| |
|
|
|
|
vorige
WET
ALGEMENE BEPALINGEN BURGERSERVICENUMMER (Wabb)
Tekst zoals deze geldt op
17 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit burgerservicenummer
- Besluit
gebruik burgerservicenummer in de zorg
- Regeling burgerservicenummer
WET van 21
juli 2007, houdende algemene bepalingen betreffende de toekenning, het
beheer en het gebruik van het burgerservicenummer (Wet algemene
bepalingen burgerservicenummer)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is algemene regels te stellen in verband met de invoering van
een uniek persoonsnummer teneinde de doelmatigheid van de administraties
van de overheid en enige andere sectoren te vergroten en de
dienstverlening aan de burger te verbeteren, een en ander met
inachtneming van de eisen die daaraan behoren te worden gesteld ter
bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. burgerservicenummer: het als zodanig overeenkomstig deze wet
aan een natuurlijke persoon toegekend nummer;
c. overheidsorgaan:
1°. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens
publiekrecht is ingesteld, of
2°. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag
bekleed;
d. gebruiker:
1°. een overheidsorgaan;
2°. ieder ander dan een overheidsorgaan of degene aan wie
het burgerservicenummer is toegekend, voor zover deze
werkzaamheden verricht waarbij het gebruik door hem of haar van
het burgerservicenummer bij of krachtens de wet is
voorgeschreven;
e. GBA: basisadministratie van persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 2 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens;
f. beheervoorziening: de beheervoorziening, bedoeld in artikel 3;
g. nummerregister: het nummerregister dat deel uitmaakt van de
beheervoorziening;
h. sociaal-fiscaalnummer: het sociaal-fiscaalnummer, bedoeld in
artikel 2, derde lid, onderdeel k, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen.
Artikel 2
Het burgerservicenummer bevat geen informatie over de persoon aan wie
het is toegekend.
Hoofdstuk 2. Nummerbeheer
Paragraaf 1. De beheervoorziening
Artikel 3
1.Onze Minister draagt zorg voor de inrichting en de instandhouding
van een beheervoorziening, waarvan deel uitmaken:
a. voorzieningen met behulp waarvan nummers die als
burgerservicenummer kunnen worden toegekend, worden aangemaakt en
ter beschikking worden gesteld;
b. het nummerregister;
c. voorzieningen met behulp waarvan het nummerregister kan
worden geraadpleegd;
d. voorzieningen met behulp waarvan de daartoe bestemde
registraties kunnen worden geraadpleegd teneinde na te gaan:
1°. of aan een bepaalde persoon reeds een
burgerservicenummer is toegekend en zo ja, welk
burgerservicenummer;
2°. aan welke persoon een bepaald burgerservicenummer is
toegekend;
3°. of het Nederlandse document, met behulp waarvan een
persoon zich identificeert, een document is als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 4°, van de Wet op de
identificatieplicht;
e. voorzieningen met behulp waarvan op verzoek aan een college
van burgemeester en wethouders gegevens worden verstrekt, die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 8, tweede lid,
tweede volzin.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot de inrichting, de instandhouding, de
werking en de beveiliging van de beheervoorziening.
Paragraaf 2. Het nummerregister
Artikel 4
1.Het nummerregister bevat:
a. de aangemaakte nummers, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onder a, en
b. de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
administratieve gegevens, die op deze nummers betrekking hebben.
2.Bij of krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, onder b,
worden tevens regels gesteld omtrent het opnemen, wijzigen en
verwijderen van de administratieve gegevens.
Artikel 5
1.Een college van burgemeester en wethouders verschaft Onze
Minister onverwijld de inlichtingen omtrent de toekenning, die voor de
bijhouding van het nummerregister van belang zijn.
2.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de in
het eerste lid bedoelde inlichtingen.
Artikel 6
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen verplichtingen
worden geregeld van overheidsorganen om aan Onze Minister de
inlichtingen te verschaffen die voor de bijhouding van het
nummerregister van belang zijn.
Hoofdstuk 3. Aanmaken en toekennen van burgerservicenummers
Artikel 7
Onze Minister draagt er zorg voor dat een nummer dat als
burgerservicenummer kan worden toegekend slechts éénmaal wordt
aangemaakt en ter beschikking gesteld aan een bestuursorgaan dat bevoegd
is het nummer toe te kennen.
Artikel 8
1.Het college van burgemeester en wethouders kent onmiddellijk na
de inschrijving van een persoon in de GBA aan deze ingeschrevene een
burgerservicenummer toe, tenzij aan hem reeds een burgerservicenummer
is toegekend.
2.Het burgerservicenummer wordt toegekend uit de nummers die op
grond van artikel 7 aan het college van burgemeester en wethouders ter
beschikking zijn gesteld. Indien aan de ingeschrevene reeds een
sociaal-fiscaalnummer is toegekend, wordt, in afwijking van de eerste
volzin, dit nummer door het college van burgemeester en wethouders aan
hem als burgerservicenummer toegekend.
3.Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg dat een
burgerservicenummer foutloos en slechts éénmaal wordt toegekend.
4.In verband met de uitvoering van dit artikel maakt het college
van burgemeester en wethouders gebruik van de voorzieningen, bedoeld
in artikel 3, eerste lid, onder c, d en e.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de uitvoering van dit artikel, waaronder regels
betreffende de verplichtingen van overheidsorganen om gegevens te
verstrekken die voor de uitvoering noodzakelijk zijn. De maatregel
bepaalt in ieder geval welke gegevens in verband met de uitvoering van
dit artikel aan een college van burgemeester en wethouders worden
verstrekt.
Artikel 9
1.Het college van burgemeester en wethouders dat een
burgerservicenummer heeft toegekend, stelt degene aan wie het nummer
is toegekend daarvan binnen vier weken na de toekenning in kennis
onder vermelding van het desbetreffende burgerservicenummer.
2.Bij minderjarigen jonger dan 16 jaar en bij onder curatele
gestelden geschiedt de kennisgeving aan de ouders, voogden of
verzorgers, onderscheidenlijk aan de curator.
3.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent
de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.
Hoofdstuk 4. Algemene bepalingen betreffende het gebruik van het
burgerservicenummer en de beheervoorziening
Paragraaf 1. Het gebruik van het burgerservicenummer
Artikel 10
Overheidsorganen kunnen bij het verwerken van persoonsgegevens in het
kader van de uitvoering van hun taak gebruik maken van het
burgerservicenummer, met inachtneming van hetgeen bij of krachtens dit
hoofdstuk is bepaald.
Artikel 11
1.Bij het uitwisselen van persoonsgegevens tussen gebruikers
onderling, waarbij een persoonsnummer wordt gebruikt als middel om
persoonsgegevens in verband te brengen met een persoon aan wie een
burgerservicenummer is toegekend, wordt het burgerservicenummer van
die persoon vermeld.
2.Het eerste lid is niet van toepassing voor zover:
a. ten behoeve van de desbetreffende gegevensverwerking bij of
krachtens wet het gebruik van een ander persoonsnummer dan het
burgerservicenummer is voorgeschreven;
b. sprake is van bijzondere omstandigheden waarin het gebruik
van het burgerservicenummer in een individueel geval onwenselijk
is met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
van de betrokkene, de opsporing of vervolging van strafbare feiten
dan wel de veiligheid van de staat.
Artikel 12
Indien bij het verwerken van persoonsgegevens een burgerservicenummer
wordt gebruikt, vergewist de gebruiker zich ervan dat het
burgerservicenummer betrekking heeft op de persoon wiens
persoonsgegevens hij verwerkt.
Artikel 13
Degene aan wie een burgerservicenummer is toegekend, dan wel diens
wettelijk vertegenwoordiger, kan niet worden verplicht bij het
verstrekken van persoonsgegevens aan een gebruiker een ander
persoonsnummer te verstrekken dan het burgerservicenummer dat aan hem,
onderscheidenlijk aan degene die hij vertegenwoordigt, is toegekend.
Paragraaf 2. Het verstrekken van inlichtingen aan gebruikers
Artikel 14
Aan een gebruiker worden op zijn verzoek uit het nummerregister de
inlichtingen verstrekt, die hij nodig heeft in verband met het gebruik
van een burgerservicenummer.
Artikel 15
1.Aan een overheidsorgaan worden in verband met de uitvoering van
artikel 12 op zijn verzoek uit de registraties, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onder d, de gegevens verstrekt, die hij nodig heeft
teneinde na te gaan:
a. of aan een bepaalde persoon reeds een burgerservicenummer is
toegekend en zo ja, welk burgerservicenummer;
b. aan welke persoon een bepaald burgerservicenummer is
toegekend;
c. of het Nederlandse document, met behulp waarvan een persoon
zich identificeert, een document is als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder 1°, 2° of 4°, van de Wet op de
identificatieplicht.
2.Met betrekking tot een gebruiker, niet zijnde een
overheidsorgaan, is het eerste lid, aanhef en onder c, van
overeenkomstige toepassing.
3.Bij of krachtens de wet kunnen gevallen worden geregeld, waarin
een gebruiker, niet zijnde een overheidsorgaan, in verband met de
uitvoering van artikel 12 bevoegd dan wel gehouden is een registratie
als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder d, te raadplegen teneinde
na te gaan:
a. of aan een bepaalde persoon reeds een burgerservicenummer is
toegekend en zo ja, welk burgerservicenummer;
b. aan welke persoon een bepaald burgerservicenummer is
toegekend.
4.In de gevallen, bedoeld in het derde lid, is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld betreffende de voorwaarden waaronder en de wijze waarop
gebruikers in verband met de uitvoering van deze paragraaf gebruik
kunnen maken van:
a. het nummerregister;
b. de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder d.
2.Bij of krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, worden
regels gesteld omtrent de verplichtingen van overheidsorganen om
gegevens te verstrekken die voor de uitvoering van deze paragraaf
noodzakelijk zijn. De maatregel bepaalt in ieder geval welke gegevens
in verband met de uitvoering van deze paragraaf aan een gebruiker
worden verstrekt.
3.Bij of krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, worden
in ieder geval regels gesteld betreffende de beveiliging van de
technische voorzieningen, waarmee de gebruikers kunnen aansluiten op
de beheervoorziening.
Paragraaf 3. Sectorale berichtenvoorzieningen
Artikel 17
1.Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze
Minister die het aangaat, kan worden bepaald dat bij of krachtens de
maatregel aangewezen gebruikers of categorieën van gebruikers
uitsluitend door tussenkomst van een bij de algemene maatregel van
bestuur ingestelde sectorale berichtenvoorziening gebruik kunnen maken
van de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c en d.
De maatregel bepaalt wie met betrekking tot de sectorale
berichtenvoorziening de verantwoordelijke is.
2.Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
kan tevens worden bepaald dat voor bij of krachtens de maatregel
aangewezen gebruikers of categorieën van gebruikers een bevoegdheid
of een verplichting geldt als bedoeld in artikel 15, derde lid.
3.De verantwoordelijke, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin,
levert de inlichtingen, bedoeld in artikel 14, alsmede de gegevens,
bedoeld in artikel 15, eerste lid, door aan de gebruiker die door
tussenkomst van de sectorale berichtenvoorziening de inlichtingen,
onderscheidenlijk de gegevens, verzocht.
4.De artikelen 14 en 15, eerste lid, zijn van overeenkomstige
toepassing op de verantwoordelijke, bedoeld in het eerste lid, tweede
volzin.
5.De verantwoordelijke, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin,
gaat na of degene die door tussenkomst van de sectorale
berichtenvoorziening toegang tot een voorziening als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onder c of d, verlangt een krachtens het eerste
lid aangewezen gebruiker is dan wel behoort tot een daartoe krachtens
het eerste lid aangewezen categorie van gebruikers.
6.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het eerste lid, worden nadere regels gesteld met betrekking tot de
inrichting, de instandhouding, de werking en de beveiliging van de
sectorale berichtenvoorziening.
Hoofdstuk 5. Bescherming van persoonsgegevens, toezicht en controle
Artikel 18
1.Onze Minister draagt zorg voor de inrichting en de instandhouding
van een voorziening met behulp waarvan voor eenieder algemene
informatie beschikbaar wordt gesteld met betrekking tot:
a. het gebruik van burgerservicenummers;
b. de gegevensverwerkingen van gebruikers, waarbij
burgerservicenummers worden gebruikt.
2.Overheidsorganen verschaffen Onze Minister desgevraagd de
inlichtingen betreffende gegevensverwerkingen, die van belang zijn
voor de uitvoering van het eerste lid.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot de verplichting, bedoeld in
het tweede lid.
Artikel 19
Onze Minister benoemt een functionaris voor de gegevensbescherming
als bedoeld in artikel 62 van de Wet bescherming persoonsgegevens, die
toeziet op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de
uitvoering van deze wet, voor zover Onze Minister voor deze
gegevensverwerkingen de verantwoordelijke is.
Artikel 20
1.Onze Minister ziet er op toe dat de toekenning van
burgerservicenummers geschiedt overeenkomstig het bij of krachtens de
wet bepaalde.
2.Onze Minister is in verband met de uitvoering van het eerste lid
bevoegd:
a. inlichtingen te verlangen van de bestuursorganen die
burgerservicenummers toekennen, en
b. aanwijzingen te geven aan het college van burgemeester en
wethouders, die noodzakelijk zijn in verband met de toekenning van
burgerservicenummers overeenkomstig het bij of krachtens de wet
bepaalde.
Artikel 21
1.Onze Minister verricht eens per drie jaar een onderzoek naar de
inrichting, de werking en de beveiliging van de beheervoorziening.
2.De bestuursorganen die burgerservicenummers toekennen,
verschaffen Onze Minister desgevraagd de inlichtingen betreffende de
toekenning van burgerservicenummers.
3.Onze Minister die het aangaat verricht eens per drie jaar een
onderzoek naar de inrichting, de werking en de beveiliging van een
sectorale berichtenvoorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lid,
die onder zijn verantwoordelijkheid valt.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, op voordracht
van Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister die het aangaat in
overeenstemming met Onze Minister, worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de beoordelingscriteria en de wijze van uitvoering van
de onderzoeken, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk het derde
lid.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 22
1.Het sociaal-fiscaalnummer dat op het moment van inwerkingtreding
van dit artikel is toegekend aan een persoon die is ingeschreven in de
GBA van een gemeente, wordt aangemerkt als diens burgerservicenummer.
Artikel 9 is niet van toepassing.
2.Op het tijdstip waarop artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b,
in werking treedt, worden in het nummerregister opgenomen:
a. de burgerservicenummers, bedoeld in het eerste lid, alsmede
de op die nummers betrekking hebbende administratieve gegevens;
b. de sociaal-fiscale nummers die voor het tijdstip, bedoeld in
de aanhef, zijn toegekend en waarop het eerste lid niet van
toepassing is, alsmede de op die nummers betrekking hebbende
administratieve gegevens.
Artikel 23
1.Ten aanzien van de personen aan wie op grond van deze wet een
burgerservicenummer is toegekend, wordt de vermelding van het
sociaal-fiscaalnummer in enige registratie of op enig document
gelijkgesteld met de vermelding van het burgerservicenummer.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de vermelding van het begrip sociaal-fiscaalnummer in enig wettelijk
voorschrift.
Artikel 24
[Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens]
Artikel 25
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, waarbij
onderscheid kan worden gemaakt tussen categorieën van gebruikers.
Artikel 26
Deze wet wordt aangehaald als: Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te Tavarnelle, 21 juli 2007
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten
Uitgegeven de achtentwintigste augustus 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|