| |
|
|
|
|
vorige
UITVOERINGSWET
GRONDKAMERS
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit
pacht
WET van 6 december 2006 ter uitvoering van
titel 7.5 (Pacht) van het Burgerlijk Wetboek inzake de samenstelling en
werkwijze van de grondkamers en de centrale grondkamer (Uitvoeringswet
grondkamers)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is tegelijk met het wetsvoorstel tot vaststelling en invoering
van titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek onder gelijktijdige
intrekking van de Pachtwet de bepalingen van de Pachtwet over de
samenstelling en werkwijze van de grondkamers en van de Centrale
Grondkamer over te hevelen naar een wet tot uitvoering van titel 5 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede enige wetgeving aan te passen
aan genoemde titel;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Samenstelling en werkwijze van de grondkamers en van de
centrale grondkamer
Artikel 1
Er zijn grondkamers, waarvan het rechtsgebied en de standplaats door
Ons worden aangewezen.
Artikel 2
1.De grondkamer bestaat uit een voorzitter en ten minste vier en
ten hoogste twaalf leden. Zij wordt bijgestaan door een secretaris.
2.Er kunnen een plaatsvervangende voorzitter, plaatsvervangende
leden en een of meer plaatsvervangende secretarissen worden benoemd.
3.Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter of van de
plaatsvervangende voorzitter treedt het oudste lid als waarnemend
voorzitter op.
Artikel 3
1.Wij benoemen en ontslaan de voorzitter, de plaatsvervangende
voorzitter, de leden, de secretaris alsmede de plaatsvervangende leden
en de plaatsvervangende secretarissen.
2.De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor de
tijd van vijf jaren. Zij zijn bij hun aftreden opnieuw benoembaar. Op
eigen verzoek kunnen zij door Ons worden ontslagen.
3.Voor de benoeming van een lid of van een plaatsvervangend lid
maken Gedeputeerde Staten een aanbeveling op.
4.Bij de benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden
dragen Wij zorg, dat in de grondkamer het belang van de pachters, noch
dat van de verpachters overheerst.
5.De in het eerste lid bedoelde personen worden voor de aanvang
hunner bediening beëdigd.
6.Bij het bereiken van de ouderdom van zeventig jaren wordt aan de
voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de leden en
plaatsvervangende leden ontslag verleend met ingang van de
eerstvolgende maand.
Artikel 4
1.Voor benoeming tot secretaris of plaatsvervangende secretaris
komt in aanmerking degene:
a. aan wie door een universiteit dan wel de Open Universiteit
als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens
de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of
b. die aan een universiteit dan wel de Open Universiteit als
bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de
titel meester te voeren heeft verkregen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door
een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld
in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of
daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de
toepasselijkheid van het eerste lid, onderdeel a, gelijk worden
gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van
het recht.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten.
Artikel 5
1.Onverminderd hetgeen elders is bepaald, worden de voorzitter, de
plaatsvervangende voorzitter, de leden, de plaatsvervangende leden, de
secretaris en de plaatsvervangende secretarissen ontslagen:
a. bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom of door
aanhoudende lichamelijke of psychische aandoeningen;
b. wanneer zij onder curatele zijn gesteld.
2.Onverminderd hetgeen elders is bepaald, kunnen de in het vorige
lid genoemde personen worden ontslagen:
a. bij overtreding van de artikelen 6 en 7;
b. wanneer zij in staat van faillissement zijn verklaard, ten
aanzien van hen de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
van toepassing is verklaard, zij surséance van betaling hebben
verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld.
3.Alvorens het ontslag op grond van het in de voorgaande leden
bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene gehoord.
4.Wanneer zich een van de omstandigheden voordoet, als bedoeld in
het tweede lid, zijn Onze Ministers van Justitie en van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit bevoegd de betrokkene in de uitoefening van
zijn ambt terstond te schorsen. De schorsing mag een termijn van drie
maanden niet overschrijden. Op deze termijn is de Algemene
termijnenwet niet van toepassing.
5.Wanneer tijdens de in het vierde lid bedoelde schorsing het
besluit tot ontslag wordt genomen, blijft de schorsing van kracht tot
het tijdstip, waarop het ontslag ingaat.
Artikel 6
1.De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de leden, de
plaatsvervangende leden, de secretaris en de plaatsvervangende
secretarissen zijn verplicht het geheim te bewaren omtrent hetgeen hun
als zodanig bekend wordt.
2.Zij mogen zich noch direct, noch indirect in enig bijzonder
onderhoud of gesprek inlaten met partijen of hun raadslieden, noch
enige bijzondere onderrichting, memorie of schrifturen aannemen over
enige aangelegenheid, welke aanhangig is of waarvan zij weten of
vermoeden, dat deze aanhangig zal worden bij de grondkamer, waartoe
zij behoren.
Artikel 7
1.Het is de voorzitter en de secretaris verboden zich te belasten
met de consultatie omtrent en de verdediging van zaken, welke bij
enige grondkamer of pachtkamer, bij de Centrale Grondkamer of bij de
pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem aanhangig zijn, of waarvan
zij weten of vermoeden, dat deze daarbij aanhangig zullen worden.
2.Het is de plaatsvervangende voorzitter, de plaatsvervangende
secretaris, de leden en de plaatsvervangende leden verboden zich te
belasten met de consultatie omtrent en de verdediging van zaken, welke
aanhangig zijn of waarvan zij weten of vermoeden, dat deze aanhangig
zullen worden bij de grondkamer, waartoe zij behoren, of bij de
Centrale Grondkamer, in het laatste geval voor zover het betreft
zaken, aan de behandeling waarvan zij in de grondkamer hebben
deelgenomen.
Artikel 8
1.De grondkamer houdt zitting en beslist met de voorzitter en twee
leden.
2.Beschikkingen van de grondkamer, genomen met een ander aantal
personen dan in het vorige lid is vermeld, zijn nietig.
Artikel 9
1.De voorzitter en de secretaris genieten een bezoldiging, die bij
algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld. Zij genieten voorts
een vergoeding voor reis- en verblijfkosten volgens bij algemene
maatregel van bestuur te stellen regelen.
2.De plaatsvervangende voorzitter, de leden, de plaatsvervangende
leden en de plaatsvervangende secretarissen genieten een vergoeding
voor reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen volgens bij
algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.
Artikel 10
Er is een Centrale Grondkamer, gevestigd te Arnhem.
Artikel 11
De tot de rechterlijke macht behorende leden, de deskundige leden en
de plaatsvervangende deskundige leden van de pachtkamer van het
gerechtshof te Arnhem zijn van rechtswege tevens lid, onderscheidenlijk
plaatsvervangend lid, van de Centrale Grondkamer.
Artikel 12
1. Wij benoemen en ontslaan de griffier van de Centrale Grondkamer.
2. Wij kunnen een of meer plaatsvervangende griffiers benoemen.
3. De griffier voldoet aan de vereisten tot benoembaarheid tot
rechterlijke ambtenaar, gesteld in artikel 5 van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren.
Artikel 13
1.De Centrale Grondkamer houdt zitting en beslist met drie tot de
rechterlijke macht behorende leden en twee niet tot de rechterlijke
macht behorende deskundige leden.
2.Een van de tot de rechterlijke macht behorende leden treedt op
als voorzitter.
3.Beschikkingen van de Centrale Grondkamer, genomen met een ander
aantal personen dan in het eerste lid is vermeld, zijn nietig.
Artikel 14
De artikelen 6 en 7 vinden ten aanzien van de leden, de
plaatsvervangende leden, de griffier en de plaatsvervangende griffier
van de Centrale Grondkamer overeenkomstige toepassing.
Artikel 15
1.De griffier geniet een bezoldiging, die bij algemene maatregel
van bestuur wordt vastgesteld. Hij geniet voorts een vergoeding voor
reis- en verblijfkosten volgens bij algemene maatregel van bestuur te
stellen regels.
2.De leden, de plaatsvervangende leden en de plaatsvervangende
griffier van de Centrale Grondkamer genieten een vergoeding voor reis-
en verblijfkosten en verdere vergoedingen volgens bij algemene
maatregel van bestuur te stellen regelen.
Artikel 16
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften
gegeven ter uitvoering van dit hoofdstuk alsmede omtrent de werkwijze
van de grondkamers en de Centrale Grondkamer.
Hoofdstuk 2. Verzoeken aan de grondkamer
Paragraaf 1. De indiening
Artikel 17
1.Het verzoek tot goedkeuring van een pachtovereenkomst en van een
overeenkomst tot wijziging of beëindiging van een pachtovereenkomst
geschiedt door indiening bij de grondkamer van een door partijen
ondertekende akte of een notarieel afschrift, met zoveel ongetekende
afschriften als er meer dan twee partijen bij de overeenkomst zijn
betrokken.
2.Aan het hoofd van de akte worden de namen, voornamen en
woonplaatsen van de partijen vermeld, voor zover deze niet in de
overeenkomst zijn opgenomen. Het gepachte moet met de kadastrale
aanduiding zijn aangeduid.
3.Indien de goedkeuring van de pachtovereenkomst of van de
overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst wordt verlangd op
grond van artikel 324, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, wordt tevens de beschikking van de grondkamer, waarbij de
ontwerp-overeenkomst werd goedgekeurd, vermeld.
Artikel 18
Het verzoek tot goedkeuring van een ontwerp-pachtovereenkomst of van
een ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst wordt
ingediend bij de grondkamer. Het moet zijn ondertekend door degenen, die
in de ontwerp-overeenkomst als partijen zijn genoemd of hun
gemachtigden. Daarbij wordt overgelegd een ongetekend exemplaar van de
ontwerp-overeenkomst, vermeerderd met zoveel ongetekende exemplaren als
er verzoekers zijn. Het verpachte moet met de kadastrale aanduiding zijn
aangeduid.
Artikel 19
1.De verzoeken, bedoeld in de artikelen 325, derde lid, 326, eerste
lid, 328, derde lid, 333, tweede en derde lid, 345, tweede lid, 348,
derde lid, 354, tweede lid, 379, eerste lid, 380, tweede lid en 381,
tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, vinden plaats door
indiening van een verzoekschrift bij de grondkamer met zoveel
afschriften als er wederpartijen bij de overeenkomst of
belanghebbenden zijn.
2.Het verzoekschrift vermeldt de naam, de voornamen en de
woonplaats van de verzoeker, de naam en de woonplaats van de
wederpartij of van de belanghebbenden, als deze er zijn, voorts de
gronden, waarop het verzoek steunt, en de gevraagde beslissing.
Artikel 20
1.Bij het verzoek, bedoeld in artikel 381, tweede lid, van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek, wordt een verklaring overgelegd van
burgemeester en wethouders, waaruit blijkt, dat die doeleinden niet in
strijd zijn met een geldend of een in ontwerp ter inzage gelegd
bestemmingsplan. Deze verklaring kan slechts worden afgegeven nadat
Gedeputeerde Staten daartoe hun toestemming hebben gegeven.
2.Indien de Staat, een provincie, een gemeente, een waterschap, een
veenschap of een veenpolder de in artikel 381, tweede lid, van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek bedoelde derde is, zijn slechts
Gedeputeerde Staten bevoegd de in dat lid bedoelde verklaring af te
geven.
3.Het bevoegde college beslist binnen drie weken na de indiening
van het verzoek, onderscheidenlijk binnen drie weken na de ontvangst
van de toestemming van Gedeputeerde Staten. Indien burgemeester en
wethouders binnen de gestelde termijn geen beslissing hebben genomen,
kan de afgifte van de verklaring worden gevraagd aan Gedeputeerde
Staten, die binnen zes weken nadien beslissen.
4.De in dit artikel bedoelde verklaringen zijn slechts geldig
gedurende zes maanden na de dagtekening daarvan, tenzij de verklaring
zelf een kortere geldigheidsduur vermeldt.
5.De verklaring, bedoeld in het tweede lid, vermeldt tevens de
datum van de terinzagelegging en de datum en wijze van bekendmaking
daarvan, alsmede de datum en het nummer van de door Gedeputeerde
Staten verleende toestemming.
6.De grondkamer neemt een verklaring, waarin een of meer van de in
het vijfde lid bedoelde gegevens ontbreken, niet in aanmerking.
Artikel 21
1.De verzoeken, bedoeld in de artikelen 385 en 404, eerste lid, van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, worden gedaan bij een
verzoekschrift, dat bij de grondkamer wordt ingediend.
2.Het verzoekschrift vermeldt de naam, de voornamen en de
woonplaats van de verzoeker, voorts de gronden, waarop het verzoek
steunt en de gevraagde beslissing.
Artikel 22
1.De in deze afdeling bedoelde verzoeken moeten worden ingediend
bij de grondkamer, binnen het rechtsgebied waarvan de onroerende zaak
of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. Indien het een hoeve
betreft, wordt het verzoek ingediend bij de grondkamer, binnen het
rechtsgebied waarvan het hoofdgebouw, tot de hoeve behorend, gelegen
is.
2.Indien de grondkamer van oordeel is, dat een verzoek ten onrechte
bij haar is ingediend, verwijst zij het verzoek naar de grondkamer,
die naar haar oordeel bevoegd is het verzoek te behandelen.
Paragraaf 2. Het onderzoek
Artikel 23
1. De grondkamer kan een onderzoek naar aanleiding van het bij haar
ingediende verzoek gelasten. Zij zal hiermee een of meer leden of een
of meer door haar aan te wijzen deskundigen belasten. Deze aanwijzing
geschiedt in het algemeen, dan wel voor een bepaald geval.
2. Aan de deskundige wordt door de voorzitter van de grondkamer een
vergoeding toegekend op de voet van het bij en krachtens de Wet
griffierechten burgerlijke zaken bepaalde.
3. Binnen een maand na het gelasten van het onderzoek doet de
grondkamer daarvan mededeling aan de verzoeker en de bij de
overeenkomst of ontwerp-overeenkomst betrokken partijen onder
vermelding van de plaats waar en het tijdstip waarop het onderzoek
wordt gehouden.
Artikel 24
1.De verzoeker en de bij de overeenkomst of ontwerp-overeenkomst
betrokken partijen of belanghebbenden zijn verplicht aan degene, aan
wie het onderzoek is opgedragen, desgevraagd de ter uitvoering van
zijn opdracht nodige inlichtingen te verstrekken.
2.Degene, aan wie het onderzoek is opgedragen, is bevoegd de
onroerende zaak, waarop het verzoek betrekking heeft, te betreden. Zo
nodig verschaft hij zich de toegang met behulp van de sterke arm.
3.De uitkomsten van het onderzoek worden neergelegd in een rapport,
dat wordt ondertekend door degene, die met het onderzoek werd belast.
Paragraaf 3. De behandeling
Artikel 25
1.Indien de grondkamer een pachtovereenkomst of een overeenkomst
tot wijziging of beëindiging van een pachtovereenkomst niet aanstonds
kan goedkeuren, deelt zij aan partijen haar bezwaren mede en geeft zij
aan of en op welke wijze deze kunnen worden opgeheven.
2.Indien een onderzoek door een van haar leden of door een
deskundige heeft plaats gehad, zendt de grondkamer aan partijen,
tegelijk met de mededeling van haar bezwaren, een afschrift van het
rapport van het onderzoek toe.
3.De in het vorige lid bedoelde mededeling vermeldt de termijn,
waarbinnen partijen schriftelijke opmerkingen aan de grondkamer kunnen
inzenden en een mondelinge behandeling kunnen verzoeken.
4.Indien de partijen toestemmen in de wijzigingen, die door de
grondkamer als voorwaarde voor het verlenen van haar goedkeuring aan
de overeenkomst worden gesteld, legt de grondkamer deze vast in een
akte, die door partijen wordt ondertekend en voor dezen bindend is.
5.Indien de partijen de door de grondkamer nodig geoordeelde
wijzigingen niet overnemen, wijzigt de grondkamer de overeenkomst, of,
indien zij oordeelt dat door wijziging haar in het eerste lid bedoelde
bezwaren niet kunnen worden opgeheven, vernietigt zij haar.
Artikel 26
1.Indien de grondkamer een ontwerp-pachtovereenkomst of een
ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst niet
aanstonds kan goedkeuren, deelt zij aan de personen, die in de
ontwerp-overeenkomst als partijen zijn genoemd, haar bezwaren mee en
geeft zij aan of en op welke wijze deze kunnen worden opgeheven.
2.Het tweede en derde lid van het voorgaande artikel zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Indien de grondkamer de ontwerp-overeenkomst goedkeurt, wordt de
goedkeuring niet op de ontwerp-akte gesteld, doch bij een
afzonderlijke beschikking verleend.
4.Indien de grondkamer de ontwerp-overeenkomst niet kan goedkeuren
en zij van oordeel is, dat haar bezwaren door wijziging van de
ontwerp-overeenkomst kunnen worden opgeheven, vermeldt zij deze
wijzigingen in haar beschikking.
Artikel 27
1.Indien bij een beslissing op een verzoek in andere dan de in de
artikelen 25 en 26 bedoelde gevallen naar het oordeel van de
grondkamer behalve de verzoeker ook anderen belang hebben, deelt de
grondkamer, onder gelijktijdige kennisgeving van de eventuele
bezwaren, aan de verzoeker en de andere belanghebbenden mede, binnen
welke termijn zij schriftelijke opmerkingen aan de grondkamer kunnen
inzenden en een mondelinge behandeling kunnen verzoeken.
2.Indien een onderzoek door een van haar leden of door een
deskundige heeft plaats gehad, zendt de grondkamer aan de verzoeker en
de andere belanghebbenden, tegelijk met haar mededeling, een afschrift
van het rapport van het onderzoek toe.
Artikel 28
1.Indien bij een beslissing op een verzoek in andere dan de in de
artikelen 25 en 26 bedoelde gevallen naar het oordeel van de
grondkamer uitsluitend de verzoeker belang heeft en de grondkamer het
verzoek niet aanstonds kan toewijzen, is de grondkamer bevoegd – en
op een daartoe strekkend verzoek verplicht – een mondelinge
behandeling van het bij haar ingediende verzoek te doen plaats hebben
op een door haar te bepalen zitting.
2.Indien een onderzoek door een van haar leden of door een
deskundige heeft plaats gehad, zendt de grondkamer aan de verzoeker,
tegelijk met haar oproep voor de mondelinge behandeling, een afschrift
van het rapport van het onderzoek toe.
Artikel 29
De secretaris maakt een verslag van hetgeen bij de mondelinge
behandeling voorvalt met vermelding van de zakelijke inhoud van de
afgelegde verklaringen. Het verslag wordt door de voorzitter en de
secretaris vastgesteld en ondertekend. Desgevraagd ontvangen partijen
daarvan afschrift.
Artikel 30
1.De partijen bij de overeenkomst en de verzoeker kunnen zich doen
bijstaan of vertegenwoordigen.
2.De partijen bij de overeenkomst en de verzoeker kunnen getuigen
ter zitting meebrengen.
Artikel 31
1. De partijen bij de overeenkomst en de verzoeker kunnen met
machtiging van de grondkamer bij deurwaardersexploot getuigen oproepen
om aldaar te verschijnen.
2. Ieder, die bij deurwaardersexploot is opgeroepen om als getuige
ter zitting te verschijnen, is verplicht aan die oproeping gehoor te
geven.
3. De grondkamer kan bevelen, dat getuigen, die, hoewel bij
deurwaardersexploot opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare
macht voor haar worden gebracht.
4. De ingevolge artikel 30 ter zitting meegebrachte getuigen worden
gehoord, voor zover de grondkamer hun verhoor dienstig oordeelt.
5. De artikelen 164, 171 tot en met 173, 177 en 179 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn ten aanzien van het
getuigenverhoor van overeenkomstige toepassing.
6. Van het getuigenverhoor wordt proces-verbaal gemaakt. Artikel
180 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat het proces-verbaal
door de voorzitter en de secretaris wordt mede-ondertekend.
7. Getuigen ontvangen desgevraagd ten laste van degene, die hen
heeft voorgebracht, schadevergoeding, door de voorzitter te begroten
overeenkomstig het bij en krachtens de Wet griffierechten burgerlijke
zaken bepaalde.
Artikel 32
Bij de behandeling van een verzoek tot goedkeuring van een
ontwerp-pachtovereenkomst of van een ontwerp-overeenkomst tot wijziging
van een pachtovereenkomst vinden de artikelen 29, 30 en 31
overeenkomstige toepassing.
Artikel 33
Indien de grondkamer de pachtovereenkomst of de overeenkomst tot
wijziging of beëindiging van de pachtovereenkomst ongewijzigd
goedkeurt, zendt de secretaris aan iedere partij een exemplaar of een
afschrift van de overeenkomst, waarop de beslissing, die de grondkamer
heeft genomen, is aangetekend.
Artikel 34
1.De beschikkingen van de grondkamer zijn met redenen omkleed, met
uitzondering van de beschikkingen die overeenkomstig artikel 33 zijn
genomen.
2.Een expeditie van de beschikking wordt aan de bij de overeenkomst
of ontwerp-overeenkomst betrokken partijen of belanghebbenden alsmede
aan de verzoeker toegezonden. De dag van verzending wordt op de
expeditie aangetekend.
Artikel 35
De voorzitter en de leden van de grondkamers alsmede hun
plaatsvervangers kunnen worden gewraakt op de wijze en in de gevallen,
omschreven in de vierde afdeling van de eerste titel van het eerste boek
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met dien verstande, dat
het onderzoek van de redenen van wraking en het beslissen over de
wraking geschiedt door de grondkamer.
Paragraaf 4. De behandeling in hoger beroep
Artikel 36
1.Tegen de beschikkingen van de grondkamer staat, behoudens het in
het derde lid bepaalde, aan partijen, belanghebbenden, alsmede aan de
verzoeker binnen een maand, nadat de beschikking aan hen is verzonden,
beroep open bij de Centrale Grondkamer.
2.De wederpartij kan van haar kant incidenteel beroep instellen,
zelfs na verloop van de in het vorige lid bedoelde termijn en na
berusting in de beschikking. Het incidenteel beroep wordt op straffe
van niet-ontvankelijkheid ingesteld bij het schriftelijk antwoord. De
afstand van het principaal beroep doet het ingestelde incidenteel
beroep niet vervallen.
3.Geen beroep kan door de pachter of door de verpachter worden
ingesteld, indien de pachtovereenkomst of een overeenkomst tot
wijziging van een pachtovereenkomst dan wel het ontwerp van een van
deze overeenkomsten ongewijzigd wordt goedgekeurd. Geen beroep kan
door de pachter worden ingesteld, indien de wijziging door de
grondkamer ingevolge artikel 320 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
betrekking heeft op verlaging van de overeengekomen pachtprijs. Geen
beroep kan door de verpachter worden ingesteld, indien bedoelde
wijziging betrekking heeft op een verlaging van de overeengekomen
pachtprijs met minder dan 10 procent.
Artikel 37
1.Het beroep wordt ingesteld door indiening van een beroepschrift
bij de Centrale Grondkamer. Bij het beroepschrift wordt een expeditie
van de beroepen beschikking gevoegd.
2.Het beroepschrift bevat een opgave van de naam, de voornamen en
de woonplaats van de verzoeker, van de naam en de woonplaats van de
wederpartij of belanghebbende, als deze er is, voorts de bezwaren
tegen de beschikking, waartegen beroep, en de gevraagde beslissing.
3.Bij het beroepschrift worden zoveel afschriften gevoegd als er
wederpartijen of belanghebbenden zijn.
4.Indien het beroep betreft een ter goedkeuring ingezonden
overeenkomst als bedoeld in artikel 318 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek of een ontwerp-pachtovereenkomst of een ontwerp-overeenkomst
tot wijziging van een pachtovereenkomst, worden bij het beroepschrift
de daartoe bij de grondkamer ingediende bescheiden mede overgelegd.
5.De griffier zendt een afschrift van het beroepschrift onverwijld
aan elk van de wederpartijen of belanghebbenden, als deze er zijn, toe
en voegt daarbij een kennisgeving, die de tijd vermeldt waarbinnen een
schriftelijk antwoord kan worden ingezonden.
6.Het beroepschrift wordt mondeling ter zitting behandeld, indien
de Centrale Grondkamer dit nodig oordeelt, dan wel een van de partijen
of belanghebbenden dit verzoekt. Overigens vinden de bepalingen van
paragraaf 2 en van paragraaf 3 overeenkomstige toepassing.
Artikel 38
1.De Centrale Grondkamer bevestigt of vernietigt de beschikking
waartegen hoger beroep is ingesteld.
2.Bij vernietiging van de beschikking doet de Centrale Grondkamer
hetgeen de grondkamer had behoren te doen, tenzij zij reden mocht
vinden de zaak naar de grondkamer terug te wijzen.
Artikel 39
1.De secretaris van de grondkamer zendt desgevraagd de stukken van
de eerste aanleg of afschriften daarvan aan de griffier van de
Centrale Grondkamer.
2.De griffier van de Centrale Grondkamer zendt afschrift van de
beschikkingen van de Centrale Grondkamer aan de grondkamer, tegen
welker beschikking beroep is ingesteld.
Artikel 40
1.Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan beroep
tegen een beschikking van de grondkamer instellen.
2.Het beroep kan slechts worden ingesteld na verloop van de
termijn, genoemd in artikel 36, eerste lid.
3.Vernietiging van de beschikking van de grondkamer op dit beroep
brengt geen nadeel toe aan de rechten, bij de beschikking verkregen.
Hoofdstuk 3. Competentiegeschillen
Artikel 41
Competentie-geschillen tussen grondkamers worden door de Centrale
Grondkamer beslist.
Hoofdstuk 4. Algemene bepalingen
Artikel 42
Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld over de
wijze waarop de kennisgevingen en de toezending van stukken door de
secretaris van de grondkamer en door de griffier van de Centrale
Grondkamer geschieden.
Artikel 43
1.De grondkamer binnen het rechtsgebied waarvan een waterschap
geheel of gedeeltelijk is gelegen, verstrekt op verzoek van dit
waterschap de gegevens die deze, voor zover bij de grondkamer
voorhanden, nodig heeft in verband met het bijhouden van het register,
bedoeld in artikel 29 van de Waterschapswet.
2.Omtrent de wijze van het verzoek en de wijze van
gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij algemene
maatregel van bestuur regels worden gesteld.
Artikel 44
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een tarief vastgesteld
van de door de grondkamers en de Centrale Grondkamer voor haar
verrichtingen te heffen kosten.
2. Ten aanzien van de invordering van deze kosten is artikel 30 van
de Wet griffierechten burgerlijke zaken van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande, dat het dwangbevel wordt uitgevaardigd
door de voorzitter van de grondkamer, onderscheidenlijk van de
Centrale Grondkamer, en dat het terstond uitvoerbaar is.
Hoofdstuk 5. Bijzondere processuele bepaling
Artikel 45
Indien binnen de in de wet gestelde termijn een verzoek is ingediend
of een vordering is ingesteld bij de pachtkamer van de rechtbank en deze
beslist, dat zij niet bevoegd is daarvan kennis te nemen, kan het
verzoek, indien de grondkamer bevoegd is daarvan kennis te nemen en een
wettelijke termijn, waarbinnen het verzoek bij de grondkamer moet worden
ingediend, niet meer in acht kan worden genomen, niettemin nog binnen
een maand na de beslissing van de pachtkamer bij de grondkamer worden
ingediend. Hetzelfde geldt, indien een dergelijke beslissing door de
pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem wordt bevestigd dan wel door
haar de pachtkamer bij de rechtbank alsnog niet bevoegd wordt verklaard
van het verzoek of van de vordering kennis te nemen.
Hoofdstuk 6. Algemene wet bestuursrecht
Artikel 46
Op het bepaalde in deze wet is de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
Hoofdstuk 7. Aanpassing wetgeving
Artikel 47
[Wijzigt de Gemeentewet]
Artikel 48
[Wijzigt de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse
Veenkoloniën]
Artikel 49 [Vervallen per 01-09-2007]
Artikel 50
[Wijzigt de Onteigeningswet]
Artikel 51 [Vervallen per 01-09-2007]
Artikel 52
[Wijzigt de Reconstructiewet Midden-Delfland]
Artikel 53
[Wijzigt de Wet agrarisch grondverkeer]
Artikel 54
[Wijzigt de Wet voorkeursrecht gemeenten]
Hoofdstuk 8. Slotartikelen
Artikel 55
De Pachtwet wordt ingetrokken.
Artikel 56
De Wet van 28 juli 1924, houdende regeling omtrent het dragen der
kosten van openbare verpachtingen en het uitloven van premiën bij
openbare verkoopingen en verpachtingen, wordt ingetrokken.
Artikel 57
De Wet van 12 oktober 1995 tot wijziging van de Pachtwet (Stb.
1995, 204) wordt ingetrokken.
Artikel 58
[Wijzigt deze wet]
Artikel 59
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 60
Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet grondkamers.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 6 december 2006
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de vierentwintigste mei 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|