| |
|
|
|
|
vorige
WET
POLITIEGEGEVENS
Tekst zoals deze geldt op
19 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit
politiegegevens
- Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
terrorisme
WET van 21 juli
2007, houdende regels inzake de verwerking van politiegegevens (Wet
politiegegevens)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is nieuwe regels vast te stellen voor het verwerken van
politiegegevens;
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter
bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot die
verwerking uitvoering dient te worden gegeven aan artikel 10, tweede en
derde lid, van de Grondwet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. (definities)
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. politiegegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde
of identificeerbare natuurlijke persoon dat in het kader van de
uitoefening van de politietaak wordt verwerkt;
b. politietaak: de taken, bedoeld in de artikelen 2 en 6, eerste
lid, van de Politiewet 1993;
c. verwerken van politiegegevens: elke handeling of elk geheel
van handelingen met betrekking tot politiegegevens, waaronder in
ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken,
wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vergelijken, verstrekken
door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van
terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen,
alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van
politiegegevens;
d. verstrekken van politiegegevens: het bekend maken of ter
beschikking stellen van politiegegevens;
e. ter beschikking stellen van politiegegevens: het verstrekken
van politiegegevens aan personen die overeenkomstig deze wet zijn
geautoriseerd voor het verwerken van politiegegevens;
f. verantwoordelijke: dit is bij:
1°. een regionaal politiekorps: de korpsbeheerder, bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Politiewet 1993;
2°. het Korps landelijke politiediensten: Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
3°. de rijksrecherche: het College van procureurs-generaal;
4°. de Koninklijke marechaussee: Onze Minister van Defensie;
5°. de bijzondere ambtenaren van politie, bedoeld in artikel
43 van de Politiewet 1993: Onze Minister van Justitie;
6°. een gemeenschappelijke verwerking van politiegegevens
met het oog op een gemeenschappelijk doel door twee of meer
organisaties als bedoeld in dit onderdeel dan wel een of meer
organisaties als bedoeld in dit onderdeel en de bijzondere
ambtenaren van politie: de verantwoordelijke die door de
betrokken verantwoordelijken is belast met de feitelijke zorg
voor de verwerking en het treffen van de maatregelen, bedoeld in
artikel 4;
g. betrokkene: degene op wie een politiegegeven betrekking heeft;
h. het College bescherming persoonsgegevens: het College, bedoeld
in artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
i. bewerker: degene die ten behoeve van de verantwoordelijke
politiegegevens verwerkt, zonder aan zijn rechtstreeks gezag te zijn
onderworpen;
j. Onze Ministers: Onze Ministers van Justitie, van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie gezamenlijk;
k. ambtenaar van politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3 van
de Politiewet 1993, alsmede de ambtenaar van de Koninklijke
marechaussee voor zover werkzaam ter uitvoering van de politietaken,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Politiewet 1993, en, indien
artikel 46 wordt toegepast, de ambtenaar, werkzaam bij de in dat
artikel bedoelde dienst;
l. gerelateerde gegevens: de politiegegevens die bij de
vergelijking van gegevens, bedoeld in deartikelen 8, tweede lid, 11,
eerste en tweede lid, 12, vierde lid en24, eerste lid, overeenkomen
en de erbij behorende gegevens alsmede de politiegegevens waarmee
bij het in combinatie met elkaar verwerken van politiegegevens,
bedoeld in de artikelen 8, derde lid en 11, vierde lid, verband
blijkt te bestaan, voor zover verdere verwerking van de gegevens
voor het betreffende doel noodzakelijk is.
Artikel 2. (reikwijdte)
1. Deze wet is van toepassing op de verwerking van politiegegevens
die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn daarin te worden
opgenomen.
2. Deze wet is niet van toepassing op de verwerking van
politiegegevens:
a. ten behoeve van activiteiten met uitsluitend persoonlijke
doeleinden;
b. ten behoeve van de interne bedrijfsvoering.
3. Onder bestand wordt in dit artikel verstaan: elk gestructureerd
geheel van politiegegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens
gecentraliseerd of verspreid is op een functioneel of geografisch
bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en
betrekking heeft op verschillende personen.
Artikel 3. (noodzakelijkheid, rechtmatigheid en doelbinding)
1. Politiegegevens worden slechts verwerkt voor zover dit
noodzakelijk is voor de bij of krachtens deze wet geformuleerde
doeleinden.
2. Politiegegevens worden slechts verwerkt voor zover zij
rechtmatig zijn verkregen en, gelet op de doeleinden waarvoor zij
worden verwerkt, toereikend, terzake dienend en niet bovenmatig zijn.
3. Politiegegevens worden uitsluitend voor een ander doel verwerkt
dan waarvoor zij zijn verkregen voor zover deze wet daar uitdrukkelijk
in voorziet.
4. Bij de verwerking van politiegegevens op grond van de artikelen
9, 10 en 12 worden de herkomst van de gegevens en de wijze van
verkrijging vermeld.
Artikel 4. (juistheid, volledigheid en beveiliging politiegegevens)
1. De verantwoordelijke treft de nodige maatregelen opdat
politiegegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt,
juist en nauwkeurig zijn. Hij verbetert of vernietigt politiegegevens
of vult deze aan indien hem blijkt dat deze onjuist of onvolledig
zijn.
2. De verantwoordelijke treft de nodige maatregelen opdat
politiegegevens worden verwijderd of vernietigd zodra zij niet langer
noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor ze zijn verwerkt of dit door
enige wettelijke bepaling wordt vereist.
3. De verantwoordelijke treft passende technische en
organisatorische maatregelen om de politiegegevens te beveiligen tegen
verlies of enige vorm van onrechtmatige verwerking. Deze maatregelen
garanderen, rekening houdend met de stand van de techniek en de kosten
van de tenuitvoerlegging, een passend beveiligingsniveau, gelet op de
risico’s die de verwerking en de aard van de politiegegevens met
zich meebrengen.
4. De verantwoordelijke heeft toegang tot de politiegegevens die
onder zijn beheer worden verwerkt ten behoeve van het toezicht op de
naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.
5. De verantwoordelijke verleent degenen die belast zijn met de
controle en het toezicht, bedoeld in de artikelen 33, 34, 35 en 36,
alsmede degenen die in zijn opdracht technische werkzaamheden
verrichten toegang tot de politiegegevens die onder zijn beheer worden
verwerkt, voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van hun
taak.
6. De artikelen 14, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 49 en 50
van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 5. (gevoelige gegevens)
De verwerking van politiegegevens betreffende iemands godsdienst of
levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele
leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een
vakvereniging vindt slechts plaats in aanvulling op de verwerking van
andere politiegegevens en voor zover dit voor het doel van de verwerking
onvermijdelijk is.
Artikel 6. (autorisaties)
1. De verantwoordelijke onderhoudt een systeem van autorisaties dat
voldoet aan de vereisten van zorgvuldigheid en evenredigheid.
2. Politiegegevens worden slechts verwerkt door ambtenaren van
politie die daartoe door de verantwoordelijke zijn geautoriseerd en
voor zover de autorisatie strekt.
3. De verantwoordelijke autoriseert de ambtenaren van politie die
onder zijn beheer vallen voor de verwerking van politiegegevens ter
uitvoering van de onderdelen van de politietaak waarmee zij zijn
belast. De autorisatie bevat een duidelijke omschrijving van de
verwerkingen waartoe de betreffende ambtenaar wordt geautoriseerd en
de onderdelen van de politietaak ter uitvoering waarvan de
verwerkingen worden gedaan.
4. In bijzondere gevallen kan de verantwoordelijke personen die
geen ambtenaar van politie zijn en die onder zijn beheer vallen,
autoriseren voor de verwerking van politiegegevens ter uitvoering van
de onderdelen van de politietaak waarmee zij zijn belast.
5. In bijzondere gevallen kan de verantwoordelijke de ambtenaar van
politie die onder het beheer van een andere verantwoordelijke valt,
autoriseren voor de verwerking van politiegegevens ter uitvoering van
in de autorisatie omschreven onderdelen van de politietaak. De
verwerking van politiegegevens vindt in dat geval plaats onder het
beheer van de verantwoordelijke die de autorisatie heeft verleend.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over de categorieën van personen die voor bepaalde
gegevensverwerkingen geautoriseerd kunnen worden en de
deskundigheidseisen die aan hen kunnen worden gesteld.
7. De verantwoordelijke wijst de functionaris aan, bedoeld in
artikel 9, derde lid, 10, vijfde lid, 11, eerste, tweede en vierde
lid, 12, vierde en vijfde lid, en 13, derde lid. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ambtenaren
van politie die kunnen worden aangewezen als functionaris.
Artikel 7. (geheimhoudingsplicht)
1. De ambtenaar van politie of de persoon aan wie politiegegevens
ter beschikking zijn gesteld is verplicht tot geheimhouding daarvan
behoudens voor zover een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift
tot verstrekking verplicht, de bepalingen van paragraaf 3 verstrekking
toelaten of de politietaak in bijzondere gevallen tot verstrekking
noodzaakt.
2. De persoon aan wie politiegegevens zijn verstrekt is verplicht
tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover een bij of krachtens de
wet gegeven voorschrift tot verstrekking verplicht of zijn taak
daartoe noodzaakt.
3. Artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet
van toepassing.
§ 2. De verwerking van politiegegevens met het oog op de uitvoering
van de politietaak
Artikel 8. (uitvoering van de dagelijkse politietaak)
1. Politiegegevens kunnen worden verwerkt met het oog op de
uitvoering van de dagelijkse politietaak gedurende een periode van
één jaar na de datum van de eerste verwerking.
2. Voor zover dat noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van
de dagelijkse politietaak kunnen politiegegevens ten aanzien waarvan
de in het eerste lid genoemde termijn is verstreken geautomatiseerd
worden vergeleken met politiegegevens die worden verwerkt op grond van
het eerste lid teneinde vast te stellen of verbanden bestaan tussen de
betreffende gegevens. De gerelateerde gegevens kunnen verder worden
verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak.
3. Voor zover dat noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van
de dagelijkse politietaak kunnen politiegegevens ten aanzien waarvan
de in het eerste lid genoemde termijn is verstreken in combinatie met
elkaar worden verwerkt teneinde vast te stellen of verbanden bestaan
tussen de betreffende gegevens. Indien zulke verbanden bestaan kunnen
de gerelateerde gegevens verder worden verwerkt met het oog op de
uitvoering van de politietaak.
4. Politiegegevens, die worden verwerkt op grond van het eerste,
tweede en derde lid, kunnen ter beschikking worden gesteld voor
verdere verwerking op grond van de artikelen 9, 10 en12.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de categorieën van gegevens op basis waarvan
politiegegevens vergeleken kunnen worden.
6. De politiegegevens, die zijn verwerkt op grond van het eerste,
tweede en derde lid, worden vernietigd zodra zij niet langer
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak en
worden in ieder geval uiterlijk vijf jaar na de datum van eerste
verwerking verwijderd.
Artikel 9. (onderzoek in verband met de handhaving van de rechtsorde
in een bepaald geval)
1. Politiegegevens kunnen gericht worden verwerkt ten behoeve van
een onderzoek met het oog op de handhaving van de rechtsorde in een
bepaald geval.
2. Het doel van het onderzoek wordt binnen een week, nadat is
begonnen met de verwerking, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk
vastgelegd.
3. Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig het eerste
lid, kunnen, na instemming van een daartoe bevoegde functionaris, ter
beschikking worden gesteld voor verdere verwerking voor zover dat
noodzakelijk is voor een ander onderzoek als bedoeld in het eerste
lid, de verwerking, bedoeld in de artikelen 10 en 12, of de uitvoering
van de dagelijkse politietaak, bedoeld in artikel 8.
4. De politiegegevens die zijn verwerkt op grond van het eerste lid
en niet langer noodzakelijk zijn voor het doel van het onderzoek,
worden verwijderd, of gedurende een periode van maximaal een half jaar
verwerkt teneinde te bezien of zij aanleiding geven tot een nieuw
onderzoek als bedoeld in het eerste lid of een nieuwe verwerking als
bedoeld in artikel 10, en na verloop van deze termijn verwijderd.
Artikel 10. (inzicht in de betrokkenheid van personen bij bepaalde
ernstige bedreigingen van de rechtsorde)
1. Politiegegevens kunnen gericht worden verwerkt met het oog op
het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij:
a. het beramen of plegen van misdrijven:
1°. als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering, die in georganiseerd verband
worden beraamd of gepleegd en die gezien hun aard of de
samenhang met andere misdrijven die in het georganiseerde
verband worden beraamd of gepleegd, een ernstige inbreuk op de
rechtsorde kunnen opleveren, of
2°. waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, of
3°. als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering, die bij algemene maatregel van
bestuur zijn aangewezen en die gezien hun aard of samenhang
met andere door de betrokkene begane misdrijven een ernstige
inbreuk op de rechtsorde opleveren;
b. handelingen die kunnen wijzen op het beramen of plegen van
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van
misdrijven die door hun omvang of ernst of hun samenhang met
andere misdrijven een ernstig gevaar voor de rechtsorde opleveren;
c. handelingen die, gezien hun aard of frequentie of het
georganiseerde verband waarin zij worden gepleegd, een ernstige
schending van de openbare orde vormen.
2. De verwerking van politiegegevens, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, vindt slechts plaats omtrent:
a. verdachten van de misdrijven, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a;
b. personen ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat
dat zij betrokken zijn bij het beramen of plegen van de
misdrijven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
c. personen die in een bepaalde relatie staan tot degenen,
bedoeld in de onderdelen a en b;
d. ambtenaren van politie of buitengewoon opsporingsambtenaren
als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering.
3. De verwerking van politiegegevens, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, vindt slechts plaats omtrent:
a. personen, die betrokken zijn bij de handelingen, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b;
b. personen die in een bepaalde relatie staan tot degenen,
bedoeld in onderdeel a;
c. ambtenaren van politie of buitengewoon opsporingsambtenaren
als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering.
4. De verwerking van politiegegevens, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, vindt slechts plaats omtrent:
a. personen ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat
dat zij betrokken zijn bij ernstige schendingen van de openbare
orde;
b. personen die in een bepaalde relatie staan tot degenen,
bedoeld in onderdeel a;
c. ambtenaren van politie of buitengewoon opsporingsambtenaren
als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het wetboek van
Strafvordering.
5. De politiegegevens, bedoeld in het eerste lid, kunnen, met
instemming van een daartoe bevoegde functionaris, ter beschikking
worden gesteld voor verdere verwerking voor zover dat noodzakelijk is
voor een andere verwerking als bedoeld in het eerste lid, een
onderzoek als bedoeld in artikel 9, een verwerking als bedoeld in
artikel 12, of de uitvoering van de dagelijkse politietaak, bedoeld in
artikel 8.
6. De politiegegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verwijderd
zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel van de
verwerking. Daartoe worden de gegevens periodiek gecontroleerd. De
gegevens worden verwijderd uiterlijk vijf jaar na de datum van de
laatste verwerking van gegevens die blijk geeft van de noodzaak tot
het verwerken van de politiegegevens van betrokkene op grond van het
doel als omschreven in het eerste lid.
Artikel 11. (geautomatiseerd vergelijken en in combinatie zoeken)
1. Voor zover dat noodzakelijk is voor een onderzoek als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, kunnen politiegegevens die voor dat onderzoek
zijn verwerkt, geautomatiseerd worden vergeleken met andere
politiegegevens die worden verwerkt op grond van artikel 8 of 9
teneinde vast te stellen of verbanden bestaan tussen de betreffende
gegevens. De gerelateerde gegevens kunnen, na instemming van een
daartoe bevoegde functionaris, voor dat onderzoek verder worden
verwerkt.
2. Voor zover dat noodzakelijk is voor een verwerking als bedoeld
in artikel 10, eerste lid, kunnen politiegegevens die voor dat doel
zijn verwerkt, geautomatiseerd worden vergeleken met andere
politiegegevens die worden verwerkt op grond van de artikelen 8, 9
of10 teneinde vast te stellen of verbanden bestaan tussen de
betreffende gegevens. De gerelateerde gegevens kunnen, na instemming
van een daartoe bevoegde functionaris, voor die verwerking verder
worden verwerkt.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de uitvoering van de gegevensvergelijking. Deze regels
kunnen betrekking hebben op:
a. de categorieën van gegevens op basis waarvan
politiegegevens vergeleken kunnen worden;
b. het coderen van politiegegevens door deze te voorzien van
een indicatie over betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid en de
mogelijkheid deze verder te verwerken voor een onderzoek als
bedoeld in artikel 9 of een verwerking als bedoeld in artikel 10;
c. de wijze waarop de verbanden zichtbaar gemaakt worden.
4. Voor zover dat noodzakelijk is voor een onderzoek als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, of een verwerking als omschreven in artikel 10,
eerste lid, kunnen in bijzondere gevallen in opdracht van het op grond
van de Politiewet 1993 bevoegde gezag, politiegegevens die worden
verwerkt op grond vanartikel 8, 9 of 10 in combinatie met elkaar
worden verwerkt teneinde vast te stellen of verbanden bestaan tussen
de gegevens. Indien zulke verbanden bestaan kunnen de gerelateerde
gegevens, na instemming van een daartoe bevoegde functionaris, voor
dat onderzoek of die verwerking verder worden verwerkt.
5. Voor zover dat noodzakelijk is voor een onderzoek als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, of een verwerking als omschreven in artikel 10,
eerste lid, kunnen politiegegevens die worden verwerkt op grond van
artikel 8, 9 of 10 geautomatiseerd worden vergeleken met andere dan
politiegegevens.
Artikel 12. (informanten)
1. Politiegegevens kunnen worden verwerkt met het oog op de
controle op en het beheer van een informant alsmede de beoordeling en
verantwoording van het gebruik van informantgegevens.
2. De politiegegevens, bedoeld in het eerste lid, kunnen gedurende
een periode van maximaal vier maanden na de datum van de eerste
verwerking ter beschikking worden gesteld voor verdere verwerking op
grond van deartikelen 8, 9 of 10.
3. De verwerking van politiegegevens, bedoeld in het eerste lid,
vindt slechts plaats omtrent:
a. informanten;
b. personen waarover informanten informatie geven of waarmee
informanten contacten onderhouden;
c. ambtenaren van politie of buitengewoon opsporingsambtenaren
als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering.
4. Voor zover dat noodzakelijk is voor de controle op en het beheer
van een informant kunnen politiegegevens die met het oog op dat doel
worden verwerkt, geautomatiseerd worden vergeleken met politiegegevens
die worden verwerkt op grond van artikel 8, 9 of 10 teneinde vast te
stellen of verbanden bestaan tussen de betreffende gegevens. De
gerelateerde gegevens kunnen voor dat doel verder worden verwerkt.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van
personen worden aangewezen op wie het eerste, vierde en zesde lid van
overeenkomstige toepassing zijn indien het bekend worden van
politiegegevens voor die categorieën van personen gevaar oplevert.
Daarbij worden de categorieën van personen aangewezen over wie
politiegegevens worden verwerkt.
6. De politiegegevens die zijn verwerkt op grond van het eerste en
vijfde lid, worden vernietigd zodra zij niet langer noodzakelijk zijn
voor het doel van de verwerking. Daartoe worden de gegevens elk half
jaar gecontroleerd. De gegevens worden vernietigd uiterlijk tien jaar
na de datum van laatste verwerking van gegevens die blijk geeft van de
noodzaak tot het verwerken van politiegegevens van betrokkene op grond
van het doel, bedoeld in het eerste en vijfde lid.
7. Onder informant wordt in dit artikel verstaan: persoon die
heimelijk aan een opsporingsambtenaar informatie verstrekt omtrent
strafbare feiten of ernstige schendingen van de openbare orde, die
door anderen zijn of worden gepleegd of verricht, welke verstrekking
gevaar voor deze persoon of voor derden oplevert.
Artikel 13. (ondersteunende taken)
1. Ten behoeve van de ondersteuning van de politietaak kunnen de
politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 8, 9 en 10,
verder worden verwerkt voor zover zij relevant zijn voor:
a. het vaststellen van eerdere verwerkingen ten aanzien van
eenzelfde persoon of zaak, onder meer ter bepaling van eerdere
betrokkenheid bij strafbare feiten;
b. het ophelderen van strafbare feiten die nog niet herleid
konden worden tot een verdachte;
c. identificatie van personen of zaken;
d. het onder de aandacht brengen van personen of zaken met het
oog op het uitvoeren van een gevraagde handeling danwel met het
oog op een juiste bejegening van personen;
e. het uitvoeren van taken ten dienste van de justitie.
De betreffende gegevens worden landelijk raadpleegbaar gesteld voor
personen die overeenkomstig artikel 6, tweede lid, door een
verantwoordelijke zijn geautoriseerd dan wel ter beschikking gesteld
aan door een verantwoordelijke geautoriseerde personen voor zover zij
deze behoeven voor de uitvoering van de politietaak.
2. Ten behoeve van de ondersteuning van de politietaak kunnen de
politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 8, 9 of 10
door een verantwoordelijke centraal verder worden verwerkt voor zover
zij relevant zijn voor het verkrijgen van landelijk inzicht in
specialistische onderwerpen. De verder verwerkte gegevens worden ter
beschikking gesteld aan door een verantwoordelijke geautoriseerde
personen voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van de
politietaak.
3. Ten behoeve van de ondersteuning van de politietaak worden de
politiegegevens die overeenkomstig artikel 8, 9en 10 worden verwerkt,
voor zover zij relevant zijn voor geautomatiseerde vergelijking met
het oog op de melding van verschillende verwerkingen jegens eenzelfde
persoon, daarvoor ter beschikking gesteld en verder verwerkt. De
gerelateerde gegevens kunnen, na instemming van een daartoe bevoegde
functionaris, verder worden verwerkt op grond van artikel 8, 9 of 10.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over
hetgeen met het oog op de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde
verwerkingen tevoren schriftelijk wordt vastgelegd en ter inzage
gelegd. In ieder geval worden regels gesteld over de schriftelijke
vastlegging van:
a. het specifieke doel ten behoeve waarvan de gegevens ter
ondersteuning van de politietaak verder worden verwerkt;
b. de categorieën van personen over wie gegevens ten behoeve
van het betreffende doel verder worden verwerkt en de soorten van
de over hen op te nemen gegevens;
c. de gevallen waarin of de termijnen waarbinnen het verder
verwerken van de betreffende gegevens wordt beëindigd.
Artikel 14. (bewaartermijnen)
1. De op grond van de artikelen 8, zesde lid, 9, vierde lid, en
artikel 10, zesde lid, verwijderde politiegegevens worden gedurende
een termijn van vijf jaar bewaard ten behoeve van verwerking met het
oog op de afhandeling van klachten en de verantwoording van
verrichtingen en vervolgens vernietigd.
2. Deartikelen 16 tot en met 20 alsmede de artikelen 23 en 24 zijn
op de overeenkomstig het eerste lid bewaarde politiegegevens niet van
toepassing.
3. In bijzondere gevallen en voor zover dat noodzakelijk is voor
een doel als bedoeld in artikel 9 of 10, kunnen politiegegevens die
overeenkomstig het eerste lid worden bewaard, in opdracht van het op
grond van de Politiewet 1993 bevoegde gezag ter beschikking worden
gesteld voor hernieuwde verwerking op grond van artikel 9 of 10.
4. Van de vernietiging, bedoeld in het eerste lid, wordt afgezien
voor zover de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het
cultureel erfgoed of voor historisch onderzoek zich daartegen verzet.
De betreffende gegevens worden zo spoedig mogelijk overgebracht naar
een archiefbewaarplaats. Daarbij worden met toepassing van artikel 15
van de Archiefwet 1995 beperkingen aan de openbaarheid gesteld. Onze
Ministers kunnen over het in de eerste en derde volzin bepaalde
beleidsregels vaststellen.
Artikel 15. (ter beschikking stellen van politiegegevens)
1. De verantwoordelijke stelt politiegegevens ter beschikking aan
personen die door hemzelf dan wel door een andere verantwoordelijke
overeenkomstig artikel 6, tweede lid, zijn geautoriseerd voor de
verwerking van politiegegevens, voor zover zij deze behoeven voor de
uitvoering van hun taak.
2. In bijzondere gevallen kan, indien dit noodzakelijk is voor een
goede uitvoering van de politietaak, de terbeschikkingstelling van
politiegegevens door de verantwoordelijke worden geweigerd dan wel kan
de verantwoordelijke beperkende voorwaarden stellen aan de verdere
verwerking. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld over de gronden waarop de terbeschikkingstelling kan
worden geweigerd en over de beperkende voorwaarden die kunnen worden
gesteld.
§ 3. De verstrekking van politiegegevens aan anderen dan politie en
Koninklijke marechaussee
Artikel 16. (verstrekking aan opsporingsambtenaren en gezagsdragers)
1. De verantwoordelijke verstrekt politiegegevens aan:
a. buitengewone opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 142
van het Wetboek van Strafvordering, voor zover zij deze behoeven
voor de opsporing van strafbare feiten bij het onderzoek waarbij
zij zijn betrokken;
b. leden van het openbaar ministerie voor zover zij deze
behoeven:
1°. in verband met hun gezag of zeggenschap over de
politie of over andere personen of instanties die met de
opsporing van strafbare feiten zijn belast, of
2°. voor de uitvoering van andere hun bij of krachtens de
wet opgedragen taken;
c. de burgemeesters voor zover zij deze behoeven:
1°. in verband met hun gezag en zeggenschap over de
politie, of
2°. in het kader van de handhaving van de openbare orde.
d. de korpsbeheerders, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Justitie of Onze Minister
van Defensie voor zover zij deze behoeven in verband met:
1°. het verrichten van een onderzoek naar aanleiding van
klachten, als bedoeld in artikel 64 van de Politiewet 1993, of
2°. disciplinaire bestraffing vanwege niet nakoming van
verplichtingen of plichtsverzuim, als geregeld bij of
krachtens artikel 50 van de Politiewet 1993, of
3°. schorsing of ontslag van de ambtenaar van de
Koninklijke marechaussee voor zover werkzaam ter uitvoering
van de politietaken, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de
Politiewet 1993 vanwege niet nakoming van verplichtingen of
plichtsverzuim als geregeld bij of krachtens artikel 12 van de
Militaire Ambtenarenwet 1931.
2. Op de verstrekkingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en
d, isartikel 15, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17. (verstrekking aan inlichtingendiensten en buitenlandse
opsporingsinstanties)
1. Politiegegevens kunnen worden verstrekt voor zover dit
voortvloeit uit de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
2002.
2. Politiegegevens kunnen worden verstrekt voor zover dit
voortvloeit uit wettelijke bepalingen met betrekking tot de
samenwerking met en bijstand aan een internationaal strafgerecht.
3. Politiegegevens kunnen worden verstrekt aan autoriteiten in een
land binnen het Koninkrijk of in een ander land die zijn belast met de
uitvoering van de politietaak, of van onderdelen daarvan, voor zover
dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak in het
Europese deel van Nederland of de politietaak in het desbetreffende
land.
4. Politiegegevens kunnen worden verstrekt aan Interpol en Europol
voor zover dit voortvloeit uit internationale verdragen of wettelijke
bepalingen.
5. Politiegegevens worden alleen ingevolge het derde of vierde lid
verstrekt indien bij de ontvangende instantie voldoende waarborgen
aanwezig zijn voor een juist gebruik van de verstrekte gegevens en
voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over de verstrekking van politiegegevens, bedoeld in
het derde en vierde lid, alsmede over de daarbij te stellen
voorwaarden aan het gebruik daarvan door ontvangstgerechtigde
politieautoriteiten.
Artikel 17a. (verstrekking aan politie en gezagsdragers Bonaire, Sint
Eustatius en Saba)
1. Politiegegevens kunnen worden verstrekt aan de
verantwoordelijken, bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder b, voor
zover dat noodzakelijk is voor een goede uitoefening van de
politietaak in het Europese deel van Nederland dan wel de politietaak,
bedoeld in 36b, eerste lid, onder a.
2. Politiegegevens kunnen worden verstrekt aan leden van het
openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover
zij deze behoeven in verband met hun gezag of zeggenschap over de
politie of over andere personen of instanties die met de opsporing van
strafbare feiten zijn belast, en voor de uitvoering van andere hen bij
of krachtens de wet opgedragen taken.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over de verstrekking van politiegegevens, bedoeld in
het eerste lid, alsmede over de daarbij te stellen voorwaarden aan het
gebruik daarvan door ontvangstgerechtigde politieautoriteiten.
Artikel 18. (verstrekking aan derden structureel voor alle regio’s)
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen personen
en instanties worden aangewezen aan wie of waaraan, met het oog op een
zwaarwegend algemeen belang, politiegegevens worden of kunnen worden
verstrekt ter uitvoering van de bij of krachtens die algemene
maatregel van bestuur aan te geven taak.
2. In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Justitie of Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toestemming of
opdracht geven tot het verstrekken van daarbij door hem te omschrijven
politiegegevens voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een
zwaarwegend algemeen belang. Van de desbetreffende beschikking wordt
mededeling gedaan aan het College bescherming persoonsgegevens.
Artikel 19. (verstrekking aan derden incidenteel voor alle regio’s)
In bijzondere gevallen kan de verantwoordelijke, voor zover dit
noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, in
overeenstemming met het op grond van de Politiewet 1993 bevoegde gezag,
beslissen tot het verstrekken van politiegegevens aan personen of
instanties voor de volgende doeleinden:
a. het voorkomen en opsporen van strafbare feiten;
b. het handhaven van de openbare orde;
c. het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven;
d. het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving.
Artikel 20. (verstrekking aan derden structureel voor
samenwerkingsverbanden)
1. De verantwoordelijke kan, voor zover dit met het oog op een
zwaarwegend algemeen belang noodzakelijk is ten behoeve van een
samenwerkingsverband van de politie met personen of instanties, in
overeenstemming met het op grond van de Politiewet 1993 bevoegd gezag,
beslissen tot het verstrekken van politiegegevens aan die personen en
instanties voor de volgende doeleinden:
a. het voorkomen en opsporen van strafbare feiten;
b. het handhaven van de openbare orde;
c. het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven;
d. het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving.
2. In de beslissing, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgelegd
ten behoeve van welk zwaarwegend algemeen belang de verstrekking
noodzakelijk is, ten behoeve van welk samenwerkingsverband de
politiegegevens worden verstrekt, alsmede het doel waartoe dit is
opgericht, welke gegevens worden verstrekt, de voorwaarden onder welke
de gegevens worden verstrekt en aan welke personen of instanties de
gegevens worden verstrekt.
Artikel 21. (nadere regels bij algemene maatregel van bestuur)
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de categorieën van politiegegevens die worden of kunnen
worden verstrekt op grond van de artikelen 18, 19 en 20.
Artikel 22. (verstrekking voor wetenschappelijk onderzoek en
statistiek)
1. Politiegegevens kunnen worden verstrekt ten behoeve van
beleidsinformatie en wetenschappelijk onderzoek en statistiek, onder
de voorwaarde dat de resultaten daarvan geen persoonsgegevens mogen
bevatten.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
over de verstrekking van politiegegevens, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 23. (rechtstreekse verstrekking)
1. Verstrekking van politiegegevens aan de leden van het openbaar
ministerie als bedoeld inartikel 16, eerste lid, onderdeel b, kan
rechtstreeks plaatsvinden voor zover noodzakelijk met het oog op:
a. strafvorderlijke beslissingen omtrent opsporing en
vervolging en de hulp aan slachtoffers van strafbare feiten;
b. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
beslissingen.
2. Verstrekking van politiegegevens als bedoeld inartikel 18 vindt
alleen rechtstreeks plaats aan bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen personen of instanties met een publiekrechtelijke taak door
middel van geautomatiseerde vergelijking van persoonsgegevens met bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van
politiegegevens.
3. De verantwoordelijke treft passende technische en
organisatorische maatregelen teneinde te waarborgen dat rechtstreekse
verstrekking uitsluitend plaatsvindt voor zover noodzakelijk op grond
van het bepaalde bij of krachtens het eerste en tweede lid. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen hierover nadere regels worden
gesteld.
Artikel 24. (rechtstreekse verstrekking aan inlichtingen- en
veiligheidsdiensten)
1. Voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taak,
bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002, kunnen door de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst verwerkte gegevens rechtstreeks geautomatiseerd
worden vergeleken met bij algemene maatregel van bestuur, op
voordracht van Onze minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en Onze minister van Justitie gezamenlijk, te
bepalen categorieën van politiegegevens teneinde vast te stellen of
verbanden bestaan tussen de betreffende gegevens. De gerelateerde
gegevens kunnen daarvoor rechtstreeks worden verstrekt aan ambtenaren
werkzaam bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst waarbij in
bepaalde, door een lid van het College van procureurs-generaal en het
hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst gezamenlijk
vast te stellen gevallen, op een gezamenlijk vast te stellen wijze,
daarvan kennis wordt gegeven aan het lid van het openbaar ministerie
als bedoeld in artikel 38 van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002.
2. Voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taak,
bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002, kunnen door de Militaire Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst verwerkte gegevens rechtstreeks geautomatiseerd
worden vergeleken met bij algemene maatregel van bestuur, op
voordracht van Onze minister van Defensie en Onze minister van
Justitie gezamenlijk, te bepalen categorieën van politiegegevens
teneinde vast te stellen of verbanden bestaan tussen de betreffende
gegevens. De gerelateerde gegevens kunnen daarvoor rechtstreeks worden
verstrekt aan ambtenaren werkzaam bij de Militaire Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst waarbij in bepaalde, door een lid van het College
van procureurs-generaal en het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst gezamenlijk vast te stellen gevallen, op een
gezamenlijk vast te stellen wijze, daarvan kennis wordt gegeven aan
het lid van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 38 van de
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
3. Artikel 23, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Rechten van de betrokkene
Artikel 25. (verzoek om kennisneming)
1. De verantwoordelijke deelt een ieder op diens schriftelijke
verzoek binnen zes weken mede of, en zo ja welke, deze persoon
betreffende politiegegevens zijn vastgelegd. De verantwoordelijke kan
zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen, dan wel voor ten
hoogste zes weken indien blijkt dat ook bij andere politiekorpsen
politiegegevens over de verzoeker worden verwerkt. Van de verdaging
wordt schriftelijk mededeling gedaan.
2. Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden
gesteld over het verzoek en de wijze van kennisneming.
Artikel 26. (formaliteiten)
1. Bij de behandeling van verzoeken als bedoeld in artikel 25
draagt de verantwoordelijke zorg voor een deugdelijke vaststelling van
de identiteit van de verzoeker.
2. De verzoeken ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van
zestien jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder
curatele gestelden worden gedaan door hun wettelijk
vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens aan de
wettelijk vertegenwoordigers.
3. De verzoeken kunnen tevens worden gedaan door een advocaat aan
wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend met het oog
op de uitoefening van zijn rechten krachtens deze wet en die het
verzoek uitsluitend doet met de bedoeling de belangen van zijn cliënt
te behartigen. De betrokken mededeling geschiedt aan de advocaat. De
verantwoordelijke kan aan de bijzondere machtiging eisen stellen.
Artikel 27. (uitzonderingen)
1. Een verzoek als bedoeld in artikel 25, eerste lid, wordt
afgewezen voor zover het onthouden van kennisneming noodzakelijk is in
het belang van:
a. de goede uitvoering van de politietaak;
b. gewichtige belangen van derden;
c. de veiligheid van de staat.
2. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk plaats.
Artikel 28. (verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van
politiegegevens)
1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 25 kennis is gegeven van
hem betreffende politiegegevens, kan de verantwoordelijke schriftelijk
verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te
schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de
verwerking onvolledig of niet terzake dienend zijn dan wel in strijd
met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de
aan te brengen wijzigingen.
2. De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na
ontvangst van het verzoek schriftelijk of, dan wel in hoeverre, hij
daaraan voldoet. Artikel 37, eerste lid, van de Wet bescherming
persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing. Een weigering is
met redenen omkleed.
3. De verantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot
verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig
mogelijk wordt uitgevoerd.
Artikel 29. (toepasselijkheid Awb)
1. Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 25 of 28
geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
2. De artikelen 47 en 48 van de Wet bescherming persoonsgegevens
zijn van overeenkomstige toepassing.
3. In klachtprocedures waarbij de verantwoordelijke of onder zijn
verantwoordelijkheid werkzame personen ingevolge artikel 9:31 van de
Algemene wet bestuursrecht worden verplicht tot het verstrekken van
inlichtingen of het overleggen van stukken aan de Nationale ombudsman
met betrekking tot politiegegevens die zijn te herleiden tot een
informant als bedoeld in artikel 12, zevende lid, kan Onze Minister
van Justitie beslissen dat artikel 9:31, vijfde en zesde lid, van die
wet buiten toepassing blijft.
4. Indien Onze Minister van Justitie heeft beslist dat artikel
9:31, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten
toepassing blijft en de verantwoordelijke of onder zijn
verantwoordelijkheid werkzame personen worden verplicht tot het
overleggen van stukken, wordt volstaan met het ter inzage geven van de
desbetreffende stukken. Van de desbetreffende stukken wordt op
generlei wijze een afschrift vervaardigd.
5. In procedures inzake beslissingen als bedoeld in het eerste lid
waarbij de verantwoordelijke of onder zijn verantwoordelijkheid
werkzame personen ingevolge artikel 8:27, 8:28 of 8:45 van de Algemene
wet bestuursrecht worden verplicht tot het verstrekken van
inlichtingen of het overleggen van stukken met betrekking tot
politiegegevens die zijn te herleiden tot een informant als bedoeld in
artikel 12, zevende lid, kan Onze Minister van Justitie beslissen dat
artikel 8:29, derde tot en met vijfde lid, van die wet buiten
toepassing blijft. Indien aan de rechtbank stukken dienen te worden
overgelegd, wordt alsdan met het ter inzage geven van de
desbetreffende stukken volstaan. Van de desbetreffende stukken wordt
op generlei wijze een afschrift vervaardigd. Indien Onze Minister van
Justitie de rechtbank mededeelt dat uitsluitend zij kennis zal mogen
nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken, kan de
rechtbank slechts met toestemming van de andere partijen mede op
grondslag van die inlichtingen of stukken uitspraak doen.
Artikel 30. (mededeling van verbetering, aanvulling, verwijdering of
afscherming)
1. Indien de verantwoordelijke politiegegevens heeft verbeterd,
aangevuld, verwijderd of afgeschermd, doet hij aan de personen of
instanties aan wie in het jaar voorafgaand aan het verzoek en in de
sinds dat verzoek verstreken periode de betrokken politiegegevens zijn
verstrekt, zo spoedig mogelijk mededeling van deze verbetering,
aanvulling, verwijdering of afscherming, tenzij dit onmogelijk blijkt
of een onevenredige inspanning vergt.
2. De verantwoordelijke deelt aan de verzoeker en voor zover van
toepassing aan de wettelijk vertegenwoordiger desgevraagd mede aan wie
hij mededeling heeft gedaan.
Artikel 31. (vergoeding van kosten)
1. De verantwoordelijke kan voor een mededeling als bedoeld in
artikel 25, eerste lid, een vergoeding van kosten verlangen die niet
hoger is dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast
te stellen bedrag. Daarbij wordt tevens de wijze van betaling bepaald.
2. De vergoeding wordt teruggegeven indien:
a. de verantwoordelijke op verzoek van de betrokkene, op
aanbeveling van het College bescherming persoonsgegevens of op
bevel van de rechter tot verbetering, aanvulling, verwijdering of
afscherming is overgegaan, of
b. de mededeling achterwege is gebleven op grond van artikel
27.
§ 5. Toezicht
Artikel 32. (protocolplicht)
1. De verantwoordelijke draagt zorg voor de schriftelijke
vastlegging van:
a. de doelen van de onderzoeken, bedoeld in artikel 9, tweede
lid;
b. de gegevens die op grond van het bepaalde bij of krachtens
artikel 13, vierde lid, worden vastgelegd;
c. de toekenning van de autorisaties, bedoeld in artikel 6;
d. de geautomatiseerde vergelijking of het in combinatie met
elkaar verwerken van politiegegevens, bedoeld in de artikelen 8,
derde lid, en 11, eerste, tweede en vierde lid;
e. de hernieuwde verwerking van politiegegevens op grond van
artikel 9 of 10, bedoeld inartikel 14, derde lid;
f. de verstrekking van politiegegevens op grond vanparagraaf 3
met uitzondering van de verstrekking, bedoeld in artikel 17,
eerste lid, en artikel 24, eerste en tweede lid, indien dit zich
niet verdraagt met het belang van de veiligheid van de staat;
g. verwerkingen ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat
zij door onbevoegden of anderszins onrechtmatig zijn verricht;
h. een geautomatiseerde vergelijking van gegevens als bedoeld
in artikel 11, vijfde lid.
2. De verantwoordelijke draagt zorg voor de schriftelijke melding
van een gemeenschappelijke verwerking van politiegegevens aan het
College bescherming persoonsgegevens.
3. De politiegegevens, bedoeld in het eerste lid, worden bewaard
tenminste tot de datum waarop de laatste controle, bedoeld in artikel
33, is verricht of, ten aanzien van onderdeel d, zoveel langer als
nodig is voor de naleving van de verplichtingen van de
verantwoordelijke, bedoeld in artikel 30, eerste lid.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over de wijze van vastlegging.
Artikel 33. (audits)
1. De verantwoordelijke doet de uitvoering van de bij of krachtens
deze wet gegeven regels controleren door middel van het periodiek doen
verrichten van privacy audits.
2. De verantwoordelijke zendt een afschrift van de
controleresultaten van de privacy audits aan het College bescherming
persoonsgegevens.
3. Indien uit de controleresultaten blijkt dat niet wordt voldaan
aan het bij of krachtens deze wet bepaalde, laat de verantwoordelijke
binnen een jaar een hercontrole uitvoeren op die onderdelen die niet
voldeden aan de gestelde voorwaarden. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing.
4. Een ieder die betrokken is bij een controle als bedoeld in het
eerste of derde lid is verplicht tot geheimhouding van de
persoonsgegevens waarover hij de beschikking heeft gekregen, behoudens
voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of
zijn taak daartoe noodzaakt.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld betreffende de inhoud en wijze van uitvoering van de
controles, bedoeld in het eerste en derde lid.
Artikel 34. (privacyfunctionaris)
1. De verantwoordelijke benoemt een privacyfunctionaris. De
privacyfunctionaris ziet namens de verantwoordelijke toe op de
verwerking van politiegegevens overeenkomstig het bij of krachtens de
wet bepaalde en dient de verantwoordelijke van advies.
2. De privacyfunctionaris houdt een overzicht bij van de
schriftelijke vastlegging van de gegevens, bedoeld in artikel 32,
eerste lid.
3. De privacyfunctionaris stelt jaarlijks een verslag op van zijn
bevindingen.
4. De verantwoordelijke meldt de privacyfunctionaris aan bij het
College bescherming persoonsgegevens.
Artikel 35. (toezicht Cbp)
1. Het College bescherming persoonsgegevens ziet toe op de
verwerking van politiegegevens overeenkomstig het bij en krachtens
deze wet bepaalde.
2. De artikelen 51, tweede lid, 60, 61 en 65 van de Wet bescherming
persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de verantwoordelijke handelt in strijd met hetgeen is
bepaald bij of krachtens artikel 32, kan het College hem een
bestuurlijke boete opleggen. De artikelen 66 tot en met 74 van de Wet
bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Het College bescherming persoonsgegevens wordt gehoord over de
ingevolge deze wet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen regels.
Artikel 36. (functionaris gegevensbescherming)
1. Een verantwoordelijke en de verantwoordelijken gezamenlijk
kunnen een functionaris gegevensbescherming benoemen, onverminderd de
bevoegdheden van het College bescherming persoonsgegevens.
2. Op de functionaris gegevensbescherming, bedoeld in het eerste
lid, zijn de artikelen 63 en 64 van de Wet bescherming
persoonsgegevens van overeenkomstige toepassing.
§ 5a. Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 36a. (toepasselijkheid op Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba met inachtneming van het in deze paragraaf bepaalde.
Artikel 36b. (afwijkende definitiebepalingen)
In afwijking vanartikel 1, onder b, f en k, wordt voor de toepassing
van deze wet in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
uitsluitend verstaan onder:
a. politietaak: de taken, bedoeld in artikel 5 van de Rijkswet
politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, van het politiekorps voor Bonaire, Sint Eustatius
en Saba en de taken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de
Veiligheidswet BES;
b. verantwoordelijke: dit is bij:
1°. het politiekorps: Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties;
2°. de Koninklijke marechaussee: Onze Minister van Defensie;
3°. de buitengewone agenten van politie: Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie;
c. ambtenaar van politie: de ambtenaar, belast met de uitvoering
van de taken, bedoeld onder a, alsmede de buitengewone agenten van
politie, bedoeld in artikel 10 van de Rijkswet politie van Curaçao,
van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor zover
zij werkzaam zijn ter uitvoering van de politietaken.
Artikel 36c. (omzetting bepalingen naar toepasselijkheid Bonaire,
Sint Eustatius en Saba)
1. Voor de toepassing van:
a. artikel 4, zesde lid, wordt in plaats van «De artikelen 14,
eerste, tweede, derde en vijfde lid, 49 en 50 van de Wet
bescherming persoonsgegevens» gelezen: De artikelen 14, eerste,
tweede, derde en vijfde lid, 39 en 40 van de Wet bescherming
persoonsgegevens BES;
b. artikel 7, derde lid, wordt in plaats van «Artikel 272,
tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht» gelezen: Artikel 285,
tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES;
c. artikel 10, eerste lid, onder a, sub 1° en 3° wordt in
plaats van«artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering»gelezen: artikel 100, eerste lid, van het Wetboek
van Strafvordering BES;
d. de artikelen 10, tweede lid, onder d, derde lid, onder c,
vierde lid, onder c, en12, derde lid, onder c, wordt in plaats van
«buitengewoon opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 142,
eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering» gelezen: de
buitengewone agenten van politie, bedoeld in artikel 184, eerste
lid, van het Wetboek van Strafvordering BES;
e. de artikelen 11, vierde lid, 14, derde lid, en 19, aanhef,
wordt in plaats van «Politiewet 1993 bevoegde gezag» gelezen:
Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire,
Sint Eustatius en Saba bevoegde gezag op Bonaire, Sint Eustatius
of Saba;
f. artikel 14, vierde lid, wordt in plaats van «artikel 15 van
de Archiefwet 1995» gelezen: artikel 20 van de Archiefwet BES;
g. artikel 17, derde lid, wordt in plaats van «het Europese
deel van Nederland» gelezen: Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
h. de artikelen 18, tweede lid, 32, tweede lid, 33, tweede lid
en 34, vierde lid, wordt in plaats van «het College bescherming
persoonsgegevens» gelezen: de Commissie van toezicht bescherming
persoonsgegevens BES, bedoeld in artikel 44 van de Wet bescherming
persoonsgegevens BES;
i. artikel 20, eerste lid, wordt in plaats van «Politiewet
1993 bevoegd gezag» gelezen: Rijkswet politie van Curaçao, van
Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevoegde gezag
op Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
j. artikel 23, eerste lid, wordt in plaats van «openbaar
ministerie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b,»
gelezen: openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
k. artikel 24, eerste en tweede lid, wordt in plaats van «een
lid van het College van procureurs-generaal» gelezen: de
procureur-generaal, bedoeld in artikel 2 van de Rijkswet openbare
ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint
Eustatius en Saba;
l. artikel 28, tweede lid, wordt in plaats van «Artikel 37,
eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens» gelezen:
Artikel 29, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens
BES.
2. Deartikelen 1, onder h, 17a, 35, 36 en 46 zijn niet van
toepassing.
Artikel 36d. (verstrekking aan gezagsdragers Bonaire, Sint Eustatius
en Saba)
1. In afwijking van artikel 16, eerste lid, verstrekt de
verantwoordelijke politiegegevens aan:
a. leden van het openbaar ministerie van Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, voor zover zij deze behoeven in verband met hun
gezag of zeggenschap over de politie of over andere personen of
instanties die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast,
en voor de uitvoering van andere hen bij of krachtens de wet
opgedragen taken;
b. de gezaghebber, voor zover hij deze behoeft in verband met
het gezag en zeggenschap over de politie;
c. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en Onze Minister van Defensie voor zover zij deze behoeven in
verband met:
1°. het verrichten van onderzoek naar aanleiding van
klachten als bedoeld in artikel 18 van de Veiligheidswet BES,
of
2°. disciplinaire straffen vanwege niet nakoming van
verplichtingen of plichtsverzuim als geregeld bij of krachtens
artikel 21, tweede lid, van de Veiligheidswet BES of artikel
10, vierde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint
Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, of
3°. schorsing of ontslag van de ambtenaar van de
Koninklijke marechaussee voor zover werkzaam ter uitvoering
van de politietaken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de
Veiligheidswet BES vanwege niet nakoming van verplichtingen of
plichtsverzuim als geregeld bij of krachtens artikel 12 van de
Militaire Ambtenarenwet 1931.
2. Artikel 16, tweede lid, is uitsluitend van toepassing op de
verstrekking, bedoeld in het eerste lid, onder c.
Artikel 36e. (verstrekking aan Nederlandse politie, openbaar
ministerie en bijzondere opsporingsdienst)
1. Politiegegevens kunnen worden verstrekt aan de
verantwoordelijken, bedoeld in artikel 1, onder f, voor zover dat
noodzakelijk is voor een goede uitoefening van de politietaak, bedoeld
in artikel 36b, eerste lid, onder a, dan wel de politietaak in het
Europese deel van Nederland.
2. Politiegegevens kunnen worden verstrekt aan leden van het
openbaar ministerie van het Europese deel van Nederland, voor zover
zij deze behoeven in verband met hun gezag of zeggenschap over de
politie of over andere personen of instanties die met de opsporing van
strafbare feiten zijn belast, en voor de uitvoering van andere hen bij
of krachtens de wet opgedragen taken.
3. Politiegegevens kunnen worden verstrekt aan opsporingsambtenaren
die werkzaam zijn bij een bijzondere opsporingsdienst in het Europese
deel van Nederland voor zover zij deze behoeven voor de vervulling van
hun taak.
Artikel 36f. (toepasselijkheid Wet administratieve rechtspraak BES)
1. In afwijking van artikel 29 geldt een beslissing op een verzoek
als bedoeld in artikel 25 of 28 gericht aan de verantwoordelijke,
bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder b, als een beschikking als
bedoeld in artikel 3 van de Wet administratieve rechtspraak BES.
2. De artikelen 38 en 39 van de Wet bescherming persoonsgegevens
BES zijn van overeenkomstige toepassing.
3. In procedures inzake beslissingen als bedoeld in het eerste lid
waarbij de verantwoordelijke of onder zijn verantwoordelijkheid
werkzame personen ingevolge artikel 37 van de Wet administratieve
rechtspraak BES worden verplicht tot het geven van inlichtingen met
betrekking tot politiegegevens die zijn te herleiden tot een informant
als bedoeld inartikel 12, zevende lid, kan Onze Minister van Justitie
beslissen dat hieraan geen uitvoering wordt gegeven. Artikel 29,
vijfde lid, tweede en derde zin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36g. (toezicht)
1. De Commissie van toezicht bescherming persoonsgegevens BES,
bedoeld in artikel 44 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES,
ziet toe op de verwerking van politiegegevens in Bonaire, Sint
Eustatius en Saba overeenkomstig het bij en krachtens deze wet
bepaalde.
2. De artikelen 50 en 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens
BES zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Wijziging van andere wetten
Artikel 37
[Wijzigt de Politiewet 1993, de Wet bevordering
integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur en de Wet bescherming
persoonsgegevens]
Artikel 38
[Wijzigt de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof]
Artikel 39
[Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens]
Artikel 40
[Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens]
Artikel 41
[Wijzigt de Wet melding ongebruikelijke transacties]
Artikel 42
[Wijzigt de Wet tot instelling van het Internationaal Tribunaal voor
vervolging van personen aansprakelijk voor ernstige schendingen van het
internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige
Joegoslavië 1991.]
Artikel 43
[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering]
Artikel 44
[Wijzigt de Wet documentatie vennootschappen]
Artikel 45
[Wijzigt de Luchtvaartwet]
§ 7. Slotbepalingen
Artikel 46. (toepassing op gegevensverwerking door bijzondere
opsporingsdiensten)
1. Het bij of krachtens de Wet politiegegevens bepaalde met
betrekking tot de gegevensverwerking, bedoeld in artikel 10, eerste
lid onder a, enartikel 12, is van overeenkomstige toepassing op de
verwerking van persoonsgegevens door een bijzondere opsporingsdienst.
Op voordracht van Onze Ministers en Onze Minister wie het mede aangaat
kunnen bij algemene maatregel van bestuur ook andere onderdelen van
het bij of krachtens deze wet bepaalde van overeenkomstige toepassing
worden verklaard op de verwerking van persoonsgegevens door een
bijzondere opsporingsdienst.
2. Voor zover toepassing is gegeven aan het eerste lid
a. stelt de verantwoordelijke politiegegevens voor verdere
verwerking ter beschikking aan opsporingsambtenaren die werkzaam
zijn bij de bijzondere opsporingsdienst, voorzover zij deze
behoeven voor de vervulling van hun taak;
b. stelt de verantwoordelijke van de bijzondere
opsporingsdienst de gegevens waarop het bepaalde bij of krachtens
deze wet van toepassing of van overeenkomstige toepassing is ter
beschikking aan personen die overeenkomstig artikel 6, tweede lid,
zijn geautoriseerd voor de verwerking van politiegegevens, voor
zover zij deze behoeven voor de vervulling van hun taak.
Artikel 15, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de ambtenaren die werkzaam zijn bij een bijzondere
opsporingsdienst, die tot het verwerken van politiegegevens als
bedoeld in het eerste lid kunnen worden geautoriseerd, alsmede over
het beheer en de organisatie van de bijzondere opsporingsdienst waar
zij werkzaam zijn.
Artikel 47. (evaluatiebepaling)
Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van
deze wet, en vervolgens telkens na vier jaar, gehoord het College
bescherming persoonsgegevens, aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 48. (overgangsbepaling)
In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen een beslissing die
op grond van de Wet politieregisters is genomen op een verzoek om
kennisneming, verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van
politiegegevens, dan wel op tegen een dergelijke beslissing in te
stellen of ingesteld beroep, blijven, zowel in eerste aanleg als in
verdere instantie, de regels van toepassing, die golden voor de
intrekking van die wet.
Artikel 49. (intrekking Wet politieregisters)
De Wet politieregisters wordt ingetrokken.
Artikel 50. (aanpassing aan Wet op de bijzondere opsporingsdiensten)
[Wijzigt deze wet]
Artikel 51. (inwerkingtreding)
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 52. (citeertitel)
Deze wet wordt aangehaald als: Wet politiegegevens.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te Tavarnelle, 21 juli 2007
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst
De Minister van Defensie,
E. van Middelkoop
Uitgegeven de vierde september 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|