| |
|
|
|
|
vorige
ALGEMENE
DOUANEWET (Adw)
Tekst zoals deze geldt op
14 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Algemeen douanebesluit
- Algemene douaneregeling
- Besluit strategische goederen
WET van 3 april 2008 tot algehele herziening van de
douanewetgeving (Algemene douanewet)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
ter verbetering van de doelmatigheid, ter verhoging van de
inzichtelijkheid en ter vereenvoudiging van de wetgeving inzake het
douanetoezicht op dan wel de douanecontrole van goederen en
goederenverkeer in ruime zin, wenselijk is regels, welke ten aanzien van
douanetoezicht en douanecontrole gemeen zijn, in een algemene wet samen
te vatten, mede in verband met de op douanetoezicht en douanecontrole
betrekking hebbende internationale afspraken of besluiten van
volkenrechtelijke organisaties;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Afdeling 1.1. Toepassingsgebied en
basisdefinities
Artikel 1:1
1. De bepalingen bij of krachtens deze
wet vormen de nationale bepalingen ter uitvoering van:
a. het Communautair douanewetboek,
de ter uitvoering daarvan vastgestelde communautaire bepalingen,
en
b. andersluidende bepalingen, die
uit autonome communautaire maatregelen als bedoeld in het
Communautair douanewetboek, voortvloeien.
2. De bepalingen bij of krachtens deze
wet strekken mede ten behoeve van de nakoming van verplichtingen die
voortvloeien uit:
a. interregionaal recht,
b. het Koninkrijk verbindende
verdragen en
c. in al hun onderdelen verbindende
besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke
organisaties, voorzover deze verplichtingen betrekking hebben op
het douanetoezicht op, dan wel op de douanecontrole van, goederen
en het goederenverkeer en voorts onderwerpen betreffen die vallen
onder de reikwijdte van een of meer regelingen als bedoeld in de
bijlage bij deze wet.
3. De bepalingen bij of krachtens deze
wet strekken mede ten behoeve van de nakoming van verplichtingen die
voortvloeien uit regelingen van internationaal recht tot het verlenen
van wederzijdse administratieve bijstand inzake goederen en
goederenverkeer.
4. De bepalingen bij of krachtens deze
wet strekken mede tot uitvoering van gemeenschappelijke optredens,
gemeenschappelijke standpunten, kaderbesluiten, besluiten en
overeenkomsten die zijn aangenomen dan wel vastgesteld door de Raad
van de Europese Unie, voorzover deze betrekking hebben op goederen en
goederenverkeer en voorts onderwerpen betreffen die vallen onder de
reikwijdte van een of meer regelingen als bedoeld in de bijlage bij
deze wet.
5. De bepalingen bij of krachtens deze
wet strekken mede ter handhaving van verboden of beperkingen die op
goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van, het
douanegebied van de Gemeenschap dan wel de gebieden, bedoeld inartikel
1:2, of bij het kiezen van een douanebestemming van toepassing zijn of
zouden zijn bij of krachtens een communautair of ander wettelijk
voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij deze wet.
6. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen wijzigingen worden aangebracht in de bijlage bij deze wet.
Artikel 1:2
Deze wet is van toepassing op het
grondgebied van Nederland met inbegrip van zijn luchtruim, zijn
maritieme binnenwateren en territoriale zee, en elk gebied buiten deze
territoriale zee waarin Nederland, in overeenstemming met het
internationale recht, jurisdictie of soevereine rechten uitoefent met
betrekking tot de zeebodem, de ondergrond daarvan, het bovenliggende
water en luchtruim.
Artikel 1:3
1. In aanvulling op de
begripsbepalingen van het Communautair douanewetboek, de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek en andere
communautaire bepalingen wordt verstaan onder:
a. Communautair douanewetboek:
verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het
communautair douanewetboek (PbEG L 302);
b. toepassingsverordening
Communautair douanewetboek:verordening (EEG) nr. 2454/93 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 juli 1993 houdende
vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening
(EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair
douanewetboek (PbEG L 253);
c. inspecteur of ontvanger:
functionaris die met de toepassing van deze wet is belast en als
zodanig bij regeling van Onze Minister van Financiën, in
voorkomend geval, in overeenstemming met Onze Minister wie het
mede aangaat, is aangewezen;
d. douaneautoriteiten, bevoegde
autoriteiten of douanediensten van de lidstaten: de inspecteur of
ontvanger;
e. goederen: alle zaken die kunnen
worden ingedeeld in het douanetarief;
f. rechten bij invoer: zowel
rechten bij invoer als invoerrechten;
g. verzoeker: aanvrager, bedoeld in
de Algemene wet bestuursrecht.
2. Bij de regeling, bedoeld in het
eerste lid, onder c, kan de aanwijzing tot inspecteur dan wel
ontvanger worden beperkt tot een bepaalde locatie dan wel taak en
kunnen bevoegdheden worden uitgezonderd.
3. Wanneer de regeling, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, een aanwijzing betreft van een functionaris
die niet ressorteert onder de rijksbelastingdienst, is in elk geval
uitgezonderd:
a. indien het een aanwijzing
betreft ter zake van taken in het kader van de Wet tot behoud van
cultuurbezit of de Wet vervoer over zee, de bevoegdheden, bedoeld
in de artikelen 1:30, 1:36en 1:37;
b. indien het een aanwijzing
betreft ter zake van andere taken dan bedoeld in onderdeel a, de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:26, 1:28, 1:30, 1:36
en1:37;
c. de bevoegdheid, bedoeld
inartikel 1:23, indien de plaats een woning betreft.
4. Het derde lid, onderdeel c, is niet
van toepassing indien het betreft een controle ter zake van de
Kernenergiewet, de Prijzennoodwet, de Uitvoeringswet verdrag chemische
wapens, de Waarborgwet 1986, de Destructiewet, de
Diergeneesmiddelenwet, de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de
Kaderwet diervoeders, de Wet tot behoud van cultuurbezit, de Waterwet,
de Wet vervoer over zee, de Zeevaartbemanningswet, de Wet voorkoming
verontreiniging door schepen, de Warenwet, de Wet geluidhinder en de
Wet milieubeheer.
5. Onze Minister van Financiën sluit
met Onze Ministers wie het mede aangaat convenanten aangaande de
kwantitatieve en kwalitatieve inzet van de functionarissen die
ressorteren onder de rijksbelastingdienst met betrekking tot de
douanecontrole van het bepaalde bij of krachtens een communautair of
ander wettelijk voorschrift dat is opgenomen in debijlage bij deze
wet.
6. Hetgeen in deze wet en de daarop
rustende bepalingen is bepaald ten aanzien van de rechten bij invoer,
is van overeenkomstige toepassing op de rechten bij uitvoer, tenzij
anders is bepaald.
7. Indien in het Communautair
douanewetboek dan wel de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek bevoegdheden zijn opgedragen aan de lidstaten worden die
bevoegdheden uitgeoefend door de inspecteur onderscheidenlijk de
ontvanger. Hiervan kan worden afgeweken bij of krachtens deze wet.
Artikel 1:4
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen, ter uitwerking van interregionaal recht, het
Koninkrijk verbindende verdragen en in al hun onderdelen verbindende
besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke
organisaties, regels van uitvoerende aard worden gesteld, die op
goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de
gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van toepassing zijn.
2. Bij of krachtens de in het eerste
lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen, met betrekking tot
de uitvoering van gemeenschappelijke optredens, gemeenschappelijke
standpunten, kaderbesluiten, besluiten en overeenkomsten die zijn
aangenomen dan wel vastgesteld door de Raad van de Europese Unie,
regels van uitvoerende aard worden gesteld, die op goederen bij het
binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld
in artikel 1:2, van toepassing zijn.
3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ter uitwerking van regelingen
van internationaal recht tot het verlenen van wederzijdse
administratieve bijstand.
4. Onze Minister wie het aangaat, kan
bevoegdheden, welke hem ingevolge het gestelde bij de in het eerste
lid bedoelde algemene maatregel van bestuur toekomen, in een bij of
krachtens die maatregel te bepalen omvang, aan het bestuur van een
bedrijfslichaam dan wel zelfstandig bestuursorgaan overdragen en ten
aanzien van de uitvoering ervan regels stellen.
Artikel 1:5
Bij de toepassing van de bepalingen bij
of krachtens deze wet ingevolgeartikel 1:1, tweede tot en met vijfde
lid, zijn de bepalingen van Titel I, Titel II, hoofdstukken 1 en 2,
afdeling 1, Titel VIII en Titel IX, hoofdstuk 2, van het Communautair
douanewetboek en Deel I, Titels I tot en met IV, hoofdstuk 1, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 1:6
1. Afdeling 2.2 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing.
2. Voor de toepassing van de bepalingen
gesteld bij of krachtens deze wet blijft de titel 5.2 van de Algemene
wet bestuursrecht buiten toepassing.
Artikel 1:7
Waar een persoon woont dan wel is
gevestigd, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Afdeling 1.2. Diverse algemene bepalingen
betreffende met name rechten en verplichtingen van personen
Paragraaf 1.2.1. Vertegenwoordiging
Artikel 1:8
De artikelen 2:1 en 2:2 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn alleen van toepassing in geval van het instellen
van bezwaar en de daarbij behorende procedure.
Artikel 1:9
1. De inspecteur kan een persoon als
douane-expediteur toelaten.
2. De inspecteur kan een toelating als
douane-expediteur weigeren aan een persoon die in de laatstverlopen
vijf jaren wegens een strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld,
wanneer dat strafbaar feit naar Nederlands recht wordt aangemerkt als
een misdrijf.
3. Douane-expediteurs die niet in
Nederland wonen of zijn gevestigd, zijn gehouden in Nederland
woonplaats te kiezen of een vaste inrichting op te richten alvorens
zij werkzaamheden als toegelaten douane-expediteur gaan verrichten.
Artikel 1:10
Van de mogelijkheid om bij het doen van
een douaneaangifte als indirecte vertegenwoordiger op te treden als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Communautair douanewetboek kan
slechts gebruik worden gemaakt door een douane-expediteur als bedoeld in
artikel 1:9. Hij dient daartoe schriftelijk door zijn opdrachtgever te
zijn gemachtigd.
Artikel 1:11
De douane-expediteur is gehouden aan zijn
opdrachtgever een factuur te verstrekken waarin ten behoeve van deze
laatste aan het Rijk betaalde rechten bij invoer, andere belastingen,
heffingen, retributies, dan wel rente, interest, kosten en bestuurlijke
boeten voorzover aan zijn opdrachtgever te wijten, afzonderlijk zijn
omschreven.
Artikel 1:12
1. Douane-expediteurs hebben een
voorrecht op alle vermogensbestanddelen van de opdrachtgever voor de
door hen ten behoeve van hun opdrachtgever betaalde rechten bij
invoer, andere belastingen, heffingen, retributies dan wel rente,
interest, kosten en bestuurlijke boeten voor zover aan zijn
opdrachtgever te wijten gedurende een jaar na de aan het Rijk gedane
betaling.
2. Het in het eerste lid toegekende
voorrecht heeft gelijke rangorde als het in artikel 21 van de
Invorderingswet 1990 toegekende voorrecht van ’s Rijks schatkist,
met dien verstande dat dit laatste voorrecht voorgaat.
Artikel 1:13
1. De inspecteur kan op grond van
laakbare handelingen van de douane-expediteur, gepleegd in de
uitoefening van zijn bedrijf als douane-expediteur, diens toelating
als douane-expediteur intrekken, indien tevoren aan de
douane-expediteur wegens vroeger gepleegde laakbare handelingen in de
laatstverlopen drie jaren een waarschuwing, houdende de feiten waarop
zij is gegrond, is uitgereikt.
2. In afwijking van het eerste lid kan
de inspecteur de toelating als douane-expediteur onmiddellijk
intrekken indien de douane-expediteur onherroepelijk is veroordeeld
wegens een strafbaar feit, wanneer dat strafbaar feit naar Nederlands
recht wordt aangemerkt als een misdrijf.
3. Aan de douane-expediteur wiens
toelating is ingetrokken, wordt, behoudens in bijzondere gevallen, een
nieuwe toelating niet verleend voordat vijf jaren sedert de intrekking
zijn verlopen.
Artikel 1:14
De bevoegdheden van een persoon, anders
dan een natuurlijk persoon, kunnen worden uitgeoefend en zijn
verplichtingen kunnen worden nagekomen door iedere bestuurder.
Artikel 1:15
1. De bevoegdheden en de verplichtingen
van een minderjarige, een onder curatele gestelde, iemand die in staat
van faillissement is verklaard of ten aanzien van wie de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of
iemand wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen worden
uitgeoefend en nagekomen door een wettelijke vertegenwoordiger,
curator of bewindvoerder. Op vordering van de inspecteur zijn
laatstgenoemden tot nakoming van de verplichtingen gehouden.
2. Om geldige redenen kan de inspecteur
de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, uitsluiten in de
nakoming van een verplichting van hem die zelf tot die nakoming in
staat is.
Artikel 1:16
1. Na iemands overlijden kunnen zijn
rechtverkrijgenden onder algemene titel in het uitoefenen van de
bevoegdheden en in het nakomen van de verplichtingen, welke de
overledene zou hebben gehad, ware hij in leven gebleven, worden
vertegenwoordigd door een hunner, de executeur, de door de rechter
benoemde vereffenaar van de nalatenschap of de bewindvoerder over de
nalatenschap. Op vordering van de inspecteur is ieder der in dit lid
genoemde personen tot nakoming van die verplichtingen gehouden.
2. Stukken betreffende de
aangelegenheden van de overledene kunnen worden gericht aan een van de
in het eerste lid genoemde personen.
Artikel 1:17
Deze paragraaf is niet van toepassing op
strafvordering.
Paragraaf 1.2.2. Beschikkingen
Artikel 1:18
1. Een beschikking als bedoeld in
artikel 4, aanhef en onder 5, van het Communautair douanewetboek wordt
gelijkgesteld met een beschikking als bedoeld in artikel 1:3, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2. De toestemming gegeven door de
ambtenaar, bedoeld in artikel 1:28, zesde lid, wordt aangemerkt als
een beschikking genomen door de inspecteur.
3. Het doen van aangifte is geen
aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht.
4. Artikel 3:40 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing.
5. In afwijking van artikel 3:41,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de bekendmaking dan
wel kennisgeving van beschikkingen op mondelinge verzoeken mondeling
aan de verzoeker geschieden.
6. Artikel 3:45 van de Algemene wet
bestuursrecht is alleen van toepassing op schriftelijk genomen
beschikkingen, niet zijnde een bindende inlichting.
7. Afdeling 3.7 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op schriftelijk genomen
beschikkingen waarbij verzoeken niet worden ingewilligd of die
ongunstige gevolgen hebben voor de personen tot wie zij zijn gericht.
8. Artikel 4:2 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing.
9. Onverminderd artikel 2 van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek is artikel 4:5,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing
indien een verzoek om een bindende tariefinlichting of een bindende
oorsprongsinlichting dan wel een verzoek om terugbetaling of
kwijtschelding van de rechten bij invoer is ingediend.
10. Artikel 4:5, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht is slechts van toepassing indien de
inspecteur in redelijkheid niet kan voldoen aan de hem ingevolge
artikel 2 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek
opgelegde verplichting.
11. Afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen die
niet-schriftelijk worden genomen of die het gevolg zijn van het doen
van een aangifte.
12. Artikel 4:14 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing.
13. Artikel 4:15 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing indien een verzoek om een
bindende tariefinlichting of een bindende oorsprongsinlichting is
ingediend.
Paragraaf 1.2.3. Kosten ambtelijke
werkzaamheden
Artikel 1:19
1. Bij algemene maatregel van bestuur
worden de gevallen vastgesteld waarin de belanghebbende ter zake van
het verrichten van werkzaamheden kosten aan het Rijk is verschuldigd.
2. Bij regeling van Onze Minister van
Financiën wordt het tarief van kosten die verschuldigd zijn krachtens
het eerste lid, vastgesteld.
3. Het tarief wordt zodanig vastgesteld
dat de verschuldigde kosten de werkelijke kosten zoveel mogelijk
benaderen.
4. De inspecteur stelt het bedrag van
de door belanghebbende verschuldigde kosten vast.
Paragraaf 1.2.4. Overige bepalingen
inzake douanetoezicht en douanecontrole
Artikel 1:20
Deze paragraaf is van toepassing op
douanetoezicht of douanecontrole op de voet van het bij of krachtens
deze wet bepaalde.
Artikel 1:21
De inspecteur maakt van zijn bevoegdheden
slechts gebruik voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn
taak nodig is.
Artikel 1:22
1. Bij de uitoefening van zijn taak
namens de inspecteur draagt de ambtenaar een legitimatiebewijs bij
zich, afgegeven door Onze Minister wie het aangaat of een door hem
aangewezen ambtenaar.
2. Onverminderd artikel 1, eerste en
tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden toont hij zijn
legitimatiebewijs desgevraagd onverwijld.
3. Het model van het legitimatiebewijs
is het krachtens artikel 5:12, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vastgestelde model.
Artikel 1:23
1. De inspecteur is bevoegd, met
medeneming van de benodigde apparatuur of dieren elke plaats te
betreden.
2. Hij is bevoegd zich te doen
vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.
3. Het betreden van een woning zonder
toestemming van de bewoner mag slechts door ambtenaren die deze
bevoegdheid door de inspecteur toegekend hebben gekregen.
4. De inspecteur is bevoegd tot het
geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet
op het binnentreden.
5. Ten aanzien van woningen op of in
vervoermiddelen zijn de artikelen 5, eerste lid, en 7 van de Algemene
wet op het binnentreden niet van toepassing.
Artikel 1:24
1. De inspecteur is bevoegd over te
gaan tot een onderzoek van goederen en het eventueel nemen van
monsters voor analyse of grondige controle ingeval geen aanvaarding
van een douaneaangifte heeft plaatsgevonden.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid is artikel 69 van het Communautair douanewetboek en Deel I, Titel
VIII, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek van
overeenkomstige toepassing, tenzij het doel of de aard van het
onderzoek zich daartegen verzet.
3. Ten behoeve van het onderzoek is, op
vordering van de inspecteur, de persoon die goederen vervoert die zich
niet in of op een vervoermiddel bevinden, gehouden terstond stil te
staan.
4. Bij regeling van Onze Minister van
Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot
stilhouden wordt gedaan.
5. De belanghebbende bij de goederen
wordt voor de werking van dit artikel aangemerkt als aangever.
Artikel 1:25
1. Het onderzoek van een groep of
partij goederen of de controle achteraf van de aangiften kan
geschieden door middel van een gedeeltelijk onderzoek.
2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels gegeven worden omtrent de wijze van het
uitvoeren van een gedeeltelijk onderzoek.
3. Bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kunnen de maatstaven
worden vastgesteld aan de hand waarvan de resultaten van het onderzoek
van goederen dan wel de controle achteraf van aangiften, deel
uitmakend van het deelonderzoek, als beslissend wordt aangemerkt voor
de gehele groep of partij goederen waartoe de onderzochte goederen
onderscheidenlijk de gehele groep van aangiften waartoe de
gecontroleerde aangiften behoren.
4. Voor de toepassing van dit artikel
is, voor zover het een gedeeltelijk onderzoek van goederen betreft,
artikel 70, eerste lid, tweede alinea, van het Communautair
douanewetboek van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
de belanghebbende bij de goederen wordt aangemerkt als aangever.
Artikel 1:26
1. De inspecteur is bevoegd aan
controle te onderwerpen:
a. gebouwen, niet zijnde woningen,
en terreinen:
– ten aanzien waarvan
ingevolge het bepaalde bij of krachtens de in artikel 1:1,
eerste lid, bedoelde regelingen een beschikking is genomen;
– die erkend zijn als
grensinspectiepost als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
onderdeel g, van richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18
december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de
organisatie van de veterinaire controles voor producten die
uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG
L 24, 1998);
– die een goedgekeurde plaats
van inspectie zijn als bedoeld in artikel 1, tweede lid,
onderdeel b, van richtlijn 2004/103/EG van de Commissie van 7
oktober 2004 betreffende de controles van de identiteit en de
fytosanitaire controles van in deel B van bijlage V bij
Richtlijn 2000/29/EG van de Raad opgenomen planten,
plantaardige producten en andere materialen, die kunnen worden
uitgevoerd op een andere plaats dan de plaats van binnenkomst
in de Gemeenschap of op een dichtbijgelegen plaats en tot
vaststelling van de eisen met betrekking tot deze controles (PbEU
L 313);
b. gebouwen, niet zijnde woningen,
en terreinen alwaar zich goederen bevinden:
– ten aanzien waarvan
ingevolge het bepaalde bij of krachtens de in artikel 1:1,
eerste lid, bedoelde regelingen een beschikking is genomen;
– waarvoor een invoer- of
uitvoervergunning is afgegeven, dan wel waarvoor een
dergelijke vergunning is aangevraagd;
c. spoorwegemplacementen, plaatsen
voor distributie en overslag voor goederen die over de weg worden
vervoerd, havens, haventerreinen, luchthavens en
luchtvaartterreinen;
d. vervoermiddelen en de op of in
die vervoermiddelen aanwezige woningen.
2. Onder controle in de zin van het
eerste lid wordt mede verstaan doorzoeking.
Artikel 1:27
1. De inspecteur is bevoegd met het oog
op de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:23,
1:24 dan wel 1:26, aanhef en onder d, van de bestuurder dan wel de
gezagvoerder van het vervoermiddel te vorderen dat deze zijn
vervoermiddel vaart laat minderen, bijdraait, landt, stilhoudt, naar
een door hem aangewezen plaats overbrengt, aanlegt en de motor buiten
werking stelt.
2. Bij regeling van Onze Minister van
Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot
stilhouden wordt gedaan.
Artikel 1:28
1. De inspecteur is bevoegd personen
die aanwezig zijn in of op de in artikel 1:26 bedoelde locaties of
vervoermiddelen of deze juist gaan betreden of hebben verlaten aan
lijfsvisitatie te onderwerpen.
2. De in het eerste lid bedoelde
personen zijn op vordering van de inspecteur gehouden stil te staan en
deze te volgen naar een door hem aangewezen plaats.
3. Op vordering van de inspecteur zijn
reizigers, die zich bevinden in een vervoermiddel dat juist het
douanegebied van de Gemeenschap is binnengekomen of dat bestemd is om
aanstonds te vertrekken om dat douanegebied te verlaten, gehouden hun
plaats- of vervoerbewijs te vertonen. Deze verplichting geldt eveneens
voor reizigers die een dergelijk vervoermiddel juist hebben verlaten
dan wel die op het punt staan daarin aan boord te gaan.
4. Lijfsvisitatie geschiedt op een
besloten plaats door personen die, indien zij geen arts of
verpleegkundige zijn, van hetzelfde geslacht zijn als de persoon die
aan lijfsvisitatie wordt onderworpen.
5. Onder lijfsvisitatie wordt verstaan:
a. het onderzoek aan de kleding;
het onderzoek aan de kleding omvat het betasten van de kleding,
het nauwkeurig onderzoek van de hoofdbedekking en het schoeisel;
b. het verwijderen van de
bovenkleding, teneinde deze aan een nauwkeurig onderzoek te
onderwerpen;
c. het uitwendig en inwendig
schouwen van de holten van het bovenlichaam, zonodig met de
daartoe benodigde ontkleding;
d. het geheel ontkleden en het
uitwendig schouwen van het lichaam;
e. het onderzoek van het
onderlichaam; onder onderzoek van het onderlichaam wordt verstaan
het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het
onderlichaam; het uitwendig schouwen van de openingen en holten
van het onderlichaam wordt verricht door een arts of, in diens
opdracht, door een verpleegkundige.
6. Tot gehele ontkleding dan wel het
onderzoek van het onderlichaam van degene die aan lijfsvisitatie wordt
onderworpen, wordt pas overgegaan na toestemming van een ambtenaar die
daartoe bij regeling van Onze Minister van Financiën, in
overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, is aangewezen.
7. Onder lijfsvisitatie wordt mede
verstaan het onderzoek met behulp van apparatuur waarmee door kleding
van de betrokken persoon kan worden gekeken.
8. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot het
onderzoek van het onderlichaam en met betrekking tot de apparatuur
waarmee door kleding van personen kan worden gekeken en het gebruik
daarvan. Hierbij kan worden bepaald dat het vierde lid niet van
toepassing is bij het gebruik van deze apparatuur.
Artikel 1:29
Onze Minister van Financiën is bevoegd,
na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, te bepalen, dat in
het belang van controle en onderzoek op openbare land- en waterwegen
versperringen worden aangebracht.
Artikel 1:30
1. De inspecteur is bevoegd bij een
controle geweld te gebruiken wanneer het daarmee beoogde doel dit,
mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren,
rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.
2. Aan het gebruik van geweld gaat zo
mogelijk een waarschuwing vooraf.
3. De ambtenaren die namens de
inspecteur een taak uitoefenen zijn bevoegd tot het onderzoek aan de
kleding van personen indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat
een onmiddellijk gevaar dreigt voor leven of veiligheid van de
ambtenaren zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter
afwending van dit gevaar.
4. De inspecteur is bevoegd bij
toepassing van het eerste lid de hulp in te roepen van de politie en
de Koninklijke marechaussee of andere delen van de krijgsmacht. Deze
zijn verplicht aan de vordering onmiddellijk te voldoen.
5. De uitoefening van de bevoegdheden,
bedoeld in het eerste en derde lid, dient in verhouding tot het
beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.
6. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld met betrekking tot de toepassing van dit
artikel.
Artikel 1:31
1. Het nemen van de nodige maatregelen,
bedoeld in de artikelen 53, eerste lid, 57, 75, 78, derde lid, en 89,
tweede lid, van het Communautair douanewetboek, wordt aangemerkt als
het opleggen van een last onder bestuursdwang.
2. Onverminderd het eerste lid is de
inspecteur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter
handhaving van de bij of krachtens de in artikel 1:1 bedoelde
regelingen of bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
Artikel 1:32
1. Onverminderd artikel 1:5 van deze
wet en de communautaire bepalingen ter zake, zijn artikel 15i van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 10 en 24 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing:
a. op de rechten en verplichtingen
voortvloeiend uit het bepaalde bij of krachtens:
1°. de in artikel 1:1 bedoelde
regelingen;
2°. deze wet;
b. op overige van belang zijnde
gegevens voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens:
1°. de in artikel 1:1 bedoelde
regelingen;
2°. deze wet.
2. Toegelaten moet worden, dat
kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor
raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan.
3. De inspecteur stelt de
belanghebbende, op wie de verplichting tot het voeren van een
administratie als bedoeld in het eerste lid rust, wiens
gegevensdragers hij bij een derde voor raadpleging vordert hiervan
gelijktijdig in kennis.
Artikel 1:33
1. Onze Ministers, openbare lichamen en
rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet
rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende
instellingen en diensten, alsmede personen die hoofdzakelijk
uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, verschaffen kosteloos,
mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de
inspecteur –, de gegevens en inlichtingen, die hun door de
inspecteur worden gevraagd voor de uitvoering van het bepaalde bij of
krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen dan wel voor de
uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
2. Onze Minister van Financiën kan, op
verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid omschreven
verplichting.
3. De inspecteur verstrekt kosteloos
mondeling, schriftelijk of op andere wijze –zulks ter keuze van de
inspecteur – de gegevens en inlichtingen aan Onze Ministers,
openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een
bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen
ressorterende instellingen en diensten, alsmede personen die
hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk voorzover
deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde bij of
krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen dan wel voor de
uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
4. De inspecteur verstrekt kosteloos
mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de
inspecteur – de gegevens en inlichtingen aan de douaneautoriteiten
van de lidstaten of de Commissie van de Europese Gemeenschappen,
bedoeld in artikel 13, vierde lid, van het Communautair douanewetboek.
Artikel 1:34
Een ieder die de leeftijd van veertien
jaar heeft bereikt, is, indien dit voor de toepassing van de bij of
krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen of de bij of krachtens
deze wet vastgestelde bepalingen te zijnen aanzien van belang kan zijn,
verplicht op vordering van de inspecteur terstond een
identificatiebewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht ter inzage aan te bieden.
Artikel 1:35
Bij verificatie van een aangifte worden
de resultaten van het onderzoek van de goederen geacht overeen te komen
met de aangifte indien de bevonden verschillen blijven binnen de
spelingen die daartoe bij regeling van Onze Minister van Financiën zijn
vastgesteld.
Artikel 1:36
1. Aan enige instelling van vervoer
toevertrouwde brieven worden zonder goedvinden van de afzender of van
de geadresseerde slechts geopend indien de rechter-commissaris in de
rechtbank van het arrondissement waarbinnen de brief is aangetroffen,
daartoe, op verzoek van de inspecteur, bevel heeft gegeven.
2. Het bevel wordt slechts gegeven
indien het vermoeden bestaat dat zich in de brief goederen bevinden.
Artikel 1:37
1. Vervoermiddelen, kennelijk ingericht
of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of
om tot het nakomen van de op grond van artikel 1:27, eerste lid,
genomen dwangmaatregelen te verijdelen, zomede alle andere voorwerpen,
kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken
of om een vervoermiddel tot een van de hiervoor omschreven doeleinden
in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen.
2. Tot inbeslagneming krachtens het
eerste lid zijn, behalve de inspecteur, bevoegd de bij of ingevolge
artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen.
3. Van de inbeslagneming en van de
gronden daartoe doet de inspecteur zo spoedig mogelijk schriftelijk
mededeling aan degene op wie de inbeslagneming heeft plaatsgehad. In
geval van inbeslagneming op onbekende personen geschiedt die
mededeling in het openbaar volgens bij regeling van Onze Minister van
Financiën te stellen regels.
4. Krachtens het eerste lid in beslag
genomen vervoermiddelen en voorwerpen vervallen zonder
rechtsvervolging aan de staat, tenzij bij een rechterlijke beslissing
als bedoeld in het zesde lid de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.
5. De belanghebbende bij het in beslag
genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de
mededeling omtrent de inbeslagneming bij de rechtbank van het
arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming heeft plaatsgehad,
daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde een met
redenen omkleed klaagschrift indienen.
6. De rechtbank behandelt het
klaagschrift op de voet van het bepaalde in artikel 552b van het
Wetboek van Strafvordering, met dien verstande, dat ook de inspecteur
in de gelegenheid wordt gesteld tijdens de behandeling te worden
gehoord en hem, zo hij voor de behandeling is verschenen, tijdig
tevoren door de griffier schriftelijk mededeling van de dag der
uitspraak wordt gedaan.
7. Artikel 552d van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
8. Onze Minister van Financiën is
bevoegd in bijzondere gevallen de aan de staat vervallen
vervoermiddelen en voorwerpen onder door hem te stellen voorwaarden
aan de eigenaar terug te geven.
Hoofdstuk 2. Bepalingen die op de in het
douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen van toepassing
zijn tot deze een douanebestemming hebben gekregen
Afdeling 2.1. Formaliteiten met
betrekking tot goederen en goederenverkeer
Artikel 2:1
Ten einde de goede werking van de
douanewetgeving te waarborgen, kunnen bij regeling van Onze Minister van
Financiën bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot:
a. de formaliteiten voorafgaand aan
en aangaande het binnenbrengen in en het verlaten van het
douanegebied van schepen en luchtvaartuigen en de aan boord van deze
schepen en luchtvaartuigen aanwezige goederen;
b. douanekantoren;
c. toeristisch en reizigersverkeer,
postverkeer en verkeer van te verwaarlozen economisch belang;
d. goederen en vervoermiddelen als
bedoeld in artikel 39 van het Communautair douanewetboek;
e. de summiere aangifte, dan wel
vervangende kennisgeving;
f. tijdelijke opslag;
g. de douaneaangifte, mede ten
dienste van de statistiek van de in-, uit- en wederuitvoer;
h. onderzoek van goederen en
monsterneming;
i. identificatiemaatregelen, middelen
daaronder begrepen;
j. zekerheid;
k. de voorwaarden die gelden bij de
overdracht van rechten en verplichtingen van het subject van een
economische douaneregeling dan wel de entreposeur;
l. vereenvoudigde procedures inzake
communautair douanevervoer;
m. het in kennis stellen van de
inspecteur voorafgaand aan de wederuitvoer dan wel de vernietiging
van goederen.
Artikel 2:2
Goederen aangevoerd uit zee of door de
lucht worden, behoudens tegenbewijs, geacht uit zee onderscheidenlijk
door de lucht het douanegebied van de Gemeenschap te zijn binnengekomen.
Afdeling 2.2. Overige bepalingen
Artikel 2:3
1. De inspecteur kan een beschikking
tot het doen vernietigen van de goederen ingevolge artikel 56 van het
Communautair douanewetboek alleen geven wanneer:
a. artikel 53, eerste lid, of
artikel 57 van het Communautair douanewetboek niet van toepassing
is, en
b. de goederen geen toegelaten
douanebestemming kunnen krijgen in verband met de toepassing van
verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, van
het Communautair douanewetboek.
2. Voordat de inspecteur de
beschikking, bedoeld in het eerste lid, geeft stelt hij de houder van
de goederen in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen.
Hoofdstuk 3. Verboden en beperkingen
Artikel 3:1
Onverminderd de communautaire bepalingen
ter zake kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur verboden
of beperkingen ten aanzien van goederen worden vastgesteld, die bij het
binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in
artikel 1:2, van toepassing zijn.
Artikel 3:2
1. De aangifte, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005
betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap
binnenkomen of verlaten (PbEU L 309) (verordening), wordt schriftelijk
gedaan.
2. De identiteit van de aangever wordt
vastgesteld met behulp van een document als bedoeld in artikel 1 van
de Wet op de identificatieplicht.
3. Bij regeling van Onze Minister van
Financiën:
a. wordt een aangifteformulier
vastgesteld;
b. worden regels gesteld omtrent de
bij de uitvoering van de verordening:
1°. in aanmerking te nemen
wisselkoers ter bepaling van de tegenwaarde in euro’s van
liquide middelen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de
verordening, waarvan het bedrag is uitgedrukt in een andere
valuta;
2°. in aanmerking te nemen
waarde van verhandelbare instrumenten aan toonder als bedoeld
in artikel 2, onderdeel 2, onder a, van de verordening.
4. Bij regeling van Onze Minister van
Financiën kunnen, in afwijking van het eerste lid, regels worden
gesteld op grond waarvan de in artikel 3, eerste lid, van de
verordening bedoelde aangifte langs elektronische weg kan worden
gedaan.
Artikel 3:3
1. Een beslissing tot inbewaringneming
van liquide middelen op de voet van artikel 4, tweede lid, van
verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van
liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten
(verordening) wordt door de inspecteur schriftelijk genomen. De
schriftelijke beslissing wordt aangemerkt als een beschikking. De
bekendmaking daarvan geschiedt hetzij aan de natuurlijke persoon die
niet aan de aangifteplicht uit hoofde van artikel 3 van de verordening
heeft voldaan, hetzij, indien deze persoon onbekend is, in het
openbaar volgens bij regeling van Onze Minister van Financiën te
stellen regels.
2. De beschikking vermeldt welke
gegevens in strijd met de aangifteplicht niet, onvolledig of onjuist
zijn verstrekt en verwijst naar de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het zevende lid.
3. De inspecteur is bevoegd de
inbewaringneming van de liquide middelen te doen voortduren zolang de
nodige gegevens, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de verordening,
ontbreken.
4. De inbewaringneming van de liquide
middelen wordt beëindigd door strafrechtelijke inbeslagneming of door
een schriftelijke beslissing van de inspecteur. Een schriftelijke
beslissing van de inspecteur als bedoeld in de eerste volzin wordt
aangemerkt als een beschikking. Het eerste lid, derde volzin, is met
betrekking tot deze beschikking van overeenkomstige toepassing.
5. De beschikking, bedoeld in het
vierde lid, vermeldt het tijdstip van beëindiging van de
inbewaringneming van de liquide middelen en vermeldt voorts dat deze
nog tot en met het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de in het
vierde lid bedoelde beschikking is bekendgemaakt, ter uitkering door
de inspecteur aan een rechthebbende beschikbaar blijven voorzover de
liquide middelen niet strekken tot voldoening van kosten als bedoeld
in het zevende lid.
6. Indien liquide middelen die
beschikbaar blijven in de zin van het vijfde lid niet voor afloop van
het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de in het vierde lid
bedoelde beschikking is bekendgemaakt, aan een rechthebbende zijn
uitgekeerd, wordt hetzij het bedrag daarvan, hetzij– voorzover de
liquide middelen geen Nederlandse wettige betaalmiddelen zijn – de
verkoopopbrengst daarvan opgenomen in de consignatiekas. Artikel 9,
tweede tot en met zesde lid, van de Wet op de consignatie van gelden
blijft buiten toepassing.
7. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen gevallen worden vastgesteld waarin de kosten verbonden aan een
inbewaringneming van liquide middelen op de voet van artikel 4, tweede
lid, van de verordening, geheel of gedeeltelijk dienen te worden
vergoed door de natuurlijke persoon die niet aan de aangifteplicht uit
hoofde van artikel 3 van de verordening heeft voldaan. Heffing en
invordering van te vergoeden kosten geschieden overeenkomstig de
wettelijke regels voor de heffing, onderscheidenlijk invordering, van
kosten van ambtelijke werkzaamheden als bedoeld inartikel 1:19.
Hoofdstuk 4. Vrije zones en vrije
entrepots
Artikel 4:1
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot:
a. de instelling en de werking van
vrije zones;
b. de oprichting en de werking van
vrije entrepots.
Hoofdstuk 5. Goederen die het
douanegebied van de Gemeenschap verlaten
Artikel 5:1
1. Goederen aanwezig in of op schepen,
op weg naar zee of bestemd om aanstonds naar zee te vertrekken, zomede
goederen die op het punt staan om in die schepen te worden opgenomen,
worden aangemerkt als goederen die over zee het douanegebied van de
Gemeenschap zullen uitgaan, tenzij blijkt dat de goederen bestemd zijn
voor een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap en het vervoer
zal geschieden zonder dat het schip het douanegebied van de
Gemeenschap uitgaat.
2. Goederen aanwezig in
luchtvaartuigen, bestemd om aanstonds op te stijgen, zomede goederen
die op het punt staan om in die luchtvaartuigen te worden opgenomen,
worden aangemerkt als goederen die door de lucht het douanegebied van
de Gemeenschap zullen uitgaan, tenzij blijkt dat de goederen bestemd
zijn voor een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap en het
vervoer zal geschieden zonder dat het luchtvaartuig het douanegebied
van de Gemeenschap uitgaat.
Hoofdstuk 6. De begunstigde verrichtingen
Artikel 6:1
1. Bij regeling van Onze Minister van
Financiën kunnen bepalingen worden vastgesteld ter uitwerking van
Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van de Europese Unie van 16
november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling
inzake douanevrijstellingen (PbEU L 324).
2. De bepalingen, bedoeld in het eerste
lid, hebben betrekking op:
a. nadere voorwaarden waaronder
vrijstelling wordt verleend;
b. het beperken van de omvang van
de vrijstelling;
c. de aanwijzing van personen en
openbare diensten die toestemming krijgen om goederen vrij van
rechten in te voeren dan wel in ontvangst te nemen;
d. het verlenen van vrijstellingen
als bedoeld in artikel 133, eerste lid, van de in het eerste lid
genoemde verordening;
e. het verlenen van vrijstellingen
aan strijdkrachten die ter uitvoering van internationale
overeenkomsten op Nederlands grondgebied zijn gestationeerd en die
niet onder Nederlands gezag staan.
Artikel 6:2
Bij regeling van Onze Minister van
Financiën kunnen bepalingen worden vastgesteld ter zake van
vrijstelling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer bij het
in het vrije verkeer brengen respectievelijk de uitvoer van goederen
bestemd voor de bevoorrading van schepen, luchtvaartuigen en
internationale treinen.
Artikel 6:3
Bij regeling van Onze Minister van
Financiën kunnen bepalingen worden vastgesteld ter uitwerking van
vrijstellingsbepalingen ingesteld bij andere communautaire besluiten dan
Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van de Europese Unie van 16
november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling
inzake douanevrijstellingen (PbEU L 324).
Hoofdstuk 7. Douaneschuld
Afdeling 7.1. Zekerheidstelling voor het
bedrag van de douaneschuld
Artikel 7:1
Met het oog op de in de douanewetgeving
voorziene zekerheidstelling voor het bedrag van de douaneschuld kunnen
bij regeling van Onze Minister van Financiën bepalingen worden
vastgesteld ter zake van:
a. zekerheidstelling door storting
van contant geld dan wel hetgeen daarmede gelijk is gesteld;
b. andere wijzen van
zekerheidstelling dan door storting van contant geld of door
borgstelling.
Artikel 7:2
1. Met het oog op de in de
douanewetgeving voorziene zekerheidstelling voor het bedrag van de
douaneschuld kunnen bij regeling van Onze Minister van Financiën
bepalingen worden vastgesteld ter zake van de voorwaarden waaraan moet
worden voldaan teneinde als borg te worden erkend.
2. Bij de regeling, bedoeld in het
eerste lid, kunnen specifieke verplichtingen worden vastgesteld welke
een erkende borg moet naleven.
Afdeling 7.2. Ontstaan van de
douaneschuld
Artikel 7:3
Onder de naam «rechten bij invoer» en
«rechten bij uitvoer» worden belastingen geheven ter zake van de
invoer respectievelijk de uitvoer van goederen overeenkomstig hetgeen
dienaangaande is bepaald bij of krachtens het Koninkrijk verbindende
verdragen en in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige
verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties.
Artikel 7:4
Wanneer een douaneaangifte voor het
plaatsen van goederen onder de douaneregeling
– in het vrije verkeer brengen of
– tijdelijke invoer is opgesteld op
basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde
rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven zijn de personen
die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens
onmiddellijk of middellijk hebben verstrekt, terwijl zij wisten of
redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren
eveneens schuldenaar.
Afdeling 7.3. Invordering van het bedrag
van de douaneschuld en toepassing handelspolitieke maatregelen
Paragraaf 7.3.1. Boeking en mededeling
Artikel 7:4a
1. Artikel 4:86 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing.
2. Artikel 4:88, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
3. Uitstel van betaling als bedoeld in
de artikelen 224 tot en met 228 van het Communautair douanewetboek is
geen uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4:94 van de Algemene
wet bestuursrecht.
4. Het uitstel van betaling, bedoeld in
artikel 4:94 van de Algemene wet bestuursrecht, is een «andere
betalingsfaciliteit» als bedoeld in artikel 229 van het Communautair
douanewetboek.
5. Artikel 4:96 van de Algemene wet
bestuursrecht is slechts van toepassing indien het uitstel van
betaling betreft ingevolge artikel 229 van het Communautair
douanewetboek.
6. Afdeling 4.4.2 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 7:5
1. Bij regeling van Onze Minister van
Financiën kunnen bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de
boeking van de bedragen aan rechten.
2. De bepalingen, bedoeld in het eerste
lid, kunnen betrekking hebben op:
a. bedragen aan rechten waar
beneden niet wordt geboekt;
b. de boeking van bedragen met
betrekking tot goederen die ten gunste van een zelfde persoon in
een vast te stellen periode werden vrijgegeven waarbij deze
boeking aan het einde van deze periode in één keer geschiedt;
c. de verlenging van de termijn
voor de boeking.
Artikel 7:6
1. De mededeling van het bedrag aan
rechten aan de schuldenaar geschiedt door het toezenden van een op een
aanslagbiljet vermelde uitnodiging tot betaling. Het aanslagbiljet
wordt voorzien van een dagtekening die geldt als dagtekening van de
vaststelling van de uitnodiging tot betaling. De inspecteur stelt het
aanslagbiljet ter invordering van het daaruit blijkende bedrag aan
rechten aan de ontvanger ter hand.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de inspecteur te
nemen beschikking strekkende tot vaststelling van:
a. het bedrag van de terugbetaling
dan wel kwijtschelding;
b. het bedrag van de verschuldigde
compensatierente dan wel compenserende rente;
c. het bedrag van de verschuldigde
kosten;
d. het bedrag van de verschuldigde
bestuurlijke boete.
3. Op een aanslagbiljet mogen
verschillende mededelingen van bedragen aan rechten en bedragen als
bedoeld in het tweede lid worden vermeld.
4. Het model van het aanslagbiljet
wordt bij regeling van Onze Minister van Financiën vastgesteld.
5. Indien de inspecteur artikel 221,
tweede lid, van het Communautair douanewetboek toepast, wordt de
douaneaangifte aangemerkt als een op een aanslagbiljet vermelde
uitnodiging tot betaling. De datum van vrijgave van de goederen geldt
als dagtekening van het aanslagbiljet en van de vaststelling van de
uitnodiging tot betaling.
Artikel 7:7
1. Wanneer de douaneschuld is ontstaan
ingevolge een handeling die, indien deze in Nederland zou zijn
verricht, strafrechtelijk vervolgbaar was, kan de toezending van het
aanslagbiljet geschieden binnen vijf jaren nadat de douaneschuld is
ontstaan.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing ten aanzien van personen wier handelen of nalaten niet was
gericht op ontduiking van de rechten bij invoer.
Artikel 7:8
Indien een douaneschuld ontstaat anders
dan op grond van de artikelen 201 of 209 van het Communautair
douanewetboek, en één of meer voor de berekening van het bedrag aan
rechten noodzakelijke gegevens met betrekking tot de goederen niet zijn
komen vast te staan, worden die goederen, met inachtneming van de
gegevens die wel zijn komen vast te staan, geacht die hoedanigheid te
bezitten, volgens welke:
– het hoogste tarief van rechten
bij invoer en
– de meest bezwarende
handelspolitieke maatregelen van toepassing zijn.
Artikel 7:9
Bij regeling van Onze Minister van
Financiën worden regels gesteld met betrekking tot:
a. de afronding van bedragen en
hoeveelheden die dienen als grondslag voor de berekening van het
bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies;
b. de berekening van het bedrag aan
rechten indien de hoeveelheid van de goederen kleiner is dan de
hoeveelheid waarin het douanetarief is uitgedrukt;
c. de afronding van het bedrag aan
rechten, andere belastingen, heffingen, retributies, renten,
interesten en kosten van ambtelijke werkzaamheden.
Hoofdstuk 8. Beroep in een eerste fase
(bezwaar) en beroep in een tweede fase (beroep)
Artikel 8:1
1. De artikelen 6:2, aanhef en onder b,
8:1, eerste lid, en 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet
van toepassing.
2. Afdeling 8.2.4A van de Algemene wet
bestuursrecht is alleen van toepassing indien:
a. artikel 243, eerste lid, tweede
alinea, van het Communautair douanewetboek toepassing vindt;
b. de inspecteur niet tijdig heeft
beslist op bezwaar en hij de indiener van dat bezwaar geen
inkennisstelling als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het
Communautair douanewetboek heeft doen toekomen.
Artikel 8:2
1. Hoofdstuk V van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, met uitzondering van de artikelen 25, derde
lid, 26a, 27, 27a, 27b en 27e, is van overeenkomstige toepassing op
beschikkingen als bedoeld in het tweede lid.
2. Voor de overeenkomstige toepassing
van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is een
beschikking voor bezwaar vatbaar indien het een beschikking betreft:
a. als bedoeld in artikel 4, aanhef
en onder 5, van het Communautair douanewetboek of;
b. die is genomen op grond van deze
wet.
3. Voor de overeenkomstige toepassing
van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt een
uitnodiging tot betaling aangemerkt als een belastingaanslag of een
aanslag.
4. In afwijking van artikel 8:7, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht is slechts de rechtbank te
Haarlem bevoegd.
5. Indien het beroep is gericht tegen
het niet tijdig doen van een uitspraak door de inspecteur, kan de
rechtbank Haarlem bepalen dat de artikelen 13 en 14 van het
Communautair douanewetboek en paragraaf 1.2.4 gedurende een daarbij te
bepalen termijn van toepassing blijven.
6. Indien een uitspraak van de
rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank betrekking
heeft op een beschikking die is gegeven door Onze minister wie het
aangaat dan wel de ontvanger, treedt voor de toepassing van dit
hoofdstuk Onze minister wie het aangaat dan wel de ontvanger in de
plaats van de inspecteur.
7. Indien het bezwaar is gericht tegen
een uitnodiging tot betaling of een beschikking als bedoeld in het
tweede lid, met betrekking tot welke:
a. de vereiste aangifte niet is
gedaan; of
b. niet of niet volledig is voldaan
aan een verzoek op de voet van artikel 14 van het Communautair
douanewetboek om gegevensdragers, of de inhoud daarvan, voor
raadpleging beschikbaar te stellen; of
c. niet of niet volledig is voldaan
aan de verplichtingen ingevolge artikel 1:32, wordt bij de
uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag of de
beschikking gehandhaafd, tenzij aannemelijk is dat het niet of
niet volledig voldoen aan genoemd verzoek of aan genoemde
verplichtingen het gevolg is van overmacht en tenzij is gebleken
dat en in hoeverre de belastingaanslag of de beschikking onjuist
is. De eerste volzin vindt geen toepassing voor zover het bezwaar
is gericht tegen een vergrijpboete.
8. Indien het beroep is gericht tegen
een uitnodiging tot betaling of een beschikking als bedoeld in het
tweede lid, met betrekking tot welke:
a. de vereiste aangifte niet is
gedaan; of
b. niet of niet volledig is voldaan
aan een verzoek op de voet van artikel 14 van het Communautair
douanewetboek om gegevensdragers, of de inhoud daarvan, voor
raadpleging beschikbaar te stellen; of
c. niet of niet volledig is voldaan
aan de verplichtingen ingevolge artikel 1:32, verklaart de
rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in
hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. De eerste volzin
vindt geen toepassing voor zover het bezwaar is gericht tegen een
vergrijpboete.
9. Voor de overeenkomstige toepassing
van de artikelen 27l, tweede lid, en 29a, tweede lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen bedraagt het griffierecht hetgeen is
vermeld in de onderdelen b en c van die leden.
Artikel 8:3
Tegen een beschikking ter zake van
landbouwrestituties staat, in afwijking van hetgeen omtrent bezwaar en
beroep in deze wet is bepaald, beroep open op het College van Beroep
voor het bedrijfsleven op de voet van de Wet bestuursrechtspraak
bedrijfsorganisatie.
Artikel 8:4
1. Tegen een beschikking die is genomen
op grond van een regeling genoemd in de bijlage bij de artikelen 1:1
en 1:3, onder B, staat in afwijking van hetgeen omtrent bezwaar en
beroep in deze wet is bepaald, beroep open op de rechterlijke
instantie, genoemd in die regeling. Indien geen rechterlijke instantie
is genoemd, is artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing.
2. Bij het beroep, bedoeld in het
eerste lid, is artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing.
Hoofdstuk 9. Bestuurlijke boeten
Afdeling 9.1. Beboetbare feiten
Artikel 9:1
1. Indien voor goederen in tijdelijke
opslag waarvoor een summiere aangifte is gedaan de formaliteiten welke
nodig zijn om deze goederen een douanebestemming te geven niet worden
vervuld binnen de ingevolge artikel 49 van het Communautair
douanewetboek geldende termijn, vormt dit een verzuim ter zake waarvan
de inspecteur degene die de formaliteiten binnen deze termijn dient te
vervullen en degene door wiens toedoen de formaliteiten niet binnen
deze termijn worden vervuld ieder een bestuurlijke boete van ten
hoogste € 300 kan opleggen.
2. Indien het niet vervullen van de in
het eerste lid bedoelde formaliteiten binnen de ingevolge artikel 49
van het Communautair douanewetboek geldende termijn, een douaneschuld
doet ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij
invoer hoger is dan € 300, terwijl het niet vervullen van die
formaliteiten binnen die termijn is te wijten aan opzet of grove
schuld van één of meer van degenen, bedoeld in het eerste lid, vormt
dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, onderscheidenlijk
ieder van hen, een bestuurlijke boete van ten hoogste 100 percent van
het bedrag aan rechten kan opleggen.
Artikel 9:2
1. Indien voor goederen welke zijn
geplaatst onder de douaneregeling douanevervoer, actieve veredeling
(systeem inzake schorsing), behandeling onder douanetoezicht of
tijdelijke invoer, de formaliteiten ter beëindiging van die regeling
in strijd met de douanewetgeving niet of niet tijdig worden vervuld,
vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die die
formaliteiten dient te vervullen en degene door wiens toedoen die
formaliteiten niet of niet tijdig worden vervuld ieder een
bestuurlijke boete van ten hoogste € 300 kan opleggen.
2. Indien goederen welke zijn geplaatst
onder de douaneregeling douanevervoer in strijd met artikel 355,
tweede lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek
niet langs een verplicht te volgen route worden vervoerd, dan wel in
strijd met artikel 356 van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek niet binnen de voorgeschreven termijn bij het
douanekantoor van bestemming worden aangebracht, vormt dit een verzuim
ter zake waarvan de inspecteur degene die de goederen in strijd met
artikel 355, tweede lid, voornoemd vervoert, onderscheidenlijk in
strijd met artikel 356 voornoemd niet tijdig aanbrengt, en degene door
wiens toedoen het desbetreffende verzuim plaatsvindt, ieder een
bestuurlijke boete van ten hoogste€ 300 kan opleggen.
3. Indien het in strijd met de
douanewetgeving niet of niet tijdig vervullen van de in het eerste lid
bedoelde formaliteiten of het in strijd met de douanewetgeving niet
vervullen van de in het tweede lid bedoelde verplichtingen een
douaneschuld doet ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan
rechten bij invoer hoger is dan € 300, terwijl het in strijd met de
douanewetgeving niet of niet tijdig vervullen van die formaliteiten,
onderscheidenlijk niet vervullen van die verplichtingen, is te wijten
aan opzet of grove schuld van één of meer van degenen, bedoeld in
het eerste dan wel tweede lid, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan
de inspecteur hem, onderscheidenlijk ieder van hen, een bestuurlijke
boete van ten hoogste 100 percent van het bedrag aan rechten kan
opleggen.
Artikel 9:3
1. Indien in een douane-entrepot, in
een vrij entrepot of in een vrije zone welke is aangewezen ingevolge
artikel 168bis van het Communautair douanewetboek een vermis wordt
bevonden, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de
entreposeur, de entrepositaris, onderscheidenlijk de belanghebbende,
bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de toepassingsverordening
Communautair douanewetboek, een bestuurlijke boete van ten hoogste €
300 kan opleggen.
2. Indien het in het eerste lid
bedoelde vermis een douaneschuld doet ontstaan en het daaruit
voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan € 300,
terwijl dat vermis is te wijten aan opzet of grove schuld van de
entreposeur, de entrepositaris, onderscheidenlijk de belanghebbende,
bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de toepassingsverordening
Communautair douanewetboek, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de
inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste 100 percent van
het bedrag aan rechten kan opleggen.
Artikel 9:4
1. Het niet voldoen aan een
verplichting voortvloeiend uit een vergunning welke is verleend
ingevolge de douanewetgeving, vormt een verzuim ter zake waarvan de
inspecteur degene die deze voorwaarde dient na te leven en degene door
wiens toedoen die voorwaarde niet of niet tijdig wordt nageleefd een
bestuurlijke boete van ten hoogste € 300 kan opleggen.
2. Indien het in strijd met de
douanewetgeving niet of niet tijdig vervullen van de in het eerste lid
bedoelde voorwaarde een douaneschuld doet ontstaan en het daaruit
voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan € 300,
terwijl het in strijd met de douanewetgeving niet of niet tijdig
vervullen van deze voorwaarde is te wijten aan opzet of grove schuld
van één of meer van degenen, bedoeld in het eerste lid, vormt dit
een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, onderscheidenlijk
ieder van hen, een bestuurlijke boete van ten hoogste 100 percent van
het bedrag aan rechten kan opleggen.
Artikel 9:5
Het overtreden van een krachtens deze wet
vastgestelde algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling
kan bij die algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling
worden aangemerkt als een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene
aan wie het verzuim te wijten is een bestuurlijke boete kan opleggen van
ten hoogste het in die algemene maatregel van bestuur of ministeriële
regeling te vermelden bedrag. Dat bedrag beloopt ten hoogste € 300
indien het verzuim betrekking heeft op een algemene maatregel van
bestuur, en beloopt ten hoogste € 150 indien het verzuim betrekking
heeft op een ministeriële regeling.
Artikel 9:6
In afwijking van artikel 5:45, eerste en
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot
het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in deze afdeling
door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop het verzuim of
vergrijp waarop de bestuurlijke boete betrekking heeft, heeft
plaatsgevonden.
Artikel 9:6a
De in de artikelen 9:1, eerste lid, 9:2,
eerste en tweede lid, 9:3, eerste lid, 9:4, eerste lid, en 9:5, genoemde
bedragen worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari 2015, bij
ministeriële regeling gewijzigd. De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat als tabelcorrectiefactor wordt genomen het product van de
factoren van de laatste vijf kalenderjaren.
Afdeling 9.2. Aanvullende voorschriften
inzake het opleggen van bestuurlijke boeten
Artikel 9:7 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:8
Indien de grondslag voor een bestuurlijke
boete wordt gevormd door het bedrag aan rechten bij invoer, wordt de
opgelegde bestuurlijke boete naar evenredigheid verlaagd bij
vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding van de rechten
bij invoer, voorzover deze vermindering, teruggaaf, terugbetaling of
kwijtschelding, het bedrag aan rechten bij invoer betreft waarover de
bestuurlijke boete is berekend.
Artikel 9:9 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:10 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:11 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:12 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:13 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:14 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:15 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:16
Van de opgelegde bestuurlijke boete kan
door of vanwege Onze Minister van Financiën gehele of gedeeltelijke
kwijtschelding worden verleend.
Hoofdstuk 10. Strafrechtelijke bepalingen
Afdeling 10.1. Strafbare feiten
Artikel 10:1
1. Degene die goederen het douanegebied
van de Gemeenschap binnenbrengt in strijd met de artikelen 38 en 39
van het Communautair douanewetboek of goederen in andere delen van het
douanegebied van de Gemeenschap binnenbrengt in strijd met artikel 177
van het Communautair douanewetboek, dan wel binnengebrachte goederen
in strijd met de artikelen 40 en 41 van het Communautair douanewetboek
niet bij de inspecteur aanbrengt of van de overeenkomstig artikel 40
van het Communautair douanewetboek aangebrachte goederen in strijd met
de artikelen 36bis en 36ter van het Communautair douanewetboek of
artikel 186 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek
geen summiere aangifte doet, of zonder toestemming van de inspecteur
goederen wegvoert in strijd met het bepaalde in artikel 47 van het
Communautair douanewetboek, wordt gestraft met geldboete van de derde
categorie, of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het
bedrag van de rechten bij invoer die ter zake van de goederen zijn
verschuldigd.
2. Degene die een der in het eerste lid
omschreven feiten begaat met het oogmerk de rechten bij invoer die ter
zake van de goederen zijn verschuldigd, te ontduiken of de ontduiking
daarvan te bevorderen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit
bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van die rechten.
3. Degene die uit zee of door de lucht
goederen aanvoert ten aanzien waarvan het inartikel 2:2 genoemde
tegenbewijs niet wordt geleverd, wordt geacht die goederen uit zee,
onderscheidenlijk door de lucht, binnen het douanegebied van de
Gemeenschap te hebben gebracht.
4. Degene die uit hoofde van artikel 3
van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle
van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten
(verordening) verplicht is tot het doen van aangifte en deze aangifte
niet, onvolledig of onjuist doet, wordt gestraft met geldboete van de
derde categorie.
5. Degene die een der in het vierde lid
omschreven feiten opzettelijk begaat, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
categorie.
6. Met betrekking tot de in het vierde
en vijfde lid strafbaar gestelde feiten is artikel 10:15, derde lid,
onder e, niet van toepassing.
Artikel 10:2
Degene die goederen in strijd met de
douanewetgeving niet aanbrengt bij een douanekantoor van uitgang, of
goederen buiten het douanegebied van de Gemeenschap voert in strijd met
artikel 183 van het Communautair douanewetboek, of van de buiten het
douanegebied te brengen goederen in strijd met de artikelen 182bis,
182quater en 182quinquies van het Communautair douanewetboek geen
summiere aangifte doet, wordt gestraft met een geldboete van de derde
categorie.
Artikel 10:3
1. Degene die goederen waarvoor een in
de douanewetgeving voorziene aangifte niet is gedaan, lost, laadt,
vervoert, in enig gebouw, erf of besloten terrein inslaat, voorhanden
heeft of daaruit uitslaat, koopt, verkoopt, te koop aanbiedt of
aflevert, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie of,
indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de
rechten bij invoer die ter zake van de goederen zijn verschuldigd.
2. Degene die een der in het eerste lid
omschreven feiten begaat terwijl hij weet of vermoedt dat de rechten
bij invoer ter zake van de in dat lid bedoelde goederen niet zijn
voldaan, noch de heffing van die rechten overeenkomstig de
douanewetgeving is verzekerd, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie of, indien
dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van die rechten.
Artikel 10:4
1. Degene die in strijd met de
douanewetgeving goederen waarvoor vrijstelling van rechten bij invoer
wordt genoten, gebruikt of doet gebruiken op een wijze of voor
doeleinden waarvoor de vrijstelling niet geldt, of aan goederen die in
het vrije verkeer zijn gebracht met toepassing van een verlaagd recht
bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van hun bijzondere
bestemming, een bestemming heeft gegeven die afwijkt van die met het
oog waarop het verlaagde recht bij invoer of het nulrecht is
toegepast, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie of,
indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de ter
zake van die goederen te weinig geheven rechten bij invoer.
2. Degene die een der in het eerste lid
omschreven feiten opzettelijk begaat, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde
categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het
bedrag van de te weinig geheven rechten bij invoer.
Artikel 10:5
1. Degene die:
a. een ingevolge de douanewetgeving
vereiste aangifte onjuist of onvolledig doet;
b. ingevolge de douanewetgeving
verplicht is tot:
1°. het verstrekken van
inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze niet, onjuist
of onvolledig verstrekt;
2°. het vertonen, overgeven of
voor raadpleging beschikbaar stellen van bepaalde
gegevensdragers, of de inhoud daarvan, en een zodanige
verplichting niet nakomt;
3°. het vertonen, overgeven of
voor raadpleging beschikbaar stellen van bepaalde
gegevensdragers, of de inhoud daarvan, en valse of vervalste
gegevensdragers vertoont, overgeeft of voor raadpleging
beschikbaar stelt, dan wel de inhoud daarvan in valse of
vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stelt;
4°. het voeren van een
administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de
douanewetgeving gestelde eisen, en een zodanige administratie
niet voert;
5°. het bewaren van boeken,
bescheiden of andere gegevensdragers, en deze niet bewaart;
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de derde categorie.
2. Degene die opzettelijk een der
feiten begaat, omschreven in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°,
2°, 4° of 5°, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig
rechten bij invoer worden geheven, gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien
dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig
geheven rechten.
3. Degene die opzettelijk een der
feiten begaat, omschreven in het eerste lid, onderdeel a of b, onder
3°, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij
invoer worden geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag
hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven
rechten.
4. Indien het feit, ter zake waarvan de
verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen
van het tweede of het derde lid, als onder die van artikel 225, tweede
lid, van het Wetboek van Strafrecht, is strafvervolging op grond van
genoemd artikel 225, tweede lid, uitgesloten.
5. Dit artikel is niet van toepassing
ten aanzien van de invordering van de rechten bij invoer.
Artikel 10:6
Degene die niet voldoet aan een hem bij
of krachtens, artikel 1:11, 1:23,1:24, derde lid, 1:27, eerste lid,1:28,
tweede lid, of 1:32, tweede lid, van deze wet, dan wel artikel 14 of 69,
tweede lid, van het Communautair douanewetboek opgelegde verplichting,
wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 10:7
Degene die niet voldoet aan de hem bij
artikel 1:34 opgelegde verplichting, wordt gestraft met geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 10:8
1. Degene die een tot stand gebrachte
identificatiemaatregel met betrekking tot een vervoermiddel,
bergingsmiddel, verpakkingsmiddel, goederen, werktuig, leiding, gebouw
of terrein, of deel daarvan, in strijd met de douanewetgeving schendt,
wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
2. Degene die een van de in het eerste
lid omschreven feiten opzettelijk begaat, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde
categorie.
3. Degene die, nadat hij door de
inspecteur in kennis is gesteld van diens voornemen om een
identificatiemaatregel als bedoeld in het eerste lid tot stand te
brengen, er geen zorg voor draagt dat de inspecteur deze maatregel op
een deugdelijke wijze tot stand kan brengen, alsmede degene die,
behoudens indien zich al dan niet in het kader van een douaneregeling
gevallen voordoen als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van het
Communautair douanewetboek, er geen zorg voor draagt dat de door de
inspecteur tot stand gebrachte identificatiemaatregel in stand blijft,
wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
4. Degene die anders dan als inspecteur
bevoegd is om een identificatiemaatregel tot stand te brengen en er
geen zorg voor draagt dat de maatregel op een deugdelijke wijze tot
stand wordt gebracht, wordt gestraft met geldboete van de derde
categorie.
5. Ten aanzien van de in het derde en
in het vierde lid omschreven feiten kan voor de betrokkene niet het
bestaan van overmacht worden aangenomen, indien hij niet onverwijld
nadat hem bekend is geworden dat een identificatiemaatregel niet op
deugdelijke wijze is tot stand gebracht of een identificatiemaatregel
niet in stand is gebleven, daarvan aan de inspecteur mededeling doet.
Artikel 10:9
1. Degene die van goederen waaraan
herkenningsmiddelen of denatureringsmiddelen zijn toegevoegd, die
herkenningsmiddelen of denatureringsmiddelen daarvan geheel of ten
dele afscheidt, de werking ervan geheel of ten dele opheft of
verandert, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
2. Degene die een der in het eerste lid
omschreven feiten opzettelijk begaat, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde
categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het
bedrag van de te weinig geheven rechten bij invoer.
Artikel 10:10
Overtreding van krachtens deze wet bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde bepalingen wordt, voorzover
die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete
van de derde categorie.
Artikel 10:11
Overtreding van krachtens deze wet bij
regeling van Onze Minister wie het aangaat vastgestelde bepalingen,
voorzover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met
geldboete van de tweede categorie.
Artikel 10:12 [Vervallen per 01-07-2009]
Afdeling 10.2. Algemene bepalingen van
strafrecht
Artikel 10:13
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten
waarop gevangenisstraf is gesteld, zijn misdrijven. De overige bij deze
wet strafbaar gestelde feiten, alsmede de in de op deze wet berustende
bepalingen strafbaar gestelde feiten, zijn overtredingen.
Artikel 10:14
Ter zake van de bij deze wet of de daarop
berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten vindt artikel 36e van
het Wetboek van Strafrecht geen toepassing.
Artikel 10:15
1. Ten aanzien van bij deze wet of de
daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten met betrekking
tot welke het proces-verbaal niet overeenkomstig artikel 11:3, tweede
lid, in handen van de officier van justitie is gesteld, kan in
afwijking van de artikelen 257a, 257b en 257ba van het Wetboek van
Strafvordering, uitsluitend de inspecteur een strafbeschikking
uitvaardigen. Bij regeling van Onze minister van Financiën kunnen
functionarissen worden aangewezen die deze bevoegdheid namens de
inspecteur kunnen uitoefenen.
2. In deze strafbeschikking kan een
geldboete worden opgelegd. Voorts kan deze strafbeschikking
aanwijzingen bevatten waaraan de verdachte moet voldoen. De
aanwijzingen kunnen inhouden:
a. afstand van voorwerpen die in
beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of
onttrekking aan het verkeer;
b. uitlevering, of voldoening aan
de staat van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn
voor verbeurdverklaring;
c. voldoening aan de Staat van een
geldbedrag gelijk aan of lager dan het geschatte voordeel – met
inbegrip van besparing van kosten – door de verdachte verkregen
door middel van of uit het strafbare feit;
d. het alsnog voldoen aan een uit
de douanewetgeving voortvloeiende verplichting.
3. Een strafbeschikking waarin een
geldboete wordt opgelegd van meer dan€ 2000, wordt, in afwijking van
artikel 257c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, slechts
uitgevaardigd indien de verdachte daaraan voorafgaand is gehoord.
4. Een geldboete wordt, in zoverre in
afwijking van artikel 257g van het Wetboek van Strafvordering,
ingevorderd op de wijze, voorzien in de Invorderingswet 1990. Daartoe
wordt een afschrift van de strafbeschikking aan de ontvanger ter hand
gesteld. De inspecteur of de aangewezen functionaris bepaalt voorts de
termijn binnen welke aan de gegeven aanwijzingen moet zijn voldaan en
zo nodig tevens de plaats waar zulks moet geschieden. De gestelde
termijn kan voor de afloop daarvan eenmaal worden verlengd.
5. In afwijking van artikel 257h,
tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verstrekt de inspecteur
desgevraagd een afschrift van een strafbeschikking aan ieder ander dan
de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel
van het bestuur ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien
van wie de strafbeschikking is uitgevaardigd of van de derden die in
de strafbeschikking worden genoemd, geheel of gedeeltelijk dient te
worden geweigerd. In het laatste geval kan de inspecteur een
geanonimiseerd afschrift van de strafbeschikking verstrekken.
6. Indien binnen veertien dagen geen
afschrift dan wel een geanonimiseerd afschrift wordt verstrekt, kan de
verzoeker een klaagschrift indienen bij de inspecteur. Deze stelt het
klaagschrift, de strafbeschikking en het proces-verbaal in handen van
de officier van justitie, welke het klaagschrift en de processtukken
onverwijld ter kennis brengt van de rechtbank, tenzij hij alsnog aan
het verzoek tegemoetkomt. De procesdeelnemers zijn, in afwijking van
artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet
bevoegd van de inhoud van de processtukken kennis te nemen dan voor
zover de rechtbank zulks toestaat.
7. Artikel 552ab van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10:16
1. Medeplichtigheid aan de in de
artikelen 10:1, eerste lid, 10:2, 10:3, eerste lid, en 10:5, eerste
lid, onderdeel a, vermelde overtredingen is strafbaar. Te dien aanzien
vinden de artikelen 48 en 49 van het Wetboek van Strafrecht
overeenkomstige toepassing.
2. Poging tot de inartikel 10:3, eerste
lid, vermelde overtreding is strafbaar. Te dien aanzien vindt artikel
45 van het Wetboek van Strafrecht overeenkomstige toepassing.
Artikel 10:17
De Nederlandse strafwet is ook van
toepassing op ieder die zich buiten het gebied waarop deze wet ingevolge
artikel 1:2 van toepassing is, schuldig maakt aan:
a. enig in deze wet omschreven
misdrijf;
b. de in artikel 10:5, eerste lid,
onderdeel b, onder 3°, omschreven overtreding.
Artikel 10:18
Bij veroordeling wegens een der in de
artikelen 10:1, 10:2, 10:3, 10:4 en10:5, eerste lid, onderdeel a,
omschreven strafbare feiten kunnen de in artikel 33a, eerste lid,
onderdelen b tot en met e, van het Wetboek van Strafrecht genoemde
voorwerpen ook worden verbeurdverklaard, indien zij niet aan de in dat
artikel bedoelde persoon toebehoren.
Hoofdstuk 11. Algemene bepalingen van
strafvordering
Artikel 11:1
1. De rechtbanken vonnissen in eerste
aanleg over bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar
gestelde feiten.
2. De vonnissen zijn aan hoger beroep
onderworpen, voorzover zij zijn gewezen:
a. ter zake van misdrijven;
b. ter zake van overtredingen ten
aanzien van degene die op het tijdstip waarop de vervolging tegen
hem is aangevangen, de leeftijd van achttien jaar nog niet had
bereikt.
3. Tegen andere vonnissen kan de
verdachte hoger beroep instellen, indien hechtenis als hoofdstraf is
opgelegd, een geldboete van € 113 of meer is opgelegd dan wel een
verbeurdverklaring is uitgesproken; het openbaar ministerie kan hoger
beroep instellen, indien het gelijke straffen heeft gevorderd.
Artikel 11:2
Ten aanzien van bij deze wet of de daarop
berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten worden personen, niet
zijnde natuurlijke personen, voor de toepassing van artikel 2 van het
Wetboek van Strafvordering geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.
Artikel 11:3
1. Met het opsporen van bij deze wet of
de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten zijn,
behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde
personen, belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd
inzake douane, dan wel de ambtenaren die bij regeling van Onze
Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister wie het
mede aangaat zijn aangewezen.
2. In afwijking van de artikelen 155,
156 en 157 van het Wetboek van Strafvordering worden alle
processen-verbaal betreffende bij deze wet of de daarop berustende
bepalingen strafbaar gestelde feiten ingezonden bij de inspecteur. De
inspecteur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten, ter
zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is
toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is
binnengetreden, met de in beslag genomen voorwerpen onverwijld
toekomen aan de bevoegde officier van justitie. De overige
processen-verbaal doet de inspecteur, met de in beslag genomen
voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een
vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.
3. De officier van justitie is bevoegd,
de zaak ter afdoening weer in handen van de inspecteur te stellen,
welke daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 10:15.
4. Het bepaalde in artikel 148, tweede
lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt geen toepassing in
zaken, waarin de inspecteur het proces-verbaal niet aan de officier
van justitie heeft doen toekomen.
Artikel 11:4
De ambtenaren belast met het opsporen van
bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde
feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge
het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen.
Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
Artikel 11:5
1. In zaken waarin de inspecteur het
proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 11:3, tweede
lid, aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten
aanzien van de inspecteur hetgeen in artikel 116 van het Wetboek van
Strafvordering ten aanzien van het openbaar ministerie is bepaald.
2. In de zaken, bedoeld in het eerste
lid, wordt bij de toepassing van de artikelen 552a en 552ab van het
Wetboek van Strafvordering, alvorens het gerecht ingevolge artikel
552a, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 552ab, vierde lid, van dat
artikel een beschikking neemt, ook de inspecteur in de gelegenheid
gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in
artikel 552d van dat wetboek, niet het openbaar ministerie doch de
inspecteur bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De
griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge artikel 552a,
vijfde lid, of artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een
beschikking neemt, deelt deze onverwijld mee aan de inspecteur.
Artikel 11:6
Bij het opsporen van een bij deze wet of
de daarop berustende bepalingen strafbaar gesteld feit hebben de in
artikel 11:3, eerste lid, bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats,
voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te doen
vergezellen.
Artikel 11:7
Ten dienste van de vervolging en
berechting van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar
gestelde feiten kan Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met
Onze Minister van Veiligheid en Justitie, ambtenaren van de
rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, aanwijzen, die het contact
onderhouden met het openbaar ministerie.
Artikel 11:8
De griffiers verstrekken aan de
inspecteur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van arresten of
vonnissen, met toepassing van deze wet gewezen.
Artikel 11:9
Met betrekking tot gerechtelijke
mededelingen inzake bij deze wet of de daarop berustende bepalingen
strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de
rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, de bevoegdheden bij het
Wetboek van Strafvordering aan ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering
van de politietaak, toegekend.
Artikel 11:10
Ten aanzien van de tenuitvoerlegging van
rechterlijke beslissingen inzake bij deze wet of de daarop berustende
bepalingen strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de
rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, de bevoegdheid van
deurwaarders.
Artikel 11:11
1. De ambtenaren van de
rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, zijn tevens belast met de
opsporing van:
a. de misdrijven omschreven in de
artikelen 179 tot en met 182 van het Wetboek van Strafrecht, welke
jegens hen zijn begaan;
b. het misdrijf omschreven in
artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, indien het bevel of de
vordering is gedaan krachtens of de handeling is ondernomen ter
uitvoering van de douanewetgeving.
2. De artikelen 152, 153, 157 en 159
van het Wetboek van Strafvordering zijn te dezen op de ambtenaren van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11:12
1. Met betrekking tot bij deze wet
strafbaar gestelde feiten en met uitbreiding van artikel 53 van het
Wetboek van Strafvordering is de inspecteur bevoegd een van misdrijf
verdachte persoon die is aangehouden in of op een locatie of
vervoermiddel, een en ander als bedoeld in de artikelen 1:26 en 1:27,
of bij het juist hebben verlaten van een locatie of vervoermiddel als
in die artikelen bedoeld, na aanhouding naar een plaats voor verhoor
te geleiden dan wel diens aanhouding of voorgeleiding te bevelen.
2. Indien de inspecteur die de
verdachte heeft aangehouden of voor wie de verdachte wordt geleid de
inverzekeringstelling of de bewaring van de verdachte nodig oordeelt,
doet hij de verdachte voorgeleiden voor de officier van justitie of
voor een hulpofficier van justitie.
3. Indien de verdachte niet voor de
officier of voor een hulpofficier van justitie wordt voorgeleid, wordt
de verdachte, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld.
4. De verdachte mag niet langer dan zes
uren voor verhoor worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd
tussen middernacht en negen uur ’s ochtends niet wordt meegerekend.
Artikel 11:13
1. Goederen die in beslag zijn genomen
ter zake van het begaan van strafbare feiten als bedoeld in deze wet
of de daarop berustende bepalingen kunnen, voorzover de eisen van het
onderzoek of het algemeen belang bij hun vernietiging of
onbruikbaarmaking zich niet daartegen verzetten, zo nodig na
monsterneming, overeenkomstig bij regeling van Onze Minister van
Financiën te stellen regels, tegen zekerheidstelling worden
vrijgegeven.
2. Het bepaalde in het eerste lid vindt
geen toepassing ten aanzien van goederen, in beslag genomen in zaken
waarin de inspecteur het proces-verbaal ingevolge het bepaalde in
artikel 10:3, tweede lid, aan de officier van justitie heeft doen
toekomen.
3. De overeenkomstig het eerste lid
gestelde zekerheid treedt voor de toepassing van bepalingen
betreffende verbeurdverklaring en inbeslagneming, alsmede voor de
uitoefening van het recht van verhaal, in de plaats van de in beslag
genomen goederen.
Artikel 11:14
1. Van goederen die ter zake van het
begaan van strafbare feiten als bedoeld in deze wet of de daarop
berustende bepalingen, in beslag zijn genomen van onbekende personen,
wordt volgens bij regeling van Onze Minister van Financiën te stellen
regels in het openbaar mededeling gedaan.
2. Indien niet binnen een jaar na
dagtekening van de in het eerste lid bedoelde mededeling op voldoende
wijze blijkt wie de ten aanzien van de in beslag genomen goederen
bevonden overtreding van de douanewetgeving heeft begaan en evenmin de
belanghebbende bij de goederen aannemelijk maakt dat zij ten onrechte
in beslag zijn genomen, vervallen de goederen aan de Staat.
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Artikel 12:1
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek nadere regels worden
gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.
Artikel 12:2
Bij het uitoefenen van het recht op
beroep moet in bezwaar-, verzoek-, beroep-,verweer- en verzetschriften
hij die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging
heeft, domicilie kiezen in Nederland.
Artikel 12:3
Het ingevolge het Communautair
douanewetboek, de toepassingsverordening Communautair douanewetboek of
de wet bekendmaken, toezenden daaronder begrepen, van een stuk aan een
persoon, die niet binnen Nederland een vaste woonplaats of plaats van
vestiging heeft, kan ook geschieden aan de binnen Nederland gelegen
vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, dan wel
aan de woning of het kantoor van de binnen Nederland wonende of
gevestigde vertegenwoordiger.
Artikel 12:4
Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 12:5
Voor de bekendmaking van deze wet stelt
Onze Minister van Financiën de nummering van de artikelen, paragrafen,
hoofdstukken en afdelingen van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in
deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen, hoofdstukken
en afdelingen daarmee in overeenstemming.
Artikel 12:6
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene
douanewet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 3 april 2008
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager
Uitgegeven de vijftiende april 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage bij de artikelen 1:1 en
1:3 van de Algemene douanewet
A. Europese regelgeving
Voorschriften gebaseerd op de artikelen 26, 36,
37, 60, 71, 80, 87, 88, 89, 93, 94, 95, 132, 133, 134, 135, 152, 175,
301 of 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
voor zover het voorschriften aangaande onderwerpen betreft die vallen
onder de reikwijdte van de hierna genoemde wetten.
B. Nationale regelgeving
– Algemene douanewet
– Auteurswet
– Binnenvaartwet
– Brandweerwet 1985
– Diergeneesmiddelenwet
– Elektriciteitswet 1998
– Flora- en faunawet
– Gaswet
– Geneesmiddelenwet
– Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
– Havenbeveiligingswet
– Havennoodwet
– Kaderwet diervoeders
– Kernenergiewet
– Landbouwkwaliteitswet
– Landbouwwet
– Luchtvaartwet
– Meetbrievenwet 1981
– Mijnbouwwet
– Noodwet voedselvoorziening
– Opiumwet
– Plantenziektenwet
– Prijzennoodwet
– Rijksoctrooiwet 1995
– Sanctiewet 1977
– Scheepvaartverkeerswet
– Schepenwet
– Telecommunicatiewet
– Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake
onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van
cultuurgoederen
– Uitvoeringswet verdrag biologische wapens
– Uitvoeringswet verdrag chemische wapens
– Vaarplichtwet
– Visserijwet 1963
– Waarborgwet 1986
– Warenwet
– Waterwet
– Wegenverkeerswet 1994
– Wet aansprakelijkheid olietankschepen
– Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen
– Wet beschikbaarheid goederen
– Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot
– Wet explosieven voor civiel gebruik
– Wet financiële betrekkingen buitenland 1994
– Wet geluidhinder
– Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
– Wet goedkeuring en uitvoering
Markham-overeenkomst
– Wet grensoverschrijdend vervoer van aan
bederf onderhevige levensmiddelen
– Wet havenstaatcontrole
– Wet invoering verbod tot het vervaardigen,
voorradig hebben en verspreiden van drukwerken of andere voorwerpen
die, in verband met de invoering van de euro, ten onrechte de indruk
zouden kunnen wekken dat zij wettig betaalmiddel zijn
– Wet inzake bloedvoorziening
– Wet inzake de luchtverontreiniging
– Wet luchtvaart
– Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding
– Wet milieubeheer
– Wet nationaliteit zeeschepen in
rompbevrachting
– Wet op de kansspelen
– Wet op de lijkbezorging
– Wet op de medische hulpmiddelen
– Wet op de naburige rechten
– Wet op de strandvonderij
– Wet pleziervaartuigen
– Wet tot behoud van cultuurbezit
– Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig
uit bezet gebied
– Wet uitvoering internationaal
energieprogramma
– Wet veiligheid en kwaliteit
lichaamsmateriaal
– Wet vervoer gevaarlijke stoffen
– Wet vervoer over zee
– Wet voorkoming misbruik chemicaliën
– Wet voorkoming verontreiniging door schepen
– Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001
– Wet wapens en munitie
– Wet wegvervoer goederen
– Zaaizaad- en plantgoedwet 2005
– Zeebrievenwet
– Zeevaartbemanningswet
|
|
|