| |
|
|
|
|
vorige
MEDIAWET
2008
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Mediabesluit 2008
- Mediaregeling 2008
- Regeling
aanwijzing en gebruik frequentieruimte commerciële radio-omroep 2003
WET van 29 december 2008 tot vaststelling van een nieuwe
Mediawet (Mediawet 2008)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de taakopdracht van de publieke omroep te wijzigen in het
licht van ontwikkelingen in technologie, media-aanbod, mediaproductie,
distributie en mediagebruik, de reclameregels voor commerciële omroepen
te versoepelen en andere noodzakelijke aanpassingen te doen; dat het
verder wenselijk is de Mediawet te moderniseren en technisch aan te
passen en dat het daarom wenselijk is een nieuwe Mediawet vast te
stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en
reikwijdte
Artikel 1.1
1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
aanbieder van een omroepnetwerk:
natuurlijke persoon of rechtspersoon die transmissiecapaciteit
door middel van een omroepnetwerk ter beschikking stelt;
aanbieder van een omroepzender:
natuurlijke persoon of rechtspersoon die transmissiecapaciteit
door middel van een omroepzender ter beschikking stelt;
aanbodkanaal: geordende geheel van
media-aanbod dat onder een herkenbare naam via een elektronisch
communicatienetwerk wordt aangeboden;
alcoholhoudende drank:
alcoholhoudende drank als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en
Horecawet;
commerciële mediadienst:
mediadienst die verzorgd wordt op grond van hoofdstuk 3;
commerciële media-instelling:
natuurlijke persoon of rechtspersoon die een commerciële
mediadienst verzorgt en die voor de toepassing van deze wet onder
de bevoegdheid van Nederland valt;
Commissariaat: Commissariaat voor
de Media, genoemd in artikel 7.1;
dagbladmarkt: door het
Stimuleringsfonds voor de pers, genoemd in artikel 8.1,
vastgestelde gemiddelde betaalde oplage, in een kalenderjaar, van
persorganen die bestemd zijn voor het publiek in Nederland en ten
minste zes keer per week verschijnen;
educatieve media-instelling:
instelling als bedoeld in artikel 2.28, eerste lid;
erkenningperiode: periode als
bedoeld in artikel 2.29, eerste lid;
Europese richtlijn: Richtlijn
89/552/EEG van 3 oktober 1989 van het Europees Parlement en de
Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het
aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn Audiovisuele
mediadiensten);
evenement: georganiseerde voor het
publiek toegankelijke gebeurtenis op het terrein van sport of
cultuur;
landelijke publieke
media-instelling: instelling die op grond van titel 2.2
media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst verzorgt;
lokale publieke media-instelling:
instelling die op grond van titel 2.3 is aangewezen voor de
verzorging van een lokale publieke mediadienst;
media-aanbod: één of meer
elektronische producten met beeld- of geluidsinhoud die bestemd
zijn voor afname door het algemene publiek of een deel daarvan;
mediadienst: dienst die bestaat uit
het verzorgen van media-aanbod door middel van openbare
elektronische communicatienetwerken als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel h, van de Telecommunicatiewet, waarvoor de verzorger
redactionele verantwoordelijkheid draagt;
mediadienst op aanvraag:
mediadienst die bestaat uit het verzorgen van media-aanbod dat op
individueel verzoek en op een moment naar keuze kan worden
afgenomen;
NOS: Nederlandse Omroep Stichting,
genoemd in artikel 2.34a;
NPO: Stichting Nederlandse Publieke
Omroep, genoemd in artikel 2.2;
NPS: Nederlandse Programma
Stichting, genoemd in artikel 2.35;
omroepdienst: mediadienst die
betrekking heeft op het verzorgen van media-aanbod dat op basis
van een chronologisch schema dat is vastgesteld door de instelling
die verantwoordelijk is voor het media-aanbod, al dan niet
gecodeerd door middel van een omroepzender of een omroepnetwerk
wordt verspreid voor gelijktijdige ontvangst door het algemene
publiek of een deel daarvan;
omroepnet: transmissiecapaciteit op
een omroepnetwerk of een omroepzender die noodzakelijk is om
continu programma-aanbod te verspreiden;
omroepnetwerk: openbaar
elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel h, van de Telecommunicatiewet, dat wordt gebruikt of
mede wordt gebruikt om, hoofdzakelijk met gebruik van kabels,
programma’s te verspreiden;
omroepzender: radiozendapparaat als
bedoeld in artikel 1.1, onderdeel kk, van de Telecommunicatiewet
dat wordt gebruikt of mede wordt gebruikt voor het verspreiden van
programma’s;
Onze Minister: Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
open televisieprogrammakanaal:
televisieprogrammakanaal dat ontvangen kan worden door ten minste
vijfenzeventig procent van alle huishoudens in Nederland, waarvoor
geen andere kosten verschuldigd zijn dan:
1°. het tarief dat een
aanbieder van een omroepnetwerk aan de aangeslotenen op het
omroepnetwerk in rekening brengt voor de ontvangst van het
programma-aanbod van een door de aanbieder met inachtneming
van deartikelen 6.12 tot en met 6.14 vast te stellen aantal
omroepnetten; of
2°. de kosten van aankoop of
gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst van
televisieprogramma’s mogelijk maken;
politieke partij: politieke partij
als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet subsidiëring
politieke partijen;
productplaatsing: het tegen
betaling of soortgelijke vergoeding opnemen van of het verwijzen
naar een product, dienst of (beeld)merk binnen het kader van een
programma, of met een programma overeenkomend onderdeel van het
media-aanbod;
programma: elektronisch product met
beeld- of geluidsinhoud dat duidelijk afgebakend is en als zodanig
herkenbaar onder een afzonderlijke titel via een omroepdienst
wordt verspreid;
programma-aanbod: geheel van
media-aanbod dat wordt verspreid via een omroepdienst;
programmakanaal: geordende geheel
van programma-aanbod dat onder een herkenbare naam wordt verspreid
via een omroepzender of omroepnetwerk;
publieke mediadienst: mediadienst
die verzorgd wordt op grond van hoofdstuk 2;
publieke media-instelling:
instelling die op grond van hoofdstuk 2 media-aanbod verzorgt;
publieke mediaopdracht:
mediaopdracht als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid;
raad van bestuur: raad van bestuur
van de NPO;
radio-omroep: omroepdienst die
betrekking heeft op radioprogramma-aanbod;
radioprogramma: programma met
uitsluitend geluidsinhoud;
reclameboodschap: uiting in welke
vorm dan ook, niet zijnde een telewinkelboodschap, waarmee
onmiskenbaar wordt beoogd het publiek te bewegen tot het kopen van
een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienst,
dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf,
een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van
producten of de afname van diensten te bevorderen;
redactionele verantwoordelijkheid:
het uitoefenen van effectieve controle over:
a. de keuze van het
media-aanbod; en
b. de ordening van het
media-aanbod in een chronologisch schema voor wat betreft
programma’s, of in een catalogus voor wat betreft het
media-aanbod van mediadiensten op aanvraag;
regionale publieke
media-instelling: instelling die op grond van titel 2.3 is
aangewezen voor de verzorging van een regionale publieke
mediadienst;
sluikreclame: het anders dan op
grond van deze wet vermelden of tonen van namen, (beeld)merken,
producten, diensten of activiteiten van personen, bedrijven of
instellingen als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daarmee
wordt beoogd of mede wordt beoogd reclame te maken, met dien
verstande dat het oogmerk in elk geval aanwezig is als de
vertoning of vermelding tegen betaling of soortgelijke vergoeding
geschiedt;
sponsoring: het verstrekken van
financiële of andere bijdragen door een onderneming of een
natuurlijke persoon die zich gewoonlijk niet bezighoudt met de
verzorging van mediadiensten of media-aanbod, ten behoeve van de
totstandkoming of aankoop van media-aanbod, teneinde de
verspreiding daarvan naar het algemene publiek of een deel daarvan
te bevorderen of mogelijk te maken;
sportwedstrijd: wedstrijd of de
voorbereiding op een wedstrijd, georganiseerd door of onder
auspiciën van de door het NOC*NSF erkende nationale
sportorganisaties en hun geledingen, of door vergelijkbare
internationale, al dan niet overkoepelende sportorganisaties, dan
wel een andere wedstrijd of de voorbereiding op een wedstrijd van
een sport die door het NOC*NSF als sport is aangemerkt;
Ster: Stichting Etherreclame,
genoemd in artikel 2.99;
teletekst: televisieprogramma dat
uitsluitend bestaat uit stilstaande tekstbeelden die door de
kijker in een door hem bepaalde volgorde en op een door hem
bepaald tijdstip kunnen worden geraadpleegd, en dat wordt
verspreid via dezelfde transmissieruimte van een omroepzender of
omroepnetwerk als die welke wordt gebruikt voor de verspreiding
van andere televisieprogramma’s;
televisieomroep: omroepdienst die
betrekking heeft op televisieprogramma-aanbod;
televisieprogramma: programma met
beeldinhoud, al dan niet mede met geluidsinhoud;
telewinkelboodschap: uiting in een
televisieprogramma die bestaat uit een rechtstreekse aanbieding
aan het publiek met het oog op de levering tegen betaling van
producten of diensten;
uitgever van een persorgaan:
rechtspersoon die een persorgaan uitgeeft;
Wereldomroep: Stichting Radio
Nederland Wereldomroep, genoemd in artikel 2.72.
2. Onder reclameboodschap als bedoeld
in het eerste lid wordt niet verstaan het oproepen tot steun aan of
het gunstig stemmen ten aanzien van instellingen met een
wetenschappelijk, cultureel, godsdienstig, levensbeschouwelijk,
politiek of liefdadig karakter, voor zover dat geen betrekking heeft
op het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een
bepaalde dienst die in de handel verkrijgbaar is.
Artikel 1.2
1. Onder de bevoegdheid van Nederland
vallen publieke of commerciële media-instellingen die krachtens
artikel 2 van de Europese richtlijn onder die Nederlandse bevoegdheid
vallen.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een instelling die radioprogramma’s
verzorgt, met dien verstande dat in ieder geval onder de bevoegdheid
van Nederland valt een instelling die radioprogramma’s verzorgt die
in Nederland door middel van een omroepzender, satelliet daaronder
niet begrepen, worden verspreid.
Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten
Titel 2.1. Publieke mediaopdracht
Artikel 2.1
1. Er is een publieke mediaopdracht die
bestaat uit:
a. het op landelijk, regionaal en
lokaal niveau verzorgen van publieke mediadiensten door het
aanbieden van media-aanbod op het terrein van informatie, cultuur,
educatie en verstrooiing, via alle beschikbare aanbodkanalen; en
b. het verzorgen van publieke
mediadiensten waarvan het media-aanbod bestemd is voor landen en
gebieden buiten Nederland en voor Nederlanders die buiten de
landsgrenzen verblijven.
2. Publieke mediadiensten voldoen aan
democratische, sociale en culturele behoeften van de Nederlandse
samenleving door het aanbieden van media-aanbod dat:
a. evenwichtig, pluriform,
gevarieerd en kwalitatief hoogstaand is en zich tevens kenmerkt
door een grote verscheidenheid naar vorm en inhoud;
b. op evenwichtige wijze een beeld
van de samenleving geeft en de pluriformiteit van onder de
bevolking levende overtuigingen, opvattingen en interesses op
maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied
weerspiegelt;
c. gericht is op en een relevant
bereik heeft onder zowel een breed en algemeen publiek, als
bevolkings- en leeftijdgroepen van verschillende omvang en
samenstelling met in het bijzonder aandacht voor kleine
doelgroepen;
d. onafhankelijk is van
commerciële invloeden en, behoudens het bepaalde bij of krachtens
de wet, van overheidsinvloeden;
e. voldoet aan hoge journalistieke
en professionele kwaliteitseisen; en
f. voor iedereen toegankelijk is.
3. Het programma-aanbod van de algemene
programmakanalen van de landelijke, regionale en lokale publieke
mediadiensten wordt via omroepzenders verspreid naar alle huishoudens
in het verzorgingsgebied waarvoor de programma’s zijn bestemd zonder
dat zij voor de ontvangst andere kosten moeten betalen dan de kosten
van aanschaf en gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst
mogelijk maken.
4. In het kader van de uitvoering van
de publieke mediaopdracht volgen en stimuleren de NPO en de publieke
media-instellingen technologische ontwikkelingen en benutten de
mogelijkheden om media-aanbod aan het publiek aan te bieden via nieuwe
media- en verspreidingstechnieken.
Titel 2.2. Landelijke publieke
mediadienst
Afdeling 2.2.1. Stichting Nederlandse
Publieke Omroep
Paragraaf 2.2.1.1. Taken
Artikel 2.2
1. De Stichting Nederlandse Publieke
Omroep is het samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoering
van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau, bedoeld in artikel
2.1.
2. Naast de andere taken die de NPO
heeft op grond van deze wet, is zij belast met:
a. het bevorderen van samenwerking
en coördinatie met het oog op de uitvoering van de publieke
mediaopdracht op landelijk niveau;
b. de coördinatie en ordening op
en tussen de aanbodkanalen van het media-aanbod van de landelijke
publieke mediadienst;
c. de vertegenwoordiging van de
landelijke publieke media-instellingen in internationale
organisaties op het gebied van media en de medewerking aan de
oprichting van dergelijke organisaties;
d. het in samenwerking met
buitenlandse omroepinstellingen meewerken aan Europees
media-aanbod dat mede op het Nederlandse publiek is gericht;
e. het beschikbaar stellen van
media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst aan het
buitenland;
f. het behartigen van zaken die van
gemeenschappelijk belang zijn voor de landelijke publieke
mediadienst en de landelijke publieke media-instellingen;
g. het in samenwerking met de
Wereldomroep sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten en het
vaststellen van normen voor de honorering van freelancers, mede in
naam van de landelijke publieke media-instellingen;
h. de bekostiging van de landelijke
publieke media-instellingen, op basis van de door Onze Minister
beschikbaar gestelde gelden;
i. het bevorderen van een
doelmatige inzet van de gelden die bestemd zijn voor de verzorging
en verspreiding van het media-aanbod en het bevorderen van
geïntegreerde financiële verslaglegging en verantwoording; en
j. het inrichten, in stand houden,
beheren en exploiteren en regelen van het gebruik van organen,
diensten en faciliteiten, waaronder studio’s en
distributie-infrastructuren, die nodig zijn voor een goede
uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau.
Artikel 2.3
1. De NPO kan in het kader van haar
taak, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel f, in naam van de
gezamenlijke landelijke publieke media-instellingen overeenkomsten met
derden aangaan.
2. De NPO stelt in het kader van haar
taak, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel f, een gedragscode
op ter bevordering van goed bestuur en integriteit bij de NPO en de
landelijke publieke media-instellingen.
3. De gedragscode omvat in elk geval:
a. aanbevelingen voor de
bestuurlijke organisatie, waaronder bestuurlijk toezicht;
b. een beloningskader;
c. gedragsregels voor integer
handelen van bestuurders en medewerkers;
d. gedragsregels voor publieke en
transparante verantwoording en verslaglegging;
e. procedures voor de behandeling
van meldingen en vermoedens over mogelijke misstanden; en
f. regels voor toezicht en naleving
van de gedragscode.
4. Het beloningskader, bedoeld in het
derde lid, onderdeel b, voor zover dat betrekking heeft op medewerkers
die buiten de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst
een beloning ontvangen, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Voor
zover Onze Minister goedkeuring daaraan onthoudt of als de NPO nalatig
blijft bij het vaststellen van een beloningskader, bepaalt hij de
inhoud van het beloningskader. De NPO stelt vervolgens het
beloningskader vast overeenkomstig de inhoud, bedoeld in de vorige
volzin.
Paragraaf 2.2.1.2. Organisatie
Artikel 2.4
De organen van de NPO zijn een raad van
toezicht, een raad van bestuur en een college van omroepen.
Artikel 2.5
1. De raad van toezicht bestaat uit een
voorzitter en ten hoogste zes andere leden die op voordracht van Onze
Minister bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en
ontslagen.
2. Voor een van de andere leden kunnen
de gezamenlijke ondernemingsraden van de NPO, de NOS, de NPS en de
omroepverenigingen en de educatieve media-instelling die een erkenning
als bedoeld in artikel 2.24 onderscheidenlijk artikel 2.28 hebben
verkregen personen voor benoeming aanbevelen.
3. Benoeming geschiedt voor vijf jaar
en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.
Artikel 2.6
1. Het lidmaatschap van de raad van
toezicht is onverenigbaar met:
a. het lidmaatschap van het college
van omroepen;
b. het lidmaatschap van de raad van
bestuur;
c. het lidmaatschap van een orgaan
van of een dienstbetrekking bij een publieke media-instelling;
d. het lidmaatschap van een orgaan
van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;
e. het lidmaatschap van een van
beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een
gemeentebestuur;
f. een dienstbetrekking bij een
ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder
de verantwoordelijkheid van een minister; en
g. het hebben van financiële of
andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van
nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de
handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van
het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.
2. Schorsing en ontslag zijn mogelijk
wegens:
a. ongeschiktheid;
b. disfunctioneren; en
c. onverenigbaarheid als bedoeld in
het eerste lid.
3. Ontslag is verder mogelijk op eigen
verzoek.
4. De leden van de raad van toezicht
ontvangen van de NPO een door Onze Minister vast te stellen
vergoeding.
Artikel 2.7
1. De raad van toezicht houdt toezicht
op het beleid van de raad van bestuur en op de algemene gang van zaken
bij de NPO, het functioneren van de raad van bestuur als
toezichthouder bij de NOS en de uitvoering van de publieke
mediaopdracht op landelijk niveau en staat de raad van bestuur met
advies terzijde.
2. De raad van toezicht is verder
belast met:
a. het vaststellen van de
jaarrekening van de NPO; en
b. het wijzigen van de statuten van
de NPO, op voorstel van de raad van bestuur;
3. Bij de vervulling van hun taak
richten de leden van de raad van toezicht zich naar het
gemeenschappelijke belang van de landelijke publieke mediadienst.
Artikel 2.8
1.De raad van bestuur bestaat uit een
voorzitter en twee andere leden die worden benoemd, geschorst en
ontslagen door de raad van toezicht.
2.Benoeming geschiedt voor vijf jaar en
herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.
3.Besluiten tot benoeming, schorsing of
ontslag behoeven de instemming van Onze Minister.
Artikel 2.9
1. Op het lidmaatschap van de raad van
bestuur is artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c tot en
met g, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel
2.6, eerste lid, onderdeel c, niet van overeenkomstige toepassing is
op het lidmaatschap van een orgaan van de Ster.
2. De leden van de raad van bestuur
zijn in dienst van de NPO. De raad van toezicht stelt hun
arbeidsvoorwaarden vast.
3. Artikel 668a, eerste tot en met
vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van
toepassing.
Artikel 2.10
1. De raad van bestuur bestuurt de NPO.
2. Naast de andere taken en
bevoegdheden die de raad van bestuur heeft op grond van deze wet, is
hij belast met:
a. de dagelijkse leiding over de
werkzaamheden van de NPO;
b. de dagelijkse coördinatie en
samenhangende ordening van het media-aanbod op en tussen de
diverse aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst;
c. het vaststellen van regelingen
die nodig zijn voor de uitvoering van de taken van de NPO,
waaronder in ieder geval een regeling voor de coördinatie en
ordening van het media-aanbod op de aanbodkanalen van de
landelijke publieke mediadienst;
d. het vaststellen van de profielen
van de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst,
inhoudende de uitgangspunten voor een herkenbaar media-aanbod op
die kanalen;
e. het vaststellen van het
concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 2.20;
f. het aangaan van de
prestatieovereenkomst, bedoeld in2.22;
g. het vaststellen van de
begroting, bedoeld in artikel 2.147; en
h. het vaststellen van het
jaarverslag, bedoeld in artikel 2.17.
3. De raad van bestuur is verder belast
met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de
raad van toezicht behoort.
Artikel 2.11
1. De volgende besluiten van de raad
van bestuur behoeven de instemming van de raad van toezicht:
a. de besluiten, bedoeld in het
artikel 2.10, tweede lid, onderdelen e tot en met h;
b. het doen van investeringen die
een in de statuten van de NPO vastgesteld bedrag te boven gaan;
c. het door de NPO aangaan of
verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon
of vennootschap als die samenwerking van ingrijpende betekenis is
voor de NPO of de landelijke publieke media-instellingen;
d. collectief ontslag van een
aanmerkelijk aantal werknemers; en
e. het vaststellen van ingrijpende
wijzigingen in de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk
aantal werknemers.
2. De verdere werkwijze van de raad van
toezicht en de raad van bestuur wordt geregeld in de statuten en
reglementen van de NPO.
Artikel 2.12
1. Het college van omroepen adviseert
de raad van toezicht en de raad van bestuur desgevraagd of uit eigen
beweging over het beleid inzake het media-aanbod van de landelijke
publieke mediadienst.
2. Het college van omroepen is als
volgt samengesteld:
a. de omroepverenigingen en de
educatieve media-instelling die een erkenning als bedoeld in
artikel 2.24 onderscheidenlijk artikel 2.28 hebben verkregen, de
omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in
artikel 2.24 hebben verkregen, de NOS en de NPS benoemen elk één
lid; en
b. de kerkgenootschappen en de
genootschappen op geestelijke grondslag die op grond van artikel
2.42 zijn aangewezen, benoemen gezamenlijk één lid.
Artikel 2.13
1. Het lidmaatschap van het college van
omroepen is onverenigbaar met het lidmaatschap van een redactie als
bedoeld in artikel 2.56.
2. Het college wijst uit zijn midden de
voorzitter aan en regelt zijn eigen werkwijze.
Artikel 2.14
1. Voordat de raad van bestuur een
overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, aangaat dan wel
een besluit neemt over een taak als bedoeld inartikel 2.10, tweede
lid, onderdelen d, e, f, of g, over de wijze van aanwending van het
budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel h, stelt hij
het college van omroepen in de gelegenheid daarover zijn mening te
geven binnen een door de raad van bestuur te stellen redelijke
termijn.
2. Het uitblijven van de mening van het
college staat aan het aangaan van een overeenkomst of het nemen van
een besluit door de raad van bestuur niet in de weg.
3. Als uit de mening blijkt dat het
college niet instemt met een voorgenomen overeenkomst of een
voorgenomen besluit dan wel belangrijke onderdelen daarvan en de raad
van bestuur wenst zijn voornemen ongewijzigd te handhaven, legt de
raad van bestuur de voorgenomen overeenkomst of het vastgestelde
besluit samen met de mening ter instemming voor aan de raad van
toezicht.
Paragraaf 2.2.1.3.
Informatieverstrekking, taakverwaarlozing, jaarverslag en statuten
Artikel 2.15
1. De NPO verstrekt Onze Minister
desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van
de NPO.
2. Onze Minister kan inzage verlangen
in zakelijke gegevens en bescheiden van de NPO voor zover dat voor de
vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 2.16
1. Als de NPO naar de mening van Onze
Minister zijn taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister na overleg
met de NPO de noodzakelijke voorzieningen treffen.
2. Onze Minister stelt de Tweede Kamer
der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de door hem getroffen
voorzieningen.
Artikel 2.17
1. De NPO stelt jaarlijks vóór 1 juni
een jaarverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.
2. In het jaarverslag wordt aandacht
besteed aan de werkzaamheden van de NPO, het gevoerde beleid in het
algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in
het bijzonder.
3. De NPO zendt het verslag aan Onze
Minister en maakt het openbaar.
Artikel 2.18
1. Wijzigingen in de statuten van de
NPO behoeven de instemming van Onze Minister.
2. De raad van toezicht en de raad van
bestuur kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NPO.
Paragraaf 2.2.1.4. Concessie, beleidsplan
en prestatieovereenkomst
Artikel 2.19
1. Voor de verwezenlijking van de
publieke mediaopdracht op landelijk niveau wordt bij koninklijk
besluit aan de NPO een concessie verleend.
2. De concessie geldt voor tien jaar en
treedt in werking met ingang van een in het koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
3. Voor de toepassing van de artikelen
2.20, 2.29 en 2.43, eerste lid, bestaat de concessieperiode uit twee
perioden van vijf jaar.
Artikel 2.20
1. Voorafgaand aan de
concessieverlening en vóór aanvang van de tweede periode van vijf
jaar van de concessieperiode dient de NPO een concessiebeleidsplan
voor de komende vijf jaar in bij Onze Minister.
2. Het concessiebeleidsplan bevat in
elk geval:
a. een beschrijving van de wijze
waarop in de komende vijf jaar de publieke mediaopdracht op
landelijk niveau wordt uitgevoerd, tevens uitgewerkt in
kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod
en het publieksbereik van de landelijke publieke mediadienst;
b. aard en aantal van de
programmakanalen en de daarvoor gewenste frequentieruimte;
c. aard en aantal van de overige
aanbodkanalen;
d. een onderbouwd overzicht van de
naar verwachting benodigde organisatorische, personele, materiële
en financiële middelen; en
e. een beschrijving van de
samenwerking met de Wereldomroep, regionale en lokale publieke
media-instellingen en anderen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen
regels gesteld worden over de inrichting van het concessiebeleidsplan
en het tijdstip van indiening.
4. De raad van bestuur stelt het
concessiebeleidsplan vast na overleg met in elk geval de landelijke
publieke media-instellingen en, voor zover het de samenwerking
betreft, de betrokken regionale en lokale publieke media-instellingen
en de Wereldomroep.
Artikel 2.21
1. De NPO maakt het
concessiebeleidsplan openbaar.
2. Over het concessiebeleidsplan vraagt
Onze Minister advies aan het Commissariaat en de Raad voor cultuur.
3. Het concessiebeleidsplan behoeft de
instemming van Onze Minister voor zover het betreft de onderwerpen,
bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, onderdelen b en c, waarbij de
instemming geschiedt met inachtneming van artikel 3.3, tweede lid, van
de Telecommunicatiewet.
4. Als de NPO wijzigingen wil
aanbrengen in het door Onze Minister goedgekeurde deel van het
concessiebeleidsplan, neemt zij die op in de begroting. Het eerste en
tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.21a
1. Artikel 2.21, derde lid, is niet van
toepassing, als bij wijze van experiment van beperkte omvang of duur
media-aanbod via andere aanbodkanalen dan die, bedoeld in artikel
2.20, tweede lid, onderdelen b en c, wordt aangeboden. Een experiment
dient om te onderzoeken of deze aanbodkanalen een bijdrage kunnen
leveren aan de verwezenlijking van de publieke media-opdracht op
landelijk niveau.
2. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald wanneer sprake is van beperkte omvang of duur en kunnen
nadere regels worden gesteld over het uitvoeren van experimenten.
Artikel 2.22
1. Mede op basis van het
concessiebeleidsplan sluiten Onze Minister en de NPO een
prestatieovereenkomst voor de duur van het concessiebeleidsplan.
2. De prestatieovereenkomst bevat
afspraken over:
a. kwalitatieve en kwantitatieve
doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de
landelijke publieke mediadienst;
b. maatregelen bij niet naleving,
voor zover mogelijk binnen het bepaalde bij of krachtens deze wet;
en
c. tussentijdse wijziging in
verband met veranderende inzichten of omstandigheden.
3. De prestatieovereenkomst heeft geen
betrekking op de inhoud van het media-aanbod van de landelijke
publieke mediadienst.
Paragraaf 2.2.1.5 [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 2.23 [Vervallen per 01-01-2010]
Afdeling 2.2.2. Omroepverenigingen en een
educatieve media-instelling
Artikel 2.24
1.Onze Minister kan eens in de vijf
jaar aan omroepverenigingen erkenningen en voorlopige erkenningen
verlenen voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke
publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling.
2.Omroepverenigingen zijn verenigingen
die:
a. rechtspersoon naar Nederlands
recht met volledige rechtsbevoegdheid zijn;
b. zich volgens de statuten
uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stellen ter uitvoering van
de publieke mediaopdracht op landelijk niveau media-aanbod te
verzorgen en alle activiteiten te verrichten die nodig zijn om
daarmee een publieke taak van algemeen nut te vervullen;
c. zich volgens de statuten ten
doel stellen in het media-aanbod een bepaalde, in de statuten
aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of
geestelijke stroming te vertegenwoordigen en zich in het
media-aanbod te richten op de bevrediging van in de samenleving
levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel
geestelijke behoeften;
d. hun leden op democratisch
aanvaardbare wijze invloed geven op het beleid; en
e. een jaarlijkse contributie van
ten minste € 5,72 heffen waarin de verstrekking van een
programmablad niet is begrepen.
3.Het in het tweede lid, onderdeel e,
genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur naar aanleiding
van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde
consumentenprijsindex worden aangepast.
Artikel 2.25
Voor een erkenning komen slechts in
aanmerking omroepverenigingen die:
a. in de voorafgaande
erkenningsperiode een erkenning of een voorlopige erkenning hadden;
b. ten minste 150 000 leden hebben;
en
c. op 31 december van het jaar
voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als
bedoeld in artikel 2.174a hebben waarvan het saldo nihil of positief
is.
De hoogte van het saldo, bedoeld in de
eerste volzin, wordt aangetoond door overlegging van de jaarrekening,
bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, die vergezeld gaat van een
verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 2.26
Voor een voorlopige erkenning komen
slechts in aanmerking omroepverenigingen die:
a. in de voorafgaande
erkenningperiode geen erkenning of voorlopige erkenning hadden;
b. ten minste 50 000 leden hebben;
c. op 31 december van het jaar
voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als
bedoeld in artikel 2.174a hebben waarvan het saldo nihil of positief
is; en
d. zich naar stroming als bedoeld in
artikel 2.24, tweede lid, onderdeel c, en naar voorgenomen
media-aanbod wat betreft genre, inhoud en doelgroepen zodanig
onderscheiden van de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 2.25,
dat de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke
publieke mediadienst wordt vergroot en een vernieuwende bijdrage
wordt geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op
landelijk niveau.
Artikel 2.25, tweede volzin, is van
toepassing
Artikel 2.27
1. Het Commissariaat stelt het aantal
leden per omroepvereniging die een aanvraag voor een erkenning of
voorlopige erkenning heeft ingediend vast op een peildatum die door
Onze Minister wordt bepaald.
2. Als lid tellen mee personen die:
a. 16 jaar of ouder zijn;
b. in Nederland woonachtig zijn; en
c. de jaarlijkse
minimumcontributie, bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel
e, hebben betaald.
3. Het Commissariaat bepaalt de wijze
waarop de vaststelling van het aantal leden gebeurt en
omroepverenigingen verstrekken aan het Commissariaat alle gegevens die
het daarvoor nodig acht.
Artikel 2.28
1.Onze Minister kan eens in de vijf
jaar aan een instelling een erkenning verlenen voor de verzorging van
educatief media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens
de bepalingen van deze afdeling.
2.Voor een erkenning komt slechts in
aanmerking een instelling die:
a. rechtspersoon naar Nederlands
recht met volledige rechtsbevoegdheid is;
b. zich volgens de statuten
uitsluitend ten doel stelt het verzorgen van een breed en
samenhangend educatief media-aanbod op het gebied van onderwijs,
scholing en vorming;
c. volgens de statuten een bestuur
heeft waarin deskundigen uit de kring van representatieve
landelijke organisaties op het gebied van onderwijs, scholing en
vorming zitting hebben; en
d. volgens de statuten een orgaan
heeft dat het beleid voor het media-aanbod bepaalt en dat
representatief is voor maatschappelijke en levensbeschouwelijk
organisaties op het terrein van onderwijs, scholing en vorming.
3.De statuten en wijzigingen daarvan
behoeven de instemming van Onze Minister.
Artikel 2.29
1.Een erkenning of een voorlopige
erkenning wordt op aanvraag verleend en geldt voor een periode van
vijf jaar die samenvalt met een vijfjaarlijkse periode van de
concessie als bedoeld in artikel 2.19, derde lid.
2.Een erkenning of voorlopige erkenning
is niet overdraagbaar en vervalt van rechtswege na afloop van de
erkenningperiode.
3.Een erkenning of voorlopige erkenning
geeft aanspraak op een financiële bijdrage voor de verzorging van
media-aanbod volgens het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 2.30
1. Een aanvraag voor een erkenning of
voorlopige erkenning bevat de statuten van de aanvrager en een
beleidsplan.
2. Het beleidsplan bevat in elk geval:
a. het voorgenomen beleid ten
aanzien van het media-aanbod, met in achtneming van de bij of
krachtens deze wet gestelde verplichtingen voor het media-aanbod
van de landelijk publieke mediadienst; en
b. de voornemens en afspraken over
samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst
met andere aanvragers van een erkenning of een voorlopige
erkenning, de NPO, de NOS of de NPS.
3. Het deel van het beleidsplan dat
betrekking heeft op samenwerking kan door de desbetreffende aanvragers
gezamenlijk worden ingediend.
4. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld over:
a. het tijdstip en de wijze van
indiening van een aanvraag;
b. de inrichting van een aanvraag
en het beleidsplan; en
c. de termijn en wijze waarop een
besluit op een aanvraag wordt genomen.
Artikel 2.31
1. Voordat Onze Minister besluit over
het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning vraagt hij de
Raad voor cultuur, het Commissariaat en de NPO binnen een door hem te
stellen termijn te adviseren over een aanvraag.
2. Het uitblijven van een advies staat
aan het nemen van een besluit over het verlenen van een erkenning of
voorlopige erkenning niet in de weg.
Artikel 2.32
1. Onze Minister wijst een aanvraag
voor een erkenning of een voorlopige erkenning af als de aanvrager:
a. niet voldoet aan de artikelen
2.24, tweede lid, 2.25, eerste volzin, onderdelen a en b, 2.26,
eerste volzin, onderdelen a, b en d of 2.28, tweede lid; of
b. [dit onderdeel is nog niet in
werking getreden.]
2. Onze Minister kan een aanvraag
afwijzen als:
a. blijkens de evaluatie, bedoeld
in artikel 2.184, derde lid, onvoldoende heeft bijgedragen aan de
uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door
de wijze waarop hij uitvoering heeft gegeven aan zijn publieke
taak, bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b,
onderscheidenlijk artikel 2.28, tweede lid, onderdeel b;
b. de aanvrager niet voldoet aan de
krachtens artikel 2.30, vierde lid, gestelde eisen;
c. aannemelijk is dat de aanvrager
zich, mede gelet op zijn handelwijze in een voorafgaande periode
waarin hij een erkenning heeft gehad, niet zal houden aan het
bepaalde bij of krachtens deze wet; of
d. uit de aanvraag naar de mening
van Onze Minister onvoldoende blijkt dat:
1°. in het door de aanvrager
te verzorgen media-aanbod de identiteit en missie van de
aanvrager tot uitdrukking komt;
2°. het door de aanvrager te
verzorgen media-aanbod voldoet aan de daaraan bij of krachtens
deze wet gestelde eisen; of
3°. de aanvrager bereid is tot
samenwerking ten behoeve van de landelijk publieke
mediadienst.
3. Een aanvraag van een
omroepvereniging die een voorlopige erkenning heeft verkregen en die
aansluitend voor een erkenning in aanmerking wil komen, kan daarnaast
worden afgewezen als tijdens de periode van de voorlopige erkenning
onvoldoende is gebleken dat het media-aanbod voldoet aan de eisen,
bedoeld in artikel 2.26, onderdeel d.
Artikel 2.33
1. Onze Minister trekt een erkenning of
voorlopige erkenning in als een instelling:
a. niet meer voldoet aan de
artikelen 2.24, tweede lid, of 2.28, tweede lid, dan wel niet
voldoet aan de artikelen 2.25, eerste volzin, onderdeel c, en
tweede volzin, en 2.26, eerste volzin, onderdeel c, en tweede
volzin; of
b. [dit onderdeel is nog niet in
werking getreden.]
2. Onze Minister kan een erkenning of
voorlopige erkenning intrekken als het Commissariaat aan de instelling
binnen een jaar ten minste twee maal een bestuurlijke sanctie als
bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd wegens overtreding van het
bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht.
3. Onze Minister kan een erkenning of
voorlopige erkenning intrekken, als bij de nieuwe evaluatie, bedoeld
in artikel 2.184, derde lid, is vastgesteld dat een omroepvereniging
of de educatieve media-instelling onvoldoende heeft bijgedragen aan de
uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de
wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak,
bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b, onderscheidenlijk
artikel 2.28, tweede lid, onderdeel b. Artikel 2.31 is van
overeenkomstige toepassing. Een besluit als bedoeld in de eerste
volzin voorziet in het tijdstip met ingang waarvan de erkenning of
voorlopige erkenning wordt ingetrokken. Dit tijdstip is niet later dan
één jaar na de bekendmaking van het besluit, bedoeld in de eerste
volzin.
4. Onze Minister kan op verzoek van de
raad van bestuur een erkenning of voorlopige erkenning intrekken als:
a. de raad van bestuur aan de
instelling binnen de erkenningperiode twee maal een sanctie als
bedoeld in artikel 2.154 heeft opgelegd; of
b. de instelling naar de mening van
de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid
tot samenwerking ten behoeve van de landelijk publieke
mediadienst.
Artikel 2.34
1.De omroepverenigingen en de
educatieve media-instelling zijn verplicht gedurende de
erkenningperiode media-aanbod te verzorgen, waaronder in elk geval
radio- en televisieprogramma’s.
2.Het media-aanbod van een
omroepvereniging weerspiegelt de identiteit en missie van die
vereniging zoals die in de statuten zijn omschreven.
3.Het media-aanbod van de educatieve
media-instelling is geheel educatief van aard.
Afdeling 2.2.2a. Nederlandse Omroep
Stichting
Artikel 2.34a
1. De Nederlandse Omroep Stichting
heeft tot taak media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst te
verzorgen op het gebied van nieuws, sport en evenementen dat zich bij
uitstek leent voor gezamenlijke verzorging, waaronder media-aanbod
dat:
a. een hoge frequentie en vaste
regelmaat van verspreiding vereist;
b. een algemeen dienstverlenend
karakter draagt; of
c. met een doelmatiger inzet van
middelen beter gezamenlijk tot stand kan worden gebracht.
2. De NOS verzorgt teletekst voor de
landelijke publieke mediadienst.
3. Bij algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in
ieder geval door de NOS wordt verzorgd.
Artikel 2.34b
De organen van de NOS zijn een raad van
toezicht en een directie.
Artikel 2.34c
1. De raad van toezicht van de NOS
bestaat uit vijf of zeven leden die op voordracht van de raad van
toezicht door Onze Minister worden benoemd en die door Onze Minister
kunnen worden geschorst en ontslagen.
2. De raad van toezicht wijst uit zijn
midden de voorzitter aan.
3. Benoeming geschiedt voor een periode
van vier jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal
mogelijk.
4. De raad van toezicht wordt zodanig
samengesteld dat bestuurlijke ervaring en deskundigheid op de
terreinen die relevant zijn voor het media-aanbod dat de NOS verzorgt,
aanwezig zijn.
Artikel 2.34d
1. Het lidmaatschap van de raad van
toezicht van de NOS is onverenigbaar met:
a. de functie van lid van de
directie van de NOS;
b. het lidmaatschap van een orgaan
van of een dienstbetrekking bij de NPO of een landelijke publieke
media-instelling;
c. het lidmaatschap van een orgaan
van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;
d. het lidmaatschap van een van
beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een
gemeentebestuur;
e. een dienstbetrekking bij een
ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf direct
vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en
f. het hebben van financiële of
andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van
nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de
handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van
het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.
2. Schorsing en ontslag zijn mogelijk
wegens:
a. ongeschiktheid;
b. disfunctioneren; en
c. onverenigbaarheid als bedoeld in
het eerste lid.
3. Ontslag is verder mogelijk op eigen
verzoek.
4. De leden van de raad van toezicht
kunnen gezamenlijk worden ontslagen, als bij de evaluatie bedoeld, in
artikel 2.184, derde lid, is vastgesteld dat de NOS onvoldoende heeft
bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op
landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan
de publieke taak, bedoeld in artikel 2.34a. In geval van een ontslag
als bedoeld in de eerste volzin benoemt Onze Minister de leden van de
nieuwe raad van toezicht.
5. De leden van de raad van toezicht
ontvangen van de NOS een door Onze Minister vast te stellen
vergoeding.
Artikel 2.34e
1. De raad van toezicht houdt toezicht
op het beleid van de directie en op de algemene gang van zaken binnen
de NOS en de pluriformiteit van het media-aanbod van de NOS en staat
de directie met advies terzijde.
2. Bij de vervulling van hun taak
richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene
belang van de NOS.
Artikel 2.34f
1. De directie van de NOS bestaat uit
ten hoogste drie leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door
de raad van toezicht.
2. Artikel 2.34d, eerste lid,
onderdelen b tot en met f, is van overeenkomstige toepassing op de
leden van de directie.
3. De directieleden zijn in dienst van
de NOS. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.
Artikel 2.34g
1. De directie bestuurt de NOS.
2. De directie is belast met de
dagelijkse leiding en het financiële beheer van de NOS.
3. De directie is verder belast met
datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de
raad van toezicht behoort.
Artikel 2.34h
1. De NOS verstrekt Onze Minister
desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van
de stichting.
2. Onze Minister kan inzage verlangen
in zakelijke gegevens en bescheiden van de NOS voor zover dat voor de
vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 2.34i
1. De NOS stelt jaarlijks vóór 1 mei
een jaarverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.
2. In het jaarverslag wordt aandacht
besteed aan de werkzaamheden van de NOS, het gevoerde beleid in het
algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden
in het bijzonder.
3. De NOS zendt het jaarverslag aan
Onze Minister en maakt het openbaar.
Artikel 2.34j
1. Wijziging in de statuten van de NOS
behoeven de instemming van Onze Minister.
2. De raad van toezicht en de directie
kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NOS.
Afdeling 2.2.3. Nederlandse Programma
Stichting
Artikel 2.35
1. De Nederlandse Programma Stichting
heeft tot taak media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst te
verzorgen dat voorziet in de bevrediging van in de samenleving levende
maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften,
zodanig dat dit media-aanbod samen met het media-aanbod van de andere
landelijke publieke media-instellingen een evenwichtig beeld oplevert
van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke
verscheidenheid in Nederland.
2. Bij algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in
ieder geval door de NPS wordt verzorgd.
Artikel 2.35a
De organen van de NPS zijn een raad van
toezicht, een algemeen directeur en een adviesraad.
Artikel 2.36
1. De raad van toezicht van de NPS
bestaat uit vijf of zeven leden die op voordracht van de raad van
toezicht door Onze Minister worden benoemd en die door Onze Minister
kunnen worden geschorst en ontslagen.
2. De raad van toezicht wijst uit zijn
midden de voorzitter aan.
3. Benoeming geschiedt voor een periode
van vier jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal
mogelijk.
4. De raad van toezicht wordt zodanig
samengesteld dat bestuurlijke ervaring en deskundigheid op de
terreinen die relevant zijn voor het media-aanbod dat de NPS verzorgt,
aanwezig zijn.
Artikel 2.37
1. Het lidmaatschap van de raad van
toezicht van de NPS is onverenigbaar met:
a. de functie van algemeen
directeur van de NPS;
b. het lidmaatschap van een orgaan
van of een dienstbetrekking bij de NPO of een landelijke publieke
media-instelling;
c. het lidmaatschap van een orgaan
van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;
d. het lidmaatschap van een van
beide Kamers der Staten-Generaal;
e. een dienstbetrekking bij een
ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder
de verantwoordelijkheid van een minister; en
f. het hebben van financiële of
andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van
nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de
handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van
het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.
2. Schorsing en ontslag zijn mogelijk
wegens:
a. ongeschiktheid;
b. disfunctioneren; en
c. onverenigbaarheid als bedoeld in
het eerste lid.
3. Ontslag is verder mogelijk op eigen
verzoek.
4. De leden van de raad van toezicht
kunnen gezamenlijk worden ontslagen, als bij de evaluatie bedoeld, in
artikel 2.184, derde lid, is vastgesteld dat de NPS onvoldoende heeft
bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op
landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan
de publieke taak, bedoeld in artikel 2.35. In geval van een ontslag
als bedoeld in de eerste volzin benoemt Onze Minister de leden van de
nieuwe raad van toezicht.
5. De leden van de raad van toezicht
ontvangen van de NPS een door Onze Minister vast te stellen
vergoeding.
Artikel 2.37a
1. De raad van toezicht houdt toezicht
op het beleid van de algemeen directeur, op de algemene gang van zaken
binnen de NPS en op de pluriformiteit van het media-aanbod van de NPS
en staat de algemeen directeur met advies terzijde.
2. Bij de vervulling van hun taak
richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene
belang van de NPS.
Artikel 2.37b
1. De algemeen directeur van de NPS
wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.
2. Artikel 2.37, eerste lid, onderdelen
b tot en met f, is van overeenkomstige toepassing op de algemeen
directeur.
3. De algemeen directeur is in dienst
van de NPS. De raad van toezicht stelt zijn arbeidsvoorwaarden vast.
Artikel 2.37c
1. De algemeen directeur bestuurt de
NPS.
2. De algemeen directeur is belast met
de dagelijkse leiding en het financiële beheer van de NPS.
3. De algemeen directeur is verder
belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden
van de raad van toezicht behoort.
Artikel 2.38
De statuten van de NPS regelen de
instelling van een adviesraad die de algemeen directeur adviseert over
het media-aanbod van de NPS.
Artikel 2.39
1. De NPS verstrekt Onze Minister
desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van
de NPS.
2. Onze Minister kan inzage verlangen
in zakelijke gegevens en bescheiden van de NPS voor zover dat voor de
vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 2.40
1. De NPS stelt jaarlijks vóór 1 juni
een jaarverslag vast over het afgelopen kalenderjaar.
2. In het jaarverslag wordt aandacht
besteed aan de werkzaamheden van de NPS, het gevoerde beleid in het
algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden
in het bijzonder.
3. De NPS zendt het jaarverslag aan
Onze Minister en maakt het openbaar.
Artikel 2.41
1. Wijzigingen in de statuten van de
NPS behoeven de instemming van Onze Minister.
2. De raad van toezicht kan niet
besluiten tot ontbinding van de NPS.
Afdeling 2.2.4. Kerkgenootschappen en
genootschappen op geestelijke grondslag
Artikel 2.42
1. Het Commissariaat kan eens in de
vijf jaar kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke
grondslag of rechtspersonen waarin twee of meer van deze
genootschappen samenwerken, aanwijzen voor het verzorgen van
media-aanbod op kerkelijk of geestelijk terrein voor de landelijke
publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling.
2. Voor aanwijzing komen slechts in
aanmerking kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke
grondslag die representatief geacht kunnen worden voor een in
Nederland aanwezige kerkelijke of geestelijke hoofdstroming.
Artikel 2.43
1.Een aanwijzing geschiedt op aanvraag,
geldt voor een periode van vijf jaar die samenvalt met een
vijfjaarlijkse periode van de concessie als bedoeld in artikel 2.19,
derde lid, en vervalt van rechtswege na afloop van die periode.
2.Een aanwijzing geeft aanspraak op een
financiële bijdrage voor de verzorging van media-aanbod volgens het
bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 2.44
1.Kerkgenootschappen en genootschappen
op geestelijke grondslag tonen in hun aanvragen hun representativiteit
voor een hoofdstroming naar genoegen van het Commissariaat aan.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld over:
a. het tijdstip en de wijze van
indiening van een aanvraag;
b. de inhoud van een aanvraag; en
c. de termijn waarbinnen een
besluit op een aanvraag wordt genomen.
Artikel 2.45
1.Als meerdere aanvragers een aanvraag
indienen voor een hoofdstroming bevordert het Commissariaat voor zover
dat redelijkerwijs mogelijk is samenwerking door of samengaan van die
aanvragers.
2.Per kerkelijke of geestelijke
hoofdstroming vindt slechts één aanwijzing plaats.
Artikel 2.46
1.Het Commissariaat wijst een aanvraag
voor een aanwijzing af als de aanvrager:
a. niet voldoet aan de artikelen
2.42, tweede lid, of 2.44, eerste lid; of
b. [dit onderdeel is nog niet in
werking getreden.]
2.Het Commissariaat kan een aanvraag
afwijzen als:
a. de aanvrager niet voldoet aan de
krachtens artikel 2.44, tweede lid, gestelde eisen; of
b. aannemelijk is dat de aanvrager
zich, mede gelet op zijn handelwijze in een voorafgaande periode
waarin hij is aangewezen, niet zal houden aan het bepaalde bij of
krachtens deze wet.
Artikel 2.47
1.Het Commissariaat trekt een
aanwijzing in als een kerkgenootschap of genootschap op geestelijke
grondslag:
a. niet meer voldoet aan de eisen
voor aanwijzing; of
b. [dit onderdeel is nog niet in
werking getreden.]
2.Het Commissariaat kan een aanwijzing
intrekken als het Commissariaat aan het kerkgenootschap of genootschap
op geestelijke grondslag binnen een jaar ten minste twee maal een
bestuurlijke sanctie als bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd wegens
overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20
van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Het Commissariaat kan op verzoek van
de raad van bestuur een aanwijzing intrekken als de raad van bestuur
aan een kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag binnen
de periode waarvoor de aanwijzing geldt twee maal een sanctie als
bedoeld in artikel 2.154 is opgelegd.
Artikel 2.48
1. Onze Minister stelt jaarlijks op
advies van het Commissariaat en de NPO de totale hoeveelheid uren vast
die op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke
mediadienst beschikbaar zijn voor aangewezen kerkgenootschappen en
genootschappen op geestelijke grondslag.
2. Het Commissariaat kan in bijzondere
gevallen of voor bijzondere doelen extra uren vaststellen en
toewijzen. Deze extra uren geven geen aanspraak op een vergoeding
boven de vergoeding, bedoeld in artikel 2.153.
Artikel 2.49
1. Het Commissariaat stelt jaarlijks
voor elk van de aangewezen kerkgenootschappen en genootschappen op
geestelijke grondslag vast hoeveel uren beschikbaar zijn op de
algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst.
2. Kerkgenootschappen respectievelijk
genootschappen op geestelijke grondslag verzorgen media-aanbod dat
geheel ligt op kerkelijk respectievelijk geestelijk terrein en dat
verband houdt met de kerkelijke of geestelijke identiteit.
3. Kerkgenootschappen en genootschappen
op geestelijke grondslag kunnen de verzorging van hun media-aanbod
opdragen aan de NOS, een omroepvereniging of een door hen opgerichte
rechtspersoon.
Afdeling 2.2.5. Coördinatie en ordening
aanbodkanalen
Artikel 2.50
1.Gedurende de concessieperiode,
bedoeld in artikel 2.19, wordt op ten minste drie algemene
televisieprogrammakanalen en vijf algemene radioprogrammakanalen van
de landelijke publieke mediadienst programma-aanbod verzorgd.
2.Het programma-aanbod op de
onderscheiden algemene programmakanalen heeft een herkenbaar profiel.
Artikel 2.51
1. Op de algemene programmakanalen:
a. beschikken de omroepverenigingen
die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24hebben verkregen, per
jaar over 325 uren voor televisie en over 1500 uren voor radio,
aangevuld met een aantal uren dat wordt berekend naar rato van het
aantal leden van de omroepverenigingen overeenkomstig het tweede
lid;
b. beschikken de omroepverenigingen
die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben
verkregen, per jaar over 100 uren voor televisie en over 450 uren
voor radio;
c. beschikt de NOS per jaar over
1300 uren voor televisie en over 1500 uren voor radio;
d. beschikt de NPS per jaar over
650 uren voor televisie en over 3000 uren voor radio; en
e. beschikt de educatieve
media-instelling die een erkenning als bedoeld in artikel 2.28
heeft verkregen, per jaar over 500 uren voor televisie en over 475
uren voor radio.
2. Het aanvullend aantal uren voor
televisie en radio per omroepvereniging die een erkenning als bedoeld
in artikel 2.24 heeft verkregen, wordt vastgesteld aan de hand van de
formule (l : t) * 325 * o onderscheidenlijk (l : t) * 1500 * o,
waarbij
l = het aantal leden per
omroepvereniging die een erkenning heeft verkregen;
t = het aantal leden van alle
omroepverenigingen die een erkenning hebben verkregen; en
o = het aantal omroepverenigingen die
een erkenning hebben verkregen.
Voor de vaststelling van het aanvullend
aantal uren telt het aantal leden dat het aantal van 400 000 leden
overschrijdt, niet mee. Het aanvullend aantal uren wordt naar boven
afgerond op het naastbij gelegen gehele getal.
3. De instellingen, bedoeld in het
eerste lid, kunnen meer uren gebruiken dan de aantallen, bedoeld in
dat lid.
4. Bij algemene maatregel van bestuur
kan de verdeling van het eerste lid, onderdelen a en b, worden herzien
als het aantal omroepverenigingen daartoe aanleiding geeft.
Artikel 2.52
1.De instellingen gebruiken hun uren,
bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, geheel.
2.In overleg met de raad van bestuur
kan worden afgeweken van het eerste lid als dat voor de samenstelling
van een samenhangend, pluriform, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand
media-aanbod op de aanbodkanalen van de landelijke publieke
mediadienst wenselijk is.
Artikel 2.53
1. De raad van bestuur deelt de uren
in.
2. De raad van bestuur kan deze
indeling herzien:
a. als een erkenning of een
voorlopige erkenning wordt ingetrokken;
b. als de aan een instelling ter
beschikking staande uren worden ingetrokken of verminderd;
c. in het belang van de
coördinatie en ordening op en tussen de verschillende
programmakanalen van de programma’s;
d. op grond van omstandigheden die
niet voorzien waren ten tijde van de indeling; of
e. naar aanleiding van een verzoek
als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid, tweede volzin.
Artikel 2.54
1. Bij de indeling zorgt de raad van
bestuur er voor dat tussen 16.00 uur en 24.00 uur op de algemene
televisieprogrammakanalen en tussen 7.00 uur en 19.00 uur op de
algemene radioprogrammakanalen een evenwichtige verdeling van de uren
wordt bereikt. Indien en voor zover een of meer landelijke publieke
media-instellingen daarom verzoeken zorgt de raad van bestuur in
afwijking van de vorige volzin voor een verdeling van de uren van deze
landelijke publieke media-instellingen tussen 7.00 uur en 24.00 uur op
de algemene televisieprogrammakanalen.
2. De raad van bestuur zorgt er in het
kader van de coördinatie voor dat het media-aanbod op de
aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst past binnen de
kaders van artikel 2.1, het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel
2.20, en de profielen van de aanbodkanalen en voldoet aan de artikelen
2.115, eerste lid, 2.116 en 2.119 tot en met 2.123.
Artikel 2.55
1. De raad van bestuur bevordert dat
tussen de NPO en de landelijke publieke media-instellingen afspraken
tot stand komen over de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen
voor het media-aanbod en het publieksbereik op de aanbodkanalen en
over de wederzijdse inspanningen daarvoor.
2. De instellingen:
a. stellen het media-aanbod dat zij
ter uitvoering van hun publieke taak verzorgen ter beschikking
voor verspreiding op de aanbodkanalen; en
b. zorgen voor voldoende
gebruiksrechten op dat media-aanbod voor verspreiding, hergebruik
en ontsluiting op de aanbodkanalen.
Artikel 2.56
1. Voor de coördinatie en ordening van
het programma-aanbod op een algemeen televisieprogrammakanaal wordt de
raad van bestuur bijgestaan door een redactie die als volgt is
samengesteld:
a. de omroepverenigingen, de
educatieve media-instelling, de NOS en de NPS van wie een door de
raad van bestuur te bepalen belangrijk deel van de uren, bedoeld
in artikel 2.51, eerste lid, is ingedeeld op het desbetreffende
programmakanaal tussen de uren waarvoor een evenwichtige verdeling
is gemaakt als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid, benoemen elk
één lid; en
b. de kerkgenootschappen en
genootschappen op geestelijke grondslag van wie uren zijn
ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal benoemen
gezamenlijk één lid.
2. Voor de coördinatie en ordening van
het programma-aanbod op een radioprogrammakanaal wordt de raad van
bestuur bijgestaan door een redactie waarin de instellingen van wie
uren op het desbetreffende programmakanaal zijn ingedeeld elk één
lid benoemen.
3. Het lidmaatschap van een redactie is
onverenigbaar met het lidmaatschap van een toezichts- of
bestuursorgaan van de NPO of een landelijke publieke media-instelling.
Artikel 2.57
Een regeling voor de coördinatie en
ordening van het media-aanbod als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid,
onderdeel c, regelt in elk geval:
a. de wijze waarop de coördinatie en
ordening van het media-aanbod op en tussen de verschillende
aanbodkanalen plaatsvindt;
b. de wijze waarop de raad van
bestuur zijn bevoegdheid om het beoogde moment van verspreiding van
media-aanbod te wijzigen of media-aanbod niet te verspreiden,
gebruikt;
c. de beschikbaarheid van
budgettering voor de uren bedoeld in artikel 2.54, eerste lid; en
d. de wijze waarop de raad van
bestuur het tot stand komen van afspraken als bedoeld inartikel
2.55, eerste lid, bevordert.
Artikel 2.58
De NPO stuurt jaarlijks vóór 1 mei aan
het Commissariaat en Onze Minister een verslag over het afgelopen
kalenderjaar met daarin in elk geval:
a. een beschrijving van de wijze
waarop door de NPO en de landelijke publieke media-instellingen op
de verschillende aanbodkanalen uitvoering is gegeven aan de publieke
mediaopdracht;
b. de samenstelling van het
media-aanbod van de publieke mediadienst op de programmakanalen en
voor zover mogelijk op de overige aanbodkanalen, waaronder de uren
die besteed zijn aan media-aanbod op de terreinen genoemd in artikel
2.1, eerste lid;
c. een rapportage over de realisering
van de doelstellingen van de prestatieovereenkomst, bedoeld in
artikel 2.22;
d. de naleving van de artikelen 2.115
tot en met 2.123; en
e. de naleving van de gedragscode,
bedoeld in artikel 2.3, tweede lid.
Artikel 2.59
1. De landelijke publieke
media-instellingen verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht
van de NPO, de raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen
medewerkers van de NPO alle inlichtingen voor zover dat voor de
vervulling van de taken van de raad van toezicht en de raad van
bestuur redelijkerwijs nodig is.
2. De raad van bestuur en de door hem
daartoe aangewezen medewerkers van de NPO kunnen inzage verlangen in
zakelijke gegevens en bescheiden van de instellingen.
Artikel 2.60
1. Onverminderdartikel 2.88, eerste
lid, zijn de regelingen, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid,
onderdeel c, en de overige besluiten die de raad van bestuur of de
door hem gemandateerden nemen in de uitoefening van hun taken, bindend
voor de landelijke publieke media-instellingen, voor zover die
regelingen en besluiten hen aangaan.
2. De raad van bestuur ziet er op toe
dat de regelingen en besluiten worden nageleefd.
Titel 2.3. Regionale en lokale publieke
mediadiensten
Paragraaf 2.3.1. Aanwijzing
Artikel 2.61
1.Voor de verzorging van de publieke
mediadiensten op regionaal en lokaal niveau kan het Commissariaat
regionale respectievelijk lokale instellingen als publieke
media-instellingen aanwijzen volgens de bepalingen van deze paragraaf.
2.Voor aanwijzing komen slechts in
aanmerking instellingen die:
a. rechtspersoon naar Nederlands
recht met volledige rechtsbevoegdheid zijn;
b. zich volgens de statuten
uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stellen het op regionaal
respectievelijk lokaal niveau uitvoeren van de publieke
mediaopdracht door het verzorgen van media-aanbod dat gericht is
op de bevrediging van maatschappelijke behoeften die in een
provincie, een gemeente of een deel van de provincie waarop de
instelling zich richt leven, en het verrichten van alle
activiteiten die nodig zijn om daarmee een publieke taak te
vervullen; en
c. volgens de statuten een orgaan
hebben dat het beleid voor het media-aanbod bepaalt en dat
representatief is voor de belangrijkste in de desbetreffende
provincie of gemeente voorkomende maatschappelijke, culturele,
godsdienstige en geestelijke stromingen.
Artikel 2.62
1.Aanwijzing geschiedt nadat
Provinciale Staten hebben dan wel de gemeenteraad heeft geadviseerd
over de vraag of de instelling aan de eisen, bedoeld inartikel 2.61,
tweede lid, voldoet.
2.Een regionale publieke
media-instelling wordt alleen aangewezen als Provinciale Staten zich
bereid verklaren voor de bekostiging ervan zorg te dragen.
Artikel 2.63
1.Als meer dan één lokale instelling
in een gemeente aan de eisen, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid,
voldoet, bevordert het College van Burgemeester en Wethouders voor
zover dat redelijkerwijs mogelijk is het samengaan van die
instellingen.
2.Er kan per gemeente slechts één
lokale publieke media-instelling worden aangewezen, waarbij het
Commissariaat acht slaat op alle factoren die voor het functioneren
van de instelling van belang kunnen zijn.
Artikel 2.64
1.Een instelling die de publieke
mediaopdracht wil uitvoeren voor meer dan één provincie of gemeente,
wordt alleen dan voor dat gebied aangewezen, als Provinciale Staten of
de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten het in
artikel 2.62, eerste lid, bedoelde advies gezamenlijk hebben
uitgebracht.
2.Het Commissariaat stelt Provinciale
Staten en de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of
gemeenten in kennis van een aanvraag van een instelling als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 2.65
1.Een aanwijzing geschiedt op aanvraag,
geldt voor vijf jaar en vervalt van rechtswege na afloop van deze
periode.
2.Zonodig wijst het Commissariaat de
dagen waarop en de uren waarin programma-aanbod van regionale en
lokale mediadiensten wordt uitgezonden op de voor de regionale dan wel
lokale publieke mediadiensten beschikbare ruimte op een omroepzender.
3.[Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
Artikel 2.66
1.Provinciale Staten brengen dan wel de
gemeenteraad brengt tijdens de aanwijzingsperiode ten minste eenmaal
aan het Commissariaat advies uit over de vraag of een aangewezen
regionale of lokale publieke media-instelling naar hun of zijn mening
nog voldoet aan de eisen vanartikel 2.61, tweede lid.
2.Als tijdens de aanwijzingsperiode bij
het Commissariaat ernstige twijfel bestaat of de regionale of lokale
publieke media-instelling nog aan de eisen van artikel 2.61, tweede
lid, voldoet, kan hij een tussentijds advies vragen.
Artikel 2.67
1.Het Commissariaat trekt een
aanwijzing in als de desbetreffende regionale of lokale publieke
media-instelling:
a. niet meer voldoet aan de eisen
van artikel 2.61, tweede lid; of
b. [dit onderdeel is nog niet in
werking getreden.]
2.Het Commissariaat trekt de aanwijzing
van een regionale of lokale publieke media-instelling die niet meer
voldoet aan artikel 2.61, tweede lid, onderdelen b of c, pas in nadat
de desbetreffende media-instelling gedurende vier maanden, gerekend
van de dag waarop het desbetreffende feit is geconstateerd, in de
gelegenheid is gesteld opnieuw aan dit vereiste te voldoen en zij
daarin niet is geslaagd.
Artikel 2.68
1.Een aanwijzing kan door het
Commissariaat worden ingetrokken als:
a. de regionale of lokale publieke
media-instelling in een periode van een jaar geen media-aanbod dat
voldoet aan de eisen van deze wet heeft verzorgd en dat aanbod
gedurende een ononderbroken periode van ten minste twee maanden is
verspreid; of
b. het Commissariaat aan de
regionale of lokale publieke media-instelling binnen een periode
van een jaar ten minste twee maal een bestuurlijke sanctie als
bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd voor overtreding van het
bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht.
2.Het Commissariaat beslist pas over
intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel a, nadat hij
Gedeputeerde Staten, respectievelijk het College van Burgemeester en
Wethouders van de desbetreffende provincie of gemeente in de
gelegenheid heeft gesteld binnen een door het Commissariaat te stellen
redelijke termijn hun zienswijze te geven.
3.Het uitblijven van een zienswijze
binnen de gestelde termijn staat aan het nemen van een beslissing door
het Commissariaat niet in de weg.
Artikel 2.69
Bij ministeriële regeling kunnen nadere
regels worden gesteld over:
a. de wijze waarop aanvragen voor een
aanwijzing worden ingediend;
b. de termijn waarbinnen beslissingen
op de aanvragen worden genomen;
c. de termijn waarop adviezen als
bedoeld in artikel 2.62, eerste lid, worden uitgebracht; en
d. de termijn waarop beslissingen
over aanwijzing of intrekking van een aanwijzing in werking treden.
Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod
Artikel 2.70
Het programma-aanbod van de regionale en
lokale publieke mediadienst bestaat per programmakanaal:
a. voor ten minste vijftig procent
van de duur uit aanbod van informatieve, culturele en educatieve
aard dat in het bijzonder betrekking heeft op de provincie
respectievelijk gemeente waarvoor het aanbod bestemd is; en
b. voor ten minste uit een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage aanbod als
bedoeld in onderdeel a dat door de regionale respectievelijk lokale
publieke media-instelling zelf of uitsluitend in haar opdracht is
geproduceerd.
Artikel 2.71
1.Een lokale publieke media-instelling
kan met de regionale publieke media-instelling in wier
verzorgingsgebied zij werkzaam is een samenwerkingsovereenkomst
sluiten.
2.De overeenkomst wordt overgelegd aan
het Commissariaat.
3.Bij een samenwerkingsovereenkomst
voor de verzorging van programma-aanbod kan in afwijking van artikel
2.70 het programma-aanbod van de lokale publieke mediadienst:
a. voor ten minste vijftig procent
van de duur bestaan uit aanbod dat in het bijzonder betrekking
heeft op de gemeente waarvoor het programma-aanbod bestemd is, of
op de provincie waarbinnen die gemeente ligt; en
b. voor ten minste het percentage,
bedoeld in artikel 2.70, onderdeel b, bestaan uit aanbod dat:
1°. geproduceerd is door de
lokale publieke media-instelling zelf;
2°. geproduceerd is door de
regionale publieke media-instelling waarmee zij de
samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten; of
3°. uitsluitend in opdracht
van een van hen of van hen beiden, is geproduceerd.
4.Bij algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald:
a. dat een gedeelte van het aanbod,
bedoeld in het derde lid, onderdeel a, in het bijzonder betrekking
heeft op de gemeente waarvoor het programma-aanbod is bestemd; en
b. dat een gedeelte van het aanbod,
bedoeld in het derde lid, onderdeel b, door de lokale publieke
media-instelling zelf of uitsluitend in haar opdracht is
geproduceerd.
Titel 2.4. Wereldomroep
Paragraaf 2.4.1. Taken
Artikel 2.72
De taak van de Stichting Radio Nederland
Wereldomroep is het uitvoeren van de publieke mediaopdracht, bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, door:
a. het informeren van
Nederlandstaligen in het buitenland;
b. het voorzien in onafhankelijke
informatie in landen met een informatieachterstand;
c. het verspreiden van een
realistisch beeld van Nederland in het buitenland; en
d. het verrichten van alle
activiteiten die daarvoor nodig of ondersteunend zijn, waaronder het
oprichten van of deelnemen in organisaties en rechtspersonen.
Paragraaf 2.4.2. Organisatie
Artikel 2.73
De organen van de Wereldomroep zijn een
raad van toezicht, een directie en een adviesraad.
Artikel 2.74
1.De raad van toezicht bestaat uit
zeven leden die door Onze Minister worden benoemd, geschorst en
ontslagen.
2.Onze Minister wijst uit de leden de
voorzitter aan.
3.Benoeming geschiedt voor vier jaar en
herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.
Artikel 2.75
1. Het lidmaatschap van de raad van
toezicht is onverenigbaar met:
a. het lidmaatschap van de
adviesraad;
b. het lidmaatschap van de
directie;
c. het lidmaatschap van een orgaan
van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;
d. het lidmaatschap van een van
beide Kamers der Staten-Generaal;
e. een dienstbetrekking bij een
ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder
de verantwoordelijkheid van een minister; en
f. het hebben van financiële of
andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van
nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de
handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van
het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.
2. Schorsing en ontslag zijn mogelijk
wegens:
a. ongeschiktheid;
b. disfunctioneren; en
c. onverenigbaarheid als bedoeld in
het eerste lid.
3. Ontslag is verder mogelijk op eigen
verzoek.
4. De leden van de raad van toezicht
ontvangen van de Wereldomroep een door Onze Minister vast te stellen
vergoeding.
Artikel 2.76
1.De raad van toezicht houdt toezicht
op het beleid van de directie en op de algemene gang van zaken binnen
de Wereldomroep en staat de directie met advies terzijde.
2.Bij de vervulling van hun taak
richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene
belang van de Wereldomroep.
Artikel 2.77
1. De directie van de Wereldomroep
bestaat uit ten hoogste drie leden die worden benoemd, geschorst en
ontslagen door de raad van toezicht.
2. Besluiten tot benoeming, schorsing
en ontslag behoeven de instemming van Onze Minister.
3. Artikel 2.75, eerste lid, onderdelen
a en c tot en met f, is van overeenkomstige toepassing op het
lidmaatschap van de directie.
4. De directieleden zijn in dienst van
de Wereldomroep. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden
vast.
Artikel 2.78
1.De directie bestuurt de Wereldomroep.
2.De directie is belast met de
dagelijkse leiding en het financiële beheer van de Wereldomroep.
3.De directie is verder belast met
datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de
raad van toezicht behoort.
Artikel 2.79
De werkwijze van de raad van toezicht en
de directie wordt geregeld in de statuten en reglementen van de
Wereldomroep.
Artikel 2.80
1.De adviesraad van de Wereldomroep
adviseert de raad van toezicht en de directie over de inhoud van het
media-aanbod van de Wereldomroep.
2.De leden van de adviesraad worden
door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Benoeming
geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode
is eenmaal mogelijk.
3.De adviesraad regelt, met instemming
van de raad van toezicht, zijn eigen werkwijze.
Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag
en statuten
Artikel 2.81
1.De Wereldomroep is voor het gevoerde
en te voeren beleid verantwoording verschuldigd aan Onze Minister.
2.De Wereldomroep verstrekt Onze
Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de
werkzaamheden van de Wereldomroep.
3.Onze Minister kan inzage verlangen in
zakelijke gegevens en bescheiden van de Wereldomroep voor zover dat
voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 2.82
1.De Wereldomroep stelt jaarlijks
vóór 1 juni een jaarverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.
2.In het jaarverslag wordt aandacht
besteed aan de werkzaamheden van de Wereldomroep, het gevoerde beleid
in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de
werkzaamheden in het bijzonder.
3.De Wereldomroep zendt het jaarverslag
aan Onze Minister en maakt het openbaar.
Artikel 2.83
1.Wijzigingen in de statuten van de
Wereldomroep behoeven de instemming van Onze Minister.
2.De raad van toezicht en de directie
kunnen niet besluiten tot ontbinding van de Wereldomroep.
Paragraaf 2.4.4. Beleidsplan en
prestatieovereenkomst
Artikel 2.84
1.De Wereldomroep dient elke vijf jaar
een beleidsplan voor de komende vijf jaar in bij Onze Minister.
2.Het beleidsplan bevat in elk geval:
a. een beschrijving van de wijze
waarop de Wereldomroep in de komende vijf jaar uitvoering geeft
aan zijn taken, tevens uitgewerkt in kwantitatieve en kwalitatieve
doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de
Wereldomroep;
b. aard en aantal van de te
gebruiken aanbodkanalen;
c. een overzicht van de
activiteiten in binnen- en buitenland;
d. een overzicht van de naar
verwachting benodigde organisatorische, personele, materiële en
financiële middelen; en
e. een beschrijving van de
samenwerking met de landelijke, regionale en lokale publieke
media-instellingen en anderen.
3.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels gesteld worden over de inrichting van het beleidsplan en
het tijdstip van indiening.
4.De Wereldomroep maakt het beleidsplan
openbaar.
Artikel 2.85
1.Onze Minister vraagt de Raad voor
cultuur en het Commissariaat binnen een door hem te stellen termijn te
adviseren over het beleidsplan.
2.Het beleidsplan behoeft de instemming
van Onze Minister voor zover het betreft de onderwerpen, genoemd in
artikel 2.84, tweede lid, onderdelen b en c.
3.Als de Wereldomroep wijzigingen wil
aanbrengen in de door Onze Minister goedgekeurde voorstellen, neemt
hij die op in de begroting. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.86
1. Mede op basis van het beleidsplan
sluiten Onze Minister en de Wereldomroep een prestatieovereenkomst
voor de duur van het beleidsplan.
2. De prestatieovereenkomst bevat
afspraken over:
a. kwalitatieve en kwantitatieve
doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de
Wereldomroep;
b. maatregelen bij niet naleving,
voor zover mogelijk en binnen het bepaalde bij of krachtens deze
wet; en
c. tussentijdse wijziging in
verband met veranderende inzichten of omstandigheden.
3. De prestatieovereenkomst heeft geen
betrekking op de inhoud van het media-aanbod van de Wereldomroep.
Paragraaf 2.4.5. Media-aanbod
Artikel 2.87
1. De Wereldomroep verzorgt de
televisieprogramma’s voor Nederlandstaligen in het buitenland in
samenwerking met de NOS.
2. Ten behoeve van de verzorging van
radioprogramma’s voor Nederlandstaligen in het buitenland door de
Wereldomroep vindt samenwerking met de NOS plaats.
Titel 2.5. Nadere voorschriften
media-aanbod publieke mediadiensten
Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en
verplichtingen
Artikel 2.88
1.De publieke media-instellingen
bepalen, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze wet, vorm en
inhoud van het door hen verzorgde media-aanbod en zijn daar
verantwoordelijk voor.
2.De publieke media-instellingen, met
uitzondering van de kerkgenootschappen en genootschappen op
geestelijke grondslag, brengen in overeenstemming met hun werknemers
die zijn belast met de verzorging en samenstelling van het
media-aanbod een redactiestatuut tot stand.
3.Het redactiestatuut bevat de
journalistieke rechten en plichten van de werknemers, waaronder in elk
geval:
a. waarborgen dat normen inzake
journalistieke deontologie en kwaliteit worden gehanteerd; en
b. waarborgen voor redactionele
onafhankelijkheid ten opzichte van adverteerders, sponsors en
anderen die bijdragen hebben verstrekt voor de totstandkoming van
media-aanbod.
Artikel 2.88a
1. Reclame-en telewinkelboodschappen en
gesponsord media-aanbod zijn als zodanig herkenbaar.
2. In reclame- en
telewinkelboodschappen en gesponsord media-aanbod worden geen
subliminale technieken gebruikt.
3. Het media-aanbod bevat geen:
a. sluikreclame; of
b. productplaatsing.
Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen
Paragraaf 2.5.2.1. Algemene bepalingen
Artikel 2.89
1. Tenzij dit bij of krachtens deze wet
is toegestaan, bevat het media-aanbod van de publieke mediadiensten
geen:
a. reclame- of
telewinkelboodschappen; en
b. vermijdbare andere uitingen die
onmiskenbaar tot gevolg hebben dat de afname van producten of
diensten wordt bevorderd.
2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen vermijdbare uitingen
zijn toegestaan en wanneer uitingen onvermijdbaar zijn.
Artikel 2.90
Behoudens toestemming van het
Commissariaat bevat het media-aanbod van de publieke mediadiensten geen
oproepen in het kader van ledenwerving, andere verenigingsactiviteiten
of nevenactiviteiten.
Artikel 2.91
1.In het media-aanbod van de publieke
mediadiensten mogen reclame- en telewinkelboodschappen die zijn
aangeboden door derden worden opgenomen.
2.Reclame- en telewinkelboodschappen,
inclusief omlijsting daarvan, in het media-aanbod van de landelijke
publieke mediadienst en de Wereldomroep worden uitsluitend verzorgd
door de Ster.
3.De Ster kan op verzoek van regionale
en lokale publieke media-instellingen reclame- en
telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting daarvan, verzorgen die
worden opgenomen in het media-aanbod van die instellingen.
Artikel 2.92
1.De Ster en de regionale en lokale
publieke media-instellingen die reclame- of telewinkelboodschappen in
het media-aanbod opnemen, zijn aangesloten bij de Nederlandse Reclame
Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand
gebrachte regeling en ter zake onderworpen aan het toezicht van de
Stichting Reclame Code.
2.Aansluiting wordt aangetoond door een
schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code aan het
Commissariaat over te leggen.
Artikel 2.93
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop inzicht wordt
gegeven in de financiën die betrekking hebben op de verzorging van
reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod van de regionale
en lokale publieke mediadiensten.
Paragraaf 2.5.2.2. Specifieke
voorschriften
Artikel 2.94
1. Reclame-en telewinkelboodschappen
zijn door akoestische of visuele middelen duidelijk onderscheiden van
de overige inhoud van het programma-aanbod.
2. Het programma-aanbod bevat geen
reclame- en telewinkelboodschappen voor:
a. medische behandelingen; en
b. alcoholhoudende dranken tussen
06.00 uur en 21.00 uur.
Artikel 2.95
1.Het aandeel reclame- en
telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting, in het programma-aanbod
bedraagt:
a. per programmakanaal niet meer
dan een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
percentage van de totale duur van het programma-aanbod op het
programmakanaal per jaar, welk percentage niet meer bedraagt dan
tien en voor radio- en televisieprogramma-aanbod kan verschillen;
b. per programmakanaal niet meer
dan vijftien procent van de totale duur van het programma-aanbod
op het programmakanaal per dag; en
c. per uur niet meer dan twaalf
minuten.
2.Ten hoogste een derde van de tijd die
wordt gebruikt voor reclame- of telewinkelboodschappen in het
programma-aanbod wordt gebruikt voor omlijsting.
Artikel 2.96
1. Reclame-en telewinkelboodschappen in
het programma-aanbod worden zodanig geplaatst dat zij:
a. zijn opgenomen in blokken, welke
blokken voor televisieprogramma-aanbod inclusief omlijsting ten
minste één minuut duren;
b. op zondagen niet direct vooraf
gaan aan of direct aansluiten op programma’s van kerkelijke of
geestelijke aard, tenzij de instelling die voor de inhoud van
zodanig programma verantwoordelijk is daartegen geen bezwaar heeft
gemaakt; en
c. niet in programma’s worden
opgenomen, behoudens het bepaalde in artikel 2.97.
2. Telewinkelboodschappen in het
programma-aanbod duren elk ten hoogste één minuut en een blok als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat voor ten hoogste
tweederde van de duur uit telewinkelboodschappen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels gesteld worden over de plaatsing van reclame- en
telewinkelboodschappen in en rond programma-aanbod dat in het
bijzonder bestemd is voor kinderen jonger dan twaalf jaar.
Artikel 2.97
1. In programma’s worden alleen
reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen als:
a. het desbetreffende programma
langer duurt dan anderhalf uur voor televisie, dan wel drie
kwartier voor radio;
b. het desbetreffende programma
bestaat uit het volledige verslag of de volledige weergave van een
evenement;
c. zij worden opgenomen tijdens de
in het evenement voorkomende gebruikelijke pauzes of tussen de in
het evenement voorkomende zelfstandige onderdelen in blokken die
ten minste een minuut duren;
d. de instelling die
verantwoordelijk is voor de inhoud van het desbetreffende
daartegen geen bezwaar heeft gemaakt op grond van afbreuk aan de
integriteit, het karakter of de samenhang van het programma; en
e. dit geen afbreuk doet aan de
rechten van rechthebbenden.
2. In programma’s van kerkelijke of
geestelijke aard en in programma’s die in het bijzonder bestemd zijn
voor kinderen jonger dan twaalf jaar worden geen reclame- of
telewinkelboodschappen opgenomen.
Artikel 2.98
Deartikelen 2.94 tot en met 2.97 zijn zo
veel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het overige media-aanbod
van de publieke mediadiensten. Voor artikel 2.96, eerste lid, onderdeel
a, geldt de vorige volzin uitsluitend voor het overige media-aanbod met
beeldinhoud, al dan niet mede met geluidsinhoud.
Paragraaf 2.5.2.3. Stichting Etherreclame
Artikel 2.99
De Stichting Etherreclame heeft tot taak
het verzorgen van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst
en, op verzoek, voor de regionale en lokale publieke mediadiensten dat
bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door
derden, inclusief omlijsting daarvan.
Artikel 2.100
1. Het bestuur van de Ster bestaat uit
vijf leden die door Onze Minister worden benoemd, geschorst en
ontslagen.
2. Drie van de leden worden benoemd op
voordracht van de NPO.
3. Onze Minister wijst uit de leden de
voorzitter aan en kan twee waarnemers met raadgevende stem in het
bestuur aanwijzen.
Artikel 2.101
1.Benoeming van de leden van het
bestuur van de Ster geschiedt voor een periode van vijf jaar en
herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.
2.Schorsing en ontslag zijn mogelijk
wegens:
a. ongeschiktheid;
b. disfunctioneren; en
c. het hebben van financiële of
andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van
nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de
handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van
het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.
3.Ontslag is verder mogelijk op eigen
verzoek.
Artikel 2.102
1.De Ster verstrekt Onze Minister
desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van
de Ster.
2.Onze Minister kan inzage verlangen in
zakelijke gegevens en bescheiden van de Ster voor zover dat voor de
vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 2.103
1.De Ster stelt jaarlijks vóór 1 juni
een jaarverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.
2.In het jaarverslag wordt aandacht
besteed aan de werkzaamheden van de Ster, het gevoerde beleid in het
algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in
het bijzonder.
3.De Ster zendt het verslag aan Onze
Minister en maakt het openbaar.
Artikel 2.104
1.Wijzigingen in de statuten van de
Ster behoeven de instemming van Onze Minister.
2.Het bestuur kan niet besluiten tot
ontbinding van de Ster.
Paragraaf 2.5.2.4. Inkomsten uit reclame
en telewinkelen
Artikel 2.105
1. De Ster doet jaarlijks vóór 1
augustus aan Onze Minister opgave van de verwachte inkomsten uit de
reclame- en telewinkelboodschappen van de landelijke publieke
mediadienst en de Wereldomroep in het lopende en in het volgende
kalenderjaar.
2. De Ster zendt een afschrift van deze
opgaven ter kennisneming aan het Commissariaat, de NPO en de
Wereldomroep.
3. De inkomsten die de Ster verwerft
uit de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen voor de
landelijke publieke mediadienst stelt zij na aftrek van de door Onze
Minister goedgekeurde uitgaven ter beschikking van Onze Minister.
Afdeling 2.5.3. Sponsoring
Artikel 2.106
1.Media-aanbod van de publieke
mediadiensten wordt niet gesponsord.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
op media-aanbod:
a. van culturele aard;
b. van educatieve aard;
c. bestaande uit het verslag of de
weergave van een of meer sportevenementen of sportwedstrijden; en
d. bestaande uit het verslag of de
weergave van evenementen ten behoeve van ideële doelen.
3.Media-aanbod als bedoeld in het
tweede lid wordt niet gesponsord als het:
a. geheel of gedeeltelijk bestaat
uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie; of
b. in het bijzonder is bestemd voor
kinderen jonger dan twaalf jaar.
Artikel 2.107
1. Bij gesponsord media-aanbod wordt
ter informatie van het publiek duidelijk vermeld dat en door wie het
media-aanbod is gesponsord.
2. De vermelding geschiedt door
neutrale vermelding of vertoning van naam, (beeld)merk of ander
onderscheidend teken van de sponsor.
3. Bij een gesponsord programma vindt
de vermelding plaats aan het begin of het einde van het programma en
kan de vermelding daarnaast plaatsvinden aan het begin of het einde
van een reclameblok dat in het programma is opgenomen.
4. Ten aanzien van de vermelding geldt
dat zij:
a. ten hoogste vijf seconden duurt;
b. voor zover deze niet plaatsvindt
op de aan- of aftiteling, uitsluitend uit stilstaande beelden
bestaat; en
c. niet beeldvullend is.
5. Het derde en vierde lid zijn zo veel
mogelijk van overeenkomstige toepassing op het overige media-aanbod
van de publieke mediadiensten.
Artikel 2.108
1. In gesponsord media-aanbod mogen
producten of diensten van een sponsor worden vermeld of getoond,
behalve als deze een bijdrage in geld heeft gegeven en onverminderd
artikel 2.88a, derde lid, aanhef en onderdeel b.
2. Het Commissariaat kan toestemming
verlenen voor het vermelden of vertonen van de naam, het (beeld)merk,
producten of diensten van sponsors in de titel van gesponsord
media-aanbod, mits het publiek niet rechtstreeks door middel van
specifieke aanprijzingen wordt aangespoord tot het kopen of huren van
producten of afname van diensten van de sponsors.
3. Het Commissariaat kan aan het
verlenen van toestemming voorschriften verbinden.
Artikel 2.109
Sponsorbijdragen worden rechtstreeks van
de sponsors en door middel van een schriftelijke overeenkomst bedongen
of aanvaard.
Artikel 2.110
De landelijke publieke media-instellingen
sturen een afschrift van een sponsorovereenkomst aan de raad van
bestuur:
a. binnen één week na het tot stand
komen daarvan; of
b. als het media-aanbod eerder wordt
verspreid naar het publiek, vóór laatstgenoemd moment.
Artikel 2.111
1.Als de raad van bestuur binnen twee
weken na ontvangst van het afschrift van de sponsorovereenkomst, of in
het geval van artikel 2.110, onderdeel b, vóór de beoogde datum van
verspreiding, schriftelijk heeft meegedeeld dat de sponsorovereenkomst
in strijd is met het gemeenschappelijke belang van de landelijke
publieke mediadienst, wordt het media-aanbod waarop de overeenkomst
betrekking heeft niet verspreid, tenzij de overeenkomst wordt
ontbonden of gewijzigd.
2.In het geval de raad van bestuur
aanvullende informatie verlangt, moet voor de toepassing van het
eerste lid de schriftelijke mededeling zijn gegeven binnen twee weken
nadat de aanvullende informatie is ontvangen.
Artikel 2.112
Deartikelen 2.110 en 2.111 zijn van
overeenkomstige toepassing op de wijziging van een sponsorovereenkomst.
Artikel 2.113
De publieke media-instellingen brengen
jaarlijks via de jaarrekening verslag uit over de inkomsten uit
sponsorbijdragen, het gesponsorde media-aanbod en de hoedanigheid van de
sponsors, gespecificeerd per onderdeel van het media-aanbod.
Artikel 2.114
1. Als een gesponsord programma uit het
buitenland is aangekocht en daar als programma naar het publiek is
verspreid, zijn de artikelen 2.106 tot en met 2.113 van toepassing
voor zover sponsorbijdragen worden gegeven voor de aankoop van het
programma.
2. Deartikelen 2.107 tot en met 2.113
zijn van overeenkomstige toepassing als een andere instelling dan
bedoeld in de begripsomschrijving van sponsoring in artikel 1.1 een
bijdrage heeft gegeven voor de productie of aankoop van media-aanbod
om de verspreiding daarvan te bevorderen of mogelijk te maken.
Afdeling 2.5.4. Europese producties,
onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en
films
Paragraaf 2.5.4.1. Europese en
onafhankelijke producties
Artikel 2.115
1. Op elk televisieprogrammakanaal van
de landelijke en regionale publieke mediadienst bestaat het
programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de duur uit
Europese producties in de zin van artikel 1 van de Europese richtlijn.
2. Het televisieprogramma-aanbod van de
Wereldomroep bestaat voor ten minste vijftig procent uit producties
als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.116
1. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld hoeveel procent van het totaal van de budgetten,
bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, met uitzondering van onderdeel
g, en de gelden die op grond van artikel 2.158 ter beschikking zijn
gesteld voor het verzorgen van media-aanbod, wordt besteed aan
Europese producties als bedoeld in artikel 6 van de Europese richtlijn
die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie. Het
percentage, bedoeld in de vorige volzin, wordt vastgesteld op ten
minste tien en ten hoogste twintig procent.
2. Op elk van de
televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst
bestaat het programma-aanbod uit ten minste tien procent van de duur
uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden
aangemerkt als onafhankelijke productie.
Artikel 2.117
Op elk van de televisieprogrammakanalen
van de regionale publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor
ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in
artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie.
Artikel 2.118
Het televisieprogramma-aanbod van de
Wereldomroep bestaat voor ten minste tien procent uit producties als
bedoeld inartikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke
productie.
Artikel 2.119
Ten minste een derde deel van de
programma’s, bedoeld in de artikelen 2.116 tot en met 2.118, is niet
ouder dan vijf jaar.
Artikel 2.120
1. Als onafhankelijke productie wordt
aangemerkt media-aanbod dat niet geproduceerd is door:
a. een publieke media-instelling;
b. een commerciële
media-instelling;
c. een buitenlandse
omroepinstelling;
d. een rechtspersoon waarin een
instelling als bedoeld in de onderdelen a tot en met c, al dan
niet door middel van een of meer dochtermaatschappijen, een belang
van meer dan vijfentwintig procent heeft;
e. een rechtspersoon waarin twee of
meer instellingen als bedoeld in de onderdelen a tot en met c, al
dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene
dochtermaatschappijen, samen een belang van meer dan vijftig
procent hebben; of
f. een vennootschap waarin een
instelling als bedoeld in de onderdelen a tot en met c, dan wel
een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig
jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur:
a. kunnen nadere regels worden
gesteld over de toepassing van het eerste lid en de artikelen
2.116 tot en met 2.119; en
b. kan worden bepaald dat in andere
dan de in het eerste lid bedoelde gevallen media-aanbod wordt
aangemerkt als onafhankelijke productie.
Artikel 2.121
Voor de toepassing van de artikelen 2.116
tot en met 2.120 blijft buiten beschouwing media-aanbod:
a. dat bestaat uit nieuws;
b. dat betrekking heeft op sport;
c. dat het karakter van een spel
heeft, met uitzondering van media-aanbod van culturele of educatieve
aard dat mede het karakter van een spel heeft;
d. dat bestaat uit reclame- en
telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting, en zelfpromotie;
e. van kerkgenootschappen en
genootschappen op geestelijke grondslag, politieke partijen en de
overheid; en
f. dat bestaat uit teletekst.
Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands-en
Friestalige producties
Artikel 2.122
1.Op elk televisieprogrammakanaal van
de landelijke en regionale publieke mediadienst bestaat het
programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de duur uit
oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige producties.
2.Voor de toepassing van het eerste lid
blijft buiten beschouwing:
a. programma-aanbod dat bestaat uit
reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting; en
b. programma-aanbod van
kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag,
politieke partijen en de overheid.
3.Het Commissariaat kan in bijzondere
gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.
Artikel 2.123
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld over de ondertiteling van
televisieprogramma-aanbod, waarbij onder meer kan worden bepaald welk
percentage van het televisieprogramma-aanbod van de landelijke publieke
mediadienst bestaat uit producties als bedoeld in artikel 2.122, eerste
lid, die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van personen met
een auditieve beperking.
Paragraaf 2.5.4.3. Films
Artikel 2.124
In het media-aanbod van de publieke
mediadiensten worden geen films opgenomen buiten de met de
rechthebbenden overeengekomen periodes.
Afdeling 2.5.5. Stichting
Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties
Paragraaf 2.5.5.1. Taak
Artikel 2.125
De stichting Stimuleringsfonds
Nederlandse culturele mediaproducties heeft tot taak:
a. het verstrekken van financiële
bijdragen voor de ontwikkeling en vervaardiging van media-aanbod van
bijzondere Nederlandse culturele aard ten behoeve van de landelijke
en regionale publieke media-instellingen en de Wereldomroep; en
b. het verstrekken van financiële
bijdragen aan landelijke en regionale publieke media-instellingen en
de Wereldomroep ter bevordering van de samenwerking met instellingen
op het terrein van de cultuur.
Artikel 2.126
1.In deze afdeling wordt verstaan
onder: stichting: stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele
mediaproducties.
2.Op de stichting is de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen van toepassing met uitzondering van
artikel 22.
Paragraaf 2.5.5.2. Organisatie
Artikel 2.127
1.De stichting heeft een bestuur dat
bestaat uit zeven leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen
door Onze Minister.
2.Twee leden worden benoemd uit de
kring van de publieke mediadiensten en twee leden uit de kring van de
film- en podiumkunsten. Onze Minister wijst uit de andere leden de
voorzitter aan.
3.Schorsing en ontslag zijn mogelijk
wegens:
a. ongeschiktheid;
b. disfunctioneren; en
c. het hebben van financiële of
andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van
nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de
handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van
het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.
4.Ontslag is verder mogelijk op eigen
verzoek.
Paragraaf 2.5.5.3. Begroting en
jaarrekening
Artikel 2.128
Onverminderd de artikelen 27 en 28 van de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bevat de begroting van de
stichting:
a. het beleid en een toelichting op
de begrotingsposten voor de ontwikkeling en vervaardiging van
media-aanbod ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst en
de Wereldomroep;
b. het beleid en een toelichting op
de begrotingsposten voor de ontwikkeling en vervaardiging van
media-aanbod ten behoeve van de regionale publieke mediadienst; en
c. het beleid en een toelichting op
de begrotingsposten voor de samenwerking, bedoeld in artikel 2.125,
onderdeel b.
Artikel 2.129
1.Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek is van toepassing op de jaarrekening van de stichting, met
dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door
een exploitatierekening. Op deze rekening zijn de bepalingen omtrent
de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige
toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn zoveel mogelijk
van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.
2.Het boekjaar is gelijk aan het
kalenderjaar.
Artikel 2.130
1.Op basis van de goedgekeurde
begroting ontvangt de stichting jaarlijks uit de gelden, bedoeld in
artikel 2.146, aanhef, van Onze Minister een bijdrage voor de kosten
van de uitvoering van haar taak.
2.De bijdrage bedraagt ten minste een
zestiende deel van de afgedragen inkomsten van de Ster van het
desbetreffende jaar.
Paragraaf 2.5.5.4. Statuten en ontbinding
Artikel 2.131
1.Wijzigingen in de statuten van de
stichting behoeven de instemming van Onze Minister.
2.Het bestuur van de stichting kan niet
besluiten tot ontbinding van de stichting.
Afdeling 2.5.6. Nevenactiviteiten en
overige bepalingen
Artikel 2.132
1. De NPO en de publieke
media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het
Commissariaat nevenactiviteiten verrichten.
2. Nevenactiviteiten zijn activiteiten,
directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder
begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste
staan van de uitvoering van de publieke media-opdracht, met
uitzondering van verenigingsactiviteiten.
3. Toestemming kan alleen worden
gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat
van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct
gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke omroep, op
marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is.
Artikel 2.133
Op overeenkomsten ter zake van
nevenactiviteiten die er toe strekken om rechten op en de bekendheid van
media-aanbod dat voor de landelijke publieke mediadienst is verzorgd of
daaraan verbonden namen en merken buiten de publieke mediadienst te
exploiteren, zijn de artikelen 2.110 tot en met 2.112 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn, bedoeld
in artikel 2.111, eerste en tweede lid, twee maanden is.
Artikel 2.134
1. In het kader van nevenactiviteiten
kunnen de NPO en de publieke media-instellingen rechtspersonen of
samenwerkingsverbanden oprichten of daarin deelnemen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld over het verrichten van
nevenactiviteiten.
3. De instellingen die
nevenactiviteiten willen verrichten, tonen desgevraagd ten genoegen
van het Commissariaat aan dat de nevenactiviteiten voldoen aan het
bepaalde bij of krachtens artikel 2.132 en dit artikel.
Artikel 2.135
1. Tenzij bij of krachtens deze wet
anders is bepaald, gebruiken de NPO en de publieke media-instellingen
al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht.
2. Het eerste lid en de artikelen 2.132
en 2.134 zijn niet van toepassing op kerkgenootschappen en
genootschappen op geestelijke grondslag.
Artikel 2.136
1. Omroepverenigingen die een erkenning
of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben
verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en
verenigingsactiviteiten en, tot ten hoogste een bij algemene maatregel
van bestuur te bepalen bedrag en volgens bij algemene maatregel van
bestuur te stellen nadere regels uit programmabladen gebruiken voor
verenigingsactiviteiten.
2. Verenigingsactiviteiten zijn
activiteiten die:
a. redelijkerwijs nodig zijn voor
het goed functioneren van de vereniging en haar organen; of
b. die gebruikelijk zijn in een
actief functionerende vereniging om de band met en tussen de leden
te versterken.
Artikel 2.137
1.Het Commissariaat stelt regels over
het verstrekken van op geld waardeerbare voordelen aan leden en over
activiteiten in het kader van ledenwerving.
2.De regels behoeven de goedkeuring van
Onze Minister.
Artikel 2.138
1.Als een omroepvereniging voornemens
is na afloop van de periode waarvoor een erkenning of een voorlopige
erkenning is verleend een commerciële omroepdienst te verzorgen of
een belang te verwerven in een commerciële media-instelling, meldt
zij dit aan het Commissariaat.
2.Na de melding kan de omroepvereniging
in het laatste jaar van de erkenningperiode activiteiten verrichten
die noodzakelijk zijn om te zorgen dat zij of de rechtspersoon waarin
zij een belang verwerft na afloop van de erkenningperiode een
commerciële omroepdienst kan verzorgen.
3.Tijdens de periode dat een
omroepvereniging activiteiten als bedoeld in het tweede lid verricht,
is artikel 2.33, eerste lid, niet van toepassing en wordt zij
beschouwd als omroepvereniging.
Artikel 2.138a
1. Wanneer een omroepvereniging
uitvoering geeft aan het voornemen, bedoeld inartikel 2.138, eerste
lid, draagt zij zo spoedig mogelijk na afloop van de periode waarvoor
een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24,
is verleend, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De
eindafrekening gaat vergezeld van een verklaring van een accountant
als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek. Artikel 2.171, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Mede op basis van de eindafrekening,
bedoeld in het eerste lid, stelt het Commissariaat het terug te
betalen bedrag vast. Teruggevorderde bedragen voegt het Commissariaat
toe aan de algemene mediareserve, bedoeld in artikel 2.166.
3. In het geval, bedoeld in het eerste
lid:
a. betaalt de omroepvereniging de
op het moment, bedoeld in artikel 2.138, eerste lid, aanwezige
gelden die bestemd zijn voor de verzorging van media-aanbod voor
de landelijke publieke omroep, terug aan het Commissariaat;
b. draagt de omroepvereniging er
zorg voor dat programmamateriaal dat verspreid is op de
programmakanalen van de landelijke publieke omroep dan wel
daarvoor is geproduceerd of aangekocht en de daaraan verbonden
programmaformats, namen en merken, voor zover het auteurs- of
gebruiksrecht daarop bij de omroepvereniging berust, gedurende
drie jaar na afloop van de periode waarvoor een erkenning of
voorlopige erkenning is verleend, om niet ter beschikking wordt
gesteld aan de raad van bestuur voor gebruik op aanbodkanalen van
de landelijke publieke omroep;
c. stelt de omroepvereniging het
programmamateriaal, bedoeld in onderdeel b, ter beschikking aan de
door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden
en exploiteren van een media-archief; en
d. onthoudt de omroepvereniging
zich gedurende drie jaar na afloop van de periode waarvoor een
erkenning of voorlopige erkenning is verleend, van gebruik of
exploitatie van het programmamateriaal, bedoeld in onderdeel a, en
de daaraan verbonden programmaformats, namen en merken, tenzij
daarover met de raad van bestuur een overeenkomst is gesloten
tegen een marktconforme vergoeding.
4. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder omroepverenging tevens begrepen haar rechtsopvolger of
rechtsverkrijgende.
5. Het eerste tot en met vierde lid
zijn van overeenkomstige toepassing, als:
a. aan een omroepvereniging geen
erkenning als bedoeld in artikel 2.24 ofartikel 2.28 wordt
verleend;
b. een erkenning of voorlopige
erkenning overeenkomstig artikel 2.33 wordt ingetrokken; en
c. een omroepvereniging in strijd
met artikel 2.34, eerste lid, tijdens een erkenningsperiode niet
langer als omroepvereniging media-aanbod voor de landelijke
publieke omroep verzorgt.
Artikel 2.139
1. De landelijke publieke
media-instellingen stellen de gegevens van hun programma-aanbod, voor
zover deze nodig zijn voor de opgaven van het te verspreiden
programma-aanbod in gedrukte of elektronische programmagidsen, ter
beschikking van de NPO.
2. Zij aanvaarden dat de NPO de
gegevens voor verveelvoudiging en openbaarmaking ter beschikking stelt
aan de omroepverenigingen en aan anderen die daartoe een overeenkomst
met de NPO hebben gesloten.
Artikel 2.140
Als inbreuk op het auteursrecht op enig
geschrift inhoudende opgaven van uit te zenden programma-aanbod,
geproduceerd door of in opdracht van landelijke publieke
media-instellingen, wordt voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid
mede beschouwd het verveelvoudigen of openbaar maken van lijsten of
andere opgaven van dat programma-aanbod anders dan met toepassing van
artikel 2.139 of met toestemming van de desbetreffende instelling,
tenzij wordt bewezen dat de gegevens in die lijsten of andere opgaven
niet direct of indirect zijn ontleend aan enig geschrift als bedoeld in
de aanhef van dit artikel.
Artikel 2.141
1. De NPO en de publieke
media-instellingen zijn met al hun activiteiten niet dienstbaar aan
het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen
van het Commissariaat aan.
2. Voor kerkgenootschappen en
genootschappen op geestelijke grondslag is het eerste lid alleen van
toepassing op de activiteiten ter verzorging van hun media-aanbod voor
de landelijke publieke mediadienst.
Artikel 2.142
1. De NPO en de publieke
media-instellingen zorgen er voor dat leden van hun organen,
werknemers en andere personen of rechtspersonen waarmee een
overeenkomst is gesloten met het oog op de uitvoering van de publieke
media-opdracht, voor zichzelf of voor anderen geen op geld
waardeerbaar voordeel van derden bedingen of aanvaarden dat direct of
indirect verband houdt met werkzaamheden van de betrokkene voor de
instelling, tenzij het daartoe bevoegde orgaan van de instelling
daarvoor toestemming heeft gegeven.
2. Toestemming wordt alleen gegeven als
de betrokkene aannemelijk maakt dat het voordeel niet is bedoeld als
tegenprestatie voor het door hem in de uitoefening van zijn
werkzaamheden voor de instelling bevoordelen van derden.
3. Een persoon of rechtspersoon die een
overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, wordt ten
opzichte van degenen die in zijn dienst werken niet aangemerkt als een
derde.
Artikel 2.142a
1. De NPO, de landelijke publieke
media-instellingen en de instellingen die door Onze Minister zijn
aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten,
omroepkoren en een muziekbibliotheek, van een media-archief en van een
expertisecentrum voor media-educatie, richten hun bestuurlijke
organisatie zodanig in dat er een helder onderscheid is tussen het
dagelijks bestuur en het onafhankelijke toezicht daarop.
2. De NPO en de landelijke publieke
media-instellingen volgen daarbij zoveel als mogelijk aanbevelingen
uit de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid.
3. Dit artikel is ten aanzien
kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag alleen
van toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 2.42,
eerste lid, en 2.49, derde lid.
Titel 2.6. Bekostiging publieke
mediadiensten
Afdeling 2.6.1. Algemene
bekostigingsaanspraak
Artikel 2.143
1. De NPO en de publieke
media-instellingen voorzien op onafhankelijke wijze in de uitvoering
van de publieke mediaopdracht en hebben daarvoor op de wijze zoals
geregeld in deze wet aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas die
een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod mogelijk maakt en waardoor
continuïteit van financiering gewaarborgd is.
2. Voor de bekostiging van de
uitvoering van de publieke mediaopdracht en ter bestrijding van de
overige kosten, bedoeld in artikel 2.146, worden onder de naam «rijksmediabijdrage»
jaarlijks gelden beschikbaar gesteld door Onze Minister.
Artikel 2.144
1.De rijksmediabijdrage bestaat ten
minste uit een bedrag van€ 577,093 miljoen, gebaseerd op de in het
jaar 1998 door de Dienst omroepbijdragen op grond van de toen geldende
wettelijke bepalingen aan Onze Minister afgedragen inkomsten en de
mutaties in de rijksbegroting vanaf dat moment. Dit bedrag wordt
vermeerderd met€ 47,179 miljoen.
2.Het bedrag van de rijksmediabijdrage
wordt jaarlijks bijgesteld overeenkomstig:
a. de door het Centraal Bureau voor
de Statistiek voor het desbetreffende jaar geraamde index voor de
groei van het aantal huishoudens in Nederland; en
b. de door het Centraal Planbureau
voor het desbetreffende jaar geraamde consumentenprijsindex.
Artikel 2.145
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van de
artikelen 2.143, tweede lid, en 2.144.
Artikel 2.146
De rijksmediabijdrage en de inkomsten van
de Ster dienen ter bestrijding van de kosten verbonden aan:
a. de bekostiging van de uitvoering
van de publieke mediaopdracht op landelijke niveau volgens afdeling
2.6.2;
b. de bekostiging van de Wereldomroep
volgens afdeling 2.6.3;
c. het Europese media-aanbod, bedoeld
in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel e;
d. het Stimuleringsfonds voor de
pers, genoemd in artikel 8.1;
e. de Raad voor cultuur, voor zover
samenhangend met de advisering over radio, televisie, pers en andere
vormen van massacommunicatie, tot een door Onze Minister te bepalen
bedrag;
f. het Commissariaat;
g. door Onze Minister bekostigd
onderzoek in het belang van de massacommunicatie;
h. de bijdrage aan de stichting
Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties;
i. vergoedingen aan een door Onze
Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en
exploiteren van omroeporkesten, omroepkoren en een
muziekbibliotheek;
j. vergoedingen aan een door Onze
Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en
exploiteren van een media-archief;
k. [dit onderdeel is nog niet in
werking getreden;]
l. het door Onze Minister aangewezen
overlegorgaan van lokale publieke media-instellingen; en
m. bijdragen voor de verzorging van
media-aanbod van regionale en lokale publieke mediadiensten dat
gericht is op minderheden;
n. vergoedingen aan het landelijk
orgaan dat informatie verstrekt en anderszins ondersteuning biedt
aan de programmaraden, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid.
Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke
publieke mediadienst
Paragraaf 2.6.2.1. Begroting
Artikel 2.147
1. De NPO dient jaarlijks vóór 15
september een begroting voor de landelijke publieke mediadienst in bij
Onze Minister en het Commissariaat.
2. De begroting bevat in elk geval:
a. een beschrijving van de wijze
waarop door de NPO en de landelijke publieke media-instellingen
invulling wordt gegeven aan het voorgenomen media-aanbod op de
verschillende aanbodkanalen, met in achtneming van het bepaalde
bij of krachtens deze wet;
b. een overzicht van aard en aantal
van de aanbodkanalen;
c. de financiële middelen die voor
het volgende kalenderjaar nodig zijn om de voornemens met
betrekking tot de landelijke publieke mediadienst te
verwezenlijken en een raming voor de daarop volgende vier jaar;
d. een toelichting op de
onderscheiden onderdelen en begrotingsposten; en
e. een beschrijving van de
samenwerking met de Wereldomroep, de regionale en lokale publieke
media-instellingen en anderen.
3. De financiële middelen worden als
volgt onderverdeeld:
a. de financiële middelen voor de
verzorging van het media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen;
b. de financiële middelen voor
programma-aanbod, bedoeld in de artikelen 2.115 tot en met 2.123;
c. de eigen inkomsten van de
omroepverenigingen, de educatieve media-instelling, de NOS en de
NPS, die gebruikt moeten worden voor de verzorging van het
media-aanbod;
d. de financiële middelen voor het
verspreiden van het media-aanbod op de verschillende
aanbodkanalen; en
e. de financiële middelen voor de
uitvoering van de taken en werkzaamheden van de NPO.
Artikel 2.148
1. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de
begroting.
2. Het Commissariaat zendt vóór 15
oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting aan Onze
Minister.
3. De NPO maakt de begroting openbaar.
Paragraaf 2.6.2.2. Vaststelling budgetten
Artikel 2.149
1. Onze Minister stelt jaarlijks vóór
1 december de budgetten van de landelijke publieke mediadienst voor
het komende jaar vast voor:
a. de verzorging van het
media-aanbod van de omroepverenigingen die een erkenning als
bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, gezamenlijk;
b. de verzorging van het
media-aanbod van de omroepverenigingen die een voorlopige
erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen,
gezamenlijk;
c. de verzorging van het
media-aanbod van de NOS;
d. de verzorging van het
media-aanbod van de NPS;
e. de verzorging van het
media-aanbod van de educatieve media-instelling die een erkenning
als bedoeld in artikel 2.28 heeft verkregen;
f. de verzorging van het
media-aanbod van de op grond van artikel 2.42aangewezen
kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
gezamenlijk;
g. de uitvoering van de taken en
werkzaamheden van de NPO; en
h. de versterking van het
media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.
Onze Minister stelt het budget, bedoeld
in de eerste volzin, onderdeel d, niet hoger vast dan het gemiddelde
budget dat met toepassing van artikel 2.152voor een omroepvereniging
kan worden vastgesteld.
2. Onze Minister stelt de budgetten
vast op tachtig procent van de overeenkomstige budgetten van het
voorgaande jaar als de NPO de begroting niet volgens de daarvoor
geldende regels heeft ingediend.
Artikel 2.150
1. Het budget, bedoeld in artikel
2.149, eerste lid, onderdeel h, bedraagt dertig procent van het totaal
van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a
tot en met e.
2. Onder versterking van het
media-aanbod wordt verstaan de bevordering van de pluriformiteit van
het media-aanbod.
3. Het budget komt geheel ten goede aan
media-aanbod van de omroepverenigingen, de educatieve
media-instelling, de NOS en de NPS.
Artikel 2.151
1. Onze Minister stelt de budgetten
door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van
bestuur.
2. De budgetten, bedoeld in artikel
2.149, eerste lid, onderdelen g en h, besteedt de raad van bestuur aan
de daar genoemde doelen.
Artikel 2.152
1. De raad van bestuur verdeelt het
budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel a, zodanig
dat:
a. van de ene helft van het budget
elke omroepvereniging een gelijk deel ontvangt; en
b. van de andere helft van het
budget elke omroepvereniging een bedrag ontvangt waarvan de omvang
wordt berekend naar rato van het aantal leden van de
omroepvereniging overeenkomstig het tweede lid.
Voor de vaststelling van het budget,
bedoeld in onderdeel b, telt het aantal leden dat het aantal van 400
000 leden overschrijdt, niet mee.
2. Het bedrag per omroepvereniging,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt vastgesteld aan de hand
van de formule
(l : t) * b, waarbij
l = het aantal leden per
omroepvereniging;
t = het totaal aantal leden van alle
omroepverenigingen die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24
hebben verkregen; en
b = de helft van het budget, bedoeld in
artikel 2.149, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 2.152a
1. De raad van bestuur verdeelt het
budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel b, over de
omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel
2.24 hebben verkregen, zodanig dat elke omroepvereniging een bedrag
ontvangt van dertig procent van het basisbudget van een
omroepvereniging, bedoeld in artikel 2.152, eerste lid, onderdeel a.
2. De omroepverenigingen, bedoeld in
artikel 2.152, eerste lid, onderdeel a, de omroepverenigingen, bedoeld
in het eerste lid, de NOS, de NPS en de educatieve media-instelling,
bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel e, besteden de
ontvangen bedragen en de budgetten aan de inartikel 2.149, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, genoemde doelen.
Artikel 2.153
1. De raad van bestuur verdeelt het
budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel f, over de
kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag op basis
van de verhouding tussen de hoeveelheid uren die voor elk
kerkgenootschap en genootschap op geestelijke grondslag op grond van
artikel 2.49, eerste lid, is vastgesteld en de totale hoeveelheid
uren, bedoeld in artikel 2.48, eerste lid.
2. Kerkgenootschappen en genootschappen
op geestelijke grondslag besteden de ontvangen bedragen aan de in
artikel 2.149, eerste lid, onderdeel f, genoemde doelen.
Artikel 2.154
1. De raad van bestuur kan ten hoogste
vijftien procent van het voor een instelling vastgestelde bedrag
inhouden als:
a. de desbetreffende instelling
inbreuk heeft gemaakt op bindende besluiten van de raad van
bestuur; of
b. een omroepvereniging of de
educatieve media-instelling naar de mening van de raad van bestuur
onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking
ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst.
2. Ingehouden bedragen worden
toegevoegd aan het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid,
onderdeel h.
Artikel 2.155
De raad van bestuur beslist jaarlijks
vóór 1 januari over de verdeling van de budgetten.
Artikel 2.156 [Vervallen per 11-12-2009]
Artikel 2.157
1. De landelijke publieke
media-instellingen ontvangen voorschotten volgens bij ministeriële
regeling te stellen regels.
2. Als een instelling zijn
jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, niet tijdig
indient:
a. verzoekt het Commissariaat de
raad van bestuur de bevoorschotting met twintig procent te
verminderen; en
b. kan het Commissariaat de raad
van bestuur verzoeken de bevoorschotting verder te verminderen of
te beëindigen wanneer ondanks herhaalde aanmaningen van het
Commissariaat de instelling in gebreke blijft met het indienen van
de jaarrekening.
3. Als een instelling voorschotten in
strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet gebruikt, kan de raad
van bestuur de bevoorschotting verminderen of beëindigen.
4. De raad van bestuur voldoet meteen
aan verzoeken, bedoeld in het tweede lid.
Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere
doelen
Artikel 2.158
1.Onze Minister kan uit de
rijksmediabijdrage en uit de inkomsten van de Ster ten behoeve van de
landelijke publieke mediadienst gelden ter beschikking stellen voor
door Onze Minister daarbij vast te stellen bijzondere doelen.
2.Onze Minister stelt de gelden door
tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van
bestuur.
Artikel 2.159
1.Onze Minister kan aan een besluit tot
het ter beschikking stellen van gelden voorschriften verbinden.
2.Voorschriften hebben geen betrekking
op de specifieke inhoud van media-aanbod.
3.Onze Minister kan een besluit tot het
ter beschikking stellen van gelden intrekken of wijzigen als de
voorschriften niet worden nageleefd.
Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep
Paragraaf 2.6.3.1. Begroting
Artikel 2.160
1. De Wereldomroep dient jaarlijks
vóór 15 september een begroting in bij Onze Minister en het
Commissariaat.
2. De begroting bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de wijze
waarop door de Wereldomroep uitvoering zal worden gegeven aan de
publieke mediaopdracht;
b. een opgave van de financiële
middelen die voor het volgende kalenderjaar nodig zijn om de
voornemens van de Wereldomroep te verwezenlijken en een raming
voor de daarop volgende vier jaar;
c. een toelichting op de
onderscheiden onderdelen en begrotingsposten, waaronder die voor
personeel, organisatie en de organen van de Wereldomroep; en
d. een beschrijving van de
samenwerking met de NOS.
3. De financiële middelen worden als
volgt onderverdeeld:
a. de kosten van de verzorging van
het media-aanbod van de Wereldomroep;
b. de kosten die niet rechtstreeks
samenhangen met de verzorging van het media-aanbod;
c. de kosten van het verspreiden
van het media-aanbod van de Wereldomroep; en
d. de eigen inkomsten die moeten
worden gebruikt voor de uitvoering van de publieke taak.
Artikel 2.161
De begroting bevat verder:
a. een beschrijving van de wijze
waarop in het afgelopen kalenderjaar uitvoering is gegeven aan de
publieke mediaopdracht; en
b. een opgave van het door de
Wereldomroep in zijn media-aanbod op te nemen aanbod dat:
1°. is geproduceerd door of in
opdracht van landelijke publieke media-instellingen; of
2°. al als onderdeel van het
media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst is
verspreid.
Artikel 2.162
1.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de
begroting.
2.Het Commissariaat zendt vóór 15
oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting aan Onze
Minister.
3.De Wereldomroep maakt de begroting
openbaar.
Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten
Artikel 2.163
Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1
december de budgetten voor het komende kalenderjaar vast voor:
a. de verzorging van het media-aanbod
van de Wereldomroep;
b. de kosten die niet direct
samenhangen met de verzorging van het media-aanbod; en
c. het verspreiden van het
media-aanbod.
Artikel 2.164
1.Onze Minister stelt de budgetten ter
beschikking van de Wereldomroep door tussenkomst van het
Commissariaat.
2.Onze Minister stelt de budgetten vast
op tachtig procent van de overeenkomstige budgetten voor het
voorgaande jaar als de Wereldomroep de begroting niet volgens de
daarvoor geldende regels heeft ingediend.
3.De Wereldomroep besteedt de budgetten
aan de in artikel 2.163 genoemde doelen.
Artikel 2.165
1.De Wereldomroep ontvangt voorschotten
volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.
2.Als de Wereldomroep zijn
jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, niet tijdig
indient:
a. vermindert het Commissariaat de
bevoorschotting met twintig procent; en
b. kan het Commissariaat de
bevoorschotting verder verminderen of beëindigen wanneer ondanks
herhaalde aanmaningen van het Commissariaat de Wereldomroep in
gebreke blijft met het indienen van de jaarrekening.
3.Als de Wereldomroep voorschotten in
strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet gebruikt, kan het
Commissariaat de bevoorschotting verminderen of beëindigen.
Afdeling 2.6.4. Algemene mediareserve
Artikel 2.166
1.Onze Minister kan uit de
rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster een algemene
mediareserve vormen die bestemd is voor:
a. de opvang van dalende inkomsten
van de Ster;
b. bijdragen in reorganisatiekosten
als gevolg van overheidsbesluiten; en
c. de financiering van de door het
Commissariaat aan te houden rekening-courantverhouding voor de
betalingen ter uitvoering van deze wet.
2.Het Commissariaat beheert de algemene
mediareserve.
Artikel 2.167
1. Onze Minister kan, voor zover dat de
financiering van de rekening-courantverhouding niet in gevaar brengt,
uit de algemene mediareserve gelden ter beschikking stellen ten
behoeve van:
a. de NPO en de landelijke publieke
media-instellingen;
b. de Wereldomroep; en
c. de door hem aangewezen
instellingen voor het in stand houden en exploiteren van
omroepkoren, omroeporkesten en een muziekbibliotheek, van een
media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie.
2. Onze Minister stelt gelden ten
behoeve van de landelijke publieke media-instellingen door tussenkomst
van het Commissariaat ter beschikking aan de raad van bestuur.
3. Onze Minister stelt gelden ten
behoeve van de Wereldomroep en de instellingen, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, door tussenkomst van het Commissariaat aan hen ter
beschikking.
Artikel 2.168
1. Renteopbrengsten uit het beheer van
de algemene mediareserve zijn bestemd voor door Onze Minister te
bepalen mediadoeleinden in brede zin.
2. Onze Minister kan uit de
renteopbrengsten gelden ter beschikking stellen aan de NPO, aan de
landelijke publieke media-instellingen en aan de Wereldomroep.
3. Artikel 2.167, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.169
Artikel 2.159 is van overeenkomstige
toepassing op het ter beschikking stellen van gelden op grond van de
artikelen 2.167en 2.168.
Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en
lokale publieke mediadiensten
Artikel 2.170
1. Gedeputeerde Staten zorgen voor de
bekostiging van het functioneren van ten minste één regionale
publieke media-instelling in de provincie door vergoeding van de
kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van de
regionale publieke mediadienst, voor zover die kosten niet op andere
wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat:
a. een kwalitatief hoogwaardig
media-aanbod mogelijk is en continuïteit van bekostiging is
gewaarborgd; en
b. in ieder geval per provincie het
in 2004 bestaande niveau van de activiteiten met betrekking tot de
verzorging van media-aanbod door de regionale publieke
media-instelling(en) ten minste gehandhaafd blijft.
2. Aan de bekostiging worden geen
voorschriften verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of
krachtens deze wet.
3. Onze Minister zendt telkens na drie
jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van het bepaalde in dit artikel in de praktijk.
Artikel 2.170a
1. Het College van Burgemeester en
Wethouders zorgt voor de bekostiging van het functioneren van de
lokale publieke media-instelling als de gemeenteraad een advies als
bedoeld in artikel 2.62, eerste lid, heeft uitgebracht en daarbij
positief heeft geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan
de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c.
2. De bekostiging betreft vergoeding
van de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van de
lokale publieke omroepdienst, voor zover die kosten niet op andere
wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat op lokaal niveau in een
toereikend media-aanbod kan worden voorzien en continuïteit van
bekostiging is gewaarborgd.
3. Als twee of meer gemeenteraden
gezamenlijk een advies als bedoeld in artikel 2.62, eerste lid, hebben
uitgebracht, en daarbij positief hebben geadviseerd over de vraag of
de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid,
onderdeel c, zorgen de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de
desbetreffende gemeenten gezamenlijk voor de bekostiging, bedoeld in
het eerste lid.
4. Artikel 2.170, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2.6.6. Financiële
verantwoording landelijke publieke mediadienst en Wereldomroep
Paragraaf 2.6.6.1.
Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening
Artikel 2.171
1. Het Commissariaat is belast met de
rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de NPO, de landelijke
publieke media-instellingen en de Wereldomroep.
2. De landelijke publieke
media-instellingen en de Wereldomroep zenden jaarlijks vóór 1 mei de
jaarrekening aan het Commissariaat en sturen gelijktijdig een
afschrift daarvan aan de raad van bestuur.
3. De raad van bestuur zendt vóór 1
juli zijn opmerkingen over de jaarrekeningen tezamen met de
jaarrekening van de NPO aan het Commissariaat.
Artikel 2.172
1.Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek is van toepassing op de jaarrekeningen, met dien verstande dat
de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een
exploitatierekening. Op deze rekening zijn de bepalingen over de
winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige
toepassing. Bepalingen over winst en verlies zijn zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.
2.Het boekjaar is gelijk aan het
kalenderjaar.
3.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de
jaarrekening.
Artikel 2.173
Het Commissariaat brengt als onderdeel
van het financieel verslag, bedoeld in artikel 7.7, verslag uit over de
rechtmatigheidstoetsing.
Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en
terugvordering
Artikel 2.174
1. De landelijke publieke
media-instellingen kunnen met toestemming van de raad van bestuur en
onder de door hem te stellen voorwaarden, die per instelling of
categorie van instellingen kunnen verschillen, gelden voor de
verzorging van media-aanbod reserveren. De NPO kan gelden die bestemd
zijn voor de verzorging van media-aanbod door de landelijke publieke
media-instellingen, reserveren.
2. Het totaal van de gereserveerde
gelden in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan tien procent van het
totaal van de ter beschikking gestelde budgetten, bedoeld in artikel
2.149, eerste lid.
3. Gelden die in strijd met het eerste
lid zijn gereserveerd, worden terugbetaald aan de raad van bestuur.
Artikel 2.174a
1. Omroepverenigingen die een erkenning
of voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24hebben verkregen,
kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten tot
een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag
reserveren voor verenigingsactiviteiten.
2. Artikel 2.174, derde lid, is van
toepassing.
Artikel 2.175
1. De Wereldomroep kan met toestemming
van het Commissariaat en onder door hem te stellen voorwaarden gelden
voor de verzorging van media-aanbod reserveren.
2. Het totaal van de gereserveerde
gelden in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan tien procent van het
totaal van de ter beschikking gestelde budgetten, bedoeld in artikel
2.163, eerste lid.
Artikel 2.176
1. Gereserveerde gelden voor de
verzorging van media-aanbod worden in het volgende kalenderjaar
besteed aan de doelen waarvoor zij oorspronkelijk bestemd zijn.
2. Onze Minister en het Commissariaat
kunnen op verzoek van de raad van bestuur respectievelijk de
Wereldomroep ontheffing verlenen van het eerste lid. Onze Minister en
het Commissariaat kunnen aan een ontheffing voorschriften verbinden.
Artikel 2.177
1. Gelden die in strijd met het
bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gebruikt of die in strijd met
de artikelen 2.174, tweede lid, 2.174a, eerste lid, en 2.175 zijn
gereserveerd, vordert het Commissariaat terug.
2. Teruggevorderde gelden worden
toegevoegd aan de algemene mediareserve.
Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen
Artikel 2.178
1.De landelijke publieke
media-instellingen richten hun administratie zodanig in dat daaruit te
allen tijde de voor de uitvoering van de taken van de raad van bestuur
en het Commissariaat benodigde informatie op eenduidige en
vergelijkbare wijze verkregen kan worden.
2.De raad van bestuur bevordert dat de
instellingen een eenduidige financiële boekhouding voeren.
Artikel 2.179
Deze afdeling is op kerkgenootschappen en
genootschappen op geestelijke grondslag van toepassing voor zover het
betreft de activiteiten en financiën die betrekking hebben op de
verzorging van programma-aanbod en daaraan gerelateerd ander
media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst.
Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten,
omroepkoren, muziekbibliotheek, media-archief en expertisecentrum voor
media-educatie
Artikel 2.180
1. De instellingen die door Onze
Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van
omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek , van een
media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie dienen
eenmaal per vijf jaar bij Onze Minister een meerjarenplan voor de
volgende periode van vijf jaar in.
2. De meerjarenplannen zijn afgestemd
op het voor de desbetreffende periode geldende concessiebeleidsplan
voor de landelijke publieke mediadienst.
Artikel 2.181
1.De instellingen dienen jaarlijks
vóór 15 september een begroting in bij Onze Minister.
2.De instellingen dienen jaarlijks
vóór 1 mei bij Onze Minister een jaarrekening over het voorafgaande
kalenderjaar in.
Artikel 2.182
1. De meerjarenplannen en de
jaarrekeningen behoeven de instemming van Onze Minister.
2. Met betrekking tot de
meerjarenplannen hoort Onze Minister de NPO.
Artikel 2.183
1. Onze Minister stelt uit de
rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster, aan de instellingen
een bijdrage in de kosten ter beschikking.
2. Onze Minister kan aan een besluit
tot het ter beschikking stellen van bijdragen voorschriften verbinden.
3. Als een instelling niet voldoet aan
de artikelen 2.180 en 2.181 of de aan een besluit tot het ter
beschikking stellen van bijdragen verbonden voorschriften niet
naleeft, kan Onze Minister:
a. de beschikking waarbij de
desbetreffende instelling is aangewezen, intrekken; of
b. het besluit tot het ter
beschikking stellen van bijdragen intrekken of wijzigen.
Titel 2.7. Evaluatie
Artikel 2.184
1. De NPO en de Wereldomroep evalueren
regelmatig de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de publieke
mediaopdracht.
2. Een evaluatie vindt in elk geval
eens in de vijf jaar plaats.
3. Als in de rapportage, bedoeld in
artikel 2.186, eerste lid, is vastgesteld dat een omroepvereniging of
de educatieve media-instelling onvoldoende heeft bijgedragen aan de
uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de
wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak,
bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b, onderscheidenlijk
artikel 2.28, tweede lid, onderdeel b, vindt in afwijking van het
tweede lid in elk geval binnen twee jaar na het tijdstip waarop deze
rapportage is uitgebracht, een nieuwe evaluatie plaats van de wijze
waarop de desbetreffende omroepvereniging of de educatieve
media-instelling uitvoering geeft aan deze publieke taak.
4. Als in de rapportage, bedoeld in
artikel 2.186, eerste lid, betreffende de vorige evaluatie is
vastgesteld dat de NPS onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering
van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop
zij uitvoering heeft gegeven aan haar publieke taak, bedoeld in
artikel 2.35, vindt in afwijking van het tweede lid in elk geval
binnen twee jaar na het tijdstip waarop deze rapportage is
uitgebracht, een nieuwe evaluatie plaats.
5. Als in de rapportage, bedoeld in
artikel 2.186, eerste lid, betreffende de vorige evaluatie is
vastgesteld dat de NOS onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering
van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop
zij uitvoering heeft gegeven aan haar publieke taak, bedoeld in
artikel 2.34a, vindt in afwijking van het tweede lid in elk geval
binnen twee jaar na het tijdstip waarop deze rapportage is
uitgebracht, een nieuwe evaluatie plaats.
Artikel 2.185
1. Voor de evaluatie stellen de NPO en
de Wereldomroep elk een commissie in voor de duur van de evaluatie,
met de volgende samenstelling:
a. de evaluatiecommissie van de NPO
bestaat uit ten minste vijf onafhankelijke deskundigen en is
zoveel mogelijk representatief voor het kijk- en luisterpubliek;
en
b. de evaluatiecommissie van de
Wereldomroep bestaat uit ten minste drie onafhankelijke
deskundigen.
2. De leden van de evaluatiecommissie
van de NPO worden op voordracht van de raad van bestuur benoemd door
de raad van toezicht, gehoord Onze Minister.
3. De leden van de evaluatiecommissie
van de Wereldomroep worden op voordracht van de directie benoemd door
de raad van toezicht van de Wereldomroep, gehoord Onze Minister.
Artikel 2.186
1. De evaluatiecommissie van de NPO
rapporteert in elk geval over:
a. de wijze waarop de NPO en de
landelijke publieke media-instellingen zowel gezamenlijk als
afzonderlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke
mediaopdracht op landelijk niveau;
b. de mate waarin het media-aanbod
van de landelijke publieke mediadienst tegemoet komt aan de
interesses en inzichten van het algemene publiek en van specifieke
bevolkings- en leeftijdsgroepen;
c. de wijze waarop de
omroepverenigingen waaraan een voorlopige erkenning als bedoeld in
artikel 2.24 is verleend, een bijdrage hebben geleverd aan de
vergroting van de verscheidenheid van het media-aanbod van de
landelijke publieke mediadienst en daarmee een vernieuwende
bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van de publieke
mediaopdracht op landelijk niveau; en
d. andere onderwerpen die zijn
opgenomen in het besluit tot instelling van de evaluatiecommissie
of die door Onze Minister zijn aangegeven.
2. De evaluatiecommissie van de
Wereldomroep rapporteert in elk geval over:
a. de wijze waarop de Wereldomroep
uitvoering heeft gegeven aan de publieke mediaopdracht;
b. de mate waarin het media-aanbod
van de Wereldomroep voldoet aan de doelstellingen, bedoeld in
artikel 2.72; en
c. andere onderwerpen die zijn
opgenomen in het besluit tot instelling van de evaluatiecommissie
of die door Onze Minister zijn aangegeven.
Artikel 2.187
1. De evaluatiecommissies kunnen
aanbevelingen doen over de wijze waarop aan de publieke mediaopdracht
in de komende jaren uitvoering wordt gegeven.
2. De evaluatiecommissies brengen op
een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip rapport uit aan de
raad van toezicht van de NPO, respectievelijk de raad van toezicht van
de Wereldomroep, die het aan Onze Minister zenden en openbaar maken.
Artikel 2.188
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden criteria vastgesteld op basis waarvan afzonderlijke
landelijke publieke media-instellingen worden geëvalueerd als bedoeld
in artikel 2.186, eerste lid.
2. De voordracht voor een krachtens het
eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en
aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag
waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis
van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt
het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten
Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten
Artikel 3.1
1. Onverminderd het bepaalde bij of
krachtens de Telecommunicatiewet is het verzorgen van een commerciële
omroepdienst alleen toegestaan met toestemming van het Commissariaat.
2. Als een commerciële
media-instelling meerdere programmakanalen verzorgt, is voor ieder
programmakanaal afzonderlijk toestemming nodig.
3. Als een commerciële
media-instelling het door een derde aangeleverde programma-aanbod van
een programmakanaal wijzigt, heeft die commerciële media-instelling
voor het gewijzigde programmakanaal toestemming nodig.
4. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld over de wijze waarop aanvragen voor een
toestemming worden ingediend.
Artikel 3.2
1.Een toestemming wordt op aanvraag
verleend en geldt voor vijf jaar.
2.Een toestemming is niet overdraagbaar
en vervalt van rechtswege na afloop van de toestemmingsperiode.
3.In de toestemming wordt aangegeven of
deze betrekking heeft op televisieomroep of op radio-omroep.
4.Op grond van een toestemming voor
televisieomroep is het tevens toegestaan teletekst te verzorgen.
Artikel 3.3
1.[Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
2.Het Commissariaat kan een aanvraag
afwijzen als:
a. de door de aanvrager bij de
aanvraag verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn; of
b. redelijkerwijs te verwachten is
dat de aanvrager zich niet zal houden aan het bepaalde bij of
krachtens deze wet.
Artikel 3.4
1.Het Commissariaat trekt een
toestemming in als de commerciële media-instelling:
a. daarom verzoekt;
b. in gebreke blijft met de
betaling van de verschuldigde toezichtskosten, bedoeld inartikel
3.30; of
c. [dit onderdeel is nog niet in
werking getreden.]
2.Het Commissariaat kan een toestemming
intrekken als de commerciële media-instelling:
a. bij de aanvraag onjuiste of
onvolledige gegevens verstrekt blijkt te hebben; of
b. overigens niet voldoet aan het
bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht.
Titel 3.2. Programma-aanbod
Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en
verplichtingen
Artikel 3.5
1.Een commerciële media-instelling
bepaalt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze wet, vorm en
inhoud van het door haar verzorgde programma-aanbod en is daar
verantwoordelijk voor.
2.Een commerciële media-instelling
brengt in overeenstemming met de werknemers die zijn belast met de
verzorging en samenstelling van het programma-aanbod een
redactiestatuut tot stand waarin de journalistieke rechten en plichten
van deze werknemers worden geregeld.
Artikel 3.5a
1. Reclame-en telewinkelboodschappen,
gesponsord programma-aanbod en productplaatsing zijn als zodanig
herkenbaar.
2. In reclame- en
telewinkelboodschappen, gesponsord programma-aanbod en
programma-aanbod met productplaatsing worden geen subliminale
technieken gebruikt.
3. Het programma-aanbod bevat geen
sluikreclame.
Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen
Artikel 3.6
1.Een commerciële media-instelling die
reclame- of telewinkelboodschappen in het programma-aanbod opneemt, is
aangesloten bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door
de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake
onderworpen aan het toezicht van de Stichting Reclame Code.
2.Aansluiting wordt aangetoond door een
schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code aan het
Commissariaat over te leggen.
Artikel 3.7
1. Reclame-en telewinkelboodschappen
zijn door akoestische, visuele of ruimtelijke middelen duidelijk
onderscheiden van de overige inhoud van het programma-aanbod.
2. Het programma-aanbod bevat geen
reclame- en telewinkelboodschappen voor:
a. medische behandelingen; en
b. alcoholhoudende dranken tussen
06.00 uur en 21.00 uur.
3. In de naam van een programmakanaal
mogen namen of (beeld-)merken van personen, bedrijven of instellingen
op neutrale wijze worden vermeld of getoond.
4. Het Commissariaat kan nadere regels
stellen voor de vermelding of vertoning, bedoeld in het derde lid,
welke regels de goedkeuring behoeven van Onze Minister.
Artikel 3.8
1. Het programma-aanbod op een
programmakanaal bestaat voor ten hoogste twaalf minuten per uur uit
reclame- of telewinkelboodschappen.
2. Met inachtneming van deze afdeling
kunnen in het programma-aanbod bestaande uit het verslag of de
weergave van sportevenementen afzonderlijke reclame- of
telewinkelboodschappen worden geplaatst en in het overige
programma-aanbod bij uitzondering.
Artikel 3.9
1. In het programma-aanbod op een
programmakanaal duren blokken van telewinkelboodschappen zonder
onderbreking ten minste vijftien minuten.
2. Blokken van telewinkelboodschappen
zijn gedurende de gehele duur daarvan door visuele en akoestische
middelen duidelijk als zodanig herkenbaar.
3. Artikel 3.8, eerste en tweede lid,
is niet van toepassing op de telewinkelblokken.
Artikel 3.10
1.In programma’s worden alleen
reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen als deze geen afbreuk
doen aan de integriteit, het karakter of de samenhang van het
desbetreffende programma of aan de rechten van rechthebbenden.
2.In programma’s die bestaan uit de
weergave van kerkelijke of geestelijke samenkomsten worden geen
reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen.
Artikel 3.11
In de volgende programma’s worden ten
hoogste eenmaal per geprogrammeerd tijdvak van dertig minuten reclame-of
telewinkelboodschappen opgenomen:
a. programma’s bestaande uit films;
b. programma’s bestaande uit nieuws
of commentaar op het nieuws; en
c. programma’s die in het bijzonder
bestemd zijn voor kinderen jonger dan twaalf jaar, mits de
geprogrammeerde duur van het programma meer dan dertig minuten
bedraagt.
Artikel 3.12 [Vervallen per 19-12-2009]
Artikel 3.13
In televisieprogramma’s die bestaan uit
het verslag van een evenement worden alleen reclame- of
telewinkelboodschappen opgenomen tijdens de in het evenement voorkomende
gebruikelijke pauzes of tussen de daarin voorkomende gebruikelijke
zelfstandige onderdelen.
Artikel 3.14
1.In afwijking van de artikelen 3.8 en
3.11 mag een televisieprogrammakanaal worden verzorgd dat:
a. uitsluitend bestaat uit ten
behoeve van zelfpromotie uitgezonden reclameboodschappen; of
b. uitsluitend bestaat uit
telewinkelboodschappen.
2.In het programma-aanbod van een
televisieprogrammakanaal als bedoeld in het eerste lid mogen andere
reclameboodschappen worden opgenomen met inachtneming van de
bepalingen die gelden voor het opnemen van reclameboodschappen in
televisieprogramma-aanbod.
Afdeling 3.2.3. Sponsoring
Artikel 3.15
1. Programma-aanbod wordt alleen
gesponsord als in het redactiestatuut, bedoeld in artikel 3.5, tweede
lid, waarborgen zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid
van de werknemers die belast zijn met de verzorging en samenstelling
van het programma-aanbod ten opzichte van de sponsors.
2. Programma-aanbod bestaande uit
nieuws, actualiteiten of politieke informatie wordt niet gesponsord.
Artikel 3.16
1. Bij gesponsord programma-aanbod
wordt ter informatie van het publiek duidelijk vermeld dat en door wie
het programma-aanbod is gesponsord.
2. De vermelding is zodanig vormgegeven
dat:
a. tussen 06.00 uur en 21.00 uur de
vermelding van sponsors die zich bezighouden met de productie of
verkoop van alcoholhoudende dranken, geschiedt door neutrale
vermelding of vertoning van naam of (beeld)merk; en
b. in andere gevallen dan bedoeld
in onderdeel a, de vermelding geschiedt door vermelding of
vertoning van naam, (beeld)merk of ander onderscheidend teken en
het publiek niet rechtstreeks door middel van specifieke
aanprijzingen wordt aangespoord tot het kopen of huren van
producten of afname van diensten van de sponsors.
3. Bij een gesponsord programma vindt
de vermelding plaats aan het begin of het einde van het programma en
kan de vermelding daarnaast plaatsvinden aan het begin of het einde
van de in het programma opgenomen reclameboodschap of
reclameboodschappen.
Artikel 3.17
1. In gesponsord programma-aanbod
mogen:
a. onverminderd afdeling 3.2.3A,
producten of diensten van sponsors worden vermeld of getoond; en
b. in de titel de naam, het
(beeld)merk, producten of diensten van sponsors worden vermeld of
getoond.
2. Het vermelden en vertonen als
bedoeld in het eerste lid mogen het publiek niet door middel van
specifieke aanprijzingen aansporen tot het kopen of huren van
producten of afname van diensten van de sponsors.
3. Het Commissariaat kan nadere regels
stellen voor de vertoning of vermelding in de titel, welke regels de
goedkeuring behoeven van Onze Minister.
Artikel 3.18
1. Als gesponsord programma-aanbod uit
het buitenland is aangekocht en daar als programma naar het publiek is
verspreid, zijn de artikelen 3.15 tot en met 3.17 van toepassing voor
zover sponsorbijdragen worden verstrekt voor de aankoop van het
programma.
2. Artikel 3.16, eerste tot en met
derde lid, is van overeenkomstige toepassing als een andere instelling
dan bedoeld in de begripsomschrijving van sponsoring in artikel 1.1
een bijdrage heeft gegeven voor de productie of aankoop van
programma-aanbod om de verspreiding daarvan te bevorderen of mogelijk
te maken.
Artikel 3.19
1. Bij programma-aanbod dat bestaat uit
het verslag of de weergave van een evenement dat niet voornamelijk
bestemd is om als programma te worden uitgezonden, mogen de namen of
(beeld)merken van die personen, bedrijven of instellingen, die een
financiële of andere bijdrage hebben gegeven voor de totstandkoming
van het evenement worden vermeld of getoond.
2. Artikel 3.16, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op situaties die vallen onder het verbod op sponsoring
op grond van artikel 5 van de Tabakswet.
Afdeling 3.2.3a. Productplaatsing
Artikel 3.19a
1. Productplaatsing in het
programma-aanbod, voor zover dat aanbod is geproduceerd na 19 december
2009, is niet toegestaan.
2. Tenzij het programma-aanbod in het
bijzonder bestemd is voor kinderen jonger dan twaalf jaar, is het
eerste lid niet van toepassing op programma-aanbod bestaande uit:
a. films;
b. series;
c. sportprogramma’s; en
d. lichte amusementsprogramma’s.
Artikel 3.19b
1. Productplaatsing mag alleen
voorkomen als in het redactiestatuut, bedoeld in artikel 3.5, tweede
lid, waarborgen zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid
van de werknemers die belast zijn met de verzorging en samenstelling
van het programma-aanbod in verband met productplaatsing.
2. Productplaatsing in het
programma-aanbod is zodanig vormgegeven dat:
a. het publiek niet rechtstreeks
door middel van specifieke aanprijzingen wordt aangespoord tot het
kopen of huren van producten of afname van diensten; en
b. het betrokken product geen
overmatige aandacht krijgt.
3. Productplaatsing is niet toegestaan
voor:
a. medische behandelingen; en
b. alcoholhoudende dranken tussen
06.00 uur en 21.00 uur.
4. Bij programma-aanbod waarin
productplaatsing is opgenomen wordt ter informatie van het publiek
duidelijk vermeld dat het programma-aanbod voorzien is van
productplaatsing. De vermelding geschiedt op passende wijze en vindt
plaats aan het begin en het einde van het programma en eveneens aan
het begin of het einde van de in het programma opgenomen
reclameboodschap of reclameboodschappen.
5. Het Commissariaat kan nadere regels
stellen over de toepassing van productplaatsing in programma-aanbod,
welke regels de goedkeuring behoeven van Onze Minister.
Artikel 3.19c
Als programma-aanbod waarin
productplaatsing is opgenomen uit het buitenland is aangekocht en daar
als programma naar het publiek is verspreid, is artikel 3.19b, eerste
tot en met derde lid, niet van toepassing als dat aanbod niet is
geproduceerd door of in opdracht van de commerciële media-instelling
dan wel door of in opdracht van een aan haar verbonden onderneming die
het programma-aanbod heeft aangekocht.
Afdeling 3.2.4. Europese producties,
onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en
films
Paragraaf 3.2.4.1. Europese en
onafhankelijke producties
Artikel 3.20
1. Op een televisieprogrammakanaal
bestaat het programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de
duur uit Europese producties in de zin van artikel 1 van de Europese
richtlijn.
2. Het Commissariaat kan in bijzondere
gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële media-instelling
tijdelijk gedeeltelijke ontheffing verlenen van het eerste lid, met
dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan
tien. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften
verbinden.
Artikel 3.21
1.Op een televisieprogrammakanaal
bestaat het programma-aanbod uit ten minste tien procent van de duur
uit producties als bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, die kunnen
worden aangemerkt als onafhankelijke producties.
2.Ten minste een derde deel van de
producties, bedoeld in het eerste lid, is niet ouder dan vijf jaar.
Artikel 3.22
1.Als onafhankelijke productie wordt
aangemerkt programma-aanbod dat niet geproduceerd is door:
a. een publieke media-instelling;
b. een commerciële
media-instelling;
c. een buitenlandse
omroepinstelling;
d. een rechtspersoon waarin een
instelling als bedoeld in de onderdelen a, b of c, al dan niet
door middel van een of meer dochtermaatschappijen, een belang van
meer dan vijfentwintig procent heeft;
e. een rechtspersoon waarin twee of
meer instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b of c, al dan
niet door middel van een of meer van hun onderscheidene
dochtermaatschappijen, samen een belang van meer dan vijftig
procent hebben; of
f. een vennootschap waarin een
instelling als bedoeld in de onderdelen a, b, of c, of een of meer
van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens
schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.
2.Bij algemene maatregel van bestuur:
a. kunnen nadere regels worden
gesteld over de toepassing van dit artikel en deartikelen 3.20 en
3.21; en
b. kan worden bepaald dat in andere
dan de in het eerste lid bedoelde gevallen programma-aanbod wordt
aangemerkt als onafhankelijke productie.
Artikel 3.23
1.Voor de toepassing van de artikelen
3.20 tot en met 3.22 blijft buiten beschouwing programma-aanbod dat:
a. bestaat uit nieuws;
b. betrekking heeft op sport;
c. het karakter van een spel heeft,
met uitzondering van programma’s van culturele of educatieve
aard, die mede het karakter van een spel hebben;
d. bestaat uit reclameboodschappen
en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting, en zelfpromotie;
e. bestaat uit stilstaande beelden;
en
f. bestaat uit teletekst.
2.Deartikelen 3.20 tot en met 3.22 zijn
niet van toepassing op:
a. programma-aanbod dat in slechts
één gemeente of een beperkt aantal aan elkaar grenzende
gemeenten kan worden ontvangen;
b. programma-aanbod als bedoeld in
artikel 3.14; en
c. programma-aanbod dat uitsluitend
bestemd is voor ontvangst in andere staten dan de lidstaten van de
Europese Unie en dat niet direct of indirect kan worden ontvangen
door het publiek in één of meer lidstaten van de Europese Unie.
Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands-en
Friestalige producties
Artikel 3.24
1.Op een televisieprogrammakanaal
bestaat het programma-aanbod voor ten minste veertig procent uit
oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige producties.
2.Het Commissariaat kan in bijzondere
gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.
Artikel 3.25
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld over de ondertiteling van televisieprogramma’s,
waarbij onder meer kan worden bepaald welk percentage van het
programma-aanbod, bedoeld inartikel 3.24, eerste lid, voorzien is van
ondertiteling ten behoeve van personen met een auditieve beperking.
Paragraaf 3.2.4.3. Films
Artikel 3.26
In het programma-aanbod worden geen films
opgenomen buiten de met de rechthebbenden overeengekomen periodes.
Afdeling 3.2.5. Overige bepalingen
Artikel 3.27 [Vervallen per 19-12-2009]
Artikel 3.28
Als inbreuk op het auteursrecht op enig
geschrift inhoudende opgaven van uit te zenden programma-aanbod,
geproduceerd door of in opdracht van een commerciële media-instelling,
wordt voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid mede beschouwd het
verveelvoudigen of openbaar maken van lijsten of andere opgaven van dat
programma-aanbod anders dan met toestemming van de desbetreffende
instelling, tenzij wordt bewezen dat de gegevens in die lijsten of
andere opgaven niet direct of indirect zijn ontleend aan enig geschrift
als in dit artikel bedoeld.
Artikel 3.29
Deartikelen 3.8, 3.9, eerste en derde
lid, 3.10, tweede lid, 3.11 tot en met 3.14 en 3.19 tot en met 3.26 zijn
niet van toepassing op programma-aanbod dat niet direct of indirect
buiten Nederland ontvangen kan worden en dat:
a. voor zover het de beeldinhoud
betreft uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit stilstaande
beelden; of
b. hoofdzakelijk bestaat uit
informatie over programma-aanbod en andere diensten die via een
omroepzender of omroepnetwerk worden aangeboden.
Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op
aanvraag
Artikel 3.29a
In deze titel wordt onder commerciële
mediadienst op aanvraag verstaan: mediadienst op aanvraag die door een
commerciële media-instelling wordt verzorgd en waarbij het media-aanbod
betrekking heeft op producten met bewegende beeldinhoud al dan niet mede
met geluidsinhoud. Daaronder worden ook begrepen bijbehorende
ondertitelingsdiensten en elektronische programmagidsen.
Artikel 3.29b
1. Een media-instelling die een
commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt of beëindigt, meldt het
moment van de aanvang of de beëindiging van de mediadienst op
aanvraag binnen twee weken na dat moment aan het Commissariaat. Als
een media-instelling een door een derde aangeleverde commerciële
mediadienst op aanvraag wijzigt, meldt deze media-instelling eveneens
de gewijzigde commerciële mediadienst op aanvraag. De volgende
gegevens van de media-instelling worden daarbij in elk geval
verstrekt:
a. naam;
b. plaats van vestiging; en
c. contactgegevens waaronder
e-mailadres of internetadres.
2. Een media-instelling die een
commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt, stelt eveneens via haar
media-aanbod ten minste de gegevens, bedoeld in het eerste lid,
gemakkelijk, rechtstreeks en permanent beschikbaar, alsmede de naam
van het Commissariaat als het orgaan dat is belast met het toezicht op
de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze titel.
Artikel 3.29c
Een media-instelling die een commerciële
mediadienst op aanvraag verzorgt, bevordert de vervaardiging en de
toegang tot Europese producties in de zin van artikel 1 van de Europese
richtlijn.
Artikel 3.29d
Op commerciële mediadiensten op aanvraag
zijn de artikelen 3.5, 3.5a,3.6, 3.7, tweede lid, aanhef en onder a,
3.15 tot en met 3.19c en 3.26 van overeenkomstige toepassing met
uitzondering van de artikelen 3.16, vierde lid, en 3.19b, derde lid,
onderdeel b.
Titel 3.3. Toezichtskosten
Artikel 3.30
1. Een commerciële media-instelling is
aan het Commissariaat jaarlijks kosten verbonden aan het toezicht
verschuldigd voor elke verkregen toestemming en voor elke van haar
mediadiensten op aanvraag.
2. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld over de vaststelling van de toezichtskosten, bedoeld in
het eerste lid, waarbij:
a. onderscheid kan worden gemaakt
tussen omroepdiensten en mediadiensten op aanvraag;
b. onderscheid kan worden gemaakt
tussen toestemmingen voor radio-omroep en voor televisieomroep; en
c. rekening kan worden gehouden met
de gemiddelde duur van de uitzendingen en met het aantal
huishoudens in Nederland, dat het programma-aanbod kan ontvangen.
3. Het Commissariaat kan de
verschuldigde toezichtskosten invorderen bij dwangbevel.
Artikel 3.31 [Vervallen per 19-12-2009]
Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen
Artikel 4.1
1.Het televisieprogramma-aanbod van de
publieke mediadiensten en van commerciële mediadiensten bevat geen
aanbod dat de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van
personen jonger dan zestien jaar ernstige schade zou kunnen
toebrengen.
2.Het televisieprogramma-aanbod van de
publieke mediadiensten en van commerciële mediadiensten mag alleen
dan aanbod bevatten dat schade kan toebrengen aan de lichamelijke,
geestelijke of zedelijke ontwikkeling van personen jonger dan zestien
jaar, als de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het
aanbod is aangesloten bij de door Onze Minister erkende organisatie,
bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, en ter zake gebonden is aan de
regels en het toezicht daarop van die organisatie met betrekking tot
het verspreiden van het hiervoor bedoelde aanbod.
3.De instelling die is aangesloten
toont dit aan door een schriftelijke verklaring van de erkende
organisatie aan het Commissariaat over te leggen.
Artikel 4.2
1.Onze Minister kan een organisatie
erkennen die voorziet in regelingen omtrent classificatie en het
verspreiden van aanbod als bedoeld inartikel 4.1, tweede lid, en het
toezicht daarop.
2.De regelingen hebben in ieder geval
betrekking op:
a. criteria voor de classificatie
van aanbod, waaronder in ieder geval de mate waarin:
1°. angst wordt opgewekt;
2°. brutaliserend geweld wordt
vertoond of gerechtvaardigd;
3°. het gebruik van drugs
aantrekkelijk wordt voorgesteld of vergoelijkt;
4°. sprake is van pornografie;
en
5°. op andere gronden volgens
algemeen geldende opvattingen producten niet geschikt zijn
voor vertoning aan bepaalde categorieën personen jonger dan
zestien jaar;
b. de tijdstippen van verspreiding
van het hiervoor bedoelde aanbod; en
c. de wijze waarop de verspreiding
van dit aanbod wordt voorafgegaan door of is voorzien van symbolen
of waarschuwingen.
Artikel 4.3
1. Een organisatie komt slechts voor
erkenning in aanmerking als:
a. onafhankelijk toezicht door de
organisatie op de naleving van de regelingen, bedoeld in artikel
4.2 , eerste lid, is gewaarborgd;
b. voorzien is in voldoende
betrokkenheid van belanghebbenden, onder wie in ieder geval
vertegenwoordigers uit de consumentensfeer, publieke
media-instellingen, deskundigen op het gebied van de audiovisuele
media en producenten van audiovisuele media; en
c. de financiële positie van de
organisatie een adequate uitvoering van de werkzaamheden
waarborgt.
2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de eisen bedoeld
in het eerste lid en kunnen andere eisen voor erkenning worden
gesteld.
3. Aan een erkenning kunnen
voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.4
1.Onze Minister trekt een erkenning in
als de erkende organisatie niet meer voldoet aan de artikelen 4.2 en
4.3, eerste lid.
2.Onze Minister kan een erkenning
intrekken als de erkende organisatie niet voldoet aan de nadere regels
en andere eisen, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, of de
voorschriften, bedoeld in artikel 4.3, derde lid.
Artikel 4.5
Van een beschikking tot erkenning en
intrekking van een erkenning wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
Artikel 4.6
1. Dit hoofdstuk is van overeenkomstige
toepassing op het overige media-aanbod van de publieke mediadiensten.
2. Een media-instelling die een
commerciële mediadienst op aanvraag als bedoeld in artikel 3.29a
verzorgt, zorgt ervoor dat het media-aanbod dat de lichamelijke,
geestelijke of zedelijke ontwikkeling van personen jonger dan zestien
jaar ernstige schade zou kunnen toebrengen, uitsluitend zodanig
beschikbaar wordt gesteld dat zij dat aanbod normaliter niet te horen
of te zien krijgen.
Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk
belang voor de samenleving en evenementen van groot belang
Artikel 5.1
1. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt een lijst vastgesteld van evenementen die, wanneer zij als een
televisieprogramma worden verspreid, in ieder geval worden verspreid
op een open televisieprogrammakanaal, en kan worden bepaald welke van
die evenementen tevens worden aangemerkt als evenementen als bedoeld
in artikel 3 undecies van de Europese richtlijn.
2. Een evenement kan op de lijst worden
geplaatst als in ieder geval wordt voldaan aan twee van de volgende
voorwaarden:
a. het evenement is van algemeen
belang voor de Nederlandse samenleving;
b. het evenement is van bijzondere
culturele betekenis;
c. het evenement werd in het
verleden ook al op een open televisieprogrammakanaal uitgezonden
en kon rekenen op een grote kijkdichtheid; en
d. het gaat om een groot
internationaal sportevenement waaraan een nationaal team
deelneemt.
Artikel 5.2
Bij algemene maatregel van bestuur worden
nadere regels gesteld ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in
artikel 5.1, eerste lid, waarbij in ieder geval wordt bepaald of de op
de lijst genoemde evenementen, wanneer zij als televisieprogramma worden
verspreid, in ieder geval worden verspreid op een open
televisieprogrammakanaal door middel van volledige of gedeeltelijke
rechtstreekse verslaggeving dan wel door middel van volledige of
gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving.
Artikel 5.3
1. Publieke media-instellingen en
commerciële media-instellingen oefenen verworven verspreidingsrechten
die betrekking hebben op evenementen die zijn vermeld op de lijst van
evenementen uit overeenkomstig de krachtens artikel 5.2 gestelde
regels.
2. De instellingen oefenen na 30 juli
1997 verworven uitzendrechten uit overeenkomstig de regels die door
andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig artikel 3
undecies, eerste lid, van de Europese richtlijn zijn gesteld.
Artikel 5.4
1. Aanbieders van omroepdiensten die
exclusieve rechten hebben verworven ten aanzien van evenementen van
groot belang, stellen korte fragmenten daarvan tegen vergoeding ter
beschikking van andere aanbieders van omroepdiensten in de Europese
Gemeenschap die daarom verzoeken. De verzoekende aanbieder van een
omroepdienst is vrij in de keuze van fragmenten van evenementen van
groot belang.
2. Korte fragmenten duren maximaal 90
seconden per evenement en mogen onbeperkt worden herhaald binnen één
etmaal. Als de wedstrijdbepalende sportmomenten van het evenement
samen langer duren dan 90 seconden en de weergave zich beperkt tot die
sportmomenten, mogen korte fragmenten bij uitzondering maximaal 180
seconden duren.
3. Voor verspreiding van de korte
fragmenten gelden de volgende voorwaarden:
a. korte fragmenten worden
uitsluitend opgenomen in dagelijks geprogrammeerde algemene
nieuwsprogramma’s;
b. korte fragmenten worden, indien
het wedstrijdbepalende sportmomenten betreft, niet eerder
verspreid dan nadat de exclusieve rechten van het evenement, voor
volledig rechtstreekse en gedeeltelijk uitgestelde verslaggeving,
voor de eerste maal zijn gebruikt; en
c. tijdens de verspreiding van een
kort fragment wordt de bron vermeld, tenzij dat om praktische
redenen niet mogelijk is.
4. Alleen de media-instelling die korte
fragmenten overeenkomstig het derde lid verspreidt, kan het
desbetreffende programma in identieke vorm als media-aanbod van haar
mediadienst op aanvraag aanbieden.
5. Een speeldag van een sportcompetitie
of sportevenement wordt als één evenement beschouwd.
6. De vergoeding voor een kort fragment
bedraagt niet meer dan de extra kosten die rechtstreeks voortkomen uit
het verschaffen van toegang tot het signaal.
7. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld over het ter beschikking stellen
van korte fragmenten en het gebruik daarvan.
Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over
politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders,
omroepnetwerken en frequentieruimte
Titel 6.1. Politieke partijen en overheid
Afdeling 6.1.1. Politieke partijen
Artikel 6.1
1.Het Commissariaat wijst jaarlijks een
aantal uren op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke
mediadienst toe aan politieke partijen die bij de laatstgehouden
verkiezing van de leden van de Tweede of Eerste Kamer der
Staten-Generaal een of meer zetels hebben verworven.
2.Het Commissariaat wijst een aantal
uren op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke
mediadienst toe aan:
a. politieke partijen die in alle
kieskringen aan de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal deelnemen; en
b. politieke partijen die in
Nederland aan de verkiezing van de leden van het Europese
Parlement deelnemen.
3.De uren, bedoeld in het tweede lid,
zijn beschikbaar in een door het Commissariaat te bepalen periode die
onmiddellijk vooraf gaat aan de dag die in Nederland voor de
desbetreffende verkiezing is vastgesteld.
Artikel 6.2
1.Als een politieke partij op grond van
de artikelen 137c, 137d, 137e, 137f, 137g of 429quater van het Wetboek
van Strafrecht is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete,
wijst het Commissariaat in afwijking vanartikel 6.1, eerste en tweede
lid, aan deze politieke partij geen uren toe gedurende een periode die
ingaat op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden.
Deze periode is:
a. één jaar, bij een geldboete
van minder dan€ 1 125;
b. twee jaar, bij een geldboete van
€ 1 125 of meer, maar minder dan€ 2 250;
c. drie jaar, bij een geldboete van
€ 2 250 of meer, maar minder dan € 3 375; en
d. vier jaar, bij een geldboete van
€ 3 375 of meer.
2.Als aan de lijst van een politieke
partij aan de lijst waarvan op de dag waarop de veroordeling
onherroepelijk wordt op grond van de Kieswet geen zetels zijn
toegewezen, op grond van een verkiezing die plaatsvindt binnen een
periode van twee jaar na die dag één of meer zetels worden
toegewezen, gaat de periode gedurende welke aan deze politieke partij
geen uren als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, worden toegewezen,
in op de dag waarop de verkiezing heeft plaatsgevonden.
Artikel 6.3
1.Na een veroordeling als bedoeld in
artikel 6.2, eerste lid, worden aan de politieke partij, zo nodig in
afwijking van artikel 6.2, eerste lid, onderdeel a, in ieder geval
geen uren als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, toegewezen binnen
twee jaar na de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden.
2.Als aan een politieke partij met
toepassing van artikel 6.2, eerste lid, geen uren meer worden
toegewezen, dan vervallen met ingang van de dag waarop de veroordeling
onherroepelijk is geworden van rechtswege ook de uren die al zijn
toegewezen.
Artikel 6.4
Een politieke partij gebruikt de aan haar
toegewezen uren geheel en alleen voor programma-aanbod op politiek
terrein.
Afdeling 6.1.2. Overheid
Artikel 6.5
1.Het Commissariaat wijst jaarlijks op
aanvraag van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, een
aantal uren op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke
mediadienst toe ten behoeve van overheidsvoorlichting.
2.Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld over:
a. het tijdstip waarop een aanvraag
wordt ingediend; en
b. de termijn waarbinnen een
besluit op de aanvraag wordt genomen.
Artikel 6.6
1.De toegewezen uren zijn beschikbaar
voor Onze Ministers voor gebruik door overheidsinstellingen of
personen die door hen zijn aangewezen.
2.De toegewezen uren worden geheel
gebruikt en alleen voor overheidsvoorlichting.
Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen
politieke partijen en overheid
Artikel 6.7
1. Onze Minister stelt jaarlijks op
advies van het Commissariaat en de NPO de totale hoeveelheid uren vast
die op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke
mediadienst beschikbaar zijn voor politieke partijen en de overheid.
2. Het Commissariaat kan in bijzondere
gevallen of voor bijzondere doelen meer uren vaststellen.
Artikel 6.8
Deartikelen 2.53, 2.59, 2.60, 2.88,
eerste lid, 2.89, 2.106 tot en met 2.109, 2.114, 2.124, 2.139 en 2.142
en hoofdstuk 4 zijn van overeenkomstige toepassing op politieke partijen
en de overheid en het gebruik van de aan hen toegewezen uren. De
artikelen 2.59 en 2.60 zijn daarbij slechts van overeenkomstige
toepassing voor zover het betreft de activiteiten die verband houden met
het gebruik van de toegewezen uren.
Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten
voor bijzondere doelen
Artikel 6.9
1.Het Commissariaat kan aan natuurlijke
of rechtspersonen toestemming verlenen voor het via een omroepzender
verzorgen van een omroepdienst voor een bijzonder doel en met een
beperkt bereik of van beperkte duur.
2.Het Commissariaat kan aan een
toestemming voorschriften verbinden.
Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken
en frequentieruimte
Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en
omroepnetwerken
Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding
programma-aanbod
Artikel 6.10
1.De aanbieder van een omroepzender of
een omroepnetwerk verspreidt geen programma-aanbod als de instelling
die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het desbetreffende
programma-aanbod, krachtens deze wet of krachtens de op die instelling
van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving niet gerechtigd is voor
verspreiding bestemd programma-aanbod te verzorgen.
2.[Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
3.[Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
Artikel 6.11
1. Het is de aanbieder van een
omroepzender of een omroepnetwerk toegestaan via de omroepzender of
het omroepnetwerk:
a. programma-aanbod te verspreiden
dat bestaat uit een onverkorte en rechtstreekse weergave van een
openbare vergadering van de Eerste of Tweede Kamer der
Staten-Generaal, van Provinciale Staten of van een gemeenteraad;
en
b. informatie over het via de
omroepzender of het omroepnetwerk aangeboden programma-aanbod en
diensten te verspreiden.
2. Hoofdstuk 4 is van overeenkomstige
toepassing.
Paragraaf 6.3.1.2.
Doorgifteverplichtingen omroepnetwerken
Artikel 6.12
Deze paragraaf is van toepassing als
omroepnetwerken voor een significant aantal eindgebruikers in Nederland
het belangrijkste middel zijn om programma-aanbod te ontvangen.
Artikel 6.13
1. Als een significant aantal
aangeslotenen op een omroepnetwerk programma-aanbod op analoge wijze
ontvangt, verspreidt de aanbieder van dat omroepnetwerk naar die
aangeslotenen in ieder geval ongewijzigd en vrij toegankelijk
programma-aanbod op ten minste vijftien omroepnetten voor televisie en
op ten minste vijfentwintig omroepnetten voor radio, waaronder:
a. het programma-aanbod van de
landelijke publieke mediadienst op drie algemene
televisieprogrammakanalen en vijf algemene radioprogrammakanalen;
b. het in artikel 2.70 bedoelde
programma-aanbod van de regionale publieke mediadienst dat bestemd
is voor de provincie of deel van de provincie waarbinnen het
omroepnetwerk zich bevindt op één omroepnet voor televisie en
één omroepnet voor radio;
c. het inartikel 2.70 bedoelde
programma-aanbod van de lokale publieke mediadienst dat bestemd is
voor de gemeente waarbinnen het omroepnetwerk zich bevindt op
één omroepnet voor televisie en één omroepnet voor radio;
d. het programma-aanbod van twee
televisieprogrammakanalen en twee radioprogrammakanalen van de
Nederlandstalige landelijke Belgische openbare omroepdienst; en
e. ander programma-aanbod dan
bedoeld in onderdeel c, dat een lokale publieke media-instelling
verzorgt en dat gericht is op specifieke bevolkings-en
leeftijdsgroepen, waaronder minderheden, met dien verstande dat
deze verplichting beperkt is tot het programma-aanbod op ten
hoogste twee omroepnetten voor televisie en vijf omroepnetten voor
radio.
2. Als een significant aantal
aangeslotenen op een omroepnetwerk programma-aanbod op digitale wijze
ontvangt, verspreidt de aanbieder van dat omroepnetwerk naar die
aangeslotenen in ieder geval ongewijzigd:
a. het programma-aanbod, bedoeld in
het eerste lid; en
b. het in artikel 2.70 bedoelde
programma-aanbod van een regionale publieke mediadienst dat
bestemd is voor een provincie of deel van een provincie
aangrenzend aan de provincie waarbinnen het omroepnetwerk zich
bevindt op één omroepnet voor televisie.
Artikel 6.14
1.Het is de aanbieder van een
omroepnetwerk toegestaan naar een aangeslotene op het omroepnetwerk op
diens verzoek minder programma-aanbod dan bedoeld inartikel 6.13,
eerste lid, onderdelen a en b, dat door de aangeslotenen op analoge
wijze of op digitale wijze wordt ontvangen, te verspreiden, mits hij
een evenredig lager tarief in rekening brengt.
2.Het Commissariaat kan geheel of
gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in
artikel 6.13, als het onverkort nakomen daarvan leidt tot
disproportionele kosten, tot een belemmering van innovatie of tot
anderszins onredelijke uitkomsten. Het Commissariaat kan aan een
ontheffing voorschriften verbinden.
Paragraaf 6.3.1.3. Programmaraden
Artikel 6.15
1. In gemeenten waar een omroepnetwerk
aanwezig is, stelt de gemeenteraad een programmaraad in.
2. De programmaraad is representatief
voor de belangrijkste in de gemeente of gemeenten voorkomende
maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen
en beschikt als geheel over voldoende kennis van de
informatiebehoeften van bevolkings- en leeftijdsgroepen van
verschillende omvang en samenstelling binnen het kijk- en
luisterpubliek.
Artikel 6.16
1.Een programmaraad bestaat uit ten
minste zeven en ten hoogste vijftien leden, die worden benoemd door de
gemeenteraad van de gemeente waar het omroepnetwerk aanwezig.
2.Benoeming geschiedt voor een periode
van vier jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal
mogelijk.
3.De gemeenteraad vervult een vacature
zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen zes maanden.
Artikel 6.17
1.In gemeenten waar al een
programmaraad functioneert, vindt de instelling en benoeming van de
leden van de programmaraad plaats na overleg met deze programmaraad.
2.Als een aantal omroepnetwerken
gekoppeld is en daardoor feitelijk als één omroepnetwerk
functioneert, stellen de betrokken gemeenteraden gezamenlijk één
programmaraad in en benoemen zij gezamenlijk de leden.
Artikel 6.18
1. Voor benoeming tot lid van een
programmaraad komen in aanmerking personen die:
a. woonachtig zijn in het gebied
waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft; en
b. aangesloten zijn op het
omroepnetwerk in dat gebied dan wel deel uitmaken van een
huishouden dat daarop is aangesloten.
2. Met het lidmaatschap van een
programmaraad zijn onverenigbaar:
a. het lidmaatschap van een
gemeenteraad in een gemeente die behoort tot het gebied waarop het
advies van de programmaraad betrekking heeft;
b. het lidmaatschap van het College
van Burgemeester en Wethouders in een gemeente als bedoeld in
onderdeel a;
c. een binding met de aanbieder van
het omroepnetwerk dat aanwezig is in het gebied waarop het advies
van de programmaraad betrekking heeft; en
d. het lidmaatschap van het bestuur
van of een betrekking bij de NPO, een publieke media-instelling of
een commerciële media-instelling.
Artikel 6.19
1.Een programmaraad stelt een reglement
vast waarin in ieder geval regels zijn opgenomen over:
a. de wijze waarop de instelling,
de taak en de samenstelling van de programmaraad kenbaar wordt
gemaakt aan de aangeslotenen op het omroepnetwerk in het gebied
waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft; en
b. de totstandkoming, de inhoud, de
vaststelling, de openbaarmaking en de geldigheidsduur van het
advies van de programmaraad.
2.Het reglement voorziet in een
transparante adviesprocedure.
Artikel 6.20
1. De programmaraad adviseert de
aanbieder van het omroepnetwerk welk vrij toegankelijk
programma-aanbod op vijftien omroepnetten voor televisie en
vijfentwintig omroepnetten voor radio hij krachtens artikel 6.13,
eerste lid, ten minste verspreidt naar alle aangeslotenen op het
netwerk.
2. De aanbieder van een omroepnetwerk
volgt het advies, bedoeld in het eerste lid, tenzij zwaarwichtige
redenen zich daartegen verzetten.
3. De aanbieder van een omroepnetwerk
kan de programmaraad voorts een advies vragen over het overige vrij
toegankelijke programma-aanbod dat hij verspreidt naar alle
aangeslotenen op het omroepnetwerk.
Artikel 6.21
1.De programmaraad maakt bij zijn
advisering een duidelijk onderscheid tussen advisering als bedoeld in
artikel 6.20, eerste lid, en advisering als bedoeld in het derde lid
van dat artikel.
2.Onverminderd de artikelen 6.13 en
6.14, gaat de programmaraad in zijn advisering uit van een pluriforme
samenstelling van het pakket aan vrij toegankelijk programma-aanbod,
rekening houdend met de in de gemeente levende maatschappelijke,
culturele, godsdienstige en geestelijke behoeften.
Artikel 6.22
Deze paragraaf is niet van toepassing op
de aanbieder van een omroepnetwerk aan wie het Commissariaat ontheffing
heeft verleend op grond van artikel 6.14, tweede lid.
Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte
Artikel 6.23
1.Onze Minister, handelend in
overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, wijst de
frequentieruimte in de FM-band aan die wordt gebruikt voor het
verspreiden van radioprogramma-aanbod dat overwegend bestaat uit
Nederlandstalige muziek. Bij ministeriële regeling wordt nader
omschreven in welke gevallen radioprogramma-aanbod aan deze eis
voldoet.
2.Onze Minister, handelend in
overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, wijst andere
frequentieruimte in de FM-band aan die slechts mag worden gebruikt
voor het verspreiden van bij die aanwijzing vast te stellen
categorieën radioprogramma-aanbod dat, gelet op de aard, inhoud of
doelgroep, verhoudingsgewijs lage inkomsten uit reclame of
verhoudingsgewijs hoge kosten meebrengt.
3.Als aard en omvang van de
frequentieruimte in de FM-band die beschikbaar is voor het verspreiden
van radioprogramma-aanbod daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister,
handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad,
afzien van het aanwijzen van frequentieruimte in de FM-band op grond
van het eerste en tweede lid.
Artikel 6.24
1.Voor de verspreiding van het
radioprogramma-aanbod van eenzelfde instelling wordt niet meer
frequentieruimte gebruikt dan één FM-frequentie of samenstel van
FM-frequenties.
2.Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur wordt bepaald in welke gevallen een aantal met elkaar
verbonden instellingen voor de toepassing van het eerste lid als één
instelling wordt aangemerkt.
3.Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan worden afgeweken van het eerste lid als dat wenselijk
is vanuit een oogpunt van doelmatig gebruik van frequentieruimte,
waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen verschillende
categorieën frequentieruimte, bestaande uit FM-frequenties en
samenstellen van FM-frequenties.
Artikel 6.25
Deartikelen 6.23 en 6.24 zijn niet van
toepassing op:
a. de frequentieruimte die wordt
gebruikt voor de verspreiding van programma-aanbod van de publieke
mediadiensten; en
b. frequentieruimte die wordt
gebruikt ten behoeve van verspreiding via een satelliet.
Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden en
omroepdiensten voor buitenlandse militairen
Artikel 6.26
1.Bij algemene maatregel van bestuur
worden, op voordracht van Onze Minister-President, Minister van
Algemene Zaken, na overleg met Onze Minister, regels gesteld op grond
waarvan in geval van buitengewone omstandigheden het gebruik van
programmakanalen van de publieke mediadiensten, studio’s en andere
faciliteiten, omroepzenders, omroepnetwerken en andere hulpmiddelen
ter beschikking worden gesteld aan de bij of krachtens die algemene
maatregel van bestuur aangewezen autoriteiten.
2.Onze Minister-President, Minister van
Algemene Zaken, is bevoegd in de algemene noodtoestand, na overleg met
Onze Minister, regels te stellen ten aanzien van de inhoud van radio-
en televisieprogramma’s en het toezicht daarop, waarbij kan worden
afgeweken van het bepaalde inartikel 7.11.
3.De in het tweede lid bedoelde
bevoegdheid wordt onverwijld beëindigd zodra artikel 31, eerste lid,
van de Oorlogswet voor Nederland in werking wordt gesteld.
Artikel 6.27
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld over het verzorgen van omroepdiensten die
uitsluitend bestemd zijn voor de in Nederland gelegerde militairen van
buitenlandse strijdkrachten en hun gezinnen.
Hoofdstuk 7. Toezicht en
bestuursrechtelijke handhaving
Titel 7.1. Commissariaat voor de Media
Artikel 7.1
1.Er is een Commissariaat voor de
Media.
2.Het Commissariaat heeft
rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in de gemeente Hilversum.
3.Het Commissariaat is belast met de
uitvoering van taken die hem zijn opgedragen bij of krachtens deze wet
en andere wetten.
Artikel 7.2
Op het Commissariaat is de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
Artikel 7.3
1.Het Commissariaat bestaat uit een
voorzitter en twee of vier andere leden.
2.Een benoeming geschiedt voor vijf
jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal
mogelijk.
Artikel 7.4
Onverminderd artikel 13 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen zijn onverenigbaar met het lidmaatschap van
het Commissariaat:
a. het lidmaatschap van een van beide
Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een
gemeentebestuur;
b. een dienstbetrekking bij een
ministerie, een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de
verantwoordelijkheid van een minister; en
c. het lidmaatschap van een orgaan
van of een dienstbetrekking bij de NPO, een publieke
media-instelling, een commerciële media-instelling of een uitgever
van een persorgaan.
Artikel 7.5
1.Het Commissariaat neemt besluiten bij
meerderheid van stemmen.
2.Het Commissariaat kan alleen met
instemming van alle leden aan één of meer van zijn leden mandaat en
machtiging verlenen voor het uitvoeren van delen van zijn taak.
3.Het Commissariaat stelt inzake zijn
besluitvorming en werkwijze een bestuursreglement vast.
Artikel 7.6
De kosten van het Commissariaat worden
door Onze Minister vergoed op basis van de door hem goedgekeurde
begroting.
Artikel 7.7
1.Onverminderd artikel 34 van de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen dient het Commissariaat
jaarlijks voor 1 september bij Onze Minister een financieel verslag in
over het beheer van de algemene mediareserve, bedoeld in artikel
2.166.
2.Het financieel verslag gaat vergezeld
van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid,
afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek en behoeft de instemming van Onze Minister.
3.Het Commissariaat maakt het
financieel verslag openbaar.
Artikel 7.8
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld over de inhoud en inrichting van de begroting, het
financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.
Artikel 7.9
1.Het Commissariaat zendt besluiten zo
spoedig mogelijk na de bekendmaking aan Onze Minister.
2.Besluiten van het Commissariaat
kunnen binnen acht weken na ontvangst daarvan door Onze Minister dan
wel gedurende de tijd dat het besluit is geschorst worden vernietigd.
3.Besluiten van het Commissariaat
kunnen binnen acht weken na ontvangst daarvan door Onze Minister
worden geschorst.
4.Van een besluit tot schorsing,
opheffing of verlenging van de schorsing wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
Artikel 7.10
Het Commissariaat plaatst besluiten tot
vaststelling van nadere regels op grond van deze wet en tot vaststelling
van beleidsregels over de uitvoering van zijn taken in de Staatscourant.
Titel 7.2. Toezicht en handhaving
Artikel 7.11
1. Het Commissariaat is belast met de
bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze
wet, met uitzondering van:
a. deartikelen 2.2 tot en met 2.22,
2.24 tot en met 2.33, 2.34a tot en met 2.34j, 2.36 tot en met
2.41, 2.53 tot en met 2.57, 2.59, 2.60, 2.73 tot en met 2.87,
2.125 tot en met 2.131, 2.143 tot en met 2.145, 2.149, 2.150,
eerste lid, 2.151, eerste lid, 2.158, 2.163, 2.164, eerste en
tweede lid, 2.166 tot en met 2.168, 2.180 tot en met 2.187, 4.2
tot en met 4.5 en 6.26; en
b. hoofdstuk 8.
2. Met het toezicht op de naleving zijn
belast de leden van het Commissariaat en de bij besluit van het
Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat.
3. Van een besluit als bedoeld in het
tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 7.12
1. Bij overtreding van het bepaalde bij
of krachtens deze wet, met uitzondering van de artikelen 2.34, eerste
lid, 2.58, onderdelen a tot en met c, en e, en2.170, of artikel 5:20
van de Algemene wet bestuursrecht kan het Commissariaat aan de
overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 225 000
per overtreding.
2. De bestuurlijke boete bij
overtreding van het bepaalde in artikel 2.34, eerste lid, bedraagt
tien procent van het totale bedrag aan gelden dat gemiddeld in de
kalenderjaren voorafgaand aan de overtreding tijdens de lopende
erkenningsperiode aan de omroepvereniging ter beschikking is gesteld
voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke
mediadienst.
3. Bij overtreding van het bepaalde bij
of krachtens de artikelen 2.132 tot en met 2.134, 6.10 tot en met 6.14
en 6.20 kan het Commissariaat aan de overtreder een last onder
dwangsom opleggen.
Artikel 7.13
De te betalen geldsommen van de
bestuurlijke boeten en dwangsommen komen toe aan Onze Minister en zijn
bestemd voor door hem te bepalen mediadoelen in brede zin, met
uitzondering van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 7.12, tweede
lid, die wordt toegevoegd aan de algemene mediareserve, bedoeld in
artikel 2.166.
Artikel 7.14
1.Bij overtreding van het bepaalde bij
of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht kan het Commissariaat, naast of in plaats van het
opleggen van een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom:
a. de in artikel 2.51 bedoelde uren
van de desbetreffende instelling voor ten hoogste twaalf weken
intrekken;
b. de in deartikelen 2.49, eerste
lid, 6.1 en 6.5 bedoelde uren van de desbetreffende instelling
verminderen of intrekken; en
c. de uren intrekken of verminderen
die de Ster op grond van artikel 2.95 op de programmakanalen van
de landelijke publieke mediadienst ter beschikking heeft.
2.De bevoegdheden, bedoeld in het
eerste lid, heeft het Commissariaat ook wanneer de raad van bestuur
het Commissariaat heeft verzocht de uren van de desbetreffende
instelling te verminderen of in te trekken omdat:
a. aan een instelling die
media-aanbod voor de landelijke publieke omroepdienst verzorgt
voor twee achtereenvolgende jaren een sanctie als bedoeld in
artikel 2.154 is opgelegd; of
b. een omroepvereniging of de
educatieve media-instelling naar de mening van de raad van bestuur
onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking
ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst.
Artikel 7.15 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1.Bij een onherroepelijke veroordeling
tot een onvoorwaardelijke geldboete op grond van artikel 137d van het
Wetboek van Strafrecht verbiedt het Commissariaat:
a. een omroepvereniging, de
educatieve media-instelling en een kerkgenootschap of genootschap
op geestelijke grondslag tijdelijk een erkenning of aanwijzing als
bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 2.2.2 respectievelijkafdeling
2.2.4, te gebruiken;
b. een regionale of lokale publieke
media-instelling tijdelijk een aanwijzing als bedoeld in hoofdstuk
2, paragraaf 2.3.1, te gebruiken; en
c. een commerciële
media-instelling tijdelijk een toestemming als bedoeld in
hoofdstuk 3, titel 3.1, te gebruiken.
2.Een verbod geldt voor een periode
van:
a. één jaar, bij een geldboete
van minder dan€ 1 125;
b. twee jaar, bij een geldboete van
€ 1 125 of meer, maar minder dan€ 2 250;
c. drie jaar, bij een geldboete van
€ 2 250 of meer, maar minder dan € 3 375; en
d. vier jaar, bij een geldboete van
€ 3 375 of meer.
Artikel 7.16
1. Tijdens de periode van intrekking
van uren als bedoeld in artikel 7.14:
a. isartikel 2.51, derde lid, niet
van toepassing; en
b. bestaat geen recht op een
financiële bijdrage voor de verzorging van het programma-aanbod.
2. Tijdens de periode van vermindering
van uren wordt de financiële bijdrage voor de verzorging van het
programma-aanbod evenredig verminderd.
3. Tijdens de periode van een verbod
als bedoeld in artikel 7.15, eerste lid, bestaat geen recht op een
financiële bijdrage voor de verzorging van het media-aanbod.
Artikel 7.17
Bij intrekking of vermindering van uren
of een verbod als bedoeld inartikel 7.15, eerste lid, kan het
Commissariaat als dat nodig is de verdeling van de uren, bedoeld in de
artikelen 2.49, eerste lid, 6.1 en6.5, herzien.
Artikel 7.18
1. De publieke en commerciële
media-instellingen, alsmede politieke partijen en de overheid bewaren
gedurende twee weken na de uitzending opnamen van het door hen
verzorgde programma-aanbod en stellen deze desgevraagd ter beschikking
van het Commissariaat.
2. Een media-instelling die een
mediadienst op aanvraag verzorgt, bewaart haar media-aanbod nog
gedurende twee weken vanaf het moment dat het aanbod niet meer op
aanvraag kan worden afgenomen en stelt het desgevraagd ter beschikking
van het Commissariaat.
Artikel 7.19
1. De inartikel 7.11, tweede lid,
bedoelde toezichthouders zijn bevoegd:
a. met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner; en
b. bedrijfsruimten en voorwerpen te
verzegelen gedurende de tijd gelegen tussen 18.00 uur en 08.00 uur
voor zover dat voor de uitoefening van de in artikel 5:17 van de
Algemene wet bestuursrecht genoemde bevoegdheden redelijkerwijs
nodig is.
2. De toezichthouders oefenen de in het
eerste lid genoemde bevoegdheden zo nodig uit met behulp van de sterke
arm.
Artikel 7.20
1.Het Commissariaat stelt jaarlijks
vóór 1 november Onze Minister in kennis van het voorgenomen
handhavingsbeleid in het volgende kalenderjaar.
2.Het Commissariaat oefent geen
voorafgaand toezicht uit op de inhoud van media-aanbod.
Hoofdstuk 8. De pers
Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de pers
Artikel 8.1
1.Er is een Stimuleringsfonds voor de
pers.
2.Het Stimuleringsfonds heeft
rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in de gemeente ’s-Gravenhage.
Artikel 8.2
1.In dit hoofdstuk word verstaan onder:
Stimuleringsfonds:
Stimuleringsfonds voor de pers.
2.Op het Stimuleringsfonds is de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing met uitzondering
van artikel 22.
Artikel 8.3
1.Het Stimuleringsfonds heeft tot doel
het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit van de pers, voor
zover die van belang is voor de informatie en opinievorming.
2.Het Stimuleringsfonds is belast met:
a. het verstrekken van subsidies;
b. het verrichten of doen
verrichten van onderzoek met betrekking tot het functioneren van
de pers; en
c. de uitvoering van overige taken
die hem zijn opgedragen bij of krachtens deze wet en andere
wetten.
Artikel 8.4
1.Het Stimuleringsfonds heeft een
bestuur dat bestaat uit een voorzitter en zes andere leden.
2.Een benoeming geschiedt voor vijf
jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal
mogelijk.
Artikel 8.5
Onverminderd artikel 13 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen zijn met het lidmaatschap van het bestuur
van het Stimuleringsfonds onverenigbaar:
a. het lidmaatschap van een van beide
Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een
gemeentebestuur;
b. een dienstbetrekking bij een
ministerie, een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de
verantwoordelijkheid van een minister; en
c. het lidmaatschap van een orgaan
van of een dienstbetrekking bij de NPO, een publieke
media-instelling, een commerciële media-instelling of een uitgever
van een persorgaan.
Artikel 8.6
1.Het Stimuleringsfonds neemt besluiten
bij meerderheid van stemmen.
2.Het Stimuleringsfonds kan slechts met
instemming van alle leden aan één of meer van zijn leden mandaat en
machtiging verlenen voor het uitvoeren van delen van zijn taak.
3.Het Stimuleringsfonds stelt inzake
zijn besluitvorming en werkwijze een bestuursreglement vast.
Artikel 8.7
Onze Minister vergoedt uit de in artikel
8.8 bedoelde inkomsten en uit andere beschikbare financiële middelen de
kosten van het Stimuleringsfonds op basis van de door hem goedgekeurde
begroting.
Artikel 8.8
1.Bij ministeriële regeling:
a. kan worden bepaald welk
percentage, dat ten hoogste vier procent bedraagt, van de
inkomsten uit reclame- en telewinkelboodschappen van
onderscheidenlijk de landelijke, regionale en lokale publieke
mediadiensten en de commerciële media-instellingen jaarlijks
wordt uitgekeerd ten behoeve van het Stimuleringsfonds voor de
pers; en
b. kunnen regels worden gesteld
over de vaststelling van de in onderdeel a bedoelde inkomsten.
2.Regionale en lokale publieke
media-instellingen en commerciële media-instellingen voldoen
jaarlijks het met toepassing van het eerste lid vastgestelde bedrag
aan het Commissariaat, dat het ter beschikking stelt aan Onze
Minister.
Artikel 8.9
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld over de inrichting van de begroting, het financieel
verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.
Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten
behoeve van persorganen
Artikel 8.10
1.Het Stimuleringsfonds kan binnen de
door Onze Minister beschikbaar gestelde bedragen subsidie verstrekken
op grond van deze titel.
2.Subsidie wordt alleen verstrekt ten
behoeve van persorganen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. zij worden in Nederland
uitgegeven en zijn bestemd voor het publiek in Nederland;
b. zij bevatten in belangrijke mate
nieuws, analyse, commentaar en achtergrondinformatie over een
gevarieerd deel van de maatschappelijke actualiteit, mede in het
belang van politieke meningsvorming;
c. zij worden geredigeerd door een
zelfstandige redactie op basis van een statuut waarin de
redactionele identiteit is neergelegd;
d. zij verschijnen regelmatig en
ten minste maandelijks;
e. zij zijn voor iedereen
verkrijgbaar;
f. zij worden verkrijgbaar gesteld
tegen betaling;
g. zij worden niet uitgegeven door
of vanwege de overheid; en
h. zij worden niet uitgegeven of
verspreid in samenhang met het lidmaatschap, donateurschap of
deelnemerschap van een vereniging, kerkgenootschap of andere
organisatie.
Artikel 8.11
1.Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve
van een persorgaan aan de uitgever daarvan subsidie verstrekken in de
vorm van kredieten of kredietfaciliteiten voor de uitvoering van een
project dat gericht is op een rendabele exploitatie van het
persorgaan.
2.Subsidie wordt alleen verstrekt als:
a. de continuïteit van het
persorgaan in gevaar is;
b. de noodzakelijke financiële
middelen niet of niet afdoende op andere wijze kunnen worden
verkregen;
c. het project wordt uitgevoerd
volgens een activiteitenplan dat uitzicht biedt op een rendabele
exploitatie van het persorgaan binnen een redelijke periode; en
d. het activiteitenplan door het
Stimuleringsfonds is goedgekeurd.
3.Uitsluitend ten behoeve van een
eenmalige reorganisatie van een persorgaan kan de subsidie worden
verstrekt in de vorm van een uitkering als het activiteitenplan niet
op doeltreffende wijze kan worden uitgevoerd met kredieten of
kredietfaciliteiten.
Artikel 8.12
1.Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve
van het starten van de exploitatie van een persorgaan aan de uitgever
daarvan subsidie verstrekken in de vorm van kredieten of
kredietfaciliteiten.
2.Subsidie wordt alleen verstrekt als:
a. het persorgaan ten minste zes
keer per week verschijnt;
b. het starten van de exploitatie
zonder subsidie niet mogelijk is;
c. het starten van de exploitatie
plaatsvindt volgens een activiteitenplan dat uitzicht biedt op een
rendabele exploitatie binnen een redelijke periode; en
d. het activiteitenplan door het
Stimuleringsfonds is goedgekeurd.
3.Subsidie kan worden verstrekt tot ten
hoogste de helft van de in het activiteitenplan begrote kosten die
zijn berekend volgens door het Stimuleringsfonds vast te stellen
richtlijnen over een periode van ten hoogste vier jaar vanaf de start
van de exploitatie.
4.Als de werkelijke exploitatietekorten
lager zijn dan de voorziene exploitatiekosten kan de subsidie lager
worden vastgesteld tot ten hoogste vijfentwintig procent van de
werkelijke exploitatietekorten.
Artikel 8.13
1.Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve
van twee of meer persorganen gezamenlijk aan de uitgever of uitgevers
daarvan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project
gericht op het verbeteren van de exploitatiepositie van die
persorganen.
2.Subsidie wordt alleen verstrekt als:
a. het project wordt uitgevoerd
volgens een activiteitenplan dat door de verantwoordelijke
uitgever of door de verantwoordelijke uitgevers gezamenlijk is
opgesteld en dat uitzicht biedt op een structurele verbetering van
de exploitatiepositie van de persorganen binnen een redelijke
termijn;
b. het project past in de
doelstellingen van het Stimuleringsfonds; en
c. het activiteitenplan door het
Stimuleringsfonds is goedgekeurd.
Artikel 8.14
1.Het Stimuleringsfonds kan voor het
verrichten van organisatieonderzoek dat gericht is op structurele
verbetering van de exploitatiepositie van een persorgaan aan de
uitgever daarvan subsidie verstrekken.
2.Subsidie wordt alleen verstrekt als:
a. de exploitatie in het boekjaar
voorafgaand aan de aanvraag van de subsidie verliesgevend is
geweest of dreigde te worden;
b. door de uitgever een voorstel is
ingediend dat de opzet en uitvoering van het onderzoek bevat;
c. het voorgestelde onderzoek past
in de doelstellingen van het Stimuleringsfonds; en
d. het voorstel voor het onderzoek
door het Stimuleringsfonds is goedgekeurd.
3.Subsidie kan worden verstrekt tot ten
hoogste tweederde deel van de kosten van het onderzoek.
Titel 8.3. Overige vormen
subsidieverstrekking
Artikel 8.15
1.Het Stimuleringsfonds kan subsidie
verstrekken voor het verrichten van onderzoek ten behoeve van de
persbedrijfstak als geheel.
2.Subsidie wordt alleen verstrekt als:
a. een voorstel is ingediend dat de
opzet en uitvoering van het onderzoek bevat;
b. het voorgestelde onderzoek
betrekking heeft op de bedrijfstak als geheel en past in de
doelstellingen van het Stimuleringsfonds; en
c. het voorstel voor het onderzoek
is goedgekeurd door het Stimuleringsfonds.
Titel 8.4. Overige bepalingen
Artikel 8.16
1.Het Stimuleringsfonds kan ieder jaar
subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende activiteiten
waarvoor subsidie kan worden verstrekt.
2.Een besluit tot vaststelling van een
subsidieplafond wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
Artikel 8.17
1.Subsidies worden verstrekt op
aanvraag.
2.Het Stimuleringsfonds kan een
aanvraag voorleggen aan een externe adviesinstantie.
3.Het Stimuleringsfonds waarborgt dat
vertrouwelijke gegevens betreffende de bedrijfsvoering van de
aanvrager als zodanig behandeld worden.
Artikel 8.18
Verplichtingen die het Stimuleringsfonds
aan een subsidieontvanger oplegt hebben geen betrekking op de inhoud van
een persorgaan.
Artikel 8.19
Het Stimuleringsfonds maakt een besluit
tot verlening van een subsidie binnen een week nadat het besluit is
genomen bekend in de Staatscourant, met vermelding van de hoogte van de
subsidie.
Artikel 8.20
1.Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld over:
a. de nadere voorwaarden voor het
verkrijgen van subsidie;
b. de verplichtingen die het
Stimuleringsfonds bij de subsidieverstrekking kan opleggen;
c. de indiening en wijze van
behandeling van aanvragen;
d. de hoogte van subsidies en de
wijze van berekening daarvan;
e. de wijze waarop de beschikbare
financiële middelen voor de verschillende subsidies worden
verdeeld als een subsidieplafond is vastgesteld;
f. de verstrekking van
voorschotten; en
g. de intrekking, wijziging en
terugvordering van subsidies.
2.Voorwaarden als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, hebben geen betrekking op de inhoud van een
persorgaan.
Artikel 8.21
1. Met het toezicht op de naleving van
de bepalingen en voorschriften die op grond van dit hoofdstuk gelden
voor subsidieontvangers zijn belast de leden van het Stimuleringsfonds
en de bij besluit van het Stimuleringsfonds aangewezen medewerkers van
het Stimuleringsfonds.
2. Van een besluit als bedoeld in het
eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Titel 9.1. Overgangsbepalingen
Artikel 9.1
In afwijking van artikel 2.144, eerste
lid, tweede volzin, bedraagt de vermeerdering van de rijksmediabijdrage:
a. € 49,799 miljoen voor het jaar
2008;
b. € 48,387 miljoen voor het jaar
2009;
c. € 47,985 miljoen voor het jaar
2010.
Artikel 9.2
De artikelen 2.94, tweede lid, onderdeel
b, en3.7, tweede lid, onderdeel b, zijn tot één jaar na het tijdstip
waarop deze wet in werking treedt niet van toepassing op de verspreiding
van reclame- en telewinkelboodschappen ter uitvoering van overeenkomsten
met adverteerders die zijn aangegaan vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 9.3
Hoofdstuk VII van de Mediawet zoals die
wet luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wet in
werking treedt, blijft tot 1 januari 2011 van kracht, met dien verstande
dat de in de artikelen 89 en 90 van genoemd hoofdstuk bedoelde gelden
ter beschikking worden gesteld aan de raad van bestuur.
Artikel 9.4
1.Concessies, erkenningen,
zendtijdtoewijzingen, toestemmingen en ontheffingen die zijn verleend
op grond van de Mediawet zoals die wet luidde op de dag voorafgaande
aan het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, worden geacht te
zijn verleend op grond van deze wet voor de duur waarvoor zij zijn
gegeven.
2.Benoemingen op grond van de Mediawet
zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip waarop
deze wet in werking treedt, worden geacht te zijn geschied op grond
van deze wet voor de duur van de benoemingstermijn.
Artikel 9.5
Voor overtredingen van het bepaalde bij
of krachtens de Mediawet zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan
het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, en ten aanzien van voor
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangevangen bezwaar- en
beroepsprocedures blijft de Mediawet zoals die wet luidde op de dag
voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, van
toepassing.
Artikel 9.6
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
tot twee jaar na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, in
gevallen waarin deze wet niet voorziet, regels worden gesteld met
betrekking tot de invoering van artikelen van deze wet of onderdelen
daarvan.
Titel 9.2. Wijziging van andere wetten
Artikel 9.7 [Vervallen per 17-07-2009]
Artikel 9.8 [Vervallen per 17-07-2009]
Artikel 9.9 [Vervallen per 17-07-2009]
Artikel 9.10 [Vervallen per 17-07-2009]
Artikel 9.11 [Vervallen per 17-07-2009]
Artikel 9.12 [Vervallen per 17-07-2009]
Artikel 9.13 [Vervallen per 17-07-2009]
Artikel 9.14 [Vervallen per 17-07-2009]
Titel 9.3. Slotbepalingen
Artikel 9.15
De voordracht voor een krachtens de
artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 9.16
Onze Minister stelt regels ter uitvoering
van de artikelen 12, 15 en 16 van de Europese richtlijn, voor zover naar
het oordeel van Onze Minister een of meer van deze artikelen niet, niet
voldoende, niet juist of niet tijdig zijn uitgewerkt in de Nederlandse
Reclame Code of in een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot
stand gebrachte regeling, dan wel de Stichting Reclame Code in gebreke
blijft met het toezicht daarop.
Artikel 9.17
Een wijziging van de Europese richtlijn
gaat voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen
1.2, 2.115 tot en met 2.121,3.20 tot en met 3.23, en hoofdstuk 5 gelden
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 9.17a
Vooruitlopend op wetgeving ter zake
kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor vormen van
audiovisuele commerciële communicatie in de zin van artikel 1 van de
Europese richtlijn waarop de hoofdstukken 1 tot en met 8 van deze wet
niet van toepassing zijn.
Artikel 9.18
Na inwerkingtreding van deze wet:
a. berust het besluit van 31 oktober
1989 (Stb. 499), houdende regels over de rechtspositie en de
bezoldiging van de voorzitter en de leden van het Commissariaat voor
de Media en van zijn personeel alsmede van de voorzitter en de leden
van het bestuur van het Bedrijfsfonds voor de Pers en zijn personeel
op deartikelen 7.4, vierde lid, en 8.5, vierde lid, van deze wet;
b. berust het besluit van 23 juni
1988 (Stb. 341), houdende regelen ter uitvoering van artikel 173 van
de Mediawet, op artikel 6.26, eerste lid, van deze wet;
c. berust de Regeling toezichtskosten
commerciële omroep op artikel 3.30, tweede lid, van deze wet;
d. berust de Regeling aanwijzing en
gebruik frequentieruimte commerciële radio-omroep 2003 op artikel
6.23, eerste en tweede lid, van deze wet;
Artikel 9.19
De Mediawet wordt ingetrokken.
Artikel 9.20
1.Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2.Als deze wet na 31 december 2008 in
werking treedt, werken de artikelen 2.143, 2.144 en 9.1, onderdeel a,
terug tot en met 1 januari 2008.
Artikel 9.21
1. Deze wet wordt aangehaald als:
Mediawet 2008.
2. Bij plaatsing in het Staatsblad
wordt de in deze wet voorkomende aanduiding "20.." telkens
vervangen door het jaartal van het Staatsblad waarin deze wet
wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
29 december 2008
BEATRIX
De Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.H.A. Plasterk
Uitgegeven de
dertigste december 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|