|
Nadere regelgeving:
- Besluit
gewasbeschermingsmiddelen en biociden
- Besluit
glastuinbouw
(vervallen)
- Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
(vervallen)
- Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden
WET van 17 februari 2007, houdende
regeling voor de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van
gewasbeschermingmiddelen en biociden (Wet gewasbeschermingsmiddelen
en biociden)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is nieuwe regels te stellen voor de toelating, het op de markt
brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen alsmede voor de
toelating en registratie, het op de markt brengen en het gebruik van
biociden, mede gelet op richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt
brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230) en richtlijn nr.
98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG
L 123);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen:
apparaat dat specifiek is bestemd voor de toepassing van
gewasbeschermingsmiddelen, inclusief hulpstukken die essentieel zijn
voor de doeltreffende werking daarvan, zoals spuitdoppen, manometers,
filters, zeven en toebehoren voor het schoonmaken van tanks;
biocide: werkzame stof of preparaat dat één of meer werkzame
stoffen bevat, bestemd of aangewend om een schadelijk organisme te
vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten
daarvan te voorkomen of het op andere wijze langs chemische of
biologische weg te bestrijden, niet zijnde een gewasbeschermingsmiddel
en opgenomen in bijlage V bijrichtlijn 98/8/EG;
college: College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en
biociden, genoemd in artikel 3;
communautaire maatregel: verordening, richtlijn of beschikking als
bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap (Trb. 1957, 91) betrekking hebbende op
gewasbeschermingsmiddelen of biociden;
distributeur: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ervoor
zorgt dat gewasbeschermingsmiddelen of biociden in de handel
verkrijgbaar zijn, met inbegrip van groothandelaren, detailhandelaren,
verkopers en leveranciers;
gebruiker: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
gewasbeschermingsmiddel of biocide toepast, toedient, doet toepassen,
of doet toedienen;
geïntegreerde gewasbescherming: de zorgvuldige afweging van alle
beschikbare gewasbeschermingsmethoden, gevolgd door de integratie van
passende maatregelen die de ontwikkeling van populaties van
schadelijke organismen tegengaan, het gebruik van
gewasbeschermingsmiddelen en andere vormen van interventie tot
economisch en ecologisch verantwoorde niveaus beperkt houden en het
risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu tot een
minimum beperken;
gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009;
Onze Minister:
– voor gewasbeschermingsmiddelen, alsmede voor de toepassing
van hoofdstuk 2: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur
en Milieu;
– voor biociden: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu
in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie;
– voor de artikelen 86 en 90: Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie met betrekking tot overtredingen met
gewasbeschermingsmiddelen of Onze Minister van Infrastructuur en
Milieu met betrekking tot overtredingen met biociden;
Onze Ministers: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
professionele gebruiker: persoon die in de landbouwsector of in een
andere sector, gewasbeschermingsmiddelen of biociden gebruikt in het
kader van zijn beroepsactiviteiten, met inbegrip van bedieners van
toepassingsapparatuur, technici, werkgevers en zelfstandigen;
richtlijn 98/8/EG: richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 betreffende het
op de markt brengen van biociden (PbEG L 123);
verpakking: omhulsel waarin een gewasbeschermingsmiddel of biocide
aan of ten behoeve van een gebruiker wordt afgeleverd, of dat daartoe
is bestemd;
richtlijn 2009/128/EG: Richtlijn 2009/128/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een
kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam
gebruik van pesticiden (PbEU L 309);
verordening (EG) nr. 1107/2009: Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van
het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het
op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking
van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU, L 309).
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder
«gebruiken» mede verstaan de aanwezigheid van een werkzame stof, al
dan niet in een gewasbeschermingsmiddel of biocide, op of in gebouwen,
plaatsen, voorwerpen, de grond dan wel op of in planten of
plantaardige producten, met uitzondering van binnen Nederland gebracht
uitgangsmateriaal waaronder stekken en zaaizaad, voor zover de
werkzame stof in het land van herkomst op het uitgangsmateriaal is
toegepast in overeenstemming met de wetgeving van dat land.
3. Onder een biocide wordt mede verstaan een werkzame stof die door
de gebruiker op de plaats van toepassing is gegenereerd door middel
van apparatuur die niet bij ministeriële regeling is uitgezonderd van
de werking van deze wet.
Artikel 2. Mededeling van communautaire maatregelen
1. Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van de
vaststelling of wijziging van een communautaire maatregel voor zover
daaraan uitvoering moet worden gegeven, onder vermelding van de
artikelen van deze wet waarop de desbetreffende communautaire
maatregel betrekking heeft.
2. In afwijking van het eerste lid wordt een communautaire
maatregel die bepalingen inzake de opneming of niet-opneming van een
werkzame stof in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG bevat, dan
wel een wijziging daarvan, door het college in de Staatscourant
gepubliceerd.
3. Een communautaire maatregel of wijziging daarvan gaat voor de
toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop daaraan
uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel
besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander
tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 2a. Zorgplicht
Een ieder is verplicht op zorgvuldige wijze om te gaan met
gewasbeschermingsmiddelen, biociden, de daarbij behorende werkzame
stoffen of daarbij gebruikte toevoegingsstoffen, alsmede restanten
daarvan of de aangebroken verpakkingen. Die zorgvuldigheid houdt in
ieder geval in, dat een ieder, die weet of redelijkerwijs kan vermoeden
dat door zijn handelen of nalaten gevaar ontstaat of kan ontstaan voor
een mens, voor een dier of voor planten waarvan de instandhouding
gewenst is, voor planten die aan anderen toebehoren, voor de bodem of
voor het water, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten,
tenzij zulks in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd, dan wel
onverwijld alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen
worden gevergd teneinde voornoemd gevaar te voorkomen of de nadelige
gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.
Hoofdstuk 2. Het college voor de toelating van
gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Artikel 3. College
Er is een College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en
biociden. Het college bezit rechtspersoonlijkheid.
Artikel 4. Taken college
1. Het college wordt aangewezen als de bevoegde autoriteit voor
Nederland in de zin van artikel 75 van verordening (EG) 1107/2009. Het
college is in dat kader belast met het optreden als rapporteur
lidstaat voor de beoordeling van werkzame stoffen, beschermstoffen en
synergisten, alsmede met de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en
toevoegingsstoffen, overeenkomstig verordening (EG) 1107/2009.
2. Het college is belast met de toelating of registratie van een
biocide overeenkomstig hoofdstuk 5 of hoofdstuk 9.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan het college andere
taken worden opgedragen, die samenhangen met het op de markt brengen
of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden.
4. In afwijking van het eerste lid is Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie belast met het verstrekken van informatie
als bedoeld in artikel 67, eerste lid, derde tekstblok, van
verordening (EG) 1107/2009.
Artikel 5. Samenstelling college
1. Het college bestaat uit vijf leden, de voorzitter daaronder
begrepen, en ten hoogste vier plaatsvervangende leden. De benoeming
vindt plaats op grond van deskundigheid op het gebied van de taken
waarmee het college is belast.
2. De leden wijzen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter
aan.
3. De leden en de plaatsvervangend leden worden voor de duur van
vier jaren benoemd. Zij zijn ten hoogste twee keer herbenoembaar.
4. De leden en de plaatsvervangend leden hebben op persoonlijke
titel zitting in het college en oefenen hun functie uit zonder last of
ruggespraak.
5. Zolang in een vacature niet is voorzien, vormen de overblijvende
leden het college, met de bevoegdheid van het volledig college.
6. Leden en plaatsvervangend leden die zijn benoemd ter vervanging
van een tussentijds opengevallen plaats, treden af op het tijdstip
waarop degene in wiens plaats zij zijn benoemd, zou moeten aftreden.
7. De bezoldiging dan wel schadeloosstelling, bedoeld in artikel
14, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, voor de
leden en plaatsvervangende leden van het college komt ten laste van de
begroting van het college.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 7. Secretariaat
1.Het college heeft een secretaris en een secretariaat. Het
secretariaat is belast met de ondersteuning van het college.
2.De secretaris wordt op voordracht van het college benoemd door
Onze Minister. Hij kan worden geschorst of ontslagen door Onze
Minister.
3.De secretaris van het college is tevens directeur van het
secretariaat. Hij is belast met de dagelijkse leiding daarvan.
Artikel 8. Reglement college
1. Het college stelt een bestuursreglement vast, waarin in ieder
geval wordt geregeld:
a. de werkwijze van het college en de taakverdeling tussen de
leden, en
b. overige zaken betrekking hebbende op de uitvoering van het
bij of krachtens deze wet gestelde, waaronder de nadere eisen,
bedoeld in artikel 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Het college kan bij het reglement zijn vertegenwoordiging in en
buiten rechte opdragen aan een of meer leden van het college of aan de
secretaris. Het kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend
betrekking heeft op bepaalde aangelegenheden.
3. Het college kan bij het reglement de uitoefening van daarbij aan
te wijzen taken en bevoegdheden opdragen aan een of meer leden of aan
de secretaris.
4. [Vervallen.]
5. [Vervallen.]
6. In aanvulling op het eerste lid, onderdeel b, kan het college in
een bestuursreglement regels stellen voor het bij een schriftelijke
aanvraag overleggen van gegevens op een elektronische gegevensdrager
en de aanvrager daartoe verplichten, voorzover een belanghebbende de
gegevens niet langs elektronische weg verzendt als bedoeld in artikel
2:15 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 10. Tarieven college
1. Het college stelt zijn tarieven vast in verband met de
uitvoering van de inartikel 4 bedoelde wettelijke taken. Het tarief
omvat een jaarlijkse bijdrage ten laste van de houder van een
toelating voor ieder toegelaten gewasbeschermingsmiddel en ieder
toegelaten of geregistreerde biocide die op 1 februari is opgenomen in
het register van het college.
2. De tarieven, bedoeld in het eerste lid, bedragen niet meer dan
nodig is ter dekking van de gemaakte kosten in verband met de
verrichte activiteiten.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld over het maximumtarief of de maximale verhoging per jaar,
alsmede voor gewasbeschermingsmiddelen over een verlaging van het
tarief voor bepaalde vormen van toelating, bepaalde activiteiten en
bepaalde groepen aanvragers van een toelating, overeenkomstig artikel
74, tweede lid, van verordening (EG) 1107/2009.
Artikel 11. Inkomsten
De inkomsten van het college bestaan uit:
a. de opbrengsten van de tarieven, bedoeld in artikel 10;
b. vergoedingen voor verrichte diensten;
c. bijdragen van het Rijk;
d. andere baten, hoe ook genoemd.
Artikel 12. Verantwoording
1. Het college stelt jaarlijks een werkplan voor het eerstvolgende
jaar vast. Het werkplan bevat tevens een visie op de ontwikkelingen
voor de eerstvolgende vier jaren met betrekking tot aard en omvang van
de aan het college toebedeelde taken en de daaruit voortvloeiende
gevolgen voor de organisatie. Het werkplan wordt vóór 1 oktober aan
Onze Ministers ter kennis gebracht.
2. Indien de goedkeuring wordt onthouden aan de begroting, is het
college gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden voor iedere maand
gedurende welke de goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen ter
grootte van ten hoogste een twaalfde deel van de begroting van het
voorafgaande jaar waarmee is ingestemd.
3. Onze Minister kan tevens een onderzoek instellen naar de
doelmatigheid van het beheer, de organisatie en het beleid van het
college alsmede naar de doeltreffendheid van de uitvoering en het
beleid van het college. Desgevraagd geeft het college ten behoeve van
dit onderzoek inzage van de boeken en bescheiden en verstrekt het alle
inlichtingen die voor dit onderzoek nodig geoordeeld worden.
4. Onze Minister kan nadere regels stellen over de inrichting van
het werkplan, bedoeld in het eerste lid, alsmede het jaarverslag, de
begroting en de jaarrekening bedoeld, in artikel 18, respectievelijk
artikel 26, respectievelijk artikel 34 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen.
Artikel 13. Informatieverstrekking
Onze Minister stelt na overleg met het college een informatiestatuut
vast. Het informatiestatuut bevat regels met betrekking tot de
informatievoorziening tussen Onze Ministers en het college.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2010]
Hoofdstuk 3 [Vervallen per 26-11-2011]
Hoofdstuk 4. Gewasbeschermingsmiddelen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 18. Definities
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
basisstof: werkzame stof als bedoeld in artikel 23, eerste lid,
van verordening (EG) 1107/2009;
milieu: hetgeen daaromtrent is bepaald in artikel 3, onderdeel
13, van verordening (EG) 1107/2009;
niet-chemische methoden: methoden die een alternatief vormen voor
het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en die berusten op
landbouwtechnieken als bedoeld in punt 1 van bijlage III bij
richtlijn 2009/128/EG, of fysische, mechanische of biologische
bestrijdingsmethoden;
op de markt brengen: hetgeen daaromtrent is bepaald in artikel 3,
onderdeel 9, van verordening (EG) 1107/2009;
risico-indicator: het resultaat van een berekeningsmethode die
wordt gebruikt bij de beoordeling van risico’s van
gewasbeschermingsmiddelen voor de menselijke gezondheid en het
milieu;
voorlichter: persoon die beroepsmatig of in het kader van een
commerciële dienst advies verstrekt over de bestrijding van
schadelijke organismen en het veilig gebruik van
gewasbeschermingsmiddelen, in voorkomend geval met inbegrip van
particuliere en zelfstandige voorlichtingsdiensten, handelsagenten,
levensmiddelenproducenten en detailhandelaren;
werkzame stof: hetgeen daaromtrent is bepaald in artikel 2,
tweede lid, van verordening (EG) 1107/2009.
Artikel 19. Gebruik van werkzame stoffen
Het is verboden een werkzame stof die niet is opgenomen in een
toegelaten gewasbeschermingsmiddel te gebruiken, tenzij de stof is
goedgekeurd als basisstof op grond van artikel 23 van verordening (EG)
1107/2009.
Artikel 20. Overtredingen van de verordening
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 28,
eerste lid, 52, eerste en vijfde lid, 55, 56, eerste lid, 58, eerste
lid, en 64, van verordening (EG) 1107/2009 of de ter uitvoering
daarvan vastgestelde verordeningen.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 49,
vierde lid, 56, tweede of vierde lid, 65, eerste lid, 66 en 67 van
verordening (EG) 1107/2009 of de ter uitvoering daarvan vastgestelde
verordeningen.
3. Het is verboden een niet in Nederland toegelaten
gewasbeschermingsmiddel of toevoegingsstof voorhanden of op voorraad
te hebben.
Artikel 21. Behandeld zaaizaad
Het is verboden zaad van een plant, dat met een
gewasbeschermingsmiddel is behandeld, op de markt te brengen of te
gebruiken in Nederland, tenzij aangetoond kan worden dat het zaad is
behandeld met een gewasbeschermingsmiddel dat als zodanig is toegelaten
in een lidstaat van de Europese Unie.
Artikel 22. Voorschriften en beperkingen
1. Het is verboden een toegelaten gewasbeschermingsmiddel op de
markt te brengen of te gebruiken, indien de wettelijke of door het
college bij de toelating vastgestelde voorschriften of beperkingen
niet of niet op de voorgeschreven wijze op, aan of bij de verpakking
zijn vermeld.
2. Het is verboden een gewasbeschermingsmiddel op de markt te
brengen of te gebruiken, indien het gehalte aan werkzame stof en de
verdere samenstelling waaronder beschermstoffen, synergisten of
formuleringshulpstoffen, kleur, vorm, afwerking, verpakking, andere
aanduidingen of vermeldingen afwijken van de toelating of de
desbetreffende voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet,
verordening (EG) 1107/2009 of een ter uitvoering van die verordening
vastgestelde verordening.
3. De inartikel 19 of 20 of het eerste en tweede lid bedoelde
verboden gelden niet voor zover het college een voorziening heeft
getroffen voor het kunnen verwijderen, op de markt brengen, opslaan of
gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 46 van
verordening (EG) 1107/2009.
Artikel 23 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 24 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 25 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 26 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 27 [Vervallen per 26-11-2011]
§ 2. De toelatingsprocedure
Artikel 28. Nadere regels voor het op de markt brengen
1. Bij regeling van Onze Minister kunnen ter uitvoering van
verordening (EG) 1107/2009 regels worden gesteld over:
a. de wijze van totstandkoming en de inhoud van een afbouwplan,
bedoeld in artikel 4, zevende lid, van verordening (EG) 1107/2009;
b. de erkenning van proeven en analysen, bedoeld in artikel 29,
derde lid, van verordening (EG) 1107/2009;
c. de specifieke gebruiksomstandigheden in verband met milieu
of landbouw en de in verband daarmee te stellen nationale
risicobeperkende maatregelen, bedoeld in artikel 36, derde lid,
van verordening (EG) 1107/2009;
d. de vereenvoudiging of stimulering van aanvragen voor
toelating in verband met de uitbreiding voor een kleine toepassing
van een bestaande toelating, bedoeld in artikel 51 van verordening
(EG) 1107/2009;
e. de etikettering van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in
artikel 65 van verordening (EG) 1107/2009.
De regels, bedoeld in onderdeel b, kunnen inhouden dat proeven en
analysen eerst worden erkend of een aanvraag daartoe eerst in
behandeling wordt genomen, nadat een daarvoor vastgesteld tarief is
voldaan.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen ter uitvoering van artikel
81 van verordening (EG) 1107/2009 regels worden gesteld over
beschermstoffen, synergisten, formuleringshulpstoffen en
toevoegingsstoffen. Deze regels kunnen betrekking hebben op de
kwaliteit of samenstelling van deze stoffen en een verbod op of
beperking van het op de markt brengen of gebruik inhouden.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, voor
zover noodzakelijk voor de uitvoering van artikel 36, eerste lid, van
verordening (EG) 1107/2009, regels worden vastgesteld over de
toepassing van de in dat artikel bedoelde uniforme beginselen, voor
zover voor de toepassing van die beginselen geen beoordelingsmethoden
in richtsnoeren als bedoeld in artikel 77 van die verordening zijn
gesteld. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te
stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan
vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Artikel 29. Voorschriften
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
uitvoering van artikel 13, tweede lid, van richtlijn 2009/128/EG
regels worden gesteld voor de toelating of het gebruik van
gewasbeschermingsmiddelen voor niet-professioneel gebruik, teneinde
gevaarlijke situaties te vermijden. Deze regels kunnen onder meer
betrekking hebben op:
a. de mate van toxiciteit van het gewasbeschermingsmiddel;
b. gebruiksklare formuleringen;
c. beperkingen aan het formaat van de verpakking.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de aanpassing van het etiket van een
gewasbeschermingsmiddel nadat de gevaarsclassificatie van een
gewasbeschermingsmiddel is gewijzigd, overeenkomstig artikel 31,
tweede lid, van verordening (EG) 1107/2009.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
uitvoering van artikel 31, tweede en vierde lid, van verordening (EG)
1107/2009 regels worden gesteld over de door het college bij de
toelating te stellen voorschriften, waaronder in ieder geval bij
gebruik van het gewasbeschermingsmiddel in acht te nemen
herbetredingstermijnen, voorzorgsmaatregelen en veiligheidsadviezen
ter bescherming van de gebruiker of andere personen, die tijdens of na
het gebruik met het gewasbeschermingsmiddel zelf of een daarmee
behandeld product of materiaal in aanraking kunnen komen.
4. De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
§ 3 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 30 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 31 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 32 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 33 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 34 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 35 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 36 [Vervallen per 26-11-2011]
§ 4. Afwijkingen
Artikel 37. Proeven en experimenten
1. Op aanvraag kan het college ontheffing verlenen van de verboden,
bedoeld in de artikelen 19, 20, eerste lid, en 22, eerste en tweede
lid, in verband met het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in een
proef of experiment voor onderzoek of ontwikkelingsdoeleinden als
bedoeld in artikel 54 van verordening (EG) 1107/2009.
2. Onze Minister kan op aanvraag een bedrijf of instelling waar
proeven of experimenten worden uitgevoerd, erkennen. Op erkende
bedrijven en instellingen zijn de artikelen 19, 20, eerste lid, met
betrekking tot de daarin genoemde artikelen 28, eerste lid, en 55 van
verordening (EG) 1107/2009, en 22, eerste en tweede lid, niet van
toepassing.
3. Aan een ontheffing of erkenning kunnen voorschriften en
beperkingen worden verbonden.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen ter uitvoering van artikel
54 van verordening (EG) 1107/2009 regels worden gesteld over de
voorwaarden voor de verlening van een ontheffing of erkenning, bedoeld
in het eerste respectievelijk tweede lid.
5. Bij de regeling bedoeld in het vierde lid kan tevens worden
bepaald dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat een
daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan en dat alvorens een ontheffing
of erkenning kan worden verleend een onderzoek ter plaatse
noodzakelijk is, waarvan de kosten ten laste van de begunstigde worden
gebracht.
Artikel 38. Noodsituaties
1. Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag vrijstelling
verlenen van de verboden, bedoeld in de artikelen 19, 20 en 22, voor
het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel overeenkomstig artikel 53
van verordening (EG) 1107/2009.
2. Een vrijstelling wordt in ieder geval verleend ter uitvoering
van een communautaire maatregel, die is gericht op een te bestrijden
gevaar.
3. Aan een vrijstelling kunnen voorschriften en beperkingen worden
verbonden.
4. Indien een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan Onze
Minister bepalen dat de vrijstelling onmiddellijk in werking treedt.
In dat geval wordt het vrijstellingsbesluit, in afwijking van artikel
3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht op elektronische
wijze bekendgemaakt.
5. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat een
aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat een daarvoor
vastgesteld bedrag is voldaan. Tevens kunnen regels worden gesteld
omtrent de te volgen procedure en minimumvoorwaarden voor
vrijstelling.
Artikel 39. Tijdelijk beperken of verbieden
Het college kan ter uitvoering van artikel 71, eerste lid, van
verordening (EG) 1107/2009 het op de markt brengen of het gebruik van
een toegelaten gewasbeschermingsmiddel, met inbegrip van met een
gewasbeschermingsmiddel behandeld zaaizaad, of een goedgekeurde werkzame
stof, beschermstof, synergist of formuleringshulpstof tijdelijk beperken
of verbieden, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat het
gewasbeschermingsmiddel, het met een gewasbeschermingsmiddel behandelde
zaaizaad of de stof een ernstig risico inhoudt voor de gezondheid van
mens en dier of voor het milieu.
§ 5 [Vervallen per 26-11-2011]
§ 6. Bekendmaking
Artikel 40. Bekendmaking
Een besluit tot toelating of vrijstelling van een
gewasbeschermingsmiddel, alsmede een tijdelijke beperking van of verbod
op het op de markt brengen of gebruik van een toegelaten
gewasbeschermingsmiddel, wordt in de Staatscourant bekendgemaakt en
medegedeeld aan de aanvrager.
Hoofdstuk 5. Biociden
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 41. Definities biociden
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
basisstof: in bijlage 1B bij richtlijn 98/8/EG opgenomen stof die
hoofdzakelijk voor andere dan bestrijdingsdoeleinden wordt gebruikt,
maar in ondergeschikte mate als biocide wordt toegepast, hetzij
rechtstreeks, hetzij in een product dat bestaat uit die stof en een
eenvoudig oplosmiddel, dat zelf geen tot bezorgdheid aanleiding
gevende stof is, en die niet rechtstreeks voor gebruik als biocide
op de markt wordt gebracht;
biocide met een gering risico: biocide die als werkzame stof
uitsluitend een of meer in bijlage 1A bij richtlijn 98/8/EG
aangewezen, geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen bevat;
juist gebruik: rationele toepassing van een combinatie van
fysische, biologische, chemische of andere maatregelen waardoor het
gebruik van biociden tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt;
kaderformulering: specificaties voor een groep van biociden voor
hetzelfde gebruik en dezelfde gebruikerssoort, welke groep van
producten dezelfde werkzame stoffen met dezelfde specificaties bevat
en in samenstelling slechts afwijkingen ten opzichte van een eerder
toegelaten biocide vertoont die niet van invloed zijn op het aan die
biocide verbonden risico en haar doeltreffendheid;
milieu: water, lucht, bodem en wilde soorten van dieren en
planten, alsmede hun onderlinge relatie en hun relatie met levende
organismen;
op de markt brengen: iedere vorm van distribueren, leveren,
afleveren of vervoeren, al dan niet tegen betaling, met uitzondering
van leveringen voor opslag en daaropvolgende verzending buiten het
grondgebied van Nederland;
preparaat: mengsel of oplossing bestaande uit twee of meer
stoffen, waarvan ten minste één een werkzame stof is, en die voor
gebruik als biocide is bestemd;
registratie: bestuursrechtelijk besluit waarmee toestemming wordt
gegeven om een biocide met een gering risico op de markt te brengen;
residu: één of meer van de in een biocide aanwezige stoffen,
die als gevolg van het gebruik ervan achterblijven, met inbegrip van
de metabolieten van die stoffen en de producten die bij de afbraak
of de reactie vrijkomen;
schadelijk organisme: elk organisme dat ongewenst aanwezig is of
een schadelijke invloed heeft of waarvan uit anderen hoofde
bestrijding of afwering wenselijk is;
stof: chemisch element of verbinding daarvan, zoals dat of zoals
deze in de natuur voorkomt of industrieel wordt vervaardigd, met
inbegrip van alle verontreinigingen die onvermijdelijk bij het
fabricageproces ontstaan;
toelating: bestuursrechtelijk besluit waarmee wordt toegestaan
dat een biocide op de markt wordt gebracht;
tot bezorgdheid aanleiding gevende stof: iedere stof, met
uitzondering van de werkzame stof, die als intrinsieke eigenschap
heeft dat zij een schadelijk effect heeft op mensen, dieren of het
milieu en die in een biocide in voldoende concentratie aanwezig is
of ontstaat om een dergelijk effect te veroorzaken;
verklaring van toegang: document, ondertekend door de
rechthebbende op relevante gegevens die door richtlijn 98/8/EG
beschermd zijn, waarin verklaard wordt dat die gegevens door het
college gebruikt mogen worden voor de toelating of registratie van
een biocide;
werkzame stof: stof of micro-organisme, met inbegrip van een
virus of fungus met een algemene of specifieke werking op of tegen
schadelijke organismen.
Artikel 42. Op de markt brengen en gebruiken van werkzame stoffen
1. Het is verboden een werkzame stof met het oog op gebruik als
biocide op de markt te brengen, voorhanden te hebben of te gebruiken.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een
werkzame stof die tot de samenstelling behoort van een ingevolge deze
wet toegelaten of geregistreerde biocide. Het verbod geldt evenmin
voor een werkzame stof die is goedgekeurd als basisstof, bedoeld in
artikel 63.
Artikel 43. Op de markt brengen en gebruiken van biociden
Het is verboden een biocide op de markt te brengen, voorhanden of in
voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, tenzij
deze ingevolge deze wet is toegelaten of, voor zover het een biocide met
een gering risico betreft, is geregistreerd.
Artikel 43a. Verbod op handelen in strijd met voorschriften en
beperkingen
1. Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of
beperkingen die bij de toelating, vergunning, melding, erkenning,
registratie, vrijstelling, voorziening of goedkeuring zijn vastgesteld
door de bevoegde autoriteit.
2. Het is verboden een toegelaten of geregistreerde biocide op de
markt te brengen, voorhanden te hebben, in voorraad te hebben, in
Nederland te brengen of te gebruiken, indien de wettelijke of door het
college bij de toelating of registratie vastgestelde voorschriften
voor het gebruik niet of niet op de voorgeschreven wijze op, aan of
bij de verpakking zijn vermeld.
3. Het is verboden een toegelaten of geregistreerde biocide op de
markt te brengen, voorhanden te hebben, in voorraad te hebben, in
Nederland te brengen of te gebruiken, indien het gehalte aan werkzame
stof en de verdere samenstelling waaronder kleur, vorm, afwerking,
verpakking, andere aanduidingen of vermeldingen afwijkt van de
toelating of de desbetreffende voorschriften, gesteld bij of krachtens
deze wet.
4. De in deartikelen 42, eerste lid, 43 en het tweede en derde lid
bedoelde verboden gelden niet voor zover het college een voorziening
heeft getroffen voor het op de markt brengen, voorhanden hebben of
gebruiken van de biocide als bedoeld in artikel 68, vijfde lid.
Artikel 44. Procedure
1.Het college neemt op aanvraag een besluit omtrent toelating van
een biocide.
2.Een besluit omtrent toelating wordt genomen binnen een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn. Deze termijn kan
krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld indien dit
noodzakelijk is voor de uitvoering van een communautaire maatregel
inzake de opneming of niet opneming van een werkzame stof op bijlage
I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen
worden aangewezen waarbij een op aanvraag te nemen besluit omtrent
toelating na de in het tweede lid bedoelde termijn, van rechtswege is
verleend of niet verleend.
4.Indien een besluit omtrent toelating niet binnen de in het tweede
lid bedoelde termijn, kan worden genomen en een eerder verstrekte
toelating van de biocide voor het einde van die termijn vervalt, kan
het college het vervallen van de eerder verstrekte toelating
opschorten tot de dag waarop het college op de aanvraag heeft
besloten, onverminderd artikel 49, vierde lid.
5.Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op besluiten tot verlenging, intrekking of wijziging die op
aanvraag zijn genomen.
Artikel 45. De aanvraag
1.Een aanvraag wordt in behandeling genomen indien de aanvraag in
de Nederlandse taal is opgesteld en wordt ingediend door een
natuurlijke persoon of rechtspersoon, die verantwoordelijk is voor het
op de markt brengen van de biocide en die binnen de Europese
Gemeenschap een permanente vestiging heeft.
2.Een aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten:
a. een dossier betreffende de biocide dat, voldoet aan bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels voor de
uitvoering vanrichtlijn 98/8/EG of een voor die richtlijn
vastgestelde communautaire maatregel of een verklaring van toegang
tot voornoemd dossier;
b. een dossier betreffende elke werkzame stof in de biocide
dat, voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
gestelde regels voor de uitvoering van richtlijn 98/8/EG of een
voor die richtlijn vastgestelde communautaire maatregel of een
verklaring van toegang tot een dossier als hiervoor bedoeld.
3.Indien Onze Minister overweegt een voordracht te doen tot
vaststelling, wijziging, of intrekking van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a of b, kan hij,
indien een onmiddellijke voorziening vereist is, regelen stellen
overeenkomstig de voorgenomen maatregelen.
4.Een regeling als bedoeld in het derde lid blijft, behoudens
eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene
maatregel van bestuur, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht
maanden na het in werking treden van de regeling.
Artikel 46. Proeven op gewervelde dieren
1.Een aanvraag die vergezeld gaat van een dossier waar proeven op
gewervelde dieren aan ten grondslag liggen wordt niet in behandeling
genomen tenzij, de aanvrager voorafgaand aan die proeven bij het
college inlichtingen heeft ingewonnen omtrent proeven op gewervelde
dieren die bij een eerdere aanvraag tot toelating van een biocide zijn
uitgevoerd.
2.Het college verstrekt de volgende informatie:
a. of de biocide waarvoor een aanvraag wordt ingediend,
gelijkenis vertoont met een biocide waarvoor reeds een toelating
is verleend;
b. de naam en het adres van degenen op naam van wie de
toelating is geregistreerd.
3.Het college maakt de identiteit van de betrokken partijen over en
weer bekend, nadat hij zekerheid heeft gekregen over het voornemen tot
het doen van proeven op gewervelde dieren.
4.De betrokken partijen als bedoeld in het derde lid doen al
hetgeen redelijkerwijs van hen kan worden verlangd om overeenstemming
te bereiken over de uitwisseling van informatie, teneinde zo mogelijk
een herhaling van proeven met gewervelde dieren te beperken.
5.Het college stelt op grond van artikel 8 regels over uitwisseling
van gegevens, waaronder regels over de vergoeding te betalen door de
aanvrager voor de kosten van proeven op gewervelde dieren van degenen
die eerder gegevens over deze proeven hebben overgelegd.
Artikel 47. Gegevensbescherming
1. Het college gebruikt bij de behandeling van de aanvraag geen
gegevens die door andere aanvragers zijn verstrekt, tenzij de
aanvrager met de andere aanvrager schriftelijk is overeengekomen dat
deze gegevens mogen worden gebruikt.
2. In afwijking van het eerste lid kan het college bij de
behandeling van de aanvraag gebruik maken van gegevens die door andere
aanvragers zijn verstrekt nadat:
a. met betrekking tot de gegevens voor de opneming van de
werkzame stof in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG een
periode van vijftien jaar is verstreken na de datum van opname in
bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG van de in de biocide
werkzame stof, indien die werkzame stof op of na 15 mei 2000 op de
markt van de Europese Unie is toegelaten,
b. een periode van tien jaar is verstreken na de toelating door
het college van een biocide, waarvan de werkzame stof vóór 15
mei 2000 op de markt van de Europese Unie was en die voor de
opname in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG is toegelaten
voor zover voor die toelating door andere aanvragers gegevens zijn
verstrekt, of
c. een periode van tien jaar is verstreken na de datum van
opname in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG van een
biocide of een nieuwe productsoort, waarvan de werkzame stof
vóór 15 mei 2000 op de markt van de Europese Unie was toegelaten
voor zover voor die besluiten door die andere aanvragers gegevens
zijn verstrekt.
3. In afwijking van het eerste lid kan het college, bij de
behandeling van de aanvraag gebruik maken van aanvullende gegevens die
door een andere aanvrager zijn verstrekt voor:
a. de opname van een werkzame stof;
b. het wijzigen van de voorwaarden voor de opname van een
werkzame stof, of
c. de handhaving van de opname van een werkzame stof,
in bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG of een nieuw
productsoort voor die werkzame stof, indien een periode van vijf jaar
is verstreken na de datum van het besluit van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen volgend op de ontvangst van de betreffende
aanvullende gegevens.
4. Het college gebruikt de in het derde lid bedoelde aanvullende
gegevens van een andere aanvrager niet eerder dan nadat de periodes
genoemd in het tweede lid, onderdelen a, b, en c, zijn verstreken.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een andere
periode worden vastgesteld dan genoemd in het tweede lid, onderdeel b,
in verband met de verlenging van het werkprogramma van de Commissie
van de Europese Unie voor het onderzoek naar de goedkeuring van
werkzame stoffen voor biociden, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van
richtlijn 98/8/EG.
§ 2. De toelatingsprocedure
Artikel 48. Biociden die niet volgens een toelatingsprocedure worden
beoordeeld
1.In afwijking van deze paragraaf worden biociden met een gering
risico beoordeeld volgens een procedure als bedoeld in paragraaf 4 van
dit hoofdstuk.
2.In afwijking van deze paragraaf worden biociden die voldoen aan
het bepaalde in artikel 63 niet beoordeeld.
Artikel 49. Toelatingsvoorwaarden
1.Een biocide wordt toegelaten indien de biocide voldoet aan de
voorwaarde dat:
a. de werkzame stoffen die het bevat in bijlage I bijrichtlijn
98/8/EG zijn vermeld en voldoen aan de voorwaarden van die
bijlage,
b. de biocide na toepassing van de gemeenschappelijke
beginselen van bijlage VI bij richtlijn 98/8/EGop grond van de
stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand
van het onderzoek van het overeenkomstig artikel 45, tweede lid,
verstrekte dossier, bij gebruik overeenkomstig het besluit tot
toelating, rekening houdend met alle omstandigheden waaronder de
biocide normaliter wordt gebruikt, de wijze waarop het met de
biocide behandelde materiaal kan worden gebruikt en de gevolgen
van gebruik en verwijdering:
1°. voldoende werkzaam is,
2°. geen onaanvaardbare effecten heeft op de
doelorganismen, zoals onaanvaardbare resistentie of
kruisresistentie of onnodig lijden en pijn voor gewervelde
dieren,
3°. zelf of via zijn residuen geen onaanvaardbare effecten
heeft op:
– de gezondheid van mens of dier, hetzij direct, hetzij
indirect, waaronder via drinkwater, voedsel, voer, lucht in
gebouwen, of door omstandigheden op de werkplek, dan wel,
– het oppervlaktewater of het grondwater, en
4°. zelf of via zijn residuen geen onaanvaardbare effecten
heeft op het milieu, waarbij in het bijzonder rekening wordt
gehouden met de volgende aspecten:
– lot en verspreiding in het milieu, met name met
betrekking tot verontreiniging van oppervlaktewateren, met
inbegrip van estuariumwater en zeewater, grondwater en
drinkwater alsmede
– de gevolgen voor niet-doelorganismen,
c. de aard en de hoeveelheid van de werkzame stoffen en zo
nodig eventuele in toxicologisch en ecotoxicologisch opzicht
belangrijke verontreinigingen en hulpstoffen, en de residuen die
in toxicologisch opzicht of voor het milieu van belang zijn en bij
toegelaten gebruik ontstaan, worden bepaald overeenkomstig de bij
een communautaire maatregel vastgestelde methoden, of voor zover
deze methoden niet zijn vastgesteld, overeenkomstig door Onze
Minister vastgestelde of goedgekeurde methoden, en
d. de fysische en chemische eigenschappen van het product zijn
vastgesteld en voor de juiste wijze van gebruik, opslag en vervoer
van het product aanvaardbaar zijn geacht.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld inzake de toepassing van gemeenschappelijke beginselen als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aanhef, voor de beoordeling
van biociden.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld voor de beoordelingsmethoden bij de toepassing van de
toelatingsvoorwaarden, bedoeld in het eerste lid, alsmede regels
inzake onder meer:
a. de geschiktheid voor niet-professionele gebruikers;
b. de methode waarmee de op grond van artikel 50 vast te
stellen voorschriften worden bepaald.
4.Een toelating geldt voor een in het besluit tot toelating te
bepalen termijn van ten hoogste tien jaren.
5.Indien Onze Minister overweegt een voordracht te doen tot
vaststelling, wijziging, of intrekking van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het tweede of derde lid kan hij, indien een
onmiddellijke voorziening vereist is, regelen stellen overeenkomstig
de voorgenomen maatregelen.
6.Een regeling als bedoeld in het vijfde lid blijft, behoudens
eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene
maatregel van bestuur, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht
maanden na het in werking treden van de regeling.
Artikel 50. Voorschriften
1.Het college geeft bij de toelating voorschriften omtrent:
a. de doeleinden waarvoor de biocide uitsluitend dan wel niet
gebruikt mag worden,
b. de voorzorgsmaatregelen die nodig zijn om te kunnen voldoen
aan het gestelde in artikel 49, eerste lid, onderdelen b tot en
met d, alsmede het krachtens het tweede, derde en vijfde lid van
dat artikelbepaalde,
c. een juist gebruik van een biocide, en
d. de samenstelling, kleur, grootte, vorm, afwerking,
verpakking, aanduidingen en vermeldingen op, aan, bij of van de
verpakking van de biocide.
2.Het college kan bij de toelating voorts voorschriften geven over
onder meer:
a. het op de markt brengen van een biocide voor een aangewezen
categorie van personen of rechtspersonen,
b. het gebruik van een biocide voor een aangewezen categorie
van personen of rechtspersonen alsmede:
1°. de tijden en plaatsen waarop,
2°. de klimatologische omstandigheden waaronder,
3°. de doseringen waarin,
4°. de wijze waarop, of
5°. de technische hulpmiddelen waarmee, de biocide wordt
toegepast, of
c. door de gebruiker van de biocide in acht te nemen
veiligheidstermijnen, voorzorgsmaatregelen en veiligheidsadviezen
met betrekking tot de bescherming van zichzelf, andere gebruikers,
leveranciers, werknemers, consumenten, dieren of het milieu bij:
1°. het gebruik van behandelde grond,
2°. het gebruik van behandeld water,
3°. het betreden of gebruiken van behandelde ruimten,
oppervlakken, producten en goederen,
4°. het betreden of gebruiken van ruimten, waarin zich
behandelde goederen bevinden of bevonden, of
5°. het informeren van gebruikers, leveranciers,
werknemers en consumenten over de gevaren en de maatregelen
tot voorkoming van gevaar bij handelingen als bedoeld onder
1° tot en met 4°.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld voor de toepassing van het eerste of tweede lid alsmede
over te stellen voorschriften inzake:
a. een juist gebruik als bedoeld in artikel 78,
b. de uitvoering van goede praktijken als bedoeld in artikel
79,
c. het gebruik van voertuigen, werktuigen, methoden, technieken
en materialen bij de toepassing van biociden als bedoeld in
artikel 80,
d. een ingevolge artikel 81 aan te vragen vergunning.
4.Indien Onze Minister overweegt een voordracht te doen tot
vaststelling, wijziging, of intrekking van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het derde lid kan hij, indien een onmiddellijke
voorziening vereist is, regelen stellen overeenkomstig de voorgenomen
maatregelen.
5.Een regeling als bedoeld in het vierde lid blijft, behoudens
eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene
maatregel van bestuur, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht
maanden na het in werking treden van de regeling.
§ 3. Bijzondere vormen van toelating
Artikel 51. Toepasselijkheid paragrafen 1en 2
1.Aanvragen voor bijzondere vormen van toelating als bedoeld in
deze paragraaf worden overeenkomstig de paragrafen 1 en2 van dit
hoofdstuk in behandeling genomen voor zover in deze paragraaf geen
andersluidende bepalingen zijn opgenomen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor
bijzondere vormen van toelating als bedoeld in deze paragraaf nadere
regels worden gesteld in verband met de bijzondere aard van die
vormen van toelating.
Artikel 52. Afgeleide toelating
1.Het college besluit tot toelating van een biocide indien op grond
van een ander toelatingsbesluit die biocide in dezelfde samenstelling
onder een andere handelsnaam maar voor eenzelfde doeleinde is
toegelaten.
2.Deartikelen 45, tweede en vierde lid, alsmede 46 tot en met 50
zijn niet van toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste
lid.
3.Het in het eerste lid, bedoelde andere toelatingsbesluit geldt
eveneens voor de biocide die krachtens het eerste lid is toegelaten.
Artikel 53. Parallelle toelating
1.Het college besluit tot toelating van een biocide die:
a. in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte is toegelaten,
b. wordt ingevoerd vanuit een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte waar het
middel is toegelaten,
c. niet wezenlijk verschilt van een reeds in Nederland
toegelaten biocide, en
d. afkomstig is van de onderneming die de in onderdeel c,
bedoelde biocide vervaardigt, een daarmee gelieerde onderneming,
een onderneming die onder licentie de biocide vervaardigt of een
onderneming die beschikt over de verklaringen van toegang, bedoeld
in artikel 45, tweede lid, onderdelen a en b.
2.De artikelen 45, tweede en vierde lid, alsmede 46 tot en met 50
zijn niet van toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste
lid.
3.Alle besluiten inzake toelating van de in het eerste lid,
onderdeel c, bedoelde reeds in Nederland toegelaten biocide gelden
eveneens voor de biocide die op grond van dit artikel wordt
toegelaten.
Artikel 54. Voorlopige toelating
1.In afwijking van artikel 49 besluit het college tot voorlopige
toelating van een biocide die een werkzame stof bevat die niet is
vermeld in bijlage I of IA bij richtlijn 98/8/EG en die op 15 mei 2000
nog niet in een lidstaat van de Europese Unie op de markt was en
daarmee niet ingevolge een communautaire maatregel is gelijkgesteld,
indien:
a. de werkzame stof naar het oordeel van het college voldoet
aan de voorwaarden om in bijlage I of IA bij richtlijn 98/8/EG
geplaatst te mogen worden,
b. de biocide naar het oordeel van het college voldoet aan het
gestelde bij of krachtens artikel 49, eerste lid, onderdelen b tot
en met d, alsmede het krachtens hettweede, derde en vijfde lid van
dat artikel bepaalde, en
c. er op basis van de samenvatting die aan alle overige
lidstaten van de Europese Unie is toegezonden geen bezwaren zijn
ontvangen van die lidstaten.
2.Een toelating als bedoeld in het eerste lid geldt, in afwijking
van artikel 49, vierde lid, voor een termijn van maximaal drie jaar.
3.Het college doet onverwijld aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen en de andere lidstaten een kennisgeving van de
beoordeling van het dossier en de toelatingsvoorwaarden.
Artikel 55. Toelating op aanvraag van Onze Minister
In afwijking van artikel 45, eerste lid, kan het college op aanvraag
van Onze Minister besluiten tot toelating van een biocide indien:
a. de werkzame stof niet met het oog op gebruik als biocide op de
markt wordt gebracht,
b. de fabrikant of importeur niet beweert dat er sprake is van
een voldoende werkzaamheid ter bescherming van de gezondheid van
mens of dier dan wel ter voorkoming van schade aan natuurlijke of
vervaardigde producten, en
c. de biocide naar het oordeel van het college onder door het
college te stellen voorschriften aan het gestelde bij of krachtens
artikel 49, eerste lid, onderdelen b tot en met d, alsmede het
krachtens het tweede, derde en vijfde lid van dat artikel bepaalde
voldoet.
Artikel 56. Wederzijdse erkenning van de toelating
1.Het college besluit tot toelating van een biocide dat reeds in
een andere lidstaat van de Europese Unie is toegelaten, indien de
werkzame stof of de combinatie van werkzame stoffen van de biocide in
bijlage I bij richtlijn 98/8/EGis opgenomen en voldoet aan de in die
bijlagen opgenomen eisen.
2.Een aanvraag tot toelating van een biocide, als bedoeld in het
eerste lid bevat ten minste:
a. een samenvatting van het dossier, bedoeld in artikel 45,
tweede lid, onder a, alsmede
b. een gewaarmerkt afschrift van de toelating uit de in het
eerste lid bedoelde lidstaat.
3.Het college neemt bij de toelating voorschriften op die
voortvloeien uit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast
te stellen regels indien:
a. de doelsoort niet in schadelijke hoeveelheden voorkomt,
b. bij het doelorganisme onaanvaardbare tolerantie voor of
resistentie tegen de biocide is aangetoond, of
c. de relevante toepassingsomstandigheden, bijvoorbeeld het
klimaat of de voortplantingsperiode van de doelsoort, in
belangrijke mate afwijken van die in de lidstaat waar de biocide
het eerst werd toegelaten.
4.In afwijking van het eerste lid kan het college de toelating van
producten die onder de soorten 15, 17 en 23 van bijlage V bij
richtlijn 98/8/EGvallen, weigeren, indien die weigering kan worden
gerechtvaardigd en verenigbaar is met de doelstellingen van richtlijn
98/8. Het college brengt de lidstaten van de Europese Unie en de
Commissie van de Europese Gemeenschappen op de hoogte van dergelijke
besluiten en van de redenen die eraan ten grondslag liggen.
5.Onverminderd het derde lid stelt het college, indien het college
van mening is dat een door een andere lidstaat toegelaten biocide niet
aan de in bij of krachtens artikel 49 gestelde regels kan voldoen en
het college voornemens is de toelating te weigeren of de toelating
onder bepaalde voorwaarden te beperken, de aanvrager, de Commissie van
de Europese Gemeenschappen en de andere lidstaten daarvan in kennis
met de naam en specificaties van de biocide alsmede de redenen van het
voornemen.
6.Wanneer de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad
van de Europese Unie een communautaire maatregel heeft genomen naar
aanleiding van een kennisgeving van het college als bedoeld in het
vijfde lid of een kennisgeving van een autoriteit van een andere
lidstaat van de Europese Unie, deelt Onze Minister aan het college
mede of er redenen zijn om in afwijking van de communautaire maatregel
de biocide voorlopig toe te laten, toelating van de biocide te
weigeren, de toelating van de biocide te beperken of een toelating in
te trekken.
7.Het college besluit tot toelating, weigert een toelating, beperkt
een toelating of trekt een toelating in ingevolge daartoe door de
Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese
Unie genomen communautaire maatregelen, overeenkomstig de mededeling
van Onze Minister, bedoeld in het zesde lid.
§ 4. De registratieprocedure
Artikel 57. Toepasselijke procedure
1.Aanvragen voor registratie worden volgens de procedure en
voorwaarden van deze paragraaf in behandeling genomen.
2.Tenzij anders aangegeven, zijn alle bepalingen inzake de
toelating van een biocide ook van toepassing op de registratie van een
biocide.
Artikel 58. Voorwaarden
Een registratie wordt verleend onder de voorwaarde dat:
a. de werkzame stof of stoffen in bijlage IA bij richtlijn
98/8/EG zijn vermeld en aan de eisen van die bijlagen is voldaan en
b. de biocide geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stof bevat.
Artikel 59. Aanvraag
1. De registratie wordt aangevraagd door een natuurlijke persoon of
rechtspersoon, die een biocide met een gering risico op de markt
brengt en die binnen de Europese Gemeenschap een permanente vestiging
heeft.
2. De aanvraag tot registratie bevat de volgende gegevens:
a. de naam en het adres van de aanvrager,
b. een vermelding van alle fabrikanten van de biocide alsmede
de namen en adressen, met inbegrip van de vestigingsplaats, van de
fabrikant van de werkzame stoffen,
c. zo nodig, een verklaring van toegang tot het dossier met de
benodigde relevante gegevens,
d. de identiteit van de biocide en de handelsnaam,
e. de volledige samenstelling van de biocide alsmede de
fysische en chemische eigenschappen en het beoogde gebruik,
f. de vermelding van een productsoort overeenkomstig bij
ministeriële regeling vast te stellen soorten biociden en
toepassingsgebieden,
g. de categorie van gebruikers,
h. de gebruiksmethode,
i. de gegevens over de doeltreffendheid,
j. de analysemethoden,
k. de verpakking en etikettering, waaronder een ontwerpetiket,
en
l. een veiligheidsinformatieblad, opgesteld overeenkomstig
artikel 31 en bijlage II van de verordening (EG) nr. 1907/2006 van
het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de
registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen
ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een
Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van
Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG)
nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de
Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de
Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de
Commissie (PbEU 2007, L 136).
Artikel 60. Wederzijdse erkenning registratie
Een aanvraag voor de registratie van een biocide met een gering
risico die reeds in een andere lidstaat van de Europese Unie is
geregistreerd, wordt overeenkomstig het bepaalde in deartikelen 58 en 59
in behandeling genomen, met uitzondering van de gegevens over de
doeltreffendheid, waarvoor een samenvatting voldoende is.
Artikel 61. Weigering van wederzijdse erkenning registratie
1.Het college weigert voorlopig de registratie van een biocide met
een gering risico die door een andere lidstaat van de Europese Unie is
geregistreerd, indien de biocide niet aan de krachtens artikel
58gestelde voorwaarden voldoet.
2.Bij een voorlopige weigering als bedoeld in het eerste lid stelt
het college de bevoegde autoriteit van de in het eerste lid bedoelde
andere lidstaat onmiddellijk in kennis van zijn bezwaren. Het college
tracht met voornoemde bevoegde autoriteit binnen een termijn van ten
hoogste 90 dagen tot overeenstemming te komen.
3.Na afloop van de termijn, genoemd in het tweede lid, stelt het
college de aanvrager, de Commissie van de Europese Gemeenschappen en
de andere lidstaten van zijn voornemen tot weigering van de
registratie in kennis met de naam en specificaties van de biocide
alsmede de redenen van het voornemen tot weigering van de registratie.
4.Bij een voorlopige weigering als bedoeld in het eerste lid, stelt
het college de aanvrager, de Commissie van de Europese Gemeenschappen
en de andere lidstaten daarvan in kennis met de naam en specificaties
van de biocide alsmede de redenen van het voornemen tot weigering van
de registratie.
5.Indien de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van
de Europese Unie een communautaire maatregel heeft genomen naar
aanleiding van een kennisgeving van het college als bedoeld in het
derde lid of een kennisgeving van een autoriteit van een andere
lidstaat, deelt Onze Minister aan het college mede of er redenen zijn
om in afwijking van de communautaire maatregel de biocide voorlopig te
registreren, registratie te weigeren, de registratie te beperken of in
te trekken.
6.Het college registreert, weigert te registreren, beperkt een
registratie of trekt een registratie in na een procedure als bedoeld
in het eerste tot en met vierde lid, ingevolge daartoe door de
Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese
Unie genomen communautaire maatregelen, overeenkomstig de mededeling
van Onze Minister, bedoeld in het vijfde lid.
§ 5. De Kaderformulering en de basisstof
Artikel 62. De kaderformulering
1.Het college stelt op aanvraag bij de toelating een
kaderformulering vast.
2.Het college kan ambtshalve bij de toelating een kaderformulering
vaststellen.
Artikel 63. De basisstof
Stoffen die in bijlage IB bij richtlijn 98/8/EG opgenomen zijn,
vallen niet onder de werking van deze wet en mogen vrijelijk op de markt
worden gebracht en gebruikt voor zover aan de voorwaarden bij de
opneming van een stof in bijlage IB bij richtlijn 98/8/EG is voldaan.
§ 6. Vrijstelling
Artikel 64. Proeven
1. Het college kan op aanvraag vrijstelling verlenen van de
verboden, bedoeld in de artikelen 42, 43 en 43a, voor een biocide met
betrekking tot een proef of experiment voor onderzoek of
ontwikkelingsdoeleinden, indien de proef of het experiment naar het
oordeel van het college onder gecontroleerde omstandigheden en voor
beperkte hoeveelheden en oppervlakten wordt uitgevoerd.
2. De aanvrager verstrekt het college alle beschikbare gegevens op
grond waarvan de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en
dier alsmede het effect op het milieu kunnen worden beoordeeld.
3. Het college besluit niet tot vrijstelling indien de voorgenomen
proef of het voorgenomen experiment schadelijke gevolgen voor de
gezondheid van mens en dier of onaanvaardbare nadelige effecten op het
milieu kan hebben zonder dat deze gevolgen of effecten onder het
stellen van voorschriften voorkomen kunnen worden.
4. Het college kan aan een vrijstelling voorschriften verbinden en
verbindt aan een vrijstelling in ieder geval voorschriften die de
aanvrager verplichten gegevens bij te houden en zonodig aan het
college te verstrekken alsmede voorschriften die noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van gemeenschappelijke voorwaarden als bedoeld in
artikel 17, vijfde lid, van richtlijn 98/8/EG, voor zover deze
voorwaarden zijn vastgesteld.
5. Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend.
6. Onze Minister kan instanties erkennen met het oog op het
verrichten van bepaalde proeven en experimenten en daarbij
voorschriften stellen voor de wijze waarop de proeven of experimenten
worden verricht. Onze Minister kan de erkenning naar zijn oordeel
schorsen, wijzigen of intrekken.
7. Onze Minister kan bij regeling regels stellen voor de erkenning
van instanties, bedoeld in het zesde lid, alsmede regels die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de gemeenschappelijke
voorwaarden als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van richtlijn
98/8/EG, voor zover de gemeenschappelijke voorwaarden zijn
vastgesteld.
8. Onze Minister kan bij regeling in afwijking van het eerste lid
regels stellen voor het melden of registreren van proeven of
experimenten en het vaststellen van voorwaarden voor onder meer de
uitvoering van artikel 17, eerste lid, onderdelen a en b, van
richtlijn 98/8/EG.
9. Onze Minister kan bij regeling bepalen dat hij een aanvraag tot
erkenning als bedoeld in het zesde lid eerst in behandeling neemt,
nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan.
Artikel 65. Niet op andere wijze te bestrijden gevaar
1. Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag in bijzondere
omstandigheden vrijstelling verlenen met het oog op een beperkt en
gecontroleerd gebruik van de verboden, bedoeld in de artikelen 42, 43
of 43a, voor ten hoogste 120 dagen, voor het gebruik van een biocide
voor zover noodzakelijk wegens een onvoorzien, niet op andere wijze te
bestrijden gevaar.
2. De in het eerste lid bedoelde vrijstelling wordt in ieder geval
verleend voor de uitvoering van een communautaire maatregel die is
gericht op een te bestrijden gevaar.
3. Aan een vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend.
5. Indien naar het oordeel van Onze Minister een onverwijlde
voorziening noodzakelijk is, kan Onze Minister bepalen dat de
vrijstelling onmiddellijk in werking treedt. In dat geval kan hij de
vrijstelling, in afwijking van artikel 3:42 van de Algemene wet
bestuursrecht, op andere dan de daar genoemde wijze bekend maken.
6. Onze Minister kan bij regeling bepalen dat hij een aanvraag als
bedoeld in het eerste lid eerst in behandeling neemt, nadat een
daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan.
§ 7. Verandering van besluiten en informatieplicht
Artikel 66. Verlenging
1.Het college kan op aanvraag iedere toelating met toepassing van
de paragrafen 1 en 2 van dit hoofdstuk verlengen of opnieuw verlengen
met maximaal tien jaar.
2.In afwijking van het eerste lid kan een toelating als bedoeld in
artikel 54 slechts worden verlengd na toepassing van de in artikel 28,
tweede lid, van richtlijn 98/8/EG genoemde procedure voor de bij die
procedure bepaalde voorwaarden en termijnen of voor zover voornoemde
procedure nog niet tot een communautaire maatregel heeft geleid voor
een periode van ten hoogste een jaar.
3.Een vrijstelling als bedoeld in artikel 65, eerste lid, kan
worden verlengd na toepassing van de in artikel 28, tweede lid, van
richtlijn 98/8/EG genoemde procedure voor de bij die procedure
bepaalde voorwaarden en termijnen.
Artikel 67. Tijdelijk beperken of verbieden
1.Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een biocide op de
markt brengt dat is toegelaten, of waarvoor een vrijstelling is
verstrekt, is verplicht het college onmiddellijk op de hoogte te
stellen van alle nieuwe gegevens betreffende mogelijk gevaarlijke
gevolgen van de biocide of de residuen daarvan voor de gezondheid van
mens, dier of het milieu. In het bijzonder moet kennis worden gegeven
van:
a. nieuwe kennis of informatie betreffende de effecten van de
werkzame stof of de biocide op de mens of het milieu;
b. veranderingen in de herkomst of samenstelling van de
werkzame stof of combinatie van werkzame stoffen;
c. veranderingen in de samenstelling van een biocide;
d. ontwikkeling van resistentie;
e. veranderingen van administratieve aard of andere aspecten,
zoals de aard van de verpakking.
2.Het college kan ambtshalve het op de markt brengen, binnen
Nederland brengen, op voorraad hebben, voorhanden hebben of gebruiken
van een biocide tijdelijk beperken of verbieden wanneer er gegronde
redenen zijn om te oordelen dat een toegelaten biocide gevaar oplevert
voor de gezondheid van mens of dier dan wel onaanvaardbare effecten
heeft op het milieu.
3.Het college brengt onverwijld:
a. Onze Minister,
b. de Commissie van de Europese Gemeenschappen, en
c. andere lidstaten van de Europese Unie,
op de hoogte van nieuwe gegevens als bedoeld in het eerste lid,
alsmede een beperking of een verbod als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 68. Wijziging of intrekking
1. Het college kan een toelating intrekken op verzoek van de
natuurlijke of rechtspersoon ten name van wie de toelating is
opgenomen in het register, bedoeld in artikel 69, tweede lid.
2. Het college kan een toelating wijzigen met toepassing van de
paragrafen 1 en 2 van dit hoofdstuk op verzoek van de natuurlijke
persoon of rechtspersoon ten name van wie de toelating is opgenomen in
het register, bedoeld in artikel 69, tweede lid.
3. Het college trekt een toelating of een toepassing van een
toegelaten biocide ambtshalve of op aanvraag geheel of gedeeltelijk in
indien:
a. er aanwijzingen bestaan dat met in achtneming van de
voorschriften bedoeld in artikel 50, niet langer wordt voldaan aan
de bij of krachtens artikel 49 gestelde regels en de bij artikel
58gestelde toelatingsvoorwaarden,
b. onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met
betrekking tot de gegevens op basis waarvan de biocide is
toegelaten, of
c. de natuurlijke of rechtspersoon ten name van wie de
toelating is opgenomen in het register, bedoeld inartikel 69,
tweede lid, de jaarlijkse vergoeding bedoeld in artikel 10, eerste
lid, niet voldoet.
4. Het college wijzigt een toelating ambtshalve of op aanvraag
indien naar het oordeel van het college blijkt dat op grond van nieuwe
wetenschappelijke en technische kennis de wijze van gebruik en de
gebruikte hoeveelheden kunnen worden gewijzigd.
5. Bij wijziging of intrekking van een toelating bepaalt het
college of, in hoeverre, en voor welke termijn het is toegestaan een
niet meer voor bepaalde toepassingen te gebruiken of niet meer
toegelaten biocide in afwijking van artikel 43 op de markt te brengen,
in voorraad te houden, voorhanden te hebben of te gebruiken.
6. Vrijstellingen kunnen ambtshalve of op aanvraag worden gewijzigd
en ingetrokken. Het eerste tot en met vierde lid zijn van
overeenkomstige toepassing op vrijstellingen.
7. Onverminderd het zesde lid besluit het college bij wijziging of
intrekking van vrijstellingen als bedoeld in artikel 64, eerste lid,
overeenkomstig het vierde lid van dat artikel.
8. Onverminderd het eerste tot en met zevende lid worden
toelatingen of vrijstellingen voor biociden gewijzigd of ingetrokken
indien voor de in de betrokken biocide opgenomen werkzame stof een
communautaire maatregel is genomen om te voldoen aan de bij die
communautaire maatregel bepaalde voorwaarden en termijnen.
§ 8. Bekendmaking en openbaarmaking
Artikel 69. Bekendmaking
1. Een besluit omtrent toelating, of vrijstelling van een biocide,
een kaderformulering, dan wel verlenging, wijziging of intrekking
daarvan alsmede een tijdelijke beperking of verbod tot het op de markt
brengen of gebruik van een biocide worden in de Staatscourant
bekendgemaakt en medegedeeld aan de aanvrager.
2. Het college registreert besluiten als bedoeld in het eerste lid
in een elektronisch en voor het publiek toegankelijk register, dat
volgens door Onze Minister te stellen regels wordt ingericht. Alle in
het eerste lid genoemde besluiten worden in dat register vermeld.
3. De door het college via een elektronische weg openbaar gemaakte
informatie inzake de registratie van besluiten geeft een weerlegbaar
vermoeden van de inhoud van de geregistreerde besluiten.
Artikel 70. Openbaarmaking en vertrouwelijkheid
1. Het college of Onze Minister besluit in afwijking van de Wet
openbaarheid van bestuur en in afwijking van de artikelen 3:7, tweede
lid, 3:11, tweede lid, 7:4, zevende lid, 7:18, zevende lid, en 8:29,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht over de openbaarmaking
van bij het college onderscheidenlijk Onze Minister aanwezige gegevens
inzake toelating van biociden op grond van het bij of krachtens deze
wet bepaalde.
2. Een aanvrager van een toelating kan het college gemotiveerd
meedelen welke commercieel gevoelige informatie waarvan bekendmaking
hem op industrieel of commercieel gebied zou kunnen schaden, voor
iedereen behalve het college en de Commissie van de Europese
Gemeenschappen vertrouwelijk blijft. Het college behandelt voornoemde
commercieel gevoelige informatie vertrouwelijk als het college de
motivering aanvaardt.
3. Het college neemt de nodige stappen om de vertrouwelijkheid van
de volledige samenstelling van productformules te garanderen, indien
de aanvrager dit wenst.
4. Het college behandelt informatie, die door andere lidstaten als
vertrouwelijk is gekwalificeerd, vertrouwelijk.
5. De volgende informatie wordt in geen geval als vertrouwelijk
beschouwd:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de naam en het adres van de fabrikant van de biocide;
c. de naam en het adres van de fabrikant van de werkzame stof;
d. de naam en het gehalte van de werkzame stof en de naam van
de biocide;
e. de namen van andere stoffen die uit hoofde van titel 9.2 van
de Wet milieubeheer als gevaarlijk worden beschouwd en een rol
spelen bij de indeling van het product;
f. de fysische en chemische eigenschappen van de werkzame stof
en de biocide;
g. de wijzen waarop de biocide onschadelijk kan worden gemaakt;
h. een beknopt overzicht van de resultaten van de krachtens
artikel 49 vereiste proeven die ertoe strekken de werkzaamheid en
de effecten van de stof of het product op mens, dier en milieu en,
indien van toepassing, de resistentiebevorderende werking ervan
vast te stellen;
i. de aanbevolen methoden en voorzorgsmaatregelen om de gevaren
bij hantering, opslag, vervoer, gebruik, alsmede bij brand of
andere mogelijke ongelukken te beperken;
j. veiligheidsinformatiebladen;
k. de analysemethoden die bij de beoordeling zijn toegepast;
l. de methoden voor het verwijderen van het product en de
verpakking daarvan;
m. de te volgen procedures en de te nemen maatregelen bij
morsen of lekken;
n. de te verlenen eerste hulp en medisch advies bij
persoonlijke ongevallen.
6. Indien de aanvrager, de fabrikant of de importeur van de biocide
of van de werkzame stof op een later tijdstip informatie vrijgeeft die
voordien vertrouwelijk was, wordt het college daarvan op de hoogte
gebracht.
7. Onze Minister kan voor de uitvoering van communautaire
maatregelen nadere regels stellen over de openbaarmaking van
informatie.
Hoofdstuk 6. Handel en gebruik
§ 1. Vakbekwaamheidseisen, reclame en opslag
Artikel 71. Opleiding en bewijs van vakbekwaamheid
1. Het is verboden zonder een geldig bewijs van vakbekwaamheid een
gewasbeschermingsmiddel, toegelaten voor professioneel gebruik, te
ontvangen, te gebruiken of voorhanden te hebben, behoudens in bij
regeling van Onze Minister te bepalen gevallen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter
uitvoering van artikel 5 van richtlijn 2009/128/EG regels gesteld
over:
a. de eisen en procedures voor het verkrijgen van een bewijs
van vakbekwaamheid;
b. de geldigheidsduur van een bewijs van vakbekwaamheid,
c. de eisen en procedures voor het intrekken van een bewijs van
vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 85, en
d. het vernieuwen van een bewijs van vakbekwaamheid.
3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over:
a. de instanties die een bewijs van vakbekwaamheid kunnen
verlenen of intrekken,
b. het tarief dat in rekening wordt gebracht voor het
verkrijgen of wederom verkrijgen van een bewijs van
vakbekwaamheid,
c. overige eisen en procedures in verband met de implementatie
van artikel 5 van richtlijn 2009/128/EG.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op biociden, toegelaten voor professioneel gebruik, in de
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen.
Artikel 72. Aanprijzing
1. Het is verboden een niet toegelaten biocide aan te bevelen of
aan te prijzen.
2. Het is verboden het gebruik van een biocide aan te bevelen of
aan te prijzen in strijd met de voor dat gebruik geldende
voorschriften.
3. Het is verboden misleidende informatie te geven over de gevaren
van een biocide voor de gezondheid van mens of dier, of voor het
milieu.
4. Als misleidende informatie als bedoeld in het derde lid worden
in ieder geval beschouwd de aanduidingen:
a middel met een gering risico;
b, niet-vergiftig; en
c. ongevaarlijk.
5. Een reclametekst voor een biocide bevat duidelijk leesbaar de
zinnen:«Gebruik biociden veilig. Lees vóór gebruik eerst het etiket
en de productinformatie.» De term «biociden» mag worden vervangen
door een nauwkeuriger aanduiding van de desbetreffende productsoort.
Artikel 73. Distributie
1. Een distributeur brengt een gewasbeschermingsmiddel, niet zijnde
een gewasbeschermingsmiddel toegelaten voor niet-professioneel
gebruik, uitsluitend op de markt voor een klant die over een geldig
bewijs van vakbekwaamheid beschikt.
2. Een distributeur zorgt ervoor dat hij of voldoende van zijn
personeel over een bewijs van vakbekwaamheid beschikt, alsmede dat hij
of dat personeel op het tijdstip van verkoop beschikbaar is voor
klanten, in verband met de voorlichtende taak, bedoeld in het derde
lid. Deze verplichting is niet van toepassing op
gewasbeschermingsmiddelen die zijn toegelaten voor niet-professioneel
gebruik.
3. Een distributeur of zijn personeel geeft voorlichting aan
klanten over:
a. het juiste gebruik van een gewasbeschermingsmiddel;
b. de risico’s van dat gebruik voor de gezondheid en voor het
milieu; en
c de geldende veiligheidsinstructies voor het
gewasbeschermingsmiddel.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de verstrekking van algemene informatie door
distributeurs of producenten aan niet-professionele gebruikers over de
risico's van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden
voor de gezondheid van mens en dier of voor het milieu. De
informatieverplichting omvat ten minste blootstelling, een veilige
opslag, een veilig gebruik en veilige verwijdering van restanten
volgens de geldende regels, alsmede informatie over alternatieve
bestrijdingsmethoden die minder risico opleveren.
5. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een distributeur van biociden in de bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen.
Artikel 74. Invoer, vervoer en uitvoer van niet-toegelaten middelen
1. Het binnen Nederland brengen, de productie, de opslag en het
vervoer van niet-toegelaten biociden zijn in afwijking van de
artikelen 42 en 43toegestaan, indien aangetoond kan worden dat de
biociden zijn bestemd voor gebruik in een andere lidstaat van de
Europese Unie waar de biociden wel zijn toegelaten, of voor gebruik in
een derde land en aldaar niet verboden zijn, en is voldaan aan bij
regeling van Onze Minister gestelde voorschriften.
2. De productie, de opslag en het vervoer van niet-toegelaten
gewasbeschermingsmiddelen zijn in afwijking van artikel 20 toegestaan,
indien aangetoond kan worden dat de gewasbeschermingsmiddelen zijn
bestemd voor gebruik in een andere lidstaat van de Europese Unie en
het bewuste gewasbeschermingsmiddel daar is toegelaten, of voor
gebruik in een derde land, en is voldaan aan bij regeling van Onze
Minister gestelde voorschriften in verband met het kunnen controleren
dat het bewuste middel niet op het Nederlandse grondgebied wordt
gebruikt dan wel daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
3. De voorschriften bedoeld in het eerste en het tweede lid hebben
betrekking op:
a. de bescheiden waarmee kan worden aangetoond dat het
gewasbeschermingsmiddel of de biocide is bestemd voor een andere
lidstaat of een derde land;
b. eisen met betrekking tot de verpakking, de etikettering, de
opslag, het vervoer en de administratie van de bewuste partij
gewasbeschermingsmiddelen of biociden; en
c. andere eisen voor zover nodig voor een goede uitvoering van
artikel 28, tweede lid, onderdelen c en d, van verordening (EG)
1107/2009 of artikel 3, eerste lid, van richtlijn 98/8/EG.
Artikel 75. Nadere regelgeving op de markt brengen
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het
op de markt brengen of gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of
biociden nadere regels worden gesteld over onder meer:
a. het aanbevelen of aanprijzen van gewasbeschermingsmiddelen
of biociden;
b. de administratie van biociden en gewasbeschermingsmiddelen;
c. het vervoer en de opslag van gewasbeschermingsmiddelen of
biociden;
d. de wijze van afleveren van gewasbeschermingsmiddelen of
biociden.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
§ 2. Gebruik
Artikel 76 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 77
De klant, bedoeld in artikel 73, legitimeert zich op verzoek van de
distributeur of zijn personeel met een document als bedoeld in artikel 1
van de Wet op de identificatieplicht.
Artikel 78. Geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik van
biociden
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over juist gebruik van biociden of geïntegreerde
gewasbescherming overeenkomstig artikel 14 van richtlijn 2009/128/EG
en artikel 55 van verordening (EG) 1107/2009.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de wijze waarop het gebruik van biociden wordt
geadministreerd.
Artikel 79. Goede praktijken
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over de uitvoering van goede praktijken bij het toepassen van
gewasbeschermingsmiddelen of biociden.
Artikel 80. Toepassingsmethoden en -apparatuur
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de productie, het op de markt brengen of het
gebruik van voertuigen, vaartuigen, luchtvaartuigen, apparatuur voor
de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen of andere methoden,
technieken en materialen, zowel in de open lucht als in besloten
ruimten. Deze regels kunnen een verbod of beperking van het gebruik
inhouden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
uitvoering van artikel 8 van richtlijn 2009/128/EG regels worden
gesteld over een keuring van in gebruik zijnde apparatuur voor de
toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Deze regels omvatten de
keuringsfrequentie, de keuringseisen, de keuringsinstanties, het in
rekening te brengen tarief voor de keuring en de mogelijkheid van
vrijstelling voor aan te wijzen types apparatuur.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ter
uitvoering van het tweede lid de medewerking worden gevorderd van het
bestuur van een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66 van de Wet
op de bedrijfsorganisatie.
4. Indien de in het derde lid bedoelde medewerking bestaat uit het
stellen van regels of nadere regels bij verordening, behoeft zodanige
verordening de goedkeuring van Onze Minister.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld op overtreding
van de in het vierde lid bedoelde regels of nadere regels.
6. In afwijking van artikel 46 van de Wet tuchtrechtspraak
bedrijfsorganisatie 2004, is in voorkomend geval de instemming vereist
van Onze Minister.
7. In afwijking van artikel 82 kan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden bepaald dat met het toezicht op de
naleving van de regels of nadere regels waarvoor tuchtrechtelijke
maatregelen zijn gesteld, de bij besluit van het betrokken
bedrijfslichaam aangewezen personen zijn belast. Dat besluit behoeft
de goedkeuring van Onze Minister.
8. Een tuchtrechtelijke maatregel vindt geen toepassing, indien, na
overleg met het bedrijfslichaam, Onze Minister besluit tot het
opleggen van een bestuurlijke boete of de officier van justitie
besluit dat de desbetreffende overtreding strafrechtelijk wordt
afgedaan.
9. De voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 80a. Bescherming van milieu en volksgezondheid
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of
biociden in specifieke gebieden als bedoeld in artikel 12 van
richtlijn 2009/128/EG. Deze regels kunnen een verbod inhouden dan wel
zijn gericht op een vermindering van het gebruik van alle of een
bepaald type gewasbeschermingsmiddelen of biociden in bij die
maatregel aangewezen gebieden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ter
uitvoering van artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2009/128/EG de
medewerking worden gevorderd van het bestuur van een bedrijfslichaam
als bedoeld in artikel 66 van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
3. Op de in het tweede lid bedoelde medewerking is artikel 80,
vierde tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 81. Vergunning tot toepassing
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat de toepassing van een gewasbeschermingsmiddel of biocide
of een gebruik als bedoeld inartikel 80, eerste lid, alleen is
toegestaan na ontheffing, vergunning of vrijstelling door Onze
Minister of nadat van vorenbedoelde toepassing of gebruik melding is
gedaan aan Onze Minister.
2.Aan vergunningen kunnen voorschriften worden verbonden.
3.Vergunningen kunnen onder beperkingen worden verleend.
4.Het bepaalde in het tweede en derde lid is van overeenkomstige
toepassing op ontheffingen, vrijstellingen of meldingen als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 81a. Nationaal actieplan
1. Onze Ministers stellen een nationaal actieplan op ter uitvoering
van artikel 4 van richtlijn 2009/128/EG.
2. Het plan wordt ten minste iedere vijf jaren herzien.
3. Op de voorbereiding en wijziging van een nationaal actieplan is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving
Titel 1. Algemeen
§ 1. Toezicht op de naleving
Artikel 82. Aanwijzing toezichthouders
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet of onderdelen daarvan zijn belast de bij besluit van Onze
Ministers aangewezen ambtenaren.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
3.Onze Minister regelt de taakverdeling tussen de krachtens het
eerste lid aangewezen ambtenaren.
Artikel 83. Regels over monsterneming
Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over de
wijze van monsterneming, het verpakken en het verzegelen van monsters.
Artikel 84. Binnentreden woningen
Een toezichthouder is bevoegd met medeneming van de benodigde
apparatuur een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner.
§ 2. Bestuursrechtelijke handhaving
Artikel 85. Intrekking bewijs van vakbekwaamheid of vergunning
1. Een bewijs van vakbekwaamheid ten behoeve van het verrichten van
handelingen ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen of biociden,
wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen die
ter zake van het verkrijgen of behouden van een zodanig bewijs van
vakbekwaamheid bij of krachtens deze wet is gesteld.
2. Een bewijs van vakbekwaamheid wordt niet eerder ingetrokken dan
nadat gedurende een redelijke termijn gelegenheid is gegeven alsnog
aan de in het eerste lid bedoelde eisen te voldoen.
3. Een bewijs van vakbekwaamheid kan tevens worden ingetrokken
indien degene aan wie een bewijs van vakbekwaamheid is verleend, dan
wel een persoon voor wie diegene verantwoordelijk is of geacht wordt
verantwoordelijk te zijn, heeft gehandeld in strijd met bij of
krachtens deze wet gestelde voorschriften.
4. Bij een intrekking als bedoeld in het derde lid kan het
bestuursorgaan bepalen dat degene tot wie het bewijs van
vakbekwaamheid was gericht gedurende een door dat bestuursorgaan te
bepalen termijn niet in aanmerking komt voor een zelfde bewijs van
vakbekwaamheid.
5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot een vergunning, ontheffing of erkenning
die ingevolge deze wet wordt verleend.
Artikel 86. Bestuursdwang
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
regels en artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het
de verplichting betreft tot het verlenen van medewerking aan de
ingevolge artikel 82 aangewezen ambtenaren.
Artikel 87. Stillegging van activiteiten
1. De ingevolgeartikel 82 aangewezen ambtenaren zijn, indien naar
hun redelijk oordeel ernstig gevaar voor personen, planten, dieren of
het milieu bestaat, bevoegd mondeling of bij gedagtekend schrijven te
bevelen dat:
a. door hen aan te wijzen werkzaamheden met betrekking tot
gewasbeschermingsmiddelen of biociden of met betrekking tot met
die middelen behandelde gebouwen, plaatsen of voorwerpen worden
gestaakt dan wel niet worden aangevangen en
b. in of op door hen aan te wijzen plaatsen geen personen mogen
verblijven.
2. Een mondeling bevel wordt zo snel mogelijk schriftelijk
bevestigd aan degene die verantwoordelijk is voor de aangewezen
werkzaamheden of voor de gang van zaken in of op de aangewezen plaats.
3. Degene tot wie een bevel als bedoeld in het eerste lid is
gericht, is verplicht de inhoud van dat bevel ter kennis te brengen
van een ieder wie het bevel aangaat.
4. Zodra naar het oordeel van de ambtenaar die een bevel als
bedoeld in het eerste lid heeft gegeven, geen ernstig gevaar meer
aanwezig is, trekt deze het bevel in.
5. Degene die een bevel als bedoeld in het eerste lid heeft
gegeven, is bevoegd met betrekking tot dat bevel de nodige maatregelen
te treffen, met inbegrip van oplegging van een last onder
bestuursdwang, de nodige aanwijzingen te geven en zo nodig de hulp van
de sterke arm in te roepen.
6. Ieder wie het aangaat is verplicht zich te gedragen
overeenkomstig een krachtens dit artikel gegeven bevel of aanwijzing.
§ 3. Civielrechtelijke handhaving
Artikel 88. Verhalen schade
1.Een overheidslichaam kan – behoudens matiging door de rechter
– de te zijnen laste komende kosten van beheer, verwijdering, of
vernietiging van gewasbeschermingsmiddelen of biociden, ten aanzien
waarvan in strijd is gehandeld met het bij of krachtens deze wet
bepaalde, verhalen op degene door wiens onrechtmatige daad die kosten
zijn veroorzaakt, of op degene die anderszins krachtens burgerlijk
recht buiten overeenkomst aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan.
2.Een overheidslichaam kan in een geval als bedoeld in het eerste
lid, overeenkomstig de regels betreffende ongerechtvaardigde
verrijking, de daar bedoelde kosten verhalen op degene die door het
beheer van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen of biociden
ongerechtvaardigd wordt verrijkt.
3.Voor de toepassing van dit artikel is niet vereist dat op het
tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde handeling met de in dat
lid bedoelde gewasbeschermingsmiddelen en biociden zich heeft
voorgedaan, reeds jegens de overheid onrechtmatig werd gehandeld.
Titel 2. Bestuurlijke boetes
§ 1. Bevoegdheid
Artikel 89 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 90. Bestuurlijke boete
Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen in geval van
overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 2a, 19, 20, 21,
22, 28, 29, 37, derde lid, 38, derde lid, 39, 42, 43, 43a, 64, tweede,
vierde, vijfde, zesde of achtste lid, 65, derde of vierde lid, 67,
eerste of tweede lid, 71 tot en met 81, 87, zesde lid, 115 of118.
Artikel 91 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 92 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 93 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 94. Afstemming met openbaar ministerie
Indien de ernst van de overtreding of de omstandigheden waaronder zij
is begaan daartoe aanleiding geven, wordt zij aan het openbaar
ministerie voorgelegd.
Artikel 95 [Vervallen per 01-07-2009]
§ 2. Hoogte bestuurlijke boete
Artikel 96 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 97. Hoogte bestuurlijke boete
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een
overtreding of voor categorieën van overtredingen ten hoogste kan
worden opgelegd.
2. De op grond van het eerste lid te bepalen bestuurlijke boete
bedraagt ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de vijfde
categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van
Strafrecht, per overtreding begaan door een natuurlijke persoon, en
ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de zesde categorie, bedoeld
in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht per
overtreding, begaan door een rechtspersoon of een vennootschap, of,
indien dat meer is, 10 procent van de jaaromzet in het boekjaar
voorafgaande aan het boekjaar waarin de boete wordt opgelegd.
3. De berekening van de omzet, bedoeld in het tweede lid, geschiedt
op voet van het bepaalde in artikel 377, zesde lid, van boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek voor de netto-omzet.
§ 3. De procedure
Artikel 98 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 99 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 100 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 101 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 102 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 103 [Vervallen per 01-07-2009]
§ 4. Betaling
Artikel 104 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 105 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 106 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 107 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 108
Bij gebreke van volledige betaling binnen de in artikel 4:87 van de
Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn kan Onze Minister de
verschuldigde bestuurlijke boete invorderen bij dwangbevel.
Artikel 109 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 110 [Vervallen per 01-07-2009]
Hoofdstuk 8. Overige bepalingen
§ 1. Algemeen verbindend verklaring
Artikel 111. Verzoek tot algemeen verbindend verklaring
1.Onze Minister kan op een met redenen omkleed verzoek bepalingen
van een schriftelijke overeenkomst tussen degenen die in de
uitoefening van beroep of bedrijf handelingen verrichten met
gewasbeschermingsmiddelen of biociden, algemeen verbindend verklaren
voor zover deze bepalingen betrekking hebben op onderwerpen als
bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 1, van deze wet.
2.Een verzoek tot algemeenverbindendverklaring kan slechts worden
ingediend door degenen die, dan wel organisaties van degenen die, wat
betreft hun deelnemersaantal en hun gezamenlijke omzet, een naar het
oordeel van Onze Minister belangrijke meerderheid vormen van degenen
die de betrokken handelingen met gewasbeschermingsmiddelen of biociden
verrichten.
3.Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de
onderwerpen die in ieder geval in een overeenkomst waarvoor
algemeenverbindendverklaring wordt verzocht, aan de orde dienen te
komen, alsmede met betrekking tot de bij een verzoek als bedoeld in
het eerste lid over te leggen gegevens.
Artikel 112. Besluit tot algemeen verbindend verklaring
1.Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing
op de voorbereiding van het besluit tot algemeenverbindendverklaring,
met dien verstande dat de termijn van artikel 3:18, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht kan worden opgeschort voor zolang nodig ter
voldoening aan internationaalrechtelijke verplichtingen.
2.Onze Minister kan aan het besluit tot
algemeenverbindendverklaring voorschriften verbinden ten aanzien van
aan hem over te leggen rapportages over de uitvoering en handhaving
van de overeenkomst.
3.Een besluit tot algemeenverbindendverklaring geldt voor een in
het besluit aangegeven termijn van ten hoogste vijf jaar.
Artikel 113. Ontheffing
1.Onze Minister kan op een daartoe strekkend verzoek van een
besluit tot algemeenverbindendverklaring ontheffing verlenen, indien
de verzoeker zorg draagt voor het op een zodanige wijze verrichten van
de betrokken handelingen dat deze wijze naar het oordeel van Onze
Minister ten minste gelijkwaardig is aan de wijze waarop die
handelingen overeenkomstig de betrokken algemeenverbindendverklaring
worden verricht.
2.Een ontheffing van een algemeen verbindend verklaarde
overeenkomst kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing
kunnen voorschriften worden verbonden.
3.Een krachtens het eerste lid verleende ontheffing kan ambtshalve
of op een daartoe strekkend verzoek worden gewijzigd of worden
ingetrokken. Artikel 114, eerste lid, is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat voor het in onderdeel b van dat lid
genoemde belang in de plaats treedt: het niet langer voldoen aan het
in het eerste lid van dit artikel genoemde vereiste.
4.Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing
op de voorbereiding van het besluit tot ontheffing als bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 114. Intrekking
1.Onze Minister kan een besluit tot algemeenverbindendverklaring
intrekken, indien:
a. de ter zake verstrekte gegevens onjuist zijn of onvolledig
zijn;
b. op grond van een verandering van de omstandigheden of
inzichten opgetreden na het nemen van het besluit, moet worden
aangenomen dat het van kracht blijven van de overeenkomst niet
meer gerechtvaardigd is;
c. een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland
verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel
regels ter uitvoering daarvan, hiertoe verplichten, of
d. degenen die het verzoek hebben ingediend, daartoe verzoeken.
2.Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing
op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 115. Naleving
Een ieder is tot naleving van een voor hem geldende algemeen
verbindend verklaarde overeenkomst gehouden tegenover ieder ander, die
bij de naleving een redelijk belang heeft.
Artikel 116. Onderzoek door Onze Minister
1.Indien een of meer van degenen voor wie een overeenkomst algemeen
verbindend is verklaard, het vermoeden gegrond achten dat een of meer
van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen uit de overeenkomst
niet worden nageleefd, kunnen zij met het oog op het instellen van een
rechtsvordering Onze Minister verzoeken een onderzoek daarnaar te doen
instellen.
2.Indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid is ingediend,
kan Onze Minister een onderzoek instellen. Nadat het onderzoek is
afgerond licht Onze Minister degene of degenen, die om het onderzoek
hebben verzocht, in over de uitkomsten van het onderzoek.
§ 2. Implementatie
Artikel 117. Begripsbepaling
1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. EG-verordening: verordening van de Raad van de Europese Unie
of van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
gezamenlijk, die geheel of gedeeltelijk berust op de artikelen 12,
43, 114, 168, 169, of 192 van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie of 37, 95, 152, 153, of 175 van het Verdrag
tot oprichting van de Europese Gemeenschap en waarin voorschriften
zijn neergelegd betreffende het op de markt brengen van
gewasbeschermingsmiddelen of biociden of het op de markt brengen
van producten die met gewasbeschermingsmiddelen of biociden
behandeld zijn alsmede daarmee samenhangende activiteiten;
b. EG-richtlijn: richtlijn van de Raad van de Europese Unie of
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
gezamenlijk, die geheel of gedeeltelijk berust op de artikelen 12,
43, 114, 168, 169, of 192 van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie of 37, 95, 152, 153, of 175 van het Verdrag
tot oprichting van de Europese Gemeenschap en waarin voorschriften
zijn neergelegd betreffende het op de markt brengen van
gewasbeschermingsmiddelen of biociden of het op de markt brengen
van producten die met gewasbeschermingsmiddelen of biociden
behandeld zijn alsmede daarmee samenhangende activiteiten.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop berustende
bepalingen gelden de begripsomschrijvingen zoals die zijn neergelegd
in EG-verordeningen. Daar waar deze begripsbepalingen afwijken van de
in artikel 1 van deze wet opgenomen begripsbepalingen, gelden de
begripsbepalingen zoals die zijn neergelegd in de EG-verordening.
Artikel 118. Wettelijke basis voor implementatie
1.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor een
goede uitvoering van EG-verordeningen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ter implementatie van EG-richtlijnen.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter
implementatie van EG-beschikkingen.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ter implementatie van een overeenkomst betreffende het
op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden of het
op de markt brengen van producten die met gewasbeschermingsmiddelen of
biociden behandeld zijn alsmede daarmee samenhangende activiteiten
tussen de Europese Gemeenschap en een derde land of een internationale
organisatie.
5.De regels bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kunnen
betrekking hebben op:
a. de procedures en termijnen voor het op de markt brengen van
gewasbeschermingsmiddelen of biociden;
b. de wijze van onderzoek naar gewasbeschermingsmiddelen of
biociden;
c. de wijze van beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen of
biociden;
d. het verpakken of etiketteren van gewasbeschermingsmiddelen
of biociden;
e. de gevolgen die worden verbonden aan de effecten op mens,
dier, plant, of milieu van productie van, handel in, opslag van,
of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden;
f. de wijze van toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of
biociden;
g. het verlenen, schorsen en intrekken van certificaten,
erkenningen, vergunningen en getuigschriften van vakbekwaamheid;
h. het erkennen van examens of instanties;
i. het op de markt brengen van producten die met
gewasbeschermingsmiddelen of biociden behandeld zijn.
§ 3 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 119 [Vervallen per 01-01-2013]
§ 4. Bevoegdheden ministers
Artikel 120. Bevoegdheden andere ministers
1.Een voordracht voor een op grond van deze wet vast te stellen
algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan en een ministeriële
regeling op grond van deze wet kan worden vastgesteld door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, dan wel Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister, indien belangen
van arbeidsomstandigheden, volksgezondheid, dan wel waterbeheer in het
geding zijn.
2.Een ministeriële regeling op grond van deze wet wordt
vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
dan wel Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor zover belangen
van arbeidsomstandigheden, volksgezondheid, dan wel waterbeheer in het
geding zijn.
Hoofdstuk 9. Bepalingen in verband met bijlagen I, IA of IB bij
richtlijn 98/8/EG
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 121. Aanvragen voor besluiten inzake biociden met bestaande
werkzame stoffen
1. Aanvragen voor besluiten inzake biociden die
a. werkzame stoffen bevatten die vóór 15 mei 2000 in een
lidstaat van de Europese Unie op de markt zijn gebracht of
ingevolge een communautaire maatregel daarmee zijn gelijkgesteld,
en
b. waarvan de werkzame stoffen ingevolge een communautaire
maatregel zijn of worden onderzocht voor opneming in bijlage I,
IA, of IB bij richtlijn 98/8/EG,
worden met uitzondering van de artikelen 45, tweede lid, 49, eerste
lid, onderdeel a, en onderdeel b, aanhef, eerste zinsdeel met
betrekking tot de gemeenschappelijke beginselen, overeenkomstig
hoofdstuk 5 van deze wet in behandeling genomen voor zover in dit
hoofdstuk geen andersluidende bepalingen zijn opgenomen.
2. Een aanvraag voor een besluit als bedoeld in het eerste lid
wordt op grond van dit hoofdstuk in behandeling genomen tot:
a. de termijn bedoeld in artikel 127, tweede lid, is
verstreken, onder de voorwaarden, opgenomen bij de communautaire
maatregel, bedoeld in artikel 127, tweede lid of
b. de uiterste termijn van herbeoordeling van een biocide als
bedoeld in artikel 128, derde lid.
3. Aanvragen voor besluiten inzake biociden als bedoeld in het
eerste lid die een combinatie van werkzame stoffen bevatten, worden
beoordeeld aan de hand van hoofdstuk 5 voor zover in dit hoofdstuk
geen andersluidende bepalingen zijn opgenomen voor een in de
combinatie opgenomen werkzame stof als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 121a. Beoordeling van de aanvraag
1. Het college houdt bij de beoordeling van een aanvraag als
bedoeld in artikel 121, eerste lid, naar behoren rekening met de
effecten die een biocide kan hebben op de gezondheid van mens en dier,
alsmede op het milieu en beoordeelt of deze effecten niet
onaanvaardbaar zijn.
2. Het college beoordeelt een aanvraag als bedoeld in artikel 121,
eerste lid, aan de hand van een dossier dat de nodige informatie bevat
om de effecten, bedoeld in het eerste lid, daadwerkelijk te kunnen
onderzoeken en aan de hand van gegevens die bij het college over de
biocide bekend zijn, onverminderd artikel 47.
3. Het college neemt een aanvraag voor een besluit inzake een
biocide als bedoeld in artikel 121, eerste lid, slechts in behandeling
onder de voorwaarde dat het dossier, bedoeld in het tweede lid, naar
het oordeel van het college ten minste voldoet aan de voorschriften
inzake de te verstrekken gegevens die ter uitvoering van de artikelen
3 en 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 op 15 mei 1998 bestonden
en met in achtneming van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regels.
4. Voor de uitvoering van het eerste tot en met vierde lid worden
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in
verband met de gevolgen van het gebruik bedoeld in artikel 49, eerste
lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°.
§ 2. Bepalingen inzake nog niet in bijlagen I, IA of IB bij
richtlijn 98/8/EG opgenomen werkzame stoffen
Artikel 122. Verlenging van besluiten tot toelating
1. Het college stelt volgens bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regels lijsten van biociden vast, waarvoor
onder de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 een aanvraag tot verlenging van
de toelating of registratie als bedoeld in artikel 25d, zesde lid,
onderdeel e, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 is ingediend en
verlengt de voor deze biociden op grond van artikel 129, tweede lid,
eerste volzin, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
geldende besluiten tot toelating met een in de lijsten opgenomen
termijn. Het college kan de geldende besluiten tot toelating opnieuw
verlengen door deze lijsten te wijzigen of opnieuw vast te stellen.
2. Een biocide wordt slechts op een lijst als bedoeld in het eerste
lid opgenomen indien het college van oordeel is dat de biocide, als
bedoeld in artikel 122, eerste lid, aan artikel 121avoldoet.
3. De verlenging, bedoeld in het eerste lid, eindigt in ieder geval
op de uiterste datum dat aan een communautaire maatregel inzake de
opneming of niet opneming van een werkzame stof in bijlage I, IA of IB
bij richtlijn 98/8/EG gevolg moet zijn gegeven, tenzij het college een
besluit als bedoeld in artikel 127, eerste of derde lid, of een
besluit als bedoeld in artikel 128, eerste of derde lid, neemt.
4. Het college besluit ambtshalve tot een nieuw onderzoek inzake de
toelating van een biocide als bedoeld in het tweede lid, indien het
college op basis van de haar bekende gegevens tot het oordeel komt dat
er aanwijzingen bestaan dat niet wordt voldaan aan de in artikel 49,
eerste lid, onderdeel b, onder 1 tot en met 4, alsmede onderdelen c en
d, genoemde voorwaarden. Het college kan na voornoemd onderzoek
besluiten tot een tijdelijke beperking, een wijziging dan wel
intrekking van de toelating of tot een verbod van het biocide.
Artikel 123. Besluiten inzake een dringend vereist biocide
1. Het college besluit volgens bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regels op aanvraag tot toelating van een
biocide, als bedoeld in artikel 121, eerste lid, indien het belang van
de landbouw of een andere economische sector dit volgens voornoemde
regels vereist.
2. Artikel 122, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien naar het oordeel van het college een onverwijlde
voorziening noodzakelijk is, kan het college bepalen dat de toelating
onmiddellijk in werking treedt. In dat geval kan het college, in
afwijking van artikel 3:42, van de Algemene wet bestuursrecht, het
besluit op bij ministeriële regeling te bepalen wijzen bekend maken.
Artikel 124. Besluiten inzake biociden waarvan de werkzame stoffen
zijn opgenomen in de vierde fase van het werkprogramma of zijn bestemd
voor biologische landbouw
1. Het college besluit volgens bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regels op aanvraag tot toelating van een
biocide als bedoeld in artikel 121, eerste lid, die volgens
verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008
tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG)
nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de
etikettering van biologische producten, wat de biologische productie,
de etikettering en de controle betreft (PbEU, L 250) in aanmerking
kunnen komen als biocide, en waarvan de werkzame stof is opgenomen in
bijlage VII of een andere bijlage daarvan.
2. Artikel 122, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 125. Besluiten inzake gewijzigde samenstelling van een
biocide
1. Het college besluit op aanvraag tot toelating van een biocide
als bedoeld inartikel 121, eerste lid, waarvan de samenstelling in
vergelijking met een eerder besluit tot toelating gewijzigd is, indien
het college van oordeel is dat bij de gewijzigde samenstelling van dat
middel sprake is van minder risico voor mens, dier, plant of milieu of
van een middel met een grotere werkzaamheid bij een voor mens, dier,
plant of milieu vergelijkbaar risico in vergelijking tot de
samenstelling van het reeds toegelaten middel.
2. Alleen aanvragen van een natuurlijke persoon of rechtspersoon
ten name van wie een eerdere toelating als bedoeld in het eerste lid
is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 69, tweede lid,
alsmede van aanvragers die een verklaring van toegang als bedoeld in
artikel 45, tweede lid, onderdelen a en b, kunnen overleggen, worden
in behandeling genomen.
3. Artikel 122, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126. Besluiten inzake vereenvoudigde uitbreidingstoelating
van biociden
1. Het college kan in afwijking vanartikel 49 een aanvraag tot
vereenvoudigde uitbreiding van de toepassing van een biocide als
bedoeld in artikel 121, eerste lid, in behandeling nemen.
2. Alleen een natuurlijke persoon of rechtspersoon ten name van wie
een besluit tot toelating is opgenomen in het register, bedoeld in
artikel 69, tweede lid, kan een aanvraag als bedoeld in het eerste
lid, indienen met betrekking tot voornoemd besluit tot toelating.
3. Op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, isartikel 49,
eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 1°, niet van toepassing,
wanneer het voorgenomen gebruik een kleine omvang heeft in
vergelijking met het gebruik dat verband houdt met de eerdere
toelating.
4. De artikelen 45, tweede lid,48, tweede lid, 49, eerste lid,
onderdeel a en onderdeel b, aanhef, eerste zinsdeel met betrekking tot
de gemeenschappelijke beginselen, en de artikelen 54 tot en met 56
alsmede de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk 5, zijn op besluiten als
bedoeld in het eerste lid niet van toepassing.
5. Het college besluit op een aanvraag als bedoeld in het eerste
lid of op verzoek van Onze Minister tot uitbreiding van een toepassing
als bedoeld in het eerste lid, wanneer dit in het openbaar belang is
en het voorgenomen gebruik van kleine omvang is.
6. De aanvrager deelt het college bij de aanvraag mede hoe de
voorschriften voor de uitbreiding van de toepassing aan de gebruikers
worden medegedeeld.
7. Het college kan in het belang van de volksgezondheid,
arbeidsbescherming en milieu ambtshalve een wijze van mededelen
bepalen.
8. Onze Minister kan regels stellen voor de toepassing van het
bepaalde in het vijfde en zevende lid.
§ 3. Overgangsbepalingen in verband met de opneming of niet opneming
van werkzame stoffen bijrichtlijn 98/8/EG
Artikel 127. Besluiten na een communautaire maatregel tot niet
opneming
1. Het college besluit ambtshalve volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels tot wijziging of intrekking
van een toelating, als bedoeld in de artikelen 49, 122 tot en met 126
van een biocide als bedoeld in artikel 121, indien bij communautaire
maatregel een besluit is genomen tot:
a. niet opneming van de werkzame stof in bijlage I, IA of IB
bij richtlijn 98/8/EG, of
b. beëindiging van het onderzoek bedoeld in artikel 16, tweede
lid, van richtlijn 98/8/EG.
2. Een besluit tot wijziging of intrekking als bedoeld in het
eerste lid, wordt genomen binnen de termijn alsmede met in achtneming
van de binnen die termijn toe te passen voorwaarden, opgenomen bij de
communautaire maatregel, bedoeld in het eerste lid.
3. In afwijking van het eerste lid kan het college volgens bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels ambtshalve
besluiten tot verlenging van een besluit tot toelating voor zover er
sprake is van een ingevolge de in het eerste lid genoemde
communautaire maatregel toegestaan noodzakelijk gebruik.
Artikel 128. Besluiten na een communautaire maatregel tot opneming
1. Het college besluit ambtshalve volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels tot wijziging, verlenging of
intrekking van besluiten, als bedoeld in de artikelen 49, 122 tot en
met 126 met betrekking tot de termijn van toelating, indien bij
communautaire maatregel een besluit is genomen tot opneming van de in
de biocide, werkzame stof in bijlage I, IA of IB bijrichtlijn 98/8/EG.
2. Het college bepaalt bij zijn wijzigingsbesluit bedoeld in het
eerste lid, ambtshalve een termijn voor de indiening van een aanvraag
als bedoeld in artikel 44, eerste lid, voor een biocide.
3. Het college kan een termijn voor de indiening van een aanvraag
als bedoeld in het tweede lid, op aanvraag of ambtshalve opnieuw
wijzigen of verlengen tot een bij de in het eerste lid genoemde
communautaire maatregel bepaalde uiterste termijn van herbeoordeling
van een toegelaten biocide. Het verstrijken van de uiterste termijn
van herbeoordeling van een toegelaten biocide leidt van rechtswege tot
intrekking van de toelating.
4. Besluiten tot wijziging, verlenging of intrekking als bedoeld in
het eerste tot en met derde lid, worden genomen binnen de termijn
opgenomen bij de communautaire maatregel, bedoeld in het eerste lid,
alsmede met in achtneming van de binnen die termijn toe te passen
voorwaarden.
Hoofdstuk 10. Overgangs-en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 129. Overgangsrecht toelatingen, registraties,
vrijstellingen, ontheffingen en uitzonderingen
1.Gewasbeschermingsmiddelen of biociden die op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet zijn toegelaten op grond van de
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 bij besluit van het College voor de
toelating van bestrijdingsmiddelen, worden bij de inwerkingtreding van
deze wet geacht te zijn toegelaten op grond vanartikel 28
onderscheidenlijk artikel 49 van deze wet onder de voorschriften die
bij de toelating zijn gegeven.
2.Gewasbeschermingsmiddelen en biociden die op 3 mei 2007 van
rechtswege zijn toegelaten op grond van artikel 25d van de
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 worden vanaf die datum geacht te zijn
toegelaten op grond van artikel 122, eerste lid, van deze wet onder de
voorschriften die bij de toelating zijn gegeven. Alle toelatingen van
rechtswege op grond van dit lid vervallen op de datum van
inwerkingtreding van het eerste besluit tot vaststelling van een lijst
voor gewasbeschermingsmiddelen, onderscheidenlijk biociden, als
bedoeld in artikel 122, eerste lid.
3.Biociden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
zijn geregistreerd als biocide met een gering risico op grond van de
Bestrijdingsmiddelenwet 1962, worden geacht te zijn geregistreerd op
grond van artikel 58 van deze wet.
4.Gewasbeschermingsmiddelen of biociden, die op of na 3 mei 2007
zijn vrijgesteld van toelating of waarvoor een ontheffing is verstrekt
op grond van artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, worden
vanaf die datum geacht te zijn toegelaten op grond vanartikel 123,
eerste lid, van deze wet, onder de voorschriften die bij de
vrijstelling of ontheffing zijn gegeven.
5.Gewasbeschermingsmiddelen of biociden, die zijn vrijgesteld van
toelating of waarvoor een ontheffing is verstrekt op grond van artikel
16a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, worden geacht te zijn
toegelaten op grond van artikel 38 van deze wet voor
gewasbeschermingsmiddelen, onderscheidenlijk artikel 65 van deze wet
voor biociden, onder de voorschriften die bij de vrijstelling of
ontheffing zijn gegeven en tot de in de vrijstelling of ontheffing
opgenomen termijn is verstreken.
6.Gewasbeschermingsmiddelen of biociden die op grond van artikel 1,
derde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn uitgezonderd van
de toepassing van die wet, zijn bij de inwerkingtreding van deze wet
van rechtswege toegelaten, tot het moment waarop het college:
a. de toelating intrekt of wijzigt op grond van deze wet, of
b. het middel toelaat op grond vanartikel 35 of 55.
Artikel 130. Overgangsrecht register, aanvragen, bezwaarschriften en
beroepen
1.Het college draagt zorg voor de vermelding in het register,
bedoeld in artikel 42, tweede lid, van gewasbeschermingsmiddelen en
biociden die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet
1962 zijn toegelaten of geregistreerd of waarvoor op dat tijdstip een
vrijstelling, ontheffing of uitzondering op grond van die wet van
kracht is.
2.De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij het
College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen aanhangige
aanvragen, verzoeken en bezwaarschriften zijn met ingang van dat
tijdstip van rechtswege aanhangig bij het college in de staat, waarin
zij zich op dat moment bevinden.
3.De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige
aanvragen tot toelating of registratie ingevolge artikel 4 van de
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 worden met ingang van dat tijdstip
overeenkomstig de hoofdstukken 4 en 9 dan wel, ingeval het biociden
betreft, overeenkomstig de hoofdstukken 5 en 9 van deze wet behandeld.
4.De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige
verzoeken tot vrijstelling of ontheffing ingevolge artikel 16a van de
Bestrijdingsmiddelenwet 1962, worden met ingang van dat tijdstip
overeenkomstig artikel 38 dan wel, ingeval het een biocide betreft,
overeenkomstig artikel 65, van deze wet behandeld.
5.De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige
verzoeken tot vrijstelling of ontheffing ingevolge artikel 16aa van de
Bestrijdingsmiddelenwet 1962, zijn met ingang van dat tijdstip van
rechtswege aanhangig bij het college en worden vanaf dat moment
overeenkomstig artikel 123 van deze wet behandeld.
6.De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige
verzoeken tot toelating of registratie ingevolge artikel 9 van de
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 worden met ingang van dat tijdstip
overeenkomstig artikel 35, dan wel, ingeval het een biocide betreft,
overeenkomstig artikel 55, van deze wet behandeld.
7.De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij het
college of Onze Minister aanhangige bezwaarschriften worden behandeld
en beslist overeenkomstig de bepalingen van deze wet.
8.De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge
artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 bij het College van
Beroep voor het bedrijfsleven aanhangige zaken worden behandeld en
beslist overeenkomstig de bepalingen van de Bestrijdingsmiddelenwet
1962.
Artikel 130a. Overgangsrecht ingevolge de verordening
1. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de daarop
berustende bepalingen, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van
de Wet van 24 maart 2011 houdende wijziging van de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie
van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en
het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Stb. 235) blijft
voor zover nodig van toepassing in de in artikel 80, eerste lid, van
verordening (EG) 1107/2009 bedoelde gevallen.
2. Op de voet van artikel 8o, tweede lid, van verordening (EG)
1107/2009 blijft het bepaalde bij of krachtens de artikelen 25 en 27
van toepassing zoals deze bepalingen luidden voor de inwerkingtreding
van de Wet van 24 maart 2011 houdende wijziging van de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie
van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en
het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Stb. 235).
3. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de daarop
berustende bepalingen, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van
de Wet van 24 maart 2011 houdende wijziging van de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie
van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en
het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Stb. 235), blijft
van toepassing op aanvragen tot toelating, in de in artikel 80, vijfde
lid, van verordening (EG) 1107/2009 bedoelde gevallen, totdat op die
aanvragen is beslist.
§ 2. Wijzigingsbepalingen
Artikel 131 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 132 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 133 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 134 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 135 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 136 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 137 [Vervallen per 26-11-2011]
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 138. Verslag ten behoeve van het parlement
Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze
wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk, met daarin een rapportage over de doelmatigheid en
doeltreffendheid van het functioneren van het college.
Artikel 139 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 140. Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 141. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet gewasbeschermingsmiddelen en
biociden.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te Lech, 17 februari 2007
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.M. Cramer
Uitgegeven de tiende april 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|