|
Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging
geldelijke sancties
WET van 27
september 2007 tot implementatie van het kaderbesluit nr. 2005/214/JBZ
van de Raad van de Europese Unie van 24 februari
2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op
geldelijke sancties (PbEG L 76) (Wet wederzijdse erkenning en
tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties) ¹
1. Redactie: met
ingang van 1 juni 2009 is de Wet wederzijdse erkenning en
tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties voorzien van een nieuwe
citeertitel, luidende: Wet wederzijdse erkenning en
tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties 2008.
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de
implementatie van het Kaderbesluit nr. 2005/214/JBZ van de Raad van de
Europese Unie van 24 februari
2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op
geldelijke sancties (PbEG L 76) noodzaakt tot het stellen van regels
voor de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke
sancties en voorts dat het wenselijk is een algemeen kader op te stellen
waarin toekomstige kaderbesluiten inzake de wederzijdse erkenning van
einduitspraken kunnen worden geïmplementeerd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1. (begripsbepalingen)
In deze wet wordt verstaan onder:
a. rechterlijke uitspraak: een onherroepelijke beslissing van een
rechter wegens een strafbaar feit;
b. beschikking: een onherroepelijke beslissing van een
bestuurlijke autoriteit wegens een strafbaar feit of een feit dat
wordt bestraft als vergrijp tegen de voorschriften betreffende de
orde, voor zover tegen de beslissing beroep op een met name in
strafzaken bevoegde rechter is opengesteld;
c. uitvaardigende lidstaat: lidstaat van de Europese Unie waarin
een rechterlijke uitspraak of beschikking is gewezen;
d. uitvoerende lidstaat: lidstaat van de Europese Unie waaraan
een rechterlijke uitspraak of beschikking met het oog op
tenuitvoerlegging is of wordt toegezonden;
e. sanctie: een bij rechterlijke uitspraak of beschikking
opgelegde straf of maatregel;
f. geldelijke sanctie: sanctie houdende de verplichting tot
betaling van:
1°. een geldboete;
2°. een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer van het
strafbare feit, voor zover deze verplichting is opgelegd door de
strafrechter;
3°. een geldbedrag voor een schadefonds of instelling ten
behoeve van slachtoffers van strafbare feiten voor zover deze
verplichting is opgelegd bij rechterlijke uitspraak of
beschikking;
4°. proceskosten;
g. voorwerpen: alle zaken en alle vermogensrechten ten aanzien
waarvan de rechter van de uitvaardigende lidstaat heeft beslist dat
zij:
1°. de opbrengst zijn van een strafbaar feit dan wel met de
gehele of gedeeltelijke waarde van die opbrengst overeenstemmen,
of
2°. een hulpmiddel voor dat strafbaar feit vormen, of
3°. vatbaar zijn voor confiscatie door de toepassing, in de
uitvaardigende lidstaat, van een van de verruimde
confiscatiebevoegdheden in de zin van artikel 3, eerste en
tweede lid, van het Kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24
februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van
misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de
door middel daarvan verkregen voorwerpen (PbEU L 68 van 15 maart
2005), of
4°. vatbaar zijn voor confiscatie op grond van andere
rechtsvoorschriften van de uitvaardigende lidstaat betreffende
verruimde confiscatiebevoegdheden;
h. opbrengst: elk economisch voordeel dat uit strafbare feiten is
verkregen. Dit kunnen alle voorwerpen zijn;
i. hulpmiddelen: alle voorwerpen die op enigerlei wijze, geheel
of gedeeltelijk, zijn gebruikt of bestemd om te worden gebruikt om
één of meer strafbare feiten te begaan;
j. cultuurgoederen: cultuurgoederen als bedoeld in artikel 3:86a,
eerste lid, BW;
k. beslissing, houdende een geldelijke sanctie: een rechterlijke
uitspraak of een beschikking, waarbij een geldelijke sanctie als
bedoeld in onderdeel f van dit artikel is opgelegd;
l. beslissing tot confiscatie: een rechterlijke uitspraak die
leidt tot het blijvend ontnemen van een voorwerp;
m. veroordeelde: degene aan wie een sanctie is opgelegd;
n. officier van justitie: de ingevolge de artikelen 4 en 5
bevoegde officier van justitie, tenzij in deze wet uitdrukkelijk
anders is bepaald.
Artikel 2. (beginsel wederzijdse erkenning buitenlandse sancties)
Rechterlijke uitspraken en beschikkingen gewezen in een andere
lidstaat van de Europese Unie en aan Nederland gezonden worden
overeenkomstig de bepalingen van deze wet in Nederland erkend en ten
uitvoer gelegd.
Artikel 3. (beginsel erkenning Nederlandse sancties)
In Nederland gewezen rechterlijke uitspraken en beschikkingen kunnen
overeenkomstig de bepalingen van deze wet worden gezonden aan een andere
lidstaat van de Europese Unie met het oog op de tenuitvoerlegging
aldaar.
Artikel 4. (bevoegde autoriteiten inkomend)
Bevoegd tot erkenning en tenuitvoerlegging van een in een andere
lidstaat van de Europese Unie opgelegde beslissing, houdende een
geldelijke sanctie of een beslissing tot confiscatie, is de officier van
justitie bij het arrondissementsparket te Leeuwarden.
Artikel 5. (bevoegde autoriteiten uitgaand)
Bevoegd tot het verzenden van een in Nederland opgelegde beslissing,
houdende een geldelijke sanctie of een beslissing tot confiscatie, aan
een andere lidstaat van de Europese Unie met het oog op de
tenuitvoerlegging aldaar is de officier van justitie bij het
arrondissementsparket te Leeuwarden.
Artikel 6. (voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbare sancties)
1.Vatbaar voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland zijn:
A. beslissingen, houdende een geldelijke sanctie genomen in een
andere lidstaat van de Europese Unie:
1°. bij rechterlijke uitspraak;
2°. bij beschikking;
3°. bij onherroepelijke rechterlijke beslissing genomen in
beroep tegen een beschikking.
B. beslissingen tot confiscatie genomen in een andere lidstaat
van de Europese Unie en strekkende tot:
1°. betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming
van wederrechtelijk verkregen voordeel;
2°. verbeurdverklaring, waarbij de rechter heeft bepaald
op welke voorwerpen deze sanctie ten uitvoer moet worden
gelegd.
2.Het eerste lid is van toepassing in het geval de veroordeelde een
natuurlijke persoon is, voor zover deze inkomsten of vermogen of zijn
vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft dan wel in het geval
de veroordeelde een rechtspersoon is, voor zover deze inkomsten of
vermogen of zijn statutaire zetel in Nederland heeft, dan wel indien
het specifieke voorwerp waarop de beslissing tot confiscatie
betrekking heeft zich op Nederlands grondgebied bevindt.
Artikel 7. (toezending aan bevoegde autoriteit)
1.De beslissingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, en het
ingevulde certificaat, dat is opgesteld overeenkomstig het bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde model, worden door de
officier van justitie in behandeling genomen. Wanneer deze documenten
niet aan hem zijn gezonden, worden ze door de geadresseerde onverwijld
aan hem doorgezonden. De geadresseerde stelt de bevoegde autoriteit
van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld schriftelijk in
kennis. De officier van justitie bevestigt de ontvangst van een aan
hem doorgezonden verzoek aan de bevoegde autoriteit van de
uitvaardigende lidstaat.
2.Indien het certificaat ontbreekt, onvolledig is of kennelijk niet
in overeenstemming is met de beslissing, bedoeld in artikel 6, eerste
lid, verzoekt de officier van justitie de bevoegde autoriteit in de
uitvaardigende lidstaat het certificaat alsnog over te leggen, aan te
vullen of te verbeteren.
3.De officier van justitie kan de bevoegde autoriteit in de
uitvaardigende lidstaat verzoeken een gewaarmerkt afschrift van de
beslissing of het origineel van het certificaat over te leggen.
Artikel 8. (wisselkoers)
Indien een beslissing als bedoeld in artikel 6, eerste lid, is
uitgedrukt in vreemde valuta, bepaalt de officier van justitie de hoogte
van het bedrag in euro’s volgens de wisselkoers die gold op het
tijdstip waarop de beslissing werd genomen.
Artikel 9. (voltooiing en beëindiging van tenuitvoerlegging)
1.De tenuitvoerlegging van de beslissing als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, wordt gestaakt, zodra een daartoe strekkende kennisgeving
van de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat is
ontvangen.
2.Zodra de tenuitvoerlegging van de beslissing als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, is voltooid, stelt de officier van justitie de
bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld
in kennis.
Artikel 10. (vatbaar voor erkenning en tenuitvoerlegging in een
andere lidstaat)
1.Vatbaar voor erkenning en tenuitvoerlegging in een andere
lidstaat van de Europese Unie zijn beslissingen, houdende een in
Nederland:
a. bij rechterlijke uitspraak opgelegde geldboete;
b. bij rechterlijke uitspraak opgelegde verplichting tot
betaling aan de staat van een geldsom ten behoeve van het
slachtoffer;
c. door de bevoegde autoriteiten bij beschikking opgelegde
administratieve sanctie als bedoeld in artikel 2 van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften;
d. genomen beslissing tot confiscatie, betreffende een
geldbedrag;
e. genomen beslissing tot confiscatie, betreffende een
specifiek voorwerp.
2.De officier van justitie kan een beslissing als bedoeld in het
eerste lid aan een andere lidstaat van de Europese Unie zenden met het
oog op de tenuitvoerlegging aldaar, indien de veroordeelde in die
andere lidstaat inkomsten of vermogen of zijn vaste woon- of
verblijfplaats heeft dan wel, in het geval de veroordeelde een
rechtspersoon is, deze aldaar inkomsten of vermogen of zijn statutaire
zetel heeft.
3.Onverminderd de bepaling van het tweede lid, kan de officier van
justitie een beslissing als bedoeld in onderdeel e van het eerste lid
met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging aan de lidstaat
zenden, waarvan hij het redelijke vermoeden heeft dat dat voorwerp
zich op het grondgebied van die lidstaat bevindt.
Hoofdstuk II. Beslissingen, houdende een geldelijke sanctie
Afdeling 1. Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse
beslissingen, houdende een geldelijke sanctie
Artikel 11. (erkenning en tenuitvoerlegging)
1.Een voor erkenning vatbare beslissing, houdende een geldelijke
sanctie, wordt erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig het
bepaalde in de artikelen 561 en 572, 573, eerste en tweede lid, 574
tot en met 576 van het Wetboek van Strafvordering, tenzij in deze wet
anders is bepaald.
2.De officier van justitie kan de tenuitvoerlegging opschorten
gedurende de periode die nodig is om de ten uitvoer te leggen
beslissing te laten vertalen in de Nederlandse taal.
3.Behoudens de in artikel 12 genoemde gevallen blijft de hoogte van
de opgelegde geldelijke sanctie ongewijzigd.
Artikel 12. (verlaging van het verschuldigde bedrag)
1.Ingeval de beslissing, houdende de geldelijke sanctie, strekt tot
betaling van een geldboete die hoger is dan het wettelijke
strafmaximum waarmee het desbetreffende feit naar Nederlands recht is
bedreigd, verlaagt de officier van justitie de hoogte van het bedrag
tot dat strafmaximum, indien het desbetreffende feit buiten het
grondgebied van de uitvaardigende lidstaat is gepleegd en daarover
naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend.
2.Indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat reeds betalingen
zijn verricht ter voldoening van de geldelijke sanctie, raadpleegt de
officier van justitie de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende
lidstaat hierover.
3.Reeds geïnde bedragen worden geheel in mindering gebracht op het
verschuldigde bedrag.
4.Past de officier van justitie de hoogte van het verschuldigde
bedrag aan op grond van het eerste of derde lid, dan stelt hij de
bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld
schriftelijk in kennis.
Artikel 13. (verplichte weigeringsgronden)
1. De officier van justitie weigert de erkenning en
tenuitvoerlegging van de beslissing, houdende een geldelijke sanctie,
indien:
a. de geldelijke sanctie is opgelegd naar aanleiding van een
feit waarover ten aanzien van degene aan wie de geldelijke sanctie
is opgelegd:
1°. door de Nederlandse rechter reeds onherroepelijk is
beslist;
2°. door een andere rechter reeds een straf is opgelegd
welke ten uitvoer is gelegd;
b. behoudens het bepaalde in het tweede lid, het feit waarvoor
de geldelijke sanctie is opgelegd, indien het in Nederland was
begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn;
c. over het feit waarvoor de geldelijke sanctie is opgelegd
naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend en het
recht tot uitvoering van de geldelijke sanctie naar Nederlands
recht zou zijn verjaard;
d. de tenuitvoerlegging van de beslissing, houdende de
geldelijke sanctie, onverenigbaar is met een naar Nederlands recht
geldende immuniteit;
e. de veroordeelde ten tijde van het begaan van het feit de
leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;
f. het certificaat niet is overgelegd, onvolledig is of
kennelijk niet in overeenstemming is met de beslissing en niet aan
het verzoek, bedoeld in artikel 7, tweede lid, is voldaan.
2. De tenuitvoerlegging van een beslissing wordt niet geweigerd op
grond van het eerste lid, onderdeel b, indien het feit waarvoor de
geldelijke sanctie is opgelegd, is vermeld op of valt onder de bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde lijst met feiten en
soorten van feiten.
3. De tenuitvoerlegging van de beslissing houdende een geldelijke
sanctie wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, onderdeel c,
dan nadat de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in de
gelegenheid is gesteld hieromtrent inlichtingen te verschaffen.
Artikel 13a. (aanvullende verplichte weigeringsgrond)
1. De officier van justitie weigert de erkenning en
tenuitvoerlegging van de beslissing houdende een geldelijke sanctie,
indien uit het certificaat blijkt, dat
a. de veroordeelde, indien de geldsanctie bij beschikking is
opgelegd, niet in overeenstemming met het recht van de
uitvaardigende lidstaat in persoon of via een naar het nationale
recht bevoegde vertegenwoordiger in kennis is gesteld van zijn
recht om de zaak te betwisten, alsmede van de termijnen waarbinnen
dat rechtsmiddel moet worden aangewend; of
b. de veroordeelde niet in persoon is verschenen bij de
behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing, houdende een
geldelijke sanctie heeft geleid, tenzij in het certificaat is
vermeld dat de veroordeelde, overeenkomstig de
procedurevoorschriften van de uitvaardigende lidstaat:
1°. tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de
hoogte is gebracht van de datum en de plaats van de
behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing, houdende
een geldelijke sanctie heeft geleid of anderszins
daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en
de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op
ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van
de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld
dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet ter
terechtzitting verschijnt; of
2°. op de hoogte was van de voorgenomen behandeling ter
terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van
overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn
verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting
zijn verdediging heeft gevoerd; of
3°. nadat de beslissing, houdende een geldelijke sanctie
aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd
over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in
hoger beroep waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en
tijdens welke de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en
nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot
herziening van de oorspronkelijke beslissing, uitdrukkelijk te
kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist of
niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep
heeft aangetekend; of
c. de veroordeelde niet in persoon is verschenen, tenzij in het
certificaat is vermeld dat de veroordeelde, na uitdrukkelijk te
zijn geïnformeerd over de behandeling ter terechtzitting en over
de mogelijkheid om in persoon ter terechtzitting aanwezig te zijn,
uitdrukkelijk heeft verklaard afstand te doen van zijn recht op
een mondelinge behandeling en uitdrukkelijk te kennen heeft
gegeven dat hij de zaak niet betwist.
2. De tenuitvoerlegging van de beslissing, houdende een geldelijke
sanctie wordt niet geweigerd dan nadat de bevoegde autoriteit van de
uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid is gesteld hieromtrent
inlichtingen te verschaffen.
Artikel 14. (facultatieve weigeringsgronden)
De officier van justitie kan de erkenning en tenuitvoerlegging van
een beslissing, houdende een geldelijke sanctie, weigeren indien:
a. het feit waarvoor de geldelijke sanctie is opgelegd:
1°. geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands
grondgebied of buiten Nederland aan boord van een Nederlands
vaartuig of luchtvaartuig te zijn gepleegd; of
2°. buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat is
gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou
kunnen worden ingesteld indien het feit buiten Nederland zou
zijn gepleegd;
b. de hoogte van de geldelijke sanctie 70 euro of minder
bedraagt.
Artikel 14a. (mededeling)
Indien de officier van justitie op grond van een van de in de
artikelen 13, 13a en 14 genoemde gronden de tenuitvoerlegging van de
geldelijke sanctie weigert, stelt hij de bevoegde autoriteit van de
uitvaardigende lidstaat daarvan onverwijld, schriftelijk en met redenen
omkleed in kennis.
Artikel 15. (rechtsmiddelen)
1.De veroordeelde kan zich tegen het nemen van verhaal verzetten.
Artikel 575, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is van
toepassing, met dien verstande dat het bezwaarschrift wordt ingediend
bij de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden.
2.Ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te
hebben op voorwerpen waarop verhaal wordt genomen, zijn de bepalingen
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.
Artikel 16. (vervangende hechtenis)
1.Indien de geldelijke sanctie is opgelegd bij rechterlijke
uitspraak waarbij tevens een tot vervangende hechtenis strekkende
sanctie is opgelegd, kan de rechter op vordering van de officier van
justitie verlof tot tenuitvoerlegging van die vervangende hechtenis
verlenen. De vordering wordt slechts ingesteld indien de veroordeelde
niet aan de verplichting tot betaling van de geldelijke sanctie
voldoet, volledig verhaal op grond van de artikelen 574 tot en met 576
van het Wetboek van Strafvordering op diens inkomsten of vermogen niet
mogelijk is gebleken en de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende
lidstaat met de tenuitvoerlegging van die vervangende hechtenis heeft
ingestemd.
2.De vordering wordt ingesteld bij en behandeld door de raadkamer
van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden.
3.De officier van justitie roept de veroordeelde op voor de
behandeling van de vordering. De behandeling vindt plaats in het
openbaar.
4.De vordering wordt niet toegewezen indien het feit waarvoor de
sanctie is opgelegd, indien het in Nederland was begaan, naar
Nederlands recht niet strafbaar zou zijn.
5.Bij de beoordeling van de vordering houdt de raadkamer rekening
met gedeeltelijke betalingen die door de veroordeelde zijn verricht en
het verhaal dat reeds ingevolge de artikelen 574 tot en met 576 van
het Wetboek van Strafvordering is genomen.
6.Bij toewijzing van de vordering bepaalt de raadkamer de duur van
de vervangende hechtenis. Artikel 24c, tweede tot en met vijfde lid,
van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing. De duur wordt niet
hoger bepaald dan het maximum dat door de bevoegde autoriteit van de
uitvaardigende lidstaat is aangegeven.
7.De beslissing van de raadkamer wordt aan de veroordeelde
betekend. Artikel 564 van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing.
8.De tot vervangende hechtenis strekkende sanctie kan te allen
tijde worden beëindigd door de officier van justitie. De hechtenis
eindigt indien de veroordeelde alsnog volledig voldoet aan de
verplichting tot betaling van de geldboete.
9.Indien de vordering wordt toegewezen en de tot vervangende
hechtenis strekkende sanctie ten uitvoer wordt gelegd, stelt de
officier van justitie de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende
lidstaat hiervan onverwijld schriftelijk in kennis.
Afdeling 2. Erkenning en tenuitvoerlegging van Nederlandse
beslissingen, houdende een geldelijke sanctie
Artikel 17. (toezending stukken)
1.De officier van justitie zendt de beslissing vergezeld van een
ingevuld certificaat dat is opgesteld overeenkomstig het bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde model, rechtstreeks aan de
autoriteiten van de uitvoerende lidstaat die bevoegd zijn de
beslissing te erkennen en ten uitvoer te leggen.
2.Indien niet bekend is welke autoriteiten in de uitvoerende
lidstaat bevoegd zijn tot erkenning en tenuitvoerlegging, verzoekt de
officier van justitie hieromtrent om inlichtingen.
3.De beslissing wordt niet aan twee of meer lidstaten
tegelijkertijd toegezonden.
4.De toezending kan plaatsvinden per gewone post, telefax of
elektronische post, mits de echtheid van de toegezonden documenten
door de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat kan worden
vastgesteld.
5.Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de uitvoerende
lidstaat, stuurt de officier van justitie deze een gewaarmerkt
afschrift van de rechterlijke uitspraak of beschikking dan wel het
origineel van het certificaat toe.
Artikel 18. (recht op tenuitvoerlegging)
1.Het recht van tenuitvoerlegging in Nederland van de aan de
uitvoerende lidstaat toegezonden beslissing, wordt opgeschort
gedurende de periode dat de beslissing ten uitvoer wordt gelegd in die
andere lidstaat.
2.Tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan zodra:
a. van de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat
bericht is ontvangen dat de beslissing geheel of gedeeltelijk niet
ten uitvoer is gelegd; of
b. een kennisgeving als bedoeld in artikel 21 is verzonden.
Artikel 19. (kennisgeving vrijwillige betaling)
Indien na toezending van een beslissing aan de uitvoerende lidstaat
een geldsom is ontvangen ter voldoening van het verschuldigde bedrag,
wordt de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat hiervan door of
vanwege de officier van justitie onverwijld in kennis gesteld.
Artikel 20. (uitkering slachtoffer)
Ingeval de aan de uitvoerende lidstaat toegezonden beslissing strekt
tot betaling aan de staat van een geldsom ten behoeve van het
slachtoffer, keert de staat, zodra van de uitvoerende lidstaat een
kennisgeving is ontvangen dat een bedrag is ontvangen, dat bedrag uit
aan het slachtoffer.
Artikel 21. (kennisgeving staking tenuitvoerlegging)
Indien de officier van justitie beslist dat de tenuitvoerlegging van
de beslissing in de uitvoerende lidstaat moet worden gestaakt, wordt de
bevoegde autoriteit in de uitvoerende lidstaat hiervan onverwijld
schriftelijk in kennis gesteld.
Hoofdstuk III. Beslissingen tot confiscatie
Afdeling 1. Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse
beslissingen tot confiscatie
Artikel 22. (erkenning en tenuitvoerlegging)
1.Een voor erkenning vatbare beslissing tot confiscatie wordt
erkend en ten uitvoer gelegd volgens Nederlands recht. Voor zover de
beslissing tot confiscatie:
a. strekt tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter
ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, wordt de
beslissing overeenkomstig artikel 577b, eerste lid, en 577c van
het Wetboek van Strafvordering, ten uitvoer gelegd, met dien
verstande dat de raadkamer van de arrondissementsrechtbank te
Leeuwarden bevoegd is de vordering tot het verlenen van verlof tot
tenuitvoerlegging van lijfsdwang te behandelen;
b. betrekking heeft op een specifiek voorwerp, wordt de
beslissing overeenkomstig de artikelen 577 en 577a van het Wetboek
van Strafvordering ten uitvoer gelegd, tenzij in deze wet anders
is bepaald.
2.Indien de beslissing tot confiscatie betrekking heeft op een
specifiek voorwerp, kan de officier van justitie met de bevoegde
autoriteit van de uitvaardigende lidstaat overeenkomen, dat de
tenuitvoerlegging geschiedt in de vorm van een verplichting tot
betaling van een bepaald geldbedrag aan de staat. In voorkomend geval
zijn de artikelen 561, 572, 573, eerste en tweede lid, en 574 tot en
met 576 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige
toepassing.
3.Een vervangende straf of maatregel wordt slechts ten uitvoer
gelegd nadat de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat
daartoe toestemming heeft gegeven.
Artikel 23. (samenloop)
1.In geval van samenloop van beslissingen als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, onderdeel B beslist de officier van justitie aan welke
beslissing tot confiscatie voorrang zal worden gegeven, daarbij
rekening houdend met alle feiten en omstandigheden.
2.Indien de betrokkene bewijs levert van gehele of gedeeltelijke
confiscatie in een andere staat, raadpleegt de officier van justitie
de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat. In geval van
confiscatie van opbrengsten worden de delen van het bedrag die naar
aanleiding van de beslissing tot confiscatie reeds in een andere staat
zijn geconfisqueerd, volledig in mindering gebracht op het in
Nederland te confisqueren geldbedrag.
Artikel 24. (verplichte weigeringsgronden)
1. De officier van justitie weigert de erkenning en
tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie, indien:
a. de beslissing tot confiscatie is genomen naar aanleiding van
een feit waarover ten aanzien van degene aan wie die beslissing is
opgelegd:
1°. door de Nederlandse rechter reeds onherroepelijk is
beslist;
2°. door een andere rechter reeds een straf of maatregel
is opgelegd welke ten uitvoer is gelegd;
b. behoudens het bepaalde in het tweede lid, het feit dat ten
grondslag ligt aan de strafzaak in verband waarmee de beslissing
tot confiscatie is opgelegd, indien het in Nederland was begaan,
naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn;
c. over het feit dat ten grondslag ligt aan de strafzaak in
verband waarmee de beslissing tot confiscatie is genomen, naar
Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend en het recht
tot tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie naar
Nederlands recht zou zijn verjaard;
d. de tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie
onverenigbaar is met een naar Nederlands recht geldende
immuniteit;
e. de rechten van belanghebbenden de tenuitvoerlegging van die
beslissing tot confiscatie onmogelijk maken.
2. De tenuitvoerlegging van een beslissing wordt niet geweigerd op
grond van het eerste lid, onderdeel b, indien het feit waarvoor de
beslissing tot confiscatie is opgelegd, is vermeld op of valt onder de
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde lijst met feiten en
soorten van feiten en het feit in de uitvaardigende lidstaat wordt
bedreigd met een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaren.
3. De erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot
confiscatie worden niet geweigerd op grond van het onderdeel a, dan
nadat de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in de
gelegenheid is gesteld hieromtrent inlichtingen te verschaffen.
Hetzelfde geldt voor een weigering op grond van onderdeel e van het
eerste lid, indien er geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 27 is
ingesteld.
Artikel 24a. (aanvullende verplichte weigeringsgrond)
1. De officier van justitie weigert de erkenning en
tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie, indien uit het
certificaat blijkt, dat de veroordeelde niet in persoon is verschenen
bij de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing tot
confiscatie heeft geleid, tenzij in het certificaat is vermeld dat de
veroordeelde, overeenkomstig de procedurevoorschriften van de
uitvaardigende lidstaat:
1°. tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte
is gebracht van de datum en de plaats van de behandeling ter
terechtzitting die tot de beslissing tot confiscatie heeft geleid
of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de
datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op
ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de
voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een
beslissing kan worden genomen wanneer hij niet ter terechtzitting
verschijnt; of
2°. op de hoogte was van de voorgenomen behandeling ter
terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van
overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn
verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting zijn
verdediging heeft gevoerd; of
3°. nadat de beslissing tot confiscatie aan hem was betekend
en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een
verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het
recht heeft aanwezig te zijn en tijdens welke de zaak opnieuw ten
gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten,
die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing,
uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet
betwist of niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger
beroep heeft aangetekend.
2. De tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie wordt
niet geweigerd dan nadat de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende
lidstaat in de gelegenheid is gesteld hieromtrent inlichtingen te
verschaffen.
Artikel 25. (facultatieve weigeringsgronden)
1.De officier van justitie kan de erkenning en tenuitvoerlegging
van een beslissing tot confiscatie weigeren indien het feit waarvoor
de beslissing tot confiscatie is opgelegd:
1°. geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands
grondgebied of buiten Nederland aan boord van een Nederlands
vaartuig of luchtvaartuig te zijn gepleegd; of
2°. buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat is
gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen
worden ingesteld indien het feit buiten Nederland zou zijn
gepleegd.
Indien de strafprocedure die leidde tot de beslissing tot
confiscatie zowel betrekking had op een gronddelict als op het
witwassen van geld, wordt onder «het feit» voor de toepassing van
dit lid het gronddelict verstaan.
2.Tevens kan de officier van justitie de erkenning en
tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie weigeren indien
hij van oordeel is dat die beslissing is gegeven met toepassing van
verruimde confiscatiebevoegdheden zoals bedoeld in artikel 1,
onderdeel g, onder 4°.
3.De erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot
confiscatie worden niet geweigerd op grond van dit artikel, dan nadat
de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in de
gelegenheid is gesteld hieromtrent inlichtingen te verschaffen.
Artikel 26. (opschorting)
1.De officier van justitie kan de tenuitvoerlegging van een
beslissing tot confiscatie opschorten indien:
a. de beslissing tot confiscatie een geldsom betreft die tevens
aan een of meer andere lidstaten is gezonden met het oog op de
tenuitvoerlegging aldaar en de officier van justitie van oordeel
is dat het risico bestaat dat de totale opbrengst van de
tenuitvoerlegging hoger is dan het in de beslissing tot
confiscatie bepaalde bedrag;
b. overeenkomstigartikel 27 een rechtsmiddel is ingesteld;
c. het belang van een lopend strafrechtelijk onderzoek zich
verzet tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing;
d. hij vertaling van de beslissing tot confiscatie nodig acht;
e. de beslissing tot confiscatie betrekking heeft op een
specifiek voorwerp en met betrekking tot dit voorwerp reeds een
procedure tot confiscatie loopt.
2.De officier van justitie geeft de autoriteiten van de
uitvaardigende lidstaat onverwijld schriftelijk kennis van de
opschorting van de tenuitvoerlegging. In de gevallen, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen b tot en met e, doet hij dit onder vermelding
van de gronden en zo mogelijk van de verwachte duur van de
opschorting.
3.Zodra de gronden voor opschorting zijn vervallen, wordt de
beslissing ten uitvoer gelegd. De autoriteiten van de uitvaardigende
lidstaat worden hiervan onverwijld schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 27. (rechtsmiddelen)
1.De veroordeelde, alsmede belanghebbenden, kunnen tegen de
erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie
beroep instellen bij de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden. Het
beroep wordt ingesteld uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de
dag dat de veroordeelde of belanghebbende kennis heeft gekregen van de
beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging. De artikelen 21 tot en
met 25 van het Wetboek van Strafvordering zijn van toepassing. Een
ingesteld beroep heeft schorsende werking.
2.Ten aanzien van belanghebbenden die geheel of gedeeltelijk recht
menen te hebben op voorwerpen die op grond van deze wet in beslag zijn
genomen, zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van toepassing.
3.Indien een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen de erkenning en
tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie, wordt de
bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan in kennis
gesteld.
Artikel 28. (verdeling van geconfisqueerde voorwerpen)
1.Indien het geldbedrag dat uit de tenuitvoerlegging van de
beslissing tot confiscatie wordt verkregen, hoger is dan€ 10 000,–,
wordt van de totale opbrengst de helft aan de uitvaardigende lidstaat
overgedragen. Indien het geldbedrag dat uit de tenuitvoerlegging van
de beslissing tot confiscatie wordt verkregen, lager is dan€ 10 000,–,
valt de gehele opbrengst toe aan de Staat. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot
de wijze waarop deze verdeling plaatsvindt.
2.De officier van justitie kan beslissen dat specifieke voorwerpen,
verkregen door de tenuitvoerlegging van een beslissing tot
confiscatie:
a. worden verkocht, waarna de opbrengst van de verkoop
overeenkomstig het eerste lid wordt verdeeld;
b. aan de uitvaardigende lidstaat worden overgedragen;
c. worden vernietigd.
3.De voorwerpen worden niet verkocht of teruggegeven, indien het
cultuurgoederen zijn die deel uitmaken van het Nederlandse culturele
erfgoed.
4.Indien de voorwerpen met toepassing van artikel 573, eerste lid,
van het Wetboek van Strafvordering zijn verkregen, worden deze niet
aan de uitvaardigende lidstaat overgedragen, dan nadat deze daarvoor
toestemming heeft gegeven.
5.De minister van Justitie kan met de uitvaardigende lidstaat
overeenkomen dat de geconfisqueerde voorwerpen anders worden verdeeld
dan volgens het eerste en tweede lid.
Artikel 29. (mededelingen)
1. Indien de officier van justitie op grond van de artikelen 24,
eerste lid, 24a, eerste lid, of 25, eerste lid, de erkenning en
tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie weigert, stelt hij
de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan
onverwijld schriftelijk en met redenen omkleed in kennis.
2. Indien de tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie
niet, of niet geheel slaagt, stelt de officier van justitie de
bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld
met redenen omkleed in kennis.
3. Van de toepassing van een vervangende straf of maatregel stelt
de officier van justitie de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende
lidstaat onverwijld in kennis.
4. Indien tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie
onmogelijk blijkt, zulks nadat de bevoegde autoriteit van de
uitvaardigende lidstaat door de bevoegde autoriteit van de uitvoerende
lidstaat in de gelegenheid is gesteld nadere gegevens met betrekking
tot het voorwerp waarop de beslissing tot confiscatie betrekking heeft
te verstrekken, wordt de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende
lidstaat daarvan onverwijld schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 30. (inbeslagneming)
1.Voorwerpen ten aanzien waarvan de uitvaardigende lidstaat een
beslissing tot confiscatie aan Nederland heeft gezonden met het oog op
erkenning en tenuitvoerlegging, alsmede voorwerpen die kunnen dienen
om het recht tot verhaal te bewaren, kunnen door de officier van
justitie in beslag worden genomen.
2.Inbeslagneming overeenkomstig het eerste lid vindt slechts plaats
in gevallen waarin gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat de
beslissing tot confiscatie op korte termijn in Nederland ten uitvoer
zal worden gelegd.
Afdeling 2. Erkenning en tenuitvoerlegging van Nederlandse
beslissingen tot confiscatie
Artikel 31. (toezending stukken)
1.De officier van justitie zendt een gewaarmerkt afschrift van de
beslissing tot confiscatie, vergezeld van een ingevuld certificaat dat
is opgesteld overeenkomstig het bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde model rechtstreeks aan de autoriteit van de uitvoerende
lidstaat die bevoegd is de beslissing te erkennen en ten uitvoer te
leggen, op een wijze die de mogelijkheid biedt een schriftelijk
document voort te brengen op grond waarvan de echtheid kan worden
vastgesteld.
2.Op verzoek van de uitvoerende lidstaat worden een voor
eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot confiscatie en
het originele exemplaar van het certificaat aan de uitvoerende
lidstaat toegezonden.
3.Indien niet bekend is welke autoriteiten in de uitvoerende
lidstaat bevoegd zijn tot erkenning en tenuitvoerlegging, verzoekt de
officier van justitie hieromtrent om inlichtingen onder andere bij het
Europees Justitieel Netwerk.
4.Behoudens de gevallen, bedoeld in het vijfde en zesde lid, wordt
de beslissing niet aan twee of meer lidstaten tegelijkertijd
toegezonden.
5.De officier van justitie kan een in Nederland genomen beslissing
tot confiscatie die betrekking heeft op een geldbedrag slechts aan
meer dan een lidstaat tegelijkertijd toezenden, indien hij van oordeel
is dat alleen door meervoudige toezending de volledige
tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie kan worden
bereikt. De officier van justitie draagt er zorg voor dat de totale
opbrengst van de tenuitvoerlegging niet meer bedraagt dan het in de
beslissing tot confiscatie bepaalde maximumbedrag.
6.De officier van justitie kan een in Nederland genomen beslissing
tot confiscatie die betrekking heeft op een of meer specifieke
voorwerpen slechts aan meer dan een lidstaat tegelijkertijd toezenden,
indien:
a. hij redelijke vermoedens heeft dat verschillende voorwerpen
waarop de beslissing betrekking heeft, zich in verschillende
lidstaten bevinden;
b. de confiscatie van dat specifieke voorwerp waarop die
beslissing betrekking heeft, noodzaakt tot optreden in meer dan
een lidstaat;
c. hij redelijke vermoedens heeft dat een specifiek voorwerp
waarop de beslissing betrekking heeft, zich in een van twee of
meer lidstaten bevindt.
Artikel 32. (recht van tenuitvoerlegging)
Het recht van tenuitvoerlegging in Nederland van de aan de
uitvoerende lidstaat toegezonden beslissing blijft bestaan, onverminderd
de toepassing van de bepalingen in artikel 31.
Artikel 33. (mededelingen)
1.Indien de officier van justitie beslist dat de tenuitvoerlegging
van de beslissing tot confiscatie in de uitvoerende lidstaat moet
worden gestaakt, stelt hij de bevoegde autoriteit hiervan onverwijld
schriftelijk in kennis.
2.In geval van toepassing van artikel 31, vijfde of zesde lid,
stelt de officier van justitie onmiddellijk de bevoegde autoriteiten
in alle uitvoerende lidstaten in kennis, indien
a. hij van oordeel is dat het risico bestaat dat het in de
beslissing tot confiscatie bepaalde maximumbedrag zal worden
overschreden;
b. de beslissing tot confiscatie geheel of ten dele ten uitvoer
is gelegd in Nederland of een van de andere uitvoerende staten;
indien van toepassing wordt het nog ten uitvoer te leggen bedrag
gespecificeerd;
c. de officier van justitie een geldsom ontvangt die de
veroordeelde vrijwillig heeft betaald in het kader van de
beslissing tot confiscatie, na de toezending van die beslissing
tot confiscatie naar een andere lidstaat.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel 34. (kosten)
1.Alle kosten van tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak,
beslissing tot confiscatie of beschikking in Nederland overeenkomstig
de bepalingen van deze wet, komen ten laste van de staat.
2.De Minister van Justitie kan de bevoegde autoriteit van de
uitvaardigende lidstaat voorstellen de kosten van de tenuitvoerlegging
te delen, indien het de tenuitvoerlegging van een rechterlijke
uitspraak overeenkomstig Hoofdstuk III, afdeling 1, betreft.
3.Wanneer op grond van artikel 31, eerste lid, een lidstaat is
verzocht een Nederlandse beslissing tot confiscatie te erkennen en ten
uitvoer te leggen, kan de Minister van Justitie instemmen met het
verzoek van de tenuitvoerleggingsstaat om de kosten van de
tenuitvoerlegging te delen. De Minister van Justitie verleent slechts
instemming indien hij op basis van door de uitvoerende lidstaat
verstrekte gedetailleerde gegevens van oordeel is dat die kosten hoog
of uitzonderlijk zijn.
Artikel 35. (baten)
1.Al hetgeen wordt verkregen door tenuitvoerlegging in Nederland
van een rechterlijke uitspraak of beschikking overeenkomstig Hoofdstuk
II, Afdeling 1, van deze wet, komt ten bate van de staat.
2.De Minister van Justitie kan met de uitvaardigende lidstaat
overeenkomen dat de verkregen baten als bedoeld in het eerste lid
geheel of gedeeltelijk worden verstrekt aan de uitvaardigende
lidstaat.
3.Al hetgeen wordt verkregen door tenuitvoerlegging in Nederland
van een rechterlijke uitspraak overeenkomstig Hoofdstuk III, Afdeling
1, van deze wet, wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel
28verdeeld.
Artikel 36. (betekening)
Op betekeningen, kennisgevingen en oproepingen gedaan krachtens deze
wet, zijn de artikelen 585 tot en met 590 van het Wetboek van
Strafvordering van toepassing.
Artikel 37. (gratie)
Indien met toepassing van artikel 558, tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering gratie is verleend van een sanctie die met toepassing
van de bepalingen van deze wet in Nederland is erkend en ten uitvoer
wordt gelegd, wordt de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende
lidstaat hiervan onverwijld schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 38
Deze wet wordt aangehaald als: Wet wederzijdse erkenning en
tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties 2008.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 27 september 2007
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de elfde oktober 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|