| |
|
|
|
|
vorige
WET
INFORMATIE-UITWISSELING ONDERGRONDSE NETTEN
Tekst zoals deze geldt op
17 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit
burgerluchthavens
- Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten
- Regeling
informatie-uitwisseling ondergrondse netten
- Tijdelijke regeling informatie-uitwisseling ondergrondse netten
(vervallen)
WET van 7 februari 2008, houdende regels over de
informatie-uitwisseling betreffende ondergrondse netten (Wet
informatie-uitwisseling ondergrondse netten)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die
deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
ten behoeve van zorgvuldig graven in de ondergrond wenselijk is te
voorzien in betere informatie-uitwisseling betreffende de ligging van
netten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
b. Dienst: de Dienst voor het kadaster en de openbare
registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster;
c. graafwerkzaamheden: het mechanisch verrichten van
werkzaamheden in de ondergrond;
d. graaflocatie: de locatie waar graafwerkzaamheden worden
verricht;
e. net: een ondergrondse kabel of leiding, daaronder mede
begrepen lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en
beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of
gasvormige stoffen, van energie of van informatie;
f. opdrachtgever: degene die opdracht geeft tot het uitvoeren
van een werk waarbij graafwerkzaamheden worden verricht;
g. grondroerder: degene onder wiens verantwoordelijkheid of
leiding graafwerkzaamheden worden verricht;
h. beheerder: degene die als natuurlijk persoon handelende in
de uitoefening van een beroep of een bedrijf dan wel als
rechtspersoon een net beheert;
i. registratiemelding: de melding van de beheerder, bedoeld in
artikel 6, tweede lid, dan wel artikel 45, eerste lid;
j. beheerpolygoon: de weergave door een beheerder van een
aaneengesloten gebied, waarbinnen hij een of meer netten beheert;
k. oriëntatieverzoek: het verzoek aan de Dienst om
gebiedsinformatie, bedoeld in artikel 7, eerste onderscheidenlijk
tweede lid;
l. oriëntatiepolygoon: de weergave door een opdrachtgever,
grondroerder of bestuursorgaan van een aangesloten gebied, ten
aanzien waarvan deze met het oog op een belang als bedoeld in
artikel 7, eerste of tweede lid, om gebiedsinformatie verzoekt;
m. graafmelding: de melding aan de Dienst van voorgenomen
graafwerkzaamheden, bedoeld in artikel 8, eerste lid;
n. graafpolygoon: de weergave door een grondroerder van het
gebied, waarbinnen de graaflocatie zich bevindt;
o. graafbericht: het bericht van de Dienst, bedoeld in artikel
9, onder b;
p. liggingsgegevens: de gegevens omtrent de ligging van een net
binnen de betrokken oriëntatiepolygoon dan wel graafpolygoon;
q. net met gevaarlijke inhoud: een buisleiding die behoort tot
een krachtens artikel 12.12, tweede lid, van de Wet milieubeheer
aangewezen categorie;
r. gebiedsinformatie: het geheel van informatie dat door
beheerders, ingevolge artikel 10, eerste lid, aan de Dienst is
verstrekt over de betrokken oriëntatiepolygoon dan wel
graafpolygoon.
2. Onder net als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt niet
begrepen de niet met andere kabels of leidingen samengebonden delen
van kabels of leidingen die een verbinding vormen tussen een net dat
naar zijn aard voor aansluiting van huishoudens wordt opengesteld, en
één onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdeel a tot en
met e, van de Wet waardering onroerende zaken.
Hoofdstuk 2. Preventie van graafschade
Artikel 2
1.De opdrachtgever draagt er zorg voor dat de graafwerkzaamheden
waartoe hij opdracht geeft, op zorgvuldige wijze kunnen worden
verricht.
2.De grondroerder verricht de graafwerkzaamheden op zorgvuldige
wijze.
3.Ter uitvoering van het tweede lid zorgt de grondroerder ten
minste dat:
a. vóór aanvang van de graafwerkzaamheden een graafmelding is
gedaan,
b. onderzoek is verricht naar de precieze ligging van
onderdelen van netten op de graaflocatie, en
c. op de graaflocatie de van de Dienst ontvangen
gebiedsinformatie aanwezig is.
Artikel 3
1.De aanleg, de instandhouding en de opruiming van netten door een
beheerder geschieden op zodanige wijze dat het beheer van andere
netten niet in gevaar wordt gebracht of zonder noodzaak wordt
bemoeilijkt.
2.De beheerder die in strijd handelt met het eerste lid, neemt op
eigen kosten maatregelen ten aanzien van het betreffende onderdeel van
zijn net, waaronder zonodig het verplaatsen daarvan, om aan de
strijdigheid onverwijld een einde te maken.
Hoofdstuk 3. Elektronisch informatiesysteem
Artikel 4
Er is een elektronisch informatiesysteem waarmee informatie tussen
beheerders enerzijds en opdrachtgevers, grondroerders en bestuursorganen
anderzijds wordt uitgewisseld.
Artikel 5
1. De Dienst is belast met het beheer van het elektronische
informatiesysteem.
2. De Dienst verstrekt op verzoek via het elektronische
informatiesysteem gebiedsinformatie aan:
a. opdrachtgevers en grondroerders ten behoeve van het
voorbereiden van graafwerkzaamheden en het op zorgvuldige wijze
verrichten van graafwerkzaamheden;
b. bestuursorganen voor zover deze gebiedsinformatie
noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taak.
Artikel 6
1.Ten behoeve van de informatie-uitwisseling over ondergrondse
netten registreert de Dienst de beheerpolygonen.
2.Degene die
a. een net gaat beheren dat niet ligt binnen een door de Dienst
op zijn naam geregistreerde beheerpolygoon, of
b. niet langer een net zal beheren dat ligt binnen een door de
Dienst op zijn naam geregistreerde beheerpolygoon of deel daarvan,
geeft dit ten minste twintig werkdagen voor aanvang van de
wijziging in het beheer van het betreffende net door aan de Dienst, zo
nodig onder opgave van de gewijzigde beheerpolygoon.
Hoofdstuk 4. Informatie-uitwisseling ten behoeve van
graafwerkzaamheden
Artikel 7
1.Een opdrachtgever of een grondroerder kan de Dienst om
gebiedsinformatie verzoeken ten behoeve van het voorbereiden van
graafwerkzaamheden.
2.Een bestuursorgaan kan de Dienst om gebiedsinformatie verzoeken
voor zover deze informatie noodzakelijk is voor de uitvoering van de
hem opgedragen taak.
3.Bij het oriëntatieverzoek geeft de opdrachtgever, de
grondroerder of het bestuursorgaan een oriëntatiepolygoon op.
Artikel 8
1.Een grondroerder meldt het voornemen tot het verrichten van
graafwerkzaamheden aan de Dienst ten hoogste twintig werkdagen
voorafgaande aan de aanvang van die graafwerkzaamheden.
2.Bij de graafmelding geeft de grondroerder een graafpolygoon op.
3.Het eerste lid is niet van toepassing, indien de
graafwerkzaamheden ten hoogste een bij algemene maatregel van bestuur
te bepalen diepgang hebben en uitgevoerd zullen worden in grond die in
eigendom of beheer is van de grondroerder en hij weet dat sinds de
voorafgaande graafmelding de ligging van de netten in deze grond niet
is veranderd.
Artikel 9
Na ontvangst van een oriëntatieverzoek of graafmelding:
a. verstrekt de Dienst aan degene die het oriëntatieverzoek of
de graafmelding heeft gedaan onverwijld een ontvangstbevestiging;
b. bericht de Dienst hierover onverwijld onder vermelding van de
oriëntatiepolygoon of graafpolygoon alle beheerders wier
beheerpolygoon geheel of gedeeltelijk samenvalt met deze
oriëntatiepolygoon onderscheidenlijk graafpolygoon.
Artikel 10
1.Onverwijld doch uiterlijk binnen één werkdag na verzending van
een graafbericht verstrekt een beheerder via het elektronische
informatiesysteem in ieder geval de volgende informatie aan de Dienst:
a. de liggingsgegevens,
b. de relevante eigenschappen van zijn net binnen de
betreffende oriëntatiepolygoon dan wel graafpolygoon,
c. in voorkomend geval welke voorzorgsmaatregelen als bedoeld
in artikel 13, eerste of tweede lid, zullen worden getroffen, en
d. zijn contactgegevens.
2.Indien een beheerder de termijn, genoemd in het eerste lid,
overschrijdt, doet de Dienst daarvan onverwijld mededeling aan Onze
Minister.
Artikel 11
1.De Dienst verstrekt gebiedsinformatie via het elektronische
informatiesysteem onverwijld na ontvangst van alle informatie als
bedoeld in artikel 10, doch uiterlijk binnen twee werkdagen na
verzending van het graafbericht, aan degene die het oriëntatieverzoek
of de graafmelding heeft gedaan.
2.Indien degene die het oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft
gedaan geen gebruik maakt van het elektronische informatiesysteem,
verstrekt de Dienst gebiedsinformatie op andere wijze onverwijld na
ontvangst van alle vereiste informatie, doch uiterlijk binnen drie
werkdagen na verzending van het graafbericht.
3.Indien de Dienst niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste
lid, van alle beheerders de ingevolge artikel 10, eerste lid, vereiste
informatie heeft ontvangen, doet de Dienst daarvan mededeling bij het
verstrekken van de gebiedsinformatie.
Artikel 12
Onze Minister kan voor de situatie dat graafmeldingen die betrekking
hebben op graafwerkzaamheden als bedoeld in artikel 8, derde lid,
gezamenlijk worden gedaan door tussenkomst van een door Onze Minister
aan te wijzen organisatie, bij regeling vrijstelling verlenen van de
verplichtingen ten aanzien van de termijnen, bepaald in de artikelen 8,
eerste lid, 9, 10, eerste lid, en11, eerste lid. De vrijstelling kan
onder beperkingen worden verleend.
Artikel 13
1.De beheerder van een net met gevaarlijke inhoud treft
voorzorgsmaatregelen voordat een grondroerder graafwerkzaamheden in de
omgeving daarvan verricht. Deze voorzorgsmaatregelen betreffen in
ieder geval de aanwijzing ter plaatse van de exacte ligging van dat
net door de beheerder.
2.De beheerder van een net met een grote waarde kan
voorzorgsmaatregelen treffen voordat een grondroerder
graafwerkzaamheden in de omgeving daarvan verricht.
3.Indien de beheerder heeft aangegeven dat hij voorzorgsmaatregelen
treft, vangt de grondroerder de graafwerkzaamheden niet aan dan nadat
de beheerder deze voorzorgsmaatregelen heeft getroffen.
4.De beheerder treft de voorzorgsmaatregelen binnen drie werkdagen
nadat de grondroerder contact met hem heeft opgenomen, tenzij hij in
overleg met de grondroerder andere afspraken maakt.
5.Indien een beheerder voorzorgsmaatregelen treft, treft de
grondroerder eveneens de nodige voorzorgsmaatregelen. Hij legt deze
schriftelijk vast en brengt deze voor aanvang van de
graafwerkzaamheden ter kennis van de betrokken beheerder.
Artikel 14
Onze Minister van Justitie kan ter voorkoming van een terroristisch
misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht of om
op voorhand de gevolgen daarvan te beperken aan de Dienst alle nodige
aanwijzingen geven ten aanzien van de informatie-uitwisseling.
Artikel 15
1.De beheerder rapporteert aan de Dienst telkens in januari het
aantal schadegevallen als gevolg van graafwerkzaamheden in het
voorafgaande kalenderjaar.
2.Het bestuur van de Dienst neemt een overzicht op van het aantal
schadegevallen in het jaarverslag, bedoeld in artikel 25 van de
Organisatiewet Kadaster.
Artikel 16
De grondroerder meldt schade aan een net als gevolg van zijn
graafwerkzaamheden onverwijld aan de beheerder van het beschadigde net.
Artikel 17
1.Indien de ligging van een net afwijkt van de liggingsgegevens die
aan de grondroerder zijn verstrekt, meldt de grondroerder dit
onverwijld bij de Dienst.
2.Van de melding, bedoeld in het eerste lid, doet de Dienst
onverwijld mededeling aan de betrokken beheerder.
3.De beheerder treft binnen dertig werkdagen na ontvangst van de
mededeling, bedoeld in het tweede lid, de als gevolg van de melding,
bedoeld in het eerste lid, noodzakelijke maatregelen.
Artikel 18
1. Indien de grondroerder een net aantreft dat niet in de door de
Dienst verstrekte liggingsgegevens is vermeld of waarvan niet
duidelijk is wie de beheerder is, meldt de grondroerder dit onverwijld
bij de Dienst.
2. De Dienst bericht onverwijld alle beheerders wier beheerpolygoon
geheel of gedeeltelijk samenvalt met de graafpolygoon en de bij
ministeriële regeling te bepalen beheerders dat er een net is
aangetroffen, waarover geen liggingsgegevens zijn verstrekt als
bedoeld in artikel 10.
3. Indien er een beheerder van het net is, meldt deze zich
onverwijld bij de Dienst.
4. Indien de Dienst niet binnen tien werkdagen na het bericht,
bedoeld in het tweede lid, een melding als bedoeld in het derde lid
ontvangt:
a. geeft de Dienst de met betrekking tot dat net bekende
gegevens door aan de gemeente in welker grondgebied dat net zich
bevindt;
b. registreert de Dienst de globale ligging van de met
betrekking tot dat net bekende gegevens als polygoon.
5. Voor de toepassing van artikel 9 wordt de gemeente, bedoeld in
het vierde lid, gelijkgesteld met een beheerder.
Artikel 19
Op een gemeente die gegevens heeft ontvangen door toepassing van
artikel 18, vierde lid, zijn de artikelen 10 en 17, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de gemeente de met
betrekking tot dat net bekende gegevens verstrekt, met inbegrip van
eventuele correcties ingevolge artikel 17, tweede lid.
Artikel 20
De Dienst bewaart gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen periode gegevens over de uitvoering van de artikelen 6, tweede
lid, 7,8, eerste en tweede lid, 9, 10, 11, 12, onderdeel b, 15, eerste
lid,17, eerste en tweede lid, 18, 45, eerste lid, 46, vierde lid, en 47,
met uitzondering van de gegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdelen a, b en c.
Hoofdstuk 5. Nadere regelgeving
Artikel 21
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over:
a. de informatie die op grond van artikel 10 wordt verstrekt,
waarbij voor verschillende categorieën netten verschillende
regels kunnen worden gesteld, en de wijze waarop die informatie
wordt verstrekt;
b. de toegang tot en de aansluiting op het informatiesysteem;
c. beheerpolygonen, oriëntatiepolygonen en graafpolygonen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld over de situatie dat vanwege de door een
calamiteit geboden spoed niet aan artikel 2, eerste en derde lid, kan
worden voldaan dan wel de in hoofdstuk 4 beschreven procedure kan
worden gevolgd, waarbij voor zover nodig van dat artikel
onderscheidenlijk de bepalingen van dat hoofdstuk kan worden
afgeweken.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld over:
a. het op zorgvuldige wijze verrichten van graafwerkzaamheden,
bedoeld in artikel 2, tweede lid;
b. registratiemeldingen, oriëntatieverzoeken en
graafmeldingen;
c. de voorzorgsmaatregelen en de inachtneming daarvan, bedoeld
in artikel 13, eerste, tweede en vijfde lid;
d. de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 9, onderdeel a,
en het graafbericht.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
a. meldingen als bedoeld in de artikelen 15, eerste lid, 17,
eerste lid, en 18, eerste en derde lid;
b. het bewaren en verstrekken van de informatie, bedoeld in
artikel 20.
Artikel 22
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over de gebiedsinformatie die op grond van artikel 11
aan de grondroerder wordt verstrekt, waarbij voor verschillende
categorieën graafwerkzaamheden verschillende regels kunnen worden
gesteld, en de wijze waarop die gebiedsinformatie wordt verstrekt.
2.Bij regeling van het bestuur van de Dienst worden regels gesteld
omtrent de wijze waarop de registratie van beheerders, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, plaatsvindt.
3.Bij regeling van het bestuur van de Dienst kunnen regels worden
gesteld omtrent de tijden gedurende welke oriëntatieverzoeken en
graafmeldingen kunnen worden gedaan.
Artikel 23
Bij algemene maatregel van bestuur worden:
a. de gebieden aangewezen ten aanzien waarvan om
veiligheidsredenen kan worden afgeweken van de voorschriften gesteld
bij of krachtens hoofdstuk 4;
b. regels gesteld over de informatie-uitwisseling in de gebieden,
bedoeld onder a.
Hoofdstuk 6. Handhaving
Artikel 24
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
de artikelen 2, 6, tweede lid, 8, 10, eerste lid, 13, eerste, derde,
vierde en vijfde lid, 15, eerste lid, 16, 17, eerste en derde lid, 18,
eerste en derde lid, 21, eerste en tweede lid, derde lid, onder a, b
en c, vierde lid, onder a en b, 22, eerste lid,23, 45, 46, tweede,
derde en vierde lid, 48 en 49, eerste lid, zijn belast de bij besluit
van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 25
Onze Minister is bevoegd tot het opleggen van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of
krachtens de artikelen 2, 6, tweede lid, 10, eerste lid, 13, eerste,
derde, vierde en vijfde lid, en15, eerste lid, 21, eerste, tweede en
derde lid, onder a en c, 23, 45, 46, tweede, derde en vierde lid en 49,
eerste lid, of van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 26
1. Ingeval van overtreding van de artikelen 2 en13, derde lid, kan
Onze Minister een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450
000.
2. Ingeval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 6, tweede lid, 8, 10, eerste lid, 13, eerste, vierde en
vijfde lid, 15, eerste lid, 16, 17, eerste en derde lid, 18, eerste en
derde lid, 21, eerste en tweede lid, derde lid, onder a, b en c,
vierde lid, onder a en b, 22, eerste lid, 23, 45, 46, tweede, derde en
vierde lid, 48 en 49, eerste lid, of van artikel 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht kan Onze Minister een bestuurlijke boete opleggen
van ten hoogste € 100 000.
Artikel 27 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 28 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 29 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 30 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 31 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 32 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 33 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 34 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 35 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 36 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 37 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 38 [Vervallen per 01-07-2009]
Hoofdstuk 7. Wijzigingen in andere wetgeving
Artikel 39 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Wijzigt de Kadasterwet]
Artikel 40
[Wijzigt de Organisatiewet Kadaster]
Artikel 41
[Wijzigt de Telecommunicatiewet]
Artikel 42
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6]
Artikel 43
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 44
Deze wet laat onverlet dat de gemeenteraad in het belang van de
openbare orde en veiligheid bij verordening voorschriften kan geven
omtrent het verrichten van graafwerkzaamheden, waaronder het binden van
graafwerkzaamheden aan het hebben van een vergunning.
Artikel 45
Binnen drie maanden na inwerkingtreding vanartikel 6, eerste lid,
geeft een beheerder zijn beheerpolygoon of beheerpolygonen aan de Dienst
op.
Artikel 46
1.Tot het moment van inwerkingtreding vanartikel 5, eerste lid, is
de Dienst belast met de informatie-uitwisseling betreffende
ondergrondse netten.
2.Tot het moment van inwerkingtreding van artikel 5, eerste lid,
verstrekt de beheerder, in afwijking van artikel 10, eerste lid, de
informatie, bedoeld in artikel 10, aan degene die het
oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft gedaan.
3.In afwijking van deartikelen 10, en 12, onderdeel b, kunnen tot
het moment van inwerkingtreding van artikel 5, eerste lid, bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over
het aanleveren van informatie door beheerders. Deze regels kunnen
betrekking hebben op:
a. welke informatie wordt verstrekt;
b. aan wie de informatie wordt verstrekt;
c. de wijze waarop de informatie wordt verstrekt;
d. de termijnen waarbinnen deze informatie wordt verstrekt.
4.In afwijking van artikel 15 rapporteren de beheerders gedurende
vier jaar na inwerkingtreding van dit artikel in de maanden januari en
juli het aantal schadegevallen als gevolg van graafwerkzaamheden in de
voorafgaande zes maanden.
Artikel 47
In afwijking van artikel 11, eerste en tweede lid, kunnen tot het
moment van inwerkingtreding van artikel 5, eerste lid, bij ministeriële
regeling regels worden gesteld over het aanleveren van informatie door
de Dienst aan degene, die een oriëntatieverzoek of een graafmelding
heeft gedaan. Deze regels kunnen betrekking hebben op:
a. welke informatie wordt verstrekt;
b. de wijze waarop de informatie wordt verstrekt;
c. de termijnen waarbinnen deze informatie wordt verstrekt.
Artikel 48
1.In afwijking van artikel 17, eerste lid, doet een grondroerder
tot het moment van inwerkingtreding van artikel 5, eerste lid, de
melding, bedoeld in artikel 17, eerste lid, bij de beheerder indien
hij gegevens ingevolge artikel 46, tweede lid, rechtstreeks van de
beheerder heeft verkregen. In dat geval is artikel 17, tweede lid,
niet van toepassing.
2.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze
waarop een melding als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan.
Artikel 49
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op een
goede invoering van deze wet tot 3 jaar na inwerkingtreding van
artikel 4 regels worden gesteld.
2. Tot 5 jaar na inwerkingtreding van deze wet kan Onze Minister
bij regeling voor daarbij aan te geven categorieën van beheerders of
categorieën van delen van netten vrijstelling verlenen van de
verplichtingen van artikel 6, tweede lid, 10, eerste lid, 18, eerste
lid, 45 en 46.
Artikel 50
[Wijzigt deze wet]
Artikel 51
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze
wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 52
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 53
Deze wet wordt aangehaald als: Wet informatie-uitwisseling
ondergrondse netten.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
's-Gravenhage, 7 februari 2008
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
M.J.A. van der Hoeven
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.M. Cramer
Uitgegeven de tweeëntwintigste april 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|