In deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder:
a. bijzondere opsporingsdienst: een van de
diensten, bedoeld in artikel 2;
b. opsporingsambtenaar: een ambtenaar van
een bijzondere opsporingsdienst die is aangesteld voor de
uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3;
c. Onze betrokken Minister: Onze minister
onder wie een bijzondere opsporingsdienst ressorteert.
Artikel 2
Er zijn vier bijzondere opsporingsdiensten, te
weten:
a. een bijzondere opsporingsdienst,
ressorterend onder Onze Minister van Financiën;
b. een bijzondere opsporingsdienst,
ressorterend onder Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
c. een bijzondere opsporingsdienst,
ressorterend onder Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
d. een bijzondere opsporingsdienst,
ressorterend onder Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Hoofdstuk II. Taken en bevoegdheden
Artikel 3
Een bijzondere opsporingsdienst is onder gezag
van de officier van justitie belast met:
a. de strafrechtelijke handhaving van de
rechtsorde op de beleidsterreinen waarvoor Onze betrokken
Minister verantwoordelijkheid draagt;
b. de strafrechtelijke handhaving van de
rechtsorde op een beleidsterrein waarvoor een andere minister
dan de onder a. bedoelde, verantwoordelijkheid draagt en die
door die minister in overeenstemming met Onze betrokken Minister
en Onze Minister van Justitie aan die bijzondere
opsporingsdienst is opgedragen;
c. opsporingshandelingen in verband met
strafbare feiten die zijn geconstateerd in het kader van de
taakuitoefening bedoeld onder a. en b., en die met die
taakuitoefening verband houden;
d. de opsporing van andere strafbare
feiten, indien de bijzondere opsporingsdienst daarmee is belast
door de officier van justitie.
Artikel 4
De officier van justitie kan, onverlet de
toepassing van artikel 80, vierde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, de betrokken opsporingsambtenaren de nodige
aanwijzingen geven voor de vervulling van de in artikel 3 bedoelde
taken.
Artikel 5
De opsporingsambtenaar is bevoegd zijn taak
uit te oefenen in het gehele land.
Artikel 6
1. De
opsporingsambtenaar is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van
zijn taak geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel
dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden
gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan
worden bereikt.
2. Aan het
gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.
3. De
opsporingsambtenaar is bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van
personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende
bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van zijn taak,
indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk
gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de
opsporingsambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk
is ter afwending van dit gevaar.
4. De
uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid,
dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te
zijn.
5. Met
overeenkomstige toepassing van artikel 9 van de Politiewet 1993
wordt een ambtsinstructie voor de opsporingsambtenaren vastgesteld.
Artikel 6a
De opsporingsambtenaar is bevoegd tot het
vorderen van inzage in een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel
1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat
redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak.
Hoofdstuk III. Toezicht op de bijzondere
opsporingsdiensten en opsporingsambtenaren
Artikel 7
1. Het College
van procureurs-generaal ziet erop toe dat de bijzondere
opsporingsdiensten de taken, bedoeld in artikel 3, naar behoren
uitvoeren.
2. Het hoofd van
het functioneel parket heeft tot taak erop toe te zien dat:
a. de opsporingsambtenaar beschikt over de
bekwaamheid en betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de
uitoefening van opsporingsbevoegdheden;
b. de opsporingsambtenaar zijn taak op de
juiste wijze uitoefent.
3. Bij algemene
maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Justitie,
worden regels gegeven met betrekking tot de bekwaamheid en
betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van
opsporingsbevoegdheden.
Artikel 8
Het College van procureurs-generaal kan Onze
betrokken Minister adviseren over de uitoefening van de taken van de
bijzondere opsporingsdienst en de feitelijke toepassing van de
opsporingsbevoegdheden door de opsporingsambtenaren.
Hoofdstuk IV. Organisatie en beleid
Artikel 9
1. De
bijzondere opsporingsdienst is als afzonderlijke organisatorische
eenheid geplaatst in de organisatie van het ministerie waartoe
deze behoort.
2. De
aanstelling van het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst, op
voordracht van Onze betrokken Minister, geschiedt na overleg met
Onze Minister van Justitie.
Artikel 10
Onze betrokken Minister en Onze Minister van
Justitie stellen, gehoord het College van procureurs-generaal,
periodiek de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot de
taakuitoefening door de bijzondere opsporingsdiensten vast.
Artikel 11
1. Jaarlijks
stellen Onze betrokken Minister en het College van
procureurs-generaal voor het komende jaar, met inachtneming van de
hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot de taakuitoefening
door de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 10, een
handhavingsarrangement vast, waarin de wederzijdse afspraken over
opsporing en afhandeling van de opsporingsonderzoeken zijn
opgenomen.
2. Onze
betrokken Minister en het College van procureurs-generaal stellen
jaarlijks een jaarverslag vast over de verwezenlijking van de
afspraken in het handhavingsarrangement.
3. Onze
betrokken Minister zendt het jaarverslag na de vaststelling ervan
aan de Staten-Generaal.
Artikel 12
1. Er is een
eenheid binnen de bijzondere opsporingsdienst die, onder gezag van
de officier van justitie, persoonsgegevens verwerkt ten behoeve
van het voorkomen en opsporen van misdrijven die gezien hun ernst,
frequentie of het georganiseerd verband waarin ze worden gepleegd,
een ernstige inbreuk kunnen maken op de rechtsorde op de terreinen
waarop de bijzondere opsporingsdienst een taak heeft als bedoeld
in artikel 3.
2. Bij regeling
van Onze betrokken Minister in overeenstemming met Onze Ministers
van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden
regels gesteld omtrent de werkzaamheden van de eenheid.
Hoofdstuk V. Samenwerking met de politie en
andere diensten
Artikel 13
1. Onze
betrokken Minister, Onze Minister van Justitie en Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen tezamen bij
ministeriële regeling regels geven over de samenwerking tussen de
bijzondere opsporingsdienst en de politie.
2. Onze
betrokken Minister, Onze Minister van Justitie en Onze Minister van
Defensie kunnen tezamen bij ministeriële regeling regels geven over
de samenwerking tussen de bijzondere opsporingsdienst en de
Koninklijke marechaussee.
3. Onze
betrokken Ministers en Onze Minister van Justitie kunnen tezamen bij
ministeriële regeling regels geven over de samenwerking van
bijzondere opsporingsdiensten onderling.
4. Onze
betrokken Ministers en Onze Minister van Justitie, eventueel in
overeenstemming met andere terzake verantwoordelijke ministers
kunnen, op de terreinen waarop de bijzondere opsporingsdiensten een
taak hebben als bedoeld in artikel 3, tezamen bij ministeriële
regeling regels geven over de samenwerking van bijzondere
opsporingsdiensten met toezichthoudende instanties.
Hoofdstuk VI. Behandeling van klachten
Artikel 14
1. Onze
betrokken Minister draagt zorg voor de behandeling van een klacht
over een gedraging van een opsporingsambtenaar. Onze betrokken
Minister stelt nadere regels vast over de behandeling van klachten
over gedragingen van opsporingsambtenaren.
2. In een
ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid, wordt voorzien
in:
a. de instelling van een commissie,
bestaande uit onafhankelijke leden, die overeenkomstig Hoofdstuk
9, afdeling 9.3, van de Algemene wet bestuursrecht, is belast met
de behandeling van klachten en advisering over de afhandeling
daarvan;
b. de registratie van de ingediende klachten
en, indien beschikbaar, de daarop genomen beslissingen, alsmede
c. een jaarlijkse publicatie van de
geregistreerde klachten en beslissingen.
Artikel 15
Tenzij reeds naar tevredenheid van de klager
aan diens klacht tegemoet is gekomen, wordt van de klacht onverwijld
na de ontvangst daarvan afschrift gezonden aan het functioneel
parket. Het hoofd van het functioneel parket wordt in de gelegenheid
gesteld advies over de afhandeling van de klacht uit te brengen.
Artikel 16
In afwijking van artikel 9:11, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht wordt de klacht afgehandeld binnen
veertien weken na de ontvangst van het klaagschrift.
Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Artikel 17
[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering]
Artikel 18
[Wijzigt de Wet op de rechterlijke
organisatie]
Artikel 19
[Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren]
Artikel 20
[Wijzigt de Wet wapens en munitie]
Artikel 21
[Wijzigt de Politiewet 1993]
Artikel 22
Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 23
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de
bijzondere opsporingsdiensten.