|
Nadere regelgeving:
- Besluit publieke gezondheid
-
Regeling
Mexicaanse griep
- Regeling publieke gezondheid
WET van 9 oktober 2008, houdende bepalingen over de zorg
voor de publieke gezondheid (Wet publieke gezondheid)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het,
ter implementatie van de herziene Internationale Gezondheidsregeling en
om beter voorbereid te zijn op infectieziektecrises, wenselijk is voor
de infectieziektebestrijding regels te stellen betreffende de
organisatie ervan en de informatieverplichtingen en de bevoegdheden tot
optreden uit te breiden; dat het wenselijk is om deze regels samen met
de bestaande bepalingen onder te brengen in één wet opdat een
samenhangend geheel ontstaat; dat daarom de Wet collectieve preventie
volksgezondheid, de Infectieziektenwet en de Quarantainewet kunnen
worden ingetrokken en worden vervangen door een wet voor de publieke
gezondheid; dat het daarnaast wenselijk is om in deze wet een bepaling
op te nemen omtrent een verplichte digitale gegevensopslag bij de
uitvoering van de jeugdgezondheidszorg;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. de Internationale
Gezondheidsregeling: de Internationale Gezondheidsregeling met
Bijlagen (Trb. 2007, 34);
b. Onze Minister: Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
c. publieke gezondheidszorg: de
gezondheidsbeschermende en gezondheidsbevorderende maatregelen voor
de bevolking of specifieke groepen daaruit, waaronder begrepen het
voorkómen en het vroegtijdig opsporen van ziekten;
d. jeugdgezondheidszorg: de publieke
gezondheidszorg ten behoeve van personen tot negentien jaar;
da. ouderengezondheidszorg: de
publieke gezondheidszorg ten behoeve van personen boven de
vijfenzestig jaar;
e. groep A: pokken, polio, severe
acute respiratory syndrome (SARS), virale hemorragische koorts;
f. groep B1: een humane infectie
veroorzaakt door een dierlijk influenzavirus, difterie, pest, rabies,
tuberculose;
g. groep B2: buiktyfus (typhoid fever),
cholera, hepatitis A, B en C, kinkhoest, mazelen, paratyfus, rubella,
shigellose, shiga toxine producerende escherichia (STEC)/enterohemorragische
escherichia coli-infectie, invasieve groep A streptokokkeninfectie,
voedselinfectie, voor zover vastgesteld bij twee of meer patiënten
met een onderlinge relatie wijzend op voedsel als een bron;
h. groep C: de krachtens artikel
19aangewezen infectieziekten;
i. epidemie van een infectieziekte:
een in korte tijd sterke toename van het aantal nieuwe patiënten
lijdend aan een infectieziekte behorend tot groep A, B1, B2 of C;
j. quarantaine: verblijf van een
persoon die mogelijk besmet is met een infectieziekte behorend tot
groep A in een door de burgemeester aangewezen gebouw, schip of in
een aantal aangewezen ruimten daarbinnen, in verband met de
bestrijding van de gevaren van die ziekte voor de volksgezondheid;
k. medisch toezicht: medisch toezicht
op een in quarantaine geplaatste persoon om te bezien of deze met
een infectieziekte behorend tot groep A is geïnfecteerd en
dientengevolge ziekteverschijnselen ontwikkelt;
l. besmetting: de aanwezigheid van
een vector, infectueus of giftig agens of infectueuze of giftige
stof op of in een gebouw, goed of vervoermiddel, waardoor een
volksgezondheidsrisico kan ontstaan;
m. infectie: het binnendringen en de
ontwikkeling of vermenigvuldiging van een infectueus agens in het
lichaam van mensen, waardoor een volksgezondheidsrisico kan
ontstaan;
n. vector: een insect of ander dier
dat normaliter een infectueus agens met zich meevoert waardoor een
volksgezondheidsrisico kan ontstaan, dan wel een plant of substantie
waarin een infectueus agens normaliter leeft waardoor een
volksgezondheidsrisico kan ontstaan;
o. lijk; een lijk in de zin van
artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet op de lijkbezorging;
p. haven: haven, inclusief de
ankergebieden, ligplaatsen, kaden, steigers en, voor wat betreft
zeehavens, aanvaarroutes vanuit zee, alsmede alle zich in de
nabijheid daarvan bevindende bedrijven, opslagplaatsen en overige
terreinen en gebouwen, die op grond van hun ligging, bestemming of
gebruik moeten worden geacht daartoe te behoren;
q. luchthaven: een terrein geheel of
gedeeltelijk bestemd voor het opstijgen en het landen van
luchtvaartuigen met inbegrip van:
1°. de daarmee verband houdende
bewegingen van luchtvaartuigen op de grond,
2°. de afwikkeling van het in de
aanhef en onder 1° bedoelde luchtverkeer, of
3°. bedrijfsmatige activiteiten
die samenhangen met de afwikkeling van het in de aanhef en onder
1° bedoelde luchtverkeer;
r. burgerexploitant: burgerexploitant
als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;
s. gebouw: elk bouwwerk dat een
overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt,
met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van het belijden van
godsdienst of levensovertuiging;
t. vervoermiddel: luchtvaartuig,
schip, trein of wegvoertuig;
u. goed: tastbaar product, met
inbegrip van planten en met uitzondering van dieren, vervoermiddelen
en lijken in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet
op de lijkbezorging;
v. waar: eetwaar, waaronder tevens
begrepen een kauwpreparaat, drinkwaar alsmede een andere roerende
zaak, voor zover gebruikt in de sfeer van de particuliere
huishouding of van een krachtens de Warenwet daarmee gelijkgestelde
andere huishouding;
w. vervoersexploitant: een
natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor een schip
of luchtvaartuig dat een internationale reis maakt waarbij gebruik
wordt gemaakt van een haven of luchthaven, of diens
vertegenwoordiger;
x. laboratorium: een laboratorium
waar van het menselijk lichaam afgescheiden of afgenomen stoffen
worden onderzocht ten behoeve van de diagnostiek van
infectieziekten;
y. samenwerkingsverband van
registerloodsen: het voor de desbetreffende scheepvaartweg, bedoeld
in artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, aangewezen
samenwerkingsverband van registerloodsen, waarin krachtens artikel
15, eerste lid, onderdeel b, onder 2, van de Loodsenwet, is
voorzien;
z. burgerservicenummer: het
burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer;
aa. RIVM: het met de
infectieziektebestrijding belaste onderdeel van het Rijksinstituut
voor volksgezondheid en milieu van het Ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bedoeld in artikel 1, onderdeel
b, van de Wet op het RIVM;
ab. voorzitter van de
veiligheidsregio: de voorzitter van het bestuur van de
veiligheidsregio, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wet
veiligheidsregio’s.
Hoofdstuk II. Taken publieke
gezondheidszorg
§ 1. Algemeen
Artikel 2
1. Het college van burgemeester en
wethouders bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de
samenhang binnen de publieke gezondheidszorg en de afstemming ervan
met de curatieve gezondheidszorg en de geneeskundige hulpverlening bij
ongevallen en rampen.
2. Ter uitvoering van de in het eerste
lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in
ieder geval zorg voor:
a. het verwerven van, op
epidemiologische analyse gebaseerd, inzicht in de
gezondheidssituatie van de bevolking;
b. het elke vier jaar, voorafgaand
aan de opstelling van de nota gemeentelijke gezondheidsbeleid,
bedoeld in artikel 13, tweede lid, op landelijk gelijkvormige
wijze verzamelen en analyseren van gegevens over deze
gezondheidssituatie;
c. het bewaken van
gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen;
d. het bijdragen aan opzet,
uitvoering en afstemming van preventieprogramma’s, met inbegrip
van programma’s voor de gezondheidsbevordering;
e. het bevorderen van medisch
milieukundige zorg;
f. het bevorderen van technische
hygiënezorg;
g. het bevorderen van psychosociale
hulp bij rampen;
h. het geven van prenatale
voorlichting aan aanstaande ouders.
3. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld over de werkzaamheden, bedoeld in
het tweede lid, en kunnen met het oog op de in het eerste lid bedoelde
taak regels worden gesteld over de verstrekking van niet tot een
persoon herleidbare gegevens aan het college van burgemeester en
wethouders door personen en instellingen werkzaam op het terrein van
de gezondheidszorg en kan deze verstrekking verplicht worden gesteld.
Voor zover het de gegevensverstrekking door personen en instellingen
aan het college van burgemeester en wethouders betreft, bevat deze
algemene maatregel van bestuur regels over de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer en de vergoeding van kosten.
Artikel 3
1. Onze Minister bevordert de kwaliteit
en doelmatigheid van de publieke gezondheidszorg en draagt zorg voor
de instandhouding en verbetering van de landelijke
ondersteuningsstructuur.
2. Onze Minister bevordert
interdepartementale en internationale samenwerking op het gebied van
de publieke gezondheidszorg.
Artikel 4
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van niet tot
een persoon herleidbare systematische informatie door het college van
burgemeester en wethouders aan Onze Minister inzake de uitvoering van
deze wet en kan deze verstrekking verplicht worden gesteld.
§ 2. Jeugdgezondheidszorg
Artikel 5
1. Het college van burgemeester en
wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg.
2. Ter uitvoering van de in het eerste
lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in
ieder geval zorg voor:
a. het op systematische wijze
volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand
van jeugdigen en van gezondheidsbevorderende en-bedreigende
factoren,
b. het ramen van de behoeften aan
zorg,
c. de vroegtijdige opsporing en
preventie van specifieke stoornissen, met uitzondering van het
perinatale onderzoek op phenylketonurie (PKU), congenitale
hypothyroïdie (CHT) en adrenogenitaal syndroom (AGS) en het
aanbieden van vaccinaties voorkomend uit het
Rijksvaccinatieprogramma,
d. het geven van voorlichting,
advies, instructie en begeleiding,
e. het formuleren van maatregelen
ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen.
3. Het college van burgemeester en
wethouders draagt er zorg voor dat bij uitvoering van de in het eerste
lid bedoelde taak, voor zover het gaat om vastleggen van
patiëntgegevens als bedoeld in artikel 7:454 van het Burgerlijk
Wetboek, gebruik wordt gemaakt van digitale gegevensopslag. Bij
regeling van de Minister voor Jeugd en Gezin kunnen eisen worden
gesteld aan de daarbij te gebruiken software.
4. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld over de werkzaamheden, bedoeld in
het tweede lid.
§ 3. Ouderengezondheidszorg
Artikel 5a
1. Het college van burgemeester en
wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de
ouderengezondheidszorg.
2. Ter uitvoering van de in het eerste
lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in
ieder geval zorg voor:
a. het op systematische wijze
volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand
van ouderen en van gezondheidsbevorderende en-bedreigende
factoren;
b. het ramen van de behoeften aan
zorg;
c. de vroegtijdige opsporing en
preventie van specifieke stoornissen als comorbiditeit;
d. het geven van voorlichting,
advies, instructie en begeleiding;
e. het formuleren van maatregelen
ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld over de werkzaamheden, bedoeld in het
tweede lid.
§ 4. Infectieziektebestrijding
Artikel 6
1. Het college van burgemeester en
wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de algemene
infectieziektebestrijding, waaronder in ieder geval behoort:
a. het nemen van algemene
preventieve maatregelen op dit gebied,
b. het bestrijden van tuberculose
en seksueel overdraagbare aandoeningen, inclusief bron- en
contactopsporing,
c. bron-en contactopsporing bij
meldingen als bedoeld in de artikelen 21, 22,25 en 26.
2. Het bestuur van de veiligheidsregio
draagt zorg voor de voorbereiding op de bestrijding van een epidemie
van een infectieziekte behorend tot groep A, alsmede op de bestrijding
van een nieuw subtype humaan influenzavirus, waarbij ernstig gevaar
voor de volksgezondheid bestaat.
3. De burgemeester geeft leiding aan de
bestrijding van een epidemie van een infectieziekte, behorend tot
groep B1, B2 of C, alsook de directe voorbereiding daarop en draagt
zorg voor de toepassing van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V.
4. De voorzitter van de
veiligheidsregio draagt zorg voor de bestrijding van een epidemie van
een infectieziekte behorend tot groep A, of een directe dreiging
daarvan, en is dan ten behoeve van deze bestrijding bij uitsluiting
bevoegd om toepassing te geven aan de artikelen 34, vierde lid, 47,
51, 54, 55of 56.
5. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen de taken, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid,
nader worden uitgewerkt.
Artikel 7
1. In de situatie, bedoeld in artikel
6, vierde lid, geeft Onze Minister leiding aan de bestrijding en kan
Onze Minister de voorzitter van de veiligheidsregio opdragen hoe de
bestrijding ter hand te nemen, waaronder begrepen het opdragen tot het
toepassen van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V.
2. In afwijking van artikel 6, derde
lid, geeft Onze Minister leiding aan de bestrijding van een
infectieziekte behorend tot groep B1 of B2, indien de burgemeester van
een gemeente die het aangaat daartoe verzoekt. Onze Minister kan dan
de burgemeester opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen,
waaronder begrepen het opdragen tot het toepassen van de maatregelen,
bedoeld in hoofdstuk V.
3. Onze Minister kan de burgemeester
opdragen om, ter uitvoering van de aanbevelingen, bedoeld in de
artikelen 15 en 16 van de Internationale Gezondheidsregeling,
toepassing te geven aan de maatregelen, bedoeld in de artikelen 51, 54
en 55, alsook om de maatregelen, bedoeld in artikel 22a van de Wet op
de lijkbezorging, toe te passen.
4. Voordat toepassing wordt gegeven aan
het eerste, tweede of derde lid, voert Onze Minister een bestuurlijk
afstemmingsoverleg waarbij in ieder geval Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu en de veiligheidsregio’s of gemeenten die
het aangaat, worden betrokken.
5. Zodra toepassing wordt gegeven aan
het eerste of tweede lid, informeert Onze Minister Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van
Veiligheid en Justitie.
6. Indien toepassing wordt gegeven aan
het eerste, tweede of derde lid, verstrekt de voorzitter van de
veiligheidsregio of de burgemeester aan Onze Minister, indien deze
daarom verzoekt, de gegevens die Onze Minister nodig heeft ter
uitoefening van die taak.
Artikel 8
1. Ter uitvoering van artikel 6, tweede
lid, past het bestuur van de veiligheidsregio de maatregelen toe die
door Onze Minister worden opgedragen, indien het gaat om de
voorbereiding op de bestrijding van:
a. infectieziekten behorende tot
groep A, of
b. een nieuw subtype humaan
influenzavirus, waarbij ernstig gevaar voor de volksgezondheid
bestaat.
2. Het bestuur van de veiligheidsregio
beschrijft in het crisisplan, bedoeld in artikel 16 van de Wet
veiligheidsregio’s, de organisatie, de taken en bevoegdheden in het
kader van de bestrijding van en de voorbereiding op de bestrijding van
een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A, alsmede de
voorbereiding op de bestrijding van een nieuw subtype humaan
influenzavirus waarbij ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat.
3. Het deel van het crisisplan, bedoeld
in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, dat betrekking heeft op
bestrijding van en de voorbereiding op de bestrijding van een epidemie
van een infectieziekte behorend tot groep A, alsmede de voorbereiding
op de bestrijding van een nieuw subtype humaan influenzavirus waarbij
ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat, wordt vastgesteld in
overeenstemming met het algemeen bestuur van de gemeentelijke
gezondheidsdienst.
Artikel 9
Onze Minister kan in overeenstemming met
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze
Minister van Veiligheid en Justitie bepalen dat, in daarbij aangewezen
gevallen, een andere burgemeester de taak, dan wel een bepaald deel van
de taak, bedoeld in artikel 6, derde lid, dient te vervullen.
Artikel 10
Onverminderd artikel 7, eerste, tweede en
derde lid, kunnen bij regeling van Onze Minister regels worden gesteld
betreffende de door de burgemeester te treffen maatregelen ter
bestrijding van een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep
B1, B2 of C.
Artikel 11
1. Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Veiligheid en Justitie,
kunnen regels worden gesteld over de verdeling van vaccins en
therapeutische farmaproducten, indien er een beperkte beschikbaarheid
is van deze middelen en ten behoeve van de bestrijding van een
infectieziekte behorend tot groep A prioriteiten moeten worden gesteld
voor de verdeling ervan.
2. Onze Minister stelt de beide Kamers
der Staten-Generaal onverwijld op de hoogte van de vastgestelde
regeling.
Artikel 12
Onze Minister draagt ervoor zorg dat aan
de informatieverplichtingen, voortvloeiende uit de Internationale
Gezondheidsregeling, wordt voldaan.
Hoofdstuk III. Landelijke en
gemeentelijke nota gezondheidsbeleid
Artikel 13
1. Onze Minister stelt elke vier jaar
een landelijke nota gezondheidsbeleid en een landelijk programma voor
uitvoering van onderzoek vast op het gebied van de publieke
gezondheid.
2. De gemeenteraad stelt binnen twee
jaar na openbaarmaking van de nota, bedoeld in het eerste lid, een
nota gemeentelijk gezondheidsbeleid vast, waarin de raad in ieder
geval aangeeft:
a. wat de gemeentelijke
doelstellingen zijn ter uitvoering van de in deartikelen 2, 5, 5a
en 6 genoemde taken,
b. welke acties in de bestreken
periode worden ondernomen ter realisering van deze doelstellingen,
c. welke resultaten de gemeente in
die periode wenst te behalen,
d. hoe het college van burgemeester
en wethouders uitvoering geeft aan de inartikel 16 genoemde
verplichting.
3. De gemeenteraad neemt bij het
vaststellen van de nota gemeentelijk gezondheidsbeleid in ieder geval
de landelijke prioriteiten in acht, zoals opgenomen in de landelijke
nota gezondheidsbeleid.
Hoofdstuk IV. Gemeentelijke
gezondheidsdiensten
Artikel 14
1. Ter uitvoering van bij of krachtens
deze wet opgedragen taken dragen de colleges van burgemeester en
wethouders van gemeenten die behoren tot een regio als bedoeld in de
Wet veiligheidsregio’s, via het treffen van een gemeenschappelijke
regeling zorg voor de instelling en instandhouding van een regionale
gezondheidsdienst in die regio.
2. Bij de regeling, bedoeld in het
eerste lid, wordt een openbaar lichaam ingesteld met de aanduiding:
gemeentelijke gezondheidsdienst.
3. De gemeentelijke gezondheidsdienst
staat onder leiding van een directeur publieke gezondheid, die wordt
benoemd door het algemeen bestuur van de gemeentelijke
gezondheidsdienst in overeenstemming met het bestuur van de
veiligheidsregio.
4. Met inachtneming van bij algemene
maatregel van bestuur te stellen regels, staat het het college van
burgemeester en wethouders vrij om de uitvoering van de taken of
onderdelen van taken, bedoeld in deartikelen 2, tweede lid, onder h,
en 5, tweede lid, onder a tot en met d, over te laten of mede over te
laten aan een ander dan de gemeentelijke gezondheidsdienst.
5. In afwijking van het eerste lid kan
een regionale gezondheidsdienst worden ingesteld en in stand gehouden
door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in
twee of meer regio’s als bedoeld in de Wet veiligheidsregio’s. In
dat geval geschiedt de benoeming, bedoeld in het derde lid, in
overeenstemming met de besturen van de betrokken veiligheidsregio’s,
en draagt het algemeen bestuur van de gemeentelijke gezondheidsdienst
ervoor zorg dat in elk der regio’s adequaat wordt voorzien in de
operationele leiding van de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in
artikel 32, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 15
1. Het college van burgemeester en
wethouders draagt er zorg voor dat de gemeentelijke gezondheidsdienst
beschikt over deskundigen op de volgende terreinen:
a. sociale geneeskunde,
b. epidemiologie,
c. sociale verpleegkunde,
d. gezondheidsbevordering, en
e. gedragswetenschappen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het opleidingsniveau
of de deskundigheid waarover de deskundigen dienen te beschikken. Deze
eisen kunnen verschillen naar gelang de taken van de gemeentelijke
gezondheidsdienst waarvoor de deskundigen worden ingezet.
Artikel 16
Voordat besluiten worden genomen die
belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de publieke gezondheidszorg
vraagt het college van burgemeester en wethouders advies aan de
gemeentelijke gezondheidsdienst.
Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen
infectieziektebestrijding
§ 1. Algemeen
Artikel 17
Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt verstaan onder gemeentelijke gezondheidsdienst: een door de
directeur publieke gezondheid van de gemeentelijke gezondheidsdienst
aangewezen arts in dienst van de gemeentelijke gezondheidsdienst die
gespecialiseerd is in infectieziektebestrijding.
Artikel 18
Voordat de burgemeester dan wel de
voorzitter van de veiligheidsregio een maatregel als bedoeld in de
artikelen 31, 35, 38, 47, 53, 54 of 55 neemt of intrekt, vraagt deze om
advies aan de gemeentelijke gezondheidsdienst.
Artikel 19
Bij algemene maatregel van bestuur worden
de infectieziekten behorende tot groep C aangewezen.
Artikel 20
1. Indien het belang van de
volksgezondheid dat vordert en in overeenstemming met het gevoelen van
de ministerraad, kan bij regeling van Onze Minister een
infectieziekte, niet behorend tot groep A, B1, B2 of C, dan wel een
ziektebeeld met een volgens de stand van de wetenschap onbekende
oorzaak, waarbij een gegrond vermoeden bestaat van besmettelijkheid en
ernstig gevaar voor de volksgezondheid, worden aangemerkt als behorend
tot groep A, B1 of B2.
2. Indien het belang van de
volksgezondheid dat vordert, kan, in overeenstemming met het gevoelen
van de ministerraad, bij regeling van Onze Minister een infectieziekte
behorend tot groep B1 worden aangemerkt als behorend tot groep A, een
infectieziekte behorend tot groep B2 worden aangemerkt als behorend
tot groep A of B1, of een infectieziekte behorend tot groep C worden
aangemerkt als behorend tot groep A, B1 of B2.
3. In de regeling, bedoeld in het
eerste of tweede lid, wordt bepaald welke bepalingen van deze wet, die
gelden voor de infectieziekten behorende tot de desbetreffende groep,
in dat geval van toepassing zijn.
4. Na het tot stand komen van een
krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde regeling wordt binnen
acht weken een voorstel van wet tot incorporatie van die regeling aan
de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel van
wet wordt ingetrokken of door een der Kamers der Staten-Generaal wordt
verworpen, wordt de regeling onverwijld ingetrokken.
5. Indien naar het oordeel van Onze
Minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan Onze
Minister bepalen dat een op grond van het eerste of tweede lid
vastgestelde regeling onmiddellijk na bekendmaking in werking treedt.
In dat geval kan Onze Minister deze regeling, in afwijking van artikel
4, eerste lid, onder a, van de Bekendmakingswet, op andere dan de daar
genoemde wijze bekend maken.
§ 2. Melding
Artikel 21
1. De arts die bij een door hem
onderzocht persoon een ziektebeeld vaststelt met een volgens de stand
van de wetenschap onbekende oorzaak, waarbij een gegrond vermoeden
bestaat van besmettelijkheid en ernstig gevaar voor de
volksgezondheid, meldt dit onverwijld aan de gemeentelijke
gezondheidsdienst.
2. De arts die vaststelt dat een lijk
is besmet met een infectueus of giftig agens of een infectueuze of
giftige stof waardoor een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan
ontstaan, meldt dit onverwijld aan de gemeentelijke gezondheidsdienst.
3. De arts die een voor zijn praktijk
ongewoon aantal gevallen vaststelt van een infectieziekte, niet
behorend tot groep A, B1, B2 of C, die een gevaar vormt voor de
volksgezondheid, meldt dit binnen 24 uur aan de gemeentelijke
gezondheidsdienst.
Artikel 22
1. De arts die bij een door hem
onderzocht persoon een infectieziekte behorend tot groep A vermoedt of
vaststelt, meldt dit onverwijld aan de gemeentelijke
gezondheidsdienst.
2. De arts die bij een door hem
onderzocht persoon een infectieziekte behorend tot groep B1, B2 of C
vaststelt, dan wel een vermoeden heeft dat deze persoon lijdt aan
difterie, een humane infectie veroorzaakt door een dierlijk
influenzavirus of rabies, meldt dit binnen 24 uur aan de gemeentelijke
gezondheidsdienst.
3. De arts die gegronde redenen heeft
om bij een persoon een infectieziekte behorend tot groep B1 of B2 te
vermoeden, meldt dit binnen 24 uur aan de gemeentelijke
gezondheidsdienst, indien die persoon weigert het onderzoek te
ondergaan dat noodzakelijk is ter vaststelling van die ziekte en
daardoor ernstig gevaar voor de volksgezondheid door de verspreiding
van die infectieziekte kan ontstaan.
4. Bij regeling van Onze Minister kan
vrijstelling worden verleend van de meldingsplicht, bedoeld in het
eerste, tweede en derde lid, met ingang van een daarbij te bepalen
tijdstip en met inachtneming van daarbij te stellen voorwaarden.
Artikel 23
1. De arts doet de in de artikelen 21
en 22 bedoelde meldingen aan de gemeentelijke gezondheidsdienst van de
gemeente waarin deze zijn praktijk heeft.
2. Indien de meldingen, bedoeld in de
artikelen 21, eerste lid, en 22, betrekking hebben op een persoon die
zijn verblijfplaats heeft in een andere gemeente, geeft de
gemeentelijke gezondheidsdienst deze melding onverwijld door aan de
gemeentelijke gezondheidsdienst van de verblijfplaats van de
betrokkene.
Artikel 24
1. De melding, bedoeld in de artikelen
21, eerste lid, en 22, bevat de volgende gegevens:
a. de naam, het adres, het
geslacht, de geboortedatum, het burgerservicenummer en de
verblijfplaats van de betrokken persoon,
b. de infectieziekte dan wel een
beschrijving van het ziektebeeld, de eerste ziektedag, de
vaccinatietoestand, het gebruik van chemoprofylaxe, de
vermoedelijke infectiebron, de datum van vermoeden of vaststelling
van infectie, de wijze van vaststelling van die infectieziekte, en
c. indien nodig, of de betrokken
persoon dan wel een persoon in zijn directe omgeving beroeps- of
bedrijfsmatig betrokken is bij de behandeling van eet- of
drinkwaren of bij de behandeling, verpleging of verzorging van
andere personen.
2. De melding, bedoeld in artikel 21,
tweede lid, bevat de volgende gegevens: de aard van het infectueus of
giftig agens of de infectueuze of giftige stof en de plaats waar het
lijk zich bevindt.
3. De melding, bedoeld in artikel 21,
derde lid, bevat de volgende gegevens: de infectieziekte, het
geslacht, de geboortedatum en de nationaliteit van de betrokken
personen.
4. De arts verstrekt aan de
gemeentelijke gezondheidsdienst uitsluitend andere medische gegevens
over de betrokken persoon indien:
a. de burgemeester hierom verzoekt
krachtens artikel 30, of
b. de betrokken persoon daarvoor
toestemming geeft.
5. Voor de beveiliging van de
gegevensverwerking bij de meldingen, bedoeld in deartikelen 21 en 22,
worden bij regeling van Onze Minister regels gesteld.
Artikel 25
1. De arts die een onderzoek bij een
laboratorium aanvraagt, stuurt de volgende gegevens mee: de naam, de
geboortedatum en het burgerservicenummer van de betrokken persoon.
2. Onverminderdartikel 22 meldt het
hoofd van het laboratorium de vaststelling van een verwekker van een
infectieziekte behorend tot groep A, B1, B2 of C aan de gemeentelijke
gezondheidsdienst van de gemeente waarin de arts die het onderzoek bij
het laboratorium heeft aangevraagd zijn praktijk heeft.
3. De melding bevat de volgende
gegevens: de naam van de arts, de naam, de geboortedatum en het
burgerservicenummer van de betrokken persoon.
4. Indien de melding betrekking heeft
op een persoon die zijn verblijfplaats heeft in een andere gemeente,
geeft de gemeentelijke gezondheidsdienst deze melding onverwijld door
aan de gemeentelijke gezondheidsdienst van de verblijfplaats van de
betrokkene.
5. Het hoofd van het laboratorium zorgt
op verzoek van de gemeentelijke gezondheidsdienst ervoor dat nader
onderzoek wordt gedaan naar de ziekteverwekker en dat de gemeentelijke
gezondheidsdienst van het resultaat op de hoogte wordt gesteld.
6. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop en de
termijn waarbinnen de melding plaatsvindt.
7. Voor de beveiliging van de
gegevensverwerking bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en de
melding worden bij regeling van Onze Minister regels gesteld.
Artikel 26
1. Het hoofd van een instelling waar
voor infectieziekten kwetsbare populaties verblijven of samenkomen
voor een of meer dagdelen per etmaal, stelt de gemeentelijke
gezondheidsdienst van de gemeente waarin de instelling gelegen is, op
de hoogte van het optreden van een ongewoon aantal zieken met maag- en
darmaandoeningen, geelzucht, huidaandoeningen of andere ernstige
aandoeningen van vermoedelijk infectueuze aard in de desbetreffende
populatie of bij het begeleidend of verzorgend personeel.
2. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop en de termijn
waarbinnen de berichtgeving plaatsvindt.
Artikel 27
1. De gemeentelijke gezondheidsdienst
geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 22, eerste
lid, onverwijld door aan de voorzitter van de veiligheidsregio en de
burgemeester van de gemeente waarin de betrokken persoon zijn woon- of
verblijfplaats heeft.
2. De gemeentelijke gezondheidsdienst
geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 21, eerste
lid, onverwijld door aan de burgemeester van de gemeente waarin de
betrokken persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft.
3. De gemeentelijke gezondheidsdienst
geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 21, tweede
lid, onverwijld door aan de burgemeester van de gemeente waarin het
lijk zich bevindt.
4. De gemeentelijke gezondheidsdienst
deelt de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 21, derde
lid, zo spoedig mogelijk mee aan de burgemeester van de gemeente
waarin de arts zijn praktijk heeft.
5. De gemeentelijke gezondheidsdienst
deelt de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 22, tweede
en derde lid, zo spoedig mogelijk mee aan de burgemeester van de
gemeente waarin de betrokken persoon zijn woon- of verblijfplaats
heeft.
6. De gemeentelijke gezondheidsdienst
deelt de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 26 binnen
een redelijke termijn mee aan de burgemeester van de gemeente waarin
de instelling is gelegen.
7. De gemeentelijke gezondheidsdienst
verstrekt de burgemeester dan wel de voorzitter van de
veiligheidsregio de gegevens, bedoeld in artikel 24, eerste, tweede en
derde lid, die deze nodig heeft voor de uitoefening van de hem bij
deze wet toegekende bevoegdheden.
Artikel 28
1. De gemeentelijke gezondheidsdienst
geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in de artikelen 21,
eerste en tweede lid, en 22, eerste lid, onverwijld door aan het RIVM.
2. De gemeentelijke gezondheidsdienst
geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in de artikelen 21,
derde lid, en 22, tweede en derde lid, binnen 24 uur door aan het
RIVM.
3. De gemeentelijke gezondheidsdienst
verstrekt bij een melding als bedoeld in de artikelen 21, eerste lid,
en 22 de volgende gegevens:
a. de infectieziekte dan wel een
beschrijving van het ziektebeeld, de eerste ziektedag, de
vaccinatietoestand, het gebruik van chemoprofylaxe, eventuele
ziekenhuisopname, de vermoedelijke infectiebron, zonodig met
inbegrip van de daaruit voortkomende gevallen, de datum van
vermoeden of vaststelling van infectie,
b. het geslacht, de geboortemaand
en het geboortejaar van de betrokken persoon, alsmede de eerste
drie cijfers van de postcode van diens adres, en
c. de uitslag van het nader
onderzoek, bedoeld in artikel 25, vijfde lid.
4. De gemeentelijke gezondheidsdienst
verstrekt bij een melding als bedoeld in artikel 21, tweede lid, de
volgende gegevens: de aard van het infectueus of giftig agens of de
infectueuze of giftige stof en de plaats waar het lijk zich bevindt.
5. De gemeentelijke gezondheidsdienst
verstrekt bij een melding als bedoeld in artikel 21, derde lid, de
volgende gegevens: de infectieziekte, het geslacht, de geboortedatum
en de nationaliteit van de betrokken personen, alsmede de woonplaats
van de arts die de melding heeft gedaan.
Artikel 29
1. De gemeentelijke gezondheidsdienst
neemt de persoonsgegevens, die ingevolge de artikelen 24, 25, en 30
zijn verkregen, op in een door hem gehouden registratie.
2. De gemeentelijke gezondheidsdienst
bewaart deze gegevens ten hoogste vijf jaar.
§ 3. Maatregelen gericht op het individu
Artikel 30
Op verzoek van de burgemeester dan wel de
voorzitter van de veiligheidsregio verstrekt de behandelend arts van een
persoon die naar het oordeel van de burgemeester dan wel de voorzitter
van de veiligheidsregio een gevaar oplevert voor de overbrenging van een
infectieziekte behorend tot groep A, B1 of B2 aan de gemeentelijke
gezondheidsdienst zo spoedig mogelijk de hem bekende nadere medische en
epidemiologische gegevens die noodzakelijk zijn om de aard en de omvang
van het gevaar van verspreiding van de infectieziekte vast te stellen.
Artikel 31
1. De voorzitter van de
veiligheidsregio kan een persoon onverwijld ter isolatie in een
ziekenhuis doen opnemen, indien:
a. de betrokkene lijdt aan een
infectieziekte behorend tot groep A, dan wel de voorzitter van de
veiligheidsregio gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de
betrokkene daaraan lijdt,
b. ernstig gevaar voor de
volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte,
c. dit gevaar niet op andere wijze
effectief kan worden afgewend, en
d. de betrokkene niet tot opneming
ter isolatie bereid is.
2. De burgemeester kan een persoon
onverwijld ter isolatie in een ziekenhuis doen opnemen, indien:
a. ten aanzien van de betrokkene de
melding ingevolge artikel 22, derde lid, heeft plaatsgevonden, of
de betrokkene lijdt aan een infectieziekte behorend tot groep B1,
b. ernstig gevaar voor de
volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte,
c. dit gevaar niet op andere wijze
effectief kan worden afgewend, en
d. de betrokkene niet tot opneming
ter isolatie bereid is.
3. De voorzitter van de
veiligheidsregio dan wel de burgemeester kan een ter isolatie
opgenomen persoon door een arts doen onderzoeken, indien:
a. ten gevolge van de
infectieziekte onmiddellijk gevaar dreigt voor de gezondheid van
derden,
b. de aard en de omvang van dit
gevaar niet op andere wijze dan door onderzoek kunnen worden
vastgesteld,
c. de uitkomst van het onderzoek
noodzakelijk is om dit gevaar effectief te kunnen afwenden, en
d. de betrokkene niet bereid is het
onderzoek te ondergaan.
4. De voorzitter van de
veiligheidsregio dan wel de burgemeester kan een ter isolatie
opgenomen persoon door een arts in het lichaam doen onderzoeken indien
aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid, is voldaan en de rechter
daartoe een machtiging heeft verleend.
5. Het onderzoek, bedoeld in het derde
en vierde lid, omvat niet meer dan nodig is ter afwending van het
gevaar voor derden.
Artikel 32
1. De burgemeester dan wel de
voorzitter van de veiligheidsregio doet de beschikking tot opneming
ter isolatie aan de betrokkene uitreiken.
2. In de beschikking geeft de
burgemeester dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio aan in welk
ziekenhuis, aangewezen op grond van artikel 34, de opneming ter
isolatie ten uitvoer wordt gelegd.
3. Na uitreiking van de beschikking
voorziet de burgemeester dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio
in bijstand van de betrokkene door een raadsman, tenzij de betrokkene
daartegen bedenkingen heeft.
4. Wanneer redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat het gevaar, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder b,
of tweede lid, onder b, is geweken of op minder ingrijpende wijze kan
worden afgewend, heft de burgemeester dan wel de voorzitter van de
veiligheidsregio de opneming ter isolatie onverwijld op.
Artikel 33
1. De voorzitter van de
veiligheidsregio dan wel de burgemeester doet de beschikking tot het
onderzoek, bedoeld in artikel 31, vierde lid, aan de betrokkene
uitreiken.
2. In zijn beschikking geeft de
voorzitter van de veiligheidsregio dan wel de burgemeester aan waaruit
het onderzoek bestaat, welke arts het onderzoek verricht en binnen
welke termijn het onderzoek plaatsvindt.
Artikel 34
1. De opneming ter isolatie wordt ten
uitvoer gelegd in een gesloten afdeling van een door Onze Minister
aangewezen ziekenhuis.
2. Het ziekenhuis neemt de betrokkene
onverwijld op.
3. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen eisen worden gesteld waaraan de opneming ter isolatie en het
onderzoek moeten voldoen.
4. De burgemeester dan wel de
voorzitter van de veiligheidsregio is bevoegd tot het opleggen van een
last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde in het
eerste, tweede en derde lid, indien de omstandigheden onmiddellijk
ingrijpen noodzakelijk maken.
Artikel 35
1. De voorzitter van de
veiligheidsregio kan een persoon onverwijld doen onderwerpen aan de
maatregel van quarantaine om de verspreiding van infectieziekten
behorend tot groep A tegen te gaan, indien:
a. er redenen zijn om aan te nemen
dat die persoon recentelijk een dusdanig contact met een lijder of
een vermoedelijke lijder aan een infectieziekte behorend tot groep
A heeft gehad, dat deze persoon mogelijk met dezelfde ziekte is
geïnfecteerd,
b. ernstig gevaar voor de
volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte,
en
c. die persoon niet tot vrijwillige
onderwerping aan die maatregel bereid is.
2. De voorzitter van de
veiligheidsregio kan toestaan dat de quarantaine onder zonodig te
stellen voorwaarden plaatsvindt in de woning van de af te zonderen
persoon.
3. Tijdens de quarantaine wordt medisch
toezicht verricht. Het toezicht wordt verricht onder medische
verantwoordelijkheid van een door de gemeentelijke gezondheidsdienst
aangewezen geneeskundige.
4. De quarantaine en het medisch
toezicht vinden plaats onder zodanige voorwaarden en omstandigheden en
gedurende een zodanige periode als noodzakelijk is om het gevaar,
bedoeld in het eerste lid, onder b, af te wenden. Zodra redelijkerwijs
kan worden aangenomen dat dit gevaar is geweken of op minder
ingrijpende wijze kan worden afgewend, heft de voorzitter van de
veiligheidsregio de maatregel onverwijld op.
5. Artikel 31, derde en vijfde lid,
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36
1. De voorzitter van de
veiligheidsregio doet de beschikking tot onderwerping aan de maatregel
van quarantaine aan de betrokkene uitreiken.
2. In de beschikking geeft de
voorzitter van de veiligheidsregio aan:
a. hoe en waar de maatregel ten
uitvoer wordt gelegd,
b. waarop bij het medisch toezicht
in ieder geval wordt gelet, en
c. aan welke regels betrokkene zich
heeft te houden.
3. Na uitreiking van de beschikking
voorziet de voorzitter van de veiligheidsregio in bijstand van de
betrokkene door een raadsman, tenzij de betrokkene daartegen
bedenkingen heeft.
Artikel 37
De burgemeester dan wel de voorzitter van
de veiligheidsregio draagt de tenuitvoerlegging van de maatregelen,
bedoeld in de artikelen 31 en 35 op aan de gemeentelijke
gezondheidsdienst.
Artikel 38
1. De voorzitter van de
veiligheidsregio kan een persoon die gevaar oplevert voor de
verspreiding van een infectieziekte behorend tot groep A het verbod
opleggen om beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden te verrichten, die
een ernstig risico inhouden voor de verspreiding van die
infectieziekte.
2. De burgemeester kan een persoon die
gevaar oplevert voor de verspreiding van een infectieziekte behorend
tot groep B1 of B2 het verbod opleggen om beroeps- of bedrijfsmatig
werkzaamheden te verrichten, die een ernstig risico inhouden voor de
verspreiding van die infectieziekte.
3. Voordat de maatregel wordt genomen,
hoort de burgemeester dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio de
werkgever van de betrokkene, tenzij betrokkene hiertegen bezwaar
maakt.
4. De burgemeester dan wel de
voorzitter van de veiligheidsregio heft de maatregel op als het gevaar
is geweken of op minder ingrijpende wijze kan worden afgewend.
§ 4. Rechterlijke toetsing maatregelen
tot isolatie, medisch onderzoek en quarantaine
Artikel 39
1. De burgemeester dan wel de
voorzitter van de veiligheidsregio stelt de officier van justitie
terstond op de hoogte van de beschikking tot opneming ter isolatie,
bedoeld in artikel 31, eerste of tweede lid van de beschikking tot het
onderzoek, bedoeld in artikel 31, vierde lid, en van de beschikking
een persoon te onderwerpen aan de maatregel van quarantaine, bedoeld
in artikel 35.
2. Zo spoedig mogelijk nadat de
beschikking is gegeven, maar in elk geval niet later dan de volgende
dag, zendt de burgemeester dan wel de voorzitter van de
veiligheidsregio de officier van justitie een afschrift van de
beschikking.
3. Ingeval van een beschikking tot
opneming ter isolatie als bedoeld in artikel 31, eerste of tweede lid
en van een beschikking tot het onderzoek als bedoeld inartikel 31,
vierde lid, is de rechtbank van de plaats waar het aangewezen
ziekenhuis is gelegen bevoegd. Ingeval van een beschikking een persoon
te onderwerpen aan de maatregel van quarantaine, bedoeld inartikel 35,
is de rechtbank van de verblijfplaats van betrokkene bevoegd.
Artikel 40
1. Indien de officier van justitie van
oordeel is dat aan de voorwaarden voor de opneming ter isolatie,
bedoeld in artikel 31, eerste of tweede lid het onderzoek, bedoeld in
artikel 31, vierde lid, of de maatregel van quarantaine, bedoeld in
artikel 35, is voldaan, doet hij uiterlijk op de dag na de datum van
ontvangst van de beschikking een verzoek tot een machtiging tot
voortzetting van de isolatie, de quarantaine of tot het onderzoek.
2. De officier van justitie deelt aan
de betrokkene, de burgemeester dan wel de voorzitter van de
veiligheidsregio en in voorkomend geval het ziekenhuis, schriftelijk
mede dat hij het verzoek heeft gedaan of dat hij heeft besloten om
geen verzoek te doen.
3. Het besluit geen verzoek te doen
neemt de officier van justitie niet dan nadat hij het advies van de
hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid heeft
ingewonnen.
4. Met het besluit geen verzoek te
doen, vervalt de beschikking tot opneming ter isolatie, bedoeld in
artikel 31, eerste of tweede lid de beschikking tot het onderzoek,
bedoeld in artikel 31, vierde lid, of de beschikking een persoon te
onderwerpen aan de maatregel van quarantaine, bedoeld inartikel 35,
van rechtswege.
Artikel 41
1. Voordat op het verzoek van de
officier van justitie wordt besloten, hoort de rechter degene ten
aanzien van wie de maatregel is gevorderd.
2. De rechter hoort de betrokkene op
zijn verblijfplaats.
3. De rechter kan zich laten
voorlichten, getuigen en deskundigen oproepen en onderzoek door
deskundigen bevelen.
4. De rechter stelt de raadsman in de
gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken.
5. De rechter beslist binnen drie
dagen, te rekenen vanaf de dag na die van het instellen van de
vordering.
6. Tegen de beschikking staat geen
voorziening open.
Artikel 42
1. De ter isolatie opgenomen persoon of
de in quarantaine geplaatste persoon kan de rechter verzoeken de
maatregel op te heffen.
2. Artikel 41, tweede tot en met vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De rechter kan het verzoek zonder
toepassing van artikel 41 afwijzen, indien geen nieuwe feiten of
omstandigheden worden aangevoerd.
Artikel 43
1. Degene ten aanzien van wie een
beschikking tot opneming ter isolatie als bedoeld in artikel 31,
eerste of tweede lid tot onderzoek als bedoeld in artikel 31, derde of
vierde lid, of tot onderwerping aan een maatregel van quarantaine als
bedoeld in artikel 35 is genomen, kan de rechter bij een zelfstandig
verzoek bij een verweerschrift als bedoeld in artikel 282, vierde lid,
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of bij een
desbetreffend verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van de
betrokkene, dan wel, indien de officier van justitie geen verzoek als
bedoeld in artikel 40, eerste lid, doet, bij een afzonderlijk
verzoekschrift, verzoeken een naar billijkheid vast te stellen
schadevergoeding toe te kennen op de grond dat de beschikking van de
burgemeester dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio
onrechtmatig was.
2. Indien het verzoek wordt ingediend
bij verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van betrokkene is
artikel 282, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 44
1. Indien degene ten aanzien van wie
een beschikking is genomen tot opneming ter isolatie als bedoeld in
artikel 31, eerste of tweede lid tot onderzoek als bedoeld in artikel
31, derde of vierde lid, of tot onderwerping aan een maatregel van
quarantaine als bedoeld in artikel 35, nadeel heeft geleden doordat de
rechter of de officier van justitie een van de bepalingen uit deze
paragraaf niet in acht heeft genomen, kent de rechter deze op diens
verzoek een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe ten
laste van de Staat.
2. Het verzoek kan worden ingediend als
een zelfstandig verzoek bij het verweerschrift als bedoeld in artikel
282, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of
bij een desbetreffend verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor
van betrokkene, dan wel bij een afzonderlijk verzoekschrift, binnen
drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop betrokkene redelijkerwijs
bekend kon zijn met de schending van het voorschrift waarop zijn
verzoek betrekking heeft.
3. Indien het verzoek wordt ingediend
bij verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van betrokkene is
artikel 282, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 45
De Algemene termijnenwet is van
toepassing op de termijnen gesteld in deartikelen 39, tweede lid, 40,
eerste lid, en 41, vijfde lid.
Artikel 46
Ingeval een verzoekschrift als bedoeld in
artikel 42, eerste lid, of artikel 43, eerste lid, wordt ingediend, dan
wel een van de daartoe bevoegde personen beroep instelt, behoeft de
indiening van het verzoekschrift niet bij procureur te geschieden.
§ 5. Maatregelen gericht op gebouwen,
goederen en vervoermiddelen
Artikel 47
1. Indien er een gegrond vermoeden
bestaat van een besmetting kan de burgemeester dan wel de voorzitter
van de veiligheidsregio gebouwen, vervoermiddelen, goederen en waren
controleren op de aanwezigheid van een besmetting, zonodig door het
nemen van monsters.
2. In het geval van een besmetting kan
de burgemeester dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio:
a. voorschriften van
technisch-hygiënische aard geven,
b. gebouwen, vervoermiddelen of
goederen ontsmetten, met inbegrip van de vernietiging van
vectoren.
3. In het geval van een besmetting
waarbij ernstig gevaar dreigt voor de volksgezondheid, kan de
burgemeester dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio:
a. gebouwen of terreinen dan wel
gedeelten daarvan sluiten,
b. een verbod uitvaardigen tot het
gebruik maken of betreden van vervoermiddelen,
c. waren vernietigen.
4. De burgemeester dan wel de
voorzitter van de veiligheidsregio heft de maatregel op als het gevaar
is geweken.
§ 6. Havens en luchthavens
Artikel 48
1. Bij regeling van Onze Minister
worden de havens en luchthavens aangewezen waarop de eisen van deze
paragraaf van toepassing zijn. De havens of luchthavens kunnen per
categorie worden aangewezen voor toepassing vanartikel 49.
2. Een burgerhaven of burgerluchthaven
wordt aangewezen in overeenstemming met Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu.
3. Een militaire haven of militaire
luchthaven wordt aangewezen in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie.
Artikel 49
1. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald over welke voorzieningen, bedoeld in artikel 20, eerste
lid, en bijlage 1 van de Internationale Gezondheidsregeling, de havens
of luchthavens beschikken, alsmede aan welke eisen deze voorzieningen
voldoen. Deze voorzieningen en eisen kunnen per categorie haven of
luchthaven verschillen.
2. Voor zover het een burgerhaven of
burgerluchthaven betreft draagt de exploitant daarvan zorg voor de
naleving van het krachtens het eerste lid bepaalde.
3. Voor zover het betreft
burgerluchtverkeer op een militaire luchthaven met burgermedegebruik
door tussenkomst van een burgerexploitant, draagt de burgerexploitant
zorg voor de naleving van het krachtens het eerste lid bepaalde.
Artikel 50
1. De gezagvoerder van een schip dat
een internationale reis maakt, die een haven wil aandoen en wetenschap
heeft of een ernstig vermoeden heeft dat er aan boord van zijn schip
één of meer ziektegevallen zijn die wijzen op een ziekte van
infectueuze aard die een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan
opleveren, zorgt ervoor dat de verkeersleiding van de haven en de aan
boord komende loods hiervan zo spoedig mogelijk doch voor aankomst op
de hoogte worden gesteld.
2. De gezagvoerder van een
luchtvaartuig dat een internationale reis maakt, die een luchthaven
wil aandoen en wetenschap heeft of een ernstig vermoeden heeft dat er
aan boord van zijn luchtvaartuig één of meer ziektegevallen zijn die
wijzen op een ziekte van infectueuze aard die een ernstig gevaar voor
de volksgezondheid kan opleveren, zorgt ervoor dat de
luchtverkeersleiding van de luchthaven hiervan zo spoedig mogelijk
doch voor aankomst op de hoogte wordt gesteld.
3. De verkeersleiding van de
burgerhaven geeft een melding onverwijld door aan Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu, het samenwerkingsverband van registerloodsen
en de exploitant van de burgerhaven. De luchtverkeersleiding van de
burgerluchthaven geeft een melding onverwijld door aan Onze Minister
van Infrastructuur en Milieu en de exploitant van de burgerluchthaven.
4. De exploitant van de burgerhaven of
burgerluchthaven geeft een melding onverwijld door aan de
gemeentelijke gezondheidsdienst. De gemeentelijke gezondheidsdienst
geeft een melding onverwijld door aan de burgemeester en het RIVM.
5. De verkeersleiding van de militaire
haven of de luchtverkeersleiding van de militaire luchthaven geeft een
melding onverwijld door aan de gemeentelijke gezondheidsdienst en het
RIVM. De gemeentelijke gezondheidsdienst geeft een melding onverwijld
door aan de burgemeester.
Artikel 51
1. Onverminderdartikel 50 verstrekt de
gezagvoerder van een schip dat een internationale reis maakt op
verzoek van de burgemeester dan wel de voorzitter van de
veiligheidsregio bij aankomst in de burgerhaven de maritieme
gezondheidsverklaring, bedoeld in artikel 37 van de Internationale
Gezondheidsregeling.
2. Onverminderdartikel 50 verstrekt de
gezagvoerder van een luchtvaartuig dat een internationale reis maakt
op verzoek van de burgemeester dan wel de voorzitter van de
veiligheidsregio bij aankomst in de burgerluchthaven, dan wel in het
voor burgerluchtverkeer bestemde gedeelte van een militaire luchthaven
met burgermedegebruik, het gezondheidsgedeelte van de algemene
verklaring voor luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 38 van de
Internationale Gezondheidsregeling.
3. Indien de gezondheidsverklaring,
bedoeld in het eerste of tweede lid, daartoe naar het oordeel van de
burgemeester dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio aanleiding
geeft, verstrekt de gezagvoerder op verzoek van de burgemeester dan
wel de voorzitter van de veiligheidsregio aanvullende gegevens over de
gezondheidstoestand aan boord.
Artikel 52
In geval van een melding als bedoeld in
artikel 50 of indien anderszins blijkt van omstandigheden aan boord van
een schip of luchtvaartuig dat een internationale reis maakt, die een
ernstig gevaar voor de volksgezondheid kunnen meebrengen, kan Onze
Minister van Infrastructuur en Milieu, na overleg met Onze Minister,
bepalen in welke burgerhaven of burgerluchthaven het schip of
luchtvaartuig aankomt, alsook, na overleg met het samenwerkingsverband
van registerloodsen, hoe de loodsdienstverlening aan het schip
plaatsvindt.
Artikel 53
1. In geval van een melding als bedoeld
in artikel 50 of indien anderszins blijkt van omstandigheden aan boord
van een schip of luchtvaartuig dat een internationale reis maakt, die
een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kunnen meebrengen, bepaalt
de burgemeester welke maatregelen met betrekking tot de toelating tot
of de onttrekking aan het vrije verkeer moeten worden genomen als het
schip of luchtvaartuig in de burgerhaven of burgerluchthaven, dan wel
in het voor burgerluchtverkeer bestemde gedeelte van een militaire
luchthaven met burgermedegebruik, is aangekomen.
2. In geval van een directe dreiging
van een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A, kan de
voorzitter van de veiligheidsregio ten aanzien van een schip of
luchtvaartuig dat een internationale reis maakt, bepalen welke
maatregelen met betrekking tot de toelating tot of de onttrekking aan
het vrije verkeer moeten worden genomen als het schip of luchtvaartuig
in de burgerhaven of burgerluchthaven, dan wel in het voor
burgerluchtverkeer bestemde gedeelte van een militaire luchthaven met
burgermedegebruik, is aangekomen.
3. In de situatie, bedoeld in het
eerste en tweede lid, draagt de gezagvoerder van het schip of
luchtvaartuig ervoor zorg dat:
a. na aankomst niemand het schip of
luchtvaartuig betreedt of verlaat en er geen vervoermiddelen of
goederen worden geladen of gelost, tenzij de burgemeester dan wel
de voorzitter van de veiligheidsregio daartoe opdracht of
toestemming geeft, en
b. op verzoek van de burgemeester
dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio een overzicht wordt
gegeven van de volgende gegevens van de passagiers, voor zover
deze gegevens bekend zijn bij de gezagvoerder: naam, adres,
geslacht, leeftijd en bestemming.
4. De burgemeester dan wel de
voorzitter van de veiligheidsregio past de maatregelen niet langer toe
dan nodig is om het onderzoek uit te voeren om de ernst van het gevaar
vast te stellen.
Artikel 54
De burgemeester dan wel de voorzitter van
de veiligheidsregio kan de exploitant van een burgerhaven of
burgerluchthaven dan wel de burgerexploitant opdragen om:
a. voorlichting aan reizigers te
geven over het nemen van maatregelen ter voorkoming van een infectie
of van een besmetting van de bagage,
b. medewerking te verlenen aan door
de burgemeester dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio te
nemen maatregelen van onderzoek van vertrekkende of aankomende
reizigers naar de aanwezigheid van een ziekte van infectueuze aard
die een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren,
c. ter voorkoming van een besmetting
voorschriften van technisch-hygiënische aard uit te voeren, indien
er een gegrond risico is op een besmetting,
d. ter bestrijding van een besmetting
gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan te sluiten.
Artikel 55
De burgemeester dan wel de voorzitter van
de veiligheidsregio kan de vervoersexploitant opdragen om:
a. voorlichting aan passagiers te
geven over het nemen van maatregelen ter voorkoming van een infectie
of van een besmetting van de bagage,
b. ter voorkoming van een besmetting
maatregelen van technisch-hygiënische aard uit te voeren voor een
schip of luchtvaartuig en de hierin aanwezige goederen, indien er
een gegrond risico is op een besmetting,
c. een schip of luchtvaartuig en de
hierin aanwezige goederen te controleren op de aanwezigheid van een
besmetting,
d. ter bestrijding van een besmetting
een schip of luchtvaartuig en de hierin aanwezige goederen te
ontsmetten, met inbegrip van de vernietiging van vectoren.
Artikel 56
De burgemeester dan wel de voorzitter van
de veiligheidsregio is bevoegd tot het opleggen van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van hetgeen op grond van de artikelen 53,
eerste en tweede lid, 54 en 55 is opgedragen, indien de omstandigheden
onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maken.
Artikel 57
1. Een certificaat van sanitaire
controle van schepen of een certificaat tot vrijstelling van sanitaire
controle van schepen als bedoeld in artikel 39 van de Internationale
Gezondheidsregeling, wordt op verzoek van de gezagvoerder door de
burgemeester afgegeven indien het schip vrij is van besmetting.
2. De certificaten worden opgesteld
volgens het in bijlage 3 van de Internationale Gezondheidsregeling
opgenomen model.
3. Bij regeling van Onze Minister
worden nadere regels gesteld over de afgifte van de certificaten.
4. Bij regeling van Onze Minister
worden de havens aangewezen waarvoor de burgemeester bevoegd is tot
afgifte van de certificaten.
§ 7. Certificaten van inenting
Artikel 58
1. De inenting van personen of de
toediening van profylaxe aan personen ter verkrijging van een
internationaal geldig certificaat als bedoeld in artikel 36 van de
Internationale Gezondheidsregeling, geschiedt onder bij regeling van
Onze Minister vast te stellen voorwaarden.
2. De certificaten worden opgesteld
volgens het in bijlage 6 van de Internationale Gezondheidsregeling
opgenomen model.
3. Bij regeling van Onze Minister
worden de organisaties of personen aangewezen waar inentingen tegen
gele koorts mogen worden verschaft.
Hoofdstuk VI. Financiële bepalingen
Artikel 59
1. Indien de gemeenteraad een bijdrage
heft voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van de
publieke gezondheidszorg, draagt het college van burgemeester en
wethouders ervoor zorg dat dit niet ten koste gaat van het bereik van
deze werkzaamheden.
2. Geen bijdrage wordt geheven voor de
bij of krachtens de artikelen 5 en 6opgedragen taken, behoudens in
gevallen bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.
Artikel 60
1. De gemeente draagt de kosten van de
maatregelen die krachtens hoofdstuk Vvan deze wet worden genomen. Ook
draagt de gemeente de kosten van door haar toegekende tegemoetkomingen
aan hen, die inkomsten derven door de maatregelen, bedoeld in de
artikelen 31, 35, 38 en 47.
2. In afwijking van de eerste volzin
van het eerste lid draagt het Rijk de kosten van de maatregel, bedoeld
in artikel 31, indien deze wordt toegepast bij een persoon lijdend aan
tuberculose.
3. In afwijking van het eerste lid
draagt:
a. de exploitant van een
burgerhaven of burgerluchthaven en de burgerexploitant de kosten
van de maatregelen die door de burgemeester krachtens artikel 54
zijn opgedragen,
b. de vervoersexploitant de kosten
van de maatregelen die door de burgemeester krachtens artikel 55
zijn opgedragen.
4. De inartikel 47, derde lid, onder c,
bedoelde waren worden voor vernietiging door de burgemeester
gewaardeerd. Het college van burgemeester en wethouders keert aan de
eigenaar als schadeloosstelling het bedrag uit waarop de goederen zijn
gewaardeerd.
5. Het college van burgemeester en
wethouders is bevoegd de kosten verbonden aan de maatregelen, bedoeld
in de artikelen 31, 35, 38 en 47, te verhalen op de persoon ten
aanzien van wie een maatregel is getroffen, indien die persoon niet
tot vrijwillige medewerking bereid is geweest. De artikelen 5.25 en
5.26 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing.
6. Onze Minister kan aan de exploitant
van een burgerhaven of burgerluchthaven, de burgerexploitant of de
vervoersexploitant een naar billijkheid te bepalen vergoeding
toekennen terzake van buitengewone kosten die door de exploitant van
een burgerhaven of burgerluchthaven, de burgerexploitant of de
vervoersexploitant worden gemaakt vanwege de naleving van de
maatregelen die krachtens de artikelen 54 of 55 in samenhang met
artikel 7, derde lid, zijn opgedragen.
Artikel 61
De kosten verband houdende met het
voorzieningenniveau, bedoeld in artikel 49, eerste lid, komen, voor
zover het een burgerhaven of burgerluchthaven betreft, ten laste van de
exploitant.
Artikel 62
1. Indien Onze Minister op grond van
artikel 7, eerste of derde lid, de voorzitter van de veiligheidsregio
dan wel de burgemeester opdraagt maatregelen te treffen, kan ten
behoeve van de bekostiging daarvan een beroep worden gedaan op het
Rijk.
2. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld over het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 63
1. De kosten ter verkrijging van een
certificaat als bedoeld in artikel 57, eerste lid, komen ten laste van
de gezagvoerder van het desbetreffende schip.
2. Behoudens in bij regeling van Onze
Minister te bepalen gevallen komen de kosten van inenting van personen
of de toediening van profylaxe aan personen ter verkrijging van een
certificaat als bedoeld in artikel 58, eerste lid, ten laste van de
belanghebbende.
3. Bij regeling van Onze Minister
worden de tarieven vastgesteld voor het verkrijgen van de
certificaten, bedoeld in de artikelen 57, eerste lid, en 58, eerste
lid.
Hoofdstuk VII. Handhaving
§ 1. Toezicht
Artikel 64
Met het toezicht op de naleving van het
bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de ambtenaren van het
Staatstoezicht op de volksgezondheid.
Artikel 65
In het geval van een besmetting of
infectie of bij een gegrond vermoeden daarvan, zijn binnen hun
ambtsgebied de burgemeester dan wel de voorzitter van de
veiligheidsregio, de daartoe door de burgemeester dan wel de voorzitter
van de veiligheidsregio aangewezen ambtenaren van de gemeentelijke
gezondheidsdienst en de daartoe aangewezen ambtenaren van het
Staatstoezicht op de volksgezondheid bevoegd, desgevraagd na het tonen
van een legitimatiebewijs, elke plaats te betreden of te verlaten, voor
zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak op grond van
deze wet nodig is. Zonodig verschaffen zij zich toegang met behulp van
de sterke arm.
§ 2. Strafbepalingen
Artikel 66
1. Met een hechtenis van ten hoogste
twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft de
arts die handelt in strijd met de artikelen 21, eerste, tweede of
derde lid, 22, eerste, tweede of derde lid, 24, vierde lid, of 30.
2. Met een hechtenis van ten hoogste
twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft het
hoofd van een laboratorium dat handelt in strijd met artikel 25,
tweede of vijfde lid.
3. Met een hechtenis van ten hoogste
twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft het
hoofd van een instelling die handelt in strijd met artikel 26, eerste
lid.
4. Met een hechtenis van ten hoogste
twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft de
gezagvoerder die handelt in strijd metartikel 50, eerste of tweede
lid, of die weigert te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de
artikelen 51 en 53, derde lid, onder b.
5. Met een hechtenis van ten hoogste
twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft de
exploitant van een burgerhaven of burgerluchthaven die handelt in
strijd met artikel 50, vierde lid.
6. Met een hechtenis van ten hoogste
twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft
degene die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel
58, eerste en derde lid.
7. De in het eerste tot en met zesde
lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 67
1. Met een hechtenis van ten hoogste
zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene
die zich onttrekt aan de krachtens de in de artikelen 38, eerste lid,
of 47, tweede of derde lid, onder a of b, ten aanzien van hem genomen
maatregelen, dan wel de in artikel 47, derde lid, onder c, bedoelde
waren onttrekt aan een krachtens dat lid genomen maatregel.
2. Met hechtenis van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft het
onbevoegd betreden van een voor isolatie of quarantaine aangewezen
locatie.
3. Met een hechtenis van ten hoogste
zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft de
exploitant van een burgerhaven of burgerluchthaven die handelt in
strijd met artikel 49, tweede lid, of met een krachtens artikel 54
gegeven opdracht.
4. Met een hechtenis van ten hoogste
zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft de
burgerexploitant die handelt in strijd metartikel 49, derde lid, of
met een krachtens artikel 54 gegeven opdracht.
5. Met een hechtenis van ten hoogste
zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft de
vervoersexploitant die handelt in strijd met een krachtens artikel 55
gegeven opdracht.
6. De in het eerste tot en met vijfde
lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 68
1. Met een gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft
degene die handelt in strijd met opdrachten die krachtens artikel 53,
eerste of tweede lid, zijn gegeven.
2. Met een gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft
de gezagvoerder die handelt in strijd metartikel 53, derde lid, onder
a.
3. Met een gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft
degene die zich onttrekt aan een op grond van de artikelen 31 of 35
ten aanzien van hem genomen maatregel.
4. De in het eerste, tweede en derde
lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Hoofdstuk Va. Openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba
Artikel 68a
Tenzij in dit hoofdstuk anders is
bepaald, is het bepaalde bij of krachtens deze wet mede van toepassing
in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met dien
verstande dat telkens in die bepalingen wordt gelezen voor:
a. «de gemeente»: het openbare
lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
b. «gemeenteraad»: eilandsraad;
c. «college van burgemeester en
wethouders» en «bestuur van de veiligheidsregio»:
bestuurscollege;
d. «burgemeester» en «voorzitter
van de veiligheidsregio»: gezaghebber;
e. «gemeentelijke
gezondheidsdienst»: de in artikel 68c, eerste lid, bedoelde
geneeskundige;
f. «nota gemeentelijk
gezondheidsbeleid»: nota gezondheidsbeleid;
g. «samenwerkingsverband van
registerloodsen»: een loods als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder a, van de Loodsenwet 2001 BES;
h. «lijk»: een lijk als bedoeld in
de Begrafeniswet BES;
i. «goed»: tastbaar product, met
inbegrip van planten en met uitzondering van dieren, vervoermiddelen
en lijken als bedoeld in de Begrafeniswet BES;
j. «waar»: waar alsmede eet- en
drinkwaar als bedoeld in artikel 1, onderdelen b en c, van de
Warenwet BES;
k. «last onder bestuursdwang»:
bestuursdwang als bedoeld in artikel 58j, eerste lid;
l. «burgerservicenummer»: het
nummer van een geldig identiteitsdocument als bedoeld in artikel 2
van de Wet identificatieplicht BES;
m. «ziekenhuis»: zorginstelling als
bedoeld in artikel 1, onder k, van de Wet zorginstellingen BES;
n. «verweerschrift als bedoeld in
artikel 282, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering»: een verweerschrift als bedoeld in artikel 429h,
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES;
o. «crisisplan, bedoeld in artikel
16 van de Wet veiligheidsregio’s»: rampen- en crisisplan, bedoeld
in artikel 44 van de Veiligheidswet BES.
Artikel 68b
De artikelen 8, derde lid, 14 tot en met
17, 64 en 65 zijn niet van toepassing in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba.
Artikel 68c
1. Ter uitvoering van de bij of
krachtens deze wet opgedragen taken draagt het bestuurscollege er in
ieder geval zorg voor dat het beschikt over ten minste één
geneeskundige die is belast met de infectieziektebestrijding.
2. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen eisen worden gesteld met betrekking tot het opleidingsniveau of
de deskundigheid van de geneeskundige, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 68d
Het bestuurscollege draagt zorg voor het
aanbieden van vaccinaties uit en onder voorwaarden van het bij regeling
van Onze Minister vast te stellen vaccinatieprogramma.
Artikel 68e
1. Ingeval er een gegrond vermoeden
bestaat van besmetting van goederen kan de gezaghebber het brengen op
het grondgebied van het openbaar lichaam van deze goederen verbieden,
dan wel verbieden indien niet wordt voldaan aan bij beschikking op te
leggen voorschriften. De gezaghebber heft de maatregel op als het
gevaar is geweken.
2. Indien een lijk is besmet met een
infectueus of giftig agens of een infectueuze of giftige stof, of een
gegrond vermoeden daarvoor bestaat, waardoor een ernstig gevaar voor
de volksgezondheid kan ontstaan, kan de gezaghebber maatregelen
treffen om dit gevaar af te wenden. Deze maatregelen bestaan uit het
afnemen van bloed of andere vloeistoffen, het isoleren of het
verbranden van het lijk.
Artikel 68f
1. Onze Minister kan, in
overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie, een
laboratorium aanwijzen voor het verrichten van onderzoek ten behoeve
van de publieke gezondheid en justitie in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2. De volgende instanties kunnen een
beroep doen op de organisatie, bedoeld in het eerste lid: de
geneeskundige, bedoeld in artikel 68c, eerste lid, het Staatstoezicht
voor de Volksgezondheid, het RIVM en het openbaar ministerie van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
3. De aanwijzing wordt ingetrokken,
indien de organisatie naar het gezamenlijk oordeel van Onze Minister
en de Minister van Veiligheid en Justitie niet meer in staat blijkt te
zijn het laboratoriumonderzoek naar behoren te vervullen dan wel een
publiek belang dit vereist.
4. De organisatie, bedoeld in het
eerste lid, stelt jaarlijks vóór 1 juli een verslag op van zijn
werkzaamheden, alsmede de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn
werkzaamheden en werkwijze in het afgelopen jaar. Het verslag wordt
aan Onze Minister gezonden.
5. De werknemers van de organisatie,
bedoeld in het eerste lid, zijn verplicht tot geheimhouding van
hetgeen hun bij het verrichten van hun werkzaamheden bekend is
geworden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot
bekendmaking verplicht of uit de uitvoering van de krachtens deze wet
opgelegde taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 68g
Bij regeling van Onze Minister kan aan de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een bijzondere
uitkering worden verstrekt voor de uitvoering van de taken in deze wet,
en kunnen regels worden gesteld over:
a. de vaststelling van de uitkering;
b. de aan de verlening van de
uitkering verbonden verplichtingen;
c. de betaling en de terugvordering
van de uitkering.
Artikel 68h
1. Wat betreft het bij of krachtens
deze wet voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
bepaalde zijn de ambtenaren van het Staatstoezicht op de
Volksgezondheid belast met het uitoefenen van de in artikel 36, eerste
en tweede lid, van de Gezondheidswet genoemde taken. Artikel 36, derde
lid, van de Gezondheidswet is niet van toepassing.
2. Met de opsporing van de bij of
krachtens deze wet in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba strafbare gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 184 van het
Wetboek van Strafvordering BES, belast de ambtenaren van het
Staatstoezicht op de Volksgezondheid.
Artikel 68i
Voor het toepassen van bestuursdwang in
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op grond van deze
wet zijn de artikelen 68j en 68k van toepassing.
Artikel 68j
1. Bestuursdwang omvat het doen
wegnemen, ontruimen, beletten, in de vorige toestand herstellen of
verrichten van hetgeen in strijd met de desbetreffende bepalingen van
deze landsverordening is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.
2. Een beslissing tot het toepassen van
bestuursdwang wordt op schrift gesteld en geldt als een beschikking.
De beschikking vermeldt welk voorschrift is overtreden.
3. De beschikking wordt bekendgemaakt
aan de overtreder en andere belanghebbenden.
4. In de beschikking wordt een termijn
gesteld waarbinnen de overtreder en eventuele andere rechthebbenden de
tenuitvoerlegging van bestuursdwang kunnen voorkomen door zelf de in
de beschikking vermelde maatregelen te treffen. Geen termijn behoeft
te worden gegund indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.
5. Indien de situatie dermate
spoedeisend is dat de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet
tevoren op schrift kan wordt gezet, wordt zo spoedig mogelijk alsnog
voor de opschriftstelling en bekendmaking gezorgd.
Artikel 68k
1. De overtreder is de kosten verbonden
aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten
redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
2. De beschikking vermeldt dat de
toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder plaatsvindt.
3. Indien de kosten echter geheel of
gedeeltelijk niet ten laste van de overtreder zullen worden gebracht,
wordt dat in de beschikking vermeld.
4. Onder de kosten worden begrepen de
kosten verbonden aan de voorbereiding van bestuursdwang, voor zover
deze kosten zijn gemaakt na het tijdstip waarop de termijn bedoeld in
artikel 68j, vierde lid, is verstreken.
5. De kosten zijn ook verschuldigd
indien de bestuursdwang door opheffing van de onrechtmatige situatie
niet of niet volledig is uitgevoerd.
6. Bij dwangbevel kan van de overtreder
de verschuldigde kosten, verhoogd met de op de invordering vallende
kosten, worden ingevorderd.
7. Het dwangbevel wordt op kosten van
de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een
executoriale titel op in de zin van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering BES.
8. Gedurende zes weken na de dag van
betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van
het openbaar lichaam.
9. Het verzet schorst de
tenuitvoerlegging. Op verzoek van het openbaar lichaam kan het Gerecht
in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba de schorsing van
de tenuitvoerlegging opheffen.
10. De kosten verbonden aan de
toepassing van bestuursdwang zijn bevoorrecht op de zaak ten aanzien
waarvan zij zijn besteed en worden na de kosten, bedoeld in artikel
284 van het Burgerlijk Wetboek BES, uit de opbrengst van de zaak
betaald.
Artikel 68l
1. Met een hechtenis van ten hoogste
zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene
die in strijd handelt met artikel 68e, eerste lid, of die het in
artikel 68e, tweede lid, bedoelde lijk onttrekt aan een krachtens dat
artikel genomen maatregel.
2. Met een hechtenis van ten hoogste
zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene
die verwijtbaar de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 68f,
vijfde lid, schendt.
3. Met een gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft
degene die opzettelijk de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel
68f, vijfde lid, schendt.
4. Geen vervolging wordt ingesteld
anders dan op verzoek van degene te wiens aanzien de
geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 68f, vijfde lid, is
geschonden.
5. De in het eerste en tweede lid
strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. Het in het derde lid
strafbaar gestelde feit is een misdrijf.
Hoofdstuk VIII. Overige bepalingen
Artikel 69
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel 70
[Wijzigt de Waterleidingwet]
Artikel 71
[Wijzigt de Wet hygiëne en veiligheid
badinrichtingen en zwemgelegenheden]
Artikel 72
[Wijzigt de Wet gebruik
burgerservicenummer in de zorg]
Artikel 73
[Wijzigt de Wet op de lijkbezorging]
Artikel 74
De Wet collectieve preventie
volksgezondheid, de Infectieziektenwet en de Quarantainewet worden
ingetrokken.
Artikel 75
Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 76
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
publieke gezondheid.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
9 oktober 2008
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
A. Klink
Uitgegeven de achttiende
november 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|