| |
|
|
|
|
vorige
WET
OP HET KINDGEBONDEN BUDGET (Wkb)
Tekst zoals deze geldt op
18 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Regeling
woonlandbeginsel in de sociale zekerheid
WET van 1
november 2007, houdende regels inzake de aanspraak op een
inkomensafhankelijke financiële bijdrage in de kosten van kinderen (Wet
op het kindgebonden budget)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is dat personen voor wie de kosten van kinderen in verhouding
tot hun inkomen een te zware last vormen, een financiële bijdrage in
die kosten ontvangen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1. Algemene bepalingen
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister voor Jeugd en Gezin;
b. kindgebonden budget: een financiële bijdrage van het Rijk
in de kosten voor kinderen;
c. ouder: de verzekerde in de zin van de Algemene
Kinderbijslagwet.
2. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de
draagkracht.
3. Artikel 4 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is
niet van toepassing.
Artikel 2. Aanspraak en hoogte kindgebonden budget
1. Aanspraak op een kindgebonden budget heeft de ouder voor een
kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene
Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald
indien de artikelen 7, tweede lid, en 7a van die wet niet van
toepassing zouden zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een
kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de
maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan
behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18
jaar bereikt.
2. Het kindgebonden budget bedraagt voor een berekeningsjaar:
a. indien de ouder aanspraak heeft voor één kind :€ 1017,–;
b. indien de ouder aanspraak heeft voor twee kinderen:€ 1478,–;
c. indien de ouder aanspraak heeft voor drie kinderen:€ 1661,–;
d. indien de ouder aanspraak heeft voor meer dan drie kinderen:€
1661,–, verhoogd met zoveel maal€ 106,– als het aantal
kinderen meer bedraagt dan drie.
3 . Een ouder heeft aanspraak op een verhoging van het kindgebonden
budget in een berekeningsjaar voor een kind met ingang van de
kalendermaand na de maand waarin dat kind de leeftijd van 12 jaar
heeft bereikt.
4. Voor een kind dat 12 jaar of ouder is, maar jonger is dan 16
jaar bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget € 226.
5. Voor een kind dat 16 of 17 jaar is, bedraagt de verhoging van
het kindgebonden budget met ingang van de kalendermaand na de maand
waarin het kind de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt € 290.
6. Bij een gezamenlijk toetsingsinkomen van de ouder en zijn
partner van meer dan€ 28 413 wordt de som van de bedragen waarop
recht bestaat op grond van het tweede, vierde en vijfde lid verminderd
met 7,6% van het verschil tussen het gezamenlijke toetsingsinkomen en€
28 413.
7. Een ouder als bedoeld in het eerste en derde lid en zijn partner
die tevens ouder is als bedoeld in het eerste lid worden voor de
toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.
8. Indien aan twee ouders kinderbijslag wordt uitbetaald op basis
van het recht op kinderbijslag van één van die ouders, heeft alleen
de ouder, wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald aanspraak op
een kindgebonden budget.
9. De aanspraak op een kindgebonden budget wordt voor iedere
kalendermaand afzonderlijk bepaald.
Artikel 3. Wijziging bedragen
1. Bij het begin van het kalenderjaar worden de bedragen, genoemd
in de artikelen 1, vierde lid, en 2, tweede, vierde en vijfde lid, en
het bedrag van het gezamenlijke toetsingsinkomen, bedoeld in artikel
2, zesde lid, bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de
tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
2. Indien er aanleiding is om de bedragen, bedoeld in het eerste
lid, te verhogen op een andere wijze dan op grond van het eerste lid,
worden de bedragen vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
3. De overeenkomstig het eerste en tweede lid aangepaste bedragen
treden in de plaats van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, vierde
lid, en 2, tweede, vierde, vijfde en zesde lid.
4. Indien een verhoging als bedoeld in het tweede lid wordt
toegepast, vindt deze verhoging plaats nadat het eerste lid toepassing
heeft gevonden.
Artikel 4. Inkomen en vermogen
Het kindgebonden budget blijft buiten beschouwing bij de verlening
van andere op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke
uitkeringen en verstrekkingen.
Artikel 5. Uitvoering
1. De Belastingdienst/Toeslagen is belast met de uitvoering van
deze wet.
2. De ouder die
a. over het berekeningsjaar aanspraak heeft op een kindgebonden
budget, en
b. over het berekeningsjaar reeds in aanmerking komt voor een
andere tegemoetkoming waarvan de uitvoering is opgedragen aan de
Belastingdienst/Toeslagen,
wordt geacht een aanvraag als bedoeld in artikel 15 van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen voor het kindgebonden budget te
hebben gedaan.
3. Voor de toepassing van artikel 16, eerste en tweede lid, van de
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt in het geval,
bedoeld in het tweede lid, de aanvraag geacht te zijn gedaan op het
moment waarop de Belastingdienst/Toeslagen bekend is geworden dat de
ouder aanspraak heeft op een kindgebonden budget.
Artikel 6. Overgangsbepaling integratie Wet tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten
1. De bedragen, genoemd in artikel 2, vierde en vijfde lid, en het
bedrag van het gezamenlijk toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2,
zesde lid, worden voor het berekeningsjaar 2009 aangepast
overeenkomstig de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de
Wet inkomstenbelasting 2001.
2. De overeenkomstig het eerste lid voor het berekeningsjaar 2009
aangepaste bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in
artikel 2, vierde, vijfde en zesde lid.
3. De verhoging van het kindgebonden budget, bedoeld in artikel 2,
derde lid, heeft betrekking op berekeningsjaren vanaf het jaar 2010.
Artikel 7. Niet-indexeren bedragen in berekeningsjaren 2010 tot en
met 2015
Bij het begin van het jaar 2010 tot en met 2015 worden de bedragen,
genoemd in artikel 2, tweede, vierde en vijfde lid, en het bedrag van
het gezamenlijke toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2, zesde lid, voor
de berekeningsjaren 2010 tot en met 2015 niet gewijzigd overeenkomstig
artikel 3, eerste lid.
Artikel 8. Wijziging van de Wet werk en bijstand
[Wijzigt de Wet werk en bijstand]
Artikel 9. Wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen
[Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen]
Artikel 10. Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen
[Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen]
Artikel 11. Inwerkingtreding
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
2. Deze wet geldt voor berekeningsjaren die aanvangen op of na 1
januari 2008.
Artikel 12. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het kindgebonden budget.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 1 november 2007
BEATRIX
De Minister voor Jeugd en Gezin,
A. Rouvoet
De Staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager
Uitgegeven de tweede november 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|