Artikel 1. Definities
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
aanpassingsstage: uitoefening in Nederland van een gereglementeerd
beroep onder verantwoordelijkheid van een gekwalificeerde
beroepsbeoefenaar, met in voorkomend geval een aanvullende opleiding,
teneinde te kunnen beoordelen of de migrerende beroepsbeoefenaar
voldoende bekwaamheid bezit om het desbetreffende beroep in Nederland
uit te oefenen;
bekwaamheidsattest: bekwaamheidsattest als bedoeld in artikel 9, onder
e;
beroepservaring: daadwerkelijke en geoorloofde uitoefening van het
betrokken beroep in een betrokken staat;
beroepskwalificaties: kwalificaties die worden gestaafd door een
opleidingstitel, een bekwaamheidsattest of beroepservaring;
betrokken staat: lidstaat van de Europese Unie, andere staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland;
erkenning van beroepskwalificaties: erkenning van beroepskwalificaties
als bedoeld in artikel 5;
gereglementeerd beroep:
1°. beroepswerkzaamheid of geheel van beroepswerkzaamheden waarvoor
geldt dat de toegang daartoe of uitoefening daarvan, waaronder het
voeren van een beroepstitel, bij of krachtens wet direct of indirect
afhankelijk is gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties,
of
2°. beroep dat wordt uitgeoefend door de leden van de verenigingen of
organisaties die zijn genoemd in bijlage I van de richtlijn;
gereglementeerde opleiding: opleiding die specifiek op een bepaald
beroep is gericht en die bestaat uit een studiecyclus waarvan de
structuur en het niveau bij of krachtens wet zijn vastgesteld, in
voorkomend geval aangevuld met een beroepsopleiding, beroepsstage of
praktijkervaring, waarvan de structuur en het niveau bij of krachtens
wet zijn vastgesteld;
migrerende beroepsbeoefenaar:
1°. onderdaan van een betrokken staat;
2°. onderdaan van een derde land die houder is van een door een
lidstaat van de Europese Unie afgegeven EG-verblijfsvergunning voor
langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van richtlijn nr.
2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003
betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde
landen (PbEU L 016);
3°. familielid van een onderdaan van een betrokken staat dat onderdaan
is van een derde land en dat uit hoofde van richtlijn nr. 2004/38/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004
betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied
van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L
158 en L 229), gerechtigd is een betrokken staat binnen te komen en er
te verblijven;
Onze minister: Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
Onze minister die het aangaat: Onze minister onder wiens
beleidsverantwoordelijkheid de reglementering bij of krachtens wet van
de toegang tot of uitoefening van het desbetreffende gereglementeerde
beroep valt;
opleidingstitel:
1°. kwalificatie als bedoeld in artikel 9, onder a tot en met d, die
door het daartoe bij of krachtens wet in een andere betrokken staat dan
Nederland bevoegde gezag is afgegeven ter afsluiting van een overwegend
in de gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte van toepassing is of Zwitserland gevolgde
beroepsopleiding; of
2°. kwalificatie als bedoeld in artikel 9, onder a tot en met d, die
door het daartoe bij of krachtens wet in een derde land bevoegde gezag
is afgegeven, indien de migrerende beroepsbeoefenaar in het betrokken
beroep een beroepservaring van ten minste drie jaar heeft opgedaan op
het grondgebied van een betrokken staat anders dan Nederland die de
betrokken kwalificatie heeft erkend en indien die betrokken staat deze
beroepservaring bevestigt;
persoonsgegeven: persoonsgegeven als bedoeld in artikel 1, onder a, van
de Wet bescherming persoonsgegevens;
proeve van bekwaamheid: toets afgenomen door Onze minister die het
aangaat, uitsluitend inzake de beroepskennis van de migrerende
beroepsbeoefenaar, die tot doel heeft te beoordelen of de migrerende
beroepsbeoefenaar de bekwaamheid bezit om in Nederland een
gereglementeerd beroep uit te oefenen, en die betrekking heeft op de
vakgebieden die niet worden bestreken door de opleiding die de
migrerende beroepsbeoefenaar heeft gevolgd en die wezenlijk zijn voor de
uitoefening van het beroep in Nederland, en waaronder mede kan zijn
begrepen kennis van de beroepsregels die in Nederland op de betrokken
activiteiten van toepassing zijn, waarbij in aanmerking wordt genomen
dat de migrerende beroepsbeoefenaar in de betrokken staat van oorsprong
of herkomst een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar is;
richtlijn: richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning
van beroepskwalificaties (PbEU L 255);
verklaring omtrent het gedrag: verklaring als bedoeld in artikel 28 van
de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Artikel 2. Orgaan organisatie van beroepsbeoefenaars
1. Voor de erkenning als specialist in de zin van artikel 14 van de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt onder Onze
minister die het aangaat verstaan het orgaan, bedoeld in artikel 14,
tweede lid, onder e, van die wet.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de artikelen
17, 18, 33, 34, 34a, 34b, en 36.
Artikel 3. Hetzelfde beroep
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
het beroep dat de migrerende beroepsbeoefenaar in Nederland wenst uit te
oefenen, aangemerkt als hetzelfde als dat waarvoor hij in de betrokken
staat van oorsprong of herkomst de kwalificaties bezit, indien daaronder
vergelijkbare werkzaamheden vallen.
Artikel 4. Reikwijdte
Deze wet is van toepassing op gereglementeerde beroepen, voor zover niet
bij of krachtens wet ten aanzien van een beroep is geïmplementeerd:
a. de richtlijn, of
b. een afzonderlijke EG-richtlijn inzake de onderlinge erkenning van
beroepskwalificaties.
Hoofdstuk 2. Erkenning van beroepskwalificaties
Artikel 5. Erkenning beroepskwalificaties
1.Onze minister die het aangaat kan erkenning van beroepskwalificaties
verlenen aan een migrerende beroepsbeoefenaar die in Nederland toegang
tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep wenst op basis van
beroepskwalificaties die in een andere betrokken staat verplicht zijn
gesteld voor toegang tot of uitoefening van dat beroep.
2.De migrerende beroepsbeoefenaar aan wie erkenning van
beroepskwalificaties is verleend ten aanzien van een gereglementeerd
beroep, voldoet aan de bij of krachtens wet voor de toelating tot of
uitoefening van het desbetreffende beroep vereiste beroepskwalificaties
en kan dat beroep uitoefenen onder de voorwaarden die in Nederland voor
die beroepsuitoefening zijn gesteld.
Artikel 6. Vereisten erkenning beroepskwalificaties
1.Onze minister die het aangaat verleent erkenning van
beroepskwalificaties indien de migrerende beroepsbeoefenaar in het bezit
is van een opleidingstitel die of een door het bevoegd gezag in een
andere betrokken staat dan Nederland afgegeven bekwaamheidsattest dat
blijk geeft van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste
gelijkwaardig is aan het eerste niveau onder het in Nederland vereiste
niveau, met toepassing van de onderscheiding in niveaus, bedoeld in
artikel 9.
2.Onze minister die het aangaat verleent eveneens erkenning van
beroepskwalificaties indien de migrerende beroepsbeoefenaar het beroep
in de tien jaar voorafgaand aan de aanvraag gedurende twee jaar voltijds
of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds heeft uitgeoefend in
een andere betrokken staat dan Nederland waar dat beroep niet is
gereglementeerd en de migrerende beroepsbeoefenaar in het bezit is van
een of meer opleidingstitels of door het bevoegd gezag in een andere
betrokken staat dan Nederland afgegeven bekwaamheidsattesten die:
a. blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste
gelijkwaardig is aan het eerste niveau onder het in Nederland vereiste
niveau, met toepassing van de onderscheiding in niveaus, bedoeld in
artikel 9, en
b. aantonen dat de migrerende beroepsbeoefenaar op de uitoefening van
het betrokken beroep is voorbereid.
Artikel 7. Gereglementeerde opleiding
1.De beroepservaring van twee jaar, bedoeld in artikel 6, tweede lid,
wordt niet geëist indien de migrerende beroepsbeoefenaar met de
opleidingstitel of opleidingstitels een gereglementeerde opleiding van
het niveau, bedoeld in artikel 9, onder a, b, c of d, heeft afgesloten.
2.Voor de toepassing van het eerste lid worden opleidingen die zijn
genoemd in bijlage III van de richtlijn beschouwd als gereglementeerde
opleidingen van het niveau, bedoeld in artikel 9, onder c.
Artikel 8. Meer dan één niveau verschil
In afwijking van artikel 6 verleent Onze minister die het aangaat
erkenning van beroepskwalificaties indien de migrerende
beroepsbeoefenaar toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd
beroep wenst waarvoor een opleidingstitel is vereist die een opleiding
van hoger of universitair onderwijs met een duur van vier jaar afsluit
en de migrerende beroepsbeoefenaar een opleidingstitel bezit van het
niveau, bedoeld in artikel 9, onder c.
Artikel 9. Kwalificatieniveaus
Voor de toepassing van artikel 6 worden de beroepskwalificaties
onderscheiden in de volgende vijf niveaus:
a. een diploma ter afsluiting van een opleiding op het niveau van het
hoger onderwijs met een duur van ten minste vier jaar of, in geval van
een deeltijdse opleiding, met een daaraan gelijkwaardige duur, aan een
universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of aan een andere
instelling met hetzelfde opleidingsniveau, en in voorkomend geval ter
afsluiting van de beroepsopleiding die als aanvulling op deze
hogeronderwijsopleiding is vereist;
b. een diploma ter afsluiting van een opleiding op het niveau van het
hoger onderwijs met een duur van ten minste drie jaar en ten hoogste
vier jaar, of, in geval van een deeltijdse opleiding, met een daaraan
gelijkwaardige duur, aan een universiteit of een instelling voor hoger
onderwijs of aan een andere instelling met hetzelfde opleidingsniveau,
en in voorkomend geval ter afsluiting van de beroepsopleiding die als
aanvulling op deze hogeronderwijsopleiding is vereist;
c. een diploma ter afsluiting van:
1°. een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs met een duur
van ten minste één en minder dan drie jaar, of, in geval van een
deeltijdse opleiding, met een daaraan gelijkwaardige duur, waarvoor als
een van de toelatingsvoorwaarden in de regel geldt dat de
secundaironderwijsopleiding is voltooid die voor de toegang tot het
universitair of hoger onderwijs is vereist of een gelijkwaardige
schoolopleiding van secundair niveau, en in voorkomend geval de
beroepsopleiding die als aanvulling op deze hogeronderwijsopleiding is
vereist, of
2°. in geval van een gereglementeerd beroep, een opleiding met een
bijzondere structuur die is genoemd in bijlage II van de richtlijn, die
gelijkwaardig is aan het opleidingsniveau, bedoeld onder 1°, en die
opleidt tot een vergelijkbare beroepsbekwaamheid en voorbereidt op een
vergelijkbaar niveau van verantwoordelijkheden en taken.
d. een certificaat ter afsluiting van een opleiding op een niveau niet
zijnde hoger onderwijs:
1°. van algemene aard, aangevuld met een andere dan de onder c bedoelde
studiecyclus of beroepsopleiding of met de beroepsstage of
praktijkervaring die als aanvulling op deze studiecyclus is vereist, of
2°. van technische of beroepsmatige aard, in voorkomend geval aangevuld
met een studiecyclus of beroepsopleiding als bedoeld onder 1°, of met
de beroepsstage of praktijkervaring die als aanvulling op deze
studiecyclus is vereist;
e. een bekwaamheidsattest:
1°. na het volgen van een opleiding die niet wordt afgesloten met een
certificaat of diploma als bedoeld onder a tot en met d, of
2°. na het afleggen van een specifiek examen zonder voorafgaande
opleiding, of
3°. waaruit blijkt dat het beroep tijdens de voorafgaande tien jaar
gedurende drie opeenvolgende jaren voltijds of gedurende een
gelijkwaardige periode deeltijds in een andere betrokken staat dan
Nederland is uitgeoefend, of
4°. na het volgen van een algemene opleiding op het niveau van het
primair of secundair onderwijs, waaruit een zekere algemene ontwikkeling
blijkt.
Artikel 10 . Gelijkstelling van beroepskwalificaties
Met een opleidingstitel ter afsluiting van een in artikel 9 bedoelde
opleiding, met inbegrip van het betrokken niveau, wordt gelijkgesteld:
a. een opleidingstitel die, of een geheel van opleidingstitels dat door
het bevoegd gezag in een andere betrokken staat dan Nederland is
afgegeven, wanneer daarmee een in de gebieden waarop de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is of
Zwitserland gevolgde opleiding wordt afgesloten die door deze betrokken
staat als gelijkwaardig wordt erkend en waaraan dezelfde rechten voor de
toegang tot of uitoefening van een beroep zijn verbonden, of die een
voorbereiding vormt op de uitoefening van dat beroep.
b. een beroepskwalificatie die weliswaar niet meer voldoet aan de eisen
die bij of krachtens wet in de betrokken staat van oorsprong of herkomst
voor de toegang tot of uitoefening van een beroep zijn vastgesteld, maar
die de houder ervan bij of krachtens wet in die betrokken staat
verworven rechten verleent.
Artikel 11. Compenserende maatregelen
1.Onze minister die het aangaat kan eisen dat de migrerende
beroepsbeoefenaar een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar
doorloopt of een proeve van bekwaamheid aflegt, indien:
a. de duur van de door de migrerende beroepsbeoefenaar gevolgde
opleiding ten minste één jaar korter is dan de duur van de in
Nederland vereiste opleiding, of
b. de door de migrerende beroepsbeoefenaar gevolgde opleiding betrekking
heeft op vakken die wezenlijk verschillen van de vakken die worden
bestreken door de in Nederland vereiste opleiding, of
c. het in Nederland gereglementeerde beroep een of meer gereglementeerde
beroepswerkzaamheden omvat die niet bestaan in hetzelfde beroep in de
betrokken staat van oorsprong of herkomst van de migrerende
beroepsbeoefenaar, en dit verschil wordt gekenmerkt door een specifieke
opleiding die in Nederland is vereist en betrekking heeft op vakken die
wezenlijk verschillen van de vakken die vallen onder het
bekwaamheidsattest of de opleidingstitel van de migrerende
beroepsbeoefenaar.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vakken die wezenlijk
verschillen verstaan vakken waarvan de kennis van wezenlijk belang is
voor de uitoefening van het beroep en waarvoor de door de migrerende
beroepsbeoefenaar ontvangen opleiding naar duur of inhoud in belangrijke
mate afwijkt van de in Nederland vereiste opleiding.
3.Bij de toepassing van het eerste lid gaat Onze minister die het
aangaat eerst na of de kennis die de migrerende beroepsbeoefenaar
tijdens zijn beroepservaring heeft verworven van dien aard is dat het
wezenlijke verschil, bedoeld in het tweede lid, daardoor geheel of
gedeeltelijk wordt ondervangen.
4.De migrerende beroepsbeoefenaar wordt de keuze gelaten tussen een
aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid.
5.De migrerende beroepsbeoefenaar komt de keuze, bedoeld in het vierde
lid, niet toe:
a. met betrekking tot een beroep waarvan voor de uitoefening een
precieze kennis van het Nederlands recht is vereist en waarvan het
verstrekken van advies of het verlenen van bijstand op het gebied van
het Nederlands recht een wezenlijk en vast onderdeel van de uitoefening
vormt, of
b. in geval van een in een derde land afgegeven opleidingstitel.
Artikel 12. Vrijstelling van compenserende maatregelen
Onze minister die het aangaat ziet af van de toepassing van
compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 11 wanneer de
beroepskwalificaties van de migrerende beroepsbeoefenaar voldoen aan de
criteria die zijn vastgesteld in het kader van een overeenkomstig
artikel 15, tweede lid, van de richtlijn aangenomen maatregel.
Artikel 13. Documenten bij de aanvraag
1.Onze minister die het aangaat kan alvorens te beslissen op een
aanvraag om erkenning van beroepskwalificaties de volgende documenten
eisen:
a. een bewijs van de nationaliteit van de migrerende beroepsbeoefenaar
alsmede, indien de definitie van migrerende beroepsbeoefenaar, onder
2°, van toepassing is, een door Nederland afgegeven
EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel
8 van richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25
november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen
van derde landen (PbEU L 016), of een door een andere betrokken staat
dan Nederland afgegeven zodanige EG-verblijfsvergunning en een
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet
2000, of, indien de definitie van migrerende beroepsbeoefenaar, onder
3°, van toepassing is, een verblijfskaart van een familielid van een
burger van de Unie of een duurzame verblijfskaart of een ander
bewijsmiddel waaruit blijkt dat de aanvrager het verblijfsrecht of het
duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in hoofdstuk III,
respectievelijk hoofdstuk IV van richtlijn nr. 2004/38/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004
betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied
van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L
158 en L 229);
b. een kopie van de bekwaamheidsattesten of van de opleidingstitels
waarop de migrerende beroepsbeoefenaar zich beroept;
c. in voorkomend geval een bewijs van de beroepservaring van de
migrerende beroepsbeoefenaar;
d. documenten, verklaringen en attesten als bedoeld in de artikelen 14
tot en met 16, voor zover de toegang tot of uitoefening van een
gereglementeerd beroep daarvan mede afhankelijk is gesteld, en
e. documenten als bedoeld in artikel 17.
2.Onze minister die het aangaat kan de migrerende beroepsbeoefenaar
verzoeken informatie omtrent zijn opleiding te verstrekken, voor zover
dat noodzakelijk is voor de vaststelling van wezenlijke verschillen als
bedoeld in artikel 11, tweede lid.
Artikel 14. Verklaring omtrent gedrag en faillissement
1.Indien de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep
mede afhankelijk is gesteld van:
a. een verklaring omtrent het gedrag of een ander document waaruit
blijkt van een betrouwbaarheidsoordeel bij of krachtens de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens, of
b. een document waaruit blijkt dat de migrerende beroepsbeoefenaar niet
in staat van faillissement heeft verkeerd, noch ten aanzien van de
migrerende beroepsbeoefenaar de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing is geweest,
geldt als zodanig een met die verklaring of dat document overeenkomend
document, afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van
oorsprong of herkomst van de migrerende beroepsbeoefenaar.
2.Indien documenten als bedoeld in het eerste lid niet door het bevoegd
gezag in de betrokken staat van oorsprong of herkomst worden afgegeven,
kan de migrerende beroepsbeoefenaar volstaan met het afleggen van een
verklaring onder ede of een plechtige verklaring ten overstaan van een
daartoe in die betrokken staat bevoegde gerechtelijke of bestuurlijke
autoriteit, een notaris of een in die betrokken staat bevoegde
beroepsorganisatie, die een attest afgeeft waaruit blijkt dat deze
verklaring onder ede of plechtige verklaring is afgelegd.
3.De in het eerste en tweede lid bedoelde verklaringen, documenten en
attesten mogen bij indiening van een aanvraag tot het verkrijgen van een
erkenning van beroepskwalificaties niet ouder zijn dan drie maanden.
Artikel 15. Document inzake gezondheid
1.Indien de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep
mede afhankelijk is gesteld van een document betreffende de geestelijke
of lichamelijke gezondheid, geldt als zodanig het document dat in de
betrokken staat van oorsprong of herkomst ter zake is vereist.
2.Indien in de betrokken staat van oorsprong of herkomst een document
als bedoeld in het eerste lid niet is vereist, kan de migrerende
beroepsbeoefenaar volstaan met een attest afgegeven door het bevoegd
gezag van die betrokken staat.
3.Artikel 14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16. Bewijs van financiële draagkracht en verzekering
1.Indien de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep
mede afhankelijk is gesteld van:
a. een bewijs van financiële draagkracht, of
b. een bewijs van verzekering tegen de financiële risico’s die
verband houden met beroepsaansprakelijkheid,
geldt als genoegzaam bewijs een attest ter zake afgegeven door banken of
verzekeringsmaatschappijen van een andere betrokken staat dan Nederland.
2.Artikel 14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17. Tuchtrechtelijke en strafrechtelijke inbreuken
1.Indien Onze minister die het aangaat de toegang tot of uitoefening van
een gereglementeerd beroep tijdelijk of permanent verbiedt in geval van
tuchtrechtelijke of strafrechtelijke inbreuken, gelden documenten
afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van oorsprong of
herkomst waaruit blijkt dat aan de migrerende beroepsbeoefenaar geen
tijdelijk of permanent tuchtrechtelijk of strafrechtelijk
beroepsuitoefeningsverbod is opgelegd als genoegzaam bewijs.
2.Artikel 14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18. Eed of belofte
Indien voor de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep
het afleggen van een eed of belofte is vereist en de formule van deze
eed of belofte niet door de migrerende beroepsbeoefenaar kan worden
gebruikt, draagt Onze minister die het aangaat ervoor zorg dat de
migrerende beroepsbeoefenaar een passende gelijkwaardige formule kan
gebruiken.
Artikel 19. Procedure erkenning
1.Onze minister die het aangaat bevestigt binnen een maand de ontvangst
van een aanvraag om erkenning van beroepskwalificaties.
2.Onze minister die het aangaat beslist zo spoedig mogelijk en in elk
geval binnen drie maanden op de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met
een maand worden verlengd, tenzij sprake is van een gereglementeerd
beroep waarvoor een automatische erkenning geldt als bedoeld in titel
III, hoofdstuk III, van de richtlijn.
3.Het besluit, bedoeld in het tweede lid, kan worden aangehouden in
geval van het eisen van een aanpassingsstage of een proeve van
bekwaamheid als bedoeld in artikel 11. De migrerende beroepsbeoefenaar
wordt daarvan binnen de in het tweede lid bedoelde termijn op de hoogte
gebracht.
4.In geval van toepassing van het derde lid neemt Onze minister die het
aangaat zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een maand nadat de
migrerende beroepsbeoefenaar een aanpassingsstage heeft doorlopen of een
proeve van bekwaamheid heeft afgelegd, een besluit als bedoeld in het
tweede lid.
Artikel 20. Voeren van beroepstitel
Indien in Nederland voorschriften gelden voor het voeren van de
beroepstitel voor een van de werkzaamheden van het betrokken
gereglementeerde beroep, voert de migrerende beroepsbeoefenaar die op
grond van dit hoofdstuk is gerechtigd het gereglementeerde beroep uit te
oefenen, de beroepstitel die in Nederland bij dit beroep behoort, en
maakt de migrerende beroepsbeoefenaar gebruik van de eventuele afkorting
van deze titel.
Hoofdstuk 3. Tijdelijke en incidentele dienstverrichting
Artikel 21. Begripsbepaling hoofdstuk 3
In dit hoofdstuk wordt onder dienstverrichter verstaan een migrerende
beroepsbeoefenaar die zich vanuit een andere betrokken staat waar de
migrerende beroepsbeoefenaar op wettige wijze is gevestigd om er een
beroep uit te oefenen naar Nederland begeeft om er bij wijze van
tijdelijke en incidentele dienstverrichting hetzelfde gereglementeerde
beroep uit te oefenen. Het tijdelijke en incidentele karakter van de
dienstverrichting wordt per geval beoordeeld, met name in het licht van
de duur, frequentie, regelmaat en continuïteit van de
dienstverrichting.
Artikel 22 . Geen beperkingen op dienstverrichting
Onverminderd de artikelen 23, 24, 27 en 28 stelt Onze minister die het
aangaat aan een dienstverrichter geen beperkingen wegens
beroepskwalificaties indien:
a. het beroep of de opleiding die leidt tot toegang tot of uitoefening
van het beroep in de betrokken staat van vestiging is gereglementeerd,
of
b. het beroep of de opleiding die leidt tot toegang tot of uitoefening
van het beroep in de betrokken staat van vestiging niet is
gereglementeerd en de migrerende beroepsbeoefenaar tijdens de tien jaar
voorafgaand aan de dienstverrichting in Nederland gedurende ten minste
twee jaar dat beroep heeft uitgeoefend in de betrokken staat van
vestiging.
Artikel 23. Verklaring vooraf van dienstverrichter
1.Onze minister die het aangaat kan van een dienstverrichter voorafgaand
aan de eerste dienstverrichting in Nederland een schriftelijke
verklaring eisen met daarin gegevens betreffende verzekering of
gelijksoortige bescherming tegen de financiële risico’s van
beroepsaansprakelijkheid.
2.De verklaring kan met alle middelen worden aangeleverd en wordt steeds
na een jaar opnieuw afgegeven door de dienstverrichter indien hij
voornemens is om gedurende het opvolgende jaar in Nederland tijdelijk en
incidenteel diensten te verrichten.
3.Onze minister die het aangaat kan eisen dat de verklaring die
voorafgaat aan de eerste dienstverrichting in Nederland vergezeld gaat
van de volgende documenten, afgegeven door de terzake bevoegde
autoriteit van de desbetreffende betrokken staat:
a. een bewijs van de nationaliteit van de dienstverrichter alsmede,
indien de definitie van migrerende beroepsbeoefenaar, onder 2°, van
toepassing is, een door Nederland afgegeven EG-verblijfsvergunning voor
langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van richtlijn nr.
2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003
betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde
landen (PbEU L 016), of een door een andere betrokken staat dan
Nederland afgegeven zodanige EG-verblijfsvergunning en een
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet
2000, of, indien de definitie van migrerende beroepsbeoefenaar, onder
3°, van toepassing is, een verblijfskaart van een familielid van een
burger van de Unie of een duurzame verblijfskaart of een ander
bewijsmiddel waaruit blijkt dat de aanvrager het verblijfsrecht of het
duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in hoofdstuk III,
respectievelijk hoofdstuk IV van richtlijn nr. 2004/38/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004
betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied
van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L
158 en L 229);
b. een attest dat de dienstverrichter rechtmatig in een andere betrokken
staat dan Nederland is gevestigd om er de betrokken werkzaamheden uit te
oefenen, en dat de dienstverrichter op het moment van afgifte van het
attest geen permanent of tijdelijk beroepsverbod is opgelegd;
c. bewijs van beroepskwalificaties;
d. voor gevallen als bedoeld in artikel 22, onder b, een bewijs van de
daar omschreven beroepservaring;
e. voor beroepen in de veiligheidssector, een bewijs dat de
dienstverrichter nooit strafrechtelijk is veroordeeld, indien Nederland
dat ook van zijn eigen onderdanen eist.
4.Indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de
documenten, bedoeld in het derde lid, gestaafde situatie, maakt de
dienstverrichter daarvan binnen een maand melding bij Onze minister die
het aangaat, onder overlegging van documenten als bedoeld in het derde
lid waaruit die nieuwe situatie blijkt.
Artikel 24. Vrijstellingen
Een dienstverrichter is vrijgesteld van de eisen die gelden voor in
Nederland gevestigde beroepsbeoefenaren met betrekking tot:
a. de autorisatie door een beroepsorganisatie;
b. de inschrijving bij een beroepsorganisatie of bij een bij of
krachtens wet ingesteld register; of
c. de aansluiting bij een beroepsorganisatie.
Artikel 25. Toepasselijkheid beroepsregels en tuchtrechtelijke
bepalingen
1.Een dienstverrichter valt onder de beroepsregels die rechtstreeks
verband houden met beroepskwalificaties en de tuchtrechtelijke
bepalingen die in Nederland van toepassing zijn op beoefenaren van
hetzelfde beroep.
2.Om toepassing van de tuchtrechtelijke bepalingen, bedoeld in het
eerste lid, mogelijk te maken, draagt Onze minister die het aangaat
ervoor zorg dat is voorzien in automatische tijdelijke inschrijving bij
een beroepsorganisatie of een bij of krachtens wet ingesteld register
dan wel aansluiting pro forma bij een beroepsorganisatie, voor zover dit
de dienstverrichting op geen enkele wijze vertraagt of bemoeilijkt en
voor de dienstverrichter geen extra kosten meebrengt.
3.Onze minister die het aangaat stuurt aan de betrokken
beroepsorganisatie of het betrokken bij of krachtens wet ingestelde
register een kopie van de in artikel 23 bedoelde verklaring en in
voorkomend geval de verlenging daarvan, alsmede, voor beroepen die
verband houden met de volksgezondheid en de openbare veiligheid als
bedoeld in artikel 27, of waarvoor een automatische erkenning geldt als
bedoeld in titel III, hoofdstuk III, van de richtlijn, een kopie van de
in artikel 23, derde lid, bedoelde documenten.
4.Het moment van versturen van de kopieën, bedoeld in het derde lid,
wordt gelijkgesteld met een automatische tijdelijke inschrijving of
aansluiting pro forma als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 26. Beroepstitel en titel behorend bij opleiding
1.De dienstverrichter voert de beroepstitel waartoe hij in de betrokken
staat van vestiging is gerechtigd. Deze titel wordt vermeld in de
officiële taal of één van de officiële talen van de betrokken staat
van vestiging.
2.Indien de titel, bedoeld in het eerste lid, niet bestaat, voert de
dienstverrichter de titel die behoort bij zijn opleiding in de
officiële taal of één van de officiële talen van de betrokken staat
van vestiging.
3.De dienstverrichter voert de Nederlandse beroepstitel:
a. in geval van een gereglementeerd beroep waarvoor een automatische
erkenning geldt als bedoeld in titel III, hoofdstuk III, van de
richtlijn;
b. in de gevallen waarin de beroepskwalificaties overeenkomstig artikel
27 zijn geverifieerd.
Artikel 27. Controle in verband met volksgezondheid of openbare
veiligheid
1.Onze minister die het aangaat kan voorafgaand aan de eerste
dienstverrichting de beroepskwalificaties van de dienstverrichter
controleren indien de te verrichten dienst een gereglementeerd beroep
betreft dat verband houdt met de volksgezondheid of de openbare
veiligheid en dat is geplaatst op een door Onze minister bij
ministeriële regeling vastgestelde lijst.
2.De controle is slechts toegestaan voor zover deze tot doel heeft
ernstige schade voor de gezondheid of de veiligheid van de afnemer van
de dienstverrichting als gevolg van een niet toereikende
beroepskwalificatie van de dienstverrichter te voorkomen.
3.Indien de beroepskwalificaties van de dienstverrichter wezenlijk
verschillen van de in Nederland voor de toelating tot of uitoefening van
het desbetreffende gereglementeerde beroep vereiste opleiding, en wel in
die mate dat dit verschil de volksgezondheid of de openbare veiligheid
kan schaden, biedt Onze minister die het aangaat de dienstverrichter de
mogelijkheid om aan te tonen dat hij de ontbrekende kennis en
vaardigheden heeft verworven, bijvoorbeeld door middel van een proeve
van bekwaamheid.
Artikel 28. Procedure controle
1.In geval van toepassing van artikel 27, eerste lid, beslist Onze
minister die het aangaat binnen een maand na ontvangst van de verklaring
en de documenten, bedoeld in artikel 23:
a. de beroepskwalificaties niet te controleren, of
b. de beroepskwalificaties te controleren en beslist hij tevens over het
resultaat van de controle.
Deze termijn kan eenmaal met twee maanden worden verlengd, onder
mededeling van de reden van de verlenging.
2.Het besluit, bedoeld in het eerste lid, onder b, kan een maand worden
aangehouden in geval van toepassing van artikel 27, derde lid. De
dienstverrichter wordt daarvan binnen de in het eerste lid bedoelde
termijn op de hoogte gebracht.
3.Indien Onze minister die het aangaat de termijnen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, overschrijdt, worden de beroepskwalificaties
geacht toereikend te zijn als bedoeld in artikel 27, tweede lid.
Artikel 29. Gegevens voor afnemers van de dienst
Wanneer de dienstverrichter de beroepstitel waartoe hij in de betrokken
staat van vestiging is gerechtigd of de titel die behoort bij zijn
opleiding, bedoeld in artikel 26, tweede lid, voert, kan Onze minister
die het aangaat eisen dat de dienstverrichter aan de afnemer van de
dienst de volgende gegevens verstrekt:
a. wanneer de dienstverrichter in een handelsregister of een
vergelijkbaar openbaar register is ingeschreven, het register waar hij
is ingeschreven en zijn inschrijvingsnummer, of een vergelijkbaar middel
ter identificatie in dat register;
b. wanneer voor uitoefening van de betrokken werkzaamheid in de
betrokken staat van vestiging een vergunning is vereist, de naam en het
adres van de bevoegde toezichthoudende instantie;
c. de beroepsordes of soortgelijke organisaties waarbij de
dienstverrichter is aangesloten;
d. wanneer de dienstverrichter een onder de btw vallende werkzaamheid
uitoefent, het btw-identificatienummer, bedoeld in artikel 22, eerste
lid, van richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977
betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake
omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de
toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PbEG L 145);
e. gegevens betreffende verzekering of gelijksoortige bescherming tegen
de financiële risico’s van beroepsaansprakelijkheid.
Artikel 30. Uitwisseling van informatie inzake dienstverrichter
1. Onze minister die het aangaat verstrekt aan een bevoegde autoriteit
van een andere betrokken staat dan Nederland waar een migrerende
beroepsbeoefenaar die in Nederland is gevestigd tijdelijk en incidenteel
een dienst gaat verrichten op diens verzoek en mits het verzoek
deugdelijk is gemotiveerd, voorafgaand aan een dienstverrichting
informatie over de migrerende beroepsbeoefenaar inzake de rechtmatigheid
van de vestiging, het goede gedrag, alsmede over het ontbreken van
tuchtrechtelijke maatregelen of strafrechtelijke sancties ter zake van
de beroepsuitoefening.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, zijn de artikelen 34, tweede
tot en met vierde lid, 34a en 34b van overeenkomstige toepassing.
3. Onze minister die het aangaat kan voorafgaand aan een
dienstverrichting bij een bevoegde autoriteit uit een andere betrokken
staat van vestiging van een dienstverrichter informatie over die
dienstverrichter opvragen inzake de rechtmatigheid van de vestiging, het
goede gedrag, alsmede over het ontbreken van tuchtrechtelijke
maatregelen of strafrechtelijke sancties ter zake van de
beroepsuitoefening, mits het verzoek om informatie deugdelijk is
gemotiveerd.
Artikel 30a. Uitwisseling van informatie in verband met afhandeling
klacht afnemer
1. Onze ministers die het aangaat kunnen onderling informatie opvragen
over een dienstverrichter en zij verstrekken onderling informatie over
een dienstverrichter voor zover noodzakelijk voor de afhandeling van een
klacht van een afnemer over de dienstverrichter in het kader van de
beroepsuitoefening.
2. Onze minister die het aangaat verstrekt aan een bevoegde autoriteit
van een andere betrokken staat dan Nederland op diens verzoek en mits
het verzoek deugdelijk is gemotiveerd, informatie over een
dienstverrichter voor zover noodzakelijk voor de afhandeling van een
klacht van een afnemer over de dienstverrichter in het kader van de
beroepsuitoefening.
3. Onze minister die het aangaat kan bij een bevoegde autoriteit van een
andere betrokken staat dan Nederland informatie opvragen over een
dienstverrichter voor zover noodzakelijk voor de afhandeling van een
klacht van een afnemer over de dienstverrichter in het kader van de
beroepsuitoefening en mits het verzoek om informatie deugdelijk is
gemotiveerd.
4. Dit artikel geldt onverminderd het bepaalde in de artikelen 34 tot en
met 34b.
Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
Artikel 31. Talenkennis
De migrerende beroepsbeoefenaar van wie de beroepskwalificaties zijn
erkend op grond van hoofdstuk 2 of die is toegelaten als
dienstverrichter als bedoeld in hoofdstuk 3 moet beschikken over de
talenkennis die voor de uitoefening van het desbetreffende
gereglementeerde beroep in Nederland is vereist.
Artikel 32 . Voeren van academische titels
1.Onverminderd de artikelen 20 en 26, heeft de migrerende
beroepsbeoefenaar het recht gebruik te maken van academische titels die
aan de migrerende beroepsbeoefenaar zijn verleend in de betrokken staat
van oorsprong of herkomst, en eventueel van de afkorting daarvan, in de
taal van die betrokken staat. Onze minister die het aangaat kan
voorschrijven dat deze titel wordt gevolgd door de naam en de plaats van
de instelling of de examencommissie die de titel heeft verleend.
2.Indien een academische titel als bedoeld in het eerste lid kan worden
verward met een titel waarvoor in Nederland een aanvullende opleiding is
vereist die de migrerende beroepsbeoefenaar niet heeft gevolgd, kan Onze
minister die het aangaat voorschrijven dat de migrerende
beroepsbeoefenaar de academische titel van de betrokken staat van
oorsprong of herkomst voert in een door Onze minister die het aangaat
aangegeven passende vorm.
Artikel 33. Nadere regels
1.Onze minister die het aangaat geeft bij ministeriële regeling per
gereglementeerd beroep nadere regels ten aanzien van de aanvraag tot het
verkrijgen van erkenning, de aanpassingsstage en de proeve van
bekwaamheid. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de
documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd alsmede op de
beoordeling van de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid.
2.Onze minister die het aangaat geeft bij ministeriële regeling per
gereglementeerd beroep nadere regels ten aanzien van de verklaring en de
documenten, bedoeld in artikel 23, de controle in verband met
volksgezondheid of openbare veiligheid, bedoeld in artikel 27, en het
verstrekken van gegevens voor afnemers van de dienst, bedoeld in artikel
29.
3.In geval onder Onze minister die het aangaat wordt verstaan het
orgaan, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder e, van de Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg, worden de nadere regels,
bedoeld in het eerste en tweede lid, gesteld bij regeling van het
orgaan, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder d, van die wet.
Artikel 34. Uitwisseling van informatie voor beoordeling rechtmatigheid
1. Onze minister die het aangaat verstrekt aan een bevoegde autoriteit
van een andere betrokken staat dan Nederland op diens verzoek en mits
het verzoek deugdelijk is gemotiveerd, informatie over tuchtrechtelijke
maatregelen, strafrechtelijke sancties of andere specifieke ernstige
feiten ten aanzien van een migrerende beroepsbeoefenaar, voor zover
noodzakelijk voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de toegang
tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep in het kader van de
richtlijn.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt, voor zover het
strafrechtelijke sancties betreft, een verklaring omtrent het gedrag
aangemerkt als informatie omtrent strafrechtelijke sancties.
3. In afwijking van artikel 33 van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens wordt een aanvraag tot het afgeven van een
verklaring omtrent het gedrag ten aanzien van een migrerende
beroepsbeoefenaar ingediend door een bevoegde autoriteit van een andere
betrokken staat dan Nederland.
4. Een aanvraag als bedoeld in het derde lid wordt, in afwijking van
artikel 30, eerste lid, eerste volzin, van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens ingediend bij Onze minister van Justitie.
5. Onze minister die het aangaat kan bij een bevoegde autoriteit van een
andere betrokken staat dan Nederland informatie opvragen over
tuchtrechtelijke maatregelen, strafrechtelijke sancties of andere
ernstige feiten ten aanzien van migrerende beroepsbeoefenaars, voor
zover noodzakelijk voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de
toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep in het kader
van deze wet en mits het verzoek om informatie deugdelijk is
gemotiveerd.
Artikel 34a. Instemming migrerende beroepsbeoefenaar en vergoeding van
kosten
1. Voor de toepassing van de artikelen 32, eerste lid, 34, 35 en 36 van
de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt als aanvrager
aangemerkt de migrerende beroepsbeoefenaar ten aanzien van wie de
verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd.
2. Onze minister van Justitie stelt de migrerende beroepsbeoefenaar ten
aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd in
kennis van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en vraagt zijn
instemming met het in behandeling nemen van de aanvraag.
3. Indien de migrerende beroepsbeoefenaar geen instemming verleent,
bericht Onze minister van Justitie dit aan de bevoegde autoriteit van
een andere betrokken staat dan Nederland die de verklaring omtrent het
gedrag heeft aangevraagd.
4. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag tot afgifte van een
verklaring omtrent het gedrag kan Onze minister van Justitie van de
aanvrager, bedoeld in het eerste lid, een vergoeding van kosten
verlangen. Artikel 39, tweede en vierde lid, van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 34b. Informeren migrerende beroepsbeoefenaar
1. Onze minister van Justitie informeert de migrerende beroepsbeoefenaar
ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd
indien hij voornemens is de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag
te weigeren.
2. Onze minister van Justitie verstrekt de verklaring omtrent het gedrag
dan wel de weigering tot afgifte daarvan aan de migrerende
beroepsbeoefenaar, bedoeld in het eerste lid.
3. Onze minister van Justitie stelt de bevoegde autoriteit van een
andere betrokken staat dan Nederland zo spoedig mogelijk op de hoogte
van de afgifte dan wel weigering van de verklaring omtrent het gedrag.
Bij de kennisgeving over de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag
wordt de strekking van de afgegeven verklaring omtrent het gedrag
medegedeeld.
4. Indien de weigering van de verklaring omtrent het gedrag nog niet
onherroepelijk is, informeert Onze minister van Justitie de bevoegde
autoriteit van een andere betrokken staat dan Nederland daarover.
Artikel 35. Registratie
Onze minister die het aangaat draagt zorg voor registratie van de wijze
van afhandeling van de aanvragen om erkenning van beroepskwalificaties
en van de controles, bedoeld in artikel 27.
Artikel 36. Delegatie
Onze minister die het aangaat kan de taken en bevoegdheden die hij heeft
op grond van deze wet delegeren, met uitzondering van de bevoegdheid tot
het stellen van nadere regels bij ministeriële regeling.
Hoofdstuk 5. Wijziging andere wetten
Justitie
Artikel 37
[Wijzigt de Advocatenwet]
Artikel 38
[Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet]
Artikel 39
[Wijzigt de Wet beëdigde tolken en vertalers]
Artikel 40
[Wijzigt de Wet op het notarisambt]
Artikel 41
[Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren]
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Artikel 42
[Wijzigt de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen]
Artikel 42a
[Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs]
Artikel 43
[Wijzigt de Wet op de expertisecentra]
Artikel 44
[Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek]
Artikel 45
[Wijzigt de Wet op het primair onderwijs]
Artikel 46
[Wijzigt de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank]
Artikel 47
[Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs]
Verkeer en Waterstaat
Artikel 48
[Wijzigt de Loodsenwet]
Artikel 49
[Wijzigt de Wet luchtvaart]
Artikel 50
[Wijzigt de Spoorwegwet]
Artikel 51
[Wijzigt de Zeevaartbemanningswet]
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Artikel 52
[Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg]
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Artikel 53
[Wijzigt de Kadasterwet]
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 54. Overgangsrecht EG-verklaringen, aanvragen, bezwaarschriften
en beroepen
1.Een EG-verklaring die is afgegeven op grond van de Algemene wet
erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s of de Algemene wet erkenning
EG-beroepsopleidingen geldt als een erkenning van beroepskwalificaties
als bedoeld in artikel 6 van deze wet.
2.Een toelating tot een gereglementeerd beroep op grond van artikel 7,
tweede en derde lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen
geldt als een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel
6 van deze wet.
3.Een op de datum van inwerkingtreding van deze wet aanhangige aanvraag
tot het verkrijgen van een EG-verklaring als bedoeld in artikel 8 van de
Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s of artikel 10 van
de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen geldt als een aanvraag
tot het verlenen van erkenning van beroepskwalificaties overeenkomstig
hoofdstuk 2 van deze wet dan wel, ingeval de aanvraag ziet op tijdelijke
en incidentele dienstverrichting, als een verklaring van een
dienstverrichter als bedoeld in artikel 23 van deze wet.
4.Een op de datum van inwerkingtreding van deze wet aanhangig of tijdig
in te dienen bezwaarschrift tegen een beslissing op grond van de
Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s of de Algemene wet
erkenning EG-beroepsopleidingen wordt overeenkomstig deze wet
afgehandeld.
5.Op een op de datum van inwerkingtreding van deze wet ingesteld of
tijdig in te stellen beroep tegen een beslissing op grond van de
Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s of de Algemene wet
erkenning EG-beroepsopleidingen blijft het recht zoals het gold voor die
datum van toepassing, met dien verstande dat het beroep wordt geacht te
zijn gericht tegen een beslissing van Onze minister die het aangaat.
Artikel 55. Intrekking Algemene wetten
De Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s en de Algemene
wet erkenning EG-beroepsopleidingen worden ingetrokken.
Artikel 56. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien
verstande dat artikel 42 terugwerkt tot en met 1 januari 2007.
Artikel 57. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 6 december 2007
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.H.A. Plasterk
Uitgegeven de twintigste december 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin