| |
|
|
|
|
vorige
WET
TIJDELIJK HUISVERBOD
Tekst zoals deze geldt op
19 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit tijdelijk huisverbod
WET van 9 oktober 2008, houdende regels strekkende tot
het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een
ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk
huisverbod)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is om een maatregel in te voeren waarmee een persoon die een
ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of
meer personen met wie deze een huishouden deelt tijdelijk een huisverbod
kan worden opgelegd teneinde de veiligheid van deze personen te
waarborgen en een periode te creëren waarin maatregelen genomen kunnen
worden om de dreiging van huiselijk geweld te doen wegnemen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. ambtenaar van politie: ambtenaar van politie, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdelen a en c, van de Politiewet 1993;
b. huisverbod: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk
verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van,
zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om
contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de
beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan
incidenteel verblijven;
c. uithuisgeplaatste: degene aan wie een huisverbod is opgelegd.
Artikel 2
1.De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon
indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in
de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid
van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin
anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of
omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het
verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging
overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en
omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te
leggen.
2.Een huisverbod kan slechts worden opgelegd aan een meerderjarig
persoon.
3.Indien de burgemeester voornemens is het huisverbod op te leggen
wegens kindermishandeling of een ernstig vermoeden daarvan, neemt hij
contact op met de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet
op de jeugdzorg teneinde te overleggen over het voornemen om een
huisverbod op te leggen.
4.Het huisverbod bevat in ieder geval:
a. een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het
geldt;
b. de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven
tot het opleggen van het huisverbod, en
c. de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om
contact op te nemen geldt.
5.Bij regeling van Onze Minister van Justitie kunnen nadere regels
worden gegeven met betrekking tot het huisverbod.
6.De uithuisgeplaatste geeft aan waar of op welke wijze hij
bereikbaar is. Indien de uithuisgeplaatste dit niet terstond kan
doorgeven, geeft hij dit binnen 24 uur nadat het huisverbod is
opgelegd door aan de burgemeester.
7.Indien de situatie dermate spoedeisend is dat het huisverbod niet
tevoren op schrift kan worden gesteld, kan het huisverbod mondeling
worden aangezegd. De burgemeester draagt alsnog zorg voor spoedige
opschriftstelling en bekendmaking. Indien de verblijfplaats van de
uithuisgeplaatste niet bekend is, kan bekendmaking plaatsvinden door
nederlegging van het huisverbod bij de gemeentesecretarie.
8.De burgemeester deelt onverwijld de inhoud van het huisverbod en
de gevolgen van niet-naleving daarvan voor de uithuisgeplaatste mede
aan degene met wie de uithuisgeplaatste een huishouden deelt. De
burgemeester deelt de inhoud van het huisverbod ook mede aan de door
de burgemeester aangewezen instantie voor advies of hulpverlening, en
indien het huisverbod wordt opgelegd wegens kindermishandeling of een
ernstig vermoeden daarvan aan de stichting, bedoeld in het derde lid.
9.De burgemeester kan het huisverbod in ieder geval intrekken
indien de uithuisgeplaatste een aanbod tot hulpverlening heeft
aanvaard en dit door de instantie voor advies of hulpverlening,
aangewezen ingevolge het achtste lid, is bevestigd, en deze
aanvaarding tevens inhoudt dat de uithuisgeplaatste hulpverlening aan
één of meer personen die met de uithuisgeplaatste in de woning wonen
of daarin anders dan incidenteel verblijven niet zal belemmeren en zal
meewerken indien dit van hem wordt gevraagd door de instantie voor
advies of hulpverlening.
Artikel 3
1.De burgemeester kan van de bevoegdheden en taken, bedoeld in
artikel 2, eerste, derde, zevende en achtste lid, en artikel 5, eerste
lid, mandaat onderscheidenlijk machtiging verlenen aan de hulpofficier
van justitie. Artikel 10:9, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing.
2.De hulpofficier van justitie doet onverwijld mededeling van een
door hem opgelegd huisverbod aan de burgemeester.
Artikel 4
1.Indien het gevaar, bedoeld in artikel 2, eerste lid, zich
voordoet, is de burgemeester of een ambtenaar van politie met het oog
op het opleggen van het huisverbod, bevoegd de woning zonder
toestemming van de bewoner binnen te treden, voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van diens taak nodig is.
2.De ambtenaar van politie vordert van de uithuisgeplaatste de
huissleutel of huissleutels en is bevoegd deze zo nodig na de
uithuisgeplaatste daartoe aan de kleding onderzocht te hebben, aan de
uithuisgeplaatste te ontnemen tegen afgifte van een bewijs van
ontvangst.
3.Voor de controle op de naleving van het huisverbod zijn
ambtenaren van politie bevoegd elke plaats waar de uithuisgeplaatste
zich op grond van het huisverbod niet mag bevinden, te betreden, met
uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 5
1.Indien de uithuisgeplaatste dat wenst, draagt de burgemeester
zorg dat deze binnen 24 uur nadat hij die wens te kennen heeft
gegeven, voor de duur van de behandeling van zijn verzoek om
voorlopige voorziening wordt bijgestaan door een raadsman.
2.De artikelen 38, 39, 40, eerste en derde tot en met vijfde lid,
45 tot en met 48 en 51 van het Wetboek van Strafvordering zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. voor «de inverzekeringstelling» wordt gelezen: het
huisverbod;
b. voor «de officier van justitie» en «het openbaar
ministerie» wordt gelezen: de burgemeester;
c. voor «de verdachte» of «de inverzekering gestelde
verdachte» wordt gelezen: de uithuisgeplaatste.
Artikel 6
1. Afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing op het huisverbod.
2. Indien tegen het huisverbod een verzoek om voorlopige
voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht, wordt gedaan:
a. wordt, in afwijking van artikel 8:83, eerste lid, van die
wet, de uithuisgeplaatste binnen drie dagen door de
voorzieningenrechter gehoord;
b. doet de voorzieningenrechter in afwijking van artikel 8:84,
eerste lid, van die wet onmiddellijk na het horen van partijen
uitspraak tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden, in
welk geval de voorzieningenrechter binnen 24 uur na de behandeling
van de zaak uitspraak doet.
3. De rechter betrekt bij de beoordeling van het huisverbod tevens
de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen
van het huisverbod.
4. In afwijking van de artikelen 8:41, eerste lid, en 8:82, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt door de griffier geen
griffierecht geheven.
Artikel 7
De rechter stelt minderjarigen die tot het huishouden van de
uithuisgeplaatste behoren en die de leeftijd van twaalf jaren hebben
bereikt, in de gelegenheid hem hun mening kenbaar te maken, tenzij de
spoedige behandeling van de zaak zich hiertegen verzet. Hij kan
minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaren nog niet hebben bereikt,
in de gelegenheid stellen hem hun mening kenbaar te maken op een door
hem te bepalen wijze.
Artikel 8
1.De griffier zendt een afschrift van de uitspraak of van het
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter
onverwijld, en een afschrift van de uitspraak of van het
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank binnen
twee weken na dagtekening van de uitspraak kosteloos aan:
a. de echtgenoot, geregistreerde partner, andere levensgezel of
andere meerderjarige persoon met wie de uithuisgeplaatste het
huishouden deelt;
b. de politie van de gemeente waar het huisverbod is opgelegd;
c. ingeval er minderjarigen betrokken zijn: de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg.
2.De griffier stelt de uithuisgeplaatste, de raadsman van de
uithuisgeplaatste en de burgemeester onverwijld mondeling op de hoogte
van de uitspraak. De burgemeester stelt de personen, bedoeld in het
eerste lid, onder a, voor zover zij niet aanwezig waren ter zitting
waarop de uitspraak werd gedaan, en de politie onverwijld mondeling op
de hoogte van de uitspraak.
Artikel 9
1. De burgemeester kan een huisverbod verlengen tot ten hoogste
vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of
het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde
lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Het beroep of hoger beroep tegen het huisverbod heeft mede
betrekking op een beschikking tot verlenging van het huisverbod als
bedoeld in het eerste lid, voor zover de belanghebbende deze
beschikking betwist.
3. In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een
afschrift over van de beschikking die hij betwist.
4. In afwijking van de artikelen 40 en 41 van de Wet op de Raad van
State wordt door de secretaris geen griffierecht geheven.
5. Het tweede en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing
op een verzoek om voorlopige voorziening.
Artikel 10
1. De beschikking waarbij het huisverbod met toepassing van artikel
2, eerste lid, of 9, eerste lid, is opgelegd of verlengd, wordt
gedurende vijf jaren ter gemeentesecretarie bewaard en vervolgens
vernietigd. De gedurende deze termijn ontvangen stukken betreffende
het huisverbod worden daarbij gevoegd.
2. De persoonsgegevens, opgenomen in de beschikkingen of in de
andere stukken, bedoeld in het eerste lid, worden verwerkt met het oog
op het opleggen, het verlengen en de controle op de naleving van het
huisverbod.
Artikel 11
1. De uithuisgeplaatste die handelt in strijd met een met
toepassing van artikel 2, eerste lid, of artikel 9, eerste lid,
gegeven huisverbod wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
twee jaren of een geldboete van de vierde categorie.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 12
[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering]
Artikel 13
De Algemene termijnenwet is op de termijnen, bedoeld in de artikelen
2, eerste lid, en 9, eerste lid, niet van toepassing.
Artikel 14
[Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand]
Artikel 15
Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van
deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en
de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 16
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 17
Deze wet wordt aangehaald als: Wet tijdelijk huisverbod.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
9 oktober 2008
BEATRIX
De Minister van
Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties,
G. ter Horst
Uitgegeven de vierde november 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|