| |
|
|
|
|
vorige
ALGEMENE
DOUANEWET (Adw)
Tekst zoals deze geldt op
18 juli 2010
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Algemeen douanebesluit
- Algemene douaneregeling
- Besluit strategische goederen
WET van 3 april 2008 tot algehele herziening van de
douanewetgeving (Algemene douanewet)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
ter verbetering van de doelmatigheid, ter verhoging van de
inzichtelijkheid en ter vereenvoudiging van de wetgeving inzake het
douanetoezicht op dan wel de douanecontrole van goederen en
goederenverkeer in ruime zin, wenselijk is regels, welke ten aanzien van
douanetoezicht en douanecontrole gemeen zijn, in een algemene wet samen
te vatten, mede in verband met de op douanetoezicht en douanecontrole
betrekking hebbende internationale afspraken of besluiten van
volkenrechtelijke organisaties;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Afdeling 1.1. Toepassingsgebied en basisdefinities
Artikel 1:1
1.De bepalingen bij of krachtens deze wet vormen de nationale bepalingen
ter uitvoering van:
a. het Communautair douanewetboek, de ter uitvoering daarvan
vastgestelde communautaire bepalingen, en
b. andersluidende bepalingen, die uit autonome communautaire maatregelen
als bedoeld in het Communautair douanewetboek, voortvloeien.
2.De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ten behoeve van
de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit:
a. interregionaal recht,
b. het Koninkrijk verbindende verdragen en
c. in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen
opgerichte volkenrechtelijke organisaties, voorzover deze verplichtingen
betrekking hebben op het douanetoezicht op, dan wel op de douanecontrole
van, goederen en het goederenverkeer en voorts onderwerpen betreffen die
vallen onder de reikwijdte van een of meer regelingen als bedoeld in de
bijlage bij deze wet.
3.De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ten behoeve van
de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit regelingen van
internationaal recht tot het verlenen van wederzijdse administratieve
bijstand inzake goederen en goederenverkeer.
4.De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede tot uitvoering
van gemeenschappelijke optredens, gemeenschappelijke standpunten,
kaderbesluiten, besluiten en overeenkomsten die zijn aangenomen dan wel
vastgesteld door de Raad van de Europese Unie, voorzover deze betrekking
hebben op goederen en goederenverkeer en voorts onderwerpen betreffen
die vallen onder de reikwijdte van een of meer regelingen als bedoeld in
de bijlage bij deze wet.
5.De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ter handhaving
van verboden of beperkingen die op goederen bij het binnenbrengen in,
onderscheidenlijk verlaten van, het douanegebied van de Gemeenschap dan
wel de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, of bij het kiezen van een
douanebestemming van toepassing zijn of zouden zijn bij of krachtens een
communautair of ander wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de
bijlage bij deze wet.
6.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen wijzigingen worden
aangebracht in de bijlage bij deze wet.
Artikel 1:2
Deze wet is van toepassing op het grondgebied van Nederland met inbegrip
van zijn luchtruim, zijn maritieme binnenwateren en territoriale zee, en
elk gebied buiten deze territoriale zee waarin Nederland, in
overeenstemming met het internationale recht, jurisdictie of soevereine
rechten uitoefent met betrekking tot de zeebodem, de ondergrond daarvan,
het bovenliggende water en luchtruim.
Artikel 1:3
1. In aanvulling op de begripsbepalingen van het Communautair
douanewetboek, de toepassingsverordening Communautair douanewetboek en
andere communautaire bepalingen wordt verstaan onder:
a. Communautair douanewetboek: verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van
het communautair douanewetboek (PbEG L 302);
b. toepassingsverordening Communautair douanewetboek: verordening (EEG)
nr. 2454/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 juli
1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van
verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek
(PbEG L 253);
c. inspecteur of ontvanger: functionaris die met de toepassing van deze
wet is belast en als zodanig bij regeling van Onze Minister van
Financiën, in voorkomend geval, in overeenstemming met Onze Minister
wie het mede aangaat, is aangewezen;
d. douaneautoriteiten, bevoegde autoriteiten of douanediensten van de
lidstaten: de inspecteur of ontvanger;
e. goederen: alle zaken die kunnen worden ingedeeld in het douanetarief;
f. rechten bij invoer: zowel rechten bij invoer als invoerrechten;
g. verzoeker: aanvrager, bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht.
2. Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan de
aanwijzing tot inspecteur dan wel ontvanger worden beperkt tot een
bepaalde locatie dan wel taak en kunnen bevoegdheden worden
uitgezonderd.
3. Wanneer de regeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, een
aanwijzing betreft van een functionaris die niet ressorteert onder de
rijksbelastingdienst, is in elk geval uitgezonderd:
a. indien het een aanwijzing betreft ter zake van taken in het kader van
de Wet tot behoud van cultuurbezit of de Wet vervoer over zee, de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:30, 1:36 en 1:37;
b. indien het een aanwijzing betreft ter zake van andere taken dan
bedoeld in onderdeel a, de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:26,
1:28, 1:30, 1:36 en 1:37;
c. de bevoegdheid, bedoeld in artikel 1:23, indien de plaats een woning
betreft.
4. Het derde lid, onderdeel c, is niet van toepassing indien het betreft
een controle ter zake van de Kernenergiewet, de Prijzennoodwet, de
Uitvoeringswet verdrag chemische wapens, de Waarborgwet 1986, de
Destructiewet, de Diergeneesmiddelenwet, de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren, de Kaderwet diervoeders, de Wet tot behoud van
cultuurbezit, de Waterwet, de Wet vervoer over zee, de
Zeevaartbemanningswet, de Wet voorkoming verontreiniging door schepen,
de Warenwet, de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer.
5. Onze Minister van Financiën sluit met Onze Ministers wie het mede
aangaat convenanten aangaande de kwantitatieve en kwalitatieve inzet van
de functionarissen die ressorteren onder de rijksbelastingdienst met
betrekking tot de douanecontrole van het bepaalde bij of krachtens een
communautair of ander wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de
bijlage bij deze wet.
6. Hetgeen in deze wet en de daarop rustende bepalingen is bepaald ten
aanzien van de rechten bij invoer, is van overeenkomstige toepassing op
de rechten bij uitvoer, tenzij anders is bepaald.
7. Indien in het Communautair douanewetboek dan wel de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek bevoegdheden zijn
opgedragen aan de lidstaten worden die bevoegdheden uitgeoefend door de
inspecteur onderscheidenlijk de ontvanger. Hiervan kan worden afgeweken
bij of krachtens deze wet.
Artikel 1:4
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter uitwerking
van interregionaal recht, het Koninkrijk verbindende verdragen en in al
hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen
opgerichte volkenrechtelijke organisaties, regels van uitvoerende aard
worden gesteld, die op goederen bij het binnenbrengen in,
onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van
toepassing zijn.
2.Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van
bestuur kunnen, met betrekking tot de uitvoering van gemeenschappelijke
optredens, gemeenschappelijke standpunten, kaderbesluiten, besluiten en
overeenkomsten die zijn aangenomen dan wel vastgesteld door de Raad van
de Europese Unie, regels van uitvoerende aard worden gesteld, die op
goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de
gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van toepassing zijn.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ter uitwerking van regelingen van internationaal recht tot het
verlenen van wederzijdse administratieve bijstand.
4.Onze Minister wie het aangaat, kan bevoegdheden, welke hem ingevolge
het gestelde bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van
bestuur toekomen, in een bij of krachtens die maatregel te bepalen
omvang, aan het bestuur van een bedrijfslichaam dan wel zelfstandig
bestuursorgaan overdragen en ten aanzien van de uitvoering ervan regels
stellen.
Artikel 1:5
Bij de toepassing van de bepalingen bij of krachtens deze wet ingevolge
artikel 1:1, tweede tot en met vijfde lid, zijn de bepalingen van Titel
I, Titel II, hoofdstukken 1 en 2, afdeling 1, Titel VIII en Titel IX,
hoofdstuk 2, van het Communautair douanewetboek en Deel I, Titels I tot
en met IV, hoofdstuk 1, van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:6
1. Afdeling 2.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing.
2. Voor de toepassing van de bepalingen gesteld bij of krachtens deze
wet blijft de titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht buiten
toepassing.
Artikel 1:7
Waar een persoon woont dan wel is gevestigd, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld.
Afdeling 1.2. Diverse algemene bepalingen betreffende met name rechten
en verplichtingen van personen
Paragraaf 1.2.1. Vertegenwoordiging
Artikel 1:8
De artikelen 2:1 en 2:2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn alleen
van toepassing in geval van het instellen van bezwaar en de daarbij
behorende procedure.
Artikel 1:9
1.De inspecteur kan een persoon als douane-expediteur toelaten.
2.De inspecteur kan een toelating als douane-expediteur weigeren aan een
persoon die in de laatstverlopen vijf jaren wegens een strafbaar feit
onherroepelijk is veroordeeld, wanneer dat strafbaar feit naar
Nederlands recht wordt aangemerkt als een misdrijf.
3.Douane-expediteurs die niet in Nederland wonen of zijn gevestigd, zijn
gehouden in Nederland woonplaats te kiezen of een vaste inrichting op te
richten alvorens zij werkzaamheden als toegelaten douane-expediteur gaan
verrichten.
Artikel 1:10
Van de mogelijkheid om bij het doen van een douaneaangifte als indirecte
vertegenwoordiger op te treden als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van
het Communautair douanewetboek kan slechts gebruik worden gemaakt door
een douane-expediteur als bedoeld in artikel 1:9. Hij dient daartoe
schriftelijk door zijn opdrachtgever te zijn gemachtigd.
Artikel 1:11
De douane-expediteur is gehouden aan zijn opdrachtgever een factuur te
verstrekken waarin ten behoeve van deze laatste aan het Rijk betaalde
rechten bij invoer, andere belastingen, heffingen, retributies, dan wel
rente, interest, kosten en bestuurlijke boeten voorzover aan zijn
opdrachtgever te wijten, afzonderlijk zijn omschreven.
Artikel 1:12
1.Douane-expediteurs hebben een voorrecht op alle vermogensbestanddelen
van de opdrachtgever voor de door hen ten behoeve van hun opdrachtgever
betaalde rechten bij invoer, andere belastingen, heffingen, retributies
dan wel rente, interest, kosten en bestuurlijke boeten voor zover aan
zijn opdrachtgever te wijten gedurende een jaar na de aan het Rijk
gedane betaling.
2.Het in het eerste lid toegekende voorrecht heeft gelijke rangorde als
het in artikel 21 van de Invorderingswet 1990 toegekende voorrecht van
’s Rijks schatkist, met dien verstande dat dit laatste voorrecht
voorgaat.
Artikel 1:13
1.De inspecteur kan op grond van laakbare handelingen van de
douane-expediteur, gepleegd in de uitoefening van zijn bedrijf als
douane-expediteur, diens toelating als douane-expediteur intrekken,
indien tevoren aan de douane-expediteur wegens vroeger gepleegde
laakbare handelingen in de laatstverlopen drie jaren een waarschuwing,
houdende de feiten waarop zij is gegrond, is uitgereikt.
2.In afwijking van het eerste lid kan de inspecteur de toelating als
douane-expediteur onmiddellijk intrekken indien de douane-expediteur
onherroepelijk is veroordeeld wegens een strafbaar feit, wanneer dat
strafbaar feit naar Nederlands recht wordt aangemerkt als een misdrijf.
3.Aan de douane-expediteur wiens toelating is ingetrokken, wordt,
behoudens in bijzondere gevallen, een nieuwe toelating niet verleend
voordat vijf jaren sedert de intrekking zijn verlopen.
Artikel 1:14
De bevoegdheden van een persoon, anders dan een natuurlijk persoon,
kunnen worden uitgeoefend en zijn verplichtingen kunnen worden nagekomen
door iedere bestuurder.
Artikel 1:15
1.De bevoegdheden en de verplichtingen van een minderjarige, een onder
curatele gestelde, iemand die in staat van faillissement is verklaard of
ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is, of iemand wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen
worden uitgeoefend en nagekomen door een wettelijke vertegenwoordiger,
curator of bewindvoerder. Op vordering van de inspecteur zijn
laatstgenoemden tot nakoming van de verplichtingen gehouden.
2.Om geldige redenen kan de inspecteur de vertegenwoordiging, bedoeld in
het eerste lid, uitsluiten in de nakoming van een verplichting van hem
die zelf tot die nakoming in staat is.
Artikel 1:16
1.Na iemands overlijden kunnen zijn rechtverkrijgenden onder algemene
titel in het uitoefenen van de bevoegdheden en in het nakomen van de
verplichtingen, welke de overledene zou hebben gehad, ware hij in leven
gebleven, worden vertegenwoordigd door een hunner, de executeur, de door
de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap of de bewindvoerder
over de nalatenschap. Op vordering van de inspecteur is ieder der in dit
lid genoemde personen tot nakoming van die verplichtingen gehouden.
2.Stukken betreffende de aangelegenheden van de overledene kunnen worden
gericht aan een van de in het eerste lid genoemde personen.
Artikel 1:17
Deze paragraaf is niet van toepassing op strafvordering.
Paragraaf 1.2.2. Beschikkingen
Artikel 1:18
1.Een beschikking als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 5, van het
Communautair douanewetboek wordt gelijkgesteld met een beschikking als
bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.De toestemming gegeven door de ambtenaar, bedoeld in artikel 1:28,
zesde lid, wordt aangemerkt als een beschikking genomen door de
inspecteur.
3.Het doen van aangifte is geen aanvraag in de zin van artikel 1:3,
derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.Artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
5.In afwijking van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kan de bekendmaking dan wel kennisgeving van beschikkingen
op mondelinge verzoeken mondeling aan de verzoeker geschieden.
6.Artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht is alleen van
toepassing op schriftelijk genomen beschikkingen, niet zijnde een
bindende inlichting.
7.Afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op schriftelijk genomen beschikkingen waarbij verzoeken niet worden
ingewilligd of die ongunstige gevolgen hebben voor de personen tot wie
zij zijn gericht.
8.Artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
9.Onverminderd artikel 2 van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek is artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing indien een verzoek om een bindende
tariefinlichting of een bindende oorsprongsinlichting dan wel een
verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer is
ingediend.
10.Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is slechts
van toepassing indien de inspecteur in redelijkheid niet kan voldoen aan
de hem ingevolge artikel 2 van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek opgelegde verplichting.
11.Afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing op beschikkingen die niet-schriftelijk worden genomen of die
het gevolg zijn van het doen van een aangifte.
12.Artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing.
13.Artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
indien een verzoek om een bindende tariefinlichting of een bindende
oorsprongsinlichting is ingediend.
Paragraaf 1.2.3. Kosten ambtelijke werkzaamheden
Artikel 1:19
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden de gevallen vastgesteld
waarin de belanghebbende ter zake van het verrichten van werkzaamheden
kosten aan het Rijk is verschuldigd.
2.Bij regeling van Onze Minister van Financiën wordt het tarief van
kosten die verschuldigd zijn krachtens het eerste lid, vastgesteld.
3.Het tarief wordt zodanig vastgesteld dat de verschuldigde kosten de
werkelijke kosten zoveel mogelijk benaderen.
4.De inspecteur stelt het bedrag van de door belanghebbende
verschuldigde kosten vast.
Paragraaf 1.2.4. Overige bepalingen inzake douanetoezicht en
douanecontrole
Artikel 1:20
Deze paragraaf is van toepassing op douanetoezicht of douanecontrole op
de voet van het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 1:21
De inspecteur maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voorzover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 1:22
1.Bij de uitoefening van zijn taak namens de inspecteur draagt de
ambtenaar een legitimatiebewijs bij zich, afgegeven door Onze Minister
wie het aangaat of een door hem aangewezen ambtenaar.
2.Onverminderd artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene wet op
het binnentreden toont hij zijn legitimatiebewijs desgevraagd
onverwijld.
3.Het model van het legitimatiebewijs is het krachtens artikel 5:12,
derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht vastgestelde model.
Artikel 1:23
1.De inspecteur is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur
of dieren elke plaats te betreden.
2.Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door
hem zijn aangewezen.
3.Het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner mag
slechts door ambtenaren die deze bevoegdheid door de inspecteur
toegekend hebben gekregen.
4.De inspecteur is bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld
in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden.
5.Ten aanzien van woningen op of in vervoermiddelen zijn de artikelen 5,
eerste lid, en 7 van de Algemene wet op het binnentreden niet van
toepassing.
Artikel 1:24
1.De inspecteur is bevoegd over te gaan tot een onderzoek van goederen
en het eventueel nemen van monsters voor analyse of grondige controle
ingeval geen aanvaarding van een douaneaangifte heeft plaatsgevonden.
2.Voor de toepassing van het eerste lid is artikel 69 van het
Communautair douanewetboek en Deel I, Titel VIII, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek van overeenkomstige
toepassing, tenzij het doel of de aard van het onderzoek zich daartegen
verzet.
3.Ten behoeve van het onderzoek is, op vordering van de inspecteur, de
persoon die goederen vervoert die zich niet in of op een vervoermiddel
bevinden, gehouden terstond stil te staan.
4.Bij regeling van Onze Minister van Justitie wordt bepaald op welke
wijze de vordering tot stilhouden wordt gedaan.
5.De belanghebbende bij de goederen wordt voor de werking van dit
artikel aangemerkt als aangever.
Artikel 1:25
1.Het onderzoek van een groep of partij goederen of de controle achteraf
van de aangiften kan geschieden door middel van een gedeeltelijk
onderzoek.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gegeven
worden omtrent de wijze van het uitvoeren van een gedeeltelijk
onderzoek.
3.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
tweede lid, kunnen de maatstaven worden vastgesteld aan de hand waarvan
de resultaten van het onderzoek van goederen dan wel de controle
achteraf van aangiften, deel uitmakend van het deelonderzoek, als
beslissend wordt aangemerkt voor de gehele groep of partij goederen
waartoe de onderzochte goederen onderscheidenlijk de gehele groep van
aangiften waartoe de gecontroleerde aangiften behoren.
4.Voor de toepassing van dit artikel is, voor zover het een gedeeltelijk
onderzoek van goederen betreft, artikel 70, eerste lid, tweede alinea,
van het Communautair douanewetboek van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de belanghebbende bij de goederen wordt aangemerkt
als aangever.
Artikel 1:26
1.De inspecteur is bevoegd aan controle te onderwerpen:
a. gebouwen, niet zijnde woningen, en terreinen:
– ten aanzien waarvan ingevolge het bepaalde bij of krachtens de in
artikel 1:1, eerste lid, bedoelde regelingen een beschikking is genomen;
– die erkend zijn als grensinspectiepost als bedoeld in artikel 2,
tweede lid, onderdeel g, van richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18
december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van
de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de
Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG L 24, 1998);
– die een goedgekeurde plaats van inspectie zijn als bedoeld in
artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2004/103/EG van de
Commissie van 7 oktober 2004 betreffende de controles van de identiteit
en de fytosanitaire controles van in deel B van bijlage V bij Richtlijn
2000/29/EG van de Raad opgenomen planten, plantaardige producten en
andere materialen, die kunnen worden uitgevoerd op een andere plaats dan
de plaats van binnenkomst in de Gemeenschap of op een dichtbijgelegen
plaats en tot vaststelling van de eisen met betrekking tot deze
controles (PbEU L 313);
b. gebouwen, niet zijnde woningen, en terreinen alwaar zich goederen
bevinden:
– ten aanzien waarvan ingevolge het bepaalde bij of krachtens de in
artikel 1:1, eerste lid, bedoelde regelingen een beschikking is genomen;
– waarvoor een invoer- of uitvoervergunning is afgegeven, dan wel
waarvoor een dergelijke vergunning is aangevraagd;
c. spoorwegemplacementen, plaatsen voor distributie en overslag voor
goederen die over de weg worden vervoerd, havens, haventerreinen,
luchthavens en luchtvaartterreinen;
d. vervoermiddelen en de op of in die vervoermiddelen aanwezige
woningen.
2.Onder controle in de zin van het eerste lid wordt mede verstaan
doorzoeking.
Artikel 1:27
1.De inspecteur is bevoegd met het oog op de uitoefening van de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:23, 1:24 dan wel 1:26, aanhef en
onder d, van de bestuurder dan wel de gezagvoerder van het vervoermiddel
te vorderen dat deze zijn vervoermiddel vaart laat minderen, bijdraait,
landt, stilhoudt, naar een door hem aangewezen plaats overbrengt,
aanlegt en de motor buiten werking stelt.
2.Bij regeling van Onze Minister van Justitie wordt bepaald op welke
wijze de vordering tot stilhouden wordt gedaan.
Artikel 1:28
1.De inspecteur is bevoegd personen die aanwezig zijn in of op de in
artikel 1:26 bedoelde locaties of vervoermiddelen of deze juist gaan
betreden of hebben verlaten aan lijfsvisitatie te onderwerpen.
2.De in het eerste lid bedoelde personen zijn op vordering van de
inspecteur gehouden stil te staan en deze te volgen naar een door hem
aangewezen plaats.
3.Op vordering van de inspecteur zijn reizigers, die zich bevinden in
een vervoermiddel dat juist het douanegebied van de Gemeenschap is
binnengekomen of dat bestemd is om aanstonds te vertrekken om dat
douanegebied te verlaten, gehouden hun plaats- of vervoerbewijs te
vertonen. Deze verplichting geldt eveneens voor reizigers die een
dergelijk vervoermiddel juist hebben verlaten dan wel die op het punt
staan daarin aan boord te gaan.
4.Lijfsvisitatie geschiedt op een besloten plaats door personen die,
indien zij geen arts of verpleegkundige zijn, van hetzelfde geslacht
zijn als de persoon die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen.
5.Onder lijfsvisitatie wordt verstaan:
a. het onderzoek aan de kleding; het onderzoek aan de kleding omvat het
betasten van de kleding, het nauwkeurig onderzoek van de hoofdbedekking
en het schoeisel;
b. het verwijderen van de bovenkleding, teneinde deze aan een nauwkeurig
onderzoek te onderwerpen;
c. het uitwendig en inwendig schouwen van de holten van het
bovenlichaam, zonodig met de daartoe benodigde ontkleding;
d. het geheel ontkleden en het uitwendig schouwen van het lichaam;
e. het onderzoek van het onderlichaam; onder onderzoek van het
onderlichaam wordt verstaan het uitwendig schouwen van de openingen en
holten van het onderlichaam; het uitwendig schouwen van de openingen en
holten van het onderlichaam wordt verricht door een arts of, in diens
opdracht, door een verpleegkundige.
6.Tot gehele ontkleding dan wel het onderzoek van het onderlichaam van
degene die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen, wordt pas overgegaan na
toestemming van een ambtenaar die daartoe bij regeling van Onze Minister
van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede
aangaat, is aangewezen.
7.Onder lijfsvisitatie wordt mede verstaan het onderzoek met behulp van
apparatuur waarmee door kleding van de betrokken persoon kan worden
gekeken.
8.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
vastgesteld met betrekking tot het onderzoek van het onderlichaam en met
betrekking tot de apparatuur waarmee door kleding van personen kan
worden gekeken en het gebruik daarvan. Hierbij kan worden bepaald dat
het vierde lid niet van toepassing is bij het gebruik van deze
apparatuur.
Artikel 1:29
Onze Minister van Financiën is bevoegd, na overleg met Onze Minister
wie het mede aangaat, te bepalen, dat in het belang van controle en
onderzoek op openbare land- en waterwegen versperringen worden
aangebracht.
Artikel 1:30
1.De inspecteur is bevoegd bij een controle geweld te gebruiken wanneer
het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van
geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere
wijze kan worden bereikt.
2.Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.
3.De ambtenaren die namens de inspecteur een taak uitoefenen zijn
bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen indien uit feiten
of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor leven
of veiligheid van de ambtenaren zelf of van derden en dit onderzoek
noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.
4.De inspecteur is bevoegd bij toepassing van het eerste lid de hulp in
te roepen van de politie en de Koninklijke marechaussee of andere delen
van de krijgsmacht. Deze zijn verplicht aan de vordering onmiddellijk te
voldoen.
5.De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde
lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te
zijn.
6.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de toepassing van dit artikel.
Artikel 1:31
1. Het nemen van de nodige maatregelen, bedoeld in de artikelen 53,
eerste lid, 57, 75, 78, derde lid, en 89, tweede lid, van het
Communautair douanewetboek, wordt aangemerkt als het opleggen van een
last onder bestuursdwang.
2. Onverminderd het eerste lid is de inspecteur bevoegd tot oplegging
van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens
de in artikel 1:1 bedoelde regelingen of bij of krachtens deze wet
gestelde verplichtingen.
Artikel 1:32
1.Onverminderd artikel 1:5 van deze wet en de communautaire bepalingen
ter zake, zijn artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en de
artikelen 10 en 24 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van
overeenkomstige toepassing:
a. op de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit het bepaalde bij of
krachtens:
1°. de in artikel 1:1 bedoelde regelingen;
2°. deze wet;
b. op overige van belang zijnde gegevens voor de toepassing van het
bepaalde bij of krachtens:
1°. de in artikel 1:1 bedoelde regelingen;
2°. deze wet.
2.Toegelaten moet worden, dat kopieën, leesbare afdrukken of
uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar gestelde
gegevensdragers of de inhoud daarvan.
3.De inspecteur stelt de belanghebbende, op wie de verplichting tot het
voeren van een administratie als bedoeld in het eerste lid rust, wiens
gegevensdragers hij bij een derde voor raadpleging vordert hiervan
gelijktijdig in kennis.
Artikel 1:33
1.Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of
krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de
onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede personen die
hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, verschaffen
kosteloos, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter
keuze van de inspecteur –, de gegevens en inlichtingen, die hun door
de inspecteur worden gevraagd voor de uitvoering van het bepaalde bij of
krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen dan wel voor de
uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
2.Onze Minister van Financiën kan, op verzoek, ontheffing verlenen van
de in het eerste lid omschreven verplichting.
3.De inspecteur verstrekt kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere
wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en
inlichtingen aan Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die
bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben
verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede
personen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk
voorzover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde bij
of krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen dan wel voor de
uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
4.De inspecteur verstrekt kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere
wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en
inlichtingen aan de douaneautoriteiten van de lidstaten of de Commissie
van de Europese Gemeenschappen, bedoeld in artikel 13, vierde lid, van
het Communautair douanewetboek.
Artikel 1:34
Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is, indien
dit voor de toepassing van de bij of krachtens de in artikel 1:1
bedoelde regelingen of de bij of krachtens deze wet vastgestelde
bepalingen te zijnen aanzien van belang kan zijn, verplicht op vordering
van de inspecteur terstond een identificatiebewijs als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden.
Artikel 1:35
Bij verificatie van een aangifte worden de resultaten van het onderzoek
van de goederen geacht overeen te komen met de aangifte indien de
bevonden verschillen blijven binnen de spelingen die daartoe bij
regeling van Onze Minister van Financiën zijn vastgesteld.
Artikel 1:36
1.Aan enige instelling van vervoer toevertrouwde brieven worden zonder
goedvinden van de afzender of van de geadresseerde slechts geopend
indien de rechter-commissaris in de rechtbank van het arrondissement
waarbinnen de brief is aangetroffen, daartoe, op verzoek van de
inspecteur, bevel heeft gegeven.
2.Het bevel wordt slechts gegeven indien het vermoeden bestaat dat zich
in de brief goederen bevinden.
Artikel 1:37
1.Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het
ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van de op grond
van artikel 1:27, eerste lid, genomen dwangmaatregelen te verijdelen,
zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het
ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot een van de
hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in
beslag genomen.
2.Tot inbeslagneming krachtens het eerste lid zijn, behalve de
inspecteur, bevoegd de bij of ingevolge artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen personen.
3.Van de inbeslagneming en van de gronden daartoe doet de inspecteur zo
spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan degene op wie de
inbeslagneming heeft plaatsgehad. In geval van inbeslagneming op
onbekende personen geschiedt die mededeling in het openbaar volgens bij
regeling van Onze Minister van Financiën te stellen regels.
4.Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en
voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan de staat, tenzij bij
een rechterlijke beslissing als bedoeld in het zesde lid de
inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.
5.De belanghebbende bij het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp
kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming bij de
rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming heeft
plaatsgehad, daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde
een met redenen omkleed klaagschrift indienen.
6.De rechtbank behandelt het klaagschrift op de voet van het bepaalde in
artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande, dat
ook de inspecteur in de gelegenheid wordt gesteld tijdens de behandeling
te worden gehoord en hem, zo hij voor de behandeling is verschenen,
tijdig tevoren door de griffier schriftelijk mededeling van de dag der
uitspraak wordt gedaan.
7.Artikel 552d van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige
toepassing.
8.Onze Minister van Financiën is bevoegd in bijzondere gevallen de aan
de staat vervallen vervoermiddelen en voorwerpen onder door hem te
stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven.
Hoofdstuk 2. Bepalingen die op de in het douanegebied van de Gemeenschap
binnengebrachte goederen van toepassing zijn tot deze een
douanebestemming hebben gekregen
Afdeling 2.1. Formaliteiten met betrekking tot goederen en
goederenverkeer
Artikel 2:1
Ten einde de goede werking van de douanewetgeving te waarborgen, kunnen
bij regeling van Onze Minister van Financiën bepalingen worden
vastgesteld met betrekking tot:
a. de formaliteiten voorafgaand aan en aangaande het binnenbrengen in en
het verlaten van het douanegebied van schepen en luchtvaartuigen en de
aan boord van deze schepen en luchtvaartuigen aanwezige goederen;
b. douanekantoren;
c. toeristisch en reizigersverkeer, postverkeer en verkeer van te
verwaarlozen economisch belang;
d. goederen en vervoermiddelen als bedoeld in artikel 39 van het
Communautair douanewetboek;
e. de summiere aangifte, dan wel vervangende kennisgeving;
f. tijdelijke opslag;
g. de douaneaangifte, mede ten dienste van de statistiek van de in-,
uit- en wederuitvoer;
h. onderzoek van goederen en monsterneming;
i. identificatiemaatregelen, middelen daaronder begrepen;
j. zekerheid;
k. de voorwaarden die gelden bij de overdracht van rechten en
verplichtingen van het subject van een economische douaneregeling dan
wel de entreposeur;
l. vereenvoudigde procedures inzake communautair douanevervoer;
m. het in kennis stellen van de inspecteur voorafgaand aan de
wederuitvoer dan wel de vernietiging van goederen.
Artikel 2:2
Goederen aangevoerd uit zee of door de lucht worden, behoudens
tegenbewijs, geacht uit zee onderscheidenlijk door de lucht het
douanegebied van de Gemeenschap te zijn binnengekomen.
Afdeling 2.2. Overige bepalingen
Artikel 2:3
1.De inspecteur kan een beschikking tot het doen vernietigen van de
goederen ingevolge artikel 56 van het Communautair douanewetboek alleen
geven wanneer:
a. artikel 53, eerste lid, of artikel 57 van het Communautair
douanewetboek niet van toepassing is, en
b. de goederen geen toegelaten douanebestemming kunnen krijgen in
verband met de toepassing van verboden of beperkingen als bedoeld in
artikel 58, tweede lid, van het Communautair douanewetboek.
2.Voordat de inspecteur de beschikking, bedoeld in het eerste lid, geeft
stelt hij de houder van de goederen in de gelegenheid zijn zienswijze
naar voren te brengen.
Hoofdstuk 3. Verboden en beperkingen
Artikel 3:1
Onverminderd de communautaire bepalingen ter zake kunnen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur verboden of beperkingen ten
aanzien van goederen worden vastgesteld, die bij het binnenbrengen in,
onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van
toepassing zijn.
Artikel 3:2
1.De aangifte, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van verordening (EG)
nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de
Gemeenschap binnenkomen of verlaten (PbEU L 309) (verordening), wordt
schriftelijk gedaan.
2.De identiteit van de aangever wordt vastgesteld met behulp van een
document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
3.Bij regeling van Onze Minister van Financiën:
a. wordt een aangifteformulier vastgesteld;
b. worden regels gesteld omtrent de bij de uitvoering van de
verordening:
1°. in aanmerking te nemen wisselkoers ter bepaling van de tegenwaarde
in euro’s van liquide middelen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2,
van de verordening, waarvan het bedrag is uitgedrukt in een andere
valuta;
2°. in aanmerking te nemen waarde van verhandelbare instrumenten aan
toonder als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, onder a, van de
verordening.
4.Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen, in afwijking van
het eerste lid, regels worden gesteld op grond waarvan de in artikel 3,
eerste lid, van de verordening bedoelde aangifte langs elektronische weg
kan worden gedaan.
Artikel 3:3
1.Een beslissing tot inbewaringneming van liquide middelen op de voet
van artikel 4, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005
betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap
binnenkomen of verlaten (verordening) wordt door de inspecteur
schriftelijk genomen. De schriftelijke beslissing wordt aangemerkt als
een beschikking. De bekendmaking daarvan geschiedt hetzij aan de
natuurlijke persoon die niet aan de aangifteplicht uit hoofde van
artikel 3 van de verordening heeft voldaan, hetzij, indien deze persoon
onbekend is, in het openbaar volgens bij regeling van Onze Minister van
Financiën te stellen regels.
2.De beschikking vermeldt welke gegevens in strijd met de aangifteplicht
niet, onvolledig of onjuist zijn verstrekt en verwijst naar de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het zevende lid.
3.De inspecteur is bevoegd de inbewaringneming van de liquide middelen
te doen voortduren zolang de nodige gegevens, bedoeld in artikel 3,
tweede lid, van de verordening, ontbreken.
4.De inbewaringneming van de liquide middelen wordt beëindigd door
strafrechtelijke inbeslagneming of door een schriftelijke beslissing van
de inspecteur. Een schriftelijke beslissing van de inspecteur als
bedoeld in de eerste volzin wordt aangemerkt als een beschikking. Het
eerste lid, derde volzin, is met betrekking tot deze beschikking van
overeenkomstige toepassing.
5.De beschikking, bedoeld in het vierde lid, vermeldt het tijdstip van
beëindiging van de inbewaringneming van de liquide middelen en vermeldt
voorts dat deze nog tot en met het kalenderjaar dat volgt op het jaar
waarin de in het vierde lid bedoelde beschikking is bekendgemaakt, ter
uitkering door de inspecteur aan een rechthebbende beschikbaar blijven
voorzover de liquide middelen niet strekken tot voldoening van kosten
als bedoeld in het zevende lid.
6.Indien liquide middelen die beschikbaar blijven in de zin van het
vijfde lid niet voor afloop van het kalenderjaar dat volgt op het jaar
waarin de in het vierde lid bedoelde beschikking is bekendgemaakt, aan
een rechthebbende zijn uitgekeerd, wordt hetzij het bedrag daarvan,
hetzij – voorzover de liquide middelen geen Nederlandse wettige
betaalmiddelen zijn – de verkoopopbrengst daarvan opgenomen in de
consignatiekas. Artikel 9, tweede tot en met zesde lid, van de Wet op de
consignatie van gelden blijft buiten toepassing.
7.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden vastgesteld
waarin de kosten verbonden aan een inbewaringneming van liquide middelen
op de voet van artikel 4, tweede lid, van de verordening, geheel of
gedeeltelijk dienen te worden vergoed door de natuurlijke persoon die
niet aan de aangifteplicht uit hoofde van artikel 3 van de verordening
heeft voldaan. Heffing en invordering van te vergoeden kosten geschieden
overeenkomstig de wettelijke regels voor de heffing, onderscheidenlijk
invordering, van kosten van ambtelijke werkzaamheden als bedoeld in
artikel 1:19.
Hoofdstuk 4. Vrije zones en vrije entrepots
Artikel 4:1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen bepalingen worden
vastgesteld met betrekking tot:
a. de instelling en de werking van vrije zones;
b. de oprichting en de werking van vrije entrepots.
Hoofdstuk 5. Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten
Artikel 5:1
1.Goederen aanwezig in of op schepen, op weg naar zee of bestemd om
aanstonds naar zee te vertrekken, zomede goederen die op het punt staan
om in die schepen te worden opgenomen, worden aangemerkt als goederen
die over zee het douanegebied van de Gemeenschap zullen uitgaan, tenzij
blijkt dat de goederen bestemd zijn voor een plaats in het douanegebied
van de Gemeenschap en het vervoer zal geschieden zonder dat het schip
het douanegebied van de Gemeenschap uitgaat.
2.Goederen aanwezig in luchtvaartuigen, bestemd om aanstonds op te
stijgen, zomede goederen die op het punt staan om in die luchtvaartuigen
te worden opgenomen, worden aangemerkt als goederen die door de lucht
het douanegebied van de Gemeenschap zullen uitgaan, tenzij blijkt dat de
goederen bestemd zijn voor een plaats in het douanegebied van de
Gemeenschap en het vervoer zal geschieden zonder dat het luchtvaartuig
het douanegebied van de Gemeenschap uitgaat.
Hoofdstuk 6. De begunstigde verrichtingen
Artikel 6:1
1.Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen bepalingen worden
vastgesteld ter uitwerking van Verordening (EEG ) nr. 918/83 van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende de
instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEG
L 105).
2.De bepalingen, bedoeld in het eerste lid, hebben betrekking op:
a. nadere voorwaarden waaronder vrijstelling wordt verleend;
b. het beperken van de omvang van de vrijstelling;
c. de aanwijzing van personen en openbare diensten die toestemming
krijgen om goederen vrij van rechten in te voeren dan wel in ontvangst
te nemen;
d. het verlenen van vrijstellingen als bedoeld in artikel 133, eerste
lid, van de in het eerste lid genoemde verordening;
e. het verlenen van vrijstellingen aan strijdkrachten die ter uitvoering
van internationale overeenkomsten op Nederlands grondgebied zijn
gestationeerd en die niet onder Nederlands gezag staan.
Artikel 6:2
Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen bepalingen worden
vastgesteld ter zake van vrijstelling van rechten bij invoer of van
rechten bij uitvoer bij het in het vrije verkeer brengen respectievelijk
de uitvoer van goederen bestemd voor de bevoorrading van schepen,
luchtvaartuigen en internationale treinen.
Artikel 6:3
Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen bepalingen worden
vastgesteld ter uitwerking van vrijstellingsbepalingen ingesteld bij
andere communautaire besluiten dan Verordening (EEG) nr. 918/83 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende de
instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEG
L 105).
Hoofdstuk 7. Douaneschuld
Afdeling 7.1. Zekerheidstelling voor het bedrag van de douaneschuld
Artikel 7:1
Met het oog op de in de douanewetgeving voorziene zekerheidstelling voor
het bedrag van de douaneschuld kunnen bij regeling van Onze Minister van
Financiën bepalingen worden vastgesteld ter zake van:
a. zekerheidstelling door storting van contant geld dan wel hetgeen
daarmede gelijk is gesteld;
b. andere wijzen van zekerheidstelling dan door storting van contant
geld of door borgstelling.
Artikel 7:2
1.Met het oog op de in de douanewetgeving voorziene zekerheidstelling
voor het bedrag van de douaneschuld kunnen bij regeling van Onze
Minister van Financiën bepalingen worden vastgesteld ter zake van de
voorwaarden waaraan moet worden voldaan teneinde als borg te worden
erkend.
2.Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen specifieke
verplichtingen worden vastgesteld welke een erkende borg moet naleven.
Afdeling 7.2. Ontstaan van de douaneschuld
Artikel 7:3
Onder de naam «rechten bij invoer» en «rechten bij uitvoer» worden
belastingen geheven ter zake van de invoer respectievelijk de uitvoer
van goederen overeenkomstig hetgeen dienaangaande is bepaald bij of
krachtens het Koninkrijk verbindende verdragen en in al hun onderdelen
verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte
volkenrechtelijke organisaties.
Artikel 7:4
Wanneer een douaneaangifte voor het plaatsen van goederen onder de
douaneregeling
– in het vrije verkeer brengen of
– tijdelijke invoer is opgesteld op basis van gegevens die ertoe
leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk
niet worden geheven zijn de personen die deze voor de opstelling van de
aangifte benodigde gegevens onmiddellijk of middellijk hebben verstrekt,
terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die
gegevens verkeerd waren eveneens schuldenaar.
Afdeling 7.3. Invordering van het bedrag van de douaneschuld en
toepassing handelspolitieke maatregelen
Paragraaf 7.3.1. Boeking en mededeling
Artikel 7:4a
1. Artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing.
2. Artikel 4:88, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet
van toepassing.
3. Uitstel van betaling als bedoeld in de artikelen 224 tot en met 228
van het Communautair douanewetboek is geen uitstel van betaling als
bedoeld in artikel 4:94 van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Het uitstel van betaling, bedoeld in artikel 4:94 van de Algemene wet
bestuursrecht, is een «andere betalingsfaciliteit» als bedoeld in
artikel 229 van het Communautair douanewetboek.
5. Artikel 4:96 van de Algemene wet bestuursrecht is slechts van
toepassing indien het uitstel van betaling betreft ingevolge artikel 229
van het Communautair douanewetboek.
6. Afdeling 4.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing.
Artikel 7:5
1.Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen bepalingen worden
vastgesteld met betrekking tot de boeking van de bedragen aan rechten.
2.De bepalingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:
a. bedragen aan rechten waar beneden niet wordt geboekt;
b. de boeking van bedragen met betrekking tot goederen die ten gunste
van een zelfde persoon in een vast te stellen periode werden vrijgegeven
waarbij deze boeking aan het einde van deze periode in één keer
geschiedt;
c. de verlenging van de termijn voor de boeking.
Artikel 7:6
1.De mededeling van het bedrag aan rechten aan de schuldenaar geschiedt
door het toezenden van een op een aanslagbiljet vermelde uitnodiging tot
betaling. Het aanslagbiljet wordt voorzien van een dagtekening die geldt
als dagtekening van de vaststelling van de uitnodiging tot betaling. De
inspecteur stelt het aanslagbiljet ter invordering van het daaruit
blijkende bedrag aan rechten aan de ontvanger ter hand.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
door de inspecteur te nemen beschikking strekkende tot vaststelling van:
a. het bedrag van de terugbetaling dan wel kwijtschelding;
b. het bedrag van de verschuldigde compensatierente dan wel
compenserende rente;
c. het bedrag van de verschuldigde kosten;
d. het bedrag van de verschuldigde bestuurlijke boete.
3.Op een aanslagbiljet mogen verschillende mededelingen van bedragen aan
rechten en bedragen als bedoeld in het tweede lid worden vermeld.
4.Het model van het aanslagbiljet wordt bij regeling van Onze Minister
van Financiën vastgesteld.
5.Indien de inspecteur artikel 221, tweede lid, van het Communautair
douanewetboek toepast, wordt de douaneaangifte aangemerkt als een op een
aanslagbiljet vermelde uitnodiging tot betaling. De datum van vrijgave
van de goederen geldt als dagtekening van het aanslagbiljet en van de
vaststelling van de uitnodiging tot betaling.
Artikel 7:7
1.Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die,
indien deze in Nederland zou zijn verricht, strafrechtelijk vervolgbaar
was, kan de toezending van het aanslagbiljet geschieden binnen vijf
jaren nadat de douaneschuld is ontstaan.
2.Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van personen wier
handelen of nalaten niet was gericht op ontduiking van de rechten bij
invoer.
Artikel 7:8
Indien een douaneschuld ontstaat anders dan op grond van de artikelen
201 of 209 van het Communautair douanewetboek, en één of meer voor de
berekening van het bedrag aan rechten noodzakelijke gegevens met
betrekking tot de goederen niet zijn komen vast te staan, worden die
goederen, met inachtneming van de gegevens die wel zijn komen vast te
staan, geacht die hoedanigheid te bezitten, volgens welke:
– het hoogste tarief van rechten bij invoer en
– de meest bezwarende handelspolitieke maatregelen van toepassing
zijn.
Artikel 7:9
Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden regels gesteld met
betrekking tot:
a. de afronding van bedragen en hoeveelheden die dienen als grondslag
voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere belastingen,
heffingen en retributies;
b. de berekening van het bedrag aan rechten indien de hoeveelheid van de
goederen kleiner is dan de hoeveelheid waarin het douanetarief is
uitgedrukt;
c. de afronding van het bedrag aan rechten, andere belastingen,
heffingen, retributies, renten, interesten en kosten van ambtelijke
werkzaamheden.
Hoofdstuk 8. Beroep in een eerste fase (bezwaar) en beroep in een tweede
fase (beroep)
Artikel 8:1
1. De artikelen 6:2, aanhef en onder b, 8:1, eerste lid, en 8:13 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.
2. Afdeling 8.2.4A van de Algemene wet bestuursrecht is alleen van
toepassing indien:
a. artikel 243, eerste lid, tweede alinea, van het Communautair
douanewetboek toepassing vindt;
b. de inspecteur niet tijdig heeft beslist op bezwaar en hij de indiener
van dat bezwaar geen inkennisstelling als bedoeld in artikel 6, tweede
lid, van het Communautair douanewetboek heeft doen toekomen.
Artikel 8:2
1.Hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met
uitzondering van de artikelen 26a, 27, 27a en 27b, is van
overeenkomstige toepassing op beschikkingen als bedoeld in het tweede
lid.
2.Voor de overeenkomstige toepassing van hoofdstuk V van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen is een beschikking voor bezwaar vatbaar indien
het een beschikking betreft:
a. als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 5, van het Communautair
douanewetboek of;
b. die is genomen op grond van deze wet.
3.Voor de overeenkomstige toepassing van hoofdstuk V van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen wordt een uitnodiging tot betaling aangemerkt
als een belastingaanslag of een aanslag.
4.In afwijking van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is slechts de rechtbank te Haarlem bevoegd.
5.Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een
uitspraak door de inspecteur, kan de rechtbank Haarlem bepalen dat de
artikelen 13 en 14 van het Communautair douanewetboek en paragraaf 1.2.4
gedurende een daarbij te bepalen termijn van toepassing blijven.
6.Indien een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter
van de rechtbank betrekking heeft op een beschikking die is gegeven door
Onze minister wie het aangaat dan wel de ontvanger, treedt voor de
toepassing van dit hoofdstuk Onze minister wie het aangaat dan wel de
ontvanger in de plaats van de inspecteur.
7.De persoon die niet volledig voldoet aan een verzoek op de voet van
artikel 14 van het Communautair douanewetboek om gegevensdragers, of de
inhoud daarvan, voor raadpleging beschikbaar te stellen of niet volledig
voldoet aan de verplichtingen ingevolge artikel 1:32 wordt voor de
overeenkomstige toepassing van de artikelen 25, derde lid, onderdeel b,
en 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geacht
niet volledig te hebben voldaan aan de aldaar genoemde verplichtingen,
tenzij aannemelijk is dat het niet of niet volledig voldoen aan genoemd
verzoek of verplichtingen het gevolg is van overmacht.
8.Voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen 27l, tweede lid,
en 29a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedraagt
het griffierecht hetgeen is vermeld in de onderdelen b en c van die
leden.
Artikel 8:3
Tegen een beschikking ter zake van landbouwrestituties staat, in
afwijking van hetgeen omtrent bezwaar en beroep in deze wet is bepaald,
beroep open op het College van Beroep voor het bedrijfsleven op de voet
van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.
Artikel 8:4
1.Tegen een beschikking die is genomen op grond van een regeling genoemd
in de bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3, onder B, staat in afwijking
van hetgeen omtrent bezwaar en beroep in deze wet is bepaald, beroep
open op de rechterlijke instantie, genoemd in die regeling. Indien geen
rechterlijke instantie is genoemd, is artikel 8:1 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing.
2.Bij het beroep, bedoeld in het eerste lid, is artikel 8:13 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Hoofdstuk 9. Bestuurlijke boeten
Afdeling 9.1. Beboetbare feiten
Artikel 9:1
1. Indien voor goederen in tijdelijke opslag waarvoor een summiere
aangifte is gedaan de formaliteiten welke nodig zijn om deze goederen
een douanebestemming te geven niet worden vervuld binnen de ingevolge
artikel 49 van het Communautair douanewetboek geldende termijn, vormt
dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die de
formaliteiten binnen deze termijn dient te vervullen en degene door
wiens toedoen de formaliteiten niet binnen deze termijn worden vervuld
ieder een bestuurlijke boete van ten hoogste € 300 kan opleggen.
2. Indien het niet vervullen van de in het eerste lid bedoelde
formaliteiten binnen de ingevolge artikel 49 van het Communautair
douanewetboek geldende termijn, een douaneschuld doet ontstaan en het
daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan €
300, terwijl het niet vervullen van die formaliteiten binnen die termijn
is te wijten aan opzet of grove schuld van één of meer van degenen,
bedoeld in het eerste lid, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de
inspecteur hem, onderscheidenlijk ieder van hen, een bestuurlijke boete
van ten hoogste 100 percent van het bedrag aan rechten kan opleggen.
Artikel 9:2
1. Indien voor goederen welke zijn geplaatst onder de douaneregeling
douanevervoer, actieve veredeling (systeem inzake schorsing),
behandeling onder douanetoezicht of tijdelijke invoer, de formaliteiten
ter beëindiging van die regeling in strijd met de douanewetgeving niet
of niet tijdig worden vervuld, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de
inspecteur degene die die formaliteiten dient te vervullen en degene
door wiens toedoen die formaliteiten niet of niet tijdig worden vervuld
ieder een bestuurlijke boete van ten hoogste € 300 kan opleggen.
2. Indien goederen welke zijn geplaatst onder de douaneregeling
douanevervoer in strijd met artikel 355, tweede lid, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek niet langs een
verplicht te volgen route worden vervoerd, dan wel in strijd met artikel
356 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek niet binnen
de voorgeschreven termijn bij het douanekantoor van bestemming worden
aangebracht, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene
die de goederen in strijd met artikel 355, tweede lid, voornoemd
vervoert, onderscheidenlijk in strijd met artikel 356 voornoemd niet
tijdig aanbrengt, en degene door wiens toedoen het desbetreffende
verzuim plaatsvindt, ieder een bestuurlijke boete van ten hoogste €
300 kan opleggen.
3. Indien het in strijd met de douanewetgeving niet of niet tijdig
vervullen van de in het eerste lid bedoelde formaliteiten of het in
strijd met de douanewetgeving niet vervullen van de in het tweede lid
bedoelde verplichtingen een douaneschuld doet ontstaan en het daaruit
voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan € 300,
terwijl het in strijd met de douanewetgeving niet of niet tijdig
vervullen van die formaliteiten, onderscheidenlijk niet vervullen van
die verplichtingen, is te wijten aan opzet of grove schuld van één of
meer van degenen, bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, vormt dit
een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, onderscheidenlijk ieder
van hen, een bestuurlijke boete van ten hoogste 100 percent van het
bedrag aan rechten kan opleggen.
Artikel 9:3
1. Indien in een douane-entrepot, in een vrij entrepot of in een vrije
zone welke is aangewezen ingevolge artikel 168bis van het Communautair
douanewetboek een vermis wordt bevonden, vormt dit een verzuim ter zake
waarvan de inspecteur de entreposeur, de entrepositaris,
onderscheidenlijk de belanghebbende, bedoeld in artikel 799, onderdeel
c, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, een
bestuurlijke boete van ten hoogste € 300 kan opleggen.
2. Indien het in het eerste lid bedoelde vermis een douaneschuld doet
ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer
hoger is dan € 300, terwijl dat vermis is te wijten aan opzet of grove
schuld van de entreposeur, de entrepositaris, onderscheidenlijk de
belanghebbende, bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek, vormt dit een
vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van
ten hoogste 100 percent van het bedrag aan rechten kan opleggen.
Artikel 9:4
1. Het niet voldoen aan een verplichting voortvloeiend uit een
vergunning welke is verleend ingevolge de douanewetgeving, vormt een
verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die deze voorwaarde dient
na te leven en degene door wiens toedoen die voorwaarde niet of niet
tijdig wordt nageleefd een bestuurlijke boete van ten hoogste € 300
kan opleggen.
2. Indien het in strijd met de douanewetgeving niet of niet tijdig
vervullen van de in het eerste lid bedoelde voorwaarde een douaneschuld
doet ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij
invoer hoger is dan € 300, terwijl het in strijd met de
douanewetgeving niet of niet tijdig vervullen van deze voorwaarde is te
wijten aan opzet of grove schuld van één of meer van degenen, bedoeld
in het eerste lid, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur
hem, onderscheidenlijk ieder van hen, een bestuurlijke boete van ten
hoogste 100 percent van het bedrag aan rechten kan opleggen.
Artikel 9:5
Het overtreden van een krachtens deze wet vastgestelde algemene
maatregel van bestuur of ministeriële regeling kan bij die algemene
maatregel van bestuur of ministeriële regeling worden aangemerkt als
een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene aan wie het verzuim te
wijten is een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste het in die
algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling te vermelden
bedrag. Dat bedrag beloopt ten hoogste € 300 indien het verzuim
betrekking heeft op een algemene maatregel van bestuur, en beloopt ten
hoogste € 150 indien het verzuim betrekking heeft op een ministeriële
regeling.
Artikel 9:6
In afwijking van artikel 5:45, eerste en tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een
bestuurlijke boete als bedoeld in deze afdeling door verloop van drie
jaren na het tijdstip waarop het verzuim of vergrijp waarop de
bestuurlijke boete betrekking heeft, heeft plaatsgevonden.
Artikel 9:6a
De in de artikelen 9:1, eerste lid, 9:2, eerste en tweede lid, 9:3,
eerste lid, 9:4, eerste lid, en 9:5, genoemde bedragen worden elke vijf
jaar, met ingang van 1 januari 2015, bij ministeriële regeling
gewijzigd. De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001
zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat als
tabelcorrectiefactor wordt genomen het product van de factoren van de
laatste vijf kalenderjaren.
Afdeling 9.2. Aanvullende voorschriften inzake het opleggen van
bestuurlijke boeten
Artikel 9:7 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:8
Indien de grondslag voor een bestuurlijke boete wordt gevormd door het
bedrag aan rechten bij invoer, wordt de opgelegde bestuurlijke boete
naar evenredigheid verlaagd bij vermindering, teruggaaf, terugbetaling
of kwijtschelding van de rechten bij invoer, voorzover deze
vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding, het bedrag aan
rechten bij invoer betreft waarover de bestuurlijke boete is berekend.
Artikel 9:9 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:10 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:11 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:12 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:13 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:14 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:15 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9:16
Van de opgelegde bestuurlijke boete kan door of vanwege Onze Minister
van Financiën gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend.
Hoofdstuk 10. Strafrechtelijke bepalingen
Afdeling 10.1. Strafbare feiten
Artikel 10:1
1. Degene die goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenbrengt
in strijd met de artikelen 38 en 39 van het Communautair douanewetboek
of goederen in andere delen van het douanegebied van de Gemeenschap
binnenbrengt in strijd met artikel 177 van het Communautair
douanewetboek, dan wel binnengebrachte goederen in strijd met de
artikelen 40 en 41 van het Communautair douanewetboek niet bij de
inspecteur aanbrengt of van de overeenkomstig artikel 40 van het
Communautair douanewetboek aangebrachte goederen in strijd met artikel
186 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek geen
summiere aangifte doet, of zonder toestemming van de inspecteur goederen
wegvoert in strijd met het bepaalde in artikel 47 van het Communautair
douanewetboek, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie, of,
indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de
rechten bij invoer die ter zake van de goederen zijn verschuldigd.
2. Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten begaat met het
oogmerk de rechten bij invoer die ter zake van de goederen zijn
verschuldigd, te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van
de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal
het bedrag van die rechten.
3. Degene die uit zee of door de lucht goederen aanvoert ten aanzien
waarvan het in artikel 2:2 genoemde tegenbewijs niet wordt geleverd,
wordt geacht die goederen uit zee, onderscheidenlijk door de lucht,
binnen het douanegebied van de Gemeenschap te hebben gebracht.
4. Degene die uit hoofde van artikel 3 van verordening (EG) nr.
1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de
Gemeenschap binnenkomen of verlaten (verordening) verplicht is tot het
doen van aangifte en deze aangifte niet, onvolledig of onjuist doet,
wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
5. Degene die een der in het vierde lid omschreven feiten opzettelijk
begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of
geldboete van de vierde categorie.
6. Met betrekking tot de in het vierde en vijfde lid strafbaar gestelde
feiten is artikel 10:15, derde lid, onder e, niet van toepassing.
Artikel 10:2
Degene die goederen in strijd met de douanewetgeving niet aanbrengt bij
een douanekantoor van uitgang, of goederen buiten het douanegebied van
de Gemeenschap voert in strijd met artikel 183 van het Communautair
douanewetboek, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 10:3
1.Degene die goederen waarvoor een in de douanewetgeving voorziene
aangifte niet is gedaan, lost, laadt, vervoert, in enig gebouw, erf of
besloten terrein inslaat, voorhanden heeft of daaruit uitslaat, koopt,
verkoopt, te koop aanbiedt of aflevert, wordt gestraft met geldboete van
de derde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal
het bedrag van de rechten bij invoer die ter zake van de goederen zijn
verschuldigd.
2.Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten begaat terwijl
hij weet of vermoedt dat de rechten bij invoer ter zake van de in dat
lid bedoelde goederen niet zijn voldaan, noch de heffing van die rechten
overeenkomstig de douanewetgeving is verzekerd, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde
categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag
van die rechten.
Artikel 10:4
1.Degene die in strijd met de douanewetgeving goederen waarvoor
vrijstelling van rechten bij invoer wordt genoten, gebruikt of doet
gebruiken op een wijze of voor doeleinden waarvoor de vrijstelling niet
geldt, of aan goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht met
toepassing van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit
hoofde van hun bijzondere bestemming, een bestemming heeft gegeven die
afwijkt van die met het oog waarop het verlaagde recht bij invoer of het
nulrecht is toegepast, wordt gestraft met geldboete van de derde
categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag
van de ter zake van die goederen te weinig geheven rechten bij invoer.
2.Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten opzettelijk
begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten
hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven rechten bij invoer.
Artikel 10:5
1.Degene die:
a. een ingevolge de douanewetgeving vereiste aangifte onjuist of
onvolledig doet;
b. ingevolge de douanewetgeving verplicht is tot:
1°. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze
niet, onjuist of onvolledig verstrekt;
2°. het vertonen, overgeven of voor raadpleging beschikbaar stellen van
bepaalde gegevensdragers, of de inhoud daarvan, en een zodanige
verplichting niet nakomt;
3°. het vertonen, overgeven of voor raadpleging beschikbaar stellen van
bepaalde gegevensdragers, of de inhoud daarvan, en valse of vervalste
gegevensdragers vertoont, overgeeft of voor raadpleging beschikbaar
stelt, dan wel de inhoud daarvan in valse of vervalste vorm voor dit
doel beschikbaar stelt;
4°. het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of
krachtens de douanewetgeving gestelde eisen, en een zodanige
administratie niet voert;
5°. het bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, en
deze niet bewaart; wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie.
2.Degene die opzettelijk een der feiten begaat, omschreven in het eerste
lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 4° of 5°, wordt, indien het feit
ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de
vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het
bedrag van de te weinig geheven rechten.
3.Degene die opzettelijk een der feiten begaat, omschreven in het eerste
lid, onderdeel a of b, onder 3°, wordt, indien het feit ertoe strekt
dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde
categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag
van de te weinig geheven rechten.
4.Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd,
zowel valt onder een van de bepalingen van het tweede of het derde lid,
als onder die van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van
Strafrecht, is strafvervolging op grond van genoemd artikel 225, tweede
lid, uitgesloten.
5.Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van de invordering van
de rechten bij invoer.
Artikel 10:6
Degene die niet voldoet aan een hem bij of krachtens, artikel 1:11,
1:23, 1:24, derde lid, 1:27, eerste lid,1:28, tweede lid, of 1:32,
tweede lid, van deze wet, dan wel artikel 14 of 69, tweede lid, van het
Communautair douanewetboek opgelegde verplichting, wordt gestraft met
geldboete van de derde categorie.
Artikel 10:7
Degene die niet voldoet aan de hem bij artikel 1:34 opgelegde
verplichting, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Artikel 10:8
1.Degene die een tot stand gebrachte identificatiemaatregel met
betrekking tot een vervoermiddel, bergingsmiddel, verpakkingsmiddel,
goederen, werktuig, leiding, gebouw of terrein, of deel daarvan, in
strijd met de douanewetgeving schendt, wordt gestraft met geldboete van
de derde categorie.
2.Degene die een van de in het eerste lid omschreven feiten opzettelijk
begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie.
3.Degene die, nadat hij door de inspecteur in kennis is gesteld van
diens voornemen om een identificatiemaatregel als bedoeld in het eerste
lid tot stand te brengen, er geen zorg voor draagt dat de inspecteur
deze maatregel op een deugdelijke wijze tot stand kan brengen, alsmede
degene die, behoudens indien zich al dan niet in het kader van een
douaneregeling gevallen voordoen als bedoeld in artikel 72, tweede lid,
van het Communautair douanewetboek, er geen zorg voor draagt dat de door
de inspecteur tot stand gebrachte identificatiemaatregel in stand
blijft, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
4.Degene die anders dan als inspecteur bevoegd is om een
identificatiemaatregel tot stand te brengen en er geen zorg voor draagt
dat de maatregel op een deugdelijke wijze tot stand wordt gebracht,
wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
5.Ten aanzien van de in het derde en in het vierde lid omschreven feiten
kan voor de betrokkene niet het bestaan van overmacht worden aangenomen,
indien hij niet onverwijld nadat hem bekend is geworden dat een
identificatiemaatregel niet op deugdelijke wijze is tot stand gebracht
of een identificatiemaatregel niet in stand is gebleven, daarvan aan de
inspecteur mededeling doet.
Artikel 10:9
1.Degene die van goederen waaraan herkenningsmiddelen of
denatureringsmiddelen zijn toegevoegd, die herkenningsmiddelen of
denatureringsmiddelen daarvan geheel of ten dele afscheidt, de werking
ervan geheel of ten dele opheft of verandert, wordt gestraft met
geldboete van de derde categorie.
2.Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten opzettelijk
begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten
hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven rechten bij invoer.
Artikel 10:10
Overtreding van krachtens deze wet bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde bepalingen wordt, voorzover die overtreding is aangemerkt
als strafbaar feit, gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 10:11
Overtreding van krachtens deze wet bij regeling van Onze Minister wie
het aangaat vastgestelde bepalingen, voorzover die overtreding is
aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 10:12 [Vervallen per 01-07-2009]
Afdeling 10.2. Algemene bepalingen van strafrecht
Artikel 10:13
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten waarop gevangenisstraf is
gesteld, zijn misdrijven. De overige bij deze wet strafbaar gestelde
feiten, alsmede de in de op deze wet berustende bepalingen strafbaar
gestelde feiten, zijn overtredingen.
Artikel 10:14
Ter zake van de bij deze wet of de daarop berustende bepalingen
strafbaar gestelde feiten vindt artikel 36e van het Wetboek van
Strafrecht geen toepassing.
Artikel 10:15
1.Ten aanzien van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen
strafbaar gestelde feiten gelden in plaats van de artikelen 74 en 74a
van het Wetboek van Strafrecht de volgende bepalingen.
2.Ten aanzien van feiten, met betrekking tot welke het proces-verbaal
niet overeenkomstig artikel 11:3, tweede lid, in handen van de officier
van justitie is gesteld, vervalt het recht tot strafvordering door
vrijwillige voldoening aan de voorwaarden welke de inspecteur ter
voorkoming van de strafvervolging mocht hebben gesteld.
3.Als voorwaarden kunnen worden gesteld:
a. betaling aan de Staat van een geldsom, te bepalen op ten minste € 2
en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden
opgelegd;
b. afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn
voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;
c. uitlevering, of voldoening aan de Staat van de geschatte waarde, van
voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;
d. voldoening aan de Staat van een geldbedrag gelijk aan of lager dan
het geschatte voordeel – met inbegrip van besparing van kosten –
door de verdachte verkregen door middel van of uit het strafbare feit;
e. het alsnog voldoen aan een uit de douanewetgeving voortvloeiende
verplichting.
4.De inspecteur bepaalt telkens de termijn binnen welke aan de gestelde
voorwaarden moet zijn voldaan en zo nodig tevens de plaats waar zulks
moet geschieden. De gestelde termijn kan vóór de afloop daarvan
éénmaal worden verlengd.
5.Artikel 552ab van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 10:16
1.Medeplichtigheid aan de in de artikelen 10:1, eerste lid, 10:2, 10:3,
eerste lid, en 10:5, eerste lid, onderdeel a, vermelde overtredingen is
strafbaar. Te dien aanzien vinden de artikelen 48 en 49 van het Wetboek
van Strafrecht overeenkomstige toepassing.
2.Poging tot de in artikel 10:3, eerste lid, vermelde overtreding is
strafbaar. Te dien aanzien vindt artikel 45 van het Wetboek van
Strafrecht overeenkomstige toepassing.
Artikel 10:17
De Nederlandse strafwet is ook van toepassing op ieder die zich buiten
het gebied waarop deze wet ingevolge artikel 1:2 van toepassing is,
schuldig maakt aan:
a. enig in deze wet omschreven misdrijf;
b. de in artikel 10:5, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, omschreven
overtreding.
Artikel 10:18
Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 10:1, 10:2, 10:3, 10:4
en 10:5, eerste lid, onderdeel a, omschreven strafbare feiten kunnen de
in artikel 33a, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van het Wetboek
van Strafrecht genoemde voorwerpen ook worden verbeurdverklaard, indien
zij niet aan de in dat artikel bedoelde persoon toebehoren.
Hoofdstuk 11. Algemene bepalingen van strafvordering
Artikel 11:1
1.De rechtbanken vonnissen in eerste aanleg over bij deze wet of de
daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten.
2.De vonnissen zijn aan hoger beroep onderworpen, voorzover zij zijn
gewezen:
a. ter zake van misdrijven;
b. ter zake van overtredingen ten aanzien van degene die op het tijdstip
waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van achttien
jaar nog niet had bereikt.
3.Tegen andere vonnissen kan de verdachte hoger beroep instellen, indien
hechtenis als hoofdstraf is opgelegd, een geldboete van € 113 of meer
is opgelegd dan wel een verbeurdverklaring is uitgesproken; het openbaar
ministerie kan hoger beroep instellen, indien het gelijke straffen heeft
gevorderd.
Artikel 11:2
Ten aanzien van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen
strafbaar gestelde feiten worden personen, niet zijnde natuurlijke
personen, voor de toepassing van artikel 2 van het Wetboek van
Strafvordering geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.
Artikel 11:3
1.Met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen
strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het
Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de ambtenaren van
de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, dan wel de ambtenaren
die bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met
Onze Minister wie het mede aangaat zijn aangewezen.
2.In afwijking van de artikelen 155, 156 en 157 van het Wetboek van
Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij deze wet of
de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten ingezonden bij
de inspecteur. De inspecteur doet de processen-verbaal betreffende
strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige
hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is
binnengetreden, met de in beslag genomen voorwerpen onverwijld toekomen
aan de bevoegde officier van justitie. De overige processen-verbaal doet
de inspecteur, met de in beslag genomen voorwerpen, toekomen aan de
officier van justitie, indien hij een vervolging wenselijk acht.
3.De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in
handen van de inspecteur te stellen, welke daarmede alsdan kan handelen
overeenkomstig artikel 10:15.
4.Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin de inspecteur het
proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.
Artikel 11:4
De ambtenaren belast met het opsporen van bij deze wet of de daarop
berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde
bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van
Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen
daartoe hun uitlevering vorderen.
Artikel 11:5
1.In zaken waarin de inspecteur het proces-verbaal niet ingevolge het
bepaalde in artikel 11:3, tweede lid, aan de officier van justitie heeft
doen toekomen, geldt ten aanzien van de inspecteur hetgeen in artikel
116 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het openbaar
ministerie is bepaald.
2.In de zaken, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de toepassing van de
artikelen 552a en 552ab van het Wetboek van Strafvordering, alvorens het
gerecht ingevolge artikel 552a, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel
552ab, vierde lid, van dat artikel een beschikking neemt, ook de
inspecteur in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in
afwijking van het bepaalde in artikel 552d van dat wetboek, niet het
openbaar ministerie doch de inspecteur bevoegd tot het instellen van
beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die zaken
ingevolge artikel 552a, vijfde lid, of artikel 552ab, vierde lid, van
dat wetboek een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mee aan de
inspecteur.
Artikel 11:6
Bij het opsporen van een bij deze wet of de daarop berustende bepalingen
strafbaar gesteld feit hebben de in artikel 11:3, eerste lid, bedoelde
ambtenaren toegang tot elke plaats, voorzover dat redelijkerwijs voor de
vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde
door hen aangewezen personen te doen vergezellen.
Artikel 11:7
Ten dienste van de vervolging en berechting van bij deze wet of de
daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister
van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie,
ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane,
aanwijzen, die het contact onderhouden met het openbaar ministerie.
Artikel 11:8
De griffiers verstrekken aan de inspecteur desgevraagd kosteloos
afschrift of uittreksel van arresten of vonnissen, met toepassing van
deze wet gewezen.
Artikel 11:9
Met betrekking tot gerechtelijke mededelingen inzake bij deze wet of de
daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten hebben de
ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, de
bevoegdheden bij het Wetboek van Strafvordering aan ambtenaren,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, toegekend.
Artikel 11:10
Ten aanzien van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
inzake bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar
gestelde feiten hebben de ambtenaren van de rijksbelastingdienst,
bevoegd inzake douane, de bevoegdheid van deurwaarders.
Artikel 11:11
1.De ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, zijn
tevens belast met de opsporing van:
a. de misdrijven omschreven in de artikelen 179 tot en met 182 van het
Wetboek van Strafrecht, welke jegens hen zijn begaan;
b. het misdrijf omschreven in artikel 184 van het Wetboek van
Strafrecht, indien het bevel of de vordering is gedaan krachtens of de
handeling is ondernomen ter uitvoering van de douanewetgeving.
2.De artikelen 152, 153, 157 en 159 van het Wetboek van Strafvordering
zijn te dezen op de ambtenaren van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11:12
1.Met betrekking tot bij deze wet strafbaar gestelde feiten en met
uitbreiding van artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering is de
inspecteur bevoegd een van misdrijf verdachte persoon die is aangehouden
in of op een locatie of vervoermiddel, een en ander als bedoeld in de
artikelen 1:26 en 1:27, of bij het juist hebben verlaten van een locatie
of vervoermiddel als in die artikelen bedoeld, na aanhouding naar een
plaats voor verhoor te geleiden dan wel diens aanhouding of
voorgeleiding te bevelen.
2.Indien de inspecteur die de verdachte heeft aangehouden of voor wie de
verdachte wordt geleid de inverzekeringstelling of de bewaring van de
verdachte nodig oordeelt, doet hij de verdachte voorgeleiden voor de
officier van justitie of voor een hulpofficier van justitie.
3.Indien de verdachte niet voor de officier of voor een hulpofficier van
justitie wordt voorgeleid, wordt de verdachte, na te zijn verhoord,
dadelijk in vrijheid gesteld.
4.De verdachte mag niet langer dan zes uren voor verhoor worden
opgehouden, met dien verstande dat de tijd tussen middernacht en negen
uur ’s ochtends niet wordt meegerekend.
Artikel 11:13
1.Goederen die in beslag zijn genomen ter zake van het begaan van
strafbare feiten als bedoeld in deze wet of de daarop berustende
bepalingen kunnen, voorzover de eisen van het onderzoek of het algemeen
belang bij hun vernietiging of onbruikbaarmaking zich niet daartegen
verzetten, zo nodig na monsterneming, overeenkomstig bij regeling van
Onze Minister van Financiën te stellen regels, tegen zekerheidstelling
worden vrijgegeven.
2.Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van
goederen, in beslag genomen in zaken waarin de inspecteur het
proces-verbaal ingevolge het bepaalde in artikel 10:3, tweede lid, aan
de officier van justitie heeft doen toekomen.
3.De overeenkomstig het eerste lid gestelde zekerheid treedt voor de
toepassing van bepalingen betreffende verbeurdverklaring en
inbeslagneming, alsmede voor de uitoefening van het recht van verhaal,
in de plaats van de in beslag genomen goederen.
Artikel 11:14
1.Van goederen die ter zake van het begaan van strafbare feiten als
bedoeld in deze wet of de daarop berustende bepalingen, in beslag zijn
genomen van onbekende personen, wordt volgens bij regeling van Onze
Minister van Financiën te stellen regels in het openbaar mededeling
gedaan.
2.Indien niet binnen een jaar na dagtekening van de in het eerste lid
bedoelde mededeling op voldoende wijze blijkt wie de ten aanzien van de
in beslag genomen goederen bevonden overtreding van de douanewetgeving
heeft begaan en evenmin de belanghebbende bij de goederen aannemelijk
maakt dat zij ten onrechte in beslag zijn genomen, vervallen de goederen
aan de Staat.
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Artikel 12:1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering
van een juiste toepassing van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze
wet geregelde onderwerpen.
Artikel 12:2
Bij het uitoefenen van het recht op beroep moet in bezwaar-, verzoek-,
beroep-, verweer- en verzetschriften hij die niet binnen het Rijk een
vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, domicilie kiezen binnen
het Rijk.
Artikel 12:3
Het ingevolge het Communautair douanewetboek, de toepassingsverordening
Communautair douanewetboek of de wet bekendmaken, toezenden daaronder
begrepen, van een stuk aan een persoon, die niet binnen Nederland een
vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan ook geschieden aan
de binnen Nederland gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van
zijn bedrijf of beroep, dan wel aan de woning of het kantoor van de
binnen Nederland wonende of gevestigde vertegenwoordiger.
Artikel 12:4
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 12:5
Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister van Financiën de
nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen van
deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende
aanhalingen van artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen
daarmee in overeenstemming.
Artikel 12:6
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene douanewet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 3 april 2008
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager
Uitgegeven de vijftiende april 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage bij de artikelen 1:1 en
1:3 van de Algemene douanewet
A. Europese regelgeving
Voorschriften gebaseerd op de artikelen 26, 36,
37, 60, 71, 80, 87, 88, 89, 93, 94, 95, 132, 133, 134, 135, 152, 175,
301 of 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
voor zover het voorschriften aangaande onderwerpen betreft die vallen
onder de reikwijdte van de hierna genoemde wetten.
B. Nationale regelgeving
– Algemene douanewet
– Auteurswet
– Binnenvaartwet
– Brandweerwet 1985
– Diergeneesmiddelenwet
– Elektriciteitswet 1998
– Flora- en faunawet
– Gaswet
– Geneesmiddelenwet
– Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
– Havenbeveiligingswet
– Havennoodwet
– Kaderwet diervoeders
– Kernenergiewet
– Landbouwkwaliteitswet
– Landbouwwet
– Luchtvaartwet
– Meetbrievenwet 1981
– Mijnbouwwet
– Noodwet voedselvoorziening
– Opiumwet
– Plantenziektenwet
– Prijzennoodwet
– Rijksoctrooiwet 1995
– Sanctiewet 1977
– Scheepvaartverkeerswet
– Schepenwet
– Telecommunicatiewet
– Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake
onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van
cultuurgoederen
– Uitvoeringswet verdrag biologische wapens
– Uitvoeringswet verdrag chemische wapens
– Vaarplichtwet
– Visserijwet 1963
– Waarborgwet 1986
– Warenwet
– Waterwet
– Wegenverkeerswet 1994
– Wet aansprakelijkheid olietankschepen
– Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen
– Wet beschikbaarheid goederen
– Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot
– Wet explosieven voor civiel gebruik
– Wet financiële betrekkingen buitenland 1994
– Wet geluidhinder
– Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
– Wet goedkeuring en uitvoering
Markham-overeenkomst
– Wet grensoverschrijdend vervoer van aan
bederf onderhevige levensmiddelen
– Wet havenstaatcontrole
– Wet invoering verbod tot het vervaardigen,
voorradig hebben en verspreiden van drukwerken of andere voorwerpen
die, in verband met de invoering van de euro, ten onrechte de indruk
zouden kunnen wekken dat zij wettig betaalmiddel zijn
– Wet inzake bloedvoorziening
– Wet inzake de luchtverontreiniging
– Wet luchtvaart
– Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding
– Wet milieubeheer
– Wet nationaliteit zeeschepen in
rompbevrachting
– Wet op de kansspelen
– Wet op de lijkbezorging
– Wet op de medische hulpmiddelen
– Wet op de naburige rechten
– Wet op de strandvonderij
– Wet pleziervaartuigen
– Wet tot behoud van cultuurbezit
– Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig
uit bezet gebied
– Wet uitvoering internationaal
energieprogramma
– Wet veiligheid en kwaliteit
lichaamsmateriaal
– Wet vervoer gevaarlijke stoffen
– Wet vervoer over zee
– Wet voorkoming misbruik chemicaliën
– Wet voorkoming verontreiniging door schepen
– Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001
– Wet wapens en munitie
– Wet wegvervoer goederen
– Zaaizaad- en plantgoedwet 2005
– Zeebrievenwet
– Zeevaartbemanningswet
|
|
|