| |
|
|
|
|
vorige
WET RUIMTELIJKE ORDENING (Wro)
Tekst zoals deze geldt op
19 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit
algemene regels ruimtelijke ordening
- Besluit
bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (vervallen)
- Besluit ruimtelijke ordening
- Regeling
algemene regels ruimtelijke ordening'
WET van 20 oktober 2006, houdende nieuwe regels
omtrent de ruimtelijke ordening (Wet ruimtelijke ordening)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die
deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het,
ter bevordering van een duurzame ruimtelijke kwaliteit, wenselijk is
nieuwe regels te geven omtrent de ruimtelijke ordening teneinde de
positie van het bestemmingsplan te versterken, de doelgerichtheid en
doeltreffendheid van het ruimtelijk beleid te vergroten en de
ruimtelijke regelgeving te vereenvoudigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
b. de inspecteur: de als zodanig bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaar;
c. omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
d. voorbereidingsbesluit: besluit als bedoeld in artikel 3.7.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede
verstaan onder:
a. grond, gronden of gebied: de onder- en bovengrond op
verschillende niveaus, alsmede water, de territoriale zee en de
exclusieve economische zone daaronder begrepen;
b. vaststellen van een bestemmingsplan: herzien van een
bestemmingsplan.
Hoofdstuk 2. Structuurvisies
Artikel 2.1
1. De gemeenteraad stelt ten behoeve van een goede ruimtelijke
ordening voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer
structuurvisies vast. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de
voorgenomen ontwikkeling van dat gebied, alsmede de hoofdzaken van het
door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid. De structuurvisie gaat
tevens in op de wijze waarop de raad zich voorstelt die voorgenomen
ontwikkeling te doen verwezenlijken.
2. De gemeenteraad kan voor aspecten van het gemeentelijk
ruimtelijk beleid een structuurvisie vaststellen. De structuurvisie
bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van die aspecten.
De structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop de raad zich
voorstelt die voorgenomen ontwikkeling te doen verwezenlijken.
3. De gemeenteraad kan in samenwerking met de raden van
aangrenzende gemeenten voor een gebied behorende tot het grondgebied van
de betrokken gemeenten een structuurvisie vaststellen.
Artikel 2.2
1. Provinciale staten stellen ten behoeve van een goede
provinciale ruimtelijke ordening voor het gehele grondgebied van de
provincie een of meer structuurvisies vast. De structuurvisie bevat de
hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied, alsmede de
hoofdzaken van het door de provincie te voeren ruimtelijk beleid. De
structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop provinciale staten
zich voorstellen die voorgenomen ontwikkeling te doen verwezenlijken.
2. Provinciale staten kunnen voor aspecten van het provinciaal
ruimtelijk beleid een structuurvisie vaststellen. De structuurvisie
bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van die aspecten.
De structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop provinciale staten
zich voorstellen die voorgenomen ontwikkeling te doen verwezenlijken.
3. Provinciale staten kunnen in samenwerking met de staten van
aangrenzende provincies voor een gebied behorende tot het grondgebied
van de betrokken provincies een structuurvisie vaststellen.
Artikel 2.3
1. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers wie het
aangaat, stelt ten behoeve van een goede nationale ruimtelijke
ordening voor het gehele land een of meer structuurvisies vast. De
structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling
van dat gebied. De structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop
Onze Minister zich voorstelt die voorgenomen ontwikkeling te doen
verwezenlijken.
2. Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat, in
overeenstemming met Onze Minister, kan ten behoeve van tot zijn
beleidsterrein behorende aspecten van het nationale ruimtelijk beleid
een structuurvisie vaststellen. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen
van de voorgenomen ontwikkeling van die aspecten. De structuurvisie gaat
tevens in op de wijze waarop Onze Minister of Onze Minister wie het
aangaat zich voorstelt die voorgenomen ontwikkeling te doen
verwezenlijken.
3. Met het vaststellen van een structuurvisie als bedoeld in het
eerste en tweede lid wordt niet eerder een aanvang gemaakt, dan nadat
Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat, in overeenstemming met
Onze Minister, een beschrijving van de inrichting van de voorgenomen
structuurvisie aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft overgelegd
en de Tweede Kamer der Staten-Generaal deze beschrijving openbaar
behandeld heeft. Indien de Tweede Kamer der Staten-Generaal niet binnen
vier weken besluit tot openbare behandeling van de beschrijving van de
inrichting van de voorgenomen structuurvisie, dan kan met het
vaststellen van de structuurvisie aangevangen worden. Onze Minister of
Onze Minister wie het aangaat, in overstemming met Onze Minister, stelt
de Tweede Kamer der Staten-Generaal schriftelijk op de hoogte van de
gevolgtrekkingen die hij aan de behandeling verbindt.
4. Met verwezenlijking van de structuurvisie wordt niet eerder
een aanvang gemaakt dan acht weken nadat Onze Minister of Onze Minister
wie het aangaat haar aan de Staten-Generaal heeft toegezonden. Indien
door of namens een der Kamers der Staten-Generaal binnen acht weken na
toezending van de structuurvisie te kennen wordt gegeven dat zij over de
visie in het openbaar wil beraadslagen wordt met verwezenlijking van de
structuurvisie niet eerder een aanvang gemaakt dan zes maanden na die
toezending, dan wel indien de
beraadslagingen op een eerder tijdstip zijn beëindigd, na die
beraadslagingen. Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat stelt de
Staten-Generaal schriftelijk op de hoogte van de gevolgtrekkingen die
hij voor het nationaal ruimtelijk beleid aan de beraadslagingen
verbindt.
Artikel 2.4
1. De kennisgeving van het besluit tot
vaststelling van een structuurvisie geschiedt tevens langs elektronische
weg.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de voorbereiding, vormgeving, inrichting en
beschikbaarstelling van structuurvisies.
Hoofdstuk 3. Bestemmings- en inpassingsplannen
Afdeling 3.1. Bepalingen omtrent de inhoud van het bestemmingsplan
Artikel 3.1
1. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de
gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van
een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan
begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming
regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels
omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende
bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de
uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, m et
dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën
uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het
plangebied.
2. De bestemming van gronden, met inbegrip
van de met het oog daarop gestelde regels, wordt binnen een periode van
tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het
bestemmingsplan, telkens opnieuw vastgesteld.
3. Telkens indien de gemeenteraad van oordeel is dat de in het
bestemmingsplan aangewezen bestemmingen en de met het oog daarop gegeven
regels in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening, kan
hij, in afwijking van het tweede lid, besluiten tot verlenging van de
periode van tien jaar, genoemd in dat lid, met tien jaar. In aanvulling
op artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht plaatsen burgemeester
en wethouders de kennisgeving van het besluit tot verlenging tevens in
de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg.
4. Indien niet voor het verstrijken van de periode van tien jaar,
genoemd in het tweede of het derde lid, de raad onderscheidenlijk
opnieuw een bestemmingsplan heeft vastgesteld dan wel een
verlengingsbesluit heeft genomen, vervalt de bevoegdheid tot het
invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het
gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het
bestemmingsplan.
5. Van overschrijding van de in het tweede lid bedoelde periode
doen burgemeester en wethouders schriftelijk mededeling. Zij leggen deze
mededeling bij het bestemmingsplan waarin de bestemming van de grond
laatstelijk is aangewezen, ter gemeentesecretarie voor een ieder ter
inzage. Artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is
van overeenkomstige toepassing. Van de terinzagelegging wordt tevens
mededeling gedaan in de Staatscourant en voorts langs elektronische weg.
Artikel 3.2
Bij een bestemmingsplan kunnen voorlopige bestemmingen worden
aangewezen en met het oog hierop voorlopige regels worden gegeven. Een
voorlopige bestemming geldt voor een daarbij te stellen termijn van ten
hoogste vijf jaar.
Artikel 3.3
Om te voorkomen dat in een bestemmingsplan begrepen grond minder
geschikt wordt voor de verwezenlijking van de daaraan bij het plan te
geven bestemming dan wel om een overeenkomstig het plan verwezenlijkte
bestemming te handhaven en te beschermen, kan bij het bestemmingsplan
worden bepaald, dat het verboden is om binnen een bij dat plan
aangegeven gebied zonder omgevingsvergunning:
a. bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit
te voeren;
b. bouwwerken te slopen.
Artikel 3.4
Bij een bestemmingsplan kunnen, voor zover het gronden betreft
waarvan het gebruik afwijkt van het plan, een of meer onderdelen worden
aangewezen ten aanzien waarvan de verwezenlijking in de naaste toekomst
nodig wordt geacht.
Artikel 3.5
Bij een bestemmingsplan kunnen gebieden worden aangewezen waarbinnen
de daar aanwezige bouwwerken dienen te worden gemoderniseerd of
vervangen door gelijksoortige bebouwing van gelijke of nagenoeg gelijke
bouwmassa. Zolang deze modernisering of vervanging niet is
verwezenlijkt, wordt het gebruik van die bouwwerken aangemerkt als
afwijkend van het plan.
Artikel 3.6
1. Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met
inachtneming van de bij het plan te geven regels:
a. burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen
grenzen het plan kunnen wijzigen;
b. burgemeester en wethouders het plan moeten uitwerken;
c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het
plan aan te geven regels;
d. burgemeester en wethouders ten aanzien van in het plan
omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kunnen stellen.
2. Een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, onder
a, kan mede een uitwerkingsplicht als bedoeld in het eerste lid, onder
b, inhouden.
3. Een wijziging of uitwerking als bedoeld in het eerste lid,
onder a of b, maakt deel uit van het plan en kan, zolang de bestemming
nog niet is verwezenlijkt, worden vervangen door een nieuwe wijziging of
uitwerking.
4. Belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun
zienswijzen omtrent een voorgenomen nadere eis als bedoeld in het eerste
lid naar voren te brengen.
Artikel 3.6a
Bij een bestemmingsplan kan worden uitgesloten dat daarvan voor
bepaalde termijn kan worden afgeweken door middel van een
omgevingsvergunning waarbij toepassing is gegeven aan artikel 2.12,
tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht indien het
belang ter bescherming waarvan een bepaalde bestemming in het plan is
opgenomen zich daarmee niet verdraagt.
Afdeling 3.2. Bepalingen omtrent de procedure van het bestemmingsplan
Artikel 3.7
1. De gemeenteraad kan verklaren dat een bestemmingsplan wordt
voorbereid.
2. Bij het voorbereidingsbesluit wordt bepaald voor welk gebied
het geldt en met ingang van welke dag het in werking treedt.
3. Om te voorkomen dat een bij het voorbereidingsbesluit
aangewezen gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van de
daaraan bij het plan te geven bestemming, kan artikel 3.3 overeenkomstig
worden toegepast.
4. Om te voorkomen dat een bij een voorbereidingsbesluit
aangewezen gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van een
daaraan bij het plan te geven bestemming, kan bij het besluit tevens
worden bepaald dat het verboden is het gebruik van daarbij aangewezen
gronden of bouwwerken te wijzigen. Hierbij kan mede worden bepaald dat
binnen de bij het voorbereidingsbesluit te geven regels bij een
omgevingsvergunning van het verbod kan worden afgeweken.
5. Een voorbereidingsbesluit vervalt, indien niet binnen een jaar
na de datum van inwerkingtreding daarvan een ontwerp voor een
bestemmingsplan ter inzage is gelegd.
6. Een voorbereidingsbesluit vervalt tevens op het moment waarop
het bestemmingsplan ter voorbereiding waarvan het besluit is genomen, in
werking treedt.
7. Een voorbereidingsbesluit wordt bekendgemaakt door
terinzagelegging van dit besluit. Artikel 3:42 van de Algemene wet
bestuursrecht is van toepassing. Van het voorbereidingsbesluit wordt
tevens mededeling gedaan in de Staatscourant en voorts langs
elektronische weg.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van
het voorbereidingsbesluit.
Artikel 3.8
1. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande
dat:
a. de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in
de Staatscourant wordt geplaatst en voorts langs elektronische weg
geschiedt, en het ontwerp-besluit met de hierbij behorende stukken
tevens langs elektronische weg wordt beschikbaar gesteld;
b. de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a,
gelijktijdig met de daar bedoelde plaatsing langs elektronische weg
wordt toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast
zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding
zijn, aan de betrokken waterschapsbesturen en aan de besturen van bij
het plan een belang hebbende gemeenten;
c. indien in het ontwerp gronden zijn aangewezen waarvan de
bestemming in de naaste toekomst voor verwezenlijking in aanmerking
komt, kennisgeving tevens geschiedt aan diegenen die in de
basisregistratie kadaster staan vermeld als eigenaar van die gronden
of als beperkt gerechtigde op die gronden;
d. door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de
gemeenteraad naar voren kunnen worden gebracht;
e. de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van
terinzageligging beslist omtrent vaststelling van het bestemmingsplan.
2. Voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag
vindt in een aanwijzing, die betrekking heeft op een daarbij concreet
aangegeven locatie, waarvan geen afwijking mogelijk is, kunnen
zienswijzen daarop geen betrekking hebben.
3. De bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het
bestemmingsplan geschiedt binnen twee weken na de vaststelling.
Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving van het besluit tot
vaststelling van het bestemmingsplan tevens in de Staatscourant en
voorts geschiedt deze langs elektronische weg. Gelijktijdig verzenden
zij de kennisgeving, bedoeld in de vorige volzin, langs elektronische
weg aan de diensten en bestuursorganen bedoeld in het eerste lid, onder
b, en stellen zij het besluit met de hierbij behorende stukken langs
elektronische weg beschikbaar. In afwijking van artikel 3:1, eerste lid,
onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zijn op een besluit tot
vaststelling van het bestemmingsplan de artikelen 3:40, 3:42, 3:43, 3:44
en 3:45 en afdeling 3.7 van die wet van toepassing.
4. In afwijking van het derde lid wordt het besluit tot
vaststelling van het bestemmingsplan zes weken na de vaststelling
bekendgemaakt, indien door gedeputeerde staten of de inspecteur een
zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen of indien
de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin
wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan
op grond van zienswijzen van gedeputeerde staten of de inspecteur. In
zodanig geval zenden burgemeester en wethouders na de vaststelling
onverwijld langs elektronische weg het raadsbesluit aan gedeputeerde
staten onderscheidenlijk de inspecteur.
5. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan treedt in
werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt,
behoudens voor zover het zesde lid van toepassing is.
6. Indien aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden is
voldaan kunnen gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister,
onverminderd andere aan hen toekomende bevoegdheden, binnen de in dat
lid genoemde termijn met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van
het vastgestelde bestemmingsplan aan de gemeenteraad een aanwijzing als
bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 4.4,
eerste lid, onder a, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel
blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld.
Artikel 4.2, tweede tot en met vierde lid, onderscheidenlijk artikel
4.4, tweede tot en met vierde lid, zijn op deze aanwijzing niet van
toepassing. De kennisgeving van het besluit tot aanwijzing geschiedt
tevens langs elektronische weg. Gedeputeerde staten onderscheidenlijk
Onze Minister vermelden in de redengeving de aan het besluit ten
grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de
provincie onderscheidenlijk het Rijk beletten het betrokken provinciaal
onderscheidenlijk nationaal belang met inzet van andere aan hen
toekomende bevoegdheden te beschermen. Het besluit tot vaststelling van
het bestemmingsplan wordt alsdan met uitsluiting van dat onderdeel,
samen met het aanwijzingsbesluit en op gelijke wijze door burgemeester
en wethouders bekendgemaakt. De in het vierde lid genoemde termijn wordt
hiertoe met een week verlengd. De termijn voor indiening van een
beroepschrift tegen het aanwijzingsbesluit vangt aan met ingang van de
dag na die waarop dit besluit ter inzage is gelegd. Zodra het
aanwijzingsbesluit onherroepelijk is geworden vervalt het
vaststellingsbesluit voor dat onderdeel.
7. Van het aanwijzingsbesluit, bedoeld in het zesde lid, wordt
mededeling gedaan aan diegenen die ten aanzien van het onderdeel van het
bestemmingsplan dat bij dat aanwijzingsbesluit is betrokken een
zienswijze naar voren hebben gebracht of een aanvraag tot vaststelling
hebben ingediend.
Artikel 3.9
1. Artikel 3.8 is niet van toepassing op de afwijzing van een
aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen.
2. Tot een afwijzing als bedoeld in het eerste lid besluit de
gemeenteraad zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag.
Afdeling 3.2a. Bepalingen omtrent de procedure van wijziging of
uitwerking van een bestemmingsplan
Artikel 3.9a
1. Op de voorbereiding van een wijziging of uitwerking van een
bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing, met dien verstande dat de kennisgeving bedoeld in artikel
3:12 van die wet, tevens langs elektronische weg geschiedt, dat het
ontwerpbesluit met de hierbij behorende stukken tevens langs
elektronische weg beschikbaar wordt gesteld, dat burgemeester en
wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van
terinzageligging omtrent de uitwerking of wijziging besluiten. Op het
besluit tot vaststelling van een wijziging of uitwerking van een
bestemmingsplan is artikel 3.8, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de afwijzing van een
aanvraag om een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan vast te
stellen.
3. Tot een afwijzing als bedoeld in het tweede lid besluiten
burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen
acht weken na ontvangst van de aanvraag.
4. Een besluit tot vaststelling van een wijziging of uitwerking
van een bestemmingsplan treedt in werking met ingang van de dag na die
waarop de beroepstermijn afloopt.
Afdeling 3.3. Vaststelling bestemmingsplan of uitwerking daarvan naar
aanleiding van een omgevingsvergunning
Artikel 3.10
Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan of de uitwerking van
een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en
onder b, zijn grondslag vindt in een omgevingsvergunning, waarbij met
toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de
beheersverordening is afgeweken, kunnen zienswijzen geen betrekking
hebben op dat deel van het ontwerpplan.
Artikel 3.11 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.12 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.13 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.14 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.15 [Vervallen per 31-03-2010]
Afdeling 3.4 [Vervallen per 01-10-2010]
§ 3.4.1 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.16 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.17 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.18 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.19 [Vervallen per 01-10-2010]
§ 3.4.2 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.20 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.21 [Vervallen per 01-10-2010]
§ 3.4.3 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.22 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.23 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.24 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.25 [Vervallen per 01-10-2010]
Afdeling 3.5. Inpassingsplannen van provincie en rijk
§ 3.5.1. Provinciaal inpassingsplan
Artikel 3.26
1. Indien sprake is van provinciale
belangen kunnen provinciale staten, de betrokken gemeenteraad gehoord,
voor de daarbij betrokken gronden een inpassingsplan vaststellen met
uitsluiting van de bevoegdheid van de gemeenteraad om voor die gronden
een bestemmingsplan vast te stellen.
2. De afdelingen 3.1, 3.2 en
3.3 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor
«bestemmingsplan» «inpassingsplan» wordt gelezen en voor
«gemeentebestuur» «provinciaal bestuur», en dat met betrekking tot
artikel 3.1 en afdeling 3.2 provinciale staten in de plaats treden van
de gemeenteraad, en gedeputeerde staten in de plaats treden van
burgemeester en wethouders.
3. Het inpassingsplan wordt geacht deel uit
te maken van het bestemmingsplan of de bestemmingsplannen waarop het
betrekking heeft.
4. Provinciale staten kunnen bij een besluit als bedoeld in het
eerste lid bepalen dat:
a. gedeputeerde staten de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld
in artikel 3.6, eerste lid, uitoefenen,
b. gedeputeerde staten beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder a, b, c of g, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
Gedeputeerde staten zenden terstond een afschrift aan burgemeester en
wethouders van beschikkingen die zijn gegeven met toepassing van de
bevoegdheden, bedoeld in de eerste volzin.
5. Provinciale staten bepalen in het vaststellingsbesluit tot
welk tijdstip de uitsluiting van de bevoegdheid van de gemeenteraad tot
vaststelling van een bestemmingsplan voor de betrokken gronden
voortduurt, met dien verstande dat dit tijdstip is gelegen binnen de
periode van tien jaar, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid.
Artikel 3.27
Bij de vaststelling van een inpassingsplan als bedoeld in artikel
3.26, eerste lid, dat de aanleg of wijziging van een weg in beheer bij
de provincie mogelijk maakt, wordt gebruik gemaakt van:
a. de verkeersgegevens en de daarop gebaseerde onderzoeken,
b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer
bekendgemaakte gegevens en de daarop gebaseerde onderzoeken, en
c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora
en fauna en de daarop gebaseerde onderzoeken,
die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-inpassingsplan, met
dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken
en inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het
inpassingsplan ouder zijn dan twee jaar, het inpassingsplan een
motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.
§ 3.5.2. Rijksinpassingsplan
Artikel 3.28
1. Indien sprake is van nationale
belangen kan Onze Minister, de gemeenteraad en provinciale staten
gehoord, voor de daarbij betrokken gronden een inpassingsplan
vaststellen met uitsluiting van de bevoegdheid van de gemeenteraad en
van provinciale staten om voor die gronden een bestemmingsplan
onderscheidenlijk een inpassingsplan vast te stellen. Het horen van de
gemeenteraad en provinciale staten kan worden gecombineerd met het
overleg, bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
2. De afdelingen 3.1, 3.2 en
3.3, met uitzondering van artikel 3.8, vierde en zesde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor
«bestemmingsplan» «inpassingsplan» wordt gelezen en voor
«gemeentebestuur» «Onze Minister», en dat met betrekking tot artikel
3.1 en afdeling 3.2 Onze Minister in de plaats treedt van de
gemeenteraad en van burgemeester en wethouders.
3. Het inpassingsplan wordt geacht deel uit
te maken van het bestemmingsplan of de bestemmingsplannen waarop het
betrekking heeft.
4. Onze Minister kan bij een besluit als bedoeld in het eerste
lid bepalen dat hij:
a. de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in artikel 3.6,
eerste lid, uitoefent;
b. beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c of g,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Onze Minister zendt terstond een afschrift aan burgemeester en
wethouders van beschikkingen die zijn gegeven met toepassing van de
bevoegdheden, bedoeld in de eerste volzin.
5. Onze Minister bepaalt in het vaststellingsbesluit tot welk
tijdstip de uitsluiting van de bevoegdheid van de gemeenteraad tot
vaststelling van een bestemmingsplan respectievelijk van provinciale
staten tot vaststelling van een inpassingsplan voor de betrokken gronden
voortduurt, met dien verstande dat dit tijdstip is gelegen binnen de
periode van tien jaar, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid.
6. De bevoegdheid tot het maken van provinciale verordeningen als
bedoeld in artikel 4.1 blijft gehandhaafd voor zover deze verordeningen
niet met een krachtens het eerste lid vastgesteld inpassingsplan in
strijd zijn.
7. De bepalingen van een provinciale verordening als bedoeld in
artikel 4.1 blijven buiten toepassing voor zover zij met een krachtens
het eerste lid vastgesteld inpassingsplan in strijd zijn.
Artikel 3.29 [Vervallen per 01-10-2010]
Afdeling 3.6. Coördinatie bij
verwezenlijking van ruimtelijk beleid
§ 3.6.1. Gemeentelijke coördinatieregeling
Artikel 3.30
1. Bij besluit van de
gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden
aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het
gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:
a. de voorbereiding en
bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen
besluiten worden gecoördineerd, of
b. de voorbereiding en
bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking van
een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing
van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken, wordt gecoördineerd met de
voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.
2. Bij de gecoördineerde
voorbereiding en bekendmaking als bedoeld in het eerste lid, onder a of
b, wordt de procedure beschreven in de artikelen 3.31 en 3.32,
respectievelijk die procedure in samenhang met hetzij, in geval van een
bestemmingsplan, de procedure beschreven in artikel 3.8, hetzij, in
geval van een omgevingsvergunning, de uitgebreide procedure beschreven
in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
toegepast.
3. Voor zover onder de besluiten, bedoeld
in het eerste lid, onder b, mede een omgevingsvergunning is begrepen
wordt bij de toepassing van de artikelen 2.1, eerste lid, onder c, 2.10
en 2.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in plaats van
bestemmingsplan gelezen: bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid,
onder b.
Artikel 3.31
1. In door de gemeenteraad
met toepassing van artikel 3.30 aangewezen gevallen bevorderen
burgemeester en wethouders een gecoördineerde voorbereiding van de bij
of krachtens dat artikel aangeduide besluiten. Burgemeester en
wethouders kunnen andere bestuursorganen verzoeken de medewerking te
verlenen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Met het
oog hierop zendt een bestuursorgaan dat bevoegd is op een aanvraag voor
een dergelijk besluit te beslissen hun onverwijld een afschrift van die
aanvraag.
2. Ten aanzien van aanvragen als bedoeld in het eerste lid, zijn
burgemeester en wethouders mede bevoegd deze in te dienen bij de
bevoegde bestuursorganen.
3. Op de voorbereiding van besluiten, bedoeld in het eerste lid,
is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met
dien verstande dat:
a. de kennisgevingen, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens
worden gedaan in de Staatscourant en voorts langs elektronische weg;
b. burgemeester en wethouders ten aanzien van de ontwerpen van de
besluiten gezamenlijk toepassing kunnen geven aan artikel 3:11, eerste
lid, van die wet en de kennisgevingen, bedoeld in artikel 3:12 van die
wet voor verschillende onderwerpen kunnen samenvoegen in een
kennisgeving, die door burgemeester en wethouders wordt gedaan;
c. de ontwerpen van besluiten binnen een door burgemeester en
wethouders in overeenstemming met het desbetreffend bevoegd gezag te
bepalen termijn worden toegezonden aan burgemeester en wethouders, die
zorg dragen voor de in artikel 3:13, eerste lid, van die wet bedoelde
toezending;
d. zienswijzen door een ieder naar voren kunnen worden gebracht;
e. in afwijking van artikel 3:18 van die wet de besluiten worden
genomen binnen een door burgemeester en wethouders in overeenstemming
met het desbetreffend bevoegd gezag te bepalen termijn;
f. de besluiten onverwijld worden toegezonden aan burgemeester en
wethouders;
g. burgemeester en wethouders beslissen over de toepassing van
artikel 3:18, tweede lid, van die wet;
h. de in artikel 3:44 van die wet bedoelde toezending tevens
geschiedt aan burgemeester en wethouders.
Artikel 3.32
Burgemeester en wethouders maken de vaststelling van het in artikel
3.30, eerste lid, bedoelde bestemmingsplan, en de andere besluiten voor
zover ten aanzien van deze besluiten gezamenlijk artikel 3.31, derde
lid, is toegepast, gelijktijdig bekend. Zij doen mededeling van deze
besluiten in de Staatscourant en voorts langs elektronische weg.
§ 3.6.2. Provinciale coördinatieregeling
Artikel 3.33
1. Bij besluit van
provinciale staten kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden
aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het
provinciaal ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:
a. de voorbereiding en
bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen
besluiten worden gecoördineerd, of
b. een inpassingsplan als bedoeld
in artikel 3.26 dan wel een wijziging of uitwerking van een
inpassingsplan, wordt vastgesteld of een omgevingsvergunning wordt
verleend waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a,
onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het
bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, en de
voorbereiding en bekendmaking daarvan wordt gecoördineerd met de
voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.
2. Gedeputeerde staten kunnen
van andere bestuursorganen, tenzij dit een bestuursorgaan van het Rijk
is, de medewerking vorderen, die voor het welslagen van de coördinatie
nodig is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde
medewerking.
3. In een besluit als bedoeld in de aanhef
van het eerste lid kunnen provinciale staten tevens bepalen dat
gedeputeerde staten, met uitsluiting van het in eerste aanleg bevoegde
bestuursorgaan, tenzij dit een bestuursorgaan van het Rijk is, de voor
de bedoelde verwezenlijking benodigde besluiten op aanvraag of
ambtshalve nemen.
4. Bij de gecoördineerde
voorbereiding en bekendmaking als bedoeld in het eerste lid, onder a of
b, wordt de procedure beschreven in de artikelen 3.31 en 3.32,
respectievelijk die procedure in samenhang met hetzij, in geval van een
inpassingsplan, de procedure beschreven in artikel 3.8, hetzij, in geval
van een omgevingsvergunning, de uitgebreide voorbereidingsprocedure
beschreven in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht toegepast, met dien verstande dat daarbij provinciale
staten in de plaats treden van de gemeenteraad, en
gedeputeerde staten in de plaats van burgemeester en wethouders.
5. Indien ten aanzien van de verwezenlijking van een onderdeel
van het provinciaal ruimtelijk beleid het maken van een
milieueffectrapport krachtens artikel 7.2 van de Wet milieubeheer
verplicht is, gaat de kennisgeving, bedoeld in artikel 7.9, eerste lid,
onderscheidenlijk de mededeling, bedoeld in artikel 7.27, eerste lid,
dan wel artikel 7.24, eerste lid van die wet, vergezeld van een globale
beschrijving van de gevolgen voor het ruimtelijk beleid, van de
sociaal-economische gevolgen en van de gevolgen voor andere daarbij
betrokken belangen, die van die verwezenlijking te verwachten zijn.
6. Artikel 3.30, derde lid, is
van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van
«bestemmingsplan» wordt gelezen: inpassingsplan.
7. Voor zover de verwezenlijking van een
onderdeel van het provinciaal ruimtelijk beleid onevenredig wordt
belemmerd door bepalingen die – al dan niet krachtens de wet – bij
of krachtens een regeling van een gemeente of waterschap zijn
vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen en uitvoeren van de
besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, om dringende redenen
buiten toepassing worden gelaten.
Artikel 3.34
1. Indien een bestuursorgaan, uitgezonderd een bestuursorgaan
van het Rijk, dat in eerste aanleg bevoegd is een besluit als bedoeld
in artikel 3.33, eerste lid, onder a of b, te nemen, niet of niet
tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist, dan wel een beslissing
neemt die naar het oordeel van gedeputeerde staten wijziging behoeft,
kunnen gedeputeerde staten een beslissing nemen. In dat geval treedt
dit besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg
bevoegde bestuursorgaan. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn
zelf een beslissing te nemen, plegen zij overleg met het
bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen.
2. Indien bij toepassing van het eerste lid de beslissing op een
aanvraag wordt genomen door gedeputeerde staten, stort het
bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de
aanvraag, de ter zake ontvangen rechten in de kas van de provincie.
§ 3.6.3. Rijkscoördinatieregeling
Artikel 3.35
1. Bij wet of een besluit van Onze
Minister of een Onzer andere Ministers, in overeenstemming met het
gevoelen van de ministerraad, kan worden bepaald dat de verwezenlijking
van een onderdeel van het nationaal ruimtelijk beleid wenselijk maakt
dat:
a. een inpassingsplan als
bedoeld in artikel 3.28 wordt vastgesteld of een omgevingsvergunning
wordt verleend waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid,
onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van
het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken;
b. de voorbereiding en
bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen
besluiten wordt gecoördineerd, of
c. een inpassingsplan als bedoeld
in artikel 3.28 dan wel een wijziging of uitwerking van een
inpassingsplan, wordt vastgesteld of een omgevingsvergunning wordt
verleend waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a,
onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het
bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, en de
voorbereiding en bekendmaking daarvan wordt gecoördineerd met de
voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder b.
2. In een wet of besluit als bedoeld in de aanhef van het eerste
lid strekkende tot toepassing van dat lid, onder a of c, wordt de
Minister aangewezen die, in afwijking van artikel 3.28, tweede lid, in
de plaats treedt van burgemeester en wethouders en gezamenlijk met Onze
Minister in de plaats treedt van de gemeenteraad.
3. In een wet of besluit als
bedoeld in de aanhef van het eerste lid strekkende tot toepassing van
dat lid, onder b of c, wordt de Minister aangewezen die
eerstverantwoordelijk is voor de gecoördineerde voorbereiding en
bekendmaking. Deze Minister kan van andere bestuursorganen de
medewerking vorderen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig
is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking.
Tevens kan worden bepaald dat deze Minister en Onze Minister wie het
mede aangaat gezamenlijk met uitsluiting van een
in eerste aanleg bevoegd bestuursorgaan, een voor bedoelde
verwezenlijking benodigd besluit op aanvraag of ambtshalve nemen.
4. Bij de gecoördineerde
voorbereiding en bekendmaking als bedoeld in het eerste lid, onder b of
c, wordt de procedure beschreven in de artikelen 3.31 en 3.32,
respectievelijk die procedure in samenhang met hetzij, in geval van een
inpassingsplan, de procedure beschreven in artikel 3.8, eerste, derde en
vijfde lid, hetzij, in geval van een omgevingsvergunning, de uitgebreide
voorbereidingsprocedure beschreven in paragraaf 3.3 van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht toegepast, met dien verstande dat Onze
in de wet of het besluit, bedoeld in de aanhef van het eerste lid,
aangewezen Minister in de plaats treedt van burgemeester en wethouders
en deze Minister en Onze Minister gezamenlijk in de plaats van de
gemeenteraad. In geval van een omgevingsvergunning als bedoeld in de
eerste volzin treden de betrokken besluiten in werking met ingang van de
dag na die waarop de beroepstermijn afloopt.
5. Indien ten aanzien van de verwezenlijking van een onderdeel
van het nationaal ruimtelijk beleid het maken van een
milieueffectrapport krachtens artikel 7.2 van de Wet milieubeheer
verplicht is, gaat de kennisgeving, bedoeld in artikel 7.9, eerste lid,
onderscheidenlijk de mededeling, bedoeld in artikel 7.27, eerste lid,
dan wel artikel 7.24, eerste lid van die wet, vergezeld van een globale
beschrijving van de gevolgen voor het ruimtelijk beleid, van de
sociaal-economische gevolgen en van de gevolgen voor andere daarbij
betrokken belangen, die van die verwezenlijking te verwachten zijn.
6. Indien toepassing wordt
gegeven aan het eerste lid, onder c, en het inpassingsplan, bedoeld in
artikel 3.28 is aangewezen als plan bij de voorbereiding waarvan
krachtens de artikelen 7.2 of 7.2a van de Wet milieubeheer een
milieueffectrapport moet worden gemaakt, en één van de besluiten,
bedoeld in het eerste lid, onder b, is aangewezen als besluit bij de
voorbereiding waarvan krachtens artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een
milieueffectrapport moet worden gemaakt, vindt de raadpleging op grond
van artikel 7.25 of artikel 7.27, tweede lid, van
de Wet milieubeheer gelijktijdig plaats met de raadpleging op grond van
artikel 7.8 van die wet respectievelijk vindt de kennisgeving op grond
van artikel 7.27, derde lid, van de Wet milieubeheer gelijktijdig plaats
met de kennisgeving op grond van artikel 7.9, eerste lid, van die wet.
In afwijking van artikel 7.26 of artikel 7.27, zevende lid, van de Wet
milieubeheer kan de termijn, bedoeld in dat artikel of dat artikellid,
tweemaal met ten hoogste zes weken worden verlengd.
7. Artikel 3.30, derde lid is
van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van
«bestemmingsplan» wordt gelezen: inpassingsplan. Voor zover een
omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
is vereist, geldt die eis niet voor de uitvoering van werken of
werkzaamheden ter uitvoering van een inpassingsplan of een
omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, onder c, in het
gebied dat in dat plan is begrepen.
8. Voor zover de verwezenlijking van een onderdeel van het
nationaal ruimtelijk beleid onevenredig wordt belemmerd door bepalingen
die – al dan niet krachtens de wet – bij of krachtens een regeling
van een provincie, gemeente of waterschap zijn vastgesteld, kunnen die
bepalingen bij het nemen en uitvoeren van de besluiten, bedoeld in het
eerste lid, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.
9. Een besluit als bedoeld in de aanhef van het eerste lid, wordt
toegezonden aan de beide Kamers der Staten-Generaal. Aan het besluit
wordt geen uitvoering gegeven dan nadat beide Kamers daarmee hebben
ingestemd. Met het besluit wordt geacht te zijn ingestemd indien geen
van beide Kamers binnen vier weken na de toezending van dat besluit een
besluit heeft genomen omtrent de behandeling daarvan.
Artikel 3.36
1. Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is
een besluit als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onder b, te
nemen, niet of niet tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist, dan wel
een beslissing neemt die naar het oordeel van Onze ingevolge artikel
3.35, derde lid, aangewezen Minister en Onze Minister wie het mede
aangaat wijziging behoeft, kunnen Onze bedoelde Ministers gezamenlijk
een beslissing nemen. In dat geval treedt dit besluit in de plaats van
het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien
Onze in de eerste volzin bedoelde Ministers voornemens zijn zelf een
beslissing te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in
eerste aanleg bevoegd is te beslissen.
2. Indien bij toepassing van
het eerste lid de beslissing op een aanvraag wordt genomen door Onze in
dat lid bedoelde Ministers, stort het bestuursorgaan dat in eerste
aanleg bevoegd was te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen
rechten in 's Rijks kas.
§ 3.6.4. Grondgebruik en grondverwerving
Artikel 3.36a
1. Gevallen waarop krachtens de artikelen 3.30, 3.33 of 3.35 de
artikelen 3.31 en 3.32 dan wel de artikelen 3.31 en 3.32 in samenhang
met artikel 3.8 of paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht worden toegepast, worden voor de toepassing van de
Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als bevattende openbare
werken van algemeen nut.
2. Indien voor de uitvoering van een of meer besluiten als
bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onder b, toepassing van de
Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk is:
a. kan Onze Minister in afwijking van artikel 2, vierde lid, van de
Belemmeringenwet Privaatrecht:
1e. een andere plaats of gemeente aanwijzen waar de zitting
plaats vindt;
2e. bepalen dat de zitting wordt geleid door een door Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen persoon;
b. worden in afwijking van de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede
lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht gedeputeerde staten niet
gehoord.
3. Indien voor de uitvoering van een of meer besluiten als
bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder a, 3.33, eerste lid, onder a,
of artikel 3.35, eerste lid, onder b, toepassing van de Belemmeringenwet
Privaatrecht noodzakelijk is, geldt in plaats van artikel 4 van de
Belemmeringenwet Privaatrecht dat:
1e. tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of
artikel 3, tweede lid, van die wet een belanghebbende beroep kan
instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
2e. artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing is;
3e. de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde
lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht
opgeschort wordt totdat de termijn voor het indienen van een
beroepschrift is verstreken.
Artikel 3.36b
1. De in artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet
bedoelde dagvaarding kan geschieden, nadat:
a. een bestemmings- of
inpassingsplan, of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van het geldende bestemmingsplan wordt
afgeweken, als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder b,
onderscheidenlijk de artikelen 3.33, eerste lid, onder b, of 3.35,
eerste lid, onder c, is vastgesteld, respectievelijk is verleend;
b. een bestemmings- of
inpassingsplan waarbij toepassing is gegeven aan artikel 3.4, dan wel
een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste
lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken, gelijktijdig met een
exploitatieplan is bekendgemaakt.
2. Voor zover nodig in afwijking van artikel 37, tweede lid, of
54i, eerste lid, van de onteigeningswet, doet de rechtbank niet eerder
uitspraak dan nadat het onderdeel van het bestemmingsplan,
inpassingsplan of de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, ter
uitvoering waarvan wordt onteigend, onherroepelijk is geworden blijkens
een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
dan wel een verklaring van de secretaris van de Raad van State of van de
griffier van de betrokken rechtbank.
Afdeling 3.7. (Nadere) regels
Artikel 3.37
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de voorbereiding, vormgeving, inrichting en
beschikbaarstelling en nadere regels omtrent inhoud en uitvoerbaarheid
van bestemmingsplannen en inpassingsplannen. Tevens kunnen regels worden
gesteld omtrent de inhoud van de bij een plan behorende toelichting.
Hoofdstuk 3A. Beheersverordening
Artikel 3.38
1. Onverminderd de gevallen waarin bij of krachtens wettelijk
voorschrift een bestemmingsplan is vereist, kan de gemeenteraad in
afwijking van artikel 3.1 voor die delen van het grondgebied van de
gemeente waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien, in plaats
van een bestemmingsplan een beheersverordening vaststellen waarin het
beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik wordt
geregeld. De kennisgeving van een besluit tot vaststelling van een
beheersverordening geschiedt tevens langs elektronische weg.
2. De verordening wordt in elk geval binnen tien jaar na de
vaststelling herzien. Artikel 3.1, vierde lid, en vijfde lid, eerste en
tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
3. Om overeenkomstig de verordening bestaand gebruik te handhaven
en te beschermen kan bij de verordening worden bepaald dat het verboden
is om binnen daartoe aangegeven gebied zonder omgevingsvergunning:
a. bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te
voeren;
b. bouwwerken te slopen.
4. Bij de verordening kan worden bepaald dat, met inachtneming
van de bij de verordening te geven regels, bij een omgevingsvergunning
kan worden afgeweken van bij de verordening aan te geven regels.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling
en nadere regels omtrent de inhoud van de verordening.
6. Artikel 3.6a is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor
«bestemmingsplan» wordt gelezen: beheersverordening.
Artikel 3.39
1. Op het tijdstip van inwerkingtreding
van een beheersverordening voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan
geldt, vervalt het bestemmingsplan voor zover het op dat gebied
betrekking heeft.
2. Op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan
voor een gebied waarvoor een beheersverordening geldt, vervalt de
beheersverordening voor zover zij op dat gebied betrekking heeft.
Artikel 3.40 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.41 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.42 [Vervallen per 01-10-2010]
Hoofdstuk 4. Algemene regels en specifieke aanwijzingen
Afdeling 4.1. Algemene regels en aanwijzingen van de provincie
Artikel 4.1
1. Indien provinciale
belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk
maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden
gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, van
omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste
lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt
afgeweken, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing,
alsmede omtrent de inhoud van
beheersverordeningen. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts
geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte van het grondgebied van de
provincie. De kennisgeving van een besluit tot vaststelling van de
verordening geschiedt tevens langs elektronische weg.
2. Tenzij bij de verordening een andere termijn wordt gesteld,
stelt de gemeenteraad binnen een jaar na inwerkingtreding van de
verordening een bestemmingsplan of een beheersverordening vast met
inachtneming van de verordening.
3. Bij of krachtens een verordening als bedoeld in het eerste lid
kunnen regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat
in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden
voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen
bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in het tweede lid in
werking is getreden. Bij de verordening kunnen regels worden gesteld met
inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken
van bij die verordening aan te geven regels.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de inhoud, vormgeving, inrichting en
beschikbaarstelling van de provinciale verordening.
5. Provinciale staten kunnen verklaren dat een verordening wordt
voorbereid. Artikel 3.7, tweede, derde, vierde, zevende en achtste lid,
zijn van overeenkomstige toepassing. In de verklaring kunnen provinciale
staten bepalen dat gedeputeerde staten beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder a, b of g, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht. Het besluit vervalt bij de inwerkingtreding van de
verordening doch uiterlijk na zes maanden.
6. Een provinciale verordening als bedoeld in dit artikel wordt
niet vastgesteld dan nadat het ontwerp in de Staatscourant, langs
elektronische weg en op de in de provincie gebruikelijke wijze is
bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen een
bij die bekendmaking te stellen termijn van ten minste vier weken
schriftelijk of langs elektronische weg opmerkingen over het ontwerp ter
kennis van provinciale staten te brengen.
Artikel 4.2
1. Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede
ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen gedeputeerde staten
aan de gemeenteraad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te
bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig
daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat
bestemmingsplan.
2. Er wordt niet overgegaan tot toepassing van het eerste lid dan
na overleg met burgemeester en wethouders en niet eerder dan vier weken
nadat provinciale staten in kennis zijn gesteld van het voornemen tot
het nemen van het besluit.
3. Bij het toepassen van het eerste lid kunnen gedeputeerde
staten tevens verklaren dat een bestemmingsplan als bedoeld in het
eerste lid door de gemeente wordt voorbereid. Artikel 3.7 is van
overeenkomstige toepassing. Een door gedeputeerde staten vastgesteld
voorbereidingsbesluit wordt gelijkgesteld met een door de gemeenteraad
vastgesteld voorbereidingsbesluit.
4. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld
in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. De kennisgeving van het ontwerp-besluit en van het besluit
tot aanwijzing geschiedt tevens langs elektronische weg.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gegeven over de vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van
de aanwijzing.
Afdeling 4.2. Algemene regels en aanwijzingen van het rijk
Artikel 4.3
1. Indien nationale belangen
dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken,
kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, op voordracht
van Onze Minister of van Onze Minister wie het aangaat in
overeenstemming met Onze Minister, regels worden gesteld omtrent de
inhoud van bestemmingsplannen en provinciale inpassingsplannen, van
omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste
lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
van het bestemmingsplan of de beheersverordening
wordt afgeweken, alsmede van beheersverordeningen. Daarbij kan worden
bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte
van het land. Bij de vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van
de regels wordt overeenkomstige toepassing gegeven aan de krachtens
artikel 4.1, vierde lid, gestelde regels. De kennisgeving van een
besluit tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur geschiedt
tevens langs elektronische weg.
2. Tenzij bij de algemene maatregel van bestuur een andere
termijn wordt gesteld, stelt de gemeenteraad binnen een jaar na
inwerkingtreding van de maatregel een bestemmingsplan of een
beheersverordening vast met inachtneming van de maatregel.
3. Bij of krachtens een maatregel als bedoeld in het eerste lid
kunnen regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat
in de maatregel begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden
voor de verwezenlijking van het doel van de maatregel zolang geen
bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in het tweede lid in
werking is getreden. Bij de algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan
worden afgeweken van bij die maatregel aan te geven regels.
4. Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat in
overeenstemming met Onze Minister, kan verklaren dat een algemene
maatregel van bestuur wordt voorbereid. Artikel 3.7, tweede, derde,
vierde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing. In de
verklaring kan Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat in
overeenstemming met Onze Minister bepalen dat Onze Minister, in
voorkomend geval gezamenlijk met Onze Minister wie het aangaat, beslist
op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b of g, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht. Het besluit vervalt bij de inwerkingtreding
van de algemene maatregel van bestuur doch uiterlijk na negen maanden.
Bij de vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van het
voorbereidingsbesluit wordt overeenkomstige toepassing gegeven aan de
krachtens artikel 3.7, achtste lid, gestelde regels.
5. De voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp
is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal, in de Staatscourant
en langs elektronische weg is bekendgemaakt en aan een ieder de
gelegenheid is geboden om binnen een bij die bekendmaking te stellen
termijn van ten minste vier weken schriftelijk of langs elektronische
weg opmerkingen over het ontwerp ter kennis van Onze Minister te
brengen.
Artikel 4.4
1. Indien nationale belangen dat met het oog op een goede
ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kan Onze Minister of Onze
Minister wie het aangaat in overeenstemming met Onze Minister:
a. een gemeenteraad een aanwijzing geven binnen een daarbij te
bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig
daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat
bestemmingsplan;
b. provinciale staten een aanwijzing geven binnen een daarbij te
bepalen termijn van ten hoogste zes maanden toepassing te geven aan
artikel 4.1;
c. gedeputeerde staten een aanwijzing geven binnen een daarbij te
bepalen termijn van ten hoogste drie maanden toepassing te geven aan
artikel 4.2.
2. Er wordt niet overgegaan tot toepassing van het eerste lid,
dan na overleg met burgemeester en wethouders onderscheidenlijk
gedeputeerde staten en niet eerder dan vier weken nadat de Tweede Kamer
der Staten-Generaal in kennis is gesteld van het voornemen tot het nemen
van het besluit.
3. Bij de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister of Onze
Minister wie het aangaat in overeenstemming met Onze Minister, tevens
verklaren dat een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid door de
gemeente wordt voorbereid. Artikel 3.7, eerste tot en met zevende lid,
is van overeenkomstige toepassing. Bij de vormgeving en
beschikbaarstelling van het voorbereidingsbesluit wordt overeenkomstige
toepassing gegeven aan de krachtens artikel 3.7, achtste lid, gestelde
regels. Een door Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat in
overeenstemming met Onze Minister vastgesteld voorbereidingsbesluit
wordt gelijkgesteld met een door de gemeenteraad vastgesteld
voorbereidingsbesluit.
4. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld
in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. De kennisgeving van het ontwerp-besluit en van het besluit
tot aanwijzing geschiedt tevens langs elektronische weg.
5. De bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur gegeven
regels, bedoeld in artikel 4.2, vijfde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk 5. Intergemeentelijke samenwerking in stedelijke gebieden
(gereserveerd)
Hoofdstuk 6. Financiële bepalingen
Afdeling 6.1. Tegemoetkoming in schade
Artikel 6.1
1. Burgemeester en wethouders kennen
degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de
waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van
een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming
toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de
aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet
voldoende anderszins is verzekerd.
2. Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is:
a. een bepaling van een bestemmingsplan of inpassingsplan, niet
zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, of van een
beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38;
b. een bepaling van een planwijziging of een planuitwerking,
onderscheidenlijk een nadere eis als bedoeld in artikel 3.6, eerste
lid, onder a, b en d;
c. een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
d. de aanhouding van een besluit omtrent het verlenen van een
omgevingsvergunning ingevolge artikel 3.3, eerste lid, of 3.4 van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
e. een bepaling van een provinciale verordening als bedoeld in
artikel 4.1, derde lid, of van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 4.3, derde lid, voor zover die bepaling een
weigeringsgrond bevat als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder
c, of 2.11, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
f. een bepaling van een exploitatieplan als bedoeld in artikel
6.12, eerste lid, voor zover die bepaling een weigeringsgrond bevat
als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder f, artikel 2.11, derde
lid, of 2.12, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
g. een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 10.4.
3. De aanvraag bevat een motivering, alsmede een onderbouwing van
de hoogte van de gevraagde tegemoetkoming.
4. Een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade ten gevolge van
een oorzaak als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, e, f of g,
moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop de oorzaak,
bedoeld in het eerste lid, onherroepelijk is geworden.
5. Een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade ten gevolge van
een aanhouding als bedoeld in het tweede lid, onder d, kan eerst, en
moet worden ingediend binnen vijf jaar na terinzagelegging van het
vastgestelde bestemmingsplan.
Artikel 6.2
1. Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade
blijft voor rekening van de aanvrager.
2. In ieder geval blijft voor rekening van de aanvrager:
a. van schade in de vorm van een inkomensderving: een gedeelte
gelijk aan twee procent van het inkomen onmiddellijk voor het ontstaan
van de schade;
b. van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een
onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde
van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade,
tenzij de vermindering het gevolg is:
1°. van de bestemming van de tot de
onroerende zaak behorende grond, of
2°. van op de onroerende zaak betrekking
hebbende regels als bedoeld in artikel 3.1.
Artikel 6.3
Met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende
schade betrekken burgemeester en wethouders bij hun beslissing op de
aanvraag in ieder geval:
a. de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak;
b. de mogelijkheden van de aanvrager om de schade te voorkomen of
te beperken.
Artikel 6.4
1. Van de indiener van de aanvraag heffen burgemeester en
wethouders een recht.
2. Burgemeester en wethouders wijzen de indiener van de aanvraag
op de verschuldigdheid van het recht en delen hem mee dat het
verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de
mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de gemeente
dan wel op de aangegeven plaats dient te zijn gestort. Indien het bedrag
niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, verklaren zij de
aanvraag niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden
geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3. Het recht bedraagt € 300,
welk bedrag bij verordening van de gemeenteraad met ten hoogste twee
derde deel kan worden verhoogd of verlaagd.
4. Indien op de aanvraag geheel of ten dele
positief wordt beslist, storten burgemeester en wethouders aan de
indiener het door hem betaalde recht terug.
5. Het in het derde lid genoemde bedrag kan bij algemene
maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover het prijsindexcijfer
van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.
Artikel 6.4a
1. Voor zover schade die op grond van de artikelen 6.1 tot en
met 6.3 voor tegemoetkoming in aanmerking zou komen, haar grondslag
vindt in een besluit op een verzoek om ten behoeve van de
verwezenlijking van een project bepalingen in een bestemmingsplan op
te nemen of te wijzigen dan wel een omgevingsvergunning te verlenen
voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, anders dan bedoeld in
artikel 6.8 of 6.9, kunnen burgemeester en wethouders met de verzoeker
overeenkomen dat die schade geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening
komt.
2. De verzoeker die een overeenkomst als bedoeld in het eerste
lid heeft gesloten, is belanghebbende bij een besluit van burgemeester
en wethouders op een aanvraag om tegemoetkoming op grond van artikel 6.1
terzake van de vaststelling van het bestemmingsplan dan wel de verlening
van de omgevingsvergunning waarom hij heeft verzocht.
3. Degene die een financieel
belang heeft bij de vaststelling van een exploitatiebijdrage, als
bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, of de herberekening daarvan, is
belanghebbende bij een besluit van burgemeester en wethouders op een
aanvraag om tegemoetkoming op grond van artikel 6.1 terzake van de
vaststelling van het bestemmingsplan, de wijziging of de uitwerking, dan
wel terzake van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken indien de tegemoetkoming financiële
gevolgen kan hebben voor de exploitatiebijdrage of de herberekening
daarvan.
Artikel 6.5
Indien burgemeester en wethouders een tegemoetkoming als bedoeld in
artikel 6.1 toekennen, vergoeden burgemeester en wethouders daarbij
tevens:
a. de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere
deskundige bijstand;
b. de wettelijke rente, te rekenen met ingang van de datum van
ontvangst van de aanvraag.
Artikel 6.6
1. Indien provinciale staten
met toepassing van artikel 3.26, eerste lid, een inpassingsplan
vaststellen, of gedeputeerde staten een omgevingsvergunning verlenen
voor een project van provinciaal belang waarbij met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken, treden gedeputeerde staten voor de
toepassing van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels in de
plaats van burgemeester en wethouders.
2. Indien Onze Minister met
toepassing van artikel 3.28, eerste lid, een inpassingsplan vaststelt,
of een omgevingsvergunning verleent voor een project van nationaal
belang waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a,
onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het
bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, treedt hij
voor de toepassing van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels
in de plaats van burgemeester en wethouders.
3. Indien Onze Minister gezamenlijk met
Onze aangewezen Minister een besluit als bedoeld in het tweede lid
neemt, treedt Onze aangewezen Minister voor de toepassing van de bij of
krachtens deze afdeling gestelde regels in de plaats van burgemeester en
wethouders.
4. Bij toepassing van dit
artikel wordt de aanvraag voor een tegemoetkoming in de schade ingediend
bij burgemeester en wethouders. Deze dragen ervoor zorg dat de aanvraag
onverwijld wordt doorgezonden naar het desbetreffende bestuursorgaan dat
op de aanvraag beslist. Het recht, genoemd in artikel 6.4, wordt geïnd
door het beslissend bestuursorgaan; de gemeentelijke verordening,
bedoeld in artikel 6.4, derde lid, is hierop niet van toepassing.
5. Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing op tegemoetkoming in schade ten gevolge van een oorzaak als
bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder e.
Artikel 6.7
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de inrichting en behandeling, en nadere regels omtrent
de indiening, de motivering en de wijze van beoordeling, van een
aanvraag voor een tegemoetkoming in de schade. Die regels kunnen de
verplichting voor de gemeenteraad en provinciale staten inhouden
hieromtrent een verordening vast te stellen.
Afdeling 6.2. Vergoeding van hogere kosten van de gemeente
Artikel 6.8
1. Indien ten behoeve van
belangen, uitsluitend of mede behartigd door een ander openbaar lichaam
dan de gemeente, op schriftelijk verzoek van dat openbare lichaam, dan
wel krachtens wettelijk voorschrift bepalingen in een bestemmingsplan of
inpassingsplan, een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken, zijn
opgenomen die hogere kosten voor de gemeente ten gevolge kunnen hebben
en over de verdeling van deze kosten geen overeenstemming is bereikt,
kunnen gedeputeerde staten op schriftelijk verzoek van burgemeester en
wethouders dat openbare lichaam verplichten om aan de gemeente een
vergoeding toe te kennen, voor zover:
a. de kosten redelijkerwijs niet voor rekening van de gemeente
behoren te blijven,
b. de vergoeding niet voldoende anderszins is verzekerd en
c. de vergoeding niet krachtens wettelijk voorschrift is
uitgesloten.
2. Het besluit op het verzoek van burgemeester en wethouders
wordt genomen nadat het bestemmingsplan, inpassingsplan of de
omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in werking is getreden.
3. In afwijking van het eerste lid wordt het besluit op het
verzoek genomen door Onze Minister dan wel door Onze Minister en Onze
Minister wie het mede aangaat, indien het andere openbare lichaam het
Rijk is.
Artikel 6.9
Artikel 6.8 is van overeenkomstige toepassing indien ten behoeve van
belangen, uitsluitend of mede behartigd door een ander openbaar lichaam
dan de gemeente, op schriftelijk verzoek van dat openbare lichaam een
omgevingsvergunning is verleend waarbij met toepassing van artikel 2.12,
tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tijdelijk van
het bestemmingsplan wordt afgeweken, dan wel ingevolge artikel 3.3,
eerste lid, van die wet is besloten tot aanhouding van de beslissing op
een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouw- of
aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b,
van die wet, met dien verstande dat het verzoek om een kostenvergoeding
slechts kan worden ingediend door burgemeester en wethouders. Het
verzoek kan worden ingediend binnen vier weken nadat de
omgevingsvergunning, dan wel het besluit tot aanhouding, onherroepelijk
is geworden
Afdeling 6.3. Subsidies
Artikel 6.10
1. Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat, in
overeenstemming met Onze Minister, kan ter uitvoering van het
nationaal ruimtelijk beleid subsidies verstrekken ten behoeve van:
a. de ontwikkeling of vaststelling van ruimtelijke visies en
plannen van provincies of gemeenten;
b. de voorbereiding van projecten of activiteiten die voor de
uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid van strategisch belang
zijn;
c. de verwezenlijking van projecten of activiteiten die voor de
uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid van strategisch belang
zijn.
2. Onze Minister kan tevens subsidies verstrekken ten behoeve van
bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3
aangewezen activiteiten ter uitvoering van bij of krachtens die
maatregel gestelde regels.
Artikel 6.11
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gegeven met betrekking tot de wijze van verdeling van de
subsidiegelden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gegeven met betrekking tot:
a. de vaststelling van een subsidieplafond, het tijdvak waarvoor
het subsidieplafond is vastgesteld, alsmede de wijze waarop dit bekend
wordt gemaakt;
b. de subsidieverlening;
c. de gevallen waarin subsidie wordt geweigerd;
d. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
e. de subsidievaststelling;
f. het intrekken of het ten nadele van de subsidie-ontvanger
wijzigen van de subsidie zolang deze niet is vastgesteld;
g. de betaling van de subsidie;
h. het verlenen van voorschotten en de betaling daarvan.
Afdeling 6.4. Grondexploitatie
Artikel 6.12
1. De gemeenteraad stelt een exploitatieplan vast voor gronden
waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is
voorgenomen.
2. In afwijking van het eerste
lid kan de gemeenteraad bij een besluit tot vaststelling van een
bestemmingsplan, een wijziging als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing
van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken besluiten geen exploitatieplan vast
te stellen, in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen of
indien:
a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het
plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is;
b. het bepalen van een tijdvak
of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°,
onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en
c. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als
bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet
noodzakelijk is.
3. Met betrekking tot een omgevingsvergunning als bedoeld in het
tweede lid alsmede bij een besluit tot vaststelling van een
bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, kan de
gemeenteraad de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid,
delegeren aan burgemeester en wethouders.
4. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig bekendgemaakt met het
bestemmingsplan of de wijziging, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
waarop het betrekking heeft. Een beslissing omtrent een exploitatieplan
die betrekking heeft op een omgevingsvergunning wordt tegelijk met die
vergunning bekendgemaakt.
5. De gemeenteraad kan in samenwerking met de raden van
aangrenzende gemeenten een intergemeentelijk exploitatieplan
vaststellen. Burgemeester en wethouders van deze gemeenten leggen het
vastgestelde plan gelijktijdig ter inzage. In afwijking van artikel 3.8,
derde lid, vangt de in dat lid genoemde termijn aan na vaststelling van
het exploitatieplan door alle betrokken gemeenteraden.
Artikel 6.13
1. Een exploitatieplan bevat:
a. een kaart van het exploitatiegebied;
b. een omschrijving van de werken en werkzaamheden voor het
bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van
nutsvoorzieningen, en het inrichten van de openbare ruimte in het
exploitatiegebied;
c. een exploitatieopzet, bestaande uit:
1°. voor zover nodig een raming van de
inbrengwaarden van de gronden, welke inbrengwaarden voor de toepassing
van deze afdeling worden beschouwd als kosten in verband met de
exploitatie van die gronden;
2°. een raming van de andere kosten in
verband met de exploitatie, waaronder een raming van de schade die op
grond van artikel 6.1 voor vergoeding in aanmerking zou komen;
3°. een
raming van de opbrengsten van de exploitatie, alsmede de peildatum van
de onder 1° tot en met 3° bedoelde ramingen;
4°. een tijdvak waarbinnen de exploitatie
van de gronden zal plaatsvinden;
5°. voor zover nodig een fasering van de
uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen, en
zo nodig koppelingen hiertussen;
6°. de wijze van toerekening van de te
verhalen kosten aan de uit te geven gronden.
2. Een exploitatieplan kan bevatten:
a. een kaart waarop het voorgenomen grondgebruik is aangegeven en
de gronden welke de gemeente beoogt te verwerven;
b. eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken
van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen, en het
inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied;
c. regels omtrent het uitvoeren van de onder b bedoelde werken en
werkzaamheden;
d. een uitwerking van de in de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.10,
derde lid, bedoelde regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid;
e. regels met inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan
worden afgeweken van bij het exploitatieplan aan te geven regels.
3. Voor gronden, waarvoor nog een uitwerking als bedoeld in
artikel 3.6, eerste lid, onder b, moet worden vastgesteld, of waarvoor
ingevolge de fasering geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
6.17, eerste lid, kan worden verleend, kunnen de onderdelen van een
exploitatieplan, bedoeld in het eerste en tweede lid, een globale inhoud
hebben.
4. Voor de berekening van de kosten en opbrengsten wordt ervan
uitgegaan dat het exploitatiegebied in zijn geheel in exploitatie zal
worden gebracht.
5. Indien geen sprake is van onteigening wordt de inbrengwaarde
van gronden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de artikelen
40b tot en met 40f van de onteigeningswet. Voor gronden welke onteigend
zijn of waarvoor een onteigeningsbesluit is genomen, of welke op
onteigeningsbasis zijn of worden verworven, is de inbrengwaarde gelijk
aan de schadeloosstelling ingevolge de onteigeningswet.
6. Kosten in verband met werken, werkzaamheden en maatregelen
waarvan het exploitatiegebied of een gedeelte daarvan profijt heeft, en
welke toerekenbaar zijn aan het exploitatieplan worden naar
evenredigheid opgenomen in de exploitatieopzet.
7. Bovenplanse kosten kunnen voor meerdere locaties of gedeeltes
daarvan in de explotatieopzet worden opgenomen in de vorm van een
fondsbijdrage, indien er voor deze locaties of gedeeltes daarvan een
structuurvisie is vastgesteld welke aanwijzingen geeft over de
bestedingen die ten laste van het fonds kunnen komen.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over de exploitatieopzet en de daarin op te nemen
opbrengsten, en de verhaalbare kostensoorten.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de beschikbaarstelling van het exploitatieplan en
nadere regels worden gesteld over:
a. de kaarten, eisen en regels, bedoeld in het eerste en tweede
lid;
b. de manier van opstellen en de berekeningsmethode van de
exploitatieopzet, en
c. kosten, welke deel uitmaken van de exploitatieopzet.
10. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te
stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het
ontwerp is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal, in de
Staatscourant en langs elektronische weg is bekendgemaakt en aan een
ieder de gelegenheid is geboden om binnen een bij die bekendmaking te
stellen termijn van ten minste vier weken schriftelijk opmerkingen over
het ontwerp ter kennis van Onze Minister te brengen.
Artikel 6.14
1. Op de voorbereiding van een exploitatieplan is afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande
dat de kennisgeving tevens geschiedt aan degenen die in de kadastrale
registratie staan vermeld als eigenaar van gronden in het
exploitatiegebied en voorts langs elektronische weg geschiedt.
2. Burgemeester en wethouders delen binnen vier weken nadat een
exploitatieplan is vastgesteld, de eigenaren van de gronden in het
exploitatiegebied schriftelijk mede dat een exploitatieplan is
vastgesteld. Zij doen tevens mededeling van de terinzagelegging en de
termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld en voorts geschiedt de
kennisgeving langs elektronische weg. In afwijking van artikel 3:1,
eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zijn op een
besluit tot vaststelling van een exploitatieplan de artikelen 3:40,
3:42, 3:43, 3:44 en 3:45 en afdeling 3.7 van die wet van toepassing.
Artikel 6.15
1. Een exploitatieplan wordt na inwerkingtreding ten minste
eenmaal per jaar herzien totdat de in dat exploitatieplan voorziene
werken, werkzaamheden en bouwwerken zijn gerealiseerd. Indien tegen
een exploitatieplan beroep is ingesteld, vangt de termijn aan op de
dag nadat een beslissing omtrent het exploitatieplan onherroepelijk is
geworden.
2. Een uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onder b, dat gronden bevat waarvoor in het exploitatieplan een globale
omschrijving is vastgesteld, treedt niet in werking voordat een
herziening van het exploitatieplan met betrekking tot de desbetreffende
gronden is vastgesteld en bekendgemaakt.
3. Bij een herziening van een exploitatieplan is artikel 6.14,
eerste lid, niet van toepassing en kan de mededeling, bedoeld in artikel
6.14, tweede lid, achterwege blijven voor zover de herziening
uitsluitend betrekking heeft op:
a. een uitwerking en detaillering van de ramingen van kosten en
opbrengsten;
b. een aanpassing van deze ramingen met inachtneming van de in het
exploitatieplan aangegeven methoden van indexering;
c. een vervanging van de ramingen van de kosten door gerealiseerde
kosten, of
d. andere niet-structurele onderdelen.
Artikel 6.16
Indien in een exploitatieplan het bedrag van de aan de exploitatie
verbonden kosten, verminderd met de door de gemeente in verband met die
exploitatie ontvangen of te ontvangen subsidies en bijdragen van derden,
hoger is dan het in het exploitatieplan opgenomen bedrag van de
opbrengsten van die exploitatie, kan de gemeente die kosten slechts
verhalen tot maximaal het bedrag van die opbrengsten.
Artikel 6.17
1. Burgemeester en wethouders verhalen de kosten, verbonden aan
exploitatie van de gronden gelegen in een exploitatiegebied, door aan
een omgevingsvergunning voor een bouwplan dat krachtens artikel 6.12,
eerste lid, is aangewezen, of een omgevingsvergunning voor een
gedeelte daarvan, met inachtneming van het exploitatieplan het
voorschrift te verbinden dat de vergunninghouder een
exploitatiebijdrage aan de gemeente verschuldigd is, tenzij de
bijdrage anderszins verzekerd is of voorafgaand aan de indiening van
de bouwaanvraag een exploitatiebijdrage met betrekking tot de
betreffende gronden overeengekomen en verzekerd is.
2. Burgemeester en wethouders stellen bij de omgevingsvergunning
een termijn waarbinnen de in het eerste lid bedoelde exploitatiebijdrage
dient te worden betaald. Zij kunnen met betrekking tot deze bijdrage in
de omgevingsvergunning een betalingsregeling opnemen, welke afhankelijk
kan worden gesteld van de uitvoering van werken en bouwwerken, bedoeld
in het exploitatieplan. Indien de betalingsregeling inhoudt dat gehele
of gedeeltelijke betaling na de start van de bouw plaatsvindt, kunnen
burgemeester en wethouders van de vergunninghouder aanvullende
zekerheden met betrekking tot de betaling eisen. Hierover kunnen bij
algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
Artikel 6.18
1. Ten behoeve van het
bepalen van de exploitatiebijdrage, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid,
worden in het exploitatieplan uitgiftecategorieën vastgesteld. Zo nodig
wordt daarbinnen een verder onderscheid aangebracht.
2. Per onderscheiden categorie wordt een
basiseenheid vastgesteld in een hoeveelheid vierkante meters
grondoppervlakte, een hoeveelheid vierkante meters vloeroppervlakte, of
een andere hiermee vergelijkbare maatstaf.
3. Door elke basiseenheid te vermenigvuldigen met een per
categorie vastgestelde gewichtsfactor worden gewogen eenheden
vastgesteld.
4. De gewogen eenheden in het exploitatiegebied worden bij elkaar
opgeteld.
5. Het verhaalbare bedrag per gewogen eenheid is het ten hoogste
verhaalbare bedrag, bedoeld in artikel 6.16, gedeeld door het
overeenkomstig het vierde lid berekende aantal.
Artikel 6.19
De per omgevingsvergunning verschuldigde exploitatiebijdrage, bedoeld
in artikel 6.17, eerste lid, wordt berekend door het aantal gewogen
eenheden en gedeeltes van eenheden, dat in het exploitatieplan is
toegedeeld aan de in de vergunningaanvraag bedoelde gronden, dan wel
indien dat tot een hoger aantal leidt, het aantal gewogen eenheden dat
is opgenomen in de vergunningaanvraag, te vermenigvuldigen met het
verhaalbare bedrag per gewogen eenheid en dit bedrag te verminderen met:
a. de inbrengwaarde van de in de vergunningaanvraag bedoelde
gronden, geraamd overeenkomstig de artikelen 40b tot en met 40f van
de onteigeningswet voor zover deze niet volgens het exploitatieplan
buiten het kostenverhaal blijven;
b. de kosten die in verband met de exploitatie van de betreffende
gronden door de aanvrager zijn gemaakt, welke kosten voor de
berekening van het te verhalen bedrag niet hoger kunnen zijn dan de
raming van die kosten in het exploitatieplan.
Artikel 6.20
1. Binnen drie maanden na uitvoering van de in een
exploitatieplan voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen stellen
burgemeester en wethouders een afrekening van dat exploitatieplan
vast.
2. Bij de afrekening worden de betaalde exploitatiebijdragen,
bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, herberekend op grond van de totale
kosten en het totale aantal gewogen eenheden in het exploitatiegebied.
De basiseenheden en gewichtsfactoren, bedoeld in artikel 6.18, tweede en
derde lid, die zijn toegepast bij de berekening van een betaalde
exploitatiebijdrage, worden ook toegepast bij de herberekening.
3. Indien een herberekende exploitatiebijdrage meer dan vijf
procent lager is dan een betaalde exploitatiebijdrage, betaalt de
gemeente binnen een maand na vaststelling van de afrekening het
verschil, voor zover het groter is dan vijf procent, naar evenredigheid
terug met rente aan degene die ten tijde van de betaling van de
bijdrage, of een gedeelte daarvan, houder was van de desbetreffende
omgevingsvergunning, of diens rechtsopvolger.
4. Indien ten minste negentig procent van de in het
exploitatieplan begrote kosten is gerealiseerd, wordt op verzoek van
degene die ten tijde van betaling van een exploitatiebijdrage als
bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, houder was van de desbetreffende
omgevingsvergunning, of diens rechtsopvolger, met betrekking tot de
desbetreffende exploitatiebijdrage een afrekening opgesteld en gevolg
gegeven aan het derde lid.
5. Tegen een besluit omtrent de afrekening en de herberekende
exploitatiebijdrage kan beroep worden ingesteld.
Artikel 6.21
1. Burgemeester en wethouders kunnen terstond na het
overschrijden van de termijn van betaling van een gedeelte of het
geheel van de exploitatiebijdrage, bedoeld in artikel 6.17, eerste
lid, besluiten dat het bouwen niet kan aanvangen of moet worden
gestaakt totdat aan de betalingsverplichtingen is voldaan. Zij stellen
de termijn, bedoeld in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht,
op ten hoogste vier weken.
2. Burgemeester en wethouders kunnen na verloop van een maand na
het verstrijken van een betalingstermijn bij dwangbevel het
verschuldigde bedrag, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met de op de
invordering vallende kosten, invorderen. Artikel 5:26, tweede tot en met
vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
3. Indien niet binnen drie maanden na het besluit, bedoeld in het
eerste lid, de desbetreffende bijdrage door de gemeente is ontvangen,
kunnen burgemeester en wethouders de omgevingsvergunning geheel of
gedeeltelijk intrekken.
Artikel 6.22
1. Een gemeente verstrekt
een aan de vergunninghouder verschuldigde financiële bijdrage indien de
prestaties waaraan die bijdrage is gerelateerd, overeenkomstig het
exploitatieplan zijn verricht en een verzoek tot betaling bij de
gemeente is ingediend.
2. Op het verstrekken van een bijdrage als
bedoeld in het eerste lid is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing.
Artikel 6.23
De gemeenteraad kan met betrekking tot de grondexploitatie een
verordening vaststellen, welke bepalingen kan bevatten met betrekking
tot de procedure voor het totstandkomen van een overeenkomst over
grondexploitatie en de inhoud daarvan.
Artikel 6.24
1. Bij het aangaan van een overeenkomst over grondexploitatie
kunnen burgemeester en wethouders in de overeenkomst bepalingen
opnemen inzake:
a. financiële bijdragen aan de
grondexploitatie alsmede op basis van een vastgestelde structuurvisie,
aan ruimtelijke ontwikkelingen;
b. verrekening van schade die op grond van artikel 6.1 voor
vergoeding in aanmerking zou komen.
2. Na vaststelling van een exploitatieplan nemen burgemeester en
wethouders bij het aangaan van een overeenkomst over grondexploitatie
het exploitatieplan in acht, met dien verstande dat de overeenkomst
bepalingen kan bevatten over de uitwerking van onderwerpen uit het
exploitatieplan, maar geen bepalingen kan bevatten over onderwerpen
welke deel kunnen uitmaken van een exploitatieplan, maar daarin niet
zijn opgenomen.
3. Van de overeenkomst wordt binnen twee weken na het sluiten
daarvan door burgemeester en wethouders kennis gegeven in een van
gemeentewege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.
4. Artikel 6.4a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van degene die een overeenkomst heeft gesloten over
grondexploitatie waarin een regeling van verhaal van planschade is
opgenomen.
Artikel 6.25
1. Indien provinciale staten
met toepassing van artikel 3.26, eerste lid, een inpassingsplan
vaststellen, of gedeputeerde staten een omgevingsvergunning verlenen
voor een project van provinciaal belang waarbij met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken, treden, vanaf de terinzagelegging in
ontwerp van het plan of de vergunning provinciale staten voor de
toepassing van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels in de
plaats van de gemeenteraad en gedeputeerde staten in de plaats van
burgemeester en wethouders en wordt in plaats van «gemeente» telkens
gelezen: provincie.
2. Indien Onze Minister met
toepassing van artikel 3.28, eerste lid, een inpassingsplan vaststelt,
of een omgevingsvergunning verleent voor een project van nationaal
belang waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a,
onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het
bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, treedt hij,
vanaf de terinzagelegging in ontwerp van het plan of de vergunning voor
de toepassing van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels in
de plaats van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders en wordt
in plaats van «de gemeente» of «een gemeente» telkens gelezen: het
Rijk.
3. Indien Onze Minister, in voorkomend
geval gezamenlijk met Onze aangewezen Minister, met toepassing van
artikel 3.35 een inpassingsplan vaststelt, of een omgevingsvergunning
verleent als bedoeld in het tweede lid, treedt, vanaf de
terinzagelegging in ontwerp van het plan of de vergunning Onze Minister,
in voorkomend geval gezamenlijk met Onze aangewezen Minister, voor de
toepassing van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels in de
plaats van de gemeenteraad en Onze Minister of Onze aangewezen Minister
in de plaats van burgemeester en wethouders en wordt in plaats van
«de gemeente» of «een gemeente» telkens gelezen: het Rijk.
4. Indien, in andere gevallen dan bedoeld
in het eerste tot en met het derde lid, de omgevingsvergunning, bedoeld
in artikel 6.17, door een ander orgaan dan burgemeester en wethouders
wordt verleend, treedt dat orgaan voor de toepassing van de artikelen
6.17 en 6.21, derde lid, in de plaats van burgemeester en wethouders.
Hoofdstuk 7. Handhaving en toezicht op de uitvoering
Artikel 7.1
1. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de
bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze
wet.
2. Het in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht bedoelde bestuursorgaan heeft tot taak zorg te dragen
voor bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van het bepaalde bij
of krachtens deze wet voor degene die het project, bedoeld in dat lid,
uitvoert, geldende voorschriften.
3. Met betrekking tot de handhaving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn de artikelen 5.3 tot en met 5.25 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
Artikel 7.2
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met:
a. een voorbereidingsbesluit of een verklaring als bedoeld in
artikel 4.1, vijfde lid, of 4.3, vierde lid, voor zover hierbij
toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, maar geen
toepassing is gegeven aan de tweede volzin van dat lid;
b. regels die zijn gesteld krachtens deze wet voor zover de
overtreding daarvan is aangemerkt als strafbaar feit en voor zover
daarop artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
niet van toepassing is.
Artikel 7.3 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 7.4 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 7.5 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 7.6 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 7.7 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 7.8 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 7.9 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 7.10 [Vervallen per 01-10-2010]
Hoofdstuk 8. Bezwaar en beroep
Afdeling 8.1. Bezwaar en beroep
Artikel 8.1
Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op:
a. een besluit op een verzoek om een kostenvergoeding als bedoeld
in artikel 6.8 of 6.9;
b. een besluit omtrent herziening van een exploitatieplan, dat
niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht, een besluit omtrent de afrekening en herberekende
exploitatiebijdragen van een exploitatieplan alsmede een besluit om
geen exploitatieplan vast te stellen als bedoeld in artikel 6.12,
tweede lid;
c. een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid,
of artikel 3.26, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, zesde
lid.
Artikel 8.2
1. Een belanghebbende kan bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State beroep instellen tegen:
a. een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan,
inpassingsplan of een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel
10.3, eerste lid;
b. een besluit als bedoeld in artikel 3.1, derde lid;
c. een besluit omtrent wijziging of uitwerking van een
bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.6, eerste lid;
d. een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, of
artikel 3.26, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, zesde lid;
e. besluiten als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder a of b,
3.33, eerste lid, onder a of b, of 3.35, eerste lid;
f. een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, of
artikel 4.4, eerste lid, voor zover deze betrekking heeft op een
daarbij concreet aangegeven locatie, waarvan geen afwijking mogelijk
is;
g. een besluit op een verzoek om een kostenvergoeding als bedoeld
in artikel 6.8 of 6.9;
h. een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor
gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan,
inpassingsplan of wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste
lid, alsmede herzieningen van het desbetreffende exploitatieplan en
besluiten omtrent de afrekening en herberekende exploitatiebijdragen
van het desbetreffende exploitatieplan.
2. Bij een beroep tegen een besluit als bedoeld in het eerste
lid, onder a, kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking
hebben op een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onder f, waarop
dat besluit berust.
3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist
op een beroep als bedoeld in het eerste lid, onder a, b, c, d, g of h
binnen twaalf maanden na afloop van de beroepstermijn.
4. Indien het beroep een bestemmingsplan betreft ter uitvoering
waarvan een verzoek tot onteigening is gedaan als bedoeld in artikel 78
van de onteigeningswet, dan wel een bestemmingsplan waarin ingevolge
artikel 3.4 onderdelen zijn aangewezen ten aanzien waarvan de
verwezenlijking in de naaste toekomst nodig wordt geacht, wordt het
beroep behandeld voor andere ingestelde beroepen als bedoeld in het
derde lid.
5. Als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in de artikelen
6.12, eerste en tweede lid, en 6.15, eerste lid, wordt in elk geval
aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten
met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden,
of die eigenaar is van die gronden.
Artikel 8.3
1. Voor de mogelijkheid van
beroep worden als één besluit aangemerkt:
a. indien toepassing is gegeven aan artikel 3.30, eerste lid, onder
a, 3.33, eerste lid, onder a, of 3.35, eerste lid, onder b, de
daarbedoelde besluiten;
b. indien toepassing is gegeven
aan artikel 3.30, eerste lid, onder b, 3.33, eerste lid, onder b, of
3.35, eerste lid, onder c, het besluit omtrent vaststelling van het
daarbedoelde bestemmingsplan of inpassingsplan, wijzigings- of
uitwerkingsplan dan wel de omgevingsvergunning en de daarbedoelde
besluiten,
voor zover deze besluiten met toepassing van artikel 3.32
gelijktijdig bekend zijn gemaakt.
2. De bevoegde rechter beslist op een beroep als bedoeld in het
eerste lid binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift.
3. Voor de mogelijkheid van
beroep en de behandeling van en uitspraak op een beroep worden als één
besluit aangemerkt de gelijktijdig bekendgemaakte besluiten omtrent
vaststelling van een exploitatieplan en de vaststelling van een
bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan of
de verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken.
Artikel 8.4
Indien gedurende de beroepstermijn met betrekking tot een besluit tot
vaststelling van een bestemmingsplan of inpassingsplan of van een
wijziging of uitwerking hiervan dan wel van een rijksbestemmingsplan bij
de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de werking van
het besluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist. Bij de
toewijzing van het verzoek geeft de voorzitter aan op welke onderdelen
van het bestemmingsplan of inpassingsplan of van de wijziging of
uitwerking hiervan de voorlopige voorziening betrekking heeft.
Artikel 8.4a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De gemeenteraad is bevoegd om hangende het beroep tegen het
bestemmingsplan, een besluit tot wijziging van dat bestemmingsplan
vast te stellen.
2. In afwijking van artikel 3.8, eerste lid, is op het besluit,
bedoeld in het eerste lid, afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing, indien het een wijziging van
ondergeschikte aard betreft. Het wijzigingsbesluit, bedoeld in het
eerste lid, wordt vastgesteld uiterlijk tien dagen voor de zitting, die
plaatsvindt ten behoeve van de beoordeling van het bestreden besluit.
3. Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing op het besluit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8.4b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Indien de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
van oordeel is dat het beroep tegen het bestemmingsplan gegrond is,
kan zij een tussenuitspraak doen, waarbij zij de gemeenteraad in de
gelegenheid stelt om de gebreken weg te nemen.
2. In haar tussenuitspraak stelt de Afdeling vast in welk opzicht
het beroep gegrond is. Afdeling 8.2.6, met uitzondering van artikel
8:72, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing. De Afdeling vermeldt een termijn binnen
welke de gebreken moeten zijn weggenomen. De Afdeling kan door middel
van een wijziging van de tussenuitspraak de termijn op verzoek van de
gemeenteraad verlengen.
3. Indien de gemeenteraad aangeeft geen gebruik te willen maken
van de gelegenheid om de gebreken weg te nemen dan wel de termijn die
daarvoor geldt, laat verstrijken, wordt het onderzoek geacht te zijn
gesloten op de dag van ontvangst van de mededeling van de gemeenteraad
dan wel op de dag dat de bedoelde termijn is verstreken.
4. De gemeenteraad stelt de Afdeling schriftelijk in kennis van
de wijze waarop de gebreken zijn weggenomen.
5. De Afdeling stelt de andere partijen in de gelegenheid binnen
een door haar te stellen termijn schriftelijk te reageren op de
kennisgeving, bedoeld in het vierde lid.
6. Indien de Afdeling een onderzoek ter zitting nodig acht, deelt
zij dit zo spoedig mogelijk aan partijen mede.
Artikel 8.4c [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De artikelen 8.4a tot en met 8.4b zijn van overeenkomstige toepassing
op een besluit tot vaststelling van een inpassingsplan.
Artikel 8.4d [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De artikelen 8.4a tot en
met 8.4b zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot
wijziging of uitwerking van het bestemmingsplan met dien verstande dat
in plaats van «artikel 3.8, eerste lid» wordt gelezen «artikel 3.6,
vijfde lid».
2. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing op een wijzigings- of uitwerkingsplan van gedeputeerde staten
of Onze Minister.
Artikel 8.4e [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De artikelen 8.4a tot en met 8.4b zijn van overeenkomstige
toepassing op een projectbesluit met dien verstande dat:
a. in plaats van «artikel 3.8,
eerste lid» wordt gelezen «artikel 3.11, eerste lid»;
b. in plaats van «de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State» en «de Afdeling» telkens
wordt gelezen «de bevoegde rechter in eerste instantie».
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een
projectbesluit van provinciale staten of Onze Minister dan wel Onze
Minister wie het aangaat in overeenstemming met Onze Minister.
Artikel 8.4f [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.30, eerste lid, onder
b, 3.33, eerste lid, onder b, of 3.35, eerste lid, onder b, zijn de
artikelen 8.4a en 8.4b van overeenkomstige toepassing op de besluiten,
bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder a, 3.33, eerste lid, onder a,
onderscheidenlijk 3.35, eerste lid, onder a, met dien verstande dat:
a. in plaats van «de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State» en «de Afdeling»
telkens wordt gelezen «de bevoegde rechter in eerste instantie»;
b. in plaats van «de
gemeenteraad» telkens wordt gelezen «het bevoegde bestuursorgaan»;
c. in plaats van «besluit tot
vaststelling van een bestemmingsplan» telkens wordt gelezen «het
bestreden besluit».
Afdeling 8.2. Advisering inzake beroepen
Artikel 8.5
1. Onze Minister kan namens de Staat tot oprichting overgaan
van een stichting die tot doel heeft de taak te verrichten, bedoeld in
artikel 8.6.
2. Wijziging van de statuten van de stichting of ontbinding van
de stichting behoeft de instemming van Onze Minister. Alvorens te
beslissen over de toestemming hoort Onze Minister de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3. De statuten waarborgen dat de stichting haar werkzaamheden
onpartijdig en onafhankelijk verricht.
Artikel 8.6
De stichting heeft tot taak aan de administratieve rechter op diens
verzoek deskundigenbericht uit te brengen inzake beroepen op grond van
deze wet. Op verzoek van de administratieve rechter brengt de stichting
tevens deskundigenbericht uit inzake beroepen op grond van andere wetten
voor zover het onderwerpen betreft die samenhangen met de ruimtelijke
ordening.
Artikel 8.7
De personen die deel uitmaken van de organen van de stichting en het
personeel van de stichting vervullen geen functies en betrekkingen
waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de handhaving van de
onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de stichting dan wel het
vertrouwen daarin.
Artikel 8.8
1. Indien met toepassing van artikel 8.5 een stichting is
opgericht, verstrekt Onze Minister aan de stichting een subsidie
overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen voorschriften, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is
voor een goede taakuitoefening.
2. Artikel 8:36, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is
niet van toepassing.
Hoofdstuk 9. Planologische organen
Afdeling 9.1. Planologische commissies
Artikel 9.1
1. Er is in elke provincie
een provinciale planologische commissie ten behoeve van het overleg over
en de coördinatie van zaken betreffende provinciaal ruimtelijk beleid.
2. Bij provinciale verordening worden
regels gesteld omtrent de benoeming, samenstelling, taak en werkwijze
van de commissie.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld terzake van de verordening, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 9.2 [Vervallen per 01-07-2008]
Afdeling 9.2. Ruimtelijk planbureau [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Artikel 9.3 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Er is een Ruimtelijk planbureau, dat ressorteert onder Onze
Minister.
2. Het planbureau heeft tot taak:
a. het verkennen en signaleren van ruimtelijk relevante
maatschappelijke ontwikkelingen;
b. het maken van prognoses van de behoefte aan en het gebruik van
de in Nederland beschikbare ruimte en van toekomstverkenningen met
betrekking tot die onderwerpen;
c. het monitoren en analyseren van ruimtelijke ontwikkelingen;
d. het analyseren van ruimtelijk relevant beleid en van
besluitvormingsprocessen met betrekking tot dat beleid;
e. het ontwikkelen van
beleidsvarianten en scenario's.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent de taak van het planbureau en worden regels
gesteld omtrent de inrichting en werkwijze van het planbureau.
Artikel 9.4 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Er is een Begeleidingscollege dat het wetenschappelijk
niveau van het Ruimtelijk planbureau bewaakt.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent de taak van het begeleidingscollege en worden
regels gesteld omtrent de inrichting, samenstelling en werkwijze van het
college.
Hoofdstuk 10. Slotbepalingen
Artikel 10.1
1. Burgemeester en wethouders en Onze Minister maken jaarlijks
hun voornemens bekend met betrekking tot de wijze waarop in het
komende jaar uitvoering zal worden gegeven aan de bestuursrechtelijke
handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
2. Burgemeester en wethouders en Onze Minister doen jaarlijks
verslag aan de gemeenteraad onderscheidenlijk de Staten-Generaal van de
wijze waarop in het voorafgaande jaar uitvoering is gegeven aan de
bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze
wet, alsmede van het door hen gevoerde beleid bij de uitvoering van de
hoofdstukken 3, 3a en 4 alsmede de verlening van omgevingsvergunningen
voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c
en g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Gedeputeerde staten
doen jaarlijks verslag aan provinciale staten van het door hen gevoerde
beleid bij de uitvoering van de laatstgenoemde hoofdstukken.
Burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten zenden gelijktijdig
met de aanbieding van het verslag aan de gemeenteraad, onderscheidenlijk
provinciale staten een afschrift ervan aan de inspecteur.
Artikel 10.2
1. Onderstaande personen, niet zijnde toezichthouders, hebben
in de hierna genoemde gebieden toegang tot alle terreinen en gebouwen,
niet zijnde woningen, voor zover dat redelijkerwijs voor de uitvoering
van deze wet nodig is:
a. in het gehele land: de door Onze Minister aan te wijzen
personen;
b. in een provincie: de door de Commissaris van de Koning aan te
wijzen personen;
c. in een gemeente: de burgemeester en de door hem aan te wijzen
personen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven
dat ten aanzien van bepaalde terreinen of gebouwen de in het eerste lid
bedoelde bevoegdheid slechts wordt uitgeoefend door bepaalde van de in
het eerste lid genoemde personen.
3. De in het eerste lid bedoelde personen verschaffen zich zo
nodig toegang met behulp van de sterke arm.
Artikel 10.3
1. Ten aanzien van gronden die geen deel uitmaken van het
grondgebied van een gemeente of een provincie kan, voor zover zulks
bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister
gezamenlijk met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, is bepaald,
een rijksbestemmingsplan worden vastgesteld.
2. Op het
rijksbestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, zijn van hoofdstuk 3 de
afdelingen 3.1, 3.2, met uitzondering van artikel 3.8, vierde en zesde
lid, afdeling 3.3 en § 3.6.1 en afdeling 3.7 waar mogelijk van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de
plaats treedt van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders.
3. Bij de maatregel, bedoeld in het eerste
lid, kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de bestuursorganen die
de in deze wet vervatte bevoegdheden uitoefenen en ten aanzien van de
bij die uitvoering te betrekken bestuursorganen.
Artikel 10.4
1. Bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister en
Onze Minister wie het mede aangaat, kan worden bepaald dat deze wet
niet van toepassing is op een bij dat besluit aan te wijzen werk of
werkzaamheid ten behoeve van de landsverdediging.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de vormgeving van elektronisch beschikbaar gestelde
informatie over het besluit.
Artikel 10.5
Alle stukken opgemaakt ter verkrijging van de beschikking door de
gemeente, de provincie en het Rijk over onroerende zaken teneinde
uitvoering te kunnen geven aan een bestemmingsplan, zijn vrij van kosten
van legalisatie en griffiekosten.
Artikel 10.6
De kosten van de gemeente of de provincie, voortvloeiende uit de
medewerking aan de uitvoering van deze wet, zijn uitgaven als bedoeld in
artikel 193 van de Gemeentewet onderscheidenlijk artikel 197 van de
Provinciewet. Artikel 194 van de Gemeentewet onderscheidenlijk artikel
198 van de Provinciewet is van toepassing.
Artikel 10.7
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften
worden gegeven met het oog op de nakoming van voor Nederland verbindende
internationale verplichtingen die betrekking hebben op of samenhangen
met onderwerpen waarin bij of krachtens deze wet is voorzien.
Artikel 10.8
1. Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van
een goede uitvoering van deze wet nadere regeling behoeven, kan deze
geschieden bij algemene maatregel van bestuur.
2. De voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp
is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal, in de Staatscourant
en langs elektronische weg is bekendgemaakt en aan een ieder de
gelegenheid is geboden om binnen een bij die bekendmaking te stellen
termijn van ten minste vier weken schriftelijk opmerkingen over het
ontwerp ter kennis van Onze Minister te brengen.
Artikel 10.9
Een in deze wet voorziene algemene maatregel van bestuur wordt, nadat
zij is vastgesteld, toegezonden aan beide kamers der Staten-Generaal.
Zij treedt niet eerder in werking dan met ingang van de eerste dag van
de tweede kalendermaand na de dagtekening van het Staatsblad waarin zij
wordt geplaatst.
Artikel 10.10
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan
de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
van deze wet in de praktijk.
Artikel 10.11
Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de nummering
en lettering van de afdelingen, paragrafen, artikelen en onderdelen van
artikelen van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet
voorkomende aanhalingen daarvan met de nieuwe nummering en lettering in
overeenstemming.
Artikel 10.12
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.
Artikel 10.13
Deze wet wordt aangehaald als: Wet ruimtelijke ordening.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 20 oktober 2006
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
P. Winsemius
Uitgegeven de achtentwintigste november 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|