordracht van de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur wordt gedaan vraagt Onze Minister het oordeel
van een commissie bestaande uit een vertegenwoordiger van De
Nederlandsche Bank N.V., van het Centraal Planbureau, twee leden op
voordracht van de Stichting van de Arbeid en een door Onze Minister
aan te wijzen lid.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het derde lid bedoelde commissie.
5. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 145. Actuariële en bedrijfstechnische nota
1. Het pensioenfonds stelt een actuariële en bedrijfstechnische
nota vast waarin in elk geval een omschrijving is opgenomen van de
wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bij of krachtens de
artikelen 25, 95, 126 tot en met 137 en 143 bepaalde. De actuariële
en bedrijfstechnische nota bevat voorts een verklaring inzake
beleggingsbeginselen en een beschrijving van de sturingsmiddelen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld ten aanzien van de actuariële en bedrijfstechnische nota.
3. Voorzover risico’s zijn overgedragen, verzekerd of
ondergebracht kan de omschrijving, bedoeld in het eerste lid, beperkt
blijven tot een verwijzing naar hetgeen daarover in de betreffende
overeenkomsten is opgenomen.
4. De verklaring inzake beleggingsbeginselen wordt om de drie jaren
en voorts onverwijld na iedere belangrijke wijziging van het
beleggingsbeleid herzien.
Artikel 146. Jaarrekening en jaarverslag
Een pensioenfonds met zetel in Nederland stelt binnen zes maanden na
afloop van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag
overeenkomstig titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vast, met dien
verstande dat artikel 390 van genoemd wetboek niet van toepassing is en
dat de in artikel 360, derde lid, 396 en 397 van genoemd wetboek
geformuleerde uitzonderingen niet van toepassing zijn.
Artikel 147. Staten
1. Een pensioenfonds doet het boekjaar gelijk lopen met het
kalenderjaar.
2. Een pensioenfonds verstrekt periodiek binnen de daartoe
vastgestelde termijnen staten aan de toezichthouder die de
toezichthouder nodig heeft voor de juiste uitoefening van zijn taak,
bedoeld in artikel 151.
3. De staten omvatten uitsluitend:
a. informatie over de organisatie van het pensioenfonds;
b. een bestuursverslag;
c. een balans;
d. informatie over financiële relaties en transacties van het
pensioenfonds;
e. een rekening van baten en lasten;
f. informatie inzake de dekkingsgraad;
g. informatie inzake het vereist eigen vermogen;
h. actuariële staten, gewaarmerkt door een bevoegde actuaris,
waaronder een actuarieel verslag voorzien van een verklaring van
een actuaris;
i. informatie over het deelnemersbestand;
j. informatie inzake de uitgevoerde pensioenregeling en
eventueel andere door het pensioenfonds uitgevoerde regelingen;
k. premiegegevens;
l. informatie inzake verzekering;
m. informatie inzake verplichtingen van het pensioenfonds voor
risico van de deelnemers.
4. Met zijn verklaring bedoeld in het derde lid, onderdeel h,
bevestigt de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat voldaan
is aan de artikelen 126 tot en met 140. Hij is bevoegd zijn verklaring
nader toe te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken.
5. De staten zijn periodiek voorzien van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een accountant. Ten bewijze dat de staten
door hem zijn onderzocht, waarmerkt de accountant de staten.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot:
a. de inhoud en de modellen van de staten; en
b. de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de
verstrekking.
Artikel 148. Onafhankelijkheid actuaris
1. De bevoegde actuaris die het actuarieel verslag waarmerkt, is
onafhankelijk van het pensioenfonds en verricht geen andere
werkzaamheden voor het pensioenfonds.
2. Het is de waarmerkende actuaris niet toegestaan de
werkzaamheden, bedoeld inartikel 147, vierde lid, uit te oefenen voor
een pensioenfonds wanneer een andere actuaris of andere deskundige die
behoort tot dezelfde organisatie als de waarmerkende actuaris, andere
werkzaamheden verricht voor hetzelfde pensioenfonds, tenzij de
organisatie van de waarmerkende actuaris een door de toezichthouder
goedgekeurde gedragscode heeft over de onafhankelijkheid van de
waarmerkende actuaris.
Artikel 148a. Verbod kapitaalcontracten
Een pensioenfonds kan niet overgaan tot verzekering bij een
verzekeraar indien de verzekering gebaseerd is op een kapitaalcontract.
Een kapitaalcontract is een overeenkomst tussen een pensioenfonds en een
verzekeraar waarbij geldt dat:
a. risico’s van het pensioenfonds gedurende de contractsperiode
worden verzekerd;
b. de daarbij behorende pensioenaanspraken en pensioenrechten na
afloop van de contractsperiode niet op verzoek van het pensioenfonds
premievrij bij de verzekeraar achter kunnen worden gelaten; en
c. de waarden die behoren bij het ouderdomspensioen of
nabestaandenpensioen op kapitaalbasis gedurende de contractsperiode
geheel of gedeeltelijk in juridisch eigendom van de verzekeraar
zijn.
Artikel 149. Verplichting tot overdracht, verzekering of
onderbrenging
De toezichthouder kan een pensioenfonds de verplichting opleggen om
binnen een door de toezichthouder te stellen termijn over te gaan tot
verzekering bij een verzekeraar, overdracht aan een verzekeraar of
onderbrenging bij een pensioenfonds indien dit naar het oordeel van de
toezichthouder noodzakelijk is in verband met:
a. de actuariële en bedrijfstechnische opzet van het
pensioenfonds; of
b. de deskundigheid en betrouwbaarheid van het bestuur.
Artikel 150. Overdracht, verzekering of onderbrenging bij eindigen
pensioenregeling
Wanneer een pensioenregeling eindigt tijdens de periode waarin een
kortetermijnherstelplan van kracht is:
a. stelt het pensioenfonds de toezichthouder hiervan op de
hoogte;
b. gaat het pensioenfonds binnen een door de toezichthouder te
stellen termijn over tot het verzekeren bij een verzekeraar,
overdragen aan een verzekeraar of onderbrengen bij een pensioenfonds
van de pensioenverplichtingen op basis van een procedure welke ter
kennis en instemming van de toezichthouder wordt gebracht; en
c. stelt het pensioenfonds een algemeen overzicht van de
procedure, bedoeld in onderdeel b, beschikbaar voor de deelnemers,
gewezen deelnemers en pensioengerechtigden of de vertegenwoordigers
van de genoemde personen in overeenstemming met het
vertrouwelijkheidbeginsel.
Hoofdstuk 7. Toezicht, handhaving en overige taken toezichthouder
§ 7.1. De toezichthouder
Artikel 151. Toezichthouders
1. De Stichting Autoriteit Financiële Markten is belast met het
gedragstoezicht.
2. Gedragstoezicht is toezicht gericht op de naleving van de normen
ten aanzien van voorlichting door pensioenuitvoerders aan deelnemers,
gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden en de
normen ten aanzien van de advisering van de deelnemer of gewezen
deelnemer bij de uitvoering van premieovereenkomsten met
beleggingsvrijheid waarbij de deelnemer of gewezen deelnemer de
verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen.
3. De Nederlandsche Bank N.V. is belast met het prudentieel
toezicht en het materieel toezicht.
4. Prudentieel toezicht is toezicht gericht op de normen ten
aanzien van de financiële soliditeit van pensioenfondsen en het
bijdragen aan de financiële stabiliteit van de sector van
pensioenfondsen.
5. Materieel toezicht is toezicht gericht op alle normen in deze
wet die geen onderdeel uitmaken van gedrags- of prudentieel toezicht.
6. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn de bij besluit van de toezichthouder
aangewezen personen belast. Van een besluit als bedoeld in de eerste
volzin wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
7. Bij algemene maatregel van bestuur:
a. worden regels gesteld omtrent de toedeling van de taken en
bevoegdheden met betrekking tot het prudentieel toezicht, het
gedragstoezicht en het materieel toezicht van deze wet aan de
toezichthouders;
b. worden regels gesteld over de wijze waarop de
toezichthouders samenwerken; en
c. worden eisen gesteld aan de toezichthouders, waaronder
voorschriften gericht op een zodanige besluitvorming binnen de
toezichthouder dat een onafhankelijke vervulling van de uit deze
wet voortvloeiende taken en bevoegdheden is gewaarborgd.
Artikel 152. Geen beoordeling individuele gevallen
1. De toezichthouder treedt bij de uitoefening van het toezicht op
de naleving van deze wet niet in de beoordeling van de individuele
rechtsverhouding tussen:
a. een werkgever en een werknemer;
b. een pensioenuitvoerder en een werkgever; en
c. een pensioenuitvoerder en een aanspraak- of
pensioengerechtigde.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de
uitvoeringsovereenkomst en het pensioenreglement.
Artikel 153. Kwaliteitseisen
1. De toezichthouder draagt met betrekking tot de uitoefening van
zijn taken en bevoegdheden uit hoofde van deze wet zorg voor:
a. een tijdige voorbereiding en een voor de onder toezicht
staanden kenbare, transparante en consistente uitvoering;
b. de kwaliteit van de daarbij gebruikte procedures;
c. de zorgvuldige behandeling van een ieder die met hem in
aanraking komt;
d. de zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften en klachten
die worden ontvangen.
2. De toezichthouder treft voorzieningen, waardoor een ieder die
met hem in aanraking komt in de gelegenheid is voorstellen tot
verbetering van werkwijzen en procedures te doen.
3. In het jaarverslag, bedoeld in artikel 156, doet de
toezichthouder verslag van hetgeen tot uitvoering van het eerste en
het tweede lid is verricht.
§ 7.2. Rekening en verantwoording
Artikel 154. Begroting
1. De toezichthouder stelt jaarlijks een begroting op van de in het
daaropvolgende jaar te verwachten baten en lasten,
investeringsuitgaven alsmede inkomsten en uitgaven met betrekking tot
de uitvoering van de bij en krachtens deze wet opgedragen taken en de
daaruit voortvloeiende werkzaamheden. De begroting wordt op een
zodanige wijze opgesteld dat de lasten en de uitgaven structureel
worden gedekt door de baten en de inkomsten.
2. De begrotingsposten worden van een toelichting voorzien.
3. Tenzij de werkzaamheden waarop de begroting betrekking heeft nog
niet eerder werden verricht, bevat de begroting een vergelijking met
de begroting van het lopende jaar en de laatste jaarrekening of
verantwoording waarmee Onze Minister heeft ingestemd.
4. Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of
dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en
lasten, dan wel inkomsten en uitgaven, of in het in de begroting
vervatte beleid, doet de toezichthouder daarvan onverwijld mededeling
aan Onze Minister onder vermelding van de verschillen en hun oorzaak
en zonodig onder indiening van een gewijzigde of aanvullende
begroting.
Artikel 155. Instemming met begroting
1. De toezichthouder zendt de begroting, bedoeld in artikel 154,
eerste lid, voor 1 december van het aan het begrotingsjaar
voorafgaande jaar, en de begroting, bedoeld in artikel 154, vierde
lid, onverwijld ter instemming aan Onze Minister.
2. De instemming met de begroting kan worden onthouden wegens
strijd met het recht of het algemeen belang. Ingeval van gebleken
strijdigheid wordt instemming niet onthouden dan nadat de
toezichthouder in de gelegenheid is gesteld de begroting aan te
passen, binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn.
3. De toezichthouder doet onverwijld na instemming mededeling van
de begroting in de Staatscourant en houdt deze gedurende ten minste
twee jaren na instemming op elektronische wijze ter inzage.
4. Wanneer Onze Minister niet voor 1 januari van het jaar waarop
deze betrekking heeft met de begroting heeft ingestemd, kan de
toezichthouder, in het belang van een juiste uitvoering van zijn taak,
voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven
beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen
die bij de overeenkomstige onderdelen in de begroting van het
voorafgaande jaar waren toegestaan.
Artikel 156. Jaarverslag
1. De toezichthouder stelt jaarlijks een jaarverslag op. Het
jaarverslag beschrijft de taakuitoefening en het daartoe gevoerde
beleid uit hoofde van deze wet in het voorafgaande jaar. Het
jaarverslag beschrijft voorts het gevoerde beleid met betrekking tot
de kwaliteitszorg.
2. De toezichthouder zendt het jaarverslag voor 1 mei van het op
het boekjaar volgende jaar aan Onze Minister.
3. De toezichthouder houdt het jaarverslag gedurende ten minste
twee jaren op elektronische wijze ter inzage.
Artikel 157. Jaarrekening of verantwoording
1. De toezichthouder stelt jaarlijks een jaarrekening of
verantwoording op van de bij of krachtens deze wet opgedragen taken en
de daaruit voortvloeiende werkzaamheden. De jaarrekening van de
Stichting Autoriteit Financiële Markten wordt zoveel mogelijk met
overeenkomstige toepassing van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek ingericht.
2. De jaarrekening of verantwoording gaat vergezeld van een
verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de
toezichthouder aangewezen accountant.
3. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede
lid, een verslag van zijn bevindingen omtrent de rechtmatige inning en
besteding van de middelen door de toezichthouder uit hoofde van deze
wet.
4. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede
lid, tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het
beheer en de organisatie van de toezichthouder uit hoofde van deze wet
voldoen aan eisen van doelmatigheid.
5. De toezichthouder zendt de jaarrekening of verantwoording voor 1
mei van het op het boekjaar volgende jaar ter instemming aan Onze
Minister.
6. De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht
of het algemeen belang.
7. De toezichthouder houdt, na instemming, de jaarrekening of
verantwoording gedurende ten minste twee jaren op elektronische wijze
ter inzage.
Artikel 158. Nadere regelgeving
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de inhoud
en indiening van de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening of
verantwoording.
Artikel 159. Exploitatiesaldo
1. Het verschil tussen de aan het eind van een begrotingsjaar
gerealiseerde baten en inkomsten van de toezichthouder en de
gerealiseerde lasten en uitgaven van de toezichthouder vormt het
exploitatiesaldo.
2. Indien in enig boekjaar een exploitatiesaldo ontstaat en de
toezichthouder dit exploitatiesaldo wil betrekken bij de in het
lopende jaar in rekening te brengen kosten, bedoeld in artikel 160,
doet de toezichthouder daaromtrent een voorstel in de jaarrekening of
verantwoording.
Artikel 160. Kosten toezicht
1. De toezichthouder brengt de kosten van de werkzaamheden die hij
verricht in verband met de uitvoering van de taken op grond van deze
wet in rekening bij de pensioenuitvoerders ten aanzien waarvan die
werkzaamheden worden verricht, voor zover deze kosten niet ten laste
komen van de Rijksbegroting. Tot de kosten behoren onder meer de
kosten die hij ter voorbereiding op de uitvoering van nieuwe
onderdelen van zijn taak heeft gemaakt, voordat deze aan hem werden
opgedragen. De kosten voor verzekeraars, premiepensioeninstellingen en
pensioenfondsen worden gescheiden in rekening gebracht.
2. De kosten worden gebaseerd op de begroting waarmee Onze Minister
heeft ingestemd en op het exploitatiesaldo, indien Onze Minister heeft
ingestemd met de jaarrekening of verantwoording waarin een voorstel
als bedoeld inartikel 159, tweede lid, is opgenomen.
3. Op de begrote kosten worden de opbrengsten uit bestuurlijke
boeten en verbeurde lasten onder dwangsom, voor zover de hieraan ten
grondslag liggende besluiten van de toezichthouder in het voorafgaande
jaar onherroepelijk zijn geworden, in mindering gebracht.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot dit artikel waarbij onderscheid kan
worden gemaakt tussen incidenteel en jaarlijks in rekening te brengen
kosten. De nadere regels hebben onder meer betrekking op de wijze
waarop de toezichtkosten worden berekend, de toerekening van
toezichthandelingen en -kosten aan pensioenuitvoerders en de
doorberekening van de toezichtkosten aan de pensioenuitvoerders.
Artikel 161. Overleg kosten toezicht
1. De toezichthouder organiseert overleg over:
a. de door de toezichthouder op te stellen begroting;
b. de door de toezichthouder gerealiseerde baten en lasten
alsmede inkomsten en uitgaven, en verrichte werkzaamheden;
c. de kosten voor de pensioenuitvoerders die verband houden met
de uitvoering van de taken op grond van deze wet en de daaruit
voortvloeiende werkzaamheden; en
d. de jaarrekening of verantwoording.
2. Het overleg wordt gevoerd door de toezichthouder en een daarvoor
in aanmerking komende representatieve vertegenwoordiging van de onder
zijn toezicht staande pensioenuitvoerders. Onze Minister kan
ambtenaren aanwijzen die namens hem het overleg bijwonen.
3. Het overleg vindt minimaal twee maal per jaar plaats.
4. De toezichthouder maakt het verslag van het overleg binnen een
redelijke termijn na het overleg openbaar.
Artikel 162. Uitsluiting beroep
Tegen besluiten van Onze Minister inzake instemming met de begroting
of de jaarrekening of verantwoording kan geen beroep worden ingesteld
als bedoeld in artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht.
§ 7.3. Bevoegdheden Onze Minister
Artikel 163. Uitvoeringstoezicht: Inspectie Werk en Inkomen
1. Onze Minister houdt toezicht op:
a. de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet door de
toezichthouder;
b. de doeltreffendheid van de uitvoering van deze wet door de
toezichthouder.
2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt onder gezag van
Onze Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd
in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, onder leiding van het hoofd van die inspectie. De artikelen
37, 38 en 44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 164. Verstrekking informatie ten behoeve van toezicht door
Onze Minister
1. Onze Minister is bevoegd aan de toezichthouder de gegevens of
inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een
onderzoek naar de wijze waarop de toezichthouder de uit deze wet
voortvloeiende taken en bevoegdheden uitvoert of heeft uitgevoerd.
2. De toezichthouder verstrekt kosteloos aan Onze Minister de in
het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen. Indien Onze Minister
de toezichthouder vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te
verstrekken die op grond van deze wet omtrent afzonderlijke
pensioenuitvoerders, werkgevers of natuurlijke personen zijn verstrekt
of zijn verkregen, is de toezichthouder niet verplicht deze gegevens
of inlichtingen te verstrekken, indien deze betrekking hebben op of
herleidbaar zijn tot een afzonderlijke pensioenuitvoerder, werkgever
of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen
die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een
pensioenuitvoerder of werkgever ten aanzien waarvan surséance van
betaling is verleend, die in staat van faillissement is verklaard of
op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden.
3. Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen
die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan
hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in
zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen
in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing zijn.
4. Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij
ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het
vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de
wijze waarop de toezichthouder de bij of krachtens deze wet opgedragen
taken en toegekende bevoegdheden uitoefent of heeft uitgeoefend.
5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn
verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede
volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen.
6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de
aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit
getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies
in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman
zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde
gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht
werkende derde onder zich heeft.
Artikel 165. Aanwijzing door Onze Minister
1. Onze Minister kan aan de toezichthouder een aanwijzing geven
over de uitoefening van de aan de toezichthouder bij of krachtens deze
wet opgedragen taken en toegekende bevoegdheden wanneer de
toezichthouder hierin naar het oordeel van Onze Minister tekort
schiet. Onze Minister treedt daarbij niet in individuele gevallen.
2. De toezichthouder is gehouden overeenkomstig de aanwijzing te
handelen.
Artikel 166. Taakverwaarlozing
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister de toezichthouder een
of meerdere van zijn bij of krachtens deze wet opgedragen taken
ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen
treffen.
2. Ter uitvoering van het eerste lid kan Onze Minister besluiten
een of meer onderdelen van de taken van de toezichthouder zelf uit te
voeren of door een andere organisatie te laten uitvoeren. Alsdan komen
de desbetreffende bevoegdheden van de toezichthouder toe aan Onze
Minister onderscheidenlijk de andere toezichthouder.
3. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd,
niet eerder getroffen dan nadat de toezichthouder in de gelegenheid is
gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog
zijn taak naar behoren uit te voeren.
4. Onze Minister stelt beide kamers der Staten-Generaal onverwijld
in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het
eerste lid.
§ 7.4. Handhaving
§ 7.4.1. Algemeen– in Nederland zetel hebbende pensioenuitvoerders
Artikel 167. Kosteloze informatieverstrekking
De pensioenuitvoerder, de werkgever, de accountant en de actuaris
verstrekken aan de toezichthouder kosteloos de door deze gevorderde
inlichtingen, gegevens en bescheiden.
Artikel 168. Inlichtingenbevoegdheid toezichthouder
1. De toezichthouder kan ten behoeve van het toezicht op de
naleving van deze wet van een ieder inlichtingen vorderen.
2. De artikelen 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
van overeenkomstige toepassing.
3. Voorzover de toezichthouder voor het uitoefenen van het
gedragstoezicht ten aanzien van pensioenfondsen waaraan de andere
toezichthouder een vergunning heeft verleend of welke in het register
is opgenomen, gegevens nodig heeft over aspecten van de
bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 143, tweede lid, onderdeel a en b,
vordert de eerstgenoemde toezichthouder geen inlichtingen, dan nadat
de andere toezichthouder is verzocht deze gegevens te verstrekken en
is gebleken dat de andere toezichthouder niet aan dit verzoek tegemoet
kan komen.
4. Van het derde lid kan, na overleg met de andere toezichthouder,
worden afgeweken indien sprake is van een redelijk vermoeden van een
overtreding van de regels bij of krachtens deze wet gesteld en
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 169. Bewaarplicht gegevens ten behoeve van toezichthouder
1. De pensioenuitvoerder en de werkgever zijn verplicht de
zakelijke gegevens en bescheiden die betrekking hebben op
pensioenregelingen en andere bij of krachtens deze wet geregelde
onderwerpen in Nederland beschikbaar te hebben en deze gedurende ten
minste zeven jaren na het boekjaar waarop ze betrekking hebben
beschikbaar te houden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een verzekeraar met
zetel in een andere lidstaat van de Europese Unie.
Artikel 170. Informatie- en meldingsverplichting accountant en
actuaris
1. Een accountant die het onderzoek naar de staten, bedoeld in
artikel 147, vijfde lid, uitvoert meldt de toezichthouder zo spoedig
mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het
onderzoek kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met deze wet;
b. de nakoming van de door het pensioenfonds aangegane
verplichtingen bedreigt; of
c. leidt tot de weigering van het afgeven van de verklaring
omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is van
overeenkomstige toepassing op de actuaris die het onderzoek naar de
staten, bedoeld inartikel 147, vierde lid, uitvoert.
3. De accountant of actuaris verstrekt zo spoedig mogelijk
kosteloos alle inlichtingen aan de toezichthouder die deze
redelijkerwijs nodig heeft voor het toezicht op de naleving van deze
wet. De toezichthouder stelt het betrokken pensioenfonds in de
gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door
de accountant of actuaris.
4. De accountant of actuaris biedt desgevraagd de toezichthouder
inzicht in zijn controlewerkzaamheden.
5. De accountant of actuaris die op grond van dit artikel tot een
melding of het verstrekken van inlichtingen aan de toezichthouder is
overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde als gevolg
daarvan lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle
feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding of het
verstrekken van inlichtingen had mogen worden overgegaan.
Artikel 171. Aanwijzing
1. De toezichthouder kan een pensioenuitvoerder die niet voldoet
aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, door middel van het
geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door de
toezichthouder gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de
aanwijzingsbeschikking aangegeven punten een bepaalde gedragslijn te
volgen.
2. De toezichthouder kan een aanwijzing als bedoeld in het eerste
lid eveneens aan een pensioenfonds geven indien hij tekenen ontwaart
van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit, de
liquiditeit of de bedrijfsvoering van het pensioenfonds in gevaar
kunnen brengen.
Artikel 172. Benoeming curator
1. De toezichthouder kan besluiten een of meer personen te benoemen
als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen van het
pensioenfonds indien dat pensioenfonds niet voldoet aan hetgeen
ingevolge deze wet is bepaald.
2. Het besluit ingevolge het eerste lid wordt slechts genomen:
a. nadat door het pensioenfonds niet of niet volledig binnen de
gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 171
gevolg is gegeven;
b. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding een
adequate functionering van het pensioenfonds ernstig in gevaar
brengt en dat pensioenfonds voorafgaand in de gelegenheid is
gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen
besluit; of
c. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding de belangen
van de aanspraak- en pensioengerechtigden ernstig in gevaar brengt
en dat pensioenfonds voorafgaand in de gelegenheid is gesteld zijn
zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid kan de toezichthouder
besluiten een of meer personen te benoemen als curator ten aanzien van
alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een pensioenfonds
indien hij bij dat pensioenfonds tekenen ontwaart van een ontwikkeling
die het eigen vermogen, de solvabiliteit, of de liquiditeit van dat
pensioenfonds in gevaar kunnen brengen.
4. Het benoemingsbesluit bevat onder meer een beschrijving van de
belangen waardoor de curator zich dient te laten leiden. De
toezichthouder benoemt de curator voor ten hoogste twee jaren, met de
mogelijkheid om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te
verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht. Met ingang van het
tijdstip waarop het besluit tot benoeming van de curator aan het
pensioenfonds is bekendgemaakt mogen de desbetreffende organen of
vertegenwoordigers hun bevoegdheden slechts uitoefenen na goedkeuring
door de curator en met inachtneming van de opdrachten van de curator.
5. Na de benoeming van een curator:
a. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van het
pensioenfonds de curator alle medewerking;
b. kan de toezichthouder de betrokken organen of
vertegenwoordigers van het pensioenfonds toestaan bepaalde
rechtshandelingen zonder goedkeuring te verrichten;
c. kan de toezichthouder te allen tijde de door hem aangewezen
curator vervangen;
d. is voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn
verricht in strijd met een besluit als bedoeld in het eerste of
derde lid, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van het
pensioenfonds dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk
aansprakelijk tegenover het pensioenfonds, tenzij het verrichten
van deze handelingen niet aan hem is te verwijten en hij niet
nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen
daarvan af te wenden;
e. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel d, voorzover deze
rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist
of behoorde te weten dat de vereiste goedkeuring ontbrak.
6. Zodra de omstandigheid, bedoeld in het eerste of derde lid niet
langer aanwezig is, trekt de toezichthouder het besluit tot benoeming
van de curator in. De toezichthouder maakt het besluit tot intrekking
onverwijld bekend aan het pensioenfonds.
7. De toezichthouder kent aan een op grond van het eerste lid
aangewezen persoon een bezoldiging toe. De bezoldiging komt ten laste
van:
a. het pensioenfonds of, wanneer de financiële omstandigheden
van het pensioenfonds dit niet toestaan;
b. de werkgever of, wanneer de financiële omstandigheden van
de werkgever dit niet toestaan;
c. de toezichthouder.
Artikel 173. Bewindvoerder over een pensioenfonds
1. Op verzoek van de toezichthouder kan de ondernemingskamer van
het gerechtshof te Amsterdam over een pensioenfonds een bewindvoerder
aanstellen, indien:
a. een pensioenfonds blijk geeft van een zodanig wanbeleid dat
de belangen van de aanspraak- en pensioengerechtigden een
onmiddellijke voorziening vereisen; of
b. het bestuur is komen te ontbreken.
2. De toezichthouder dient zijn verzoekschrift tot aanstelling van
een bewindvoerder in tweevoud in. De griffier doet een exemplaar van
het verzoekschrift onverwijld aan het pensioenfonds toekomen.
3. Indien de ondernemingskamer het verzoek toewijst, bepaalt zij de
duur waarvoor de bewindvoerder wordt aangesteld. Zij kan deze duur op
verzoek van de toezichthouder of van de bewindvoerder verlengen dan
wel verkorten. De ondernemingskamer kent de bewindvoerder een
bezoldiging toe ten laste van:
a. het pensioenfonds of, wanneer de financiële omstandigheden
van het pensioenfonds dit niet toestaan;
b. de werkgever of, wanneer de financiële omstandigheden van
de werkgever dit niet toestaan;
c. de toezichthouder.
4. De bewindvoerder treedt in de plaats van het bestuur of een of
meerdere door de ondernemingskamer aangewezen leden van het bestuur
van het pensioenfonds.
5. De voorlopige tenuitvoerlegging van de beschikking tot
aanstelling van een bewindvoerder kan worden bevolen, indien het
verzoek daartoe is gedaan op een van de gronden, genoemd in het eerste
lid, onderdelen a en b.
Artikel 174. Onbevoegd verklaring accountant of actuaris
1. Indien een accountant of actuaris niet of niet meer de nodige
waarborgen biedt dat deze zijn taak met betrekking tot het
pensioenfonds naar behoren zal kunnen vervullen, kan de toezichthouder
ten aanzien van deze accountant of actuaris bepalen dat hij niet
langer bevoegd is de in deze wet bedoelde verklaringen met betrekking
tot dat pensioenfonds af te leggen.
2. De toezichthouder doet mededeling van het besluit, bedoeld in
het eerste lid, aan het pensioenfonds.
Artikel 175. Last onder dwangsom
1. De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen ter zake
van een overtreding van de voorschriften, gesteld bij of krachtens
deze wet en van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter
zake van de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van een
last onder dwangsom.
Artikel 176. Bestuurlijke boete
1. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake
van een overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de
artikelen 21, eerste lid, tweede lid, tweede volzin en vierde lid, 23,
25, 26, 28, 29, eerste lid, 29, zevende lid, voor zover het betreft de
overeenkomstige toepassing van artikel 29, eerste lid, 34 tot en met
48, 49, 50, tweede en vierde lid, 51, 52, 58, 60, 61,62, 63, 66, derde
tot en met zesde, negende en elfde lid, 67, tweede lid, 68, tweede
lid, artikel 69, tweede, derde en zesde lid, 71, eerste tot en met
vijfde en zevende lid, 74, tweede en derde lid, 76, eerste tot en met
vierde en negende lid, 83, tweede en zevende lid, 84, tweede en
zevende lid, 85, eerste lid, 86, eerste en tweede lid, 87, 91, 94,
tweede lid, 95, 96, 99, 100, 101, 102, 103, 105, eerste tot en met
derde, vijfde tot en met achtste en tiende lid, 106, 109, 110,
111,113, 114, 115, 116, 117, 118, eerste tot en met derde lid, 119,
eerste tot en met derde lid, 120, eerste tot en met derde lid, 125,
128, 129,130, 134, tweede, vierde en vijfde lid, 135, 136, 137, 138,
eerste tot en met vierde en zesde lid, 139, 140, 143, 145, 146, 147,
eerste tot en met derde, vijfde en zesde lid, 150, 167, 169, 170,
eerste tot en met vierde lid, 171, eerste lid, 172, vijfde lid, 194,
197, 199, 203, derde en vierde lid, 204 en van artikel 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 177 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 178 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 179. Hoogte bestuurlijke boete
1. Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene
maatregel van bestuur, met dien verstande dat de bestuurlijke boete
voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 4 000 000 bedraagt.
Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn
verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de
overtreder ter zake van eenzelfde overtreding, wordt het bedrag van de
bestuurlijke boete, bedoeld in de eerste volzin, voor een
afzonderlijke overtreding verdubbeld.
2. De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin omschreven
overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete.
De overtredingen worden gerangschikt in categorieën naar zwaarte van de
overtreding met de daarbij behorende basisbedragen, minimumbedragen en
maximumbedragen. Daarbij wordt de volgende indeling gebruikt:
|
Categorie |
Basisbedrag |
Minimumbedrag |
Maximumbedrag |
|
1 |
€ 10 000,– |
€ 0,– |
€ 10 000,– |
|
2 |
€ 500 000,– |
€ 0,– |
€ 1 000 000,– |
|
3 |
€ 2 000 000,– |
€ 0,– |
€ 4 000 000,– |
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid kan de toezichthouder de hoogte van de bestuurlijke
boete vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van het
voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen
indien diens voordeel groter is dan€ 2 000 000.
Artikel 180 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 181 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 182 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 183 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 184. Schorsende werking bij bestuurlijke boete
1. Indien tegen een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke
boete bezwaar of beroep wordt aangetekend, schorst dit de verplichting
tot betaling van de bestuurlijke boete totdat de beroepstermijn is
verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. De schorsing van een verplichting tot betaling schorst niet de
berekening van de wettelijke rente.
Artikel 185 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 186 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 187 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 188. Mogelijkheid van openbaarmaking
1. De toezichthouder kan met het oog op de bescherming van de
belangen van de pensioen- of aanspraakgerechtigden ter openbare kennis
brengen, indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die
kennisgeving hebben geleid:
a. overtreding van de verbodsbepalingen uit deze wet en de
overtredingen, bedoeld in artikel 201;
b. het feit ter zake waarvan een aanwijzing is gegeven, het
overtreden voorschrift, het feit dat de aanwijzing is gegeven en
de door de pensioenuitvoerder te volgen gedragslijn, alsmede de
naam, het adres en de vestigingsplaats van de pensioenuitvoerder
aan wie de aanwijzing is gegeven;
c. het feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een
bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, het
feit dat de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is
opgelegd, alsmede de naam, het adres en de vestigingsplaats van de
overtreder aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete
is opgelegd;
d. het feit dat een herstelplan als bedoeld inartikel 138 of
artikel 140 is ingediend, alsmede de naam, het adres en de
vestigingsplaats van het pensioenfonds dat het herstelplan heeft
ingediend.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter
zake van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 189. Kennisgeving openbaarmaking en inhoud beschikking
1. De toezichthouder stelt, indien hij besluit een openbare
kennisgeving uit te zullen vaardigen als bedoeld in artikel 188 de
betrokken pensioenuitvoerder in kennis van het besluit.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval de geconstateerde
overtreding, de inhoud van de kennisgeving, de gronden waarop het
besluit berust alsmede de wijze waarop en de termijn waarna de
openbare kennisgeving zal worden uitgevaardigd.
Artikel 190. Schorsende werking bij openbaarmaking
1. Het ter openbare kennis brengen geschiedt niet eerder dan nadat
vijf werkdagen zijn verstreken na de bekendmaking van de beschikking,
bedoeld in artikel 189, aan de betrokkene.
2. Indien de betrokkene verzoekt om een voorlopige voorziening,
bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de
werking van de beschikking opgeschort totdat er een uitspraak is van
de voorzieningenrechter van de rechtbank.
Artikel 191. Verplichting tot openbaarmaking
De toezichthouder maakt een besluit tot het aanstellen van een
bewindvoerder ingevolge deze wet na bekendmaking openbaar, tenzij de
openbaarmaking van het besluit in strijd is of zou kunnen komen met het
doel van het door de toezichthouder uit te oefenen toezicht op de
naleving van deze wet.
§ 7.4.2. Vergunningverlening en toezicht grensoverschrijdende
activiteiten van in Nederland zetel hebbende pensioenfondsen
Artikel 192. Vergunningverlening
De vergunning, bedoeld in artikel 125, onderdeel a, wordt op aanvraag
door de toezichthouder verleend wanneer het pensioenfonds:
a. is ingeschreven in het register, bedoeld inartikel 210; en
b. voldoet aan de artikelen 105, 126, 143 en 147, tweede lid en
artikel 11 van richtlijn 2003/41/EG.
Artikel 193. Nadere voorschriften en intrekking vergunning
De toezichthouder kan de vergunning, bedoeld in artikel 125,
onderdeel a, geheel of gedeeltelijk intrekken of daaraan nadere
voorschriften verbinden wanneer:
a. het pensioenfonds niet langer voldoet aan artikel 192;
b. de bij de aanvraag verstrekte gegevens onjuist of onvolledig
zijn en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een
andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de vergunning
zou hebben geleid;
c. de verlening van de vergunning anderszins onjuist was en het
fonds dit wist of behoorde te weten; of
d. van de vergunning gedurende twee jaren, na de dagtekening van
de beschikking waarbij de vergunning is verleend, geen gebruik is
gemaakt.
Artikel 194. Kennisgeving voornemen grensoverschrijdende activiteit
1. Een pensioenfonds stelt de toezichthouder in kennis van een
voornemen bijdragen te gaan ontvangen van een bijdragende onderneming
met zetel in een andere lidstaat dan Nederland.
2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van
een opgave van:
a. de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening
geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de
rechtsverhouding tussen de bijdragende onderneming en de
werknemers of op degene die een vrij beroep uitoefent;
b. de naam van de bijdragende onderneming; en
c. de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die voor
die onderneming zal worden uitgevoerd.
Artikel 195. Toetsing en mededeling van kennisgeving
1. De toezichthouder doet binnen drie maanden na ontvangst van de
gegevens, bedoeld inartikel 194, tweede lid, mededeling van deze
gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan de voor
bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van
toepassing is op de rechtsverhouding tussen de bijdragende onderneming
en de werknemers, tenzij het pensioenfonds niet beschikt over de
vergunning, bedoeld in artikel 125, of de toezichthouder reden heeft
te betwijfelen dat de administratieve structuur of de financiële
positie van het pensioenfonds, of de deskundigheid en betrouwbaarheid
van de personen die het fonds besturen met de in die lidstaat
voorgenomen activiteiten verenigbaar zijn.
2. De toezichthouder doet gelijktijdig mededeling aan het fonds van
de verstrekking van de gegevens aan de bevoegde autoriteiten, bedoeld
in het eerste lid.
3. De toezichthouder doet mededeling aan het fonds van informatie
over de toepasselijke bepalingen van sociale en arbeidswetgeving,
ontvangen van de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 196. Uitvoering grensoverschrijdende activiteit
1. Een pensioenfonds kan na ontvangst van de mededeling, bedoeld in
artikel 195, derde lid, dan wel nadat twee maanden zijn verstreken na
ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 195, tweede lid,
beginnen met het uitvoeren van de voorgenomen pensioenregeling.
2. Het pensioenfonds neemt bij de uitvoering van de
pensioenregeling de op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke
sociale en arbeidswetgeving en de voorschriften die krachtens de
artikelen 11 en 18, zevende lid, van richtlijn 2003/41/EG moeten
worden nageleefd, in acht. De Nederlandse sociale en arbeidswetgeving
is niet van toepassing op de uitvoering van de pensioenregeling.
Artikel 197. Verbod uitvoering grensoverschrijdende activiteit
1. De toezichthouder verbiedt een pensioenfonds bijdragen te
ontvangen van een onderneming met een zetel in een andere lidstaat
wanneer de toezichthouder reden heeft tot twijfel als bedoeld in
artikel 195, eerste lid, of het fonds niet beschikt over een
vergunning als bedoeld in artikel 125, onderdeel a.
2. De toezichthouder kan een fonds verbieden nog langer bijdragen
te ontvangen van een bijdragende onderneming met zetel in een andere
lidstaat wanneer door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan
de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en
arbeidswetgeving van toepassing is, melding heeft gemaakt van een door
het fonds gemaakte inbreuk op de toepasselijke sociale en
arbeidswetgeving.
3. De toezichthouder legt een verbod als bedoeld in dit artikel op
in de vorm van een aanwijzing als bedoeld in artikel 171.
Artikel 198. Maatregelen tegen inbreuk sociale en arbeidswetgeving
De toezichthouder neemt, in coördinatie met de bevoegde autoriteiten
van de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende
sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de pensioenregeling, de
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een pensioenfonds een einde
maakt aan een vastgestelde inbreuk op de toepasselijke regelgeving.
§ 7.4.3. Toezicht grensoverschrijdende activiteiten
pensioeninstellingen uit andere lidstaat
Artikel 199. Voorwaarden uitvoering Nederlandse pensioenregeling
Het is een pensioeninstelling uit een andere lidstaat verboden
bijdragen te aanvaarden van een in Nederland zetel hebbende bijdragende
onderneming zonder:
a. een daartoe verleende vergunning van de bevoegde autoriteiten
van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit een andere lidstaat
haar zetel heeft; en
b. de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de
pensioeninstelling zetel heeft in kennis te hebben gesteld van het
voornemen een pensioenregeling uit te voeren voor een in Nederland
gevestigde bijdragende onderneming.
Artikel 200. Informatie over toepasselijke sociale en
arbeidswetgeving
1. De toezichthouder informeert, binnen twee maanden na de datum
van ontvangst van gegevens als bedoeld in artikel 194, tweede lid, de
bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit
een andere lidstaat haar zetel heeft en die deze gegevens hebben
verstrekt, over de bepalingen van de Nederlandse sociale en
arbeidswetgeving die van toepassing zijn op de pensioenregeling
waaraan wordt bijgedragen door de in Nederland zetel hebbende
bijdragende onderneming.
2. De toezichthouder stelt de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het
eerste lid, in kennis van elke significante wijziging in de op de
pensioenregeling toepasselijke sociale en arbeidswetgeving die
gevolgen kan hebben voor de kenmerken van de pensioenregeling.
Artikel 201. Niet-naleving toepasselijke regelgeving
Wanneer de toezichthouder blijkt dat een pensioeninstelling uit een
andere lidstaat bij de uitvoering van een pensioenregeling waaraan wordt
bijgedragen door een in Nederland zetel hebbende bijdragende onderneming
in strijd met de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving handelt, stelt
de toezichthouder de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de
pensioeninstelling haar zetel heeft hiervan onverwijld in kennis, onder
mededeling van deze kennisgeving aan de pensioeninstelling uit een
andere lidstaat.
Artikel 202. Handhavingsbevoegdheden
1. Indien een pensioeninstelling uit een andere lidstaat inbreuk
blijft maken op de op de pensioenregeling toepasselijke Nederlandse
sociale en arbeidswetgeving, in weerwil van de door de bevoegde
autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit een andere
lidstaat haar zetel heeft getroffen maatregelen of omdat die bevoegde
autoriteiten geen passende maatregelen hebben getroffen, kan de
toezichthouder, na die bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te
hebben gesteld, passende maatregelen nemen om de inbreuk op de
toepasselijke regelgeving door de pensioeninstelling te beëindigen
en, voorzover zulks volstrekt noodzakelijk is, de pensioeninstelling
te beletten activiteiten te verrichten voor de Nederlandse bijdragende
onderneming.
2. De toezichthouder kan, ter uitvoering van het eerste lid, de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 171, 175 en 176 toepassen.
3. De toezichthouder kan, na toepassing van artikel 201, de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 171, 175 en 176 toepassen
wanneer een pensioeninstelling uit een andere lidstaat artikel 199
niet naleeft.
§ 7.5. Overige taken en bevoegdheden
Artikel 203. Verstrekken, verzamelen en bewerken van beleidsmatige
informatie
1. De toezichthouder verstrekt op verzoek, kosteloos, aan Onze
Minister alle gegevens en inlichtingen die voor het door Onze Minister
te voeren beleid inzake pensioen en het onderzoek naar de
toereikendheid van deze wet noodzakelijk zijn.
2. De toezichthouder beheert ten behoeve van de uitvoering van de
in het eerste lid bedoelde taak een databank, stelt een informatieplan
en een beheersplan op en zendt deze plannen aan Onze Minister. De
toezichthouder zendt wijzigingen in het informatieplan en het
beheersplan aan Onze Minister.
3. Pensioenuitvoerders en werkgevers verstrekken de toezichthouder
desgevraagd en kosteloos alle gegevens en inlichtingen die deze nodig
heeft voor het vervullen van de in het eerste lid beschreven taak.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de in de databank op te nemen gegevens en
inlichtingen, de wijze waarop de gegevens en inlichtingen worden
verwerkt en beheerd en de instellingen aan wie gegevens uit de
databank worden verstrekt.
Artikel 204. Geheimhoudingsplicht
1. Het is een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet
of van ingevolge deze wet genomen besluiten enige taak vervult of
heeft vervuld, verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
die ingevolge deze wet dan wel ingevolge afdeling 5.2 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn verstrekt of verkregen of van een persoon of
instantie als bedoeld in artikel 203, derde lid, onderscheidenlijk
205, eerste lid, zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of
daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering
van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
2. In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder met
gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen
bij de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet, mededelingen
doen, indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke
personen.
Artikel 205. Verstrekking gegevens of inlichtingen aan andere
toezichthouders
1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 204, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering
van zijn taak op grond van deze wet, verstrekken aan de andere
toezichthouder of een toezichthoudende instantie, tenzij:
a. het doel waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op
pensioenuitvoerders;
c. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de
openbare orde;
d. de geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met
de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan
waarvoor deze worden verstrekt.
2. Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste
lid, zijn verkregen van een toezichthoudende instantie, verstrekt de
toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of aan een
andere toezichthoudende instantie, tenzij de toezichthoudende
instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen
uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of
inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik
voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn
verstrekt.
3. Indien een toezichthoudende instantie aan de toezichthouder die
de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of
tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij
zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek slechts in:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste
of tweede lid; of
b. voorzover die toezichthoudende instantie op een andere wijze
dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de
daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de
beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen
verkrijgen; en
c. na overleg met Onze Minister van Veiligheid en Justitie
indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een
onderzoek naar strafbare feiten.
4. De Autoriteit Financiële Markten dan wel het
organisatieonderdeel van de Nederlandsche Bank N.V. dat is belast met
de in artikel 151, derde lid, genoemde taak kan vertrouwelijke
informatie of gegevens verstrekken aan het organisatieonderdeel van de
Nederlandsche Bank N.V. dat is belast met het vervullen van haar
monetaire taak, voorzover de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
dienstig zijn voor de uitoefening van die taak.
5. Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige
toepassing op het uitwisselen van vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen tussen de met verschillende taken belaste
organisatieonderdelen van de toezichthouder.
Artikel 206. Verstrekking aan anderen met taak op grond van deze wet
1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 204, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering
van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een
persoon als bedoeld in de onderdelen a, b, c, d, of e voorzover de
gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn
taak:
a. een bewindvoerder die ingevolge artikel 173 is benoemd;
b. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 223a van de
Faillissementswet is benoemd;
c. een bewindvoerder die ingevolge artikel 215, tweede lid, van
de Faillissementswet is benoemd;
d. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 14 van de
Faillissementswet is benoemd;
e. een curator die ingevolge artikel 14 van de
Faillissementswet is aangesteld.
2. De toezichthouder verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:
a. indien de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met
de belangen die deze wet beoogt te beschermen;
b. indien de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zijn
verkregen van de andere toezichthouder of een toezichthoudende
instantie, en deze andere toezichthouder of die toezichthoudende
instantie niet instemt met het verstrekken van de vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen.
3. De curator die is aangesteld in het faillissement van een
pensioenuitvoerder kan, in afwijking van artikel 204, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid
verstrekken aan de rechtbank, voorzover die geen betrekking hebben op
een onderneming die betrokken is of betrokken is geweest bij een
poging de pensioenuitvoerder in staat te stellen zijn activiteiten
voort te zetten.
4. Artikel 204, eerste lid, laat onverlet de toepasselijkheid van
de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering welke
betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie
van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van
een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de
vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voorzover het
gaat om vertrouwelijke gegevens of inlichtingen omtrent een
pensioenuitvoerder die in staat van faillissement is verklaard of op
grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. De vorige volzin is
niet van toepassing op vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die
betrekking hebben op een onderneming die betrokken is of betrokken is
geweest bij een poging de desbetreffende pensioenuitvoerder in staat
te stellen zijn activiteiten voort te zetten.
Artikel 207. Informatieverstrekking ten behoeve van strafvorderlijk
onderzoek
1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 204,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering
van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een
instantie die is belast met de uitoefening van strafvorderlijke
bevoegdheden of aan een deskundige die door een dergelijke instantie
met een opdracht is belast, voor zover de verlangde gegevens of
inlichtingen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die opdracht.
2. Indien de instantie, bedoeld in het eerste lid, het voornemen
heeft toepassing te geven aan de bevoegdheid tot het bij de
toezichthouder vorderen van de uitlevering van een voor inbeslagneming
vatbaar voorwerp of aan de bevoegdheid tot het vorderen van de inzage
of een afschrift van bescheiden als bedoeld in artikel 96a, 105 of
126a van het Wetboek van Strafvordering, of artikel 18 of 19 van de
Wet op de economische delicten, en de vordering betreft vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen als bedoeld in artikel 204, eerste lid, stelt
die instantie voorafgaand aan de uitoefening van haar bevoegdheid de
toezichthouder in de gelegenheid zijn zienswijze hierover kenbaar te
maken.
Artikel 208. Verstrekking aan anderen
1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 204, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling
van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan:
a. een accountant die het onderzoek naar de staten uitvoert,
bedoeld in artikel 147, vijfde lid, of die is belast met de
wettelijke controle van de jaarrekening van een
pensioenuitvoerder, voorzover de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen betrekking hebben op die pensioenuitvoerder en
noodzakelijk zijn voor de controle; of
b. een actuaris die het onderzoek naar de staten uitvoert,
bedoeld in artikel 147, vierde lid, of die is belast met de
wettelijke controle van een pensioenuitvoerder, voorzover de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betrekking hebben op die
pensioenuitvoerder en noodzakelijk zijn voor de controle.
2. De toezichthouder verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen op grond van het eerste lid indien:
a. het doel waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op
pensioenuitvoerders;
c. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de
openbare orde;
d. de geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met
de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan
waarvoor deze worden verstrekt.
3. Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste
lid, zijn verkregen van een toezichthoudende instantie, verstrekt de
toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of aan een
andere toezichthoudende instantie, tenzij de toezichthoudende
instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen
uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of
inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik
voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn
verstrekt.
4. Indien een instantie of persoon als bedoeld in het eerste lid
aan de toezichthouder die de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
op grond van dat lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan
waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek
slechts in:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste,
tweede of derde lid; of
b. voorzover die instantie of persoon op een andere wijze dan
in deze wet voorzien met inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die
gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
c. na overleg met Onze Minister van Veiligheid en Justitie
indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een
onderzoek naar strafbare feiten.
Artikel 209. Periodiek overleg met belanghebbenden
De toezichthouder organiseert ten minste één keer per jaar een
overleg met belanghebbenden aangaande pensioenen.
Artikel 210. Beheren register pensioenfondsen
De toezichthouder beheert een register waarin alle pensioenfondsen
met zetel in Nederland worden ingeschreven. In het register wordt,
indien van toepassing, vermeld in welke lidstaten een fonds
pensioenregelingen uitvoert.
Artikel 211. Samenwerking met toezichthouders andere lidstaten en
Europese Commissie
De toezichthouder is verplicht nauw samen te werken met de Europese
Commissie en de bevoegde autoriteiten uit andere lidstaten dan
Nederland, overeenkomstig richtlijn 2003/41/EG.
Artikel 212. Ontheffing
1. De toezichthouder kan desgevraagd in bijzondere gevallen van het
bepaalde bij of krachtens artikel 147, eerste en tweede lid,
ontheffing verlenen, indien hij van oordeel is, dat de belangen van de
personen die betrokken zijn bij een pensioenregeling voldoende
gewaarborgd zijn.
2. De toezichthouder kan desgevraagd in bijzondere gevallen van het
bepaalde bij of krachtens deartikelen 99, 100, 101, 109 en 110
ontheffing verlenen, indien het pensioenfonds ook pensioenregelingen
uitvoert waarop de sociale en arbeidswetgeving van een andere lidstaat
van toepassing is.
3. De ontheffing wordt verleend bij beschikking.
Artikel 213. Nadere voorschriften inzake ontheffing
1.De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.
2.Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
3.De ontheffing kan worden ingetrokken wanneer:
a. een of meer van de redenen waarom zij is verleend is of zijn
vervallen;
b. na de verlening zich zodanige feiten of omstandigheden
hebben voorgedaan of zijn gebleken dat, indien deze ook ten tijde
van de verlening bekend waren geweest, de ontheffing niet of niet
in die vorm zou zijn verleend;
c. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet
wordt nageleefd.
4.De toezichthouder stelt beleidsregels vast over de verlening van
ontheffing.
§ 7.6. Overige bepalingen
Artikel 214. Informatievoorziening Staten-Generaal
1. Onze Minister zendt jaarlijks het jaarverslag, de verantwoording
en alle andere van belang zijnde door de toezichthouder aan Onze
Minister uitgebrachte toezichtrapportages, in de vorm waarin zij aan
hem zijn voorgelegd, zonodig voorzien van zijn oordeel, aan de
Staten-Generaal.
2. Onze Minister zendt elke vijf jaar een verslag aan de
Staten-Generaal over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het
functioneren van de toezichthouder.
Artikel 215. Strafrechtelijke sanctionering
1. Overtreding van deartikelen 23, 102, 167, 169, 170, eerste tot
en met vierde lid, en 172, vijfde lid, onderdeel a, wordt gestraft met
een geldboete van de tweede categorie. Overtreding van artikel 171,
eerste lid, wordt gestraft met een geldboete van de vierde categorie.
2. Met een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft
overtreding van voorschriften, krachtens deze wet bij algemene
maatregel van bestuur gegeven, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar
feit in de zin dezer wet aangeduid.
3. De in of krachtens dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Hoofdstuk 8. Gerechtelijke procedures
§ 8.1. Burgerrechtelijke geschillen
Artikel 216. Burgerrechtelijke geschillen in het algemeen
Zaken betreffende vorderingen uit hoofde van een
pensioenovereenkomst, een uitvoeringsovereenkomst, een
uitvoeringsreglement of een pensioenreglement worden door de
kantonrechter behandeld en beslist.
Artikel 217. Beroep deelnemersraad bij ondernemingskamer
1. De deelnemersraad kan bij de ondernemingskamer van het
gerechtshof te Amsterdam beroep instellen tegen een besluit
betreffende een aangelegenheid als bedoeld in artikel 111, eerste lid,
indien:
a. de deelnemersraad met betrekking tot dat besluit niet
voorafgaand in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen;
b. dat besluit niet in overeenstemming is met het advies van de
deelnemersraad; of
c. feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die, waren zij
aan de deelnemersraad bekend geweest ten tijde van het uitbrengen
van zijn advies, aanleiding zouden kunnen zijn geweest om dat
advies niet uit te brengen zoals het is uitgebracht.
2. Het beroep wordt ingediend bij verzoekschrift, binnen acht weken
nadat de deelnemersraad van het besluit in kennis is gesteld.
3. Het pensioenfonds wordt van het ingestelde beroep in kennis
gesteld.
4. Het verzoek is niet-ontvankelijk indien met betrekking tot
dezelfde aangelegenheid een aanwijzing is gegeven door de
toezichthouder.
5. Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld terzake dat het
pensioenfonds bij afweging van de betrokken belangen niet in
redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen.
6. De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed.
Alvorens te beslissen kan zij, ook ambtshalve, deskundigen, alsmede
bij het pensioenfonds werkzame personen horen. Indien de
ondernemingskamer het beroep gegrond bevindt, kan zij, indien de
deelnemersraad daarom heeft verzocht, een of meer van de volgende
voorzieningen treffen:
a. het opleggen van de verplichting aan het pensioenfonds om
het besluit geheel of ten dele in te trekken, alsmede om aan te
wijzen gevolgen van dat besluit ongedaan te maken;
b. het opleggen van een verbod aan het pensioenfonds om
handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van
het besluit of onderdelen daarvan.
7. Het pensioenfonds moet aan de getroffen voorziening voldoen; een
voorziening kan door derden verworven rechten echter niet aantasten.
8. De ondernemingskamer kan haar beslissing op een verzoek tot het
treffen van voorzieningen voor een door haar te bepalen termijn
aanhouden, indien beide partijen daar om verzoeken, dan wel indien het
pensioenfonds op zich neemt het besluit waartegen beroep is ingesteld,
in te trekken of te wijzigen, of bepaalde gevolgen van het besluit
ongedaan te maken.
9. Nadat het verzoekschrift is ingediend kan de ondernemingskamer,
zo nodig onverwijld, voorlopige voorzieningen treffen. De derde zin
van het zesde lid en het zevende lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
10. Van een beschikking van de ondernemingskamer staat uitsluitend
beroep in cassatie open.
11. De kosten van het voeren van rechtsgedingen door de
deelnemersraad komen ten laste van het pensioenfonds indien zij
redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de
deelnemersraad en het pensioenfonds van de te maken kosten vooraf in
kennis is gesteld. In rechtsgedingen tussen het pensioenfonds en de
deelnemersraad kan de deelnemersraad niet in de proceskosten worden
veroordeeld.
Artikel 218. Beroep geleding deelnemersraad bij ondernemingskamer
1.Een geleding binnen de deelnemersraad kan bij de
ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam beroep instellen
tegen een besluit als bedoeld in artikel 111, tweede lid, onderdeel f
of g, van het pensioenfonds, wanneer dat besluit niet in
overeenstemming is met het advies van de deelnemersraad.
2.Artikel 217, tweede tot en met elfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 219. Enquêterecht
1. Het verantwoordingsorgaan, bedoeld in artikel 33, eerste lid,
onderdeel a, kan een verzoek in het kader van het recht van enquête,
bedoeld in afdeling 2 van titel 8 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, indienen bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te
Amsterdam indien voorafgaand aan de indiening van dat verzoek het
intern toezicht, bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, zich
daarover heeft uitgesproken.
2. De artikelen 346 tot en met 359 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De kosten die verband houden met het indienen van het in het
eerste lid bedoelde verzoek komen ten laste van het pensioenfonds
indien zij redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de
taak van het verantwoordingsorgaan en het pensioenfonds van de te
maken kosten vooraf in kennis is gesteld.
§ 8.2. Bestuursrechtelijke geschillen
Artikel 220. Rechtsgang bij Rechtbank Rotterdam
Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van deze wet
is, in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, de
rechtbank te Rotterdam bevoegd.
Hoofdstuk 9. Overige- en slotbepalingen
Artikel 220a. Overgangsrecht
Indien een pensioenfonds voor de datum van inwerkingtreding van
artikel I, onderdeel E, van de Verzamelwet pensioenen 2012 is overgegaan
tot verzekering bij een verzekeraar op basis van een kapitaalcontract
als bedoeld in artikel 148a geldt het verbod tot verzekering op basis
van een kapitaalcontract, bedoeld in artikel 148a, na afloop van het
contract of een verlenging daarvan doch uiterlijk vijf jaar na het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, van de
Verzamelwet pensioenen 2012.
Artikel 221. Evaluatiebepaling
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze
wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk op het terrein van communicatie,
toezicht en administratieve lasten.
Artikel 222. Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 223. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Pensioenwet.
Lasten en bevelen dat deze in
het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 7 december 2006
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|