| |
|
|
|
|
vorige
INVOERINGSWET
WET RUIMTELIJKE ORDENING (IWro)
Tekst zoals deze geldt op
15 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 22 mei 2008 tot aanpassing van een aantal
wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke
ordening alsmede regeling van overgangsrecht (Invoeringswet Wet
ruimtelijke ordening)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die
deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het,
ter bevordering van een goede inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke
ordening, wenselijk is een aantal wetten aan te passen, de Wet
ruimtelijke ordening op onderdelen aan te vullen, waaronder het
hoofdstuk over Intergemeentelijke samenwerking in stedelijke gebieden,
de vestigingsgrondslagen van het voorkeursrecht in de Wet voorkeursrecht
gemeenten te vereenvoudigen, alsmede te voorzien in overgangsregels;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Artikel 1.1
[Wijzigt de Gemeentewet]
Artikel 1.2
[Wijzigt de Provinciewet]
Artikel 1.3
[Wijzigt de Wet algemene regels herindeling]
Hoofdstuk II. Economische Zaken
Artikel 2.1
[Wijzigt de Elektriciteitswet 1998]
Hoofdstuk III. Financiën
Artikel 3.1
[Wijzigt de Wet Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen]
Hoofdstuk IV. Justitie
Artikel 4.1
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel 4.2
[Wijzigt de Onteigeningswet]
Artikel 4.3
[Wijzigt de Pachtwet]
Artikel 4.4
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7]
Artikel 4.5
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Hoofdstuk V. Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Artikel 5.1
[Wijzigt de Boswet]
Artikel 5.2
[Wijzigt de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse
Veenkoloniën]
Artikel 5.3
[Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998]
Artikel 5.4
[Wijzigt de Reconstructiewet concentratiegebieden]
Artikel 5.5
[Wijzigt de Wet agrarisch grondverkeer]
Hoofdstuk VI. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Artikel 6.1
[Wijzigt de Monumentenwet 1988]
Artikel 6.2
[Wijzigt de Monumentenwet 1988]
Artikel 6.3
(vervallen)
Hoofdstuk VII. Verkeer en Waterstaat
Artikel 7.1
[Wijzigt de Luchtvaartwet]
Artikel 7.2
[Wijzigt de Luchtvaartwet]
Artikel 7.3
[Wijzigt de Wet luchtvaart]
Artikel 7.4
[Wijzigt de Wet luchtvaart]
Artikel 7.5
[Wijzigt de Ontgrondingenwet]
Artikel 7.6
[Wijzigt de Ontgrondingenwet]
Artikel 7.7
[Wijzigt de Planwet verkeer en vervoer]
Artikel 7.8
[Wijzigt de Spoedwet wegverbreding]
Artikel 7.9
[Wijzigt de Tracéwet]
Artikel 7.10
[Wijzigt de Wet bereikbaarheid en mobiliteit]
Artikel 7.11
[Wijzigt de Wet op de waterkering]
Hoofdstuk VIII. Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer
Artikel 8.1
[Wijzigt de Huisvestingswet]
Artikel 8.2
[Wijzigt de Interimwet stad-en-milieubenadering]
Artikel 8.2.a
[Wijzigt de Reconstructiewet Midden-Delfland]
Artikel 8.3
[Wijzigt de Waterleidingwet]
Artikel 8.4
[Wijzigt de Wet ammoniak en veehouderij]
Artikel 8.5
[Wijzigt de Wet bodembescherming]
Artikel 8.6
[Wijzigt de Wet buitenspeelruimte]
Artikel 8.7
[Wijzigt de Wet geluidhinder]
Artikel 8.8
[Wijzigt de Wet milieubeheer]
Artikel 8.9
[Wijzigt deze wet]
Artikel 8.10
[Wijzigt de Wet milieubeheer]
Artikel 8.11
[Wijzigt de Wet op de Raad voor de Wadden]
Artikel 8.12
[Wijzigt de Wet op de VROM-raad]
Artikel 8.13
[Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening]
Artikel 8.14
[Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening]
Artikel 8.15
[Wijzigt de Wijzigingswet Huisvestingswet, enz. (integratie van de
woonwagen- en woonschepenregelgeving)]
Artikel 8.16
[Wijzigt de Wet voorkeursrecht gemeenten]
Artikel 8.17
[Wijzigt de Woningwet]
Artikel 8.18
Vervallen.
Artikel 8.19
[Wijzigt de Woningwet]
Artikel 8.20
De Woningwet 1962 wordt ingetrokken.
Hoofdstuk IX. Overgangsrecht
Afdeling 9.1. Overgangsrecht Wet op de Ruimtelijke Ordening – WRO
Artikel 9.1.1
De Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt ingetrokken.
Artikel 9.1.2
1.Een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 2a van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening, een streekplan als bedoeld in artikel 4a van
die wet, een structuurplan als bedoeld in artikel 7 van die wet of een
regionaal structuurplan als bedoeld in artikel 36c van die wet wordt
gelijkgesteld met een structuurvisie als bedoeld in de artikelen 2.3,
2.2, 2.1 onderscheidenlijk 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een planologische
kernbeslissing als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening, waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor dat tijdstip,
totdat de geldingsduur van de planologische kernbeslissing als bedoeld
in artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of
anderszins bij wet bepaald, is verstreken. Indien bij de planologische
kernbeslissing geen termijn is bepaald en hierin evenmin bij wet is
voorzien, blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, nog gedurende twee jaar na dat tijdstip
van toepassing.
3.Het tweede lid is niet van toepassing op een herziening of intrekking
van de planologische kernbeslissing binnen de in dat lid bedoelde
geldingsduur.
4.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een streekplan als
bedoeld in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een
structuurplan als bedoeld in artikel 7 van die wet of een regionaal
structuurplan als bedoeld in artikel 36c van die wet, waarvan het
ontwerp ter inzage is gelegd voor dat tijdstip, totdat de termijn
ingevolge artikel 5, onderscheidenlijk artikel 33 of 36g van die wet is
verstreken.
5.Regionale belangen, opgenomen in een regionaal structuurplan, worden
voor de toepassing van artikel 4.2 van de Wet ruimtelijke ordening
aangemerkt als provinciale belangen.
Artikel 9.1.3
Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een opdracht en
aanwijzingen als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening, die binnen dertien weken na dat tijdstip
zijn bekendgemaakt.
Artikel 9.1.4
1. Een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een bestemmingsplan als
bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan,
waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd, met dien
verstande dat na dat tijdstip niet meer een verzoek als bedoeld in
artikel 33, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke ordening kan worden
ingediend.
3. Voor gebieden binnen de bebouwde kom, waar op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet nog geen bestemmingsplan of daarmee
gelijkgestelde planologische maatregel van kracht is, wordt binnen vijf
jaar na dat tijdstip een bestemmingsplan dan wel een beheersverordening
als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening vastgesteld.
4. Voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt dat ten minste
vijf jaar voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
onherroepelijk is geworden en waarvoor vóór dit tijdstip geen
vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de
Wet op de Ruimtelijke Ordening, wordt binnen vijf jaar na dat tijdstip
een bestemmingsplan vastgesteld overeenkomstig artikel 3.1, eerste lid,
van de Wet ruimtelijke ordening dan wel een beheersverordening als
bedoeld in artikel 3.38 van die wet. Voor een gebied waarvoor een
bestemmingsplan geldt dat minder dan vijf jaar voor genoemd tijdstip
onherroepelijk is geworden, wordt binnen tien jaar na de datum van het
onherroepelijk worden van dat plan een nieuw bestemmingsplan vastgesteld
overeenkomstig artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening
dan wel een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet.
Indien niet aan de verplichting, bedoeld in de eerste of tweede volzin,
wordt voldaan is na afloop van bedoelde termijn artikel 3.1, vierde lid,
van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing.
5. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
Artikel 9.1.5
1.Een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 11 van de
Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een wijzigings-
of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b,
van de Wet ruimtelijke ordening.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een wijzigings- of
uitwerkingsplan, waarvan het ontwerp binnen een jaar na dat tijdstip ter
inzage is gelegd.
Artikel 9.1.6
1.Een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een aanlegvergunning als
bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanlegvergunning
waarvan de aanvraag is ingediend voor dat tijdstip.
Artikel 9.1.7
1.Een vrijstelling of nadere eisen als bedoeld in artikel 15 van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening worden gelijkgesteld met een ontheffing als
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, onderscheidenlijk nadere
eisen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder d, van de Wet
ruimtelijke ordening.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als
bedoeld in het eerste lid, waarvan het verzoek is ingediend voor dat
tijdstip.
3.Indien bij een bestemmingsplan toepassing is gegeven aan artikel 15,
tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vervalt dat
voorschrift, in afwijking van artikel 9.1.4, tweede lid, een jaar na het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 9.1.8
Indien bij een bestemmingsplan toepassing is gegeven aan artikel 16 van
de Wet op de Ruimtelijke Ordening vervalt dat voorschrift, in afwijking
van artikel 9.1.4, tweede lid, een jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 9.1.9
1.Een vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld
in artikel 3.22 van de Wet ruimtelijke ordening.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als
bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het
verzoek is ingediend voor dat tijdstip.
Artikel 9.1.10
1. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als
bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat
tijdstip.
2. Een besluit tot vrijstelling, waartoe het verzoek is ingediend voor 1
juli 2008, wordt voor de toepassing van afdeling 6.1 van de Wet
ruimtelijke ordening gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in
artikel 3.10 van die wet.
3. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanvraag om
bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming
met een verleende vrijstelling als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9.1.11
1.Een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op
de Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een ontheffing als
bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als
bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening,
waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.
Artikel 9.1.12
1.Een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een voorbereidingsbesluit
als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een voorbereidingsbesluit
als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dat
binnen dertien weken na dat tijdstip is bekendgemaakt.
Artikel 9.1.13
1.Een opdracht en aanwijzingen als bedoeld in artikel 37, eerste en
tweede dan wel vierde en vijfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening, worden gelijkgesteld met een aanwijzing als bedoeld in artikel
4.4, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk 4.2, eerste lid, van de Wet
ruimtelijke ordening.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een opdracht en
aanwijzingen als bedoeld in artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening, die binnen dertien weken na dat tijdstip zijn bekendgemaakt.
Artikel 9.1.14
1. Een besluit als bedoeld in artikel 39a van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening, wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel
3.35, eerste lid, aanhef, van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een rijksprojectbesluit
als bedoeld in artikel 39b van de Wet op de Ruimtelijke Ordening,
waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd.
3. Indien toepassing is gegeven aan artikel 39a van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening en voor zover nog geen uitvoering is gegeven aan de
procedure die beschreven is in paragraaf 2 of 3, genoemd in dat artikel,
dan wel in artikel 39n van die wet, zijn op die uitvoering de artikelen
3.35 en 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing.
4. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op de
voorbereiding van een rijksprojectbesluit als bedoeld in artikel 39b van
de Wet op de Ruimtelijke Ordening artikel 39c van die wet in samenhang
met hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer van toepassing is, geldt na dat
tijdstip een milieueffectrapport als bedoeld in laatstgenoemd artikel
als een milieueffectrapport als bedoeld in artikel 3.35, zesde lid, van
de Wet ruimtelijke ordening. Handelingen of beslissingen, vóór bedoeld
tijdstip ter uitvoering van genoemd artikel 39c genomen, worden na dat
tijdstip aangemerkt te zijn genomen door het bestuursorgaan dat
toepassing geeft aan artikel 3.35, zesde lid, van de Wet ruimtelijke
ordening.
Artikel 9.1.15
Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling of een
andere beschikking inzake toestemming als bedoeld in artikel 40 of 41
van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend
vóór dat tijdstip.
Artikel 9.1.16
1.Een besluit tot toepassing van artikel 41c van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in
artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een besluit als bedoeld
in artikel 41c, waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is
gelegd.
Artikel 9.1.17
Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een overeenkomst
krachtens artikel 42 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die
a. voor dat tijdstip is gesloten, of
b. strekt ter uitvoering van een bestemmingsplan, waarvan het ontwerp
vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd.
Artikel 9.1.18
1.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van aanvragen om
schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet
van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken,
alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten), nog tot 1 september 2010
kunnen worden ingediend.
2.Artikel 6.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening geldt tot 1
september 2010 niet voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van die wet om
tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding
van deze wet is ontstaan.
Artikel 9.1.19
1.Overeenkomsten als bedoeld in artikel 49a van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening worden gelijkgesteld met overeenkomsten als bedoeld in artikel
6.4a van de Wet ruimtelijke ordening.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft tot 1 september 2010 op die overeenkomsten van
toepassing.
Artikel 9.1.20
Voor zover op grond van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 of
11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bouwvergunning had kunnen
worden verleend voor een bouwplan dat na 1 juli 2008 is aangewezen
krachtens artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, en
bij de herziening van dat bestemmingsplan na dat tijdstip geen andere
bestemmingsregeling is vastgesteld, blijven de artikelen 6.12 tot en met
6.22 ten aanzien van een dergelijk bouwplan buiten toepassing.
Afdeling 9.2. Overgangsrecht Wet op de stads- en dorpsvernieuwing –
WRO
Artikel 9.2.1
De Wet op de stads- en dorpsvernieuwing wordt ingetrokken.
Artikel 9.2.2
1.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een leefmilieuverordening
waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd.
2.De termijn waarvoor een leefmilieuverordening geldt, kan niet worden
verlengd.
Artikel 9.2.3
1.Een sloopvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet op de stads-
en dorpsvernieuwing wordt gelijkgesteld met een sloopvergunning als
bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een besluit tot verlening
van een sloopvergunning, waarvan de aanvraag vóór dat tijdstip is
ingediend.
Artikel 9.2.4
Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een besluit tot verlening
van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de stads-
en dorpsvernieuwing, waarvan de aanvraag vóór dat tijdstip is
ingediend.
Artikel 9.2.5
1.Een stadsvernieuwingsplan als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de
stads- en dorpsvernieuwing wordt gelijkgesteld met een bestemmingsplan
als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een
stadsvernieuwingsplan, waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter
inzage is gelegd, met dien verstande dat na dat tijdstip niet meer een
verzoek als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening kan worden ingediend.
3.Artikel 9.1.4, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.2.6
Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vóór dat tijdstip
genomen besluit als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de stads- en
dorpsvernieuwing.
Afdeling 9.3. Overgangswet Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting –
WRO
Artikel 9.3.1
De Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting wordt
ingetrokken.
Artikel 9.3.2
1. Plannen, regelingen en voorschriften die vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet ingevolge artikel 10 van de Overgangswet
ruimtelijke ordening en volkshuisvesting of ingevolge enige andere
wettelijke bepaling geacht werden bestemmingsplannen in de zin van de
Wet op de Ruimtelijke Ordening te zijn worden gelijkgesteld met plannen
als bedoeld in artikel 9.1.4, vierde lid.
2. De plannen, regelingen en voorschriften, bedoeld in het eerste lid,
vervallen vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Afdeling 9.4. Overgangsrecht Wet voorkeursrecht gemeenten – WRO
Artikel 9.4.1
1. Een besluit tot aanwijzing van gronden, begrepen in een structuurplan
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, in voorkomend geval na verlenging
als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet voorkeursrecht
gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet, wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit
luidt na de inwerkingtreding van deze wet. De termijn, bedoeld in
artikel 9, derde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit
luidt na de inwerkingtreding van deze wet, bedraagt voor een
aanwijzingsbesluit als bedoeld in de eerste volzin, dat is genomen
vóór inwerkingtreding van deze wet, twee jaar en vijf maanden waarbij
de gemeenteraad deze termijn met ten hoogste een jaar kan verlengen en
voor een reeds verlengd besluit in zijn totaliteit drie jaar en vijf
maanden.
2. Een besluit tot aanwijzing van gronden, begrepen in een
bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet
voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met een besluit als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten
zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat
de termijn, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht
gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet voor een
aanwijzingsbesluit dat meer dan vijf jaar voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet is genomen vijf jaren vanaf het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet bedraagt.
Artikel 9.4.2
1. Een besluit tot aanwijzing van gronden begrepen in een structuurplan
waarbij die gronden zijn aangewezen voor stads- en dorpsvernieuwing, als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, in voorkomend geval na verlenging als
bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten
zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na
inwerkingtreding van deze wet. De termijn, bedoeld in artikel 9, derde
lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na de
inwerkingtreding van deze wet, bedraagt voor een aanwijzingsbesluit als
bedoeld in de eerste volzin, dat is genomen vóór inwerkingtreding van
deze wet, twee jaar en vijf maanden waarbij de gemeenteraad deze termijn
met ten hoogste een jaar kan verlengen en voor een reeds verlengd
besluit in zijn totaliteit drie jaar en vijf maanden.
2. Een besluit tot aanwijzing van gronden, begrepen in een
stadsvernieuwingsplan als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet
voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met een besluit als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten
zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, ongeacht of het
gebruik van die gronden al dan niet afwijkt van het plan. De termijn,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten
zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, bedraagt voor een
aanwijzingsbesluit dat meer dan vijf jaar voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet is genomen vijf jaren vanaf het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 9.4.3
Een voorstel van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 6 van
de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met een besluit tot
voorlopige aanwijzing als bedoeld in artikel 6 van de Wet voorkeursrecht
gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, met dien
verstande dat de in dat artikel bedoelde termijn vijf maanden bedraagt.
Artikel 9.4.4
Een besluit tot aanwijzing van gronden als bedoeld in artikel 8 van de
Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet wordt gelijk gesteld met een
aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 5, van de Wet voorkeursrecht
gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, met dien
verstande dat de termijn, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de Wet
voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze
wet, twee jaar en zes maanden bedraagt.
Artikel 9.4.5
Een voorstel van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 8a
van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met een
aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van de Wet voorkeursrecht
gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, met dien
verstande dat de in laatstgenoemd artikel genoemde termijn acht weken
bedraagt.
Afdeling 9.5. Overgangsrecht Woningwet
Artikel 9.5.1
De Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een
bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de
aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.
Afdeling 9.6. Overgangsrecht uitvoeringsregelingen
Artikel 9.6.1
1.Na inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit externe veiligheid
inrichtingen mede op de artikelen 3.37 en 4.3 van de Wet ruimtelijke
ordening.
2.Artikel 4.3, tweede lid, is niet van toepassing ingeval het Besluit
externe veiligheid inrichtingen van toepassing is en het ontwerp van het
bestemmingsplan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ter
inzage is gelegd.
Artikel 9.6.2
Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit subsidiëring
stichting bestuursrechtspraak milieu en ruimtelijke ordening op artikel
8.8 van de Wet ruimtelijke ordening.
Afdeling 9.7. Overgangsrecht bouwplanonteigening
Artikel 9.7.1
1.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing op een besluit als bedoeld in artikel 77,
eerste lid, onder 2°, van de onteigeningswet indien voor dat tijdstip
overeenkomstig het vierde lid van dat artikel toepassing is gegeven aan
artikel 3.11 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing op een besluit als bedoeld in artikel 77,
eerste lid, onder 3°, van de onteigeningswet waarvan een ontwerp met de
bijbehorende stukken ingevolge artikel 80 van die wet voor dat tijdstip
ter inzage is gelegd.
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Artikel 10.1
1.Indien ingevolge enig wettelijk voorschrift:
a. over het ontwerp van een regeling of het voornemen tot het treffen
van een regeling advies moet worden gevraagd of extern overleg moet
worden gevoerd,
b. van het ontwerp van een regeling kennis moet worden gegeven,
c. een regeling niet eerder in werking kan treden dan nadat sedert haar
vaststelling of bekendmaking een bepaalde termijn is verstreken,
d. een regeling bij de wet moet worden goedgekeurd,
e. door of namens een van de Kamers van de Staten-Generaal of een aantal
leden daarvan kan worden verlangd dat het onderwerp of de
inwerkingtreding van de regeling bij de wet wordt geregeld, of
f. de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur moet worden
gedaan door een andere minister dan Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, geldt dat voorschrift niet ten
aanzien van het Invoeringsbesluit Wet ruimtelijke ordening of de
Invoeringsregeling Wet ruimtelijke ordening.
2.Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op het horen van
de Raad van State.
Artikel 10.2
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 10.3
Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 22 mei 2008
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.M. Cramer
Uitgegeven de derde juni 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|