| |
|
|
|
|
vorige
WET
OP DE PARLEMENTAIRE ENQUÊTE 2008
Tekst zoals deze geldt op
18 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 1 april 2008, houdende regels over de
parlementaire enquête (Wet op de parlementaire enquête 2008)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die
deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het,
mede gelet op artikel 70 van de Grondwet, wenselijk is de huidige Wet op
de Parlementaire Enquête te moderniseren en te vervangen door een
nieuwe Wet op de parlementaire enquête, onder meer met het oog op de
uitbreiding en verduidelijking van de bevoegdheden van de
enquêtecommissie en met het oog op de verbetering en verduidelijking
van de positie van personen die verplicht zijn tot medewerking aan een
parlementaire enquête, de samenloop met ander onderzoek en de regeling
van de openbaarheid dan wel vertrouwelijkheid bij een parlementaire
enquête;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepaling
Artikel 1
1.In deze wet wordt verstaan onder:
a. Kamer: Eerste Kamer, Tweede Kamer of de verenigde
vergadering der Staten-Generaal;
b. commissie: commissie als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
c. document: schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens
bevat.
2.In deze wet wordt mede verstaan onder ambtenaar: degene die op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is of is geweest.
Hoofdstuk 2. De instelling van een parlementaire enquête
Artikel 2
1.De Kamer kan op voorstel van één of meer leden besluiten een
parlementaire enquête te houden.
2.Een parlementaire enquête wordt uitgevoerd door een commissie
van de Kamer.
3.Het besluit tot het houden van een parlementaire enquête bevat
een omschrijving van het onderwerp waarop de parlementaire enquête
betrekking zal hebben. De Kamer kan, al dan niet op voorstel van de
commissie die de parlementaire enquête verricht, de omschrijving
wijzigen.
4.De Kamer benoemt de leden van de commissie uit haar midden. De
Kamer kan een lid van de commissie, al dan niet op zijn verzoek, in
zijn hoedanigheid van lid van de commissie ontslaan.
5.De voorzitter van de Kamer doet van de besluiten, bedoeld in dit
artikel, mededeling in de Staatscourant.
Artikel 3
1.De Kamer stelt de raming op van de uitgaven, uitgesplitst naar
begrotingsjaren, die naar haar oordeel voor een parlementaire enquête
nodig zijn, en brengt deze ter kennis van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2.De uitgaven worden verwerkt in de begroting van de
Staten-Generaal, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de
Comptabiliteitswet 2001.
Hoofdstuk 3. De bevoegdheden van de commissie
Paragraaf 1. Algemene bepaling
Artikel 4
1.De commissie kan de haar bij deze wet verleende bevoegdheden
uitoefenen met ingang van de dag na de dagtekening van de
Staatscourant waarin het besluit tot het houden van een parlementaire
enquête bekend is gemaakt tot de dag met ingang waarvan de enquête
door de Kamer wordt beëindigd.
2.De commissie oefent de haar bij deze wet verleende bevoegdheden
slechts uit voor zover dat naar het redelijk oordeel van de commissie
voor de vervulling van haar taak nodig is.
3.De bevoegdheden en werkzaamheden van de commissie worden niet
beëindigd door het verstrijken van de zittingsduur of de ontbinding
van de Kamer.
Paragraaf 2. De bevoegdheden van de enquêtecommissie
Artikel 5
1.De commissie kan schriftelijke inlichtingen vorderen.
2.De commissie kan de wijze waarop de schriftelijke inlichtingen
worden verstrekt bepalen.
Artikel 6
1.De commissie kan inzage in, afschrift van of kennisneming op
andere wijze van documenten vorderen.
2.De commissie kan de wijze waarop de kennisneming wordt verleend
bepalen.
Artikel 7
1. De commissie kan, zonder toestemming van de rechthebbende, met
de door haar aangewezen personen elke plaats in Nederland, daaronder
begrepen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
betreden.
2. In afwijking van het eerste lid is voor het betreden van
woningen toestemming van de bewoner of een machtiging vereist. In
afwijking van artikel 3 van de Algemene wet op het binnentreden is de
voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage bevoegd tot het
verlenen van de machtiging. De artikelen 25, eerste lid, tweede
volzin, tot en met 27 zijn van toepassing op de verlening van de
machtiging.
3. De commissie geeft, voor zover dit niet in strijd is met het
belang van de parlementaire enquête, schriftelijk kennis aan de
rechthebbende van een plaats van een voornemen een plaats te betreden.
Indien sprake is van verhuur, dan wordt de kennisgeving gegeven aan de
huurder.
4. De leden van de commissie en de door haar aangewezen personen
dragen bij het betreden van de plaats een legitimatiebewijs bij zich,
dat is uitgegeven door de voorzitter van de Kamer. Zij tonen het
legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
5. De commissie maakt een schriftelijk verslag op van het betreden
van een plaats.
6. Voor de toepassing van dit artikel is de Algemene wet op het
binnentreden tevens van toepassing in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba.
Artikel 8
1.De commissie kan een besloten voorgesprek houden met personen die
zij mogelijk als getuige of deskundige zal horen.
2.Niemand is verplicht om medewerking te verlenen aan een
voorgesprek. Artikel 14 is niet van toepassing.
3.De leden van de commissie bewaren geheimhouding over hetgeen hun
tijdens het voorgesprek ter kennis komt.
4.Van een voorgesprek wordt een vertrouwelijk verslag opgemaakt,
dat door de voorzitter of een ander lid van de commissie en de persoon
met wie de commissie een voorgesprek heeft gehouden, wordt
ondertekend.
Artikel 9
1.De commissie kan personen als getuige of deskundige horen.
2.De commissie kan een getuige of deskundige uitsluitend horen,
indien ten minste drie leden aanwezig zijn.
Paragraaf 3. Bijzondere bepalingen ten aanzien van de bevoegdheid van
de commissie getuigen en deskundigen te horen
Artikel 10
1.De voorzitter van de commissie roept een persoon die zij als
getuige of deskundige wil horen bij aangetekende brief op, hetzij in
persoon, hetzij op de woonplaats, hetzij op het werkadres van de
persoon. De voorzitter kan de oproeping bij deurwaardersexploot doen
betekenen.
2.Het verhoor vindt niet eerder plaats dan op de achtste dag na de
ontvangst van de oproeping.
3.De oproeping maakt melding van dag, uur en plaats van het
verhoor, van de feiten waaromtrent informatie wordt verlangd en van de
gevolgen, verbonden aan het niet verschijnen op het verhoor.
4.In afwijking van het tweede lid kan de commissie bepalen dat het
verhoor eerder plaats vindt dan op de achtste dag na ontvangst van de
oproeping, indien:
a. naar het redelijk oordeel van de commissie in het belang van
de parlementaire enquête een verhoor op een kortere termijn nodig
is, of
b. de betrokken getuige of deskundige met een kortere termijn
instemt.
Artikel 11
1.Een getuige of deskundige wordt in een openbare zitting van de
commissie gehoord.
2.De commissie kan, al dan niet op verzoek van de getuige of
deskundige, om gewichtige redenen besluiten dat van een openbare
zitting geen beeld- of geluidsregistraties door derden mogen worden
gemaakt.
3.Van een openbare zitting wordt een openbaar verslag opgemaakt dat
door de voorzitter of een ander lid van de commissie en de persoon die
de commissie heeft gehoord, wordt ondertekend. Zo spoedig mogelijk na
ondertekening kan een ieder het verslag inzien op de griffie van de
Kamer.
Artikel 12
1.De commissie kan, al dan niet op verzoek van de getuige of
deskundige, om gewichtige redenen besluiten een verhoor of een
gedeelte daarvan in een besloten zitting van de commissie af te nemen.
2.De leden van de commissie bewaren geheimhouding over hetgeen hun
tijdens de besloten zitting ter kennis komt.
3.Van een besloten zitting wordt een vertrouwelijk verslag
opgemaakt dat door de voorzitter of een ander lid van de commissie en
de persoon die de commissie heeft gehoord, wordt ondertekend.
Artikel 13
1.Voorafgaande aan het verhoor legt een getuige, mits deze de
leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, in handen van de voorzitter
de eed of de belofte af dat hij de gehele waarheid en niets dan de
waarheid zal zeggen, tenzij de commissie besluit het verhoor zonder
voorafgaande eed of belofte te doen plaatsvinden.
2.Voorafgaand aan het verhoor legt een deskundige in handen van de
voorzitter de eed of de belofte af dat hij zijn verslag onpartijdig en
naar beste weten zal uitbrengen.
Hoofdstuk 4. De positie van personen die verplicht zijn medewerking
te verlenen aan een parlementaire enquête
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 14
1. Elke Nederlander, elke ingezetene van Nederland, elke
natuurlijke persoon die in Nederland verblijf houdt, elke
rechtspersoon die in Nederland is gevestigd en elke rechtspersoon die
haar bedrijfsactiviteiten geheel of gedeeltelijk in Nederland
uitoefent, is verplicht de commissie binnen de door haar gestelde
termijn alle medewerking te verlenen die deze vordert bij de
uitoefening van de haar bij deze wet verleende bevoegdheden, behoudens
de mogelijkheid van verschoning overeenkomstig de artikelen 19 tot en
met 24.
2. In dit artikel worden onder Nederland mede begrepen: de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden zij die als
ingezetene met een adres zijn ingeschreven in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente in Nederland of
in de basisadministratie persoonsgegevens van een van de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, geacht ingezetene van
Nederland te zijn.
Artikel 15
1.De verplichting tot medewerking geldt eveneens voor degene voor
wie een verplichting tot geheimhouding geldt, ook indien deze
verplichting bij wet is opgelegd, behoudens de mogelijkheid van
verschoning overeenkomstig de artikelen 19 tot en met 24.
2.Degene die bij wet verplicht is tot geheimhouding en ten behoeve
van een ander werkzaam is of is geweest, is slechts verplicht tot
medewerking voor zover de persoon ten behoeve van wie hij werkzaam is
of is geweest, hem op vordering van de commissie schriftelijk van de
verplichting tot geheimhouding heeft ontheven. Indien de commissie
ontheffing van de geheimhoudingsverplichting vordert, is de persoon
ten behoeve van wie hij werkzaam is of is geweest, verplicht deze
ontheffing te verlenen, behoudens de mogelijkheid van verschoning
overeenkomstig de artikelen 19 tot en met 24.
Artikel 16
1.Een gewezen minister of gewezen staatssecretaris verleent ten
aanzien van informatie die betrekking heeft op de periode van zijn
ambtsvervulling uitsluitend door tussenkomst van Onze
Minister-President medewerking aan vorderingen van de commissie als
bedoeld in artikel 5 of 6.
2.Een ambtenaar die ten behoeve van een minister werkzaam is of is
geweest, verleent ten aanzien van informatie die betrekking heeft op
de periode van zijn ambtsvervulling uitsluitend door tussenkomst van
Onze Minister wie het aangaat medewerking aan een vordering van de
commissie als bedoeld in artikel 5 of 6.
Artikel 17
1.Een ieder kan zich in het verkeer met de commissie doen bijstaan.
2.De commissie kan om gewichtige redenen besluiten dat iemand zich
tijdens een voorgesprek of een verhoor niet mag laten bijstaan.
3.De commissie stelt de betrokkene onverwijld van een weigering in
kennis.
Artikel 18
Voor een vergoeding van de commissie overeenkomstig het krachtens
artikel 26 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken bepaalde komen in
aanmerking:
a. personen met wie de commissie een voorgesprek heeft gehouden,
en
b. personen die de commissie heeft gehoord.
Paragraaf 2. Verschoningsgronden
Artikel 19
1.Een minister, een gewezen minister, een staatssecretaris, een
gewezen staatssecretaris, een lid of bestuurder van een tot de staat
behorend orgaan, een gewezen lid of bestuurder van een tot de staat
behorend orgaan en een ambtenaar, werkzaam of werkzaam geweest ten
behoeve van een tot de staat behorend orgaan, zijn niet verplicht
informatie aan de commissie te verstrekken, voor zover deze
verstrekking in strijd met het belang van de staat is.
2.Indien een staatssecretaris, een lid of bestuurder van een tot de
staat behorend orgaan, een gewezen lid of bestuurder van een tot de
staat behorend orgaan of een ambtenaar, werkzaam of werkzaam geweest
ten behoeve van een tot de staat behorend orgaan, zich beroept op het
belang van de staat, kan de commissie verlangen dat de gegrondheid van
zijn beroep op verschoning wordt bevestigd door Onze Minister wie het
aangaat.
3.Indien een gewezen minister of gewezen staatssecretaris zich
beroept op het belang van de staat ten aanzien van informatie die
betrekking heeft op de periode van zijn ambtsvervulling, kan de
commissie verlangen dat de gegrondheid van zijn beroep op verschoning
wordt bevestigd door Onze Minister-President.
Artikel 20
1.Een minister, een gewezen minister, een staatssecretaris, een
gewezen staatssecretaris en een ambtenaar die ten behoeve van een
minister werkzaam is of is geweest, zijn niet verplicht informatie aan
de commissie te verstrekken over de beraadslagingen in een vergadering
van de ministerraad. Een ambtenaar die ten behoeve van een minister
werkzaam is of is geweest, is evenmin verplicht informatie aan de
commissie te verstrekken over de in een vergadering van de
ministerraad genomen beslissingen en de gronden waarop zij berusten.
2.Onverminderd artikel 19, verstrekt een minister, een gewezen
minister, een staatssecretaris of een gewezen staatssecretaris aan de
commissie op haar vordering informatie over de in die vergadering
genomen beslissingen en de gronden waarop zij berusten. Voor zover
deze informatie schriftelijk wordt verlangd, geschiedt dit door Onze
Minister-President.
Artikel 21
1.Niemand is verplicht informatie aan de commissie te verstrekken,
voor zover het informatie betreft over de beraadslagingen in een
vergadering van een college en bij wet een verplichting tot
geheimhouding over die beraadslagingen is opgelegd.
2.Het college dat het betreft kan op verzoek van de commissie
besluiten ontheffing te verlenen van de geheimhoudingsverplichting.
3.Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van een
gerechtelijke raadkamer of de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State.
Artikel 22
Niemand is verplicht informatie aan de commissie te verstrekken, voor
zover deze informatie geheime bedrijfs- en fabricagegegevens of
anderszins bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoelige informatie
van een onderneming betreft en het belang van informatieverkrijging door
de commissie niet opweegt tegen het belang van de vertrouwelijkheid van
deze informatie.
Artikel 23
Niemand is verplicht informatie aan de commissie te verstrekken, voor
zover deze informatie de persoonlijke levenssfeer betreft en het belang
van informatieverkrijging door de commissie niet opweegt tegen het
belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Artikel 24
Niemand is verplicht informatie aan de commissie te verstrekken, voor
zover hij uit hoofde van zijn ambt of beroep tot geheimhouding verplicht
is en het informatie betreft die aan hem in die hoedanigheid is
toevertrouwd.
Hoofdstuk 5. Dwangmiddelen
Artikel 25
1.De voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage kan
op verzoek van de commissie een persoon die weigert haar medewerking
te verlenen bij de uitoefening van de haar bij deze wet verleende
bevoegdheden bevelen deze medewerking alsnog te verlenen. Het verzoek
wordt ingeleid bij verzoekschrift.
2.Het verzoek van de commissie vermeldt welke medewerking van de
betrokken persoon wordt verlangd.
3.De commissie kan het verzoek indienen zonder de bijstand van een
procureur.
4.De voorzieningenrechter doet uitspraak uiterlijk op de zevende
dag nadat hij het verzoek heeft ontvangen, tenzij de commissie hem
heeft verzocht onverwijld uitspraak te doen.
5.De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, tenzij:
a. het verzoek niet berust op de wet;
b. de betrokken persoon een wettelijke grond tot weigering
heeft, of
c. de commissie in redelijkheid niet tot haar oordeel kan komen
dat de verlangde medewerking nodig is voor de vervulling van haar
taak.
6.De uitspraak van de voorzieningenrechter is uitvoerbaar bij
voorraad.
Artikel 26
De voorzieningenrechter kan op verzoek van de commissie aan een bevel
als bedoeld in artikel 25, eerste lid, een dwangsom verbinden. De derde
afdeling van de vijfde titel van Boek 2 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering is van toepassing.
Artikel 27
De voorzieningenrechter kan op verzoek van de commissie bepalen, dat
een bevel als bedoeld in artikel 25, eerste lid, met ondersteuning van
de openbare macht ten uitvoer kan worden gelegd.
Artikel 28
1.Indien een getuige of deskundige voor de commissie is verschenen,
maar zonder wettelijke grond weigert zijn verklaring af te leggen, kan
de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage op verzoek
van de commissie bevelen dat hij op kosten van de staat in gijzeling
zal worden gesteld totdat hij aan zijn verplichting zal hebben
voldaan. Het verzoek wordt ingeleid bij verzoekschrift.
2.De commissie kan het verzoek indienen zonder de bijstand van een
procureur.
3.De commissie kan de getuige of deskundige in bewaring houden
totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Zij kan daarbij
de ondersteuning van de openbare macht inroepen.
4.De voorzieningenrechter doet onverwijld, doch uiterlijk binnen
drie dagen na ontvangst van het verzoek uitspraak.
5.De voorzieningenrechter wijst een verzoek als bedoeld in dit
artikel toe, tenzij:
a. de getuige of deskundige een wettelijke grond tot weigering
heeft of
b. de commissie in redelijkheid niet tot haar oordeel kan komen
dat de gijzeling nodig is voor de vervulling van haar taak.
6.De uitspraak van de voorzieningenrechter is uitvoerbaar bij
voorraad.
7.Gedurende de bewaring en de gijzeling kan de getuige of
deskundige zich beraden met een advocaat. De advocaat heeft vrije
toegang tot de getuige of deskundige, kan hem alleen spreken en met
hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen wordt
kennisgenomen, een en ander onder het vereiste toezicht en met
inachtneming van de huishoudelijke reglementen.
8.De gijzeling kan ten hoogste dertig dagen duren. De
voorzieningenrechter beëindigt ambtshalve, op verzoek van de
commissie of op verzoek van de getuige of deskundige de gijzeling
indien voortzetting ervan naar zijn oordeel niet meer door het belang
dat met de toepassing van de gijzeling werd gediend, wordt
gerechtvaardigd, of hem blijkt dat de getuige of deskundige een
wettige grond tot weigering heeft.
Artikel 29
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op een lid van de Kamer, een
minister of een staatssecretaris.
Hoofdstuk 6. De verhouding tot andere procedures
Artikel 30
In een civielrechtelijke, strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of
tuchtrechtelijke procedure kunnen verklaringen en documenten die op
vordering van de commissie zijn afgelegd onderscheidenlijk verstrekt,
niet als bewijs worden gebruikt. Evenmin kan op zulke verklaringen en
documenten een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een
bestuurlijke maatregel worden gebaseerd.
Artikel 31
1.De commissie verstrekt geen informatie aan andere personen of
organen ten behoeve van een strafrechtelijk, tuchtrechtelijke of
civielrechtelijke procedure of een procedure tot oplegging van een
disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke
maatregel, ook niet indien de commissie of het lid op grond van een
wettelijk voorschrift tot het verstrekken van informatie is verplicht.
2.In afwijking van het eerste lid verstrekt de commissie informatie
aan andere personen of organen indien degene die de informatie heeft
verstrekt en degene op wie de informatie betrekking heeft, daarvoor
schriftelijk toestemming hebben verleend.
Artikel 32
1. In afwijking van artikel 30 kunnen verklaringen en documenten
die in het kader van een parlementaire enquête zijn afgelegd
onderscheidenlijk verstrekt als bewijs worden gebruikt in een
strafrechtelijke procedure naar meineed, naar omkoping van een getuige
of deskundige bij een parlementaire enquête of naar de delicten,
bedoeld in de artikelen 192 tot en met 192c van het Wetboek van
Strafrecht, dan wel de delicten, bedoeld in de artikelen 198 tot en
met 198c van het Wetboek van Strafrecht BES.
2. In afwijking van artikel 31 verstrekt de commissie aan het
openbaar ministerie ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek naar
meineed, naar omkoping van een getuige of deskundige bij een
parlementaire enquête of naar de delicten, bedoeld in de artikelen
192 tot en met 192c van het Wetboek van Strafrecht dan wel de
delicten, bedoeld in de artikelen 198 tot en met 198c van het Wetboek
van Strafrecht BES, de informatie die redelijkerwijs hiervoor nodig
is, ook indien het informatie betreft ten aanzien waarvan voor de
leden van de commissie op grond van deze wet een
geheimhoudingsverplichting geldt.
Hoofdstuk 7. De beëindiging van een parlementaire enquête en het
einde van het lidmaatschap van de commissie
Artikel 33
De commissie legt haar bevindingen vast in een openbaar rapport dat
zij aan de Kamer aanbiedt.
Artikel 34
1.Nadat de commissie aan de Kamer verantwoording over haar
werkzaamheden heeft afgelegd, beëindigt de Kamer de enquête.
2.De Kamer kan besluiten een parlementaire enquête voortijdig te
beëindigen.
3.De voorzitter van de Kamer doet van het besluit tot beëindiging
van de enquête mededeling in de Staatscourant.
Artikel 35
De documenten die onder de commissie berusten, gaan met ingang van de
dag waarop de enquête door de Kamer wordt beëindigd van rechtswege
over op de Kamer.
Artikel 36
Het lidmaatschap van de commissie eindigt op de dag met ingang
waarvan:
a. het lidmaatschap van de Kamer van het betrokken commissielid
eindigt en dit lidmaatschap niet terstond opnieuw aanvangt;
b. het lid van de commissie door de commissie als getuige of
deskundige wordt gehoord;
c. de enquête door de Kamer wordt beëindigd of
d. het lid van de commissie, al dan niet op zijn verzoek, door de
Kamer in zijn hoedanigheid van lid van de commissie wordt ontslagen.
Hoofdstuk 8. Openbaarheid en vertrouwelijkheid van documenten
Artikel 37
1.Onverminderd artikel 11, derde lid, heeft niemand tot op de dag
waarop de commissie haar rapport aanbiedt aan de Kamer recht op inzage
in documenten die onder de commissie berusten.
2.De commissie kan getuigen, deskundigen en personen die in
opdracht van de commissie werkzaamheden verrichten inzage verlenen in
documenten die op haar vordering aan de commissie zijn verstrekt.
Degenen die de documenten inzien bewaren geheimhouding over de inhoud
van deze documenten.
Artikel 38
1.Met ingang van de dag na de dag waarop de commissie haar rapport
aan de Kamer aanbiedt kan elk lid van de Kamer de documenten die op
vordering van de commissie aan haar zijn overgelegd, inzien.
2.De leden van de Kamer bewaren geheimhouding over de inhoud van
documenten waarin hen inzage is verleend, voor zover de commissie op
grond van artikel 40 beperkingen heeft gesteld aan de openbaarheid.
3.Met ingang van de dag na de dag waarop de commissie haar rapport
aan de Kamer aanbiedt, kan elk lid van de Kamer een vertrouwelijk
verslag van een besloten verhoor inzien. De leden van de Kamer bewaren
geheimhouding over de inhoud van het verslag.
Artikel 39
1.Een ieder heeft, behoudens de beperkingen die de commissie op
grond van artikel 40 aan de openbaarheid heeft gesteld, met ingang van
de dag na de dag waarop de commissie haar rapport aanbiedt aan de
Kamer recht op inzage in de documenten die onder de commissie berusten
of, nadat deze documenten op grond van artikel 35 zijn overgegaan op
de Kamer, hebben berust. Dit inzagerecht geldt zolang de documenten
onder de commissie onderscheidenlijk de Kamer berusten.
2.De Kamer kan besluiten een op grond van artikel 40 aan de
openbaarheid gestelde beperking op te heffen, dan wel ten aanzien van
een verzoeker, die bij kennisneming een bijzonder belang heeft, buiten
toepassing te laten. De Kamer kan een verzoeker geheimhouding opleggen
over de inhoud van documenten waarin hem inzage is verleend.
Artikel 40
1.De commissie kan voor de periode na de dag waarop zij haar
rapport aanbiedt aan de Kamer beperkingen stellen aan de openbaarheid
van documenten die onder de commissie berusten of, nadat deze
documenten op grond van artikel 35 zijn overgegaan op de Kamer, hebben
berust. Deze beperkingen gelden zolang de documenten onder de
commissie onderscheidenlijk de Kamer berusten.
2.De commissie stelt beperkingen aan de openbaarheid voor zover:
a. de openbaarmaking van het document de eenheid van de Kroon
in gevaar zou kunnen brengen;
b. de openbaarmaking van het document de veiligheid van de
staat zou kunnen schaden;
c. het document bedrijfs- en fabricagegegevens bevat, die door
natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de
overheid zijn meegedeeld;
d. het document persoonsgegevens bevat als bedoeld in Hoofdstuk
2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de
openbaarmaking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke
levenssfeer maakt of de persoon op wie de gegevens betrekking
hebben heeft ingestemd met de openbaarmaking;
e. het document een verslag van een voorgesprek of een besloten
verhoor betreft.
3.De commissie kan eveneens beperkingen aan de openbaarheid stellen
voor zover het belang van openbaarheid van het document niet opweegt
tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met
internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de staat;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling
van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of
rechtspersonen dan wel van derden.
4.De beperkingen aan de openbaarheid kunnen eveneens worden gesteld
voor zover het document is opgesteld ten behoeve van intern beraad van
de commissie.
5.De leden van de commissie bewaren geheimhouding over de inhoud
van documenten, voor zover de commissie beperkingen heeft gesteld aan
de openbaarheid.
Hoofdstuk 9. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 41
[Wijzigt de Wet ministeriële verantwoordelijkheid]
Artikel 42
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht]
Artikel 43
[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering]
Artikel 44
[Wijzigt deze wet]
Artikel 45
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de Kamer op
grond van de Wet op de Parlementaire Enquête een enquête heeft
ingesteld, blijft die wet op die enquête van toepassing.
Artikel 46
De Wet op de Parlementaire Enquête wordt ingetrokken.
Artikel 47
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 48
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de parlementaire enquête, met
vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal
worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 1 april 2008
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst
Uitgegeven de achtste mei 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|