Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 30 november 2006 tot instelling
van een Waddenfonds (Wet op het Waddenfonds)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is een begrotingsfonds in te stellen dat strekt ter financiering
van extra investeringen in met name het waddengebied waarmee de duurzame
bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het
behoud van het unieke open landschap beoogd worden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan
gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
waddengebied: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Planologische Kernbeslissing Derde Nota Waddenzee;
Waddenzee: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Planologische Kernbeslissing Derde Nota Waddenzee.
Artikel 2
1. Er is een Waddenfonds, hierna te noemen: het fonds.
2. Het fonds heeft ten doel de subsidiëring van
activiteiten, anders dan reguliere investeringen of beheers- of
onderhoudswerken, die gericht zijn op of bijdragen aan:
a. het vergroten en versterken van de natuur- en
landschapswaarden van het waddengebied;
b. het verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de
natuurlijke rijkdom van de Waddenzee;
c. een duurzame economische ontwikkeling in het waddengebied
dan wel gericht zijn op een substantiële transitie naar een
duurzame energiehuishouding in het waddengebied en de direct
aangrenzende gebieden;
d. het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten
aanzien van het waddengebied.
3. Het fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 9,
eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001.
4. Onze Minister beheert de begroting van het fonds.
Artikel 3
1. De looptijd van het fonds bedraagt twintig jaar.
2. De ontvangsten van het fonds worden toegevoegd vanuit de
begroting van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer tot een bedrag van € 677,6 miljoen.
3. Het saldo van de begroting en de verantwoording van het
fonds in enig jaar is niet nadelig. Het gerealiseerde batig saldo
van de begroting van het fonds in enig jaar wordt als ontvangst
toegevoegd aan de begroting van het fonds in het daaropvolgende
jaar.
4. Jaarlijks wordt in de memorie van toelichting bij het
voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het
fonds een overzicht opgenomen dat inzicht geeft in de mate waarin
het bedrag, genoemd in het tweede lid, aan het fonds is toegevoegd.
Artikel 4
1. Onze Minister kan uit het fonds subsidies verstrekken
ten behoeve van activiteiten die bijdragen aan de verwezenlijking
van de in artikel 2, tweede lid, genoemde doelen, met dien
verstande dat de subsidies ten behoeve van de activiteiten,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, gedurende de
looptijd van het fonds de helft bedragen van het in artikel 3,
tweede lid, genoemde bedrag.
2. Ten laste van het fonds komen voorts de uitvoerings- en
beheerskosten van het fonds op rijksniveau.
Artikel 5
1. Onze Minister stelt voor de looptijd van het fonds een
investeringsplan vast, dat het ontwikkelingsperspectief van het
waddengebied schetst voor de duur van het fonds. Het ontwerp van
het plan wordt voor advies voorgelegd aan de in het waddengebied
bevoegde bestuursorganen van gemeente, provincie en waterschap.
Het plan kan tussentijds worden bijgesteld indien nieuwe inzichten
daartoe aanleiding geven.
2. De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, stellen
steeds voor een periode van vijf jaar een uitvoeringsplan vast, dat
prioritaire thema’s voor investeringen in het waddengebied bevat.
Het plan behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Het plan kan
tussentijds worden bijgesteld indien nieuwe inzichten daartoe
aanleiding geven.
Artikel 6
1. Een subsidieaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard,
indien deze een project betreft:
a. dat kennelijk niet bijdraagt aan de realisatie van de doelen
van het fonds, genoemd in artikel 2, tweede lid;
b. dat niet past binnen het wettelijk kader, met inbegrip van
het investeringsplan;
c. dat niet de bij ministeriële regeling gestelde gegevens
bevat;
d. dat niet voldoet aan de vereiste mate van cofinanciering;
e. dat niet voldoet aan het vereiste drempelbedrag;
f. dat betrekking heeft op reguliere investeringen of beheers-
of onderhoudswerken;
g. waarvan de exploitatie niet kan worden gerealiseerd zonder
blijvende financiering uit het fonds;
h. waarvan de aanvrager niet aannemelijk kan maken dat er
sprake is van marktfalen;
i. dat is ingediend door een niet-solvabele aanvrager.
2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister of
Ministers wie het mede aangaat, het vereiste van cofinanciering
buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing
gelet op de belangen die deze wet beoogt te bevorderen en gelet op
de concrete omstandigheden van het geval, voor de aanvrager een
onredelijke eis zou zijn.
Artikel 7
1. Er is een Adviescommissie Waddenfonds die tot taak heeft
Onze Minister te adviseren over ontvankelijke aanvragen om
subsidie.
2. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee
en ten hoogste zes leden. De leden zijn deskundig op het terrein
waarop de commissie een taak heeft en zijn niet als ambtenaar of
bestuurder met taken in het kader van het waddenbeleid werkzaam bij
een ministerie, provincie, gemeente of waterschap.
3. Onze Minister benoemt de voorzitter en de leden voor een
termijn van vijf jaar op meervoudige voordracht, op te maken door de
in het waddengebied bevoegde bestuursorganen van gemeente, provincie
en waterschap. De leden zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
4. Bij haar advisering over de ontvankelijke
subsidieaanvragen houdt de commissie in elk geval rekening met de
mate waarin:
a. het project past binnen het in het investeringsplan
beschreven ontwikkelingsperspectief;
b. het project bijdraagt aan de prioritaire thema’s,
aangegeven in het uitvoeringsplan;
c. het project bijdraagt aan de verwezenlijking van meer dan
een van de doelen, genoemd in artikel 2, tweede lid;
d. binnen de regio draagvlak bestaat voor de beoogde
activiteiten;
e. wordt voorzien in cofinanciering;
f. de maatschappelijke baten de maatschappelijke lasten
overstijgen;
g. het project als innovatief kan worden gekwalificeerd;
h. het project haalbaar en uitvoerbaar is;
i. het project als doelmatig kan worden gekwalificeerd.
5. Indien het bedrag van voor subsidie in aanmerking komende
aanvragen het beschikbare bedrag overtreft, adviseert de commissie
over de volgorde waarin de subsidie zou moeten worden toegekend.
Artikel 8
1. Onze Minister stelt de in het waddengebied bevoegde
bestuursorganen van rijk, gemeente, provincie en waterschap
alsmede relevante organisaties op het terrein van natuur- en
milieubescherming, kennis en economische belangenbehartiging in de
gelegenheid zich een oordeel te vormen over een advies van de
Adviescommissie Waddenfonds. Dit oordeel wordt ter kennis gebracht
van Onze Minister.
2. Indien een aanvraag tot subsidieverlening betrekking heeft
op een project dat mede betrekking heeft op aspecten die niet vallen
onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van Onze Minister,
wordt een desbetreffende beslissing genomen na overleg met Onze
Minister of Ministers wie het mede aangaat. Dit overleg vindt plaats
na de oordeelsvorming, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9
1. In het belang van een goede uitvoering van deze wet
worden bij ministeriële regeling in elk geval regels gesteld met
betrekking tot:
a. de gegevens die bij een aanvraag tot subsidieverlening en
subsidievaststelling door de aanvrager worden verstrekt;
b. de wijze van subsidieverstrekking;
c. de werkwijze van de commissie, bedoeld in artikel 7, eerste
lid;
d. de criteria, bedoeld in artikel 7, vierde lid.
2. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden
gesteld met betrekking tot:
a. de vaststelling van subsidieplafonds per doelstelling als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, en de toerekening van
activiteiten in een project naar die doelstellingen;
b. cofinanciering als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
onderdeel d;
c. het drempelbedrag, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
onderdeel e;
d. de subsidiabele kosten en de verplichtingen van de
subsidieontvanger.
3. Onze Minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking
tot de wijze waarop voorgenomen activiteiten en verrichte prestaties
zullen worden beoordeeld.
Artikel 10
1. Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens
deze wet aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen zijn
belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 11
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 12
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het Waddenfonds.
Lasten en bevelen dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 30 november 2006
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer,
P. Winsemius
Uitgegeven de achtentwintigste december 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|