Nadere regelgeving:
- Beleidsregels bestuurlijke boete Geneesmiddelenwet
- Besluit Geneesmiddelenwet
- Regeling Geneesmiddelenwet
WET van 8 februari 2007 tot vaststelling
van een nieuwe Geneesmiddelenwet
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de wettelijke regels op het terrein van de
geneesmiddelenvoorziening te moderniseren en met het oog daarop een
nieuwe Geneesmiddelenwet vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen en reikwijdte
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport;
b. geneesmiddel: een substantie of een samenstel van
substanties die bestemd is om te worden toegediend of
aangewend voor dan wel op enigerlei wijze wordt gepresenteerd
als zijnde geschikt voor:
1°. het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek,
wond of pijn bij de mens,
2°. het stellen van een geneeskundige diagnose bij de
mens, of
3°. het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen
van fysiologische functies bij de mens door een
farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te
bewerkstelligen;
b.1. geneesmiddel voor geavanceerde therapie: een
geneesmiddel als bedoeld in artikel 2 van verordening
1394/2007;
c. immunologisch geneesmiddel: een vaccin, toxine, serum of
allergeen;
d. bloedproduct: een uit menselijk bloed of menselijk
plasma bereid geneesmiddel;
e. geneesmiddel voor onderzoek: een geneesmiddel als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder o, van de Wet
medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen;
f. homeopathisch geneesmiddel: een geneesmiddel dat volgens
een homeopathisch fabricageprocédé, beschreven in de
krachtens het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese
farmacopee van 22 juli 1964, Trb.1966, nr. 115, samengestelde
Europese farmacopee of, bij ontstentenis daarvan, in een in
een lidstaat officieel in gebruik zijnde farmacopee, wordt
verkregen uit grondstoffen die in de
homeopathisch-farmaceutische literatuur worden aangeduid als
homeopathische grondstoffen;
g. kruidensubstantie: verse of gedroogde, hele, gesneden of
gebroken planten, delen van planten, algen, fungi en
korstmossen, die zijn gedefinieerd door het gebruikte
plantendeel en de botanische naam volgens het binominale
systeem;
h. kruidenpreparaat: een preparaat dat wordt verkregen door
kruidensubstanties te onderwerpen aan extractie, destillatie,
uitpersen, fractionering, zuivering, concentratie of
fermentatie;
i. kruidengeneesmiddel: een geneesmiddel dat als werkzame
bestanddelen uitsluitend een of meer kruidensubstanties, een
of meer kruidenpreparaten dan wel een combinatie van een of
meer kruidensubstanties en kruidenpreparaten bevat;
j. biologische substantie: een substantie die wordt
geproduceerd door of geëxtraheerd uit een biologische bron en
waarvan de typering en de bepaling van de kwaliteit alleen kan
plaatsvinden aan de hand van een combinatie van
fysisch-chemisch-biologische proeven in samenhang met het
productieprocédé en de beheersing van dat procédé;
k. biologisch geneesmiddel: een geneesmiddel waarvan de
werkzame stof een biologische substantie is;
l. radiofarmaceuticum: een geneesmiddel dat wanneer het
gereed is voor toepassing bij een patiënt, radionucliden
bevat;
m. generator van radionucliden: een systeem dat een
gebonden ouderradionuclide bevat waaruit een
dochterradionuclide ontstaat die in een radiofarmaceuticum
wordt gebruikt;
n. kit: een preparaat dat wordt geconstrueerd of
gecombineerd met radionucliden tot een radiofarmaceuticum;
o. uitgangsstof van radionucliden: een radionuclide,
geproduceerd voor het radioactief labelen van een andere stof,
vóór de toediening ervan;
p. referentiegeneesmiddel: een geneesmiddel waarvoor in een
lidstaat of door de Europese Gemeenschap een handelsvergunning
is verleend en waarnaar bij de aanvraag bij het College om een
handelsvergunning wordt verwezen;
q. generiek geneesmiddel: een geneesmiddel waarvan de
samenstelling van de werkzame stoffen zowel kwalitatief als
kwantitatief dezelfde is als die van het
referentiegeneesmiddel, de farmaceutische vorm dezelfde is als
die van het referentiegeneesmiddel en de biologische
equivalentie met het referentiegeneesmiddel in
wetenschappelijke studies inzake biologische beschikbaarheid
is aangetoond, dan wel naar zijn aard biologisch equivalent is
aan het referentiemiddel;
r. weesgeneesmiddel: een geneesmiddel dat krachtens
Verordening (EG) Nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de
Raad van 16 december 1999 (PbEG L 18) inzake
weesgeneesmiddelen als zodanig is aangewezen;
s. UR-geneesmiddel: een geneesmiddel dat uitsluitend op
recept ter hand mag worden gesteld;
s.1. UA-geneesmiddel: een geneesmiddel dat zonder recept en
uitsluitend in een apotheek ter hand mag worden gesteld;
t. UAD-geneesmiddel: een geneesmiddel dat zonder recept,
doch uitsluitend in een apotheek of een verkoper onder
toezicht van een drogist ter hand mag worden gesteld, niet
zijnde een UA-geneesmiddel;
u. AV-geneesmiddel: een geneesmiddel dat zonder recept ook
buiten een apotheek of een verkoper onder toezicht van een
drogist, ter hand mag worden gesteld;
v. farmaceutische vorm: de fysieke vorm waarin een
geneesmiddel is gebracht met het oog op de toediening of
aanwending bij de mens;
w. naam van een geneesmiddel: een fantasienaam dan wel een
algemene of wetenschappelijke benaming, vergezeld van een merk
of van de naam van de houder van de handelsvergunning;
x. algemene benaming: de door de
wereldgezondheidsorganisatie aanbevolen internationale
benaming of, bij ontstentenis daarvan, de gangbare benaming;
ij. sterkte: het gehalte aan werkzame stoffen, uitgedrukt
in een hoeveelheid per doserings-, volume-of gewichtseenheid;
z. biologische beschikbaarheid: de maat van de snelheid en
de hoeveelheid van een werkzame stof van een geneesmiddel bij
opname in de bloedsomloop;
aa. primaire verpakking: de verpakking die rechtstreeks met
het geneesmiddel in aanraking komt;
bb. buitenverpakking: de verpakking waarin de primaire
verpakking zich bevindt;
cc. lidstaat: een staat die lid is van de Europese Unie of
een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte;
dd. derde land: een land, niet zijnde een lidstaat;
ee. bereiden: het geheel of gedeeltelijk vervaardigen van
geneesmiddelen dan wel het verpakken of etiketteren daarvan;
ff. charge: een hoeveelheid eenheden van een geneesmiddel
in dezelfde farmaceutische vorm of van een gedeeltelijk bereid
geneesmiddel in dezelfde fysieke vorm, die uit één homogene
uitgangsmassa is bereid en dezelfde reeks van
bereidingshandelingen heeft ondergaan;
gg. etiketteren: het aanbrengen van vermeldingen op de
buitenverpakking of op de primaire verpakking;
hh. invoeren: het vanuit een derde land binnen het
grondgebied van Nederland brengen van geneesmiddelen;
ii. afleveren: het anders dan door terhandstelling of
uitvoer leveren van geneesmiddelen;
jj. uitvoeren: het vanuit het grondgebied van Nederland
naar het grondgebied van een derde land brengen van
geneesmiddelen;
kk. het drijven van een groothandel: het geheel van
activiteiten, bestaande uit het inkopen, in voorraad hebben en
afleveren of uitvoeren van door derden bereide of ingevoerde
geneesmiddelen;
ll. ter hand stellen: het rechtstreeks verstrekken of doen
bezorgen van een geneesmiddel aan de patiënt voor wie het
geneesmiddel is bestemd, dan wel aan beroepsbeoefenaren als
bedoeld in artikel 36, veertiende lid, onder a tot en met d,
van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg,
mondhygiënisten orthoptisten of optometristen die
geneesmiddelen onder zich hebben ten behoeve van toediening
aan hun patiënten;
mm. fabrikant: de in Nederland gevestigde natuurlijke
persoon of rechtspersoon aan wie krachtens artikel
18vergunning is verleend voor het bereiden of invoeren van
geneesmiddelen en het afleveren of uitvoeren van door hem
bereide of ingevoerde geneesmiddelen;
nn. groothandelaar: de in Nederland gevestigde natuurlijke
persoon of rechtspersoon aan wie krachtens artikel 18 een
vergunning is verleend voor het drijven van een groothandel;
oo. apotheek: een lokaal of een samenhangend geheel van
lokalen waarin geneesmiddelen worden bereid, ter hand gesteld
en ten behoeve van terhandstelling in voorraad worden
gehouden, dan wel alleen ter hand worden gesteld en daartoe in
voorraad worden gehouden;
pp. recept: een door een met naam en werkadres aangeduide
beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 36, veertiende lid,
van de onder ll genoemde wet dan wel een daartoe in een andere
lidstaat bevoegde beroepsbeoefenaar, opgesteld document waarin
aan een persoon of instantie als bedoeld in artikel 61, eerste
lid, een voorschrift wordt gegeven om een met zijn stofnaam of
merknaam aangeduid geneesmiddel in de aangegeven hoeveelheid,
sterkte en wijze van gebruik ter hand te stellen aan een te
identificeren patiënt, en dat is ondertekend door de
desbetreffende beroepsbeoefenaar dan wel, zonder te zijn
ondertekend, met een zodanige code is beveiligd dat een
daartoe bevoegde persoon of instantie de authenticiteit ervan
kan vaststellen;
qq. onderzoeksdossier: het dossier, bedoeld in artikel 1,
onder p, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met
mensen;
rr. proefpersoon: de persoon, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder c, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek
met mensen;
ss. bijwerking: een reactie op een geneesmiddel die
schadelijk en onbedoeld is en optreedt indien het geneesmiddel
in gebruikelijke doses wordt toegediend aan of aangewend bij
de mens;
tt. ernstige bijwerking: een bijwerking die tot de dood
leidt, levensgevaar oplevert, opneming in een ziekenhuis of
verlenging van het verblijf in een ziekenhuis vereist,
blijvende invaliditeit of arbeidsongeschiktheid veroorzaakt
dan wel zich uit in een geboorteafwijking of -misvorming;
uu. onverwachte bijwerking: een bijwerking waarvan de aard,
de ernst of het gevolg niet verenigbaar is met de samenvatting
van de kenmerken van het geneesmiddel, bedoeld in artikel 46,
eerste lid;
vv. misbruik van geneesmiddelen: een opzettelijk overmatig
gebruik van geneesmiddelen dat gepaard gaat met schadelijke
lichamelijke of psychische effecten;
ww. geneesmiddelenbewaking: het systematisch verzamelen en
beheren van gegevens over bijwerkingen en het gebruik en
misbruik van geneesmiddelen waarvoor een handelsvergunning is
verleend, alsmede het leggen van verbindingen tussen deze
gegevens en de nationale geneesmiddelenconsumptie;
xx. reclame: elke vorm van beïnvloeding met het kennelijke
doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een
geneesmiddel te bevorderen, dan wel het geven van de opdracht
daartoe;
ijij. publieksreclame: reclame voor een geneesmiddel die,
gezien haar inhoud en de wijze waarop zij wordt geuit,
kennelijk ook voor anderen dan beroepsbeoefenaren als bedoeld
in artikel 82, onder a, is bestemd;
zz. gunstbetoon: het in het vooruitzicht stellen, aanbieden
of toekennen van geld of op geld waardeerbare diensten of
goederen met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand
stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen;
aaa. bijeenkomst: een georganiseerde samenkomst van
beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 82, onder a, die
kennelijk uitsluitend tot doel heeft hun wetenschappelijke
kennis en kunde op het gebied van de geneeskunst, de farmacie,
de tandheelkunst, de verloskunst of de verpleegkunde te
bevorderen;
bbb. manifestatie: een georganiseerde samenkomst van
beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 82, onder a, die tot
doel heeft het voorschrijven of ter hand stellen van
geneesmiddelen te bevorderen;
ccc. gastvrijheid: vergoeding van kosten van deelname aan
een bijeenkomst of een manifestatie of in de daaraan verbonden
reis- en verblijfkosten dan wel het niet in rekening brengen
van zodanige kosten;
ddd. telewinkelboodschap: rechtstreekse aanbieding aan het
publiek in een televisieprogramma met het oog op de levering
van een geneesmiddel;
eee. richtlijn 2001/83: Richtlijn 2001/83/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot
vaststelling van een communautair wetboek betreffende
geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEG L 311);
fff. verordening 726/2004:Verordening (EG) nr. 726/2004 van
het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot
vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen
van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor
menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van
een Europees Geneesmiddelenbureau (PbEG L 136);
fff.1. verordening 1394/2007: Verordening (EG) 1394/2007
van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007
betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot
wijziging van Richtlijn 2001/83 en Verordening (EG) nr.
726/2004 (Pb EU L 324);
ggg. Commissie: de Commissie van de Europese
Gemeenschappen;
hhh. Bureau: het Europees Geneesmiddelenbureau, opgericht
krachtens artikel 55 van verordening 726/2004;
iii. Geneesmiddelencomité: het comité voor geneesmiddelen
voor menselijk gebruik, opgericht krachtens artikel 5 van
verordening 726/2004;
jjj. Comité voor kruidengeneesmiddelen: het Comité,
opgericht krachtens artikel 16 nonies van richtlijn 2001/83;
kkk. College: het College ter beoordeling van
geneesmiddelen, ingesteld krachtens artikel 2;
lll. handelsvergunning: een vergunning voor het in het
handelsverkeer brengen van een geneesmiddel;
mmm. parallelhandelsvergunning: een vergunning, verleend
krachtens artikel 48, eerste lid;
nnn. risico, verbonden aan het gebruik van een
geneesmiddel: een risico, verbonden aan de kwaliteit,
veiligheid of werkzaamheid van een geneesmiddel voor de
gezondheid van de patiënt of de volksgezondheid dan wel het
risico van ongewenste effecten op het milieu;
ooo. afweging van voordelen en risico’s: de afweging
tussen de therapeutische werking van een geneesmiddel in
relatie tot een risico als bedoeld in onderdeel nnn;
ppp. Toetredingsacte: de Akte betreffende de
toetredingsvoorwaarden voor Tjechië, Cyprus, Estland,
Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en
Slowakije van 16 april 2003 (PbEG L 236);
qqq. drogist: degene die in het bezit is van een aan hem
uitgereikt getuigschrift voor drogist dat is afgegeven door
een door Onze Minister aangewezen organisatie;
rrr. assistent-drogist: degene die in het bezit is van een
aan hem uitgereikt getuigschrift voor assistent-drogist dat is
afgegeven door de in onderdeel qqq bedoelde organisatie.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet
bepaalde wordt met gunstbetoon gelijk gesteld het doen van een
aanbod om het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een
geneesmiddel te bevorderen met het kennelijke doel daarvoor geld
of op geld waardeerbare diensten of goederen te ontvangen, dan wel
het aanvaarden van zodanige gelden, diensten of goederen na een
aanbod te hebben gedaan het voorschrijven, ter hand stellen of
gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen.
3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet
bepaalde wordt onder ter hand stellen mede verstaan:
a. het op schriftelijke verzoek rechtstreeks verstrekken of
doen bezorgen van geneesmiddelen aan dierenartsen ten behoeve
van de uitoefening van hun praktijk;
b. het op schriftelijk verzoek aan de kapitein van een
schip dat is bestemd en wordt gebruikt voor de bedrijfsmatige
zeevaart of zeevisserij, rechtstreeks verstrekken of doen
bezorgen van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 57 door een
apotheker, dan wel van andere geneesmiddelen dan die bedoeld
in artikel 57 door een apotheker of door een persoon of een
rechtspersoon als bedoeld inartikel 62, eerste lid, onder d,
een en ander voor zover die geneesmiddelen bij ministeriële
regeling zijn aangewezen.
4. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet
bepaalde worden met de werkzame stoffen van een generiek
geneesmiddel gelijkgesteld de zouten, esters, ethers, isomeren,
mengsels van isomeren, complexen of derivaten voor zover de
eigenschappen daarvan niet aanmerkelijk afwijken wat betreft
veiligheid of werkzaamheid van de desbetreffende werkzame stoffen.
5. Voor de toepassing van deze wet wordt onder
kruidengeneesmiddel tevens verstaan een geneesmiddel dat als
werkzame bestanddelen behalve een of meer kruidensubstanties, een
of meer kruidenpreparaten dan wel een combinatie van een of meer
kruidensubstanties en kruidenpreparaten, tevens vitaminen of
mineralen bevat waarvan de veiligheid op grond van voldoende
bewijsstukken gegarandeerd is en de werkzaamheid van de vitaminen
of mineralen de werkzaamheid van de werkzame kruidenbestanddelen
aanvult met betrekking tot de gespecificeerde indicaties.
6. Indien een product, voor zover het zijn kenmerken betreft,
zowel voldoet aan de definitie van geneesmiddel als aan de
definitie van een product in een andere wettelijke regeling, is
deze wet onverminderd van toepassing ten aanzien van dat product.
7. Deze wet is niet van toepassing op bloed, plasma of
bloedcellen van menselijke oorsprong met uitzondering van plasma
dat door middel van een industrieel procédé is bewerkt met het
oog op de bereiding van geneesmiddelen. Deze wet is voorts niet
van toepassing op radionucliden die in de vorm van verzegelde
bronnen worden gebruikt.
Hoofdstuk 2. Het college ter beoordeling van geneesmiddelen
Artikel 2
1. Er is een College ter beoordeling van geneesmiddelen.
2. Het College heeft zijn zetel in een door Onze Minister te
bepalen gemeente.
3. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is op het College
van toepassing.
Artikel 3
Het College bestaat uit ten hoogste zeventien leden, de
voorzitter daaronder begrepen. De leden worden benoemd voor een
periode van ten hoogste vier jaren en zijn herbenoembaar.
Artikel 4
Het College stelt een bestuursreglement vast. Het College maakt
zijn bestuursreglement openbaar.
Artikel 5
1. Het College maakt, met weglating van commercieel
vertrouwelijke gegevens, de agenda’s en de notulen van zijn
vergaderingen openbaar, alsmede zijn besluiten, met inbegrip van
minderheidsstandpunten en bijzonderheden over de stemmingen en
motiveringen.
2. De vergaderingen van het College zijn openbaar voor zover
het daarbij niet gaat om het nemen van beslissingen waarbij
commercieel vertrouwelijke gegevens en bescheiden aan de orde
zijn.
Artikel 6 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 7 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 8
1. Het College wordt ondersteund door een secretariaat, waarvan
de ambtenaren door Onze Minister worden benoemd, geschorst en
ontslagen.
2. De ambtenaren van het secretariaat hebben geen financiële
of andere belangen in de farmaceutische industrie die hun
onpartijdigheid in het gedrang kunnen brengen. Zij verstrekken
jaarlijks een verklaring omtrent hun financiële belangen.
Artikel 9
1. Het College is belast met de volgende taken:
a. het nemen van besluiten met betrekking tot
handelsvergunningen en parallelhandelsvergunningen
overeenkomstig Hoofdstuk 4;
b. het nemen van besluiten met betrekking tot de indeling
van geneesmiddelen overeenkomstigHoofdstuk 5;
c. de geneesmiddelenbewaking overeenkomstig Hoofdstuk 8;
d. het uitvoering geven aan verordeningen van de Raad van
de Europese Unie, van de Raad en het Europees Parlement
gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen
die betrekking hebben op taken die bij of krachtens deze wet
aan het College zijn toebedeeld, alsmede aan beschikkingen van
de Raad of de Commissie die zijn gericht tot het College;
e. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13m, tweede lid,
van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen;
f. in voorkomende gevallen deel uitmaken van de Nederlandse
delegatie bij comités en organen van de Europese Unie;
g. het op verzoek van de ter zake bevoegde autoriteit van
een andere lidstaat beoordelen van een aanvraag om een
vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel;
h. het desgevraagd verstrekken van wetenschappelijk advies
over farmaceutische, preklinische en klinische proeven met
geneesmiddelen aan de fabrikant of onderzoeker die aan het
College het voornemen heeft geuit een handelsvergunning aan te
vragen;
i. het op verzoek van een aangemelde instantie als bedoeld
in artikel 16 van Richtlijn 93/42/EG van de Raad van 14 juni
1993 betreffende medische hulpmiddelen (PbEG L 169) geven van
advies over de kwaliteit, de veiligheid en het nut van een
geneesmiddel dat in een medisch hulpmiddel als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de medische hulpmiddelen als
integrerend bestanddeel is verwerkt;
j. het gevolg geven aan een verzoek van het Bureau om
gegevens, bescheiden of andere vormen van informatie, gedaan
krachtens verordening 726/2004, onderscheidenlijk aan een
verzoek van de bevoegde instantie van een andere lidstaat om
zodanige informatie, gedaan krachtens wetgeving van die
lidstaat waarin het bij of krachtensrichtlijn 2001/83 bepaalde
is omgezet.
2. Voor zover het College bij de werkzaamheden, verbonden aan
de beoordeling van farmaceutisch-chemische, toxicologische of
farmacologische aspecten van de aanvraag om een handelsvergunning,
niet wordt ondersteund door het secretariaat, wordt de
desbetreffende ondersteuning geboden door het Rijksinstituut voor
volksgezondheid en milieu.
Artikel 10
Bij ministeriële regeling worden tarieven vastgesteld ter
dekking van de kosten van de vervulling van de in artikel 9, eerste
lid, onder a, b, c, d, g, h, i en j, bedoelde taken.
Artikel 11 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 12 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 13
Het College verstrekt desgevraagd aan het College voor
zorgverzekeringen, bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet, de inlichtingen die laatstgenoemd college
redelijkerwijs nodig heeft voor het vormen van een oordeel in de
gevallen waarin het door Onze Minister wordt gehoord over een
aanvraag om een geneesmiddel aan te wijzen als behorende tot de
farmaceutische zorg waarop aanspraak bestaat krachtens de wettelijke
sociale ziektekostenverzekeringen.
Artikel 14 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 15 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 16 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 17
Afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing op besluiten van het College waarmee gevolg wordt gegeven
aan een beschikking van de Commissie als bedoeld in artikel 34,
derde lid, van richtlijn 2001/83.
Hoofdstuk 3. De fabrikantenvergunning en de
groothandelsvergunning
§ 1. Algemeen
Artikel 18
1. Het is verboden om zonder vergunning van Onze Minister
geneesmiddelen voor onderzoek te bereiden of in te voeren. Het is
voorts verboden om zonder vergunning van Onze Minister andere
geneesmiddelen dan die bedoeld in de eerste volzin, te bereiden,
in te voeren, af te leveren of uit te voeren dan wel een
groothandel te drijven. Het is tevens verboden om een groothandel
te drijven in geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning is
verleend.
2. Aan een vergunning kunnen, teneinde naleving van de bij of
krachtens deze wet gestelde verplichtingen van de houder van de
vergunning te verzekeren, voorschriften en beperkingen worden
verbonden.
3. Een vergunning voor het bereiden of invoeren van
geneesmiddelen omvat tevens een vergunning voor het afleveren en
uitvoeren van zelf bereide of ingevoerde geneesmiddelen. Onze
Minister zendt een afschrift van een vergunning voor het bereiden
of invoeren aan het Bureau. Onze Minister zendt voorts,
desgevraagd, aan de Commissie of aan een andere lidstaat de
relevante gegevens omtrent een door hem verleende vergunning voor
het drijven van een groothandel.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het verlenen, wijzigen en intrekken van
vergunningen als bedoeld in het eerste lid.
5. Het eerste lid, tweede volzin, is niet van toepassing op het
op kleine schaal bereiden van geneesmiddelen ten behoeve van
terhandstelling in een apotheek door of in opdracht van een
apotheker of van een in artikel 61, eerste lid, onder b, bedoelde
huisarts.
6. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. het invoeren, uitvoeren of anderszins binnen of buiten
het grondgebied van Nederland brengen van geneesmiddelen die
kennelijk zijn bestemd voor eigen gebruik door de persoon die
de desbetreffende geneesmiddelen vervoert;
b. het invoeren van geneesmiddelen door een fabrikant,
groothandelaar of apotheker indien daarvoor op zijn aanvraag
door het Staatstoezicht op de volksgezondheid ontheffing is
verleend teneinde te kunnen voldoen aan een verzoek van een
arts voor een bijzonder in de ontheffing aangegeven doel.
7. Het verbod in het eerste lid, eerste volzin, is niet van
toepassing op bereidingshandelingen met betrekking tot een
geneesmiddel voor onderzoek die voorafgaan aan het gebruik door
patiënten in het kader van een medisch-wetenschappelijk onderzoek
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wet
medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in een instelling
als bedoeld in de Wet toelating zorginstellingen waarbij een
apotheker is betrokken die met het oog op het gebruik door of de
toediening aan proefpersonen de desbetreffende geneesmiddelen voor
onderzoek gereed maakt voor zodanig gebruik of toediening.
Artikel 19
1. Voor de behandeling van een aanvraag om een vergunning als
bedoeld in artikel 18, eerste lid, eerste of tweede volzin, of een
wijziging daarvan is de aanvrager een vergoeding verschuldigd aan
Onze Minister.
2. De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid,
is jaarlijks een vergoeding verschuldigd aan Onze Minister.
3. De hoogte van de vergoedingen, bedoeld in het eerste en
tweede lid, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld en kan
per categorie van vergunningen, wijzigingen van vergunningen
daaronder begrepen, of van geneesmiddelen verschillend worden
vastgesteld. Indien een vergunning geldt voor een periode die
korter is dan 1 jaar, wordt de vergoeding, bedoeld in het tweede
lid, naar evenredigheid op een lager bedrag vastgesteld.
Artikel 20
Behoudens ingeval toepassing is gegeven aan artikel 4:5 van de
Algemene wet bestuursrecht, stelt Onze Minister de aanvrager binnen
90 dagen na de ontvangst van de aanvraag om een vergunning als
bedoeld in artikel 18, eerste lid, eerste of tweede volzin, in
kennis van zijn besluit.
Artikel 21
1. Een vergunning voor het bereiden of invoeren van
geneesmiddelen wordt verleend indien de aanvrager de
desbetreffende gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 25,
heeft overgelegd en heeft aangetoond dat zal worden voldaan aan de
artikelen 27, 28 en29.
2. Een vergunning voor het drijven van een groothandel wordt
verleend indien de aanvrager de gegevens en bescheiden, bedoeld in
artikel 25, heeft overgelegd en heeft aangetoond dat zal worden
voldaan aan de artikelen 36 en37.
Artikel 22
Een vergunning vervalt indien:
a. de rechtspersoon aan wie de vergunning is verleend, wordt
ontbonden, fuseert en niet de verkrijgende rechtspersoon is, of
wordt gesplitst;
b. degene aan wie de vergunning is verleend, Onze Minister
schriftelijk heeft bericht dat hij is opgehouden de
werkzaamheden te verrichten waarvoor de vergunning is verleend.
Artikel 23
1. Een vergunning kan worden ingetrokken indien:
a. de houder van de vergunning een bij of krachtens dit
hoofdstuk gestelde verplichting of een aan de vergunning
verbonden voorschrift of beperking niet naleeft;
b. degene aan wie de vergunning is verleend, naar het
oordeel van Onze Minister is opgehouden de werkzaamheden te
verrichten waarvoor de vergunning was verleend.
2. Een vergunning wordt niet ingetrokken indien aan de
overtreder ter zake van dezelfde gedraging reeds een bestuurlijke
boete is opgelegd.
Artikel 24
1. Indien een vergunning wordt ingetrokken naar aanleiding van
een melding door het bevoegde gezag van een andere lidstaat dat de
houder van een vergunning als bedoeld in artikel 18, eerste lid,
eerste of tweede volzin, een bij of krachtens dit hoofdstuk
gestelde verplichting of een aan de vergunning verbonden
voorschrift of beperking niet naleeft, deelt Onze Minister zodanig
besluit mee aan het bevoegde gezag van de andere lidstaat, aan de
Europese Commissie en aan het Europees Bureau.
2. Indien Onze Minister na zodanige melding besluit geen
maatregelen te treffen ten aanzien van de houder van de
vergunning, worden aan het bevoegde gezag van de andere lidstaat,
de Europese Commissie en het Europees Bureau de redenen van dat
besluit meegedeeld.
Artikel 25
Bij de indiening van een aanvraag om een vergunning voor het
bereiden of invoeren van geneesmiddelen dan wel voor het drijven van
een groothandel worden de volgende bescheiden verstrekt:
a. het desbetreffende daartoe door Onze Minister beschikbaar
te stellen formulier, dat door de aanvrager is ingevuld;
b. de documenten die op het formulier zijn vermeld;
c. een machtiging aan Onze Minister om een vergoeding als
bedoeld in artikel 19, tweede lid, te innen in de gevallen
waarin zodanige vergoeding verschuldigd is.
§ 2. Verplichtingen van de fabrikant
Artikel 26
1. De fabrikant brengt zonder vergunning van Onze Minister geen
wijzigingen aan in feiten of omstandigheden die zijn beschreven in
de door hem verstrekte bescheiden, bedoeld in artikel 25, onder a
of b.
2. Onze Minister stelt de fabrikant zo spoedig mogelijk, doch
uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag om een
vergunning als bedoeld in het eerste lid, in kennis van zijn
besluit. Indien de wijziging betrekking heeft op bedrijfsruimten,
technische uitrusting of controlemogelijkheden, kan die periode
worden verlengd tot 90 dagen.
3. Onze Minister kan op verzoek van de fabrikant een niet in de
in artikel 25 bedoelde bescheiden aangeduid laboratorium aanwijzen
waarin controles als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder b, c
of e, mogen worden uitgevoerd, indien:
a. het laboratorium beschikt over de daarvoor geschikte
lokalen en uitrusting;
b. de controles worden uitgevoerd door of in opdracht van
een persoon die voldoet aan de in artikel 29 bedoelde
vakbekwaamheidseisen.
Artikel 27
1. De fabrikant draagt ervoor zorg dat het bereiden van
geneesmiddelen geschiedt overeenkomstig bij ministeriële regeling
vast te stellen voorschriften inzake goede praktijken bij de
vervaardiging. Hij gebruikt uitsluitend werkzame stoffen als
grondstoffen voor geneesmiddelen of bij de regeling aangewezen
hulpstoffen die overeenkomstig voorschriften als bedoeld in de
eerste volzin zijn bereid.
2. Degene die werkzame stoffen als grondstoffen voor
geneesmiddelen invoert, draagt ervoor zorg dat de werkzame stoffen
in het derde land zijn vervaardigd overeenkomstig voorschriften
die gelijkwaardig zijn aan de op de vervaardiging van grondstoffen
betrekking hebbende voorschriften van de ministeriële regeling,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 28
1. De fabrikant belast een of meer personen met de taak:
a. ervoor zorg te dragen dat de bereiding van
geneesmiddelen geschiedt overeenkomstig de desbetreffende
krachtensartikel 27 gestelde voorschriften;
b. ervoor zorg te dragen dat de bereiding van elke charge
van geneesmiddelen, niet zijnde geneesmiddelen voor onderzoek,
alsmede de kwaliteitscontrole daarop in overeenstemming zijn
met de eisen die daaromtrent in het dossier op grond waarvan
de handelsvergunning wordt verleend, zijn beschreven;
c. in geval van invoer van geneesmiddelen, niet zijnde
geneesmiddelen voor onderzoek: ervoor zorg te dragen dat elke
ingevoerde charge zodanige kwalitatieve en kwantitatieve
analyses, proeven en controles ondergaat, de kwantitatieve
analyses van alle werkzame stoffen daaronder begrepen, dat
gewaarborgd wordt dat de kwaliteit van de geneesmiddelen in
overeenstemming is met de beschrijving daarvan in het dossier
op grond waarvan de handelsvergunning is verleend;
d. indien een charge van geneesmiddelen, niet zijnde
geneesmiddelen voor onderzoek, gereed is voor het in de handel
brengen, aan de hand van het verslag, bedoeld in het tweede
lid, en de bescheiden, bedoeld in artikel 30, eerste lid,
onder a en b, dan wel, in geval van invoer, aan de hand van de
bescheiden, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onder a, een
document te ondertekenen waarin is vastgelegd dat de charge
voldoet aan de onder b onderscheidenlijk de onder c bedoelde
eisen;
e. ervoor zorg te dragen dat de bereiding van elke charge
van geneesmiddelen voor onderzoek alsmede de
kwaliteitscontrole daarop in overeenstemming is met de eisen
die daaromtrent zijn beschreven in de productspecificatie en
in het onderzoeksdossier;
f. indien een charge van geneesmiddelen voor onderzoek is
bereid dan wel ingevoerd, aan de hand van het verslag, bedoeld
in het tweede lid, een document te ondertekenen waarin is
vastgelegd dat de charge voldoet aan de onder e bedoelde
eisen.
2. De fabrikant draagt ervoor zorg dat de personen, bedoeld in
het eerste lid, de taken waarmee zij zijn belast naar behoren
uitoefenen en verslag maken van hun bevindingen bij de uitvoering
daarvan.
3. Indien de fabrikant een natuurlijke persoon is die voldoet
aan de krachtensartikel 29 vastgestelde eisen van vakbekwaamheid
met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde taken
en zelf zodanige taken verricht, is de verplichting om anderen
daarmee te belasten niet van toepassing.
4. De verplichting tot het verrichten van de in het eerste lid,
onder c, bedoelde analyses, proeven en controles geldt niet indien
in het derde land waarin de bereiding van het geneesmiddel heeft
plaatsgevonden, zodanige proeven, analyses en controles zijn
uitgevoerd en er tussen de Europese Gemeenschap en het derde land
een overeenkomst is gesloten, inhoudende dat elk der partijen de
voor de andere partij geldende voorschriften inzake goede
praktijken bij de vervaardiging als gelijkwaardig erkent. Onze
Minister draagt ervoor zorg dat zodanige overeenkomsten in de
Staatscourant bekend worden gemaakt.
5. Het eerste lid, onder d onderscheidenlijk onder f, is niet
van toepassing op de gedeeltelijke bereiding van een geneesmiddel.
6. Charges van bij ministeriële regeling aangewezen
geneesmiddelen die in Nederland zijn bereid dan wel zijn
ingevoerd, worden eerst afgeleverd nadat een bij ministeriële
regeling aangewezen persoon of instantie heeft vastgesteld dat aan
de in het eerste lid, onder b en c, onderscheidenlijk onder e,
bedoelde eisen is voldaan. Bij de regeling worden regels gesteld
ter zake van de gegevens die moeten worden overgelegd om een
onderzoek als bedoeld in de eerste volzin, te kunnen uitvoeren en
ter zake van de vergoeding die voor de uitvoering van zodanig
onderzoek verschuldigd is. De hoogte van de vergoeding kan voor
verschillende categorieën van geneesmiddelen verschillend worden
vastgesteld.
Artikel 29
Degenen die de taken, bedoeld in artikel 28, eerste lid,
verrichten, voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen
met betrekking tot hun vakbekwaamheid.
Artikel 30
1. De fabrikant draagt ervoor zorg dat met betrekking tot elke
charge van geneesmiddelen, niet zijnde geneesmiddelen voor
onderzoek, die hij bereidt:
a. een genummerd protocol wordt bijgehouden waaruit blijkt
dat de bereiding is geschied overeenkomstig de in het dossier
op grond waarvan de handelsvergunning is verleend, beschreven
wijze;
b. genummerde protocollen worden bijgehouden waaruit blijkt
dat alle analyses, proeven en controles op de voor de
bereiding gebruikte bestanddelen en op het geneesmiddel zelf
zijn verricht overeenkomstig de in het dossier op grond
waarvan de handelsvergunning is verleend, beschreven analyse-
en controlemethoden;
c. een zodanige hoeveelheid monsters wordt aangehouden dat
daarmee de kwaliteit van het geneesmiddel en zijn bestanddelen
voldoende kan worden gecontroleerd.
2. De fabrikant draagt ervoor zorg dat hij met betrekking tot
elke charge van geneesmiddelen, niet zijnde geneesmiddelen voor
onderzoek, die hij invoert:
a. in het bezit is van een exemplaar van de protocollen
waaruit blijkt dat de bereiding en de controle daarop in het
derde land is geschied overeenkomstig de eisen die daaromtrent
zijn beschreven in het dossier op grond waarvan de
handelsvergunning is verleend en die zijn opgesteld en
bijgehouden door degene die in het derde land het geneesmiddel
heeft bereid;
b. over voldoende monsters beschikt om analyses, proeven en
controles als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder c, te
kunnen verrichten.
3. De fabrikant die geneesmiddelen, niet zijnde geneesmiddelen
voor onderzoek die in een andere lidstaat zijn bereid of daarin
vanuit een derde land zijn ingevoerd, verpakt en etiketteert, is
in het bezit van een exemplaar van het document, bedoeld in
artikel 28, eerste lid, onder d, en van het verslag van de op de
ingevoerde geneesmiddelen uitgevoerde analyses, proeven en
controles die zijn opgesteld en ondertekend door degene die in de
andere lidstaat is belast met de desbetreffende inartikel 28,
eerste lid, bedoelde taken.
4. De fabrikant draagt ervoor zorg dat hij met betrekking tot
elke charge van geneesmiddelen voor onderzoek die hij invoert, in
het bezit is van een exemplaar van de protocollen waaruit blijkt
dat de bereiding daarvan en de controle daarop in het derde land
is geschied overeenkomstig voorschriften die gelijkwaardig zijn
aan de desbetreffende krachtens artikel 27 vastgestelde
voorschriften, en overigens overeenkomstig de eisen die zijn
beschreven in de productspecificatie en het onderzoeksdossier.
5. Indien een geneesmiddel voor onderzoek dat dient ter
vergelijking en waarvoor reeds een handelsvergunning is verleend,
wordt ingevoerd en de fabrikant ter zake van dat geneesmiddel niet
over documenten beschikt waaruit blijkt dat elke charge is bereid
overeenkomstig voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de
desbetreffende krachtens artikel 27 vastgestelde voorschriften,
draagt de fabrikant ervoor zorg dat de controles, proeven en
analyses worden uitgevoerd die nodig zijn om te waarborgen dat de
kwaliteit van de desbetreffende geneesmiddelen voor onderzoek in
overeenstemming is met de eisen, bedoeld in artikel 28, eerste
lid, onder e.
Artikel 31
1. De fabrikant bewaart het document, bedoeld inartikel 28,
eerste lid, onder d of f, de protocollen, bedoeld inartikel 30,
eerste lid, onder a en b, tweede lid, onder a, en vierde lid,
alsmede het verslag en het document, bedoeld in artikel 30, derde
lid, tot een jaar nadat de termijn waarop de geschiktheid voor
gebruik van de tot de desbetreffende charge behorende
geneesmiddelen is verstreken, doch ten minste vijf jaren, te
rekenen vanaf de datum waarop de desbetreffende bescheiden zijn
opgesteld.
2. De fabrikant bewaart de monsters, bedoeld inartikel 30,
eerste lid, onder c, en tweede lid, onder b, op deugdelijke wijze
en in een zodanige verpakking dat deze niet zonder kenbare
beschadiging kan worden geopend. De fabrikant bewaart voorts de op
de desbetreffende monsters betrekking hebbende protocollen. De
termijn gedurende welke deze monsters en protocollen moeten worden
bewaard, eindigt op de datum waarop de geschiktheid voor het
gebruik van het monster als geneesmiddel eindigt.
Artikel 32
De fabrikant draagt ervoor zorg dat de primaire verpakking dan
wel de buitenverpakking van een zodanige sluiting is voorzien dat
opening van de verpakking leidt tot zichtbare beschadiging daarvan.
Artikel 33
Indien de fabrikant geneesmiddelen aflevert aan degenen die ter
hand stellen, draagt hij ervoor zorg dat deze door middel van het
nummer van de charge waartoe zij behoren, kunnen worden getraceerd
tot en met degenen aan wie hij heeft afgeleverd.
Artikel 34
1. Geneesmiddelen worden door de fabrikant slechts afgeleverd
aan andere fabrikanten, groothandelaren en aan degenen die bevoegd
zijn de desbetreffende geneesmiddelen ter hand te stellen.
2. In afwijking van het eerste lid, worden geneesmiddelen voor
onderzoek door de fabrikant slechts afgeleverd aan:
a. degene die een medisch-wetenschappelijk onderzoek
verricht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de
Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen, en die over
een apotheek beschikt waarin een apotheker werkzaam is;
b. een apotheker die staat ingeschreven in het register van
gevestigde apothekers als bedoeld in artikel 61, vijfde lid,
en die door degene die een onderzoek als bedoeld onder a,
verricht, anders dan op basis van een dienstverband is
betrokken bij dat onderzoek.
§ 3. Verplichtingen van de groothandelaar
Artikel 35
1. De groothandelaar brengt zonder vergunning van Onze Minister
geen wijzigingen aan in de feiten of omstandigheden die zijn
beschreven in de door hem verstrekte bescheiden, bedoeld inartikel
25, onder a en b.
2. In afwijking van artikel 20, stelt Onze Minister de
groothandelaar zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 30 dagen
na ontvangst van de aanvraag om een vergunning voor een wijziging
die geen betrekking heeft op opslag- of distributieruimten, in
kennis van zijn besluit.
Artikel 36
1. De groothandelaar draagt ervoor zorg dat de opslag en de
distributie van geneesmiddelen geschieden overeenkomstig de bij
ministeriële regeling vast te stellen voorschriften inzake goede
distributiepraktijken. Ter uitvoering van deze taak beschikt hij
over een persoon die een daarvoor geaccrediteerde opleiding met
goed gevolg heeft afgerond.
2. De groothandelaar draagt er voorts voor zorg dat hij over
een zodanig assortiment en een zodanige voorraad van
geneesmiddelen beschikt dat hij snel kan voldoen aan de vraag naar
geneesmiddelen van degenen die bevoegd zijn geneesmiddelen ter
hand te stellen.
3. Het eerste lid, tweede volzin, is niet van toepassing indien
de groothandelaar een natuurlijke persoon is die zelf
gekwalificeerd is om de taak, bedoeld in het eerste lid, uit te
voeren en dat ook doet.
Artikel 37
De groothandelaar beschikt over een plan waardoor de
tenuitvoerlegging wordt gewaarborgd van een actie tot het uit de
handel nemen van een geneesmiddel op bevel van het Staatstoezicht op
de volksgezondheid als bedoeld inartikel 115, onder b of op verzoek
van de fabrikant of de houder van de handelsvergunning.
Artikel 38
1. De groothandelaar houdt een administratie bij waarin ter
zake van elke inkoop of verkoop van geneesmiddelen de volgende
gegevens zijn opgenomen:
a. de datum van de desbetreffende inkoop of verkoop;
b. de naam, de sterkte en de verpakkingsgrootte van het
geneesmiddel;
c. de door hem ontvangen en de door hem afgeleverde
hoeveelheid van het geneesmiddel en het daarbij behorende
chargenummer;
d. de naam en het adres van degene aan wie hij het
geneesmiddel heeft afgeleverd en van degene van wie hij het
heeft ontvangen.
2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden ten minste
vijf jaren bewaard, te rekenen vanaf de datum waarop zij zijn
aangetekend.
Artikel 39
1. Geneesmiddelen worden door de groothandelaar slechts
ingekocht bij andere groothandelaren, fabrikanten of degenen die
in een andere lidstaat een vergunning tot het bereiden of invoeren
van geneesmiddelen dan wel tot het drijven van een groothandel
hebben verkregen van de daartoe bevoegde autoriteit.
2. Geneesmiddelen worden door de groothandelaar slechts
afgeleverd aan andere groothandelaren en aan degenen die bevoegd
zijn de desbetreffende geneesmiddelen ter hand te stellen.
3. Bij elke aflevering van geneesmiddelen aan een apotheker of
aan een huisarts als bedoeld in artikel 61, eerste lid, onder b,
worden door de groothandelaar documenten bijgevoegd waarin de
volgende gegevens voorkomen:
a. zijn naam en adres;
b. datum van de aflevering;
c. de naam en de farmaceutische vorm van het geneesmiddel;
d. de geleverde hoeveelheid;
e. de naam en het adres van de betrokken apotheker of
huisarts.
Hoofdstuk 4. De handelsvergunning voor geneesmiddelen
§ 1. De handelsvergunning
Artikel 40
1. Het is verboden een geneesmiddel in het handelsverkeer te
brengen zonder handelsvergunning van de Europese Gemeenschap,
verleend krachtens verordening 726/2004 dan wel krachtens die
verordening juncto verordening 1394/2007, of van het College,
verleend krachtens dit hoofdstuk.
2. Het is verboden een geneesmiddel waarvoor geen
handelsvergunning geldt, in voorraad te hebben, te verkopen, af te
leveren, ter hand te stellen, in te voeren of anderszins binnen of
buiten het Nederlands grondgebied te brengen.
3. Een verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid is niet
van toepassing:
a. op geneesmiddelen die door of in opdracht van een
apotheker of een huisarts als bedoeld in artikel 61, eerste
lid, onder b, in diens apotheek op kleine schaal zijn bereid
en ter hand worden gesteld;
b. op geneesmiddelen voor onderzoek;
c. op geneesmiddelen die, na vooraf verkregen toestemming
door het Staatstoezicht op de volksgezondheid, en
overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen
regels worden afgeleverd naar aanleiding van een bestelling op
initiatief van een arts, die bestemd zijn voor gebruik door
individuele patiënten van die arts onder zijn toezicht en die
hetzij zijn bereid volgens zijn specificaties, hetzij in een
andere lidstaat of een derde land in de handel zijn en op zijn
verzoek zijn ingevoerd of anderszins binnen het grondgebied
van Nederland zijn gebracht;
d. op geneesmiddelen voor geavanceerde therapie die met
toestemming van het Staatstoezicht op de volksgezondheid
worden bereid volgens een recept voor een op bestelling
gemaakt geneesmiddel dat voor een bepaalde patiënt op niet
routinematige basis volgens specifieke kwaliteitsnormen en
binnen dezelfde lidstaat in een ziekenhuis wordt gebruikt
onder de exclusieve professionele verantwoordelijkheid van een
arts;
e. indien voor het geneesmiddel door het College een
parallelhandelsvergunning als bedoeld in artikel 48 is
verleend;
f. indien het een geneesmiddel betreft waarvoor hetzij een
aanvraag om een handelsvergunning bij het Bureau is ingediend,
hetzij waarmee nog klinische proeven gaande zijn en dat
overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden beschikbaar is gesteld voor gebruik in schrijnende
gevallen als bedoeld in artikel 83 van verordening 726/2004;
g. indien door Onze Minister ontheffing is verleend aan een
in de ontheffing aangeduide natuurlijke persoon of
rechtspersoon voor het in het handelsverkeer brengen van een
geneesmiddel teneinde de verspreiding van een door Onze
Minister in de ontheffing aangewezen ziekteverwekker, gifstof,
chemische agens of nucleaire straling die schadelijk kan zijn
voor de volksgezondheid, tegen te gaan gedurende een in de
ontheffing omschreven periode;
h. indien het een geneesmiddel betreft dat wordt ingevoerd
of uitgevoerd door een fabrikant of uit een andere lidstaat is
betrokken door een groothandelaar.
4. Het is voorts verboden om generatoren van radionucliden,
kits, uitgangsstoffen voor radiofarmaceutica en industrieel
bereide radiofarmaceutica in het handelsverkeer te brengen zonder
handelsvergunning.
5. Indien een geneesmiddel onder dezelfde benaming in meer dan
één farmaceutische vorm of in verschillende kwantitatieve
samenstellingen in de handel zal worden gebracht, is voor elke
vorm en samenstelling een afzonderlijke vergunning vereist.
Zodanige afzonderlijk verleende vergunningen maken voor de
toepassing van deze wet, met uitzondering van artikel 54, deel uit
van de voor het geneesmiddel verleende handelsvergunning.
6. Indien een geneesmiddel in de handel zal worden gebracht in
een farmaceutische vorm die moet worden samengevoegd met een
vloeistof en op de verpakking of in de bijsluiter voor aanwending
of gebruik verschillende concentraties worden opgegeven die
kwalitatief verschillende werkingen hebben, is voor elke
concentratie een afzonderlijke vergunning vereist.
7. Het is verboden met betrekking tot geneesmiddelen waarvoor
door de Gemeenschap een handelsvergunning is verleend, te handelen
in strijd met artikel 16, eerste of tweede lid, 23 of 24, eerste,
tweede, derde of vijfde lid, eerste en tweede alinea, van
verordening 726/2004.
8. Het Staatstoezicht ziet erop toe dat bij de bereiding van
een geneesmiddel voor geavanceerde therapie als bedoeld in het
derde lid, onder d, de eisen ter zake van de traceerbaarheid, de
geneesmiddelenbewaking en de kwaliteit van het middel
gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor de bereiding van
geneesmiddelen voor geavanceerde therapieën waarvoor een
vergunning voor het in de handel brengen is vereist op grond van
verordening 726/2004.
Artikel 41
1. Onverminderd het tweede lid, kan, met uitzondering van de
Staat der Nederlanden, niemand aansprakelijk worden gesteld voor
de schade aan de gezondheid van een persoon indien Onze Minister
het gebruik van een geneesmiddel voor een indicatie die niet is
opgenomen in het dossier op grond waarvan de handelsvergunning is
verleend, dan wel van een geneesmiddel waarvoor geen
handelsvergunning geldt, heeft aanbevolen of daarom dringend heeft
verzocht, teneinde een vermeende of geconstateerde verspreiding
van een ziekteverwekker, gifstof, chemisch agens of nucleaire
straling die schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid, tegen te
gaan.
2. De Staat de Nederlanden is niet aansprakelijk voor de schade
van het gebruik van een geneesmiddel op de voet van het bepaalde
in het eerste lid, voor zover er voor het desbetreffende
geneesmiddel aansprakelijkheid geldt in de zin van de artikelen
185 tot en met 193 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 42
1. De handelsvergunning wordt door het College slechts verleend
op aanvraag van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in
Nederland of in een andere lidstaat is gevestigd.
2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens en
bescheiden bij de aanvraag worden overgelegd en welke van die
gegevens en bescheiden worden opgesteld en ondertekend door bij de
regeling te bepalen deskundigen. In de regeling kan ter zake van
de over te leggen gegevens en bescheiden onderscheid worden
gemaakt tussen categorieën van geneesmiddelen. Farmaceutische,
preklinische en klinische informatie maakt deel uit van de over te
leggen gegevens en bescheiden.
3. De aanvrager is niet gehouden preklinische en klinische
gegevens over te leggen indien de aanvraag betrekking heeft op
homeopathische geneesmiddelen die voldoen aan de volgende
voorwaarden:
a. het middel is voor oraal of uitwendig gebruik bestemd,
b. noch in of op de verpakking ervan noch in de bijsluiter
wordt melding gemaakt van enige therapeutische indicatie, en
c. de verdunningsgraad is zodanig dat het middel
gegarandeerd onschadelijk is en in elk geval niet meer bevat
dan één deel per 10 000 van de oertinctuur dan wel één
honderdste van de kleinste in de allopathische geneeskunde
gebruikte dosis werkzame stoffen die in een UR-geneesmiddel
aanwezig is.
4. Onverminderd het tweede lid, kunnen bij ministeriële
regeling ten aanzien van andere homeopathische geneesmiddelen dan
die bedoeld in het derde lid, bijzondere voorschriften worden
gegeven met betrekking tot het overleggen van preklinische en
klinische gegevens en bescheiden.
5. Onverminderd het recht met betrekking tot de bescherming van
de industriële en commerciële eigendom, is de aanvrager niet
gehouden de resultaten van preklinische en klinische proeven over
te leggen indien:
a. hij aantoont dat het geneesmiddel waarop de aanvraag
betrekking heeft generiek is ten opzichte van een
referentiegeneesmiddel waarvoor ten minste acht jaren voor de
datum van de aanvraag een handelsvergunning is verleend in de
Gemeenschap,
b. hij met behulp van passende wetenschappelijke literatuur
aantoont dat de werkzame stoffen van het geneesmiddel waarop
de aanvraag betrekking heeft, reeds ten minste tien jaren in
de Gemeenschap in de medische praktijk worden gebruikt en een
wetenschappelijk erkende werkzaamheid alsmede een aanvaardbaar
veiligheidsniveau bieden overeenkomstig de voorwaarden van
bijlage 1 bij richtlijn 2001/83, of
c. het een aanvraag betreft voor een geneesmiddel met
dezelfde kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling aan
werkzame stoffen en met dezelfde farmaceutische vorm als het
referentiegeneesmiddel en de aanvrager met toestemming van de
houder van de handelsvergunning voor het
referentiegeneesmiddel gebruik maakt van de in het dossier op
grond waarvan de handelsvergunning is verleend, opgenomen
farmaceutische, preklinische en klinische documentatie.
6. Indien de aanvraag een geneesmiddel betreft:
a. dat niet voldoet aan de definitie van generiek
geneesmiddel,
b. waarvan de biologische equivalentie niet door middel van
wetenschappelijke studies inzake biologische beschikbaarheid
kan worden aangetoond,
c. waarvan de concentratie, de farmaceutische vorm of de
wijze van toediening ten opzichte van die van het
referentiegeneesmiddel wordt gewijzigd, of
d. waarvan werkzame stoffen of therapeutische indicaties
worden gewijzigd ten opzichte van het referentiegeneesmiddel,
kan de aanvrager van de handelsvergunning wat betreft
preklinische en klinische gegevens en bescheiden volstaan met het
overleggen van de resultaten van preklinische of klinische proeven
waarmee het verschil met die welke voor het desbetreffende
referentiegeneesmiddel zijn overgelegd, wordt overbrugd.
7. Indien in de aanvraag om een handelsvergunning het
referentiegeneesmiddel een biologisch geneesmiddel is en het
geneesmiddel waarvoor de handelsvergunning wordt aangevraagd
biologisch equivalent is aan het referentiegeneesmiddel, maar niet
op dezelfde manier is bereid als het referentiegeneesmiddel dan
wel daarin niet dezelfde grondstoffen worden gebruikt, is de
aanvrager gehouden de resultaten van preklinische en klinische
proeven met betrekking tot de desbetreffende aspecten waarin het
geneesmiddel verschilt met het referentiegeneesmiddel, over te
leggen. Deze aanvullende gegevens dienen wat betreft aantal en
aard te voldoen aan de desbetreffende criteria, bedoeld in bijlage
1 bij richtlijn 2001/83 en aan de desbetreffende krachtens die
richtlijn door de Commissie vastgestelde richtsnoeren.
8. Onverminderd het recht met betrekking tot de bescherming van
de industriële en commerciële eigendom, is de aanvrager niet
gehouden klinische en preklinische gegevens over te leggen indien
de aanvraag betrekking heeft op een kruidengeneesmiddel dat
voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. het middel heeft indicaties die uitsluitend passen bij
een kruidengeneesmiddel dat uit hoofde van zijn samenstelling
en doelstelling bedoeld en ontworpen is als geneesmiddel dat
is bedoeld en ontworpen voor gebruik zonder tussenkomst van
een arts,
b. het middel is uitsluitend bestemd om in een
gespecificeerde concentratie en dosering te worden toegediend,
c. het is een middel voor oraal of uitwendig gebruik dan
wel voor inhalatie,
d. het middel dan wel een daaraan gelijkwaardig of daarmee
vergelijkbaar middel is gedurende ten minste dertig jaren voor
de datum van de aanvraag om een handelsvergunning in de
medische praktijk gebruikt, waarvan ten minste vijftien jaren
in de Gemeenschap,
e. er zijn voldoende gegevens beschikbaar die aantonen dat
het middel een traditioneel gebruik kent en onschadelijk is,
en
f. door het langdurige gebruik en de ervaringen die daarmee
zijn opgedaan is het aannemelijk dat het middel een
farmacologisch effect heeft of anderszins werkzaam is.
9. Indien een geneesmiddel werkzame stoffen bevat die zijn
opgenomen in geneesmiddelen waarvoor reeds een handelsvergunning
is verleend, maar die niet eerder met therapeutisch oogmerk in
één geneesmiddel zijn samengevoegd, worden bij de aanvraag om
een handelsvergunning de resultaten van de nieuwe preklinische of
klinische proeven met betrekking tot de samenvoeging overgelegd.
Het overleggen van de documentatie betreffende de werkzame stoffen
afzonderlijk kan achterwege blijven.
Artikel 43
1. Het College zendt, na ontvangst van een verzoek van de
bevoegde autoriteit van een andere lidstaat bij wie een aanvraag
om een handelsvergunning voor een generiek geneesmiddel is
ingediend, binnen een maand een bericht van bevestiging indien
voor het in het verzoek vermelde referentiegeneesmiddel in
Nederland een handelsvergunning is verleend, vergezeld van de
samenstelling van het referentiegeneesmiddel en andere gegevens
die door het College van belang worden geacht.
2. Een geneesmiddel waarvoor met toepassing van artikel 42,
vijfde lid, onder a, zesde en zevende lid, een handelsvergunning
is verleend, wordt niet in het handelsverkeer gebracht voor het
verstrijken van een periode van tien jaren volgend op de datum
waarop de handelsvergunning voor het referentiegeneesmiddel is
verleend. Deze periode van bescherming voor het
referentiegeneesmiddel wordt verlengd tot ten hoogste elf jaren
indien de handelsvergunning voor het referentiegeneesmiddel:
a. binnen een periode van acht jaren nadat zij is verleend,
bij beslissing van het College, de bevoegde autoriteit van een
andere lidstaat dan wel de Europese Commissie, wordt
uitgebreid met een nieuwe indicatie die kan worden beschouwd
als een belangrijk klinisch voordeel ten opzichte van
bestaande indicaties, dan wel
b. bij beslissing van het College, de bevoegde autoriteit
van een andere lidstaat dan wel de Europese Commissie wordt
uitgebreid met een nieuwe indicatie voor een bekende stof en
met betrekking tot de nieuwe indicatie de noodzakelijke
preklinische en klinische proeven zijn uitgevoerd.
Artikel 44
1. Het College bevestigt de ontvangst van een aanvraag om een
handelsvergunning of van een aanvulling daarop als bedoeld in
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, schriftelijk binnen
een week.
2. Het College neemt binnen 210 dagen na ontvangst van een
aanvraag een besluit of een handelsvergunning wordt verleend. Deze
termijn wordt opgeschort gedurende een door het College gestelde
termijn waarbinnen de aanvrager de gelegenheid heeft door het
College verlangde aanvullende gegevens over te leggen.
3. Bij ministeriële regeling worden, met het oog op de
volgtijdelijke of de gelijktijdige verlening van een
handelsvergunning voor hetzelfde geneesmiddel in meer dan één
lidstaat, regels gesteld met betrekking tot de door de aanvrager
en het College te volgen procedure. De termijn van 210 dagen,
bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing.
4. Indien bij het College een aanvraag om een handelsvergunning
is ingediend en het College constateert dat in een andere lidstaat
reeds een aanvraag om een handelsvergunning voor hetzelfde
geneesmiddel in behandeling is, staakt hij de behandeling en deelt
de aanvrager mede dat de procedure, bedoeld in het derde lid, van
toepassing is.
5. Indien de aanvraag een geneesmiddel betreft waarvoor in een
andere lidstaat reeds een handelsvergunning is verleend en de
aanvraag niet overeenkomstig de procedure, bedoeld in het derde
lid, is ingediend, wijst het College de aanvraag af.
6. Het College maakt bij het Comité de arbitrageprocedure,
bedoeld in de artikelen 32, 33 en 34 van richtlijn 2001/83,
aanhangig:
a. indien voor hetzelfde geneesmiddel in verschillende
lidstaten aanvragen om een handelsvergunning zijn ingediend en
de betrokken bevoegde instanties op de aanvragen
onderscheidenlijk met betrekking tot de op de aanvragen
verleende vergunning onderling afwijkende besluiten hebben
genomen omtrent het verlenen onderscheidenlijk het schorsen of
intrekken van de handelsvergunning;
b. in bijzondere gevallen, wanneer de belangen van de
Gemeenschap in het geding zijn en in de Coördinatiegroep,
bedoeld in artikel 27 van richtlijn 2001/83, geen
overeenstemming is bereikt, voordat het College een besluit
neemt over het verlenen, schorsen of intrekken van een
handelsvergunning;
c. artikel 36 van richtlijn 2001/83 van toepassing is.
7. De aanvrager of houder van een handelsvergunning kan
eveneens de arbitrageprocedure, bedoeld in zesde lid, aanhangig
maken indien hij van oordeel is dat ten aanzien van het
geneesmiddel waarvoor die handelsvergunning is verleend een
situatie als bedoeld in dat lid van toepassing is.
8. Binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van
de Commissie in de arbitrageprocedure geeft het College aan die
beslissing uitvoering. Het College stelt de Commissie en het
Bureau hiervan in kennis.
Artikel 45
1. Het College verleent een handelsvergunning voor een
geneesmiddel, niet zijnde een kruidengeneesmiddel als bedoeld in
artikel 42, achtste lid, indien na onderzoek van de overgelegde
gegevens en bescheiden blijkt dat:
a. de afweging van voordelen en risico’s gunstig uitvalt,
b. het geneesmiddel de gestelde therapeutische werking
bezit,
c. het geneesmiddel de opgegeven kwalitatieve en
kwantitatieve samenstelling bezit, en
d. de tot staving van de aanvraag verstrekte gegevens of
bescheiden in overeenstemming zijn met het bij of krachtens
deze wet ter zake bepaalde.
2. Het College verleent een handelsvergunning voor een
kruidengeneesmiddel als bedoeld in artikel 42, achtste lid,–
hierna te noemen handelsvergunning voor een traditioneel
kruidengeneesmiddel – indien na onderzoek blijkt dat:
a. aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 42, achtste lid,
is voldaan,
b. het middel in normale gebruiksomstandigheden
onschadelijk is,
c. het middel farmacologische effecten of een werkzaamheid
heeft,
d. de farmaceutische kwaliteit afdoende is aangetoond en
e. het middel geen homeopathisch geneesmiddel als bedoeld
in artikel 42, derde lid, betreft.
3. De aanvrager of houder van een handelsvergunning is
verantwoordelijk voor de juistheid van de ingediende gegevens en
bescheiden.
4. In uitzonderlijke omstandigheden kan het College, na overleg
met de aanvrager, een handelsvergunning verlenen mits de aanvrager
aan voorwaarden voldoet wat betreft de veiligheid van het
geneesmiddel, de melding aan het College van elk met het gebruik
verband houdende ongunstige gebeurtenis en de te treffen
maatregelen. Deze vergunning is gebaseerd op een van gronden,
beschreven in bijlage 1 bij richtlijn 2001/83. De voorwaarden
betreffen de veiligheid van het geneesmiddel, de melding van elk
met het gebruik verband houdend incident aan het College, alsmede
de dan te treffen maatregelen. Deze voorwaarden worden, tezamen
met de termijnen en de data waarop aan deze voorwaarden moet zijn
voldaan, onverwijld door het College voor het publiek toegankelijk
gemaakt.
5. De verlenging van een handelsvergunning als bedoeld in het
vierde lid, wordt gekoppeld aan een jaarlijkse herbeoordeling van
de voorwaarden waaronder zij is verleend.
6. Het College betrekt in zijn beoordeling van een aanvraag om
een handelsvergunning voor een traditioneel kruidengeneesmiddel
door het Comité voor kruidengeneesmiddelen opgestelde
communautaire kruidenmonografieën en, zonodig,
handelsvergunningen of soortgelijke vergunningen die in een andere
lidstaat zijn verleend.
7. Het College stelt de Commissie alsmede de bevoegde
autoriteit van een andere lidstaat die daarom verzoekt, in kennis
van een door hem genomen beslissing tot weigering van een
handelsvergunning voor een traditioneel kruidengeneesmiddel.
Artikel 46
1. Het besluit van het College tot het verlenen van de
handelsvergunning bevat tevens het besluit dat de samenvatting van
de kenmerken van het geneesmiddel is goedgekeurd.
2. Het College maakt zo spoedig mogelijk de handelsvergunning
alsmede de samenvatting van de kenmerken van het geneesmiddel
toegankelijk voor het publiek.
3. Het College stelt een rapport op met een beoordeling van en
opmerkingen over het dossier voor zover het de resultaten van de
farmaceutische, preklinische en klinische proeven met het
desbetreffende geneesmiddel betreft. Dit beoordelingsrapport wordt
bijgewerkt zodra er nieuwe gegevens beschikbaar komen die voor de
beoordeling van de kwaliteit, de veiligheid en de werkzaamheid van
het geneesmiddel van belang zijn.
4. Het College maakt het beoordelingsrapport onverwijld
toegankelijk voor het publiek, inclusief de motieven van zijn
besluit en met weglating van alle commercieel vertrouwelijke
gegevens. De motivering wordt voor iedere aangevraagde indicatie
afzonderlijk aangegeven.
5. Het College brengt zijn besluiten, strekkende tot het
verlenen, weigeren, schorsen of intrekken van een
handelsvergunning of tot het vernietigen van een besluit tot
weigering of intrekking van een handelsvergunning, terstond ter
kennis van het Bureau. De kennisgeving van een besluit, strekkende
tot het verlenen van een handelsvergunning, gaat vergezeld van de
samenvatting van de kenmerken van het geneesmiddel.
6. Het College maakt zijn besluiten, strekkende tot het
weigeren, schorsen of intrekken van een handelsvergunning,
toegankelijk voor het publiek, met weglating van alle commercieel
vertrouwelijke informatie. Het College maakt voorts de intrekking
van een aanvraag om een handelsvergunning of om een uitbreiding
van die vergunning met een nieuwe indicatie op een voor het
publiek toegankelijke manier bekend, met weglating van alle
commercieel vertrouwelijke informatie.
Artikel 47
1. Een handelsvergunning is vijf jaren geldig, onverminderd het
derde en het vierde lid.
2. De houder van de handelsvergunning legt ten minste zes
maanden voordat de vergunning haar geldigheid verliest, aan het
College een versie van het dossier over dat betrekking heeft op de
kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid van het geneesmiddel,
waaronder begrepen de wijzigingen die ter zake van die aspecten
zijn aangebracht sinds de verlening van de handelsvergunning.
3. Na afweging van de voordelen en risico’s kan het College
de handelsvergunning voor onbepaalde tijd verlengen dan wel, in
verband met de geneesmiddelenbewaking, éénmaal voor vijf jaar.
4. Indien een geneesmiddel gedurende drie opeenvolgende jaren
niet daadwerkelijk in de handel is gebracht of is geweest, vervalt
de desbetreffende handelsvergunning. In uitzonderlijke
omstandigheden kan het College, om redenen van volksgezondheid, de
handelsvergunning in stand laten.
Artikel 48
1. Het College verleent, op aanvraag, binnen vijfenveertig
dagen een parallelhandelsvergunning indien het geneesmiddel waarop
de aanvraag betrekking heeft, is betrokken uit een andere lidstaat
en gelijk of nagenoeg gelijk is aan een referentiegeneesmiddel
waarvoor het College een handelsvergunning heeft verleend.
2. Een parallelhandelsvergunning geldt voor dezelfde
indicaties, contra-indicaties, bijwerkingen, dosering, wijze van
gebruik en van toediening als die van het referentiegeneesmiddel.
Het overeenkomstigartikel 46, eerste lid, genomen besluit tot
goedkeuring van de samenvatting van de kenmerken van het
referentiegeneesmiddel, is tevens van toepassing op het
geneesmiddel waarvoor de desbetreffende parallelhandelsvergunning
is verleend.
3. Het College schorst een parallelhandelsvergunning zolang de
handelsvergunning voor het referentiegeneesmiddel is geschorst.
4. Het College trekt een parallelhandelsvergunning in zodra de
handelsvergunning voor het referentiegeneesmiddel anders dan op
verzoek van de houder daarvan wordt ingetrokken dan wel van
rechtswege vervalt.
5. De houder van een parallelhandelsvergunning stelt de houder
van de handelsvergunning voor het referentiegeneesmiddel
onverwijld ervan in kennis dat hem door het College een
parallelhandelsvergunning is verleend.
6. Na intrekking van de handelsvergunning voor het
referentiegeneesmiddel op verzoek van de houder daarvan blijft de
parallelhandelsvergunning van kracht, tenzij het College besluit
dat door het geneesmiddel in de handel te laten een reëel gevaar
voor de gezondheid van personen ontstaat.
7. Indien de aanvraag betrekking heeft op een in Nederland
octrooirechtelijk of door middel van een aanvullend
beschermingscertificaat beschermd geneesmiddel dat wordt betrokken
uit Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië,
Slowakije of Tsjechië en daarvoor ten tijde van de registratie
van het octrooi of het aanvullende beschermingscertificaat in de
desbetreffende nieuwe lidstaat niet een dergelijke bescherming kon
worden verkregen, wordt bij de aanvraag om een
parallelhandelsvergunning tevens overgelegd een afschrift van de
schriftelijke kennisgeving aan de houder van het octrooi of het
aanvullende beschermingscertificaat of de begunstigde van die
bescherming met betrekking tot het referentiegeneesmiddel waaruit
blijkt dat de kennisgeving is gedaan ten minste 1 maand vóór de
dag waarop de aanvraag is ingediend.
§ 2. Verplichtingen van de houder van een door het College
verleende handelsvergunning
Artikel 49
1. De houder van de handelsvergunning brengt na voorafgaande
toestemming van het College wijziging aan in de methoden van
bereiding van een geneesmiddel en van controle daarop indien deze
wijziging strekt tot het in overeenstemming brengen van de
desbetreffende methoden met de vooruitgang van de wetenschap en de
techniek ter zake en noodzaakt tot aanpassing van de bij de
aanvraag om de handelsvergunning overgelegde bescheiden met
betrekking tot de methoden.
2. De houder van de handelsvergunning stelt het College
onverwijld in kennis van alle nieuwe informatie die kan leiden tot
wijziging van de gegevens en bescheiden, bedoeld in 42, tweede
lid, en in bijlage 1 bij richtlijn 2001/83.
3. De houder van de handelsvergunning stelt het College
onverwijld in kennis van alle door de bevoegde autoriteiten van
andere lidstaten opgelegde verboden en beperkingen alsmede van
alle andere nieuwe gegevens die op de beoordeling van de voordelen
en risico’s van het geneesmiddel van invloed kunnen zijn.
4. De houder van de handelsvergunning verstrekt te allen tijde
op verzoek van het College gegevens waaruit blijkt dat de afweging
van voordelen en risico’s van het geneesmiddel gunstig blijft
uitvallen.
5. De houder van de handelsvergunning deelt het College de
datum mee waarop het geneesmiddel daadwerkelijk in de handel wordt
gebracht.
6. De houder van de handelsvergunning deelt het College mee
wanneer de handel in een geneesmiddel tijdelijk of blijvend wordt
stopgezet. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden, vindt deze
mededeling plaats uiterlijk twee maanden voor de onderbreking of
stopzetting.
7. Onverminderd artikel 77, eerste lid, onder d, verstrekt de
houder van de handelsvergunning voor een geneesmiddel desgevraagd
aan het College gegevens over het afzetvolume van het geneesmiddel
en de in zijn bezit zijnde gegevens betreffende het aantal
recepten.
8. De houder van een handelsvergunning draagt ervoor zorg dat
het geneesmiddel waarop de handelsvergunning betrekking heeft, in
voldoende mate voorradig is voor groothandelaren of apothekers
teneinde in de behoeften van patiënten te kunnen voorzien.
Artikel 50
1. De houder van een handelsvergunning brengt zonder
voorafgaande toestemming van het College geen wijziging aan in een
geneesmiddel indien die wijziging noodzaakt tot aanpassing van de
bij de aanvraag overgelegde gegevens en bescheiden. Indien het een
handelsvergunning voor een traditioneel kruidengeneesmiddel
betreft, verzoekt de houder daarvan het College tevens om
toestemming gegevens of bescheiden die bij de aanvraag zijn
overgelegd, te wijzigen indien door het Comité voor
kruidengeneesmiddelen een nieuwe communautaire kruidenmonografie
is vastgesteld waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat
deze noodzaakt tot aanpassing van zodanige gegevens of bescheiden.
2. De houder van een handelsvergunning legt voorgenomen
wijzigingen van de buitenverpakking, de primaire verpakking of de
tekst van de bijsluiter voor aan het College.
3. De houder van een handelsvergunning stelt het College in
kennis van een wijziging van de methoden van bereiding en van een
wijziging van de niet-werkzame bestanddelen van een geneesmiddel,
voorzover deze wijzigingen naar redelijkerwijs mag worden
aangenomen geen invloed hebben op de werking van het geneesmiddel.
Indien het College van oordeel is dat een wijziging als bedoeld in
de eerste volzin, wel van invloed is op de werking van een
geneesmiddel, deelt hij dit onverwijld mede en behandelt hij deze
mededeling als een verzoek om toestemming voor een wijziging als
bedoeld in het eerste lid.
4. De houder van een handelsvergunning stelt het College
terstond in kennis van elke stap die door hem is gezet om het in
de handel brengen van een geneesmiddel op te schorten of een
geneesmiddel uit de handel te nemen, onder opgave van de redenen
van die stap indien deze betrekking heeft op de werkzaamheid van
het geneesmiddel of op de bescherming van de volksgezondheid. Het
College draagt ervoor zorg dat deze informatie ter kennis van het
Bureau wordt gebracht. Indien de informatie een weerslag kan
hebben op de volksgezondheid in een derde land, brengt het College
die informatie ook ter kennis van de Wereldgezondheidsorganisatie.
§ 3. Schorsing, wijziging en intrekking van de handelsvergunning
Artikel 51
1. Het College schorst een handelsvergunning, wijzigt deze of
trekt deze in indien:
a. het geneesmiddel bij normaal gebruik schadelijk is,
b. de therapeutische werking ontbreekt dan wel indien de
afweging van voordelen en risico’s bij normaal gebruik niet
gunstig is,
c. het geneesmiddel niet de opgegeven kwalitatieve en
kwantitatieve eigenschappen bezit,
d. de krachtens artikel 42 overgelegde gegevens en
bescheiden onjuist zijn of niet zijn gewijzigd overeenkomstig
artikel 49, of
e. de in artikel 28, eerste lid, bedoelde controles niet
hebben plaatsgevonden,
f. de etikettering of de bijsluiter niet voldoet aan de
daaromtrent inhoofdstuk 7 gestelde eisen.
2. Indien werkzame bestanddelen van een kruidengeneesmiddel als
bedoeld in artikel 42, achtste lid, worden afgevoerd van de door
het Comité voor kruidengeneesmiddelen opgestelde lijst van
zodanige bestanddelen, trekt het College de desbetreffende
handelsvergunning voor een traditioneel kruidengeneesmiddel in.
3. Het College trekt een handelsvergunning in op schriftelijk
verzoek van de houder.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het verlenen, wijzigen, schorsen en
intrekken van een handelsvergunning.
5. Het College maakt een besluit tot schorsing of intrekking
van een handelsvergunning toegankelijk voor het publiek.
Artikel 52
1. Het College kan om volksgezondheidsredenen een
handelsvergunning verlenen aan een naar zijn oordeel daarvoor in
aanmerking komende rechtspersoon die met de verlening kan
instemmen, indien het desbetreffende geneesmiddel niet in
Nederland in de handel is, maar wel in een andere lidstaat.
2. Het College brengt de houder van de handelsvergunning in de
andere lidstaat op de hoogte van zijn voornemen een vergunning te
verlenen op de voet van het eerste lid.
3. Het College verzoekt de bevoegde autoriteit van de andere
lidstaat om toezending van een kopie van het beoordelingsrapport
en van de in de andere lidstaat geldende handelsvergunning.
4. Het College stelt de Commissie in kennis van de verlening
van een handelsvergunning overeenkomstig het eerste lid. Deze
kennisgeving gaat vergezeld van een opgave van de naam en het
adres van de rechtspersoon aan wie de vergunning is verleend.
Hetzelfde geldt indien het College de desbetreffende
handelsvergunning intrekt.
§ 4. Register en vergoedingen
Artikel 53
Het College houdt een openbaar register bij van geneesmiddelen
waarvoor door hem een handelsvergunning of een
parallelhandelsvergunning is verleend. Dit register bevat ten minste
de aanduiding van het nummer waaronder het geneesmiddel is
geregistreerd, de benaming van het geneesmiddel en de naam van de
vergunninghouder. Het College registreert schorsingen van een
handelsvergunning en schrijft geneesmiddelen waarvan de
handelsvergunning is ingetrokken dan wel van rechtswege is
vervallen, uit het register.
Artikel 54
1. Voor de behandeling van een aanvraag om een
handelsvergunning of een parallelhandelsvergunning is de aanvrager
het College een vergoeding verschuldigd.
2. De houder van een handelsvergunning is voorts een vergoeding
verschuldigd voor de behandeling van een verzoek om toestemming
voor het aanbrengen van een wijziging als bedoeld in artikel 49,
eerste lid, of 50, eerste lid.
3. Voor de instandhouding van de registratie van een
handelsvergunning of een parallelhandelsvergunning in het openbare
register, bedoeld in artikel 53, is de houder van zodanige
vergunning aan het College jaarlijks een vergoeding verschuldigd.
4. Onverminderd artikel 10, wordt bij ministeriële regeling
het tarief van de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde
vergoedingen vastgesteld.
§ 5. Uitzondering voor kruidengeneesmiddelen en homeopathische
geneesmiddelen
Artikel 55
1. De artikelen 44, derde, vierde en vijfde lid, en 46, derde
en vierde lid, van deze wet alsmede de artikelen 32, 33 en 34 van
richtlijn 2001/83 zijn niet van toepassing op
kruidengeneesmiddelen als bedoeld in artikel 42, achtste lid,
tenzij ter zake van het desbetreffende kruidengeneesmiddel een
communautaire kruidenmonografie als bedoeld in artikel 45, zesde
lid, is opgesteld dan wel werkzame bestanddelen daarvan op een
lijst als bedoeld in artikel 51, tweede lid, voorkomen.
2. Artikel 45, tweede lid, onder b en c, is niet van toepassing
indien werkzame bestanddelen van een kruidengeneesmiddel als
bedoeld in artikel 42, achtste lid, op de lijst, bedoeld in
artikel 51, tweede lid, zijn geplaatst.
3. De artikelen 44, derde, vierde en vijfde lid, 46, derde en
vierde lid, zijn niet van toepassing op andere homeopathische
geneesmiddelen dan die bedoeld in artikel 42, derde lid.
4. De artikelen 32, 33 en 34 van richtlijn 2001/83 zijn niet
van toepassing op homeopathische geneesmiddelen.
5. Artikel 45, eerste lid, onder b, is niet van toepassing op
homeopathische geneesmiddelen als bedoeld in artikel 42, derde
lid.
Hoofdstuk 5. Indeling van geneesmiddelen
Artikel 56
Het College neemt bij de verlening van een handelsvergunning
tevens een besluit over de indeling van een geneesmiddel. Een
geneesmiddel wordt in een van de volgende categorieën ingedeeld:
a. UR-geneesmiddel;
b. UA-geneesmiddel;
c. UAD-geneesmiddel;
d. AV-geneesmiddel.
Artikel 57
1. Het College besluit tot indeling van een geneesmiddel als
UR-geneesmiddel indien het:
a. ook bij normaal gebruik direct of indirect gevaar kan
opleveren wanneer het zonder medische begeleiding wordt
gebruikt,
b. veelvuldig en in zeer ruime mate niet overeenkomstig het
gebruiksvoorschrift wordt gebruikt, ten gevolge waarvan de
gezondheid direct of indirect in gevaar kan komen,
c. een substantie of bereiding daarvan bevat die vanwege
haar nieuwheid nader moet worden bestudeerd op werkzaamheid of
bijwerkingen, of
d. bestemd is voor parenterale toediening.
2. Het College kan besluiten dat een handelsvergunning voor een
UR-geneesmiddel wordt verleend onder de voorwaarde dat het:
a. uitsluitend ter hand mag worden gesteld of mag worden
toegediend in een krachtens artikel 5 van de Wet toelating
zorginstellingen als algemeen onderscheidenlijk als
psychiatrisch ziekenhuis aangewezen instelling, of
b. uitsluitend mag worden voorgeschreven door een arts of
een tandarts die is ingeschreven in een door het College
aangewezen, krachtens artikel 14 van de Wet op de beroepen in
de individuele gezondheidszorg ingesteld register van medische
onderscheidenlijk tandheelkundige specialisten.
Artikel 58
1. Het College besluit tot indeling van een geneesmiddel als
UA-geneesmiddel indien dit naar zijn oordeel uit een oogpunt van
medicatiebewaking, voorlichting of begeleiding bij de
terhandstelling noodzakelijk is.
2. Het College besluit tot indeling van een geneesmiddel als
AV-geneesmiddel indien dit naar zijn oordeel uit een oogpunt van
veilig gebruik verantwoord is, gelet op de werkzame stof, de
dosering en de verpakkingsgrootte.
3. Het College besluit tot indeling van een geneesmiddel als
UAD-geneesmiddel indien het niet voor indeling als UA-geneesmiddel
of als AV-geneesmiddel in aanmerking komt.
4. Indien bij de verlening van een handelsvergunning door de
Gemeenschap een geneesmiddel niet is ingedeeld als UR-geneesmiddel,
bepaalt het College de indeling op de voet van het eerste, tweede
en derde lid.
5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter
zake van de criteria aan de hand waarvan het College besluit tot
indeling van een geneesmiddel als UA-geneesmiddel of als
AV-geneesmiddel. Het ontwerp van de regeling wordt ten minste 4
weken voor de vaststelling overgelegd aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal.
Artikel 59
1. Het College neemt, met inachtneming van de criteria, bedoeld
in de artikelen 57 en 58, opnieuw een besluit met betrekking tot
de indeling van een geneesmiddel indien aan het College uit nieuwe
gegevens die te zijner kennis zijn gebracht, is gebleken dat de
indeling moet worden gewijzigd.
2. Onze Minister kan het College verzoeken de indeling van een
door Onze Minister aangewezen geneesmiddel opnieuw te beoordelen.
3. Indien het College, op verzoek van de houder van de
handelsvergunning, de indeling van een geneesmiddel heeft
gewijzigd op basis van significante preklinisch of klinische
proeven, kan het College gedurende een periode van één jaar, te
rekenen vanaf de datum van het nieuwe indelingsbesluit van het
College, de indeling van een ander geneesmiddel niet wijzigen op
basis van die proeven.
4. Indien het College, anders dan op verzoek van de houder van
de handelsvergunning, de indeling van een geneesmiddel wil
wijzigen, wordt het besluit tot wijziging van de indeling niet
genomen dan nadat de houder van de handelsvergunning, binnen een
door het College aangegeven termijn, het dossier op grond waarvan
de handelsvergunning is verleend, heeft aangepast aan de nieuwe
indeling.
Artikel 60
Het College stelt een lijst op van UR-geneesmiddelen, van
UA-geneesmiddelen, van UAD-geneesmiddelen en van AV-geneesmiddelen.
Deze lijsten worden algemeen verkrijgbaar gesteld. Het College
actualiseert deze lijsten ten minste een maal per jaar.
Hoofdstuk 6. Terhandstelling van geneesmiddelen en het
voorschrijven daarvan
Artikel 61
1. Onverminderd hetgeen elders in deze wet is bepaald, is het
eenieder verboden UR-geneesmiddelen of UA-geneesmiddelen te koop
aan te bieden of ter hand te stellen, met uitzondering van:
a. apothekers die hun beroep in een apotheek uitoefenen;
b. huisartsen die in het bezit zijn van een vergunning als
bedoeld in het tiende of elfde lid;
c. daartoe bij ministeriële regeling aangewezen personen
en instanties in de in de regeling bedoelde omstandigheden.
2. Het is een ieder, behoudens apothekers die hun beroep
uitoefenen in een apotheek, en bij ministeriële regeling
aangewezen personen verboden geneesmiddelen voor onderzoek ter
hand te stellen.
3. De apotheker of de apotheekhoudend arts mag de
artsenijbereidkunst slechts in één apotheek uitoefenen.
4. Bij afwezigheid van de apotheker voorziet hij binnen de
beroepsgroep in waarneming.
5. De apothekers die in een apotheek hun beroep uitoefenen,
zijn evenwel niet bevoegd tot het ter hand stellen van
UR-geneesmiddelen dan nadat degene onder hen die belast is met de
leiding van de apotheek, op hun verzoek, is ingeschreven in het
door het Staatstoezicht op de volksgezondheid ingestelde register
van gevestigde apothekers. In het register wordt aangetekend op
welk adres de apotheek is gevestigd.
6. Een inschrijving in het register van gevestigde apothekers
wordt geweigerd indien de aanvrager niet is ingeschreven in het
krachtens artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg ingestelde register van apothekers dan
wel zijn inschrijving in dat register is geschorst. De
inschrijving wordt eveneens geweigerd indien de betrokken
apotheker reeds voor een andere apotheek in het register staat
ingeschreven.
7. De inschrijving in het register van gevestigde apothekers
vervalt van rechtswege indien betrokkene niet meer staat
ingeschreven in het krachtens artikel 3 van de Wet op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg ingestelde register van
apothekers. De inschrijving wordt doorgehaald indien de betrokkene
daarom verzoekt.
8. Aan beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder ll, en derde lid, worden geneesmiddelen slechts ter hand
gesteld na ontvangst van een daartoe strekkend schriftelijk
verzoek dat is ondertekend. Het verzoek vermeldt de naam, het
adres en de hoedanigheid van de verzoeker alsmede de naam en de
hoeveelheid van het geneesmiddel.
9. Het is de apotheker die in een apotheek werkt verboden een
UR-geneesmiddel ter hand te stellen zonder dat een recept is
overgelegd. Hij is evenwel bevoegd in spoedgevallen een
UR-geneesmiddel ter hand te stellen zonder dat een recept wordt
overgelegd, indien hij zich voldoende zekerheid heeft verschaft
dat gevaar voor misbruik niet kan ontstaan.
10. Onze Minister verleent desgevraagd aan een huisarts die de
geneeskundige praktijk uitoefent in een aaneengesloten gebied, een
vergunning tot het bereiden en het ter hand stellen van UR- of
UA-geneesmiddelen aan patiënten van zijn praktijk, indien de
afstand tussen de meest dichtbij dat gebied gevestigde apotheker
en de in dat gebied meest dichtbij die apotheek wonende
potentiële patiënt ten minste 4,5 kilometer is gemeten over de
voor het gemotoriseerde verkeer bestemde weg. Indien de in de
eerste volzin bedoelde afstand minder dan 4,5 kilometer is, maar
meer dan 3,5 kilometer, verleent Onze Minister de vergunning
indien dit in het belang is van de geneesmiddelenvoorziening.
11. Onze Minister verleent aan de huisarts die de geneeskundige
praktijk uitoefent gezamenlijk met een huisarts aan wie een
vergunning als bedoeld in het tiende lid is verleend, desgevraagd,
een vergunning om UR- of UA-geneesmiddelen ten behoeve van de
patiënten die hij behandelt, te bereiden en aan hen ter hand te
stellen in de apotheek van de huisarts met wie hij de praktijk
uitoefent.
12. Een vergunning als bedoeld in het tiende lid vervalt van
rechtswege indien de vergunninghouder de geneeskundige praktijk
beëindigt dan wel niet meer staat ingeschreven in het krachtens
artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg ingestelde register van artsen.
13. Onze Minister trekt een vergunning als bedoeld in het
tiende lid in indien de grond van de verlening daarvan is
vervallen.
14. Een vergunning als bedoeld in het elfde lid vervalt van
rechtswege indien de huisarts met wie de houder van die vergunning
gezamenlijk de praktijk uitoefent, niet meer over een vergunning
als bedoeld in het tiende lid beschikt.
Artikel 62
1. Onverminderd hetgeen elders in deze wet is bepaald, is het
eenieder verboden UAD-geneesmiddelen te koop aan te bieden of ter
hand te stellen, met uitzondering van:
a. apothekers die hun beroep in een apotheek uitoefenen;
b. huisartsen als bedoeld in artikel 61, eerste lid, onder
b;
c. de krachtens artikel 61, eerste lid, onder c, aangewezen
personen of instanties;
d. drogisten die in een drogisterij of in een ander
verkooppunt van UAD-geneesmiddelen hun beroep uitoefenen.
2. Degene die in de uitoefening van een bedrijf
verkoopactiviteiten verricht en in dat kader door de in het eerste
lid, onder d, bedoelde personen UAD-geneesmiddelen ter hand laat
stellen, dient verantwoorde zorg aan te bieden. Onder het
aanbieden van verantwoorde zorg wordt in ieder geval verstaan dat:
a. de terhandstelling geschiedt onder verantwoordelijkheid
en onder toezicht van een drogist;
b. degene aan wie een UAD-geneesmiddel ter hand wordt
gesteld, op duidelijke wijze wordt ingelicht over hetgeen hij
redelijkerwijze moet weten over de aard en het doel van het
geneesmiddel en de te verwachten gevolgen en risico’s
daarvan voor zijn gezondheid, tenzij hij te kennen heeft
gegeven daar geen behoefte aan te hebben;
c. uitsluitend een drogist of een assistent-drogist de in
onderdeel b bedoelde voorlichting mag geven, en
d. in het verkooppunt voldoende drogisten en
assistent-drogisten aanwezig zijn die klanten deze
voorlichting kunnen geven.
3. Onverminderd hetgeen elders in deze wet is bepaald, is het
eenieder verboden AV-geneesmiddelen te koop aan te bieden of ter
hand te stellen, met uitzondering van de in het eerste lid, onder
a, b, c en d bedoelde personen of instanties, alsmede met
uitzondering van degenen die in de uitoefening van een bedrijf
verkoopactiviteiten verrichten en daartoe zijn ingeschreven in het
handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet
2007.
Artikel 63
Deartikelen 61 en 62 zijn niet van toepassing op artsen en
apothekers die in die hoedanigheid in dienst zijn van het Ministerie
van Defensie.
Artikel 64
Het is artsen en apothekers als bedoeld in artikel 63, verboden
geneesmiddelen ter hand te stellen aan personen buiten de
krijgsmacht, tenzij dat kennelijk noodzakelijk is ter uitvoering van
aan de krijgsmacht opgedragen taken.
Artikel 65
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
voor de geneesmiddelenvoorziening binnen de krijgsmacht. Indien dit
kennelijk noodzakelijk is met het oog op de operationele inzet van
de krijgsmacht of de voorbereiding daarop, kan daarbij worden
afgeweken van deze wet.
Artikel 66
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bereiden en
het ter hand stellen van geneesmiddelen in de apotheek.
2. De apothekers en de apotheekhoudende huisartsen dragen
ervoor zorg dat recepten, geneesmiddelen, stoffen voor de
bereiding van geneesmiddelen, en middelen als bedoeld in lijst I
of lijst II van de Opiumwet, niet zijnde geneesmiddelen, worden
bewaard overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen
regels.
Artikel 66a
1. De apotheker kan indien de patiënt hem daartoe
uitdrukkelijk zijn toestemming heeft gegeven, ten behoeve van de
door hem te verlenen zorg laboratoriumuitslagen die noodzakelijk
zijn bij de terhandstelling van een geneesmiddel aan de patiënt
opvragen, raadplegen en bewaren. De apotheker vraagt de
laboratoriumuitslagen op bij degene die de uitslagen onder zich
heeft en diegene verstrekt deze.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de laboratoriumgegevens die noodzakelijk zijn bij de
terhandstelling van geneesmiddelen, welke regels voor
verschillende categorieën van geneesmiddelen kunnen
verschillen, en
b. de wijze van verstrekking van de laboratoriumgegevens
aan de apotheker.
Artikel 67
Het is een ieder verboden via internet geneesmiddelen voor te
schrijven aan personen die de voorschrijver nog nooit persoonlijk
heeft ontmoet, of die de voorschrijver niet kent of van wie de
voorschrijver de medicatiehistorie niet beschikbaar heeft.
Artikel 68
1. Het buiten de door het College geregistreerde indicaties
voorschrijven van geneesmiddelen is alleen geoorloofd wanneer
daarover binnen de beroepsgroep protocollen of standaarden zijn
ontwikkeld. Als de protocollen en standaarden nog in ontwikkeling
zijn, is overleg tussen de behandelend arts en apotheker
noodzakelijk.
2. In bij ministeriële regeling te bepalen gevallen vermeldt
het recept de reden van voorschrijven.
Hoofdstuk 7. Etikettering en bijsluiter
Artikel 69
1. Op de buitenverpakking of, indien die ontbreekt, op de
primaire verpakking van een geneesmiddel, niet zijnde een
geneesmiddel voor onderzoek of voor geavanceerde therapie dan wel
een in een apotheek bereid geneesmiddel, worden de volgende
gegevens vermeld:
a. de naam van het geneesmiddel, in gewone letters en in
braille, gevolgd door de sterkte en de farmaceutische vorm
alsmede, voor zover van toepassing, de vermelding zuigelingen,
kinderen of volwassenen;
b. indien het geneesmiddel niet meer dan drie werkzame
bestanddelen bevat, de internationale generieke benaming of,
indien deze niet bestaat, de algemene benaming;
c. de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling aan
werkzame bestanddelen per doseringseenheid of, afhankelijk van
de toedieningsvorm, voor een bepaald volume of gewicht,
waarbij de algemene benamingen worden gebruikt;
d. de farmaceutische vorm en de inhoud uitgedrukt in
gewicht, volume of doseringseenheden;
e. een opgave van de in het geneesmiddel aanwezige
hulpstoffen met een bekende werking of een bekend effect, met
dien verstande dat, indien er sprake is van een injecteerbaar
geneesmiddel of een geneesmiddel bestemd voor lokaal gebruik
of oogheelkundig gebruik, alle hulpstoffen worden vermeld;
f. de wijze van gebruik en, in daarvoor in aanmerking
komende gevallen, de toedieningsweg, waarbij ruimte wordt
vrijgelaten voor vermelding van de dosering door de apotheker
of de apotheekhoudende huisarts;
g. een speciale waarschuwing dat het geneesmiddel buiten
het bereik en het zicht van kinderen dient te worden gehouden;
h. een speciale waarschuwing indien dat voor het gebruik
van het geneesmiddel kennelijk noodzakelijk is;
i. een in begrijpelijke woorden gestelde aanduiding van de
uiterste gebruiksdatum met de vermelding van maand en jaartal;
j. de wijze waarop het geneesmiddel bewaard dient te
worden;
k. de voorzorgsmaatregelen die getroffen dienen te worden
bij het verwijderen van niet-gebruikte geneesmiddelen of van
zodanige geneesmiddelen afgeleide afvalstoffen en eventueel
bestaande inzamelingssystemen;
l. naam en adres van de houder van de handelsvergunning en,
voor zover van toepassing, de naam van de door de houder van
de handelsvergunning aangewezen vertegenwoordiger;
m. het nummer van de handelsvergunning;
n. het chargenummer;
o. of het een UR-, een UA-, een UAD- of een AV-geneesmiddel
is;
p. een vermelding dat vóór gebruik de bijsluiter
geraadpleegd dient te worden;
q. een gebruiksaanwijzing indien het een UA-, UAD- of een
AV-geneesmiddel is.
2. Op de buitenverpakking worden andere gegevens dan die,
bedoeld in eerste lid, slechts aangebracht indien het gaat om:
a. tekens of pictogrammen ter verduidelijking van de in het
eerste lid bedoelde gegevens;
b. andere gegevens, mits deze niet strijdig zijn met de
goedgekeurde samenvatting van de kenmerken van het
geneesmiddel en nuttig zijn voor de patiënt, een en ander met
uitzondering van vermeldingen ter aanprijzing van het
geneesmiddel;
c. gegevens ter identificatie of ter vaststelling van de
authenticiteit van het geneesmiddel;
d. de prijs van het geneesmiddel of de van toepassing
zijnde vergoedingsregeling.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de in het tweede lid, onder b, c en d, bedoelde
gegevens.
Artikel 70
1. In afwijking van artikel 69, eerste lid, kan op een primaire
blisterverpakking die geplaatst is in een buitenverpakking die
voldoet aan artikel 69, worden volstaan met de volgende gegevens:
a. de naam van het geneesmiddel, gevolgd door de sterkte en
de farmaceutische vorm en, voor zover van toepassing, de
vermelding zuigelingen, kinderen of volwassenen;
b. indien het geneesmiddel niet meer dan drie werkzame
bestanddelen bevat, de internationale generieke benaming of,
indien deze niet bestaat, de algemene benaming;
c. de naam van de houder van de handelsvergunning;
d. de uiterste gebruiksdatum;
e. het chargenummer.
2. In afwijking van artikel 69, eerste lid, kan op een primaire
verpakking die zo klein is dat het niet mogelijk is daarop de in
die bepaling bedoelde gegevens aan te brengen, worden volstaan met
de volgende gegevens:
a. de naam van het geneesmiddel, gevolgd door de sterkte en
de farmaceutische vorm en, voor zover van toepassing, de
vermelding zuigelingen, kinderen of volwassenen en, in
daarvoor in aanmerking komende gevallen, de toedieningsweg;
b. indien het geneesmiddel niet meer dan drie werkzame
bestanddelen bevat, de internationale generieke benaming of,
indien deze niet bestaat, de algemene benaming;
c. de wijze van gebruik;
d. de uiterste gebruiksdatum;
e. het chargenummer;
f. de inhoud, uitgedrukt in gewicht, volume of eenheden.
Artikel 71
1. De verpakking van een geneesmiddel, niet zijnde een
geneesmiddel voor onderzoek of een in een apotheek bereid
geneesmiddel, bevat een bijsluiter. Deze verplichting geldt niet
indien de gegevens, bedoeld in het tweede lid, op de
buitenverpakking of op de primaire verpakking zijn aangebracht.
2. De bijsluiter, niet zijnde die van een geneesmiddel voor
geavanceerde therapie, wordt opgesteld overeenkomstig de
samenvatting van de kenmerken van het geneesmiddel en bevat in
onderstaande volgorde de volgende gegevens:
a. de naam van het geneesmiddel, gevolgd door de sterkte en
de farmaceutische vorm en, voor zover van toepassing, de
vermelding zuigelingen, kinderen of volwassen;
b. de algemene benaming, indien het geneesmiddel slechts
één werkzame stof bevat en de naam van het geneesmiddel een
fantasienaam is;
c. de farmacotherapeutische groep of het soort werking, in
voor de patiënt gemakkelijk te begrijpen bewoordingen;
d. de therapeutische indicaties;
e. contra-indicaties, de nodige voorzorgsmaatregelen bij
gebruik, interacties met andere geneesmiddelen of andere
stoffen die de werking van het geneesmiddel kunnen
beïnvloeden en speciale waarschuwingen, waarbij:
1°. rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie
van bepaalde gebruikersgroepen, waaronder begrepen
zwangere of lacterende vrouwen, kinderen, bejaarden en
lijders aan een specifieke ziekte;
2°. de effecten van het gebruik op de rijvaardigheid
of op het vermogen om bepaalde machines te bedienen worden
vermeld;
3°. de lijst van hulpstoffen wordt vermeld waarvan de
kennis belangrijk is om het geneesmiddel doelmatig en
veilig te kunnen gebruiken;
f. de informatie die noodzakelijk is voor een goed en
veilig gebruik van het geneesmiddel, waaronder wordt begrepen:
1°. de dosering;
2°. de wijze van gebruik en, voor daarvoor in
aanmerking komende gevallen, de toedieningsweg;
3°. de toedieningsfrequentie waarbij, in daarvoor in
aanmerking komende gevallen, het tijdstip waarop het
geneesmiddel kan of moet worden toegediend, wordt vermeld;
4°. de duur van de behandeling indien hiervoor een
speciale instructie geldt;
5°. de te nemen maatregelen in geval van overdosering;
6°. de te nemen maatregelen indien een of meer doses
niet zijn toegediend;
7°. de vermelding dat ontwenningsverschijnselen kunnen
optreden, indien van toepassing;
8°. in daarvoor aanmerking komende gevallen een
specifieke aanbeveling de arts of apotheker ter raadplegen
voor nadere informatie omtrent het gebruik van het
geneesmiddel;
g. een beschrijving van de bijwerkingen die kunnen optreden
bij een normaal gebruik van het geneesmiddel en, indien deze
zich voordoen, van de maatregelen die alsdan dienen te worden
getroffen;
h. een vermelding waarin de gebruiker uitdrukkelijk wordt
verzocht aan zijn arts of apotheker iedere bijwerking te
melden die niet in de bijsluiter is vermeld;
i. een verwijzing naar de uiterste gebruiksdatum op de
verpakking die tevens omvat:
1°. een waarschuwing tegen gebruik na overschrijding
van deze datum;
2°. bijzondere voorzorgsmaatregelen in verband met
bewaring;
3°. een waarschuwing tegen bepaalde tekenen van
bederf, indien van toepassing;
j. voor elke aandieningsvorm een kwalitatieve en
kwantitatieve opgave van werkzame bestanddelen alsmede een
kwalitatieve opgave van hulpstoffen, waarbij de algemene
benaming van de werkzame stoffen wordt gebruikt;
k. voor elke aandieningsvorm de farmaceutische vorm en de
inhoud, uitgedrukt in gewichts-, volume-of doseringseenheden;
l. de naam en het adres van de houder van de
handelsvergunning en, indien hij niet in Nederland is
gevestigd, de naam van degene die hem vertegenwoordigt in
Nederland;
m. de naam en het adres van de fabrikant;
n. indien het geneesmiddel onder andere namen in andere
lidstaten in de handel is, een lijst van die namen;
o. de datum waarop de bijsluiter voor het laatst is
herzien.
3. De bijsluiter is in overeenstemming met de uitkomsten van
het overleg dat degene die een handelsvergunning heeft aangevraagd
voor het desbetreffende geneesmiddel, op verzoek van de
organisatie van patiënten voor wie het geneesmiddel bestemd is,
dan wel, indien zodanige organisatie niet bestaat, met de
overkoepelende instantie van patiëntenorganisaties heeft gevoerd
over de duidelijkheid en gebruiksvriendelijkheid van de
bijsluiter. Het verslag van dit overleg maakt deel uit van het
dossier dat bij de aanvrage om de handelsvergunning wordt
overgelegd. De houder van de handelsvergunning draagt ervoor zorg
dat op verzoek van patiëntenorganisaties de bijsluiter in een
voor blinden en slechtzienden geschikte vorm beschikbaar is.
4. De bijsluiter is zodanig geschreven en ontworpen dat deze de
gebruiker in staat stelt, zonodig met hulp van de
beroepsbeoefenaar in de individuele gezondheidszorg die het
geneesmiddel heeft voorgeschreven of ter hand gesteld, het
geneesmiddel op de juiste wijze te gebruiken.
5. Artikel 69, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van de bijsluiter.
Artikel 72
1. De gegevens, bedoeld in de artikelen 69, 70 en 71, worden
duidelijk leesbaar, in de Nederlandse taal, goed te begrijpen en
onuitwisbaar op de verpakking en in de bijsluiter aangebracht.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens in een
andere taal worden vermeld, mits de gegevens in iedere taal
dezelfde zijn.
3. Het College kan op een met redenen omkleed verzoek besluiten
dat op de buitenverpakking van bepaalde weesgeneesmiddelen de in
artikel 69 bedoelde gegevens in één van de officiële talen van
de Europese Gemeenschap worden vermeld.
4. Het College kan, desgevraagd, wanneer het geneesmiddel niet
bestemd is om rechtstreeks aan de patiënt ter hand te worden
gesteld, ontheffing verlenen van de verplichting om bepaalde
gegevens op het etiket en in de bijsluiter van het betrokken
geneesmiddel te vermelden en van de verplichting om de bijsluiter
in het Nederlands op te stellen.
Artikel 73
1. Op de buitenverpakking of, bij het ontbreken daarvan, op de
primaire verpakking van een homeopathisch geneesmiddel, niet
zijnde een in een apotheek bereid homeopathisch geneesmiddel,
wordt duidelijk leesbaar vermeld dat het om een homeopathisch
geneesmiddel gaat.
2. De artikelen 69 tot en met 72 zijn niet van toepassing op
homeopathische geneesmiddelen als bedoeld in artikel 42, derde
lid. Op de buitenverpakking of de primaire verpakking van deze
homeopathische geneesmiddelen worden de volgende gegevens vermeld:
a. de wetenschappelijke benaming van de homeopathische
grondstoffen, gevolgd door de verdunningsgraad in de vorm van
de daarvoor in een farmacopee als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder f, gebruikte symbolen, met dien verstande dat,
indien het homeopathische geneesmiddel is samengesteld uit
verschillende homeopathische grondstoffen, de
wetenschappelijke benaming kan worden aangevuld met een
fantasienaam;
b. naam en adres van de houder van de handelsvergunning;
c. de wijze van gebruik en, zo nodig, de wijze van
toediening;
d. de datum tot welke het homeopathische geneesmiddel
geschikt voor gebruik wordt geacht, voorafgegaan door de
woorden «niet te gebruiken na»;
e. de farmaceutische vorm;
f. de inhoud van de verpakking, uitgedrukt in gewicht of
volume, dan wel doseringseenheden;
g. zo nodig, bijzondere voorzorgsmaatregelen voor de
bewaring;
h. zo nodig, een bijzondere waarschuwing, verband houdende
met het gebruik;
i. het charge-nummer van de fabrikant;
j. het nummer van de handelsvergunning;
k. de vermelding «homeopathisch geneesmiddel zonder
goedgekeurde therapeutische indicaties»;
l. een waarschuwing waarbij de gebruiker wordt geadviseerd
een arts te raadplegen indien de klachten aanhouden;
m. de prijs alsmede de eventuele regeling voor vergoeding,
voor zover deze vermelding door Onze Minister is
voorgeschreven.
3. Indien de buitenverpakking van een in het tweede lid bedoeld
homeopathisch geneesmiddel een bijsluiter bevat, worden de in het
tweede lid bedoelde gegevens tevens in de bijsluiter vermeld.
Artikel 74
1. Op de buitenverpakking of, bij het ontbreken daarvan, op de
primaire verpakking van een kruidengeneesmiddel als bedoeld in
artikel 42, achtste lid, en in de bijsluiter wordt vermeld dat het
om een traditioneel kruidengeneesmiddel gaat voor gebruik bij een
of meer met name genoemde indicaties en dat de desbetreffende
indicaties zijn gebaseerd op langdurig gebruik in de praktijk.
2. Op de verpakking, bedoeld in het eerste lid, wordt tevens
vermeld dat de gebruiker van het kruidengeneesmiddel een arts of
een andere ter zake gekwalificeerde beroepsbeoefenaar in de
individuele gezondheidszorg moet raadplegen indien de symptomen
tijdens het gebruik van het middel aanhouden.
Artikel 75
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld ter zake van de etikettering van geneesmiddelen die
in een apotheek zijn bereid en ter zake van de etikettering van
geneesmiddelen voor onderzoek.
2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op geneesmiddelen die:
a. zijn herverpakt door een arts die in die hoedanigheid in
dienst is van het Ministerie van Defensie, of
b. ter hand worden gesteld door daartoe opgeleide
militairen van de krijgsmacht voor zover de terhandstelling
door die militairen plaatsvindt onder operationele
omstandigheden dan wel bij de voorbereiding daarop.
Hoofdstuk 8. Geneesmiddelenbewaking
Artikel 76
1. Het College is belast met de geneesmiddelenbewaking.
2. Onze Minister bevordert de totstandkoming en samenwerking
van organen van beroepsbeoefenaren en patiëntenorganisaties in de
gezondheidszorg die tot doel hebben gegevens over bijwerkingen en
het gebruik en misbruik van geneesmiddelen waarvoor een
handelsvergunning is verleend, te verzamelen, te registreren en te
analyseren.
Artikel 77
1. De houder van de handelsvergunning draagt bij aan de
bewaking van de geneesmiddelen waarop de vergunning betrekking
heeft, door:
a. het systematisch verzamelen, registreren, ordenen en
beheren van gegevens over alle vermoedelijke bijwerkingen die
ter kennis komen van hem en degenen die in dienst van of ten
behoeve van zijn onderneming werken;
b. het systeem, bedoeld onder a, op ten minste één plaats
in de Gemeenschap toegankelijk te doen zijn voor daartoe
bevoegden;
c. het melden van bijwerkingen aan het Bureau, het College
of de desbetreffende bevoegde autoriteit van een andere
lidstaat;
d. op verzoek van het College, binnen een door het College
gestelde termijn, de aanvullende gegevens te verstrekken ten
behoeve van de afweging van voordelen en risico’s, met
inbegrip van gegevens over het afzetvolume van of het aantal
recepten voor het desbetreffende geneesmiddel.
2. De houder van de handelsvergunning belast een daartoe
gekwalificeerde persoon met de werkzaamheden, bedoeld in het
eerste lid, alsmede met de voorbereiding van de
veiligheidsverslagen, bedoeld in het derde lid. Deze persoon heeft
zijn woonplaats in de Gemeenschap.
3. Tenzij als voorwaarde aan de verlening van een
handelsvergunning of, nadien, krachtens ministeriële regeling,
andere eisen zijn gesteld, worden meldingen van alle bijwerkingen
door de houder van de handelsvergunning in de vorm van een
periodiek veiligheidsverslag bij het College ingediend, hetzij
onmiddellijk op verzoek van het College, hetzij ten minste elke
zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de verlening van de
handelsvergunning tot aan de datum waarop het geneesmiddel in de
handel wordt gebracht. Voorts dient de houder van de
handelsvergunning geactualiseerde veiligheidsverslagen bij het
College in, hetzij onmiddellijk op verzoek van het College, hetzij
ten minste elke zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop het
geneesmiddel in de handel is gebracht, gedurende de eerste twee
jaren nadat het geneesmiddel in de handel is gebracht. Gedurende
de daarop volgende twee jaren dient de houder van de
handelsvergunning zodanig verslag eenmaal per jaar in bij het
College. Na laatstbedoelde periode van twee jaren wordt zodanig
verslag om de drie jaren ingediend dan wel onmiddellijk indien het
College daarom verzoekt. Het periodieke veiligheidsverslag bevat
een wetenschappelijke afweging van voordelen en risico’s van het
geneesmiddel.
4. De houder van de handelsvergunning kan het College verzoeken
om de in het derde lid genoemde perioden te wijzigen volgens de
procedure van Verordening (EG) nr. 1084/2003 van de Commissie
betreffende het onderzoek van wijzigingen in de voorwaarden van
een door een bevoegde instantie van een lidstaat verleende
vergunning voor het in de handel brengen van geneesmiddelen voor
menselijk gebruik en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik
(PbEG L 159).
5. De houder van de handelsvergunning stelt het College in
kennis van elke vermoedelijke ernstige bijwerking in Nederland
waarvan hij door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg in
kennis is gesteld, onmiddellijk en uiterlijk binnen vijftien dagen
nadat de desbetreffende bijwerking te zijner kennis is gekomen.
Indien hij in kennis is gesteld van een vermoedelijke ernstige
bijwerking op het grondgebied van een andere lidstaat, stelt hij
de bevoegde autoriteit van die lidstaat onmiddellijk en uiterlijk
binnen vijftien dagen van die bijwerking in kennis.
6. Indien het gaat om een geneesmiddel ter zake waarvan
Nederland referentielidstaat is en:
a. zodanig geneesmiddel viel binnen het toepassingsgebied
van richtlijn 87/22/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 22 december 1986 tot onderlinge aanpassing
van de nationale maatregelen inzake het in de handel brengen
van met behulp van hoogwaardige technieken, met name
biotechnieken, vervaardigde geneesmiddelen (PbEG L 15), of
b. waarvoor een handelsvergunning is verleend nadat de
procedure, bedoeld in artikel 44, derde lid, is gevolgd, dan
wel
c. waarvoor een handelsvergunning is verleend nadat de
arbitrageprocedure, bedoeld in de artikelen 32, 33 en 34 van
richtlijn 2001/83 is gevolgd,
draagt de houder van de handelsvergunning er bovendien voor
zorg dat alle vermoedelijke ernstige bijwerkingen die zich in de
Gemeenschap voordoen, aan het College worden gemeld binnen
vijftien dagen nadat de desbetreffende bijwerkingen te zijner
kennis zijn gekomen.
7. De houder van de handelsvergunning meldt aan het College
elke vermoedelijke ernstige onverwachte bijwerking en elke
vermoedelijke overdracht via een geneesmiddel van infecties
veroorzakende agentia op het grondgebied van een derde land die
hem ter kennis komen, binnen vijftien dagen na ontvangst van de
informatie.
8. De houder van de handelsvergunning verstrekt aan het publiek
alleen objectieve informatie betreffende mogelijke bijwerkingen
van het geneesmiddel waarop de handelsvergunning betrekking heeft.
Hij verstrekt geen informatie aan het publiek over bezorgdheid in
verband met geneesmiddelenbewaking dan nadat hij het College ter
zake heeft geïnformeerd.
Artikel 78
1. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg melden aan de
instantie die in opdracht van de overheid tot doel heeft gegevens
over vermoedelijke bijwerkingen van geneesmiddelen waarvoor een
handelsvergunning is verleend, te verzamelen, te registreren en te
analyseren, onmiddellijk elke vermoedelijke bijwerking die leidt
tot overlijden, blijvende invaliditeit, ziekenhuisopname of
verlenging hiervan of aangeboren afwijking, alsmede elke
vermoedelijke overdracht via een geneesmiddel van infecties
veroorzakende agentia. Deze verplichting geldt ook voor bij
ministeriële regeling aan te wijzen geneesmiddelen, indien een
vermoeden bestaat op een bijzonder gezondheidsrisico.
2. De instantie die in opdracht van de overheid tot doel heeft
gegevens over vermoedelijke bijwerkingen van geneesmiddelen
waarvoor een handelsvergunning is verleend, te verzamelen, te
registreren en te analyseren draagt er zorg voor dat alle gemelde
bijwerkingen voor iedereen toegankelijk zijn, met inachtneming de
regels die gelden voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer.
3. Ten minste elke drie maanden wordt door de instantie die in
opdracht van de overheid tot doel heeft gegevens over
vermoedelijke bijwerkingen van geneesmiddelen waarvoor een
handelsvergunning is verleend, te verzamelen, te registreren en te
analyseren een overzicht van gevonden signalen aan het College ter
Beoordeling van Geneesmiddelen ter kennis gesteld. Deze informatie
is voor iedereen toegankelijk.
Artikel 79
1. Het College stelt het Bureau, de desbetreffende bevoegde
autoriteiten van de andere lidstaten en de houder van de
handelsvergunning voor het desbetreffende geneesmiddel
onmiddellijk en in elk geval binnen vijftien dagen in kennis van
een vermoedelijke ernstige bijwerking die zich in Nederland heeft
voorgedaan.
2. Indien het College van mening is dat een vergunning voor het
in de handel brengen van een geneesmiddel moet worden geschorst,
ingetrokken of gewijzigd, stelt hij het Bureau, de bevoegde
autoriteiten van de andere lidstaten en de houder van de
handelsvergunning hiervan onmiddellijk in kennis.
3. Indien zulks in het belang van de volksgezondheid dringend
noodzakelijk is, kan het College een handelsvergunning
onmiddellijk schorsen. Het College stelt het Bureau, de Europese
Commissie en de desbetreffende bevoegde autoriteiten van de andere
lidstaten op de eerste werkdag, volgend op de dag van de
schorsing, hiervan in kennis.
Artikel 80
1. Bij ministeriele regeling kunnen, in verband met de
vooruitgang van de wetenschap of de techniek, ter zake van de
geneesmiddelenbewaking nadere regels worden gesteld.
2. Bij ministeriële regeling kunnen voorts eisen worden
gesteld aan de vorm waarin een melding van vermoedelijke ernstige
of onverwachte bijwerkingen door de houder van de
handelsvergunning wordt gedaan. Tevens kunnen bij de regeling
regels worden gesteld ter zake van de vorm waarin andere gegevens
dan die, bedoeld in de eerste volzin, krachtens artikel 77 of 79
moeten worden gemeld door of aan het College dan wel aan het
Bureau of de desbetreffende bevoegde autoriteit van een andere
lidstaat.
Artikel 81
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op homeopathische
geneesmiddelen als bedoeld in artikel 42, derde lid.
Hoofdstuk 9. Geneesmiddelenreclame
§ 1. Begrips- en algemene bepalingen
Artikel 82
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. beroepsbeoefenaar: een arts, apotheker, tandarts,
verloskundige, verpleegkundige als bedoeld in artikel 36,
veertiende lid, onder d, van de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg, apothekersassistent of een
natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in
artikel 62, eerste lid, onder d en derde lid;
b. ondernemer: de houder van een handelsvergunning of van
een vergunning als bedoeld inartikel 18, eerste lid, tweede
volzin.
2. Voor de toepassing van artikel 94, onder b, voor zover het
een bijeenkomst betreft, wordt onder beroepsbeoefenaar tevens
verstaan een verpleegkundige die in de uitoefening van zijn beroep
in opdracht van een arts, tandarts of verloskundige geneesmiddelen
toedient of verstrekt aan patiënten.
Artikel 83
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
a. geneesmiddelen voor onderzoek, niet zijnde geneesmiddelen
waarvoor een handelvergunning is verleend en die worden gebruikt
als vergelijkingsmateriaal in een medisch-wetenschappelijk
onderzoek met mensen;
b. de bijsluiter bij en de etikettering van een geneesmiddel;
c. een brief of een emailbericht ter inwilliging van een
verzoek om informatie over een geneesmiddel;
d. informatie betreffende gezondheid of ziekte bij de mens.
Artikel 84
1. Reclame voor dan wel gunstbetoon met betrekking tot een
geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning is verleend, is
verboden.
2. Andere gegevens dan die, bedoeld in artikel 73, tweede lid,
onder a tot en met l, worden niet in reclame voor homeopathische
geneesmiddelen als bedoeld in artikel 42, derde lid, gebruikt.
Alle aspecten van reclame voor andere geneesmiddelen dan die,
bedoeld in de eerste volzin, zijn in overeenstemming met de
gegevens die in de samenvatting van de productkenmerken van het
desbetreffende geneesmiddel zijn opgenomen.
3. Reclame die het rationele gebruik van een geneesmiddel niet
bevordert wegens het ontbreken van een objectieve voorstelling van
zaken, is verboden.
4. Misleidende reclame is verboden.
§ 2. Publieksreclame
Artikel 85
Publieksreclame is verboden voor geneesmiddelen die:
a. uitsluitend op recept ter hand mogen worden gesteld;
b. zonder recept ter hand mogen worden gesteld en middelen
bevatten als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet.
Artikel 86
1. Publieksreclame voldoet aan de volgende eisen:
a. de reclame is zodanig weergegeven dat de boodschap als
reclame overkomt bij het publiek en voor het publiek volstrekt
duidelijk is dat het om een geneesmiddel gaat;
b. de reclame bevat de naam alsmede de algemene benaming
indien het geneesmiddel slechts één werkzaam bestanddeel
bevat;
c. de reclame bevat gegevens die voor een goed gebruik van
het geneesmiddel onontbeerlijk zijn;
d. de reclame bevat het uitdrukkelijke verzoek om de
bijsluiter dan wel de tekst op de buitenverpakking te lezen.
2. Het eerste lid, onder c en d, is niet van toepassing indien
de reclame uitsluitend tot doel heeft de benaming van het
geneesmiddel in herinnering te brengen bij het publiek.
Artikel 87
Reclame voor een kruidengeneesmiddel als bedoeld in artikel 42,
achtste lid, bevat de vermelding dat het om een traditioneel
kruidengeneesmiddel gaat, bij welke indicaties het wordt gebruikt en
dat de indicaties uitsluitend zijn gebaseerd op een reeds lang
bestaand gebruik.
Artikel 88
Publieksreclame is verboden indien deze vermeldt dan wel door
zijn formuleringen of afbeeldingen de indruk wekt dat:
a. het gebruik van het geneesmiddel een geneeskundig
onderzoek of een chirurgische ingreep overbodig maakt;
b. het geneesmiddel geen bijwerkingen kent of dat de werking
beter is dan of gelijk is aan de werking van een ander
geneesmiddel dan wel een andere geneeskundige behandeling;
c. de normale goede gezondheid van een persoon door het
gebruik van het geneesmiddel kan worden verbeterd;
d. de normale goede gezondheid van een persoon kan worden
aangetast wanneer het geneesmiddel niet wordt gebruikt;
e. de veiligheid of de werkzaamheid van het geneesmiddel te
danken is aan het feit dat het om een natuurlijke stof gaat.
Artikel 89
Publieksreclame is voorts verboden indien:
a. deze uitsluitend of voornamelijk is gericht op kinderen;
b. deze een aanprijzing dan wel een verwijzing naar een
aanprijzing bevat van wetenschapsbeoefenaren, beroepsbeoefenaren
of bij het publiek bekende personen;
c. daarin het geneesmiddel gelijk wordt gesteld met een
voedingsmiddel, een cosmetisch product of andere waren;
d. deze door de beschrijving of de gedetailleerde uitbeelding
van een ziektegeschiedenis tot een verkeerde zelfdiagnose kan
leiden;
e. daarin op misleidende wijze wordt verwezen naar
genezenverklaringen;
f. daarin op schrikwekkende of misleidende wijze gebruik
wordt gemaakt van uitbeeldingen van veranderingen van het
menselijk lichaam ten gevolge van een ziekte of letsel of van de
werking van het geneesmiddel in het menselijk lichaam;
g. daarin wordt aangegeven dat op verstrekking van het
geneesmiddel aanspraak bestaat krachtens de wettelijke sociale
ziektekostenverzekeringen.
Artikel 90
De verboden, bedoeld in de artikelen 85, 88, onder d, en 89,
onder g, gelden niet voor publieksreclame ter bevordering van
deelname aan een nationaal vaccinatieprogramma waarop aanspraak
bestaat krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
§ 3. Reclame, gericht op beroepsbeoefenaren
Artikel 91
1. Onverminderd artikel 84, vermeldt reclame die is gericht op
beroepsbeoefenaren:
a. de samenstelling, therapeutische indicaties,
contra-indicaties, werking en bijwerkingen van het
geneesmiddel die overeenstemmen met de samenvatting van de
kenmerken van het geneesmiddel;
b. de indeling van het geneesmiddel met betrekking tot de
terhandstelling.
2. In documenten vastgelegde reclame die aan beroepsbeoefenaren
wordt overhandigd of toegezonden, vermeldt, behalve de in het
eerste lid bedoelde gegevens, tevens:
a. of op verstrekking van het geneesmiddel aanspraak
bestaat krachtens de wettelijke sociale
ziektekostenverzekeringen;
b. de datum waarop de documenten zijn opgesteld dan wel
laatstelijk zijn gewijzigd.
3. De gegevens, opgenomen in documenten als bedoeld in het
tweede lid, zijn zodanig exact, actueel, verifieerbaar en volledig
dat de beroepsbeoefenaar zich een oordeel kan vormen over de
therapeutische waarde van het geneesmiddel.
4. In documenten als bedoeld in het tweede lid, opgenomen
citaten dan wel tabellen of andere illustraties die zijn ontleend
aan wetenschappelijke publicaties of medische tijdschriften, zijn
exact weergegeven met nauwkeurige bronvermelding.
5. Het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing
indien de reclame uitsluitend tot doel heeft de benaming van het
geneesmiddel in herinnering te brengen bij beroepsbeoefenaren.
Artikel 92
1. Het is verboden gratis monsters van een geneesmiddel te
verstrekken, tenzij:
a. daartoe een gedateerde en persoonlijk ondertekende
aanvraag door een beroepsbeoefenaar die bevoegd is
UR-geneesmiddelen voor te schrijven is ingediend bij de
betrokken ondernemer,
b. het monster niet groter is dan de kleinste verpakking
die in de handel is,
c. aan een beroepsbeoefenaar als bedoeld onder a niet meer
dan 2 monsters van hetzelfde geneesmiddel per kalenderjaar
worden verstrekt,
d. op het monster is vermeld dat het gratis is en niet
verkocht mag worden,
e. bij het monster een exemplaar van de samenvatting van de
kenmerken van het geneesmiddel is gevoegd, en
f. degene die het gratis monster verstrekt, een
administratie bijhoudt waarin is vastgelegd aan wie, op welke
datum en in welke hoeveelheid het is verstrekt.
2. Het is verboden aan een beroepsbeoefenaar monsters te
verstrekken die middelen bevatten als bedoeld in lijst I of II van
de Opiumwet.
Artikel 93
De ondernemer draagt ervoor zorg dat degene die in opdracht van
of namens hem artsen, apothekers, tandartsen of verloskundigen
bezoekt om reclame te maken voor en informatie te verstrekken over
een geneesmiddel:
a. een zodanige opleiding tot artsenbezoeker met goed gevolg
heeft afgesloten dat hij beschikt over voldoende
wetenschappelijke kennis om over de geneesmiddelen waarvoor hij
reclame maakt, nauwkeurig en zo volledig mogelijk informatie te
geven;
b. bij elk bezoek aan een arts, apotheker, tandarts of
verloskundige de samenvatting van de kenmerken van het
geneesmiddel aan de betrokkene verstrekt of te diens beschikking
houdt;
c. aan de in artikel 95 bedoelde wetenschappelijke dienst de
aan hem door een arts, apotheker, tandarts of verloskundige
verstrekte inlichtingen meldt over ongewenste bijwerkingen van
geneesmiddelen waarvoor hij reclame maakt, en over alle andere
aspecten die verband houden met het gebruik of de werking van
die geneesmiddelen.
§ 4. Gunstbetoon
Artikel 94
Gunstbetoon is verboden, tenzij:
a. tegenover de aan een beroepsbeoefenaar in het vooruitzicht
gestelde, aangeboden of toegekende gelden of op geld
waardeerbare diensten of goederen dan wel tegenover zodanige
door een beroepsbeoefenaar aanvaarde of ontvangen gelden,
diensten of goederen, op basis van een schriftelijke
overeenkomst door de beroepsbeoefenaar een prestatie wordt
verricht die in een redelijke verhouding staat tot die gelden,
diensten of goederen en van belang is voor de uitoefening van de
geneeskunst, de farmacie, de tandheelkunst of de verloskunst,
b. het een bijeenkomst of manifestatie betreft waarbij de
gastvrijheid die wordt geboden, beperkt blijft tot hetgeen
strikt noodzakelijk is om aan de bijeenkomst of de manifestatie
te kunnen deelnemen,
c. het geld of op geld waardeerbare diensten of goederen,
niet zijnde een bijeenkomst of een manifestatie, betreft
waartegenover geen prestatie van de beroepsbeoefenaar staat, die
een geringe waarde hebben en relevant zijn voor de uitoefening
van de geneeskunst, de farmacie, de tandheelkunst of de
verloskunst, of
d. het om kortingen en bonussen gaat met betrekking tot de
inkoop van geneesmiddelen door personen en rechtspersonen als
bedoeld in artikel 62, eerste lid, onder a, b en d.
§ 5. Overige bepalingen
Artikel 95
1. De houder van de handelsvergunning beschikt over een
wetenschappelijke dienst die is belast met de voorlichting over de
geneesmiddelen die hij in de handel brengt.
2. De ondernemer houdt een kopie van elke reclameboodschap die
van hem is uitgegaan, met vermelding van de categorie van
personen, rechtspersonen daaronder begrepen, tot wie de reclame
was gericht, van de wijze waarop de reclame is verspreid en van de
datum van eerste verspreiding, ter beschikking van de ambtenaren
van het Staatstoezicht op de volksgezondheid die met het toezicht
op de naleving van deze wet zijn belast of zendt dit, desgevraagd,
toe.
Artikel 96
Het uitzenden van telewinkelboodschappen is verboden.
Hoofdstuk 10. Bijzondere bepalingen
Artikel 97
1. Onze Minister draagt ervoor zorg dat aan een verzoek van het
Bureau of een instantie die in een andere lidstaat is belast met
het verlenen van vergunningen als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, om informatie te verstrekken over de naleving van de
wettelijke verplichtingen of de aan een vergunning verbonden
voorwaarden die op een fabrikant of een groothandelaar van
toepassing zijn, zo spoedig mogelijk gevolg wordt gegeven.
Hetzelfde geldt voor een verzoek van het Bureau of van zodanige
instantie om informatie over een certificaat als bedoeld in
artikel 99, tweede of vierde lid.
2. Het College draagt ervoor zorg dat aan een verzoek van het
Bureau of een instantie die in een andere lidstaat is belast met
het verlenen van vergunningen voor het in de handel brengen van
geneesmiddelen, om informatie te verstrekken over de naleving van
de wettelijke verplichtingen of de aan een handelsvergunning
verbonden voorwaarden die op de houder van een handelsvergunning
van toepassing zijn, zo spoedig mogelijk gevolg wordt gegeven.
3. Aan een met redenen omkleed verzoek om een afschrift van een
verslag als bedoeld in artikel 99, tweede lid, wordt terstond
gevolg gegeven.
4. Een certificaat dat in een andere lidstaat is verstrekt
krachtens een bepaling die materieel overeenkomt met artikel 99,
derde of vierde lid, heeft dezelfde rechtsgevolgen als een in
Nederland krachtens de desbetreffende bepaling afgegeven
certificaat.
5. Een verslag dat in een andere lidstaat is opgesteld
krachtens een bepaling die materieel overeenkomt met artikel 99,
tweede lid, heeft dezelfde rechtsgevolgen als een in Nederland
krachtens die bepaling opgesteld verslag.
6. Indien Onze Minister om redenen die verband houden met de
volksgezondheid, van mening is dat een in een andere lidstaat
afgegeven certificaat als bedoeld in het vierde lid, of een in een
andere lidstaat opgesteld verslag als bedoeld in het vijfde lid,
voor Nederland niet dezelfde rechtsgevolgen dient te hebben als de
rechtsgevolgen voor de andere lidstaat, stelt hij de Commissie,
het Bureau en de betrokken lidstaat daarvan onverwijld in kennis.
7. Indien een andere lidstaat van mening is dat een in
Nederland afgegeven certificaat als bedoeld in het vierde lid, of
een in Nederland opgesteld verslag als bedoeld inartikel 99,
tweede lid, niet dezelfde rechtsgevolgen dient te hebben als de
rechtsgevolgen daarvan in Nederland en de Commissie de inspecteur
die de inspectie heeft uitgevoerd, verzoekt een nieuwe inspectie
uit te voeren, wordt aan dit verzoek gevolg gegeven.
8. De hoofdinspecteur, bedoeld in 99, eerste lid, draagt ervoor
zorg dat een besluit tot het uit de handel nemen of het verbieden
van de aflevering een geneesmiddel terstond ter kennis wordt
gebracht van het Bureau. Indien zodanig besluit een weerslag kan
hebben op de volksgezondheid in een derde land, draagt Onze
Minister ervoor zorg dat die informatie ook ter kennis wordt
gebracht van de Wereldgezondheidsorganisatie.
Artikel 98
1. Onze Minister draagt ervoor zorg dat gevolg wordt gegeven
aan een verzoek van een overheidsinstantie van een derde land, van
een fabrikant of van een groothandelaar die geneesmiddelen
uitvoert, om de vergunning voor het bereiden van geneesmiddelen
van een fabrikant te certificeren. Het certificeren geschiedt
overeenkomstig de administratieve voorschriften van de
Wereldgezondheidsorganisatie ter zake en gaat vergezeld van een
afschrift van de overeenkomstig artikel 46, eerste lid,
goedgekeurde samenvatting van de kenmerken van het geneesmiddel.
2. Indien de fabrikant niet beschikt over een
handelsvergunning, legt hij, met het oog op een certificering als
bedoeld in het eerste lid, desgevraagd, aan Onze Minister een
verklaring voor waarin de reden daarvan wordt uitgelegd.
Artikel 99
1. De functionaris die aan het hoofd staat van het onderdeel
van het Staatstoezicht op de volksgezondheid dat is aangewezen
krachtens het besluit van Onze Minister, bedoeld in artikel 100,
eerste lid, draagt ervoor zorg dat gevolg wordt gegeven aan het
verzoek van de Commissie, het Bureau, de toezichthoudende
instantie van een andere lidstaat of de instantie die in een
andere lidstaat bevoegd is tot het verlenen van
handelsvergunningen, om een inspectie uit te voeren bij de
fabrikant van een bepaald geneesmiddel, bij degene die een
werkzame grondstof voor een bepaald geneesmiddel bereidt, niet
zijnde de fabrikant, of bij de houder van de handelsvergunning
voor een bepaald geneesmiddel, indien de verzoeker het vermoeden
heeft geuit dat de voorschriften inzake goede praktijken bij de
vervaardiging, bedoeld in artikel 27, niet worden nageleefd.
2. De functionaris, bedoeld in het eerste lid, draagt ervoor
zorg dat van een inspectie naar de naleving van de voorschriften
inzake goede praktijken bij de vervaardiging, verslag wordt
gemaakt en dat de inhoud daarvan wordt meegedeeld aan degene bij
wie de inspectie is verricht. Hetzelfde geldt indien een inspectie
is uitgevoerd naar de naleving van de bepalingen inzake
geneesmiddelenbewaking.
3. Indien een inspectie is uitgevoerd bij een natuurlijke
persoon of een rechtspersoon die in een derde land geneesmiddelen
geheel of gedeeltelijk vervaardigt dan wel grondstoffen als
bedoeld in het eerste lid vervaardigt, draagt de functionaris
ervoor zorg dat, indien de betrokken persoon bij de vervaardiging
voorschriften naleeft die gelijkwaardig zijn aan die, bedoeld in
artikel 27, binnen negentig dagen, te rekenen vanaf de dag van de
beëindiging van de inspectie, een certificaat wordt verstrekt aan
de betrokkene waarin de naleving is vastgelegd.
4. Indien een inspectie is uitgevoerd in het kader van de
krachtens het verdrag, bedoeld inartikel 1, eerste lid, onder f,
vastgestelde procedure voor het verkrijgen van een certificaat van
overeenstemming met de monografieën van de Europese Farmacopee,
draagt de functionaris ervoor zorg dat er een certificaat wordt
opgesteld en overgelegd aan degene die om de inspectie heeft
gevraagd. Een afschrift van het certificaat wordt verstrekt aan
degene bij wie de inspectie is uitgevoerd.
5. De functionaris draagt ervoor zorg dat een afschrift van een
certificaat als bedoeld in het derde en vierde lid, wordt gezonden
aan het Bureau met het verzoek om dit op te nemen in de door het
Bureau opgezette communautaire databank voor zodanige
certificaten.
6. Indien tijdens een inspectie is geconstateerd dat een
fabrikant zich niet houdt aan de beginselen inzake goede
praktijken bij de vervaardiging, bedoeld in artikel 27, draagt de
functionaris er voorts voor zorg dat deze informatie wordt
gezonden aan het Bureau teneinde dit te doen opnemen in de
databank, bedoeld in het vijfde lid, en aan het College.
Hoofdstuk 11. Handhaving: toezicht en opsporing
Artikel 100
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens
deze wet bepaalde zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht
op de volksgezondheid die daartoe bij besluit van Onze Minister
zijn aangewezen. Van zodanig besluit wordt mededeling gedaan door
plaatsing in de Staatscourant.
2. In afwijking van het eerste lid, zijn met het toezicht op de
naleving van deze wet aan boord van schepen die zijn bestemd en
worden gebruikt voor de bedrijfsmatige zeevaart of zeevisserij
belast de bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
3. In afwijking van het eerste lid, is Onze Minister van
Defensie belast met het toezicht op de naleving van deze wet voor
zover betrekking hebbende op haar uitvoering binnen de Nederlandse
krijgsmacht.
4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder Onze
Minister tevens verstaan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
of Onze Minister van Defensie voor zover het toezicht op de
naleving van deze wet plaatsvindt op grond van het tweede
onderscheidenlijk het derde lid.
5. De ambtenaren, bedoeld in het eerste en tweede lid, en de
ambtenaren die door en namens Onze Minister van Defensie belast
zijn met de in het derde lid bedoelde taak, hebben geen
financiële belangen of andere belangen in de farmaceutische
industrie die hun onpartijdigheid in het gedrang kunnen brengen.
Zij verstrekken jaarlijks een verklaring omtrent hun financiële
belangen aan de minister onder wie zij ressorteren.
Artikel 101
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen van ten
hoogste€ 450 000 ter zake van overtreding van het bepaalde bij
of krachtens artikel 18, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34,
35,36, 37, 38, 39, 40, 48, 49, 50, 61, 62, 64, 65, 66, 66a, 67,
68, 69, 70, 71, 72, 73,74, 75, 77, 78, 80, 84, 85, 86, 87, 88, 89,
91, 92, 93, 94, 95 of 96.
2. Een gedraging als bedoeld in het eerste lid die geen
economisch delict is in de zin van de Wet op de economische
delicten, is een strafbaar feit indien in de daaraan voorafgaande
24 maanden tweemaal een bestuurlijke boete ter zake van een zelfde
gedraging is opgelegd.
3. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van
de derde categorie wordt gestraft degene die een strafbaar feit
als bedoeld in het tweede lid pleegt.
4. Een strafbaar feit als bedoeld in het tweede lid, is een
overtreding.
Artikel 102 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 103 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 104 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 105 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 106 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 107 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 108 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 109 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 110 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 111 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 112 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 113 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 114
De ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid zijn
bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter
handhaving van een bevel als bedoeld in artikel 115, en de bij
artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde
verplichting.
Artikel 115
De ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid zijn,
ter voorkoming van schade aan de volksgezondheid, bevoegd een bevel
te geven om:
a. de bereiding, aflevering, handel, invoer, uitvoer of
terhandstelling van een geneesmiddel of een substantie die
kennelijk bestemd is ter bereiding van geneesmiddelen, op te
schorten of te beëindigen;
b. een geneesmiddel of een substantie die kennelijk bestemd
is ter bereiding van geneesmiddelen, uit de handel te laten
nemen;
c. een apotheek te sluiten indien in die apotheek, naar hun
oordeel, niet de nodige waarborgen aanwezig zijn voor een
veilige bereiding, opslag of terhandstelling van geneesmiddelen.
Artikel 116
1. De ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid,
de personen, aangewezen bij of krachtens artikel 141 van het
Wetboek van Strafvordering en de ambtenaren van de
rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane zijn belast met de
opsporing van de strafbare feiten, bedoeld in artikel 101.
2. De in het eerste lid zijn bedoelde ambtenaren zijn te allen
tijde bevoegd tot inbeslagneming alsmede ter inbeslagneming de
uitlevering te vorderen van de substanties en voorwerpen die tot
ontdekking van de waarheid kunnen dienen of waarvan de
verbeurdverklaring, onttrekking aan het verkeer, vernietiging of
onbruikbaarmaking kan worden bevolen.
Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen, wijziging andere wetten en
slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 117
1. De vergunningen die vóór de inwerkingtreding van deze wet
krachtens de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening zijn verleend
voor zowel het bereiden als het afleveren van geneesmiddelen,
worden voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met
vergunningen voor het bereiden en afleveren van zodanige middelen.
2. De vergunningen die vóór de inwerkingtreding van deze wet
krachtens de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening zijn verleend
uitsluitend voor het afleveren van geneesmiddelen na invoer,
worden voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met
vergunningen voor het invoeren van zodanige middelen.
3. De vergunningen die vóór de inwerkingtreding van deze wet
krachtens de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening zijn verleend
voor het uitsluitend afleveren van geneesmiddelen anders dan na
invoer, worden voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met
vergunningen voor het drijven van een groothandel.
4. De inschrijvingen in een register als bedoeld in artikel 3
van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening die vóór de
inwerkingtreding van deze wet zijn geschied dan wel de
vergunningen die krachtens die wet zijn verleend voor het
verpakken, etiketteren en afleveren van uit een andere lidstaat
betrokken geneesmiddelen worden voor de toepassing van deze wet
gelijkgesteld met handelsvergunningen onderscheidenlijk
parallelhandelsvergunningen.
5. De inschrijvingen in een register als bedoeld in artikel 3
van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening onderscheidenlijk de
aanvragen om zodanige inschrijving die vóór de inwerkingtreding
van deze wet zijn geschied onderscheidenlijk zijn ingediend en
waarop nog niet onherroepelijk is beslist, worden voor de
toepassing van deze wet gelijkgesteld met handelsvergunningen
onderscheidenlijk aanvragen om een handelsvergunning. De in de
eerste volzin bedoelde gelijkstelling geldt evenwel niet voor de
toepassing van de in de artikelen 42, vijfde lid, onder a, en 43,
tweede lid, bedoelde perioden ten aanzien van
referentiegeneesmiddelen waarvoor vóór de inwerkingtreding van
deze wet een inschrijving of een aanvraag om inschrijving als
bedoeld in de eerste volzin, is geschied onderscheidenlijk is
ingediend en waarop nog niet onherroepelijk is beslist. Ten
aanzien van de inschrijvingen in een register als bedoeld in de
eerste volzin, die vóór 30 oktober 2005 zijn geschied, en de
vóór die datum ingediende aanvragen om inschrijving, blijft de
beschermingsperiode, bedoeld in artikel 2, achtste lid, aanhef en
onder a, van het Besluit registratie geneesmiddelen zoals dat
luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing,
onverminderd het recht met betrekking tot de bescherming van de
industriële en commerciële eigendom.
6. De vergunningen die krachtens de Wet op de
Geneesmiddelenvoorziening zijn verleend voor het verpakken,
etiketteren en afleveren van uit een andere lidstaat betrokken
geneesmiddelen, onderscheidenlijk de aanvragen tot zodanige
vergunningen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van
deze wet en waarop nog niet onherroepelijk is beslist, worden voor
de toepassing van deze wet gelijkgesteld met
parallelhandelsvergunningen onderscheidenlijk aanvragen om een
parallelhandelsvergunning.
7. De geneesmiddelen, bedoeld in de bijlagen VII, IX, XI, XII
en XIII bij de Toetredingsakte waarvoor onderscheidenlijk in
Cyprus, Litouwen, Malta, Polen en Slovenië een handelsvergunning
is verleend, komen niet in aanmerking voor behandeling door het
College in het kader van de procedure, bedoeld in artikel 44,
derde lid, totdat die geneesmiddelen in overeenstemming zijn
gebracht met de bepalingen van deze wet inzake kwaliteit,
veiligheid en werkzaamheid van geneesmiddelen, doch uiterlijk tot
onderscheidenlijk 31 december 2005, 1 januari 2007, 31 december
2006, 31 december 2008 en 31 december 2007.
8. Aanvragen om een vergunning voor het bereiden en afleveren
of het uitsluitend afleveren van geneesmiddelen die zijn ingediend
vóór de inwerkingtreding van deze wet en waarop nog niet
onherroepelijk is beslist, worden voor de toepassing van deze wet
gelijkgesteld met aanvragen voor vergunningen als bedoeld
inartikel 18, eerste lid, tweede en derde volzin.
9. De vergunningen die vóór de inwerkingtreding van deze wet
op grond van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening zijn verleend
voor het bereiden of het invoeren van geneesmiddelen voor
onderzoek, worden voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld
met de vergunningen voor het bereiden of invoeren van
geneesmiddelen voor onderzoek. Aanvragen om vergunningen voor het
bereiden of invoeren van geneesmiddelen voor onderzoek die zijn
ingediend vóór de inwerkingtreding van deze wet en waarop nog
niet onherroepelijk is beslist, worden voor de toepassing van deze
wet gelijkgesteld met aanvragen daarvoor op grond van deze wet.
10. Een erkenning van een laboratorium die voor het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet krachtens artikel 5, vierde lid,
van het Besluit bereiding en aflevering van farmaceutische
producten is verleend, wordt voor de toepassing van deze wet
gelijkgesteld met een aanwijzing als bedoeld inartikel 26, derde
lid.
Artikel 118
1. Degene die een aanvraag voor een handelsvergunning voor een
traditioneel kruidengeneesmiddel wil indienen voor een product dat
ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet in de handel was,
dient binnen acht maanden na de inwerkingtreding van deze wet een
aanvraag tot voorlopige toelating in, onder overlegging van de
gegevens waaruit blijkt dat het desbetreffende product voldoet aan
de voorwaarden van artikel 42, achtste lid.
2. Het College beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
binnen acht weken, of het desbetreffende product naar zijn oordeel
voldoet aan de voorwaarden vanartikel 42, achtste lid.
3. Ter zake van producten die naar het oordeel van het College
voldoen aan artikel 42, achtste lid, wordt de aanvraag voor een
handelsvergunning voor een traditioneel kruidengeneesmiddel binnen
één jaar en acht maanden na de inwerkingtreding van deze wet
ingediend, onder overlegging van de desbetreffende krachtens
artikel 42, tweede lid, aangewezen gegevens en bescheiden.
4. Op verzoek van de aanvrager kan het College tot vier jaren
en acht maanden na de inwerkingtreding van deze wet uitstel
verlenen voor het overleggen van de gegevens en bescheiden,
bedoeld in het derde lid.
5. Tot acht maanden na de inwerkingtreding van deze wet of,
indien voor de afloop van deze periode een aanvraag als bedoeld in
het eerste lid is ingediend, tot twee maanden na het moment waarop
onherroepelijk is beslist op die aanvraag, is artikel 40, eerste
en tweede lid, niet van toepassing op kruidengeneesmiddelen als
bedoeld in artikel 42, achtste lid.
6. Tot twee jaren en acht maanden na de inwerkingtreding van
deze wet of, indien vóór deze datum een aanvraag als bedoeld in
het derde lid is ingediend, tot twee maanden na het moment waarop
onherroepelijk is beslist op die aanvraag doch uiterlijk tot 27
januari 2011, is artikel 40, eerste en tweede lid, niet van
toepassing op overeenkomstig het eerste en tweede lid voorlopig
toegelaten kruidengeneesmiddelen.
Artikel 119
De arts die onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van deze wet
krachtens artikel 6 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening
bevoegd is tot uitoefening van de artsenijbereidkunst in een
uitsluitend aan hem toebehorende apotheek, is bevoegd geneesmiddelen
ter hand te stellen aan de patiënten van zijn praktijk. Indien de
in de eerste zin bedoelde bevoegdheid is verkregen door een
vergunning, wordt deze vergunning gelijkgesteld met de vergunningen,
bedoeld in artikel 61, tiende onderscheidenlijk elfde lid.
Artikel 120
1. Voor middelen, bedoeld in bijlage II, behorende bij artikel
21, eerste lid, van het Besluit registratie geneesmiddelen, zoals
deze luidde voor het tijdstip van inwerkintreding van deze wet, is
artikel 40, eerste en tweede lid, gedurende vijf jaren, te rekenen
vanaf dat tijdstip, niet van toepassing.
2. [Wijzigt deze wet.]
3. Een wijziging van:
a. richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985
betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de
aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PbEG L 210),
b. richtlijn 87/22/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 22 december 1986 tot onderlinge aanpassing
van de nationale maatregelen inzake het in de handel brengen
van met behulp van hoogwaardige technieken, met name
biotechnieken, vervaardigde geneesmiddelen (PbEG L 15), of
c. richtlijn 2001/83,
gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de
dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet
zijn gegeven.
Artikel 121
1. De krachtens artikel 6, vierde, vijfde, zesde of zevende
lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening genomen
beslissingen behouden na de intrekking van die wet hun
rechtskracht.
2. De op het tijdstip van die intrekking aanhangige zaken
worden op de voet van het in artikel 6 van de Wet op de
Geneesmiddelen bepaalde afgehandeld.
Artikel 122
Waar in deze wet wordt verwezen naar de Wet
medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen, wordt daaronder
verstaan de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen zoals
deze komt te luiden indien het bij koninklijke boodschap van 27
februari 2003 ingediende voorstel van Wet tot wijziging van de Wet
medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen ter implementatie van
richtlijn nr. 2001/20/EGinzake de toepassing van goede klinische
praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met
geneesmiddelen voor menselijk gebruik (Wetenschappelijk onderzoek
met geneesmiddelen), Kamerstukken II, nr. 28 804, tot wet zal zijn
verheven en in werking is getreden.
§ 2. Wijziging andere wetten
Artikel 123
[Wijzigt de Warenwet]
Artikel 124
[Wijzigt de Wet inzake bloedvoorziening]
Artikel 125
[Wijzigt de Wet geneesmiddelenprijzen]
Artikel 126
[Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg]
Artikel 127
[Wijzigt de Diergeneesmiddelenwet]
Artikel 128
[Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968]
Artikel 129
[Wijzigt de Wet milieugevaarlijke stoffen]
Artikel 130
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 131
Ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap, de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of het Verdrag tot instelling van de Benelux
Economische Unie tot stand gekomen verordeningen of richtlijnen
betreffende de in deze wet geregelde onderwerpen kunnen bij algemene
maatregel van bestuur regels worden gesteld.
Artikel 132
De Wet op de Geneesmiddelenvoorziening wordt ingetrokken.
Artikel 133
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 134
Deze wet wordt aangehaald als: Geneesmiddelenwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 8 februari 2007
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de twintigste maart 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|