|
Nadere regelgeving:
- Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten
- Regeling tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten
WET van 29 december 2008 tot regeling van een
tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten (Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is dat chronisch zieken en gehandicapten die worden
geconfronteerd met hoge uitgaven in verband met gezondheidsproblemen
hiervoor een tegemoetkoming ontvangen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepaling
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. rechthebbende: persoon die recht heeft op een tegemoetkoming
voor chronisch zieken en gehandicapten als bedoeld in paragraaf 2.1
van deze wet;
b. het CAK: het CAK, genoemd in artikel 48, eerste lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
c. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
d. burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;
e. inspecteur: inspecteur als bedoeld in artikel 2, derde lid,
onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
f. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21,
onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Hoofdstuk 2. Tegemoetkomingen in verband met gezondheidsproblemen
§ 2.1. Algemene tegemoetkoming voor chronisch zieken en
gehandicapten
Artikel 2
1. Recht op een van de draagkracht afhankelijke tegemoetkoming van
het CAK heeft degene die in het berekeningsjaar behoort tot een bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen groep van
personen:
a. die gebruik maken van hulpmiddelenzorg, farmaceutische zorg,
fysiotherapie, oefentherapie of geneeskundige zorg die behoort tot
de verzekerde prestaties op grond van de Zorgverzekeringswet,
b. voor wie ingevolge artikel 9b, eerste of vierde lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is vastgesteld dat zij
aanspraak hebben op zorg, of
c. die gebruik maken van een individuele voorziening, die
beoogt hen in staat te stellen een huishouden te voeren als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, dan wel zich te
verplaatsen in en om de woning als bedoeld in artikel 4, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de hoogte van de
tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld, waarbij de
hoogte van de tegemoetkoming voor verschillende groepen op een
verschillend bedrag kan worden vastgesteld.
3. De criteria, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met c,
kunnen indien dit met het oog op een betere werking van deze wet op
korte termijn noodzakelijk wordt geacht, bij algemene maatregel van
bestuur worden aangevuld.
4. Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens het derde
lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van
wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij
de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of
indien een van de beide kamers der Staten-Generaal besluit het
voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur
onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt
de algemene maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van
inwerkingtreding van die wet.
5. In afwijking in zoverre van de tweede en derde volzin van het
vierde lid wordt, in geval de wijzigingen in de krachtens het derde
lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur meer omvatten dan een
aanvulling van de criteria, genoemd in het eerste lid, onder a tot en
met c, de algemene maatregel van bestuur niet ingetrokken, maar
zodanig gewijzigd dat onverwijld dan wel met terugwerkende kracht tot
en met de datum van inwerkingtreding van de wet uitsluitend de
criteria waarmee de criteria, genoemd in het eerste lid, onder a tot
en met c, zijn aangevuld, vervallen.
Artikel 2a
1. Geen recht op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, bestaat indien het toetsingsinkomen in het tweede jaar
voorafgaande aan het berekeningsjaar hoger was dan € 24 570,– of
indien het een belanghebbende met een partner betreft, hoger was dan
€ 35 100,–.
2. In afwijking van artikel 3 van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen wordt voor de toepassing van artikel 2
en dit artikel onder partner van belanghebbende verstaan degene die,
bezien naar de situatie op de laatste dag van het berekeningsjaar, de
niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot is en degene die op grond
van artikel 1, tweede tot en met zevende lid, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten met een echtgenoot is gelijk gesteld of mede
als gehuwd of als echtgenoot is aangemerkt.
3. Geen recht op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, bestaat in afwijking van het eerste lid, voor degene die op de
laatste dag van het berekeningsjaar minderjarig is, indien het
toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het
berekeningsjaar hoger was dan € 24 570,– of indien op hetzelfde
woonadres als de minderjarige, de ouders of een ouder en diens
partner, op de laatste dag van het berekeningsjaar in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens staan ingeschreven, hoger was dan
€ 35 100,–.
4. Voor degene die op de laatste dag van het berekeningsjaar
minderjarig is, wordt in afwijking van artikel 7 van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, het toetsingsinkomen van zijn tot het
voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud verplichte ouders dan
wel een van zijn ouders en diens partner, die op de laatste dag van
het berekeningsjaar op hetzelfde woonadres als de minderjarige in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staan ingeschreven,
voor de toepassing van het derde lid in aanmerking genomen.
5. Het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van een
belanghebbende indien:
a. zijn partner krachtens artikel 2, eerste lid, recht heeft op
een hogere tegemoetkoming dan de belanghebbende of recht heeft op
een even hoge tegemoetkoming en ouder is dan de belanghebbende, of
b. een persoon die op de laatste dag van het berekeningsjaar
minderjarig is, op hetzelfde woonadres als de belanghebbende in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens stond
ingeschreven en behoorde tot het huishouden van de belanghebbende
en die krachtens artikel 2, eerste lid, recht heeft op een hogere
tegemoetkoming dan de belanghebbende.
6. Het derde lid vindt geen toepassing ten aanzien van een
belanghebbende indien een persoon die op de laatste dag van het
berekeningsjaar op hetzelfde woonadres als de belanghebbende in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens stond ingeschreven
en behoorde tot het huishouden van de belanghebbende, en die krachtens
artikel 2, eerste lid, recht heeft op een hogere tegemoetkoming dan
belanghebbende of een even hoge tegemoetkoming als belanghebbende en
ouder is dan de belanghebbende.
7. De hoogte van het toetsingsinkomen waarboven geen aanspraak
bestaat op de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid
onderscheidenlijk derde lid, kunnen jaarlijks bij regeling van Onze
Minister worden gewijzigd voor zover de tabelcorrectiefactor, genoemd
in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, daar aanleiding
toe geeft.
8. In afwijking van artikel 2, eerste lid, heeft degene die niet
verzekerd is krachtens een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet, geen recht op de
tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, tenzij hij militaire
ambtenaar in werkelijke dienst is als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel a juncto onderdeel b, van de Militaire ambtenarenwet
1931, dan wel een militair is aan wie buitengewoon verlof met behoud
van militaire inkomsten is verleend.
9. Het CAK verleent bij het ontbreken van een in aanmerking te
nemen toetsingsinkomen, de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2,
eerste lid.
Artikel 2b
Geen recht op een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, wordt
verleend voor degene die gedurende het kalenderjaar waarop de
tegemoetkoming betrekking heeft, is overleden.
Artikel 3
1. Het bestuur van het CAK stelt ambtshalve het recht op en de
hoogte van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, vast.
2. Het CAK verstrekt de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, voor het einde van het kalenderjaar volgend op het
berekeningsjaar.
Artikel 4
1. Indien iemand die meent rechthebbende te zijn of zijn erfgenaam
het CAK verzoekt om informatie over de gronden waarop een
tegemoetkoming is verleend of geweigerd, verstrekt het CAK binnen 30
dagen na het verzoek kosteloos en in begrijpelijke taal schriftelijk
de gevraagde informatie. Het verzoek kan worden gedaan vanaf 1
november van het kalenderjaar volgend op het berekeningsjaar. Het CAK
gaat bij dit verzoek, na toestemming van verzoeker, bij
zorgverzekeraars als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de
Zorgverzekeringswet, indicatieorganen als bedoeld in artikel 9a of
stichtingen als bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten, colleges van burgemeester en wethouders of
andere bij algemene maatregel van bestuur bepaalde instanties als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, na onder welke criteria als bedoeld
bij of krachtensartikel 2, eerste lid, degene die meent rechthebbende
te zijn, valt en deelt de uitkomst hiervan aan verzoeker mede. De
verzoeker legitimeert zich desgevraagd op deugdelijke wijze.
2. Indien iemand die meent rechthebbende te zijn of diens erfgenaam
na afloop van de termijn, genoemd in het eerste lid, geen antwoord
heeft gekregen van het CAK dan wel het antwoord onvoldoende acht,
delen de in het eerste lid genoemde en bedoelde instanties op verzoek
van hem of zijn erfgenaam binnen 30 dagen na het verzoek kosteloos en
in begrijpelijke taal schriftelijk mede onder welke criteria, met
inbegrip van de onderliggende zorggegevens, als bedoeld bij of
krachtens artikel 2, eerste lid, degene die meent rechthebbende te
zijn, valt.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
vorm waarin de informatie wordt verstrekt.
Artikel 5
1. Zorgverzekeraars als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de
Zorgverzekeringswet, indicatieorganen als bedoeld in artikel 9a van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, colleges van burgemeester en
wethouders en andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
instanties verstrekken aan het CAK persoonsgegevens, waaronder
persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, van de personen, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onder a, b en c, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
door het CAK van de in artikel 3, eerste en tweede lid, bedoelde taak.
2. Stichtingen als bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verstrekken aan indicatieorganen
als bedoeld in het eerste lid de persoonsgegevens, waaronder
persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, van de door hen voor zorg als bedoeld in
eerstgenoemde wet geďndiceerde cliënten, die noodzakelijk zijn om te
kunnen vaststellen of recht op een tegemoetkoming bestaat.
3. Het CAK neemt voor de uitvoering van zijn in artikel 3, eerste
en tweede lid, bedoelde taak in zijn administratie het
burgerservicenummer op van:
a. de personen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b en
c en hun partners, en
b. de ouders en in voorkomend geval de partner van een ouder
van zodanige personen die op de laatste dag van het
berekeningsjaar minderjarig zijn.
4. Het CAK verstrekt voor de uitvoering van zijn in artikel 3,
eerste en tweede lid, bedoelde taak aan de inspecteur het
burgerservicenummer van de personen, bedoeld in het derde lid.
5. De inspecteur verstrekt aan het CAK met betrekking tot de
personen van wie het CAK het burgerservicenummer heeft verstrekt, de
niet in Nederland belastbare inkomens, bedoeld in artikel 8, tweede
lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn in artikel 3, eerste en
tweede lid, bedoelde taak.
6. De inspecteur verstrekt aan het CAK de twee of meer
burgerservicenummers van degenen die volgens de registratie van de
rijksbelastingdienst, op de laatste dag van het berekeningsjaar
woonden op het door het CAK verstrekte woonadres.
7. Het CAK stelt voor de personen waarvan de inspecteur de
burgerservicenummers heeft verstrekt, vast of ze op de laatste dag van
het berekeningsjaar, in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens, op hetzelfde woonadres als een belanghebbende staan
ingeschreven.
8. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald tot welke
gegevens de verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zich
uitstrekken en in welke gevallen de gegevens, bedoeld in het eerste,
tweede en derde lid, verder worden verwerkt met het oog op de
uitvoering van de in artikel 3, eerste en tweede lid, bedoelde taak.
9. Bij ministeriële regeling wordt bepaald:
a. volgens welke technische standaarden gegevensverwerking door
het CAK plaatsvindt;
b. aan welke beveiligingseisen gegevensverwerking door het CAK
voldoet;
c. de hoogte van de vergoeding voor zorgverzekeraars voor het
aanleveren van gegevens noodzakelijk voor het uitvoeren van de in
artikel 3, eerste en tweede lid, bedoelde taak;
d. op welke datum gegevens als bedoeld in het eerste en tweede
lid uiterlijk worden verstrekt.
Artikel 5a
1. Indien na vaststelling van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
2, eerste lid, uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of
wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar
inkomen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, blijkt dat geen recht bestaat op die
tegemoetkoming, trekt het CAK die vaststelling in en vordert de
verstrekte tegemoetkoming terug.
2. Indien uit een wijziging van een inkomensgegeven of niet in
Nederland belastbaar inkomen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van
Algemene wet inkomens-afhankelijke regelingen, blijkt dat recht
bestaat op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, stelt
het CAK de hoogte van die tegemoetkoming vast en verstrekt die
tegemoetkoming.
3. De intrekking en de terugvordering op grond van het eerste lid
geschieden binnen acht weken na het tijdstip waarop het voor het eerst
vastgestelde, voor het eerst bepaalde of gewijzigde inkomensgegeven
aan het CAK bekend is geworden dan wel de beschikking of uitspraak
strekkende tot de in het eerste lid bedoelde vaststelling, bepaling of
wijziging, onherroepelijk is geworden.
4. De vaststelling, op grond van het tweede lid, geschiedt binnen
acht weken na het tijdstip waarop het gewijzigde inkomensgegeven aan
het CAK bekend is geworden dan wel de beschikking of uitspraak
strekkende tot de in het tweede lid bedoelde wijziging onherroepelijk
is geworden.
Artikel 5b
Artikel XVI van Overige fiscale maatregelen 2009 is niet van
toepassing op een door het CAK ingevolge deze wet te nemen of genomen
beschikking.
Artikel 6
1. Onze Minister is bevoegd zorgverzekeraars als bedoeld in artikel
1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet en indicatieorganen als
bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ter
handhaving van het bepaalde bij of krachtens artikel 5, eerste en
zevende lid, onderdelen a en d, een aanwijzing te geven.
2. Indien een zorgverzekeraar als bedoeld in het eerste lid niet
binnen vier weken aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid,
voldoet, is Onze Minister bevoegd een last onder dwangsom op te
leggen.
3. Indien indicatieorganen als bedoeld in het eerste lid niet
binnen vier weken voldoen aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste
lid, kan Onze Minister noodzakelijke maatregelen treffen. Onze
Minister stelt beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis
van deze door hem getroffen maatregelen.
4. Ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens artikel 5,
tweede lid en vierde lid, onderdelen a en d, zijn de artikelen 16 en
17 van de Wet op de jeugdzorg van overeenkomstige toepassing op de
stichtingen als bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten.
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2013]
§ 2.2. Tegemoetkoming arbeidsongeschikten
Artikel 10
1. De persoon die van rechtswege verzekerd is ingevolge de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten en recht heeft op een uitkering in verband
met een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer en de persoon die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35% of meer of op arbeidsondersteuning op
grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten,
hebben recht op een tegemoetkoming.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 4, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, verstrekt de tegemoetkoming.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over de doelgroep, de hoogte van de tegemoetkoming en
de wijze van betaling.
§ 2.3. Algemene bepalingen met betrekking tot tegemoetkomingen
Artikel 11
1. De betaling van tegemoetkomingen, bedoeld in de artikelen 2 en
10, geschiedt eenmaal per kalenderjaar.
2. De bedragen van de tegemoetkomingen kunnen jaarlijks per 1
januari bij regeling van Onze Minister worden gewijzigd voor zover de
tabelcorrectiefactor, genoemd in artikel 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, daar aanleiding toe geeft.
3. De tegemoetkomingen zijn niet vatbaar voor beslag.
4. De tegemoetkomingen blijven buiten beschouwing bij de verlening
van op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke
uitkeringen en verstrekkingen.
5. De tegemoetkomingen en de daarmee gepaard gaande beheerskosten
komen ten laste van ’s Rijks kas.
Hoofdstuk 3. Wijzigingen in overige wetten
§ 3.1. Wijzigingen in fiscale wetgeving
Artikel 12
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001]
Artikel 13
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001]
Artikel 14
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001]
Artikel 15
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]
Artikel 16
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964]
§ 3.2. Wijzigingen met betrekking tot inkomenscompensatie voor
ouderen
Artikel 17
[Wijzigt de Wet op de huurtoeslag]
§ 3.3. Overige wijzigingen
Artikel 18
[Wijzigt de Beroepswet]
Artikel 19
Artikel 4.2 van de Invoerings-en aanpassingswet Zorgverzekeringswet
komt te vervallen, met dien verstande dat dit artikel en de daarop
gebaseerde bepalingen, zoals deze luidden op de dag voorafgaande aan de
dag waarop dit wetsvoorstel, nadat het tot wet is verheven, in werking
treedt, van toepassing blijven op de aanspraken van belastingplichtigen
over de jaren voor het kalenderjaar 2009.
Artikel 20
[Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg]
Artikel 21
[Wijzigt de Wet werk en bijstand]
Artikel 22
[Wijzigt de Wet werk en inkomen kunstenaars]
Artikel 23
[Wijzigt de Zorgverzekeringswet]
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 24
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over
door de rijksbelastingdienst te verstrekken tegemoetkomingen
specifieke zorgkosten aan belastingplichtigen met uitgaven voor
specifieke zorgkosten als bedoeld in afdeling 6.5 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
2.De uitbetaling en terugvordering van verstrekte tegemoetkomingen
specifieke zorgkosten geschieden overeenkomstig de regels die gelden
voor de invordering van inkomstenbelasting, met dien verstande dat bij
de overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de Invorderingswet
1990 een uit te betalen tegemoetkoming specifieke zorgkosten
uitsluitend kan worden verrekend met een terugvordering van een
tegemoetkoming specifieke zorgkosten.
Artikel 25
1.Het CAK brengt uiterlijk 30 november 2009 de krachtens artikel 6
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of artikel 15 van de Wet
maatschappelijke ondersteuning verschuldigde bijdragen over de
kalenderjaren tot en met 2008 in rekening bij de verzekerde, bedoeld
in artikel 5 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
onderscheidenlijk de persoon, bedoeld in artikel 15 van de Wet
maatschappelijke ondersteuning.
2.Na 30 november 2009 in rekening gebrachte bijdragen als bedoeld
in het eerste lid hoeven niet te worden voldaan.
Artikel 26
1.Tot en met 31 december 2009 behoren mede tot de uitgaven voor
specifieke zorgkosten, bedoeld in afdeling 6.5 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, de volgende door de belastingplichtige over
de kalenderjaren tot en met 2008 verschuldigde bijdragen, voor zover
deze na 30 november 2008 aan hem in rekening zijn gebracht en door hem
in 2009 zijn betaald of verrekend:
a. de krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten verschuldigde bijdragen in verband met het verblijf
in een instelling die is toegelaten om zorg te verlenen, tot een
bedrag van 25% van die bijdragen;
b. de krachtens artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten verschuldigde bijdragen, bij verblijf
buiten een instelling als bedoeld in onderdeel a;
c. de krachtens artikel 15 van de Wet maatschappelijke
ondersteuning verschuldigde bijdragen, voorzover de
belastingplichtige deze verschuldigd is voor huishoudelijke
verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van
die wet of voor een daarvoor bestemd persoonsgebonden budget.
2.Tot en met 31 december 2009 worden de bijdragen, bedoeld in het
eerste lid, mede in aanmerking genomen als uitgaven als bedoeld in
artikel 6.19 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 27
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip waarbij voor een of meer artikelen of onderdelen
daarvan terugwerkende kracht mogelijk is tot en met 1 januari 2009.
2. Bij het begin van het kalenderjaar 2009 vindt artikel 10.1 van
de Wet inkomstenbelasting 2001 geen toepassing met betrekking tot de
in de artikelen 6.17, derde lid, en 6.20 van de Wet inkomstenbelasting
2001 vermelde bedragen.
3. Artikel 12, onderdelen G en H, vindt eerst toepassing nadat
artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het
kalenderjaar 2009 is toegepast.
4. Artikel 15 vindt eerst toepassing nadat artikel 22d van de Wet
op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2009 is
toegepast.
5. Artikel 13, onderdeel B, vindt eerst toepassing nadat artikel
10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het
kalenderjaar 2010 is toegepast.
6. Artikel 16 vindt eerst toepassing nadat artikel 22d van de Wet
op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2010 is
toegepast.
Artikel 28
Deze wet wordt aangehaald als: Wet tegemoetkoming chronisch zieken en
gehandicapten.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
29 december 2008
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M. Bussemaker
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
De Staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager
Uitgegeven de dertigste december 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|