|
Nadere regelgeving:
- Besluit
bestuurlijke boetes financiële sector
- Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
terrorisme
- Uitvoeringsregeling Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
van terrorisme
WET van 15 juli
2008, houdende samenvoeging van de Wet identificatie bij dienstverlening
en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet ter voorkoming van
witwassen en financieren van terrorisme)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding
ongebruikelijke transacties samen te voegen tot één wet, gericht op
het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor het
witwassen van geld en het financieren van terrorisme;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. instelling:
1°. bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht die ingevolge artikel 107, tweede lid,
onderdeel a, onder 1° tot en met 4° van die wet
geregistreerd is;
2°. financiële instelling als bedoeld in artikel 1:1
van de Wet op het financieel toezicht;
3°. onderneming, niet zijnde een bank of financiële
instelling, die werkzaamheden verricht die zijn opgenomen
onder punt 14 van Bijlage I van richtlijn nr. 2006/48/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening
van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking)
(PbEU L 177);
4°. wisselinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de
Wet op het financieel toezicht, voor zover deze
wisseltransacties verricht als bedoeld in de onderdelen a en
c van de definitie van het begrip wisseltransactie in dat
artikel;
5°. levensverzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de
Wet op het financieel toezicht met uitzondering van een
levensverzekeraar die uitsluitend het bedrijf van
natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in dat artikel
uitoefent;
6°. beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 1:1 van
de Wet op het financieel toezicht;
7°. beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van
de Wet op het financieel toezicht;
8°. financiële dienstverlener als bedoeld in artikel
1:1 van de Wet op het financieel toezicht voor zover deze
bemiddelt in levensverzekeringen;
9°. bijkantoor in Nederland van een financiële
onderneming als bedoeld onder 1° tot en met 8° met zetel
buiten Nederland;
10°. trustkantoor als bedoeld in artikel 1, onderdeel a,
van de Wet toezicht trustkantoren;
11°. externe registeraccountant, externe
accountant-administratieconsulent of belastingadviseur, voor
zover deze zijn beroepsactiviteiten uitoefent dan wel een
natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, voor
zover die anderszins zelfstandig onafhankelijk beroeps- of
bedrijfsmatig daarmee vergelijkbare activiteiten verricht;
12°. natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap
die als advocaat, notaris, of kandidaat-notaris of in de
uitoefening van een gelijksoortig juridisch beroep of
bedrijf zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig
advies geeft of bijstand verleent bij:
a. het aan- of verkopen van onroerende zaken;
b. het beheren van geld, effecten, munten, muntbiljetten,
edele metalen, edelstenen of andere waarden;
c. het oprichten of beheren van vennootschappen,
rechtspersonen of soortgelijke lichamen als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen;
d. het aan- of verkopen dan wel overnemen van
ondernemingen;
e. werkzaamheden op fiscaal gebied die vergelijkbaar zijn
met de werkzaamheden van de onder 11° beschreven
beroepsgroepen;
13°. natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap
die als advocaat, notaris of kandidaat-notaris dan wel in de
uitoefening van een gelijksoortig juridisch beroep optreedt
in naam en voor rekening van een cliënt bij enigerlei
financiële transactie of onroerende zaaktransactie;
14°. tussenpersoon als bedoeld in artikel 62 van het
Wetboek van Koophandel, voor zover deze bemiddelt bij het
tot stand brengen en het sluiten van overeenkomsten inzake
onroerende zaken en rechten waaraan onroerende zaken zijn
onderworpen;
15°. beroeps-of bedrijfsmatig handelende verkoper van
goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten
plaatsvindt voor een bedrag van€ 15 000 of meer, ongeacht
of de transactie plaatsvindt in een handeling of door middel
van meer handelingen waartussen een verband bestaat;
16°. natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap
die beroeps- of bedrijfsmatig een speelcasino in de zin van
artikel 27g, tweede lid, van de Wet op de kansspelen
organiseert;
17°. natuurlijke persoon of rechtspersoon die behoort
tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
categorie beroepen of bedrijven;
18°. natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij de
uitvoering van betaaldiensten als bedoeld in artikel 1:1 van
de Wet op het financieel toezicht optreedt voor rekening
van:
a. een betaalinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de
Wet op het financieel toezicht; of
b. een betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 1:1
van de Wet op het financieel toezicht met zetel in een
andere lidstaat die beschikt over een door de
toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende
vergunning voor het uitoefenen van zijn bedrijf;
19°. betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 1:1 van
de Wet op het financieel toezicht;
20°. natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap
die beroeps- of bedrijfmatig een adres of postadres ter
beschikking stelt;
b. cliënt: natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een
zakelijke relatie wordt aangegaan of die een transactie laat
uitvoeren;
c. identificeren: opgave van de identiteit laten doen;
d. verifiëren van de identiteit: vaststellen dat de
opgegeven identiteit overeenkomt met de werkelijke identiteit;
e. politiek prominente persoon: een persoon als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsrichtlijn, tenzij deze
de in dat lid bedoelde functie ten minste gedurende één jaar
niet meer heeft uitgeoefend, diens directe familieleden en
naaste geassocieerden in de zin van artikel 2, tweede en derde
lid, van de Uitvoeringsrichtlijn;
f. uiteindelijk belanghebbende:
1°. natuurlijke persoon die een belang houdt van meer
dan 25 procent van het kapitaalbelang of meer dan 25 procent
van de stemrechten van de aandeelhoudersvergadering kan
uitoefenen van een rechtspersoon anders dan een stichting,
dan wel op andere wijze feitelijk zeggenschap kan uitoefenen
in deze rechtspersoon, tenzij deze rechtspersoon een
vennootschap is die is onderworpen aan
openbaarmakingsvereisten als bedoeld in richtlijn nr.
2004/109 van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de
transparantievereisten die gelden voor informatie over
uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op
een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging
van Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 390) of aan voorschriften
van een internationale organisatie die gelijkwaardig zijn
aan die richtlijn;
2°. begunstigde van 25 procent of meer van het vermogen
van een stichting of een trust als bedoeld in het Verdrag
inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de
erkenning van trusts (Trb. 1985, 141) of degene die
bijzondere zeggenschap heeft over 25 procent of meer van het
vermogen van een stichting of een trust;
g. zakelijke relatie: zakelijke, professionele, of
commerciële relatie tussen een instelling en een natuurlijke
persoon of een rechtspersoon, die verband houdt met de
professionele activiteiten van die instelling en waarvan op het
tijdstip dat het contact wordt gelegd, wordt aangenomen dat deze
enige tijd zal duren;
h. transitrekening: door een bank aangehouden bankrekening in
een staat die geen lidstaat is en die door een cliënt van de
bank die niet in die staat is gevestigd gedebiteerd of
gecrediteerd kan worden zonder tussenkomst van de bank;
i. financieren van terrorisme:
1°. opzettelijk verwerven of voorhanden hebben van
voorwerpen met geldswaarde, bestemd tot het begaan van een
misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van
Strafrecht;
2°. opzettelijk verschaffen van middelen met geldswaarde
tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 83
van het Wetboek van Strafrecht; of
3°. het verlenen van geldelijke steun, alsmede het
opzettelijk werven van geld ten behoeve van een organisatie
die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld
in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht;
j. shellbank: bank of een onderneming die zich met
vergelijkbare activiteiten bezig houdt, opgericht in een staat
waar zij geen fysieke aanwezigheid heeft en die geen onderdeel
uitmaakt van een onder toezicht staand financieel conglomeraat
in de zin van de Wet op het financieel toezicht of een daarmee
vergelijkbare groep;
k. lidstaat: staat die lid is van de Europese Unie alsmede
een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte;
l. correspondentbankrelatie: vaste relatie tussen banken in
verschillende landen voor de afwikkeling van transacties of de
uitvoering van opdrachten;
m. transactie: handeling of samenstel van handelingen van of
ten behoeve van een cliënt in verband met het afnemen of het
verlenen van diensten;
n. ongebruikelijke transactie: transactie die ingevolge
artikel 15 als zodanig is aangemerkt;
o. melding: melding als bedoeld in artikel 16;
p. Uitvoeringsrichtlijn:Richtlijn nr. 2006/70/EG van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 augustus 2006 tot
vaststelling van uitvoeringsmaatregelen vanRichtlijn 2005/60/EG
van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de definitie
van politiek prominente personen en wat betreft de technische
criteria voor vereenvoudigde cliëntenonderzoeksprocedures en
voor vrijstellingen op grond van occasionele of zeer beperkte
financiële activiteiten (PbEU L 214);
q. meldpunt: het Meldpunt ongebruikelijke transacties,
bedoeld in artikel 12, eerste lid;
r. bank: een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op
het financieel toezicht;
s. platform voor de veiling van emissierechten: Platform voor
de veiling van emissierechten als bedoeld in hoofdstuk VII van
Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Europese Commissie van 12
november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere
aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten
overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement
en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in
broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU L 302).
2. Deze wet is niet van toepassing op belastingadviseurs als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 11°, en de personen,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 12° en 13°, voor
zover zij voor een cliënt werkzaamheden verrichten betreffende de
bepaling van diens rechtspositie, diens vertegenwoordiging en
verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een
rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden
van een rechtsgeding.
Artikel 2
1. Een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
a, onder 1°, 2°, 3°, 5°, 6°, 7°, 8°, 18° of 19°, die een
bijkantoor of een dochtermaatschappij heeft in een staat die geen
lidstaat is, draagt er zorg voor dat het bijkantoor
onderscheidenlijk de dochtermaatschappij cliëntenonderzoek verricht
dat gelijkwaardig is aan dat, geregeld in artikel 3, eerste tot en
met het vierde lid, en gegevens met betrekking tot het
cliëntenonderzoek vastlegt en bewaart op een wijze die
gelijkwaardig is aan hetgeen is geregeld in artikel 33.
2. Indien het recht van de betrokken staat toepassing van het
eerste lid niet toelaat, stelt de instelling degene die ingevolge
artikel 24 belast is met het toezicht op de naleving van deze wet
door de instelling daarvan in kennis en neemt zij maatregelen om het
risico van witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen.
Hoofdstuk 2. Bepalingen betreffende cliëntenonderzoek
§ 2.1. Cliëntenonderzoek
Artikel 3
1. Een instelling verricht ter voorkoming van witwassen en
financieren van terrorisme cliëntenonderzoek.
2. Het cliëntenonderzoek stelt de instelling in staat om:
a. de cliënt te identificeren en zijn identiteit te
verifiëren;
b. indien van toepassing, de uiteindelijk belanghebbende te
identificeren en op risico gebaseerde en adequate maatregelen te
nemen om zijn identiteit te verifiëren, en indien het een
rechtspersoon, een stichting of een trust als bedoeld in het
Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake
de erkenning van trusts (Trb. 1985, 141) betreft, op risico
gebaseerde en adequate maatregelen te nemen om inzicht te
verwerven in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de
cliënt;
c. het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie vast
te stellen;
d. voor zover mogelijk, een voortdurende controle op de
zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie
verrichte transacties uit te voeren, teneinde te verzekeren dat
deze overeenkomen met de kennis die de instelling heeft van de
cliënt en van zijn risicoprofiel, met in voorkomend geval een
onderzoek naar de bron van het vermogen.
3. Een instelling verricht het cliëntenonderzoek in de volgende
gevallen:
a. indien zij in of vanuit Nederland een zakelijke relatie
aangaat;
b. indien zij in of vanuit Nederland een incidentele
transactie verricht ten behoeve van de cliënt van ten minste
€ 15 000, of twee of meer transacties waartussen een verband
bestaat met een gezamenlijke waarde van ten minste€ 15 000;
c. indien er indicaties zijn dat de cliënt betrokken is bij
witwassen of financieren van terrorisme;
d. indien zij twijfelt aan de betrouwbaarheid van eerder
verkregen gegevens van de cliënt; of
e. indien het risico van betrokkenheid van een bestaande
cliënt bij witwassen of financieren van terrorisme daartoe
aanleiding geeft.
4. Een instelling kan het cliëntenonderzoek afstemmen op de
risicogevoeligheid voor witwassen of financiering van terrorisme van
het type cliënt, zakelijke relatie, product of transactie.
5. Het eerste tot en met het vierde lid is niet van toepassing op
trustkantoren als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 10°.
6. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld
van het in het eerste of tweede lid bepaalde.
7. Onze Minister van Financiën kan, op verzoek van een
instelling, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van
het eerste of tweede lid. Aan een vrijstelling en ontheffing kunnen
beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
Artikel 4
1. Een instelling voldoet aan artikel 3, tweede lid, onderdelen a
en b, voordat de zakelijke relatie wordt aangegaan of een
incidentele transactie als bedoeld in artikel 3, derde lid,
onderdeel b, wordt uitgevoerd.
2. In afwijking van het eerste lid is het een instelling
toegestaan de identiteit van de cliënt en, indien van toepassing,
de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende te verifiëren
tijdens het aangaan van de zakelijke relatie, indien dit
noodzakelijk is om de dienstverlening niet te verstoren en indien er
weinig risico op witwassen of financieren van terrorisme bestaat. In
dat geval verifieert de instelling de identiteit zo spoedig mogelijk
na het eerste contact met de cliënt.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid is het een
instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder
5°, toegestaan de begunstigde van een polis te identificeren en de
identiteit te verifiëren nadat de zakelijke relatie is aangegaan.
In dat geval vindt het identificeren en het verifiëren van de
identiteit plaats op of voor het tijdstip van uitbetaling, dan wel
op of voor het tijdstip waarop de begunstigde zijn rechten krachtens
de polis wil uitoefenen.
4. In afwijking van het eerste en tweede lid is het een bank als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, toegestaan
een rekening te openen voordat de verificatie van de identiteit van
de cliënt heeft plaatsgevonden, indien zij waarborgt dat deze
rekening niet kan worden gebruikt voordat de verificatie heeft
plaatsgevonden.
5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan een notaris of
kandidaat-notaris als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 12°, de identiteit van de cliënt en, indien van toepassing,
van de uiteindelijk belanghebbende verifiëren op het moment dat
identificatie op grond van artikel 39 van de Wet op het notarisambt
is vereist.
Artikel 5
1. Het is een instelling verboden een zakelijke relatie aan te
gaan of een transactie uit te voeren, indien zij geen
cliëntenonderzoek heeft verricht als bedoeld in artikel 3 of indien
het cliëntenonderzoek niet heeft geleid tot het in artikel 3,
tweede lid, aanhef en onderdelen a, b en c, bedoelde resultaat.
Indien de instelling reeds een zakelijke relatie met de cliënt
heeft en de instelling niet kan voldoen aan het bepaalde in artikel
3, eerste en tweede lid, aanhef en onderdelen a, b, en c, beëindigt
de instelling de desbetreffende zakelijke relatie.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de gevallen als
bedoeld in deartikelen 6 en 7.
3. Het is een bank verboden een correspondentbankrelatie aan te
gaan of voort te zetten met een shellbank of met een bank waarvan
bekend is dat deze een shellbank toestaat van haar rekeningen
gebruik te maken.
§ 2.2. Vereenvoudigd cliëntenonderzoek
Artikel 6
1. Artikel 3, eerste lid, derde lid, aanhef en onderdelen a, b en
d, en vierde lid, en artikel 4, eerste lid, zijn niet van toepassing
ten aanzien van de volgende cliënten:
a. instellingen als bedoeld inartikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1° tot en met 8°, 18° en 19°, met zetel
in Nederland of in een andere lidstaat;
b. instellingen als bedoeld inartikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1° tot en met 9°, 18° en 19°, met zetel
in een staat die geen lidstaat is, indien in die staat op de
instelling wettelijke voorschriften van toepassing zijn die
gelijkwaardig zijn aan het bepaalde in de artikelen 3, tweede
lid, derde lid, aanhef en onderdelen a, b, c en d, en vierde
lid, en artikel 8, eerste lid, en er toezicht wordt uitgeoefend
op de naleving van die voorschriften;
c. rechtspersonen die effecten hebben uitgegeven die in een
lidstaat zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde
markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel
toezicht;
d. rechtspersonen die effecten hebben uitgegeven in een staat
die geen lidstaat is, zijn toegelaten tot de handel op een markt
in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de
Wet op het financieel toezicht, en die daarbij zijn onderworpen
aan openbaarmakingsvereisten die overeenkomen met die van
richtlijn nr. 2004/109 van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de
transparantievereisten die gelden voor informatie over
uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een
gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van
Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 390);
e. cliënten die tijdelijk gelden aanhouden op rekeningen op
naam van notarissen, advocaten en andere onafhankelijke
beoefenaren van juridische beroepen. Voor zover de
rekeninghouders niet in een lidstaat gevestigd zijn, is deze
bepaling slechts van toepassing indien op hen wettelijke
voorschriften van toepassing zijn ter voorkoming van witwassen
en financieren van terrorisme die overeenkomen met het bepaalde
in deze wet en de informatie over de identiteit van de cliënten
op verzoek beschikbaar is voor de desbetreffende instelling;
f. Nederlandse overheidsinstanties;
g. instanties:
1°. die zijn belast met openbare functies uit hoofde van
het Verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot
oprichting van de Europese Gemeenschappen of de afgeleide
communautaire wetgeving;
2°. waarvan de identiteit bekend is;
3°. waarvan de activiteiten en boekhoudkundige
praktijken transparant zijn; en
4°. die verantwoording schuldig zijn aan een instelling
van de Europese Gemeenschappen of aan een overheidsinstantie
van een lidstaat of ten aanzien waarvan andere gepaste
procedures bestaan om de activiteiten te controleren.
2. Een instelling verzamelt voldoende gegevens om te kunnen
vaststellen of het eerste lid op een cliënt van toepassing is.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën
cliënten worden aangewezen waarop het eerste lid van
overeenkomstige toepassing is.
4. Onze Minister van Financiën wijst de staten aan als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel b.
Artikel 7
1. Artikel 3, eerste lid, derde lid, aanhef en onderdelen a, b en
d, en vierde lid, alsmede artikel 4, eerste lid, zijn niet van
toepassing voor zover het betreft zakelijke relaties of transacties
met betrekking tot:
a. levensverzekeringsovereenkomsten als bedoeld in artikel
1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarvan het bedrag
van de jaarlijks te betalen premie € 1 000 of minder bedraagt
of waarvan het bedrag van de eenmalige premie€ 2 500 of minder
bedraagt;
b. producten met betrekking tot een pensioen als bedoeld in
artikel 1 van de Pensioenwet;
c. elektronisch geld als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op
het financieel toezicht, waarvan:
1°. indien de geldswaarde die is opgeslagen op de
elektronische drager of die op afstand is opgeslagen in een
centrale rekeningadministratie niet kan worden heropgeladen,
het maximumbedrag niet meer dan € 250 bedraagt; of
2°. indien de geldswaarde die is opgeslagen op de
elektronische drager of die op afstand is opgeslagen in een
centrale rekeningadministratie kan worden opgeladen, het
totaalbedrag van de transacties die in een kalenderjaar
kunnen worden verricht niet meer dan € 2.500 bedraagt,
tenzij de houder een bedrag van € 1 000 of meer heeft
laten terugbetalen in datzelfde kalenderjaar.
2. Een instelling verzamelt voldoende gegevens om te kunnen
vaststellen of het eerste lid op een product van toepassing is.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen producten of
transacties worden aangewezen waarop het eerste lid van
overeenkomstige toepassing is.
4. Voor nationale betalingstransacties wordt het in het eerste
lid genoemde bedrag van € 250 verdubbeld.
§ 2.3. Verscherpt cliëntenonderzoek
Artikel 8
1. Een instelling verricht, onverminderd artikel 3, tweede, derde
en vierde lid, verscherpt cliëntenonderzoek indien en naar gelang
een zakelijke relatie of transactie naar haar aard een hoger risico
op witwassen of financieren van terrorisme met zich brengt. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën zakelijke
relaties en transacties worden aangewezen die naar hun aard een
hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme met zich
brengen.
2. Onverminderd het eerste lid neemt een instelling, indien een
cliënt niet fysiek aanwezig is voor identificatie, maatregelen om
het hogere risico te compenseren. De instelling kan aan de vorige
volzin voldoen indien zij:
a. de identiteit van de cliënt verifieert aan de hand van
aanvullende documenten, gegevens of informatie;
b. de overgelegde documenten beoordeelt op echtheid; of
c. waarborgt dat de eerste betaling die met de zakelijke
relatie of transactie verband houdt, wordt gedaan ten gunste of
ten laste van een rekening van de cliënt bij een bank met zetel
in een lidstaat of in een door Onze Minister van Financiën
aangewezen staat die beschikt over een vergunning om in die
lidstaat onderscheidenlijk die staat haar bedrijf te mogen
uitoefenen.
3. Onverminderd het eerste lid draagt een bank die een
correspondentbankrelatie aangaat of is aangegaan met een bank in een
staat die geen lidstaat is er zorg voor dat:
a. zij voldoende informatie over de betrokken bank verzamelt
om een volledig beeld te krijgen van de aard van haar
bedrijfsactiviteiten, en op basis van openbaar beschikbare
informatie de reputatie van de bank en de kwaliteit van het
toezicht dat op de bank wordt uitgeoefend beoordeelt;
b. zij de procedures en maatregelen ter voorkoming van
witwassen en financieren van terrorisme van de betrokken bank
beoordeelt;
c. indien het een nieuwe correspondentbankrelatie betreft, de
beslissing tot het aangaan van die relatie wordt genomen of
goedgekeurd door personen die daartoe door de bank gemachtigd
zijn;
d. de verantwoordelijkheden van beide banken schriftelijk
worden vastgelegd;
e. de betrokken bank de cliënt heeft geïdentificeerd en
zijn identiteit heeft geverifieerd en daarnaast doorlopend
toezicht houdt op de cliënten die rechtstreeks toegang hebben
tot transitrekeningen en dat deze in staat is om haar op verzoek
de relevante cliëntgegevens te verstrekken.
4. Een instelling draagt er zorg voor dat zij over op risico
gebaseerde procedures beschikt om te bepalen of de cliënt een
politiek prominent persoon is die niet in Nederland woont.
Onverminderd het eerste lid draagt een instelling die een zakelijke
relatie aangaat met of een transactie verricht voor een politiek
prominente persoon die niet in Nederland woont, er tevens zorg voor
dat:
a. de beslissing tot het aangaan van die relatie of het
verrichten van die transactie wordt genomen of wordt goedgekeurd
door personen die daartoe door de instelling zijn gemachtigd;
b. zij adequate maatregelen treft om de bron van het vermogen
vast te stellen dat bij de zakelijke relatie of transactie wordt
gebruikt; en
c. zij doorlopend controle uitoefent op de zakelijke relatie.
§ 2.4. Introduceren van cliënten en uitbesteding van
identificatie
Artikel 9
1. Artikel 5, eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van
cliënten die zijn geïdentificeerd en waarvan de identiteit reeds
is geverifieerd, ingevolge artikel 3 of op daarmee overeenkomende
wijze, door:
a. een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 11° tot en met 13°, met zetel in Nederland
of een andere lidstaat; of
b. een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1° tot en met 3°, 5° tot en met 10°, 18°
of 19°.
2. Een instelling als bedoeld in het eerste lid stelt, op verzoek
van de instelling waar zij een cliënt introduceert, de
identificatie- en verificatiegegevens en overige gegevens en
bescheiden inzake de identiteit van de cliënt of de uiteindelijk
belanghebbende onverwijld ter beschikking aan die instelling.
Artikel 10
1. Een instelling kan het cliëntenonderzoek, bedoeld in artikel
3, eerste lid, voor zover het betrekking heeft op het in het tweede
lid, onderdelen a, b, en c, van dat artikel bepaalde, laten
verrichten door een derde, onverminderd haar verplichting om te
voldoen aan het in die onderdelen bepaalde.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde uitbesteding een
structureel karakter heeft legt de instelling de opdracht daartoe
schriftelijk vast.
§ 2.5. Documenten die voor de verificatie van de identiteit
gebruikt kunnen worden
Artikel 11
1. Indien de cliënt een natuurlijke persoon is, wordt diens
identiteit geverifieerd aan de hand van documenten, gegevens of
inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. Bij
ministeriële regeling kunnen documenten, gegevens of inlichtingen
worden aangewezen op basis waarvan kan worden voldaan aan het in de
vorige zin bepaalde.
2. Indien de cliënt een rechtspersoon is opgericht naar
Nederlands recht en in Nederland zijn zetel heeft of een
buitenlandse rechtspersoon is die in Nederland is gevestigd, wordt
diens identiteit geverifieerd aan de hand van documenten, gegevens
of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. Bij
ministeriële regeling kunnen documenten, gegevens of inlichtingen
worden aangewezen op basis waarvan kan worden voldaan aan het in de
vorige zin bepaalde.
3. Indien de cliënt een buitenlandse rechtspersoon is die niet
in Nederland is gevestigd, wordt de identiteit geverifieerd op basis
van betrouwbare en in het internationale verkeer gebruikelijke
documenten, gegevens of inlichtingen of op basis van documenten,
gegevens of inlichtingen die bij wet als geldig middel voor
identificatie zijn erkend in de staat van herkomst van de cliënt.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld
met betrekking tot het verifiëren van de identiteit van cliënten
die niet onder het eerste tot en met het derde lid vallen.
Hoofdstuk 3. Bepalingen betreffende het melden van ongebruikelijke
transacties
§ 3.1. Het meldpunt
Artikel 12
1. Er is een Meldpunt ongebruikelijke transacties.
2. Het Meldpunt ongebruikelijke transacties is de
verantwoordelijke autoriteit als bedoeld in de Verordening nr.
2006/1781/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bij
geldovermakingen te voegen informatie over de betaler.
3. De algemene leiding, de organisatie en het beheer van het
meldpunt berusten bij Onze Minister van Justitie.
4. Benoeming, schorsing en ontslag van het hoofd van het meldpunt
geschieden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister
van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.
5. Onze Minister van Justitie bepaalt in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën de begroting van het meldpunt.
Artikel 13
Het meldpunt heeft met het oog op het voorkomen en opsporen van
witwassen en financieren van terrorisme tot taak:
a. het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de
gegevens die het verkrijgt, teneinde te bezien of deze gegevens
van belang kunnen zijn voor het voorkomen en opsporen van
misdrijven;
b. het verstrekken van persoonsgegevens en andere gegevens in
overeenstemming met deze wet en het bij of krachtens de Wet
politiegegevens bepaalde;
c. de instelling die overeenkomstig artikel 16 een melding
heeft gedaan, berichten over de afdoening van de melding;
d. het verrichten van onderzoek naar ontwikkelingen op het
gebied van witwassen en financieren van terrorisme en naar de
verbetering van de methoden om witwassen en financieren van
terrorisme te voorkomen en op te sporen;
e. het geven van aanbevelingen voor de bedrijfstakken omtrent
de invoering van passende procedures voor interne controle en
communicatie en andere te treffen maatregelen tot voorkoming van
het gebruik van die bedrijfstakken voor witwassen en financieren
van terrorisme;
f. het geven van voorlichting omtrent het voorkomen en opsporen
van witwassen en financieren van terrorisme aan:
1°. de bedrijfstakken en beroepsgroepen;
2°. de personen die krachtens artikel 24 met het toezicht
op de naleving van deze wet zijn belast;
3°. het openbaar ministerie en de overige ambtenaren
belast met de opsporing van strafbare feiten;
4°. het publiek;
g. het geven van inlichtingen aangaande het meldgedrag van de
instellingen aan de personen die krachtens artikel 24 met het
toezicht op de naleving van deze wet zijn belast;
h. het onderhouden van contacten met buitenlandse van
overheidswege aangewezen instanties die een vergelijkbare taak
hebben als het meldpunt;
i. het jaarlijks uitbrengen van een verslag met betrekking tot
de taakuitoefening en zijn werkzaamheden in het voorafgaande jaar
en van zijn voornemens voor het komende jaar, dat wordt aangeboden
aan Onze Minister van Justitie en ter kennis gebracht van Onze
Minister van Financiën.
Artikel 14
1.Bij het meldpunt kunnen persoonsgegevens worden verwerkt ten
behoeve van de taak, bedoeld in artikel 13.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over
de categorieën van personen waarover het meldpunt gegevens
verwerkt, de gegevensverstrekking, de bewaring en vernietiging van
gegevens en de protocolplicht.
3.Op de verwerking van persoonsgegevens door het meldpunt zijn de
artikelen 1, 2, 3, eerste en tweede lid, 4, 5, 6, 7, 15, 16, eerste
lid, onderdelen a, b en c, 17, 18, 22 en 23, 25 tot en met 31,
alsmede artikel 33 van de Wet politiegegevens van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat voor het meldpunt als
verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel f, van die wet
wordt aangemerkt Onze Minister van Justitie.
§ 3.2. De Meldingsplicht
Artikel 15
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden, zo nodig per
daarbij te onderscheiden categorieën transacties, indicatoren
vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie
wordt aangemerkt als een ongebruikelijke transactie.
2. Indien het spoedeisende belang dat vereist, kunnen bij
regeling van Onze Minister van Financiën en Onze Minister van
Justitie gezamenlijk de indicatoren, bedoeld in het eerste lid,
worden vastgesteld voor een termijn van ten hoogste zes maanden.
Artikel 16
1. Een instelling meldt een verrichte of voorgenomen
ongebruikelijke transactie binnen veertien dagen nadat het
ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, aan
het meldpunt.
2. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid verstrekt de
instelling de volgende gegevens:
a. de identiteit van de cliënt en, voor zover mogelijk, de
identiteit van degene ten behoeve van wie de transactie wordt
uitgevoerd;
b. de aard en het nummer van het identiteitsbewijs van de
cliënt;
c. de aard, het tijdstip en de plaats van de transactie;
d. de omvang en de bestemming en herkomst van de gelden,
effecten, edele metalen of andere waarden die bij een transactie
betrokken zijn;
e. de omstandigheden op grond waarvan de transactie als
ongebruikelijk wordt aangemerkt;
f. een omschrijving van de desbetreffende zaken van grote
waarde bij een transactie boven de € 15 000;
g. aanvullende, bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen, gegevens.
Artikel 17
1. Het meldpunt kan bij de instelling die een melding heeft
gedaan, alsmede bij de instelling die bij een transactie is
betrokken waarover het meldpunt gegevens heeft verzameld, nadere
gegevens of inlichtingen vragen, teneinde te kunnen beoordelen of
verzamelde gegevens dienen te worden verstrekt op grond van zijn
taak bedoeld in artikel 13, onderdeel b.
2. De instelling waaraan overeenkomstig het eerste lid deze
gegevens of inlichtingen zijn gevraagd, verstrekt deze schriftelijk,
alsmede in spoedeisende gevallen mondeling, aan het meldpunt binnen
de door het meldpunt gestelde termijn.
Artikel 18
Het meldpunt bepaalt de wijze waarop een melding moet worden
gedaan, of gegevens of inlichtingen als bedoeld in artikel 17, eerste
lid, moeten worden verstrekt.
§ 3.3. Vrijwaring
Artikel 19
1. Gegevens of inlichtingen die in overeenstemming met de
artikelen 16 of 17 zijn verstrekt, kunnen niet dienen als grondslag
voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging
wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een
tenlastelegging wegens witwassen of financieren van terrorisme door
de instelling die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.
2. Gegevens of inlichtingen die zijn verstrekt in de redelijke
veronderstelling dat uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 16 of
17 kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een
opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als
bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens, overtreding van
artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht door de instelling die
deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van personen die werkzaam zijn voor een instelling die
gegevens of inlichtingen heeft verstrekt als omschreven in het
eerste of tweede lid en die daaraan hebben meegewerkt.
Artikel 20
De instelling die tot een melding op de voet van artikel 16 is
overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde
dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op
alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had
mogen worden overgegaan.
§ 3.4. De Commissie inzake de meldingsplicht ongebruikelijke
transacties
Artikel 21
1. Er is een Commissie inzake de meldingsplicht van
ongebruikelijke transacties.
2. De commissie treedt periodiek in overleg met
vertegenwoordigers van Onze Minister van Justitie en Onze Minister
van Financiën over:
a. de inrichting en uitvoering van de meldingsplicht;
b. de vaststelling van de indicatoren bedoeld in artikel 15.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met
betrekking tot de samenstelling en de organisatie van de commissie.
§ 3.5. Geheimhouding
Artikel 22
Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet
of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult of
heeft vervuld verboden van gegevens of inlichtingen, die ingevolge
deze wet zijn verstrekt of ontvangen, verder of anders gebruik te
maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de
uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
Artikel 23
1. Een instelling die ingevolge artikel 16 een melding heeft
gedaan of die ingevolge artikel 17 nadere informatie heeft
verstrekt, is verplicht tot geheimhouding hiervan, alsmede van het
gegeven dat deze melding of verstrekking aanleiding kan geven tot
nader onderzoek, behoudens voor zover uit deze wet de noodzaak tot
bekendmaking voortvloeit.
2. De instelling die ingevolge artikel 13, onderdeel c, gegevens
of inlichtingen verkrijgt, is verplicht tot geheimhouding daarvan.
3. De in het eerste lid bedoelde geheimhoudingsplicht is niet van
toepassing op een mededeling gedaan door een instelling als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 11°, 12° en 13°, aan
een cliënt met als doel deze te doen afzien van een onwettige
handeling.
4. Een instelling kan, in afwijking van het eerste lid,
mededelingen doen aan:
a. instellingen die behoren tot hetzelfde financieel
conglomeraat als bedoeld in artikel 3:290 van de Wet op het
financieel toezicht en die tenminste hebben voldaan aan de
verplichting tot het vereenvoudigd cliëntenonderzoek, bedoeld
in de artikelen 6 en 7;
b. instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, met zetel in een lidstaat of een staat die geen
lidstaat is die eisen stelt die gelijkwaardig zijn aan die in
deze wet, en die hun werkzaamheden, al dan niet als werknemer,
uitoefenen binnen eenzelfde rechtspersoon of netwerk;
c. instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1° tot en met 12°, met zetel in een
lidstaat, mits het dezelfde cliënt en dezelfde transactie
betreft en de mededeling uitsluitend is bedoeld ter voorkoming
van witwassen en financieren van terrorisme;
d. instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1° tot en met 12°, met zetel in een staat
die geen lidstaat is die eisen stelt die gelijkwaardig zijn aan
die in deze wet, die zijn onderworpen aan gelijkwaardige
verplichtingen op het gebied van het beroepsgeheim en de
bescherming van persoonsgegevens, en tot dezelfde
beroepscategorie behoren, mits het dezelfde cliënt en dezelfde
transactie betreft en de mededeling uitsluitend is bedoeld ter
voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
5. Een ieder die kennis neemt van een melding, het gegeven dat
een melding aanleiding kan geven tot nader onderzoek, nadere
informatie als bedoeld in het eerste lid of gegevens of inlichtingen
als bedoeld in het tweede lid en weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat ter zake op een instelling de geheimhoudingsplicht
bedoeld in het eerste lid rust, is verplicht tot geheimhouding
hiervan, behoudens voor zover uit deze wet de noodzaak tot
bekendmaking voortvloeit. Het derde en vierde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. Bepalingen betreffende toezicht en handhaving
Artikel 24
1. Bij besluit van Onze Minister van Financiën en Onze Minister
van Justitie gezamenlijk kunnen personen worden aangewezen die
belast zijn met het toezicht op de naleving door de instellingen van
deze wet.
2. De personen die op grond van het eerste lid belast zijn met
het toezicht op de instellingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 10° tot en met 15°, kunnen het toezicht op een
risicogeoriënteerde wijze uitoefenen.
3. De Nederlandsche Bank N.V. is belast met het toezicht op de
naleving van de Verordening nr. 2006/1781/EG van het Europees
Parlement en de Raad betreffende bij geldovermakingen te voegen
informatie over de betaler.
4. De Stichting Autoriteit Financiële Markten is belast met het
toezicht op de naleving van Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de
Europese Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het
beheer en andere aspecten van de veiling van
broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van
het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling
voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU
L 302).
5. Ten aanzien van personen die op grond van het eerste lid
belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen,
genoemd in het eerste en derde lid, zijn de bepalingen van hoofdstuk
5, afdeling 5.2, van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing.
6. Van een besluit tot aanwijzing op grond van het eerste lid
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
7. Bij ministeriële regeling kunnen banken die deel uitmaken van
een groep banken die op 15 december 1977 blijvend was aangesloten
bij een centrale kredietinstelling die controle uitoefent op de
bedrijfsvoering en uitbesteding van die banken worden vrijgesteld
van het toezicht door de Nederlandsche Bank N.V. op de naleving van
deze wet, indien de centrale kredietinstelling toezicht houdt op die
groep banken en in voldoende mate bevoegd is voor de naleving van
deze wet noodzakelijke instructies te geven aan die banken. Aan deze
vrijstelling kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften
worden verbonden.
Artikel 25
Indien de personen die met wettelijk toezicht op instellingen zijn
belast bij de uitoefening van hun taak feiten ontdekken die kunnen
duiden op witwassen of financieren van terrorisme, lichten zij, zo
nodig in afwijking van de toepasselijke wettelijke
geheimhoudingsbepalingen, het meldpunt in.
Artikel 26
1. Onze Minister van Financiën kan een last onder dwangsom
opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 2, 3, eerste tot
en met derde en zevende lid, 4, eerste lid, tweede lid, tweede
volzin, derde lid, tweede volzin, en vierde lid, 5, eerste en derde
lid, 6, tweede lid, 7, tweede lid, 8, 10, tweede lid, 11, 16, 17,
tweede lid, 23 eerste en tweede lid, 33, 34 en 35 van deze wet,
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het bepaalde in
Verordening (EG) nr. 2006/1781 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 15 november 2006 betreffende bij
geldovermakingen te voegen informatie over de betaler (PbEU L 345)
en het bepaalde in Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Europese
Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en
andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten
overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de
Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in
broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU L 302).
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van degene
die, in geval van bezwaren tegen diens handelen of nalaten in de
beroepsuitoefening, onderworpen is aan bij wet geregelde
tuchtrechtspraak.
Artikel 27
1. Onze Minister van Financiën kan een bestuurlijke boete
opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 2, 3, eerste tot
en met derde en zevende lid, 4, eerste lid, tweede lid, tweede
volzin, derde lid, tweede volzin, en vierde lid, 5, eerste en derde
lid, 6, tweede lid, 7, tweede lid, 8, 10, tweede lid, 11, 16, eerste
en tweede lid, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33, 34, en
35 van deze wet, artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en
het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2006/1781 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 november 2006
betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de
betaler (PbEU L 345) en het bepaalde in Verordening (EU) nr.
1031/2010 van de Europese Commissie van 12 november 2010 inzake de
tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van
broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van
het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling
voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU
L 302).
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van degene
die, in geval van bezwaren tegen diens handelen of nalaten in de
beroepsuitoefening, onderworpen is aan bij wet geregelde
tuchtrechtspraak.
Artikel 28
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel
27, eerste lid.
2. Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij
algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat de
bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste
€ 4 000 000 bedraagt. Indien tijdens het plegen van de overtreding
nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen van een
bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde
overtreding, wordt het bedrag van de bestuurlijke boete, bedoeld in
de eerste volzin, voor een afzonderlijke overtreding verdubbeld.
3. De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin omschreven
overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete.
De overtredingen worden gerangschikt in categorieën naar zwaarte van
de overtreding met de daarbij behorende basisbedragen, minimumbedragen
en maximumbedragen. Daarbij wordt de volgende indeling gebruikt:
|
Categorie |
Basisbedrag |
Minimumbedrag |
Maximumbedrag |
|
1 |
€ 10 000,– |
€ 0,– |
€ 10 000,– |
|
2 |
€ 500 000,– |
€ 0,– |
€ 1 000 000,– |
|
3 |
€ 2 000 000,– |
€ 0,– |
€ 4 000 000,– |
4. In afwijking van het tweede en
derde lid kan de toezichthouder de hoogte van de bestuurlijke
boete vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van het
voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen
indien diens voordeel groter is dan€ 2 000 000.
Artikel 28a [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 28b [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 28c [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 28d [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 28e [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 28f [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 28g [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 29
Onze Minister van Financiën kan de dwangsom en de bestuurlijke
boete invorderen bij dwangbevel.
Artikel 30
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroep tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te
Rotterdam bevoegd.
Artikel 31
1. De bevoegdheden die Onze Minister van Financiën op grond van
dit hoofdstuk heeft, met uitzondering van artikel 27, derde lid,
kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan
personen die ingevolge artikel 24, eerste lid, zijn aangewezen.
Alsdan gelden de verplichtingen op grond van dit hoofdstuk jegens
Onze Minister van Financiën als verplichtingen jegens de
desbetreffende persoon.
2. Aan de overdracht, bedoeld in het eerste lid, kunnen
beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
Artikel 32
Indien een instelling niet voldoet aan haar verplichtingen
ingevolge artikel 16 of 17, tweede lid, kan de op grond van artikel
24, eerste lid, aangewezen persoon door middel van het geven van een
aanwijzing de instelling verplichten binnen een door de op grond van
artikel 24, eerste lid, aangewezen persoon gestelde termijn een
bepaalde gedragslijn te volgen aangaande:
a. de ontwikkeling van interne procedures en controles ter
voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme; en
b. de opleiding van werknemers als bedoeld in artikel 35.
Hoofdstuk 5. Bepalingen met betrekking tot het bewaren van
bewijsstukken en training
§ 5.1. Gegevens met betrekking tot cliëntenonderzoek
Artikel 33
1. Een instelling die op grond van deze wet de cliënt heeft
geïdentificeerd en zijn identiteit heeft geverifieerd, legt op
toegankelijke wijze de volgende gegevens vast:
a. van natuurlijke personen:
1°. de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum,
het adres en de woonplaats dan wel plaats van vestiging van
de cliënt alsmede van degene die namens die natuurlijke
persoon optreedt of een afschrift van het document dat een
persoonidentificerend nummer bevat en aan de hand waarvan de
identificatie heeft plaatsgevonden;
2°. de aard, het nummer en de datum en plaats van
uitgifte van het document met behulp waarvan de identiteit
is geverifieerd;
3°. de aard van de dienstverlening;
b. van naar Nederlands recht opgerichte rechtspersonen:
1°. de rechtsvorm, de statutaire naam, de handelsnaam,
het adres met huisnummer, de postcode, de plaats van
vestiging, het land van statutaire zetel en, indien de
rechtspersoon bij een Kamer van Koophandel en Fabrieken is
geregistreerd, het registratienummer bij de Kamer van
Koophandel en Fabrieken en de plaats van vestiging van de
Kamer van Koophandel en Fabrieken die het desbetreffende
handelsregister houdt en de wijze waarop de identiteit is
geverifieerd;
2°. van degenen die voor de rechtspersoon bij de
instelling optreden: de geslachtsnaam, de voornamen en de
geboortedatum;
3°. de aard van de dienstverlening;
c. van buitenlandse rechtspersonen:
1°. de documenten aan de hand waarvan de identiteit is
geverifieerd;
2°. van degenen die voor de rechtspersoon bij de
instelling optreden: de geslachtsnaam, de voornamen en de
geboortedatum;
3°. de aard van de dienstverlening.
2. Indien bij een cliëntenonderzoek artikel 3, tweede lid,
onderdeel b, van toepassing is, legt de instelling de gegevens
waarmee zij voldoet aan de verplichtingen ingevolge die bepaling op
toegankelijke wijze vast.
3. Een instelling bewaart de in het eerste en tweede lid bedoelde
gegevens op toegankelijke wijze gedurende vijf jaar na het tijdstip
van het beëindigen van de zakelijke relatie of tot vijf jaar na het
uitvoeren van de desbetreffende transactie.
§ 5.2. Gegevens met betrekking tot een ongebruikelijke transactie
Artikel 34
Een instelling bewaart de gegevens, bedoeld in artikel 16, tweede
lid, op toegankelijke wijze gedurende vijf jaar na het tijdstip van
het doen van de melding.
§ 5.3. Opleiding
Artikel 35
Een instelling draagt er zorg voor dat haar werknemers, voor zover
relevant voor de uitoefening van hun taken, bekend zijn met de
bepalingen van deze wet en opleidingen genieten die hen in staat
stellen een ongebruikelijke transactie te herkennen.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 36
De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling van
een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 1°, welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze
wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar.
Artikel 37
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 2, zesde lid,
van de Wet identificatie bij dienstverlening, berust vanaf het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op artikel 3, zevende lid.
Artikel 38
1.Artikel 3, eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van
cliënten die reeds op grond van de Wet identificatie bij
dienstverlening zijn geïdentificeerd of ten aanzien van wie geen
verplichting tot identificatie op grond van die wet was vereist.
2.Gegevens van de in het eerste lid bedoelde personen die reeds
op grond van de Wet identificatie bij dienstverlening zijn
vastgelegd, worden geacht te zijn vastgelegd ingevolge deze wet.
Artikel 39
Een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete die op het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet was opgelegd ter zake van
overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens de Wet
identificatie bij dienstverlening of de Wet melding ongebruikelijke
transacties, wordt aangemerkt als een last onder dwangsom of een
bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 26 onderscheidenlijk 27.
Artikel 40
Op bezwaar of beroep, ingesteld vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet tegen een besluit op grond van de Wet
identificatie bij dienstverlening of de Wet melding ongebruikelijke
transacties, blijft het recht van toepassing dat gold voor het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 41
1. Met het toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of
krachtens de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding
ongebruikelijke transacties, zijn belast de op grond van artikel 24,
eerste lid, aangewezen personen.
2. De personen die op grond van artikel 24, eerste lid, zijn
belast met het toezicht op de naleving van deze wet, kunnen na
inwerkingtreding van deze wet tot drie jaren na de dag waarop de
overtreding is begaan een bestuurlijke boete opleggen terzake van
overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet
identificatie bij dienstverlening of de Wet melding ongebruikelijke
transacties.
3. Op een bestuurlijke boete als bedoeld in het tweede lid blijft
het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 42
Een aanwijzing die is gegeven op grond van artikel 17u van de Wet
melding ongebruikelijke transacties, wordt vanaf het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een aanwijzing als
bedoeld in artikel 32.
Artikel 42a
De artikelen 19, 20, 22, 23 en 33 tot en met 35zijn van
overeenkomstige toepassing op een platform voor de veiling van
emissierechten.
Artikel 43
[Wijzigt de Wet inzake de geldtransactiekantoren]
Artikel 44
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 45
[Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur]
Artikel 46
[Wijzigt de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek]
Artikel 47
[Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren]
Artikel 48
[Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de
heffing van belastingen]
Artikel 48a
[Wijzigt deze wet]
Artikel 48b
[Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen]
Artikel 48c
[Wijzigt de Invorderingswet 1990]
Artikel 48d
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964]
Artikel 48e
[Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet]
Artikel 48f
[Wijzigt de Wet arbeid vreemdelingen]
Artikel 49
De Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding
ongebruikelijke transacties worden ingetrokken.
Artikel 50
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 51
Deze wet wordt aangehaald als: Wet ter voorkoming van witwassen en
financieren van terrorisme.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden,
Gegeven te Tavarnelle, 15 juli 2008
BEATRIX
De Minister van
Financiën a.i.,
A. Rouvoet
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de de negenentwintigste
juli 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage [Vervallen per 01-08-2009]
|