Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsregeling Uitvoeringswet EG-verordening
liquidemiddelencontrole
(vervallen)
WET van 21 juni 2007 tot uitvoering van Verordening
(EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van
liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten (PbEU
L 309) (Uitvoeringswet EG-verordening liquidemiddelencontrole)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
noodzakelijk is voorzieningen te treffen ter uitvoering van Verordening
(EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide
middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten (PbEU L 309);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
a. verordening: verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005
betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap
binnenkomen of verlaten (PbEU L 309);
b. inspecteur: de als zodanig aangewezen functionaris, bedoeld in
artikel 2, derde lid, onder b, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen.
2. Elke administratieve beslissing verband houdend met deze wet
en de daarop berustende bepalingen die door de inspecteur over een
bepaald geval wordt genomen en die voor een of meer personen wier
identiteit bekend is of kan worden vastgesteld, rechtsgevolgen heeft,
wordt aangemerkt als een beschikking in de zin van de wettelijke
bepalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, van de Douanewet.
Artikel 2
1. Bevoegde autoriteit in de zin van artikel 2, onderdeel 1,
van de verordening is de inspecteur.
2. Bij een door de inspecteur verrichte controle van natuurlijke
personen, hun bagage en hun vervoermiddelen op de voet van artikel 4,
eerste lid, van de verordening, alsmede bij een door hem verrichte
inbewaringneming van liquide middelen op de voet van artikel 4, tweede
lid, van de verordening, zijn artikel 14 van het Communautair
douanewetboek, alsmede hoofdstuk 2, paragrafen 2 en 3, en de artikelen
23, 27 en 29 van de Douanewet, van overeenkomstige toepassing. De
inspecteur past zijn in de vorige volzin bedoelde bevoegdheden in dit
verband slechts toe voorzover dat redelijkerwijs voor de controle op de
naleving van de in artikel 3 van de verordening bedoelde aangifteplicht
nodig is.
Artikel 3
1. De aangifte, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de
verordening, wordt schriftelijk gedaan.
2. De identiteit van de aangever wordt vastgesteld met behulp van
een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht.
3. Bij regeling van Onze Minister van Financiën:
a. wordt een aangifteformulier vastgesteld;
b. worden regels gesteld omtrent de bij de uitvoering van de
verordening:
1°. in aanmerking te nemen wisselkoers ter bepaling van de
tegenwaarde in euro’s van liquide middelen als bedoeld in artikel
2, onderdeel 2, van de verordening, waarvan het bedrag is uitgedrukt
in een andere valuta;
2°. in aanmerking te nemen waarde van verhandelbare instrumenten
aan toonder als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, onder a, van de
verordening.
4. Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen, in
afwijking van het eerste lid, regels worden gesteld op grond waarvan de
in artikel 3, eerste lid, van de verordening bedoelde aangifte langs
elektronische weg kan worden gedaan.
Artikel 4
1. Een beslissing tot inbewaringneming van liquide middelen op
de voet van artikel 4, tweede lid, van de verordening wordt door de
inspecteur schriftelijk genomen. De schriftelijke beslissing wordt
aangemerkt als een beschikking in de zin van de wettelijke bepalingen,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, van de Douanewet. De
bekendmaking van de beschikking geschiedt hetzij aan de natuurlijke
persoon die niet aan de aangifteplicht uit hoofde van artikel 3 van de
verordening heeft voldaan, hetzij, indien deze persoon onbekend is, in
het openbaar volgens bij regeling van Onze Minister van Financiën te
stellen regels.
2. De beschikking vermeldt welke gegevens in strijd met de
aangifteplicht niet, onvolledig of onjuist zijn verstrekt en verwijst
naar de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het zevende lid.
3. De inspecteur is bevoegd de inbewaringneming van de liquide
middelen te doen voortduren zolang de nodige gegevens, bedoeld in
artikel 3, tweede lid, van de verordening, ontbreken.
4. De inbewaringneming van de liquide middelen wordt beëindigd
door strafrechtelijke inbeslagneming of door een schriftelijke
beslissing van de inspecteur. Een schriftelijke beslissing van de
inspecteur als bedoeld in de eerste volzin wordt aangemerkt als een
beschikking in de zin van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel
2, tweede lid, onder a, van de Douanewet. Het eerste lid, derde volzin,
is met betrekking tot deze beschikking van overeenkomstige toepassing.
5. De beschikking, bedoeld in het vierde lid, vermeldt het
tijdstip van beëindiging van de inbewaringneming van de liquide
middelen en vermeldt voorts dat deze nog tot en met het kalenderjaar dat
volgt op het jaar waarin de in het vierde lid bedoelde beschikking is
bekendgemaakt, ter uitkering door de inspecteur aan een rechthebbende
beschikbaar blijven voorzover de liquide middelen niet strekken tot
voldoening van kosten als bedoeld in het zevende lid.
6. Indien liquide middelen die beschikbaar blijven in de zin van
het vijfde lid niet voor afloop van het kalenderjaar dat volgt op het
jaar waarin de in het vierde lid bedoelde beschikking is bekendgemaakt,
aan een rechthebbende zijn uitgekeerd, wordt hetzij het bedrag daarvan,
hetzij – voorzover de liquide middelen geen Nederlandse wettige
betaalmiddelen zijn – de verkoopopbrengst daarvan opgenomen in de
consignatiekas. Artikel 9, tweede tot en met zesde lid, van de Wet op de
consignatie van gelden blijft buiten toepassing.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden
vastgesteld waarin de kosten verbonden aan een inbewaringneming van
liquide middelen op de voet van artikel 4, tweede lid, van de
verordening, geheel of gedeeltelijk dienen te worden vergoed door de
natuurlijke persoon die niet aan de aangifteplicht uit hoofde van
artikel 3 van de verordening heeft voldaan. Heffing en invordering van
te vergoeden kosten geschieden overeenkomstig de wettelijke regels voor
de heffing, onderscheidenlijk invordering, van kosten van ambtelijke
werkzaamheden als bedoeld in artikel 35 van de Douanewet.
Artikel 5
1. Degene die uit hoofde van artikel 3 van de verordening
verplicht is tot het doen van aangifte en deze aangifte niet,
onvolledig of onjuist doet, wordt gestraft met geldboete van de derde
categorie.
2. Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten
opzettelijk begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. De in het eerste lid bedoelde verplichting wordt aangemerkt
als een bij de belastingwet gestelde verplichting en de in het eerste en
tweede lid strafbaar gestelde feiten worden aangemerkt als bij de
belastingwet strafbaar gestelde feiten, een en ander als bedoeld in de
Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 76, derde lid, onder e,
van die wet is met betrekking tot de in het eerste en tweede lid van dit
artikel strafbaar gestelde feiten niet van toepassing.
Artikel 6
[Wijzigt deze wet en de Algemene douanewet (Kamerstuk 30 580]
Artikel 7
Deze wet treedt in werking met ingang van 15 juni 2007. Indien
het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst wordt uitgegeven na
14 juni 2007, treedt zij in werking met ingang van de dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 8
Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet EG-verordening
liquidemiddelencontrole.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 21 juni 2007
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager
Uitgegeven de achtentwintigste juni 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|