| |
|
|
|
|
vorige
INVOERINGS-
EN AANPASSINGSWET PENSIOENWET (IPW)
Tekst zoals deze geldt op
15 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit uitvoering Pensioenwet
en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Regeling parameters pensioenfondsen
(vervallen)
- Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004
WET van 7 december 2006 houdende
invoering van de Pensioenwet (Invoerings- en aanpassingswet
Pensioenwet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de invoering van de Pensioenwet en enkele daarmee
samenhangende onderwerpen te regelen, zulks onder intrekking van de
Pensioen- en spaarfondsenwet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1. Definities
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
– Pensioen- en spaarfondsenwet: de Pensioen-en
spaarfondsenwet en de daarop berustende bepalingen zoals deze
luidden op de peildatum;
– peildatum: de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
artikel 1 van de Pensioenwet.
2.De definities van artikel 1 van de Pensioenwet zijn van
overeenkomstige toepassing op de artikelen 7, 8, 9, 10, het eerste lid
van de artikelen 11 tot en met 17, 18, 20, eerste lid, 21, eerste lid,
22, derde, vijfde, zevende, negende en elfde lid, 23, eerste lid, 24,
eerste lid,24a, eerste lid, 25, eerste en tweede lid, 26, eerste lid,
28, eerste, tweede en derde lid, 29, eerste en tweede lid, 30, eerste
en tweede lid, 31, 32, eerste, tweede en derde lid, 33, het eerste lid
van deartikelen 35 tot en met 38, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 45a,
47, eerste lid, 48, 48a, 48b, eerste lid, 49, 50, eerste lid, 51,
eerste lid, 53, tweede lid, 59, derde en vierde lid, 63, 64 en 66 van
deze wet.
3.De definities van artikel 1 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals deze komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, zijn van overeenkomstige toepassing op
het tweede lid van de artikelen 11 tot en met 16, 17, derde lid, 20,
tweede lid, 21, tweede lid, 22, vierde, zesde, achtste, tiende en
twaalfde lid, 23, tweede lid, 24, tweede lid,24a, tweede lid, 25,
derde en vierde lid, 26, tweede lid, 28, vierde, vijfde en zesde lid,
29, derde en vierde lid, 30, derde en vierde lid,32, vierde, vijfde en
zesde lid, het tweede lid van de artikelen 35 tot en met 38, 42,
tweede lid, 44, tweede lid, 47, tweede lid, 48a, 48b, tweede lid, 50,
tweede lid, 51, tweede lid en 53, vierde lid van deze wet.
Hoofdstuk 2. Overgangsrecht
Artikel 2. Intrekking van Pensioen- en spaarfondsenwet
De Pensioen- en spaarfondsenwet wordt ingetrokken.
Artikel 2a. Afhandeling verzoeken
1.Op een verzoek ingediend op grond van de Pensioen- en
spaarfondsenwet, ten aanzien waarvan op de peildatum nog geen
beslissing is genomen, blijft, in afwijking van artikel 2, de
Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing, tenzij in deze wet anders
wordt bepaald.
2.Op een verzoek ingediend op grond van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals deze luidde op de peildatum, ten
aanzien waarvan op de peildatum nog geen beslissing is genomen, blijft
de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde op de
peildatum, van toepassing, tenzij in deze wet anders wordt bepaald.
Artikel 3. Ondernemingspensioenfonds
Indien een onderneming die op de peildatum is aangesloten bij een
ondernemingspensioenfonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet op de datum van
inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen deel uitmaakt van
de groep waaraan dit ondernemingspensioenfonds, bedoeld in artikel 1 van
de Pensioenwet, is verbonden, kan dit ondernemingspensioenfonds blijven
optreden als pensioenuitvoerder voor deze onderneming.
Artikel 4. Pensioenfonds/eenmansfonds
1.Indien een op de peildatum bestaand bedrijfstakpensioenfonds of
ondernemingspensioenfonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel b onderscheidenlijk c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet
op de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet niet
voldoet aan de definitie van pensioenfonds, bedoeld in artikel 1 van
de Pensioenwet, omdat het pensioenfonds slechts ten behoeve van één
deelnemer, gewezen deelnemer of nabestaande werkzaam is, wordt dit
pensioenfonds gelijkgesteld met een pensioenfonds in de zin van de
Pensioenwet.
2.In afwijking van het eerste lid wordt het in dat lid bedoelde
pensioenfonds een jaar na inwerkingtreding van artikel 1 van de
Pensioenwet gelijkgesteld met een pensioenfonds in de zin van de
Pensioenwet, indien het pensioenfonds werkzaam is ten behoeve van een
directeur-grootaandeelhouder waaropartikel 8, eerste en tweede lid,
van deze wet van toepassing is.
Artikel 5. Pensioenfonds/spaarfonds
Indien op de peildatum een spaarfonds als bedoeld in artikel 3 van de
Pensioen- en spaarfondsenwet werkzaam is, blijft in afwijking van
artikel 2 op dit spaarfonds de Pensioen- en spaarfondsenwet van
toepassing, met dien verstande dat vanaf een jaar na de datum van
inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen bijdragen meer
aan het spaarfonds kunnen worden gedaan.
Artikel 6. Ouderdoms-, partner-, wezen- en
arbeidsongeschiktheidspensioen
1.Indien een pensioen in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet
niet voldoet aan de definitie van ouderdoms-, partner-, wezen- of
arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet, omdat er geen sprake is van een geldelijke, vastgestelde
uitkering, wordt dit pensioen, indien het is verworven in de periode
tot een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de
Pensioenwet, gelijkgesteld met een pensioen in de zin van de
Pensioenwet.
2.Indien een pensioen in de zin van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals deze luidde tot de datum van
inwerkingtreding van deze wet, niet voldoet aan de definitie van
ouderdoms-, partner-, wezen- of arbeidsongeschiktheidspensioen,
bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling,
zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze
wet, omdat er geen sprake is van een geldelijke, vastgestelde
uitkering, wordt dit pensioen, indien het is verworven in de periode
tot een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet
gelijkgesteld met een pensioen in de zin van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
3.Indien op de peildatum een arbeidsongeschiktheidspensioen in de
zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde
tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, niet voldoet aan de
definitie van arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel 1 van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na
de datum van inwerkingtreding van deze wet, omdat het
arbeidsongeschiktheidspensioen is toegekend nadat de
arbeidsongeschiktheid minder dan 104 weken heeft geduurd, wordt dit
arbeidsongeschiktheidspensioen gelijkgesteld met een
arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
Artikel 7. Werknemer/verbonden aan de onderneming
1.Indien een persoon die op de peildatum verbonden is aan een
onderneming en pensioenaanspraken verwerft, op de datum van
inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen werknemer is
als bedoeld in de Pensioenwet, wordt hij gelijkgesteld met een
werknemer als bedoeld in die wet.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op de
directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in de Pensioenwet.
Artikel 8. Werknemer/ directeur-grootaandeelhouder
1.Indien uiterlijk op de peildatum een pensioentoezegging als
bedoeld in artikel 2 van de Pensioen- en spaarfondsenwet is gedaan aan
een directeur-grootaandeelhouder, blijft gedurende een jaar na
inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, in afwijking van
artikel 2, de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing op deze
pensioentoezegging.
2.De directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, wiens
pensioentoezegging een jaar na de datum van inwerkingtreding van
artikel 1 van de Pensioenwet is ondergebracht bij een
pensioenuitvoerder als pensioen in de zin van de Pensioen- en
spaarfondsenwet, wordt gelijkgesteld met een werknemer als bedoeld in
de Pensioenwet.
3.Indien de pensioentoezegging, bedoeld in het tweede lid, is
ondergebracht bij een verzekeraar is er sprake van pensioen in de zin
van de Pensioen- en spaarfondsenwet indien de
directeur-grootaandeelhouder dit als zodanig heeft aangemerkt.
4.De directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, wiens
pensioentoezegging een jaar na inwerkingtreding van de Pensioenwet
overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en
spaarfondsenwet niet is ondergebracht bij een pensioenuitvoerder wordt
niet gelijkgesteld met een werknemer in de zin van de Pensioenwet.
5.Indien de in het vierde lid bedoelde toezegging mede een
toezegging omtrent partnerpensioen omvat en er uiterlijk een jaar na
inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet sprake is geweest
van een scheiding, blijven, in afwijking van artikel 2, de artikelen
8a en 8c, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van
toepassing.
Artikel 9. Pensioen/vervroegde uittreding
Indien uiterlijk op de peildatum een geldelijke, vastgestelde
uitkering is overeengekomen voor een gewezen werknemer die wordt gedaan
bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom in verband met vervroegde
uittreding wordt deze gelijkgesteld met een uitkering als bedoeld in
artikel 2, vierde lid, van de Pensioenwet.
Artikel 10. Pensioen/functioneel leeftijdontslag
Indien uiterlijk op de peildatum een geldelijke, vastgestelde
uitkering is overeengekomen voor een gewezen werknemer die wordt gedaan
bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom en deze uitkering is
gebaseerd op een regeling die leidt tot uitkeringen vanaf een bepaalde
leeftijd aan werknemers die werkzaamheden verrichten die door de
werkgever als substantieel bezwarend zijn aangemerkt, wordt deze
gelijkgesteld met een uitkering als bedoeld in artikel 2, vijfde lid,
van de Pensioenwet.
Artikel 11. Karakter pensioenovereenkomst/pensioenregeling
1.Artikel 10 van de Pensioenwet is niet van toepassing op
pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 28 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de
datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 12. Vaststelling uitkering, kapitaal of premie
1.Artikel 11 van de Pensioenwet is niet van toepassing op
pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 29 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de
datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 13. Verlening van toeslagen
1.Artikel 13 van de Pensioenwet is niet van toepassing op
pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 30 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de
datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 14. Beperking onderscheid naar leeftijd
1.Werknemers van 21 jaar of ouder die op de peildatum niet in de
pensioenregeling van hun werkgever deelnemen, omdat zij jonger zijn
dan de op basis van de pensioenregeling gehanteerde toegangsleeftijd,
verwerven pensioenaanspraken vanaf de datum van inwerkingtreding van
de artikelen 8, vijfde lid, en 14 van de Pensioenwet.
2.Beroepsgenoten van 21 jaar of ouder die op de datum van
inwerkingtreding van artikel 22 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding
van deze wet, niet in de pensioenregeling zijn opgenomen, omdat zij
jonger zijn dan de op basis van de pensioenregeling gehanteerde
toetredingsleeftijd, verwerven pensioenaanspraken vanaf de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 15. Nadere eisen ouderdomspensioen
1.Artikel 15 van de Pensioenwet is niet van toepassing ten aanzien
van pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 31 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de
datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 16. Nadere eisen partnerpensioen
1.Indien een pensioenovereenkomst op de datum van inwerkingtreding
van artikel 16 van de Pensioenwet voorziet in partnerpensioen, waarbij
bij de vaststelling van pensioenaanspraken en pensioenrechten op
partnerpensioen onderscheid gemaakt wordt tussen een echtgenoot en een
geregistreerde partner enerzijds en een andere partner in de zin van
de pensioenovereenkomst anderzijds, hebben wijzigingen in rechten en
verplichtingen die ontstaan als gevolg van de gelijkstelling, bedoeld
in genoemd artikel, uitsluitend betrekking op
partnerpensioenaanspraken ten behoeve van een partner van degene die
op de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel deelnemer is.
2.Indien een pensioenregeling op de datum van inwerkingtreding van
artikel 32 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat
komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, voorziet
in partnerpensioen, waarbij echter bij de vaststelling van
pensioenaanspraken en pensioenrechten op partnerpensioen onderscheid
gemaakt wordt tussen een echtgenoot en een geregistreerde partner
enerzijds en een andere partner in de zin van de pensioenregeling
anderzijds, hebben wijzigingen in rechten en verplichtingen die
ontstaan als gevolg van de gelijkstelling, bedoeld in genoemd artikel,
uitsluitend betrekking op partnerpensioenaanspraken ten behoeve van
een partner van degene die op de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel deelnemer is.
Artikel 17. Startbrief en melding van wijzigingen
1.Artikel 21, eerste lid, van de Pensioenwet is niet van toepassing
op pensioenovereenkomsten die zijn gesloten voor de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikellid.
2.Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 21, eerste lid, van
de Pensioenwet blijft, in afwijking van artikel 2, artikel 17, eerste
lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing. Is de
pensioenuitvoerder een verzekeraar dan is artikel 17, eerste lid, van
de Pensioen- en spaarfondsenwet van overeenkomstige toepassing.
3.Artikel 48, eerste lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op
pensioenregelingen die zijn gesloten voor de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
4.Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 48, eerste lid, van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na
de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft artikel 25 van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dit luidde op de
peildatum, van toepassing.
Artikel 18. Onderbrengingsplicht werkgever
1.De in artikel 23 van de Pensioenwet opgenomen verplichting tot
het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst geldt met ingang van een
jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet
voor pensioenfondsen en met ingang van twee jaar na de datum van
inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet voor verzekeraars.
2.In afwijking van artikel 2 blijft, tot het in het eerste lid
bedoelde tijdstip, artikel 3a, eerste lid, van de Pensioen- en
spaarfondsenwet van toepassing.
3.De in artikel 23 opgenomen verplichting van een werkgever tot
onderbrenging geldt niet ten aanzien van een pensioentoezegging als
bedoeld in de Pensioen- en spaarfondsenwet, welke op grond van artikel
2, eerste lid, onderdeel c, en vierde lid, onderdeel c, van de
Pensioen- en spaarfondsenwet al is ondergebracht bij een verzekeraar.
4.Ten aanzien van de in het derde lid bedoelde pensioentoezegging
is de Pensioenwet van toepassing, met uitzondering van de artikelen 23
tot en met 27 en29, indien na de datum van inwerkingtreding van
artikel 1 van de Pensioenwet nog verwerving van pensioen plaatsvindt.
5.Ten aanzien van de in het derde lid bedoelde pensioentoezegging
waarbij na de datum van inwerkingtreding van de Pensioenwet geen
verwerving van pensioen meer plaatsvindt, blijven, in afwijking van
artikel 2, de Pensioen- en spaarfondsenwet en hoofdstuk I en III van
de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van
toepassing.
Artikel 19. Onderbrengingsplicht werkgever na toepassing artikel 2,
derde lid, PSW
In afwijking van artikel 2 blijft de Pensioen- en spaarfondsenwet van
toepassing op een pensioentoezegging als bedoeld in artikel 2 van die
wet, indien die pensioentoezegging op de peildatum niet is ondergebracht
bij een pensioenuitvoerder op grond van:
a. artikel 2, derde lid, onderdeel a, van de Pensioen- en
spaarfondsenwet;
b. artikel 2, derde lid, onderdeel d, van de Pensioen- en
spaarfondsenwet; of
c. een ontheffing die op grond van artikel 2, eerste lid,
onderdeel c, van de Beleidsregels ontheffingen Pensioen- en
spaarfondsenwet is verleend.
Artikel 20. Melding door fonds
1.De in artikel 28 van de Pensioenwet opgenomen
informatieverplichting van een pensioenfonds jegens gewezen deelnemers
heeft uitsluitend betrekking op degenen die na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel gewezen deelnemer zijn geworden
en op de gewezen deelnemers die het pensioenfonds hebben geïnformeerd
over hun adres.
2.De in artikel 38 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling,
zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze
wet, opgenomen informatieverplichting van een beroepspensioenfonds
jegens gewezen deelnemers heeft uitsluitend betrekking op degenen die
na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel gewezen deelnemer
zijn geworden en op de gewezen deelnemers die het beroepspensioenfonds
hebben geïnformeerd over hun adres.
Artikel 20a. Regeling premieachterstand
1.Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 29 van de
Pensioenwet blijven, in afwijking van artikel 2, de artikelen 3a,
vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet en 12 van de Regelen
verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van
toepassing.
2.Artikel 29 van de Pensioenwet is niet van toepassing op premies
die zijn verschuldigd voor de datum van inwerkingtreding van genoemd
artikel.
Artikel 21. Opstellen en inhoud pensioenreglement
1.Artikel 35 van de Pensioenwet geldt niet indien op de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel in het kader van een
pensioenregeling geen verwerving van pensioenaanspraken meer
plaatsvindt.
2.De pensioenuitvoerder is niet verantwoordelijk voor de inhoud van
pensioenreglementen voor de datum van inwerkingtreding van artikel 35
van de Pensioenwet.
3.Artikel 21 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet,
geldt niet indien op de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel
in het kader van een pensioenregeling geen verwerving van
pensioenaanspraken meer plaatsvindt.
4.De pensioenuitvoerder is niet verantwoordelijk voor de inhoud van
pensioenreglementen voor de datum van inwerkingtreding van artikel 21
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te
luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 22. Informatieverplichtingen van de pensioenuitvoerder
1.Tot de datum van inwerkingtreding van de artikelen 38 tot en met
45 van de Pensioenwet blijven, in afwijking van artikel 2, de
artikelen 8, vierde lid, 17, 17a en 17b van de Pensioen- en
spaarfondsenwet en 13 en 13a van de Regelen verzekeringsovereenkomsten
Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.
2.Tot de datum van inwerkingtreding van de artikelen 49 tot en met
56 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze komen te
luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven de
artikelen 26 tot en met 27 en 31 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals deze luidden op de peildatum, van
toepassing.
3.Na de datum van inwerkingtreding van artikel 38 van de
Pensioenwet wordt door de pensioenuitvoerder bij de eerste
informatieverstrekking op grond van genoemd artikel na de datum van
inwerkingtreding van dat artikel aan de deelnemer informatie verstrekt
over het karakter van de pensioenovereenkomst, bedoeld in artikel 10
van de Pensioenwet.
4.Na de datum van inwerkingtreding van artikel 49 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de
datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt door de
pensioenuitvoerder bij de eerste informatieverstrekking op grond van
genoemd artikel na de datum van inwerkingtreding van dat artikel aan
de deelnemer informatie verstrekt over het karakter van de
pensioenregeling, bedoeld in artikel 28 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding
van deze wet.
5.Artikel 40 van de Pensioenwet is van toepassing op degenen die na
de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel gewezen deelnemer
zijn geworden en de gewezen deelnemers die zich bij de
pensioenuitvoerder hebben gemeld met het verzoek om hen de in genoemd
artikel bedoelde informatie te verstrekken.
6.Artikel 51 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing op degenen die na de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel gewezen deelnemer zijn geworden en de gewezen
deelnemers die zich bij de pensioenuitvoerder hebben gemeld met het
verzoek om hen de in genoemd artikel bedoelde informatie te
verstrekken.
7.Artikel 42 van de Pensioenwet is van toepassing op degenen van
wie de datum van scheiding ligt na de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel.
8.Artikel 53 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing op degenen van wie de datum van scheiding ligt na de
datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
9.Ten aanzien van degenen van wie de datum van scheiding voor de
datum van inwerkingtreding van artikel 42 van de Pensioenwet ligt,
geldt de in genoemd artikel opgenomen verplichting van de
pensioenuitvoerder alleen ten aanzien van degenen die zich bij de
pensioenuitvoerder hebben gemeld met het verzoek om hen de in genoemd
artikel bedoelde informatie te verstrekken.
10.Ten aanzien van degenen van wie de datum van scheiding voor de
datum van inwerkingtreding van artikel 53 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, ligt, geldt de in genoemd artikel
opgenomen verplichting van de pensioenuitvoerder alleen ten aanzien
van degenen die zich bij de pensioenuitvoerder hebben gemeld met het
verzoek om hen de in genoemd artikel bedoelde informatie te
verstrekken.
11.Artikel 43 van de Pensioenwet is van toepassing op degenen die
na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel
pensioengerechtigd geworden zijn.
12.Artikel 54 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing op degenen die na de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel pensioengerechtigd geworden zijn.
Artikel 23. Grenzen aan beleggingsvrijheid bij premieovereenkomsten/
regelingen met beleggingsvrijheid
1.Artikel 52 van de Pensioenwet geldt met ingang van de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel ten aanzien van de voor en na de
datum van inwerkingtreding van genoemd artikel verworven en nog te
verwerven pensioenaanspraken indien en zolang de deelnemer of de
gewezen deelnemer beleggingsvrijheid heeft.
2.Artikel 52 van de Pensioenwet is in het eerste jaar na
inwerkingtreding van genoemd artikel niet van toepassing indien een
werkgever de pensioenregeling voor de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel bij een verzekeraar heeft ondergebracht.
3.Op degene die gewezen deelnemer is geworden voor de datum van
inwerkingtreding van artikel 52, tweede lid, van de Pensioenwet, is
genoemd artikel van toepassing indien zijn adres bij de
pensioenuitvoerder bekend is of hij zich bij de pensioenuitvoerder
heeft gemeld.
4.Artikel 63 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet,
geldt met ingang van de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel
ten aanzien van de voor en na de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel verworven en nog te verwerven pensioenaanspraken
indien en zolang de deelnemer of de gewezen deelnemer
beleggingsvrijheid heeft.
5.Artikel 63 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
in het eerste jaar na inwerkingtreding van genoemd artikel niet van
toepassing indien de beroepspensioenvereniging de pensioenregeling
voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel bij een
verzekeraar heeft ondergebracht.
6.Op degene die gewezen deelnemer is geworden voor de datum van
inwerkingtreding van artikel 63, tweede lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, is genoemd artikel van toepassing
indien zijn adres bij de pensioenuitvoerder bekend is of hij zich bij
de pensioenuitvoerder heeft gemeld.
Artikel 24. Uitvoeren vrijwillige voortzetting
1.Indien een verzekeraar op de peildatum een vrijwillige
voortzetting uitvoert die niet overeenkomstig artikel 54 van de
Pensioenwet in de tijd beperkt wordt, kan de verzekeraar deze
voortzetting voor de betreffende deelnemer blijven uitvoeren als
pensioenregeling in de zin van de Pensioenwet.
2.Indien een verzekeraar op de peildatum een vrijwillige
voortzetting uitvoert die niet overeenkomstig artikel 65 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de
datum van inwerkingtreding van deze wet, in de tijd beperkt wordt, kan
de verzekeraar deze voortzetting voor de betreffende deelnemer blijven
uitvoeren als pensioenregeling in de zin van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
Artikel 24a. Behoud aanspraak op partnerpensioen
1.Artikel 55, vijfde lid, van de Pensioenwet is van toepassing
indien de beëindiging van de deelneming plaats vindt na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikellid.
2.Artikel 66, vijfde lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien de
beëindiging van de deelneming plaats vindt na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikellid.
3.Artikel 56, van de Pensioenwet is van toepassing indien het
opnemen van onbetaald verlof plaats vindt na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
4.Artikel 67 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien het opnemen van onbetaald verlof plaats vindt na
de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 25. Behoud aanspraak in geval van scheiding
1.Artikel 57 van de Pensioenwet is van toepassing indien na de
datum van inwerkingtreding van genoemd artikel een partnerrelatie van
een deelnemer of een gewezen deelnemer eindigt door scheiding.
2.In afwijking van het eerste lid is artikel 57 van de Pensioenwet
niet van toepassing indien:
a. de partnerrelatie van een gewezen deelnemer met een partner
in de zin van de pensioenovereenkomst eindigt na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel;
b. de gewezen deelnemer voor de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel al gewezen deelnemer was geworden; en
c. de pensioenovereenkomst ten tijde van de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel niet voorziet in een
bijzonder partnerpensioen.
3.Artikel 68 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien na de datum van inwerkingtreding van genoemd
artikel een partnerrelatie van een deelnemer of een gewezen deelnemer
eindigt door scheiding.
4.In afwijking van het derde lid is artikel 68 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de
datum van inwerkingtreding van deze wet, niet van toepassing indien:
a. de partnerrelatie van een gewezen deelnemer met een partner
in de zin van de pensioenregeling eindigt na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel;
b. de gewezen deelnemer voor de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel al gewezen deelnemer was geworden; en
c. de pensioenregeling ten tijde van de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel niet voorziet in een
bijzonder partnerpensioen.
Artikel 25a. Gelijke behandeling bij toeslagen
1.Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 58 van de
Pensioenwet blijven, in afwijking van artikel 2, de artikelen 8,
vijfde en zesde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet en 9, vierde
en vijfde lid, van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en
spaarfondsenwet van toepassing.
2.Artikel 58 van de Pensioenwet is niet van toepassing op
meeverzekerde stijgingen voor de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel.
3.Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 69 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de
datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven de artikelen 44 en
45, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luiden
op de peildatum, van toepassing.
4.Artikel 69 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
niet van toepassing op meeverzekerde stijgingen voor de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
3.Artikel 58 van de Pensioenwet is niet van toepassing op
meeverzekerde stijgingen na de datum van inwerkingtreding van genoemd
artikel, voor zover de meeverzekerde stijging betrekking heeft op een
premievrije voortzetting en het recht op de premievrije voortzetting
is ontstaan voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 26. Keuzerecht uitruil ouderdomspensioen in partnerpensioen
1.Artikel 61 van de Pensioenwet is van toepassing op
pensioenaanspraken die zijn opgebouwd na de datum van inwerkingtreding
van genoemd artikel, tenzij in de pensioenovereenkomst is
overeengekomen dat dit keuzerecht ook betrekking heeft op
pensioenaanspraken die voor de datum van inwerkingtreding van genoemd
artikel zijn opgebouwd.
2.Artikel 73 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd na de datum
van inwerkingtreding van genoemd artikel, tenzij in de
pensioenregeling is overeengekomen dat dit keuzerecht ook betrekking
heeft op pensioenaanspraken die voor de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel zijn opgebouwd.
Artikel 27. Verbod van vervreemding en onherroepelijke volmacht
1.Artikel 64 van de Pensioenwet is van toepassing indien
vervreemding of een andere handeling als bedoeld in dat artikel plaats
vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 76 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien vervreemding of een andere handeling als bedoeld
in dat artikel plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel.
Artikel 28. Afkoop klein ouderdomspensioen bij beëindiging
deelneming
1.Artikel 66 van de Pensioenwet is van toepassing indien de
deelneming eindigt na de datum van inwerkingtreding van genoemd
artikel.
2.Indien de deelneming is geëindigd voor de datum van
inwerkingtreding van artikel 66 van de Pensioenwet, heeft de
pensioenuitvoerder het recht om op zijn vroegst twee jaar na de
beëindiging van de deelneming of per de eerdere reguliere
ingangsdatum van het ouderdomspensioen overeenkomstig genoemd artikel
pensioenaanspraken af te kopen, indien de uitkering van het
ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere ingangsdatum, getoetst
per 1 januari van dat jaar lager is dan het op grond van genoemd
artikel vastgestelde bedrag per jaar, tenzij de gewezen deelnemer of
gepensioneerde hiertegen bezwaar maakt.
3.In afwijking van het eerste lid is artikel 66 van de Pensioenwet
van toepassing, indien de deelneming is geëindigd voor de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel, maar het verzoek tot afkoop in
verband met emigratie wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding
van genoemd artikel.
4.Artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien de deelneming eindigt na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
5.Indien de deelneming is geëindigd voor de datum van
inwerkingtreding van artikel 78 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, heeft de pensioenuitvoerder het recht
om op zijn vroegst twee jaar na de beëindiging van de deelneming of
per de eerdere reguliere ingangsdatum van het ouderdomspensioen
overeenkomstig genoemd artikel een ouderdomspensioen af te kopen,
indien de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de
reguliere ingangsdatum, getoetst per 1 januari van dat jaar lager is
dan het op grond van genoemd artikel vastgestelde bedrag per jaar,
tenzij de gewezen deelnemer of gepensioneerde hiertegen bezwaar maakt.
6.In afwijking van het vierde lid is artikel 78 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de
datum van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing, indien de
deelneming is geëindigd voor de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel, maar het verzoek tot afkoop in verband met emigratie
wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 29. Afkoop klein partnerpensioen bij ingang
1.Artikel 67 van de Pensioenwet is van toepassing indien het
partnerpensioen ingaat na de datum van inwerkingtreding van genoemd
artikel.
2.Indien het partnerpensioen is ingegaan voor de datum van
inwerkingtreding van artikel 67 van de Pensioenwet, heeft de
pensioenuitvoerder het recht om overeenkomstig genoemd artikel het
partnerpensioen af te kopen indien de uitkering van het
partnerpensioen op jaarbasis, getoetst op het tijdstip van ingang
minder bedraagt dan het op grond van artikel 66 van de Pensioenwet
vastgestelde bedrag per jaar en de partner hiermee instemt.
3.Artikel 79 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien het partnerpensioen ingaat na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
4.Indien het partnerpensioen is ingegaan voor de datum van
inwerkingtreding van artikel 79 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, heeft de pensioenuitvoerder het recht
om overeenkomstig genoemd artikel het partnerpensioen af te kopen
indien de uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis, getoetst op
het tijdstip van ingang minder bedraagt dan het op grond van artikel
78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te
luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, vastgestelde
bedrag per jaar en de partner hiermee instemt.
Artikel 30. Afkoop klein bijzonder partnerpensioen bij scheiding
1.Artikel 68 van de Pensioenwet is van toepassing indien de
aanspraak op bijzonder partnerpensioen op grond van artikel 57 van de
Pensioenwet ontstaat als gevolg van een scheiding na de datum van
inwerkingtreding van eerstgenoemd artikel.
2.Indien de scheiding plaatsvindt voor de datum van
inwerkingtreding van artikel 68 van de Pensioenwet, heeft de
pensioenuitvoerder het recht om overeenkomstig genoemd artikel het
bijzonder partnerpensioen af te kopen, indien de uitkering van het
partnerpensioen op jaarbasis, getoetst op het tijdstip van de
scheiding, minder bedraagt dan het op grond van artikel 66 van de
Pensioenwet vastgestelde bedrag per jaar en de gewezen partner hiermee
instemt.
3.Artikel 80 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien de aanspraak op bijzonder partnerpensioen op
grond van artikel 68 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling,
zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze
wet, ontstaat als gevolg van een scheiding na de datum van
inwerkingtreding van eerstgenoemd artikel.
4.Indien de scheiding plaatsvindt voor de datum van
inwerkingtreding van artikel 80 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, heeft de pensioenuitvoerder het recht
om overeenkomstig genoemd artikel het bijzonder partnerpensioen af te
kopen, indien de uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis,
getoetst op het tijdstip van de scheiding, minder bedraagt dan het op
grond van artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling,
zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze
wet, vastgestelde bedrag per jaar en de gewezen partner hiermee
instemt.
Artikel 31. Bevoegdheid tot afkoop van fiscaal bovenmatig pensioen
De in artikel 69, derde lid, van de Pensioenwet opgenomen voorwaarden
hebben betrekking op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd na de datum
van inwerkingtreding van het derde lid van genoemd artikel, tenzij in de
pensioenovereenkomst is overeengekomen dat zij tevens betrekking hebben
op de pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor de datum van
inwerkingtreding van het derde lid van genoemd artikel.
Artikel 32. Waardeoverdracht bij wisseling
1. De artikelen 71 tot en met 74 van de Pensioenwet zijn van
toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken, bedoeld in
artikel 71, derde lid, van de Pensioenwet op grond van de
pensioenregeling van een nieuwe werkgever begint na de datum van
inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel.
2. In afwijking van het eerste lid geldt dat wanneer de ontvangende
pensioenuitvoerder de uitvoerder is van een beroepspensioenregeling de
artikelen 71 tot en met 74 van de Pensioenwet van toepassing zijn
wanneer de beëindiging van de dienstbetrekking dan wel de
beëindiging van de deelneming plaatsvindt na de datum van
inwerkingtreding van artikel 71 van de Pensioenwet.
3. Indien op grond van het tweede lid geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat, geldt een bevoegdheid tot waardeoverdracht
mits wordt voldaan aan de in artikel 71, eerste lid, onderdeel a, b en
c en vierde lid, van de Pensioenwet genoemde voorwaarden.
4. De artikelen 82 tot en met 85 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals deze komen te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, zijn van toepassing indien de
verwerving van pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 82, derde
lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te
luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, begint na de
datum van inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel.
5. In afwijking van het vierde lid geldt dat wanneer de ontvangende
pensioenuitvoerder de uitvoerder is van een pensioenregeling de
artikelen 82 tot en met 85 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals deze komen te luiden na
inwerkingtreding van deze wet, van toepassing zijn wanneer de
beëindiging van de deelneming plaatsvindt na de datum van
inwerkingtreding van artikel 82 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet.
6. Indien op grond van het vijfde lid geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat, geldt een bevoegdheid tot waardeoverdracht
mits wordt voldaan aan de in artikel 82, eerste lid, onderdeel a, b en
c en vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet,
genoemde voorwaarden.
Artikel 33. Waardeoverdracht bij andere pensioenovereenkomst met
dezelfde werkgever
De artikelen 76, 77 en 78 van de Pensioenwet zijn van toepassing bij
beëindiging van de deelneming na de datum van inwerkingtreding van
artikel 76 van de Pensioenwet.
Artikel 34. Waardeoverdracht bij bereiken pensioendatum
1.Artikel 80 van de Pensioenwet is van toepassing indien de in het
eerste lid van genoemd artikel bedoelde pensioendatum is gelegen na de
datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 88 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien de in het eerste lid van genoemd artikel
bedoelde pensioendatum is gelegen na de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel.
3.Onder pensioendatum als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt
verstaan: de reguliere pensioendatum.
Artikel 35. Collectieve waardeoverdracht op verzoek
1.Artikel 83 van de Pensioenwet is van toepassing indien het
verzoek van de werkgever, bedoeld in het eerste lid van genoemd
artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd
artikel.
2.Artikel 91 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien het verzoek van de beroepspensioenvereniging,
bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de
datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 36. Collectieve waardeoverdracht bij liquidatie
pensioenuitvoerder
1.Artikel 84 van de Pensioenwet is van toepassing indien een
pensioenuitvoerder wordt ontbonden na de datum van inwerkingtreding
van genoemd artikel.
2.Artikel 92 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien een pensioenuitvoerder wordt ontbonden na de
datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 37. Waardeoverdracht aan een pensioeninstelling of
verzekeraar uit andere lidstaat
1.Artikel 85 van de Pensioenwet is van toepassing wanneer de
dienstbetrekking dan wel de deelneming eindigt na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 93 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing wanneer de deelneming eindigt na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 38. Waardeoverdracht aan Europese Gemeenschap of aangewezen
instelling
1.Artikel 86 van de Pensioenwet is van toepassing indien de
verwerving van pensioenaanspraken bij een van de Europese
Gemeenschappen begint na de datum van inwerkingtreding van genoemd
artikel.
2.Artikel 94 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken bij een van
de Europese Gemeenschappen begint na de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel.
Artikel 39. Waardeoverdracht aan andere instelling
1.Artikel 87 van de Pensioenwet is van toepassing indien een
verzoek, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan
na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 95 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien een verzoek, bedoeld in het eerste lid van
genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel.
Artikel 40. Bevoegdheid waardeoverdracht bij wisseling
1.Artikel 88 van de Pensioenwet is van toepassing indien een
verzoek, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 96 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien een verzoek, bedoeld in genoemd artikel, wordt
gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 41. Bevoegdheid tot waardeoverdracht aan een
pensioeninstelling of verzekeraar uit een andere lidstaat bij bereiken
pensioendatum
1.Artikel 89 van de Pensioenwet is van toepassing indien de in
genoemd artikel bedoelde pensioendatum is gelegen na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 97 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien de in genoemd artikel bedoelde pensioendatum is
gelegen na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
3.Onder pensioendatum als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt
in dit verband verstaan: de reguliere pensioendatum.
Artikel 42. Collectieve waardeoverdracht naar pensioeninstelling of
verzekeraar in een andere lidstaat
1.Artikel 90, eerste lid, van de Pensioenwet is van toepassing
indien het verzoek van de werkgever, bedoeld in genoemd artikel, wordt
gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 98, eerste lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien het verzoek
van de beroepspensioenvereniging, bedoeld in genoemd artikel, wordt
gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 43. Verplichting tot medewerking aan inbreng van waarde
1.Artikel 91 van de Pensioenwet is van toepassing indien een
verzoek, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 99 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien een verzoek, bedoeld in genoemd artikel, wordt
gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
Artikel 43a. Bevoegdheid tot medewerking aan inbreng van waarde
1.Artikel 92 van de Pensioenwet is van toepassing indien een
verzoek, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan
na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.Artikel 100 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is
van toepassing indien een verzoek, bedoeld in het eerste lid van
genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van
genoemd artikel.
Artikel 44. Voorwaardelijke toeslagverlening
1.Artikel 95, tweede lid, van de Pensioenwet is niet van toepassing
op informatieverstrekking die heeft plaatsgevonden voor de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikellid.
2.Artikel 103, tweede lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op
informatieverstrekking die heeft plaatsgevonden voor de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikellid.
Artikel 45. Samenstelling bestuur pensioenfonds
Artikel 99, vierde lid, van de Pensioenwet is van toepassing op
benoemingen na de datum van inwerkingtreding van dat artikellid.
Artikel 45a. Raadpleging pensioengerechtigden
Artikel 100, tweede lid, van de Pensioenwet is niet van toepassing
indien het ondernemingspensioenfonds voor 28 februari 2003 heeft
voorzien in een deelnemersraad of een bestuur waarin vertegenwoordigers
van pensioengerechtigden zitting hebben en het ondernemingspensioenfonds
kan aantonen dat de gerealiseerde medezeggenschapsorm de instemming
heeft van de pensioengerechtigden.
Artikel 46. Statuten
1.Het eerste, tweede en derde lid, van artikel 7 van de Pensioen-
en spaarfondsenwet blijven, in afwijking van artikel 2, van toepassing
tot de datum van inwerkingtreding van artikel 106 van de Pensioenwet.
2.Artikel 56, eerste lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dit luidde op de peildatum, blijft van
toepassing tot de datum van inwerkingtreding van artikel 113 van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de
datum van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 47. Verbod instemmingsrecht
1.Een op de peildatum bestaande bepaling die een instemmingsrecht
inhoudt van een partij, die geen orgaan is van het pensioenfonds,
inzake een besluit of voorgenomen besluit van een pensioenfonds is, in
afwijking van artikel 108 van de Pensioenwet, een jaar na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel nietig.
2.Een op de peildatum bestaande bepaling die een instemmingsrecht
inhoudt van een partij, die geen orgaan is van het
beroepspensioenfonds, inzake een besluit of voorgenomen besluit van
een beroepspensioenfonds is, in afwijking van artikel 112 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de
datum van inwerkingtreding van deze wet, een jaar na de datum van
inwerkingtreding van genoemd artikel nietig.
Artikel 48. Vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds
Indien een werkgever zich uiterlijk op de peildatum heeft aangesloten
bij een bedrijfstakpensioenfonds, blijft deze aansluiting in stand, ook
als niet wordt voldaan aan de in artikel 121 van de Pensioenwet genoemde
voorwaarden.
Artikel 48a. Solvabiliteitsvrijval
De toezichthouder kan op aanvraag van een pensioenfonds of
beroepspensioenfonds dat bij de premievaststelling voor de jaren 2007 en
2008 solvabiliteitsvrijval heeft gebruikt voor premiekorting en dat het
voornemen heeft om ook na 31 december 2008 solvabiliteitsvrijval te
gebruiken voor premiekorting en als gevolg daarvan niet zal voldoen aan
artikel 129, eerste lid, van de Pensioenwet of artikel 124, eerste lid,
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor een periode van
maximaal 5 jaar ontheffing verlenen van artikel 129, eerste lid, van de
Pensioenwet of artikel 124, eerste lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, indien het pensioenfonds of
beroepspensioenfonds aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden
voldaan.
Artikel 48b. Minimaal vereist eigen vermogen
1.Indien een pensioenfonds voor de datum van inwerkingtreding van
artikel 131 van de Pensioenwet is overgegaan tot volledige overdracht,
herverzekering of onderbrenging is instemming van de toezichthouder
nodig met het feit dat het pensioenfonds daarom niet beschikt over een
minimaal vereist eigen vermogen:
a. indien de overeenkomst tot overdracht, herverzekering of
onderbrenging binnen drie jaar na inwerkingtreding van genoemd
artikel gewijzigd of verlengd wordt, uiterlijk binnen die drie
jaar;
b. indien de overeenkomst tot overdracht, herverzekering of
onderbrenging na de in onderdeel a genoemde termijn gewijzigd of
verlengd wordt, zodra de overeenkomst wordt gewijzigd of verlengd,
maar uiterlijk binnen vijf jaar na inwerkingtreding van genoemd
artikel.
2.Indien een beroepspensioenfonds voor de datum van
inwerkingtreding van artikel 126 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, is overgegaan tot volledige overdracht,
herverzekering of onderbrenging is instemming van de toezichthouder
nodig met het feit dat het beroepspensioenfonds daarom niet beschikt
over een minimaal vereist eigen vermogen:
a. indien de overeenkomst tot overdracht, herverzekering of
onderbrenging binnen drie jaar na inwerkingtreding van genoemd
artikel gewijzigd of verlengd wordt, uiterlijk binnen die drie
jaar;
b. indien de overeenkomst tot overdracht, herverzekering of
onderbrenging na de in onderdeel a genoemde termijn gewijzigd of
verlengd wordt, zodra de overeenkomst wordt gewijzigd of verlengd,
maar uiterlijk binnen vijf jaar na inwerkingtreding van genoemd
artikel.
Artikel 49. Eisen ten aanzien van beleggingen
1.Indien een pensioenfonds bijdragen ontvangt van ondernemingen die
zetel hebben in een andere lidstaat dan Nederland geldt voor dat
pensioenfonds artikel 135, eerste lid, onderdeel b, van de
Pensioenwet.
2.Ten aanzien van andere dan de in het eerste lid bedoelde
pensioenfondsen geldt artikel 135, eerste lid, onderdeel b, van de
Pensioenwet tot 23 september 2010 niet en blijft, in afwijking van
artikel 2, tot 23 september 2010 artikel 9b, tweede lid, van de
Pensioen- en spaarfondsenwet van overeenkomstige toepassing.
3.De paragrafen 7.1 en 7.4.1 van de Pensioenwet zijn van
overeenkomstige toepassing op het eerste en tweede lid.
Artikel 49a. Parameters
1.In afwijking van artikel 144 van de Pensioenwet worden de regels,
bedoeld in artikel 144, eerste lid, van die wet, voor de periode 1
januari 2007 tot en met 31 december 2009 vastgesteld bij regeling van
Onze Minister. Deze regeling treedt niet eerder in werking dan vier
weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
2.In afwijking van 139 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling worden de regels, bedoeld in artikel 139,
eerste lid, van die wet, voor de periode 1 januari 2007 tot en met 31
december 2009 vastgesteld bij regeling van Onze Minister. Deze
regeling treedt niet eerder in werking dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
3.De in artikel 144, derde lid, van de Pensioenwet bedoelde
commissie wordt uiterlijk 1 juli 2007 ingesteld. Voordat eventuele
wijzigingen in de in het eerste en tweede lid bedoelde regeling van
Onze Minister worden gedaan, vraagt onze Minister het oordeel van deze
commissie.
Artikel 50. Jaarverslag
1.De in artikel 156, derde lid, van de Pensioenwet opgenomen
verplichting om het jaarverslag gedurende ten minste twee jaren op
elektronische wijze ter inzage te houden geldt vanaf het tijdstip
waarop het jaarverslag overeenkomstig genoemd artikel is opgesteld.
2.De in artikel 151, derde lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, opgenomen verplichting om het
jaarverslag gedurende ten minste twee jaren op elektronische wijze ter
inzage te houden geldt vanaf het tijdstip waarop het jaarverslag
overeenkomstig genoemd artikel is opgesteld.
Artikel 51. Jaarrekening of verantwoording
1.De in artikel 157, zevende lid, van de Pensioenwet opgenomen
verplichting om de jaarrekening of jaarverantwoording gedurende ten
minste twee jaren op elektronische wijze ter inzage te houden geldt
vanaf het tijdstip waarop de jaarrekening of jaarverantwoording
overeenkomstig genoemd artikel is opgesteld.
2.De in artikel 152, zevende lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, opgenomen verplichting om de
jaarrekening of jaarverantwoording gedurende ten minste twee jaren op
elektronische wijze ter inzage te houden geldt vanaf het tijdstip
waarop de jaarrekening of jaarverantwoording overeenkomstig genoemd
artikel is opgesteld.
Artikel 52. Aanwijzing
1.Een aanwijzing die is gegeven met betrekking tot een overtreding
van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en
spaarfondsenwet wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1
van de Pensioenwet aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in
artikel 171 van de Pensioenwet.
2.De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van
artikel 1 van de Pensioenwet, onder toepassing van het op de peildatum
geldende recht, een aanwijzing geven met betrekking tot een, voor de
inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, begane overtreding
van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en
spaarfondsenwet.
3.Een aanwijzing die is gegeven met betrekking tot een overtreding
van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding
van deze wet aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 166
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
4.De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van deze
wet, onder toepassing van het voor de inwerkingtreding van deze wet
geldende recht, een aanwijzing geven met betrekking tot een, voor de
inwerkingtreding van deze wet, begane overtreding van een voorschrift
gesteld bij of krachtens de Wet verplichte beroepspensioenregeling,
zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 53. Curator
1.Een besluit tot benoeming van een of meer personen als curator op
grond van artikel 23l van de Pensioen- en spaarfondsenwet, wordt na de
datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt
als een besluit als bedoeld in artikel 172 van de Pensioenwet.
2.De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van
artikel 1 van de Pensioenwet besluiten een of meer personen als
curator ten aanzien van alle of bepaalde organen van een pensioenfonds
te benoemen nadat door een pensioenfonds binnen de gestelde termijn
niet of niet volledig gevolg is gegeven aan een aanwijzing op grond
van de Pensioen- en spaarfondsenwet.
3.Een besluit tot benoeming van een of meer personen als curator op
grond van artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling,
zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet,
wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een
besluit als bedoeld in artikel 167 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
4.De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van deze
wet besluiten een of meer personen als curator ten aanzien van alle of
bepaalde organen van een beroepspensioenfonds te benoemen nadat door
een beroepspensioenfonds binnen de gestelde termijn niet of niet
volledig gevolg is gegeven aan een aanwijzing op grond van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde voor de datum
van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 54. Bewindvoerder
1.Een bewindvoerder die is aangesteld door de ondernemingskamer van
het gerechtshof te Amsterdam op grond van artikel 23m van de Pensioen-
en spaarfondsenwet wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel
1 van de Pensioenwet aangemerkt als een bewindvoerder die is
aangesteld op grond van artikel 173 van de Pensioenwet.
2.Een bewindvoerder die is aangesteld door de ondernemingskamer van
het gerechtshof te Amsterdam op grond van artikel 83 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, zoals die wet luidde tot de datum
van inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van
inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een bewindvoerder die is
aangesteld op grond van artikel 168 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
Artikel 55. Last onder dwangsom en bestuurlijke boete
1.Een last onder dwangsom die is opgelegd terzake van overtreding
van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en
spaarfondsenwet wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1
van de Pensioenwet aangemerkt als een last onder dwangsom als bedoeld
in artikel 175 van laatstgenoemde wet.
2.Een bestuurlijke boete die is opgelegd terzake van overtreding
van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en
spaarfondsenwet wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1
van de Pensioenwet aangemerkt als een bestuurlijke boete als bedoeld
in artikel 176 van laatstgenoemde wet.
3.De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van
artikel 1 van de Pensioenwet tot drie jaar na de dag waarop een
overtreding is begaan een last onder dwangsom of een boete opleggen
terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens
de Pensioen- en spaarfondsenwet.
4.Een last onder dwangsom die is opgelegd terzake van overtreding
van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding
van deze wet aangemerkt als een last onder dwangsom als bedoeld in
artikel 170 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
5.Een bestuurlijke boete die is opgelegd terzake van overtreding
van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding
van deze wet aangemerkt als een bestuurlijke boete als bedoeld in
artikel 171 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
6.De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van deze
wet tot drie jaar na de dag waarop een overtreding is begaan een last
onder dwangsom of een boete opleggen terzake van overtreding van een
voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals deze luidde voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet.
7.Op het opleggen van een last onder dwangsom of bestuurlijke boete
als bedoeld in het derde en zesde lid blijft het recht van toepassing
dat gold op de peildatum respectievelijk op de datum voor
inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 56. Openbaarmaking
1.De in artikel 188 van de Pensioenwet opgenomen mogelijkheid tot
openbaarmaking en de in artikel 191 opgenomen verplichting tot
openbaarmaking heeft uitsluitend betrekking op feiten die plaatsvinden
na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet.
2.De in artikel 183 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling,
zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze
wet, opgenomen mogelijkheid tot openbaarmaking en de in artikel 186
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te
luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, opgenomen
verplichting tot openbaarmaking heeft uitsluitend betrekking op feiten
die plaatsvinden na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 57. Vergunning
1.Een vergunning als bedoeld in artikel 32i van de Pensioen- en
spaarfondsenwet die is verleend op grond van artikel 32j van de
Pensioen- en spaarfondsenwet, berust vanaf de datum van
inwerkingtreding van de Pensioenwet op artikel 192 van laatstgenoemde
wet.
2.Voorschriften die zijn verbonden en beperkingen die zijn gesteld
aan een vergunning die is verleend op grond van de Pensioen- en
spaarfondsenwet berusten vanaf de datum van inwerkingtreding van
artikel 1 van de Pensioenwet op de Pensioenwet.
Artikel 58. Register
1.Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet vormt het
register, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Pensioen- en
spaarfondsenwet het register, bedoeld in artikel 210 van de
Pensioenwet.
2.Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet vormt het
register, bedoeld in artikel 71a van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dit luidde tot de datum van
inwerkingtreding van deze wet, het register, bedoeld in artikel 204
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidt na
inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 59. Ontheffing
1.Een ontheffing die is verleend van de artikelen 3, 5, eerste lid,
en 8b van de Pensioen- en spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van
de Pensioen- en spaarfondsenwet vervalt een jaar na de datum van
inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet.
2.Een ontheffing die is verleend van artikel 6 van de Pensioen- en
spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen- en
spaarfondsenwet blijft van kracht.
3.Een ontheffing die is verleend van artikel 6a van de Pensioen- en
spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen- en
spaarfondsenwet vervalt een jaar na de datum van inwerkingtreding van
artikel 1 van de Pensioenwet.
4.Een ontheffing die is verleend van artikel 9b, tweede lid, van de
Pensioen- en spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen-
en spaarfondsenwet blijft van kracht tot 23 september 2010, tenzij een
pensioenfonds bijdragen ontvangt van een werkgever uit een andere
lidstaat.
5.Een ontheffing die is verleend van artikel 10b, eerste tot en met
derde lid, van de Pensioen-en spaarfondsenwet op grond van artikel 29
van de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt vanaf de datum van
inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een
ontheffing die is verleend van artikel 147 van de Pensioenwet op grond
van artikel 212 van de Pensioenwet.
6.Een ontheffing die is verleend van artikel 53, eerste lid, van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum
van inwerkingtreding van deze wet, op grond van artikel 84 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet, vervalt een jaar na inwerkingtreding
van deze wet.
7.Een ontheffing die is verleend van artikel 63, eerste tot en met
derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die
luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, op grond van
artikel 84 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die
luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt vanaf de
datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een ontheffing
die is verleend van artikel 142 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden vanaf de datum van
inwerkingtreding van deze wet, op grond van artikel 206 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden vanaf de
datum van inwerkingtreding van deze wet.
8.Voorschriften die zijn verbonden en beperkingen die zijn gesteld
aan een ontheffing die is verleend op grond van de Pensioen- en
spaarfondsenwet respectievelijk de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals deze luidde voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet, berusten vanaf de datum van
inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet respectievelijk
vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet op de Pensioenwet
respectievelijk de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel 60. Strafrechtelijk sanctioneren
In afwijking van artikel 2 blijft ten aanzien van overtredingen van
artikel 32, vierde en vijfde lid, en artikel 32ba van de Pensioen- en
spaarfondsenwet die zijn begaan voor de datum van inwerkingtreding van
artikel 1 van de Pensioenwet, artikel 30 van de Pensioen- en
spaarfondsenwet van toepassing.
Artikel 61. Bevoegde rechter en procedurele bepalingen
Ten aanzien van de op de peildatum bij de rechter aanhangige beroepen
tegen besluiten op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet blijft, in
afwijking van artikel 2, artikel 33a van de Pensioen- en spaarfondsenwet
van toepassing.
Artikel 62. Afschaffen klachtrecht
Een klacht die op grond van artikel 6d van de Pensioen- en
spaarfondsenwet bij De Nederlandsche Bank N.V. is ingediend voor de
datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet wordt door
De Nederlandsche Bank beoordeeld overeenkomstig artikel 6d van de
Pensioen- en spaarfondsenwet.
Artikel 63. Behoud aanspraak op pensioen bij beëindiging deelneming
1.In afwijking van artikel 2 blijven de artikelen 1, eerste lid,
onderdeel g, en 8, tweede, derde en vierde lid, van de Pensioen- en
spaarfondsenwet en artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet
betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals
deze luidden op 31 december 1999, van toepassing ten aanzien van
pensioenuitvoerders die aan die bepalingen voordien toepassing gaven,
en wel in de gevallen en gedurende de termijn die daarvoor al waren
vastgesteld, doch in elk geval niet langer dan gedurende tien jaar na
1 januari 2000 en met dien verstande dat de financiering ingevolge die
bepalingen ten minste in gelijke delen per kalenderjaar plaatsvindt.
2.De Nederlandsche Bank N.V. kan toestaan dat, in afwijking van het
eerste lid, een pensioenuitvoerder gedurende een langere periode dan
daar bedoeld, maar niet langer dan gedurende vijftien jaar, toepassing
geeft aan de daar genoemde bepalingen, voor zover dat noodzakelijk is
ter voorkoming van onaanvaardbare financiële gevolgen voor het
betrokken pensioenfonds of de betrokken werkgever.
3.In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroepen tegen besluiten op grond van het tweede lid de rechtbank
te Rotterdam bevoegd.
4.Paragraaf 7.1 en de artikelen 171 en 172 van de Pensioenwet zijn
van overeenkomstige toepassing op het eerste en tweede lid.
Artikel 64. Uitzondering plicht op waardeoverdracht
uitstelfinancieringsfondsen
1.Indien een overdragend pensioenfonds een pensioenuitvoerder is
als bedoeld in artikel 63 van deze wet, geldt in afwijking van artikel
72, onderdeel a, van de Pensioenwet geen plicht tot waardeoverdracht
indien de financiele toestand van het pensioenfonds dat naar het
oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. niet toelaat.
2.De plicht tot waardeoverdracht van het overdragende pensioenfonds
herleeft overeenkomstig artikel 74 van de Pensioenwet wanneer de
financiele toestand van het pensioenfonds dat naar het oordeel van De
Nederlandsche Bank N.V. op een later tijdstip wel toelaat.
3.Indien een overdragend beroepspensioenfonds een
pensioenuitvoerder is als bedoeld in artikel 214, derde lid, van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de
datum van inwerkingtreding van deze wet, geldt in afwijking van
artikel 83, onderdeel a, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet, geen plicht tot waardeoverdracht indien
de financiele toestand van het beroepspensioenfonds dat naar het
oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. niet toelaat.
4.De plicht tot waardeoverdracht van het overdragende
beroepspensioenfonds herleeft overeenkomstig artikel 85 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de
datum van inwerkingtreding van deze wet, wanneer de financiele
toestand van het beroepspensioenfonds dat naar het oordeel van De
Nederlandsche Bank N.V. op een later tijdstip wel toelaat.
Artikel 65. Pensioen in het kader van het Sociaal Akkoord 2004
1.Een geldelijke, vastgestelde uitkering die op basis van artikel 4
van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 wordt
overeengekomen is geen pensioen als bedoeld in de Pensioenwet of de
Wet verplichte beroepspensioenregeling voor zover deze nog niet is
gefinancierd.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het eerste lid.
3.Na inwerkingtreding van dit artikel berust het Uitvoeringsbesluit
pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 mede op het tweede lid.
Artikel 66. Overgangsrecht in verband met afkoop prepensioen
1.Een pensioenuitvoerder is bevoegd de pensioenaanspraken,
opgebouwd ten behoeve van pensioen in de periode voorafgaand aan de
datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaar
bereikt, af te kopen, mits het verzoek van de deelnemer of gewezen
deelnemer tot afkoop uiterlijk binnen twee maanden na het ontvangen
van de in artikel 17, zesde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet
bedoelde opgave wordt gedaan en mits de afkoopsom:
a. wordt berekend overeenkomstig bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels;
b. wordt aangewend ten behoeve van een levensloopregeling als
bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; en
c. rechtstreeks wordt overgedragen aan de uitvoerder van de
levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de
Wet op de loonbelasting 1964.
2.Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de echtgenoot
ter zake van de pensioenaanspraken een recht op uitbetaling heeft als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet verevening
pensioenrechten bij scheiding.
3.Na de datum van inwerkingtreding van dit artikel berust het
Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 mede op het
eerste lid, onderdeel a, van dit artikel.
Artikel 67. Goede invoering
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de goede
invoering van de Pensioenwet en deze wet regels worden gesteld waarbij
zo nodig kan worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens
voornoemde wet of deze wet.
Hoofdstuk 3. Wijziging van andere wetten
Paragraaf 1. Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Artikel 68. Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
[Wijzigt de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst]
Artikel 69. Wet privatisering FVP
[Wijzigt de Wet privatisering FVP]
Artikel 70. Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
[Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen]
Artikel 70a. Pensioenwet
[Wijzigt de Pensioenwet]
Artikel 71. Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds
2000
[Wijzigt de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds
2000]
Artikel 71a. Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
[Wijzigt de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen]
Artikel 72. Wet verplichte beroepspensioenregeling
[Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling]
Artikel 73. Integrale tekstpublicatie
1.Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de
nummering van de artikelen van de Pensioenwet opnieuw vast en brengt
hij de in de Pensioenwet voorkomende aanhalingen van de artikelen met
de nieuwe nummering in overeenstemming.
2.De tekst van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals
deze komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet, wordt in het
Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze
Minister de nummering van de artikelen opnieuw vast en brengt hij de
in de Wet verplichte beroepspensioenregeling voorkomende aanhalingen
van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming.
3.Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad brengt Onze
Minister de aanhalingen van de artikelen in deze wet van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling en van de Pensioenwet in
overeenstemming met de vastgestelde nummering van die wetten.
Paragraaf 2. Buitenlandse Zaken
Artikel 74. Sanctiewet 1977
[Wijzigt de Sanctiewet 1977]
Paragraaf 3. Justitie
Artikel 75. Burgerlijk Wetboek
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3 en Boek 7]
Artikel 76. Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie]
Artikel 77. Wet op de rechterlijke organisatie
[Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie]
Artikel 78. Wet op het notarisambt
[Wijzigt de Wet op het notarisambt]
Artikel 79. Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
[Wijzigt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding]
Paragraaf 4. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Artikel 80. Wet gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de
Koninklijke Hofhouding
[Wijzigt de Wet gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de
Koninklijke Hofhouding]
Artikel 81. Wet privatisering ABP
[Wijzigt de Wet privatisering ABP]
Paragraaf 5. Financiën
Artikel 82. Comptabiliteitswet 2001
[Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001]
Artikel 83. Fusiewet De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting
Pensioen- & Verzekeringskamer
[Wijzigt de Fusiewet De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting
Pensioen- & Verzekeringskamer]
Artikel 84. Wet identificatie bij dienstverlening
[Wijzigt de Wet identificatie bij dienstverlening]
Artikel 85. Wet op de loonbelasting 1964
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964]
Artikel 85a. Wet inkomstenbelasting 2001
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001]
Artikel 86. Wet op de vennootschapsbelasting 1969
[Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969]
Artikel 87. Wet toezicht effectenverkeer 1995
[Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995]
Artikel 88. Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
[Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993]
Paragraaf 6. Defensie
Artikel 89. Kaderwet militaire pensioenen
[Wijzigt de Kaderwet militaire pensioenen]
Paragraaf 7. Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Artikel 90. Wet op de medische keuringen
[Wijzigt de Wet op de medische keuringen]
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 91. Overgangsbepaling in verband met de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993
Als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of het
bedrijf van schadeverzekeraar wordt niet beschouwd:
a. het sluiten of afwikkelen van levensverzekeringen
onderscheidenlijk schadeverzekeringen voor eigen rekening door
bijdragende ondernemingen in de zin van artikel 1, eerste lid,
onderdeel m, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, zoals deze luidde
voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, of
pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen andere
levensverzekeringen of schadeverzekeringen sluiten of afwikkelen dan
die welke dienen ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in
artikel 19; en
b. het handelen van een ondernemingsspaarfonds in de zin van
artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioen- en
spaarfondsenwet, zoals deze luidde voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet, ter uitvoering van een door een
werkgever getroffen regeling tot sparen voor een uitkering bij wijze
van oudedagsvoorziening zolang sprake is van een spaarfonds als
bedoeld in artikel 5.
Artikel 92. Bepalingen in verband met inwerkingtreding van de Wet op
het financieel toezicht
[Wijzigt de Wet op het financieel toezicht]
Artikel 93. Wijziging Pensioenwet in verband met Wet op het
financieel toezicht
[Wijzigt de Pensioenwet]
Artikel 93a. Wijziging Invoerings- en aanpassingswet Wet op het
financieel toezicht in verband met latere invoering Wet verplichte
beroepspensioenregeling
[Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel
toezicht]
Artikel 94. Wijziging Wet verplichte beroepspensioenregeling in
verband met Wet op het financieel toezicht
[Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling]
Artikel 95. Wijziging Wet verplichte beroepspensioenregeling in
verband met eerdere invoering Wet op het financieel toezicht
[Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling]
Artikel 95a. Bepalingen in verband met inwerkingtreding van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer
[Wijzigt de Pensioenwet]
Artikel 95b. Bepalingen in verband met inwerkingtreding van de Wet
tot wijziging van de Mededingingswet als gevolg van evaluatie van die
wet
[Wijzigt de Mededingingswet]
Artikel 96. Overgangsbepalingen in verband met de Wet op het
financieel toezicht
1.Als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of het
bedrijf van schadeverzekeraar wordt niet beschouwd:
a. het sluiten of afwikkelen van levensverzekeringen
onderscheidenlijk schadeverzekeringen voor eigen rekening door
ondernemingen of pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen
andere levensverzekeringen of schadeverzekeringen sluiten of
afwikkelen dan die welke dienen ter uitvoering van toezeggingen
als bedoeld inartikel 19; en
b. het handelen van een ondernemingsspaarfonds ter uitvoering
van een door een werkgever getroffen regeling tot sparen voor een
uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening zolang sprake is van
een spaarfonds als bedoeld inartikel 5.
2.De Wet op het financieel toezicht is, met uitzondering van het
Algemeen Deel en het Deel Gedragstoezicht financiële markten, niet
van toepassing zolang sprake is van spaarfondsen als bedoeld in
artikel 5 en van:
a. het verlenen van financiële diensten door
ondernemingsspaarfondsen voorzover zij die financiële diensten
verlenen aan de onderneming waarmee zij zijn verbonden; en
b. het beheren van individuele vermogens ten behoeve van
ondernemingsspaarfondsen als bedoeld in onderdeel a of daaraan
gelieerde fondsen door personen die zijn verbonden aan het fonds
waaraan deze financiële dienst wordt verleend.
Artikel 96a. Aanpassing in verband met hernummering Wet op het
financieel toezicht
Onze Minister brengt voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad
de in deze wet voorkomende verwijzingen naar artikelen uit de Wet op het
financieel toezicht in overeenstemming met de op grond van artikel 7:1
van die wet opnieuw vastgestelde nummering.
Artikel 97. Inwerkingtreding
1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Bij de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde tijdstip
van inwerkingtreding kan onderscheid gemaakt worden tussen
pensioenuitvoerders.
Artikel 98. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Invoerings- en aanpassingswet
Pensioenwet.
Lasten en bevelen dat deze in
het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 7 december 2006
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|