|
Nadere regelgeving:
- Postbesluit 2009
- Postregeling 2009
WET van 25 maart 2009, houdende regels inzake de volledige
liberalisering van de postmarkt en de garantie van de universele
postdienstverlening (Postwet 2009)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het,
rekening houdend met Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende
gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor
postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de
dienst (PbEG 1998 L 15), wenselijk is de bepalingen met
betrekking tot het postvervoer aan te passen aan een volledig
geliberaliseerde markt voor postdiensten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1.1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie;
b. college: het college, genoemd in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke
post- en telecommunicatieautoriteit;
c. raad van bestuur van de mededingingsautoriteit: de raad van bestuur
van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, genoemd in artikel 2, eerste
lid, van de Mededingingswet;
d. akten van de Wereldpostunie: de op 10 juli 1964 te Wenen tot stand
gekomen Constitutie van de Wereldpostunie (Trb. 1965, 170) en de daarbij
behorende voor Nederland bindende verdragen, reglementen en protocollen
(Trb. 1965, 170 en Trb. 2002, 205);
e. bestuurlijke boete: de bestraffende sanctie, inhoudende een
onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom;
f. overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of
krachtens enig wettelijk voorschrift;
g. overtreder: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
2. Bij besluit van Onze Minister kunnen de vindplaatsen, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d, worden gewijzigd. Van dit besluit wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 2
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. brief: de op een fysieke drager aangebrachte geadresseerde
schriftelijke mededelingen;
b. poststuk: een brief of een ander bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen geadresseerd stuk;
c. postvervoer: het geheel van handelingen dat bedrijfsmatig wordt
verricht teneinde poststukken af te leveren;
d. postvervoerdienst: een of meer van de handelingen, bedoeld in
onderdeel c;
e. postvervoerbedrijf: eenieder die postvervoerdiensten aanbiedt;
f. universele postdienst: de universele postdienst, bedoeld in de
artikelen 16 en17;
g. verlener van de universele postdienst: een postvervoerbedrijf dat
ingevolge artikel 15, eerste lid, is aangewezen;
h. postbus: een in een gebouw aanwezige afgesloten ruimte die bestemd is
voor de aflevering van de voor de gebruiker daarvan bestemde
poststukken;
i. afzender: eenieder die een poststuk ten vervoer aanbiedt aan een
postvervoerbedrijf;
j. postcodesysteem: een algemeen gebruikt adrescodesysteem voor een
efficiënte postbezorging;
k. postbezorger: een ieder die in opdracht van een postvervoerbedrijf of
met instemming van een postvervoerbedrijf voor dat postvervoerbedrijf
brieven, geadresseerde tijdschriften en geadresseerde dagbladen op
afzonderlijke adressen aflevert.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, wordt onder postvervoer
niet verstaan:
a. het vervoer van afzonderlijk geregistreerde exprespost waarover
tussen afzender en vervoerbedrijf afzonderlijke overeenkomsten zijn
gesloten over het tijdvak of tijdstip van bestellen, over de
leveringszekerheid en over de aansprakelijkheid;
b. het vervoer, dat wordt verricht onder verantwoordelijkheid van de
afzender, van poststukken die kennelijk bestemd zijn om op een met een
postvervoerbedrijf afgesproken plaats te worden overgedragen aan dat
postvervoerbedrijf, teneinde de poststukken door dat postvervoerbedrijf
op de afzonderlijke adressen te laten bezorgen.
Artikel 3
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. postrichtlijn of -verordening: een richtlijn, onderscheidenlijk
verordening, van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
die geheel of gedeeltelijk berust op de artikelen 47, 52, 55 of 95 van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, betrekking heeft
op de postsector en regels stelt over de economische activiteiten in die
sector, de belangen van afnemers, geschilbeslechting, de infrastructuur,
de interne markt, de kwaliteit, de handel, de mededinging, de universele
dienstverlening, technische eisen of het verschaffen van informatie;
b. gedelegeerde richtlijn, verordening of beschikking: een richtlijn,
verordening, onderscheidenlijk beschikking, van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen die berust op een postrichtlijn of-verordening;
c. liberalisatierichtlijn: een richtlijn van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen die berust op artikel 86, derde lid, van het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en regels stelt met
betrekking tot de postsector.
2.In deze wet wordt onder «wet» mede verstaan: een krachtens artikel
66, vijfde lid, onderdeel b, aangewezen voorschrift uit een
postverordening of een gedelegeerde verordening.
Hoofdstuk 2. Regels voor postvervoerbedrijven
§ 2.1. Briefgeheim
Artikel 4
Een postvervoerbedrijf zorgt ervoor dat bij de uitvoering van
postvervoerdiensten het grondwettelijk briefgeheim niet wordt
geschonden.
Artikel 5
Gesloten poststukken die in het kader van postvervoerdiensten als
onbestelbaar zijn aan te merken en niet aan de afzender kunnen worden
teruggegeven, kunnen slechts worden geopend op last van de kantonrechter
te ’s-Gravenhage, zulks uitsluitend ter opsporing van de voor
teruggave of aflevering nodige gegevens omtrent de afzender of de
geadresseerde.
Artikel 6
Beslag op poststukken welke in het kader van postvervoerdiensten aan een
postvervoerbedrijf zijn toevertrouwd, is slechts toegelaten in de
gevallen dat de wet een zodanig beslag uitdrukkelijk regelt.
§ 2.2. Klachtbehandeling door postvervoerbedrijven
Artikel 7
1.Een postvervoerbedrijf voorziet in een procedure voor de behandeling
van klachten van afzenders en ontvangers over de door hem uitgevoerde
postvervoerdiensten.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
procedure, bedoeld in het eerste lid.
§ 2.3. Arbeidsvoorwaarden
Artikel 8
Een postvervoerbedrijf heeft met een bij algemene maatregel van bestuur
te bepalen minimumpercentage van de postbezorgers die voor hem
postvervoer verrichten een arbeidsovereenkomst. Bij algemene maatregel
van bestuur wordt de datum bepaald met ingang waarvan een
postvervoerbedrijf aan een minimumpercentage moet voldoen. De toepassing
van een minimumpercentage kan daarbij worden beperkt tot bepaalde
categorieën postvervoerbedrijven of bepaalde omstandigheden.
Hoofdstuk 3. Onderlinge dienstverlening
Artikel 9
1.Indien een postvervoerbedrijf, dat beschikt over een netwerk waarmee
poststukken op ten minste vijf dagen per week kunnen worden bezorgd op
alle adressen in Nederland, met gebruikmaking van dat netwerk
postvervoer verricht tegen speciale voorwaarden en tarieven, verricht
hij dit postvervoer voor andere postvervoerbedrijven tegen
non-discriminatoire en transparante voorwaarden en tarieven ten opzichte
van andere afzenders en andere postvervoerbedrijven. Onder andere
postvervoerbedrijven vallen ook groepsmaatschappijen die in een groep
verbonden zijn in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek met het postvervoerbedrijf dat beschikt over een netwerk als
bedoeld in de eerste volzin.
2.Indien blijkt dat op de nationale postmarkt of een onderdeel daarvan
daadwerkelijke concurrentie ontbreekt, kunnen bij algemene maatregel van
bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden
en tarieven die worden gehanteerd bij het verrichten van
postvervoerdiensten tegen speciale voorwaarden en tarieven door
postvervoerbedrijven die over een netwerk beschikken als bedoeld in het
eerste lid.
3.Een postvervoerbedrijf als bedoeld in het eerste lid zorgt ervoor dat
de geldende speciale voorwaarden en tarieven voor eenieder kenbaar zijn.
4.Bij ministeriële regeling kunnen in aanvulling op het eerste lid
regels worden gesteld over het verlenen van toegang tot het in dat lid
bedoelde netwerk. Deze regels kunnen inhouden dat:
a. een postvervoerbedrijf, dat beschikt over een dergelijk netwerk, op
verzoek van bij die regeling aan te wijzen categorieën derden toegang
verleent tot dat netwerk tegen redelijke, transparante en
non-discriminatoire tarieven en voorwaarden, voor zover een
bedrijfsmatige en op continuïteit gerichte exploitatie van het netwerk
dit toelaat;
b. het in onderdeel a bedoelde postvervoerbedrijf er zorg voor draagt
dat de geldende voorwaarden en tarieven als bedoeld in dat onderdeel
voor eenieder kenbaar zijn.
5.Het college brengt uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van dit
artikel aan Onze Minister verslag uit over de doeltreffendheid en
effecten in de praktijk van het eerste lid en verstrekt daarbij advies
over de wenselijkheid om toepassing te geven aan het vierde lid. Onze
Minister zendt het verslag, vergezeld van zijn bevindingen, aan de
Staten-Generaal.
Artikel 10
1.Een ieder die een postcodesysteem beheert of exploiteert is verplicht
binnen redelijke termijn en tegen kostengeoriënteerde tarieven een
ieder uit dit systeem combinaties van adressen en postcodes ter
beschikking te stellen die voor postbezorging nodig zijn.
2.Een ieder die een postcodesysteem exploiteert of beheert, is verplicht
een jaar voor de beëindiging van dit systeem, deze beëindiging aan te
kondigen.
Artikel 11
Een ieder die een systeem met adresgegevens, betreffende de
verhuisgegevens van een geadresseerde of de gegevens over het tijdelijk
stopzetten van de postbezorging op verzoek van de geadresseerde,
exploiteert of beheert is verplicht binnen redelijke termijn en tegen
redelijke, objectief gerechtvaardigde, transparante en
non-discriminatoire voorwaarden en tarieven de voor doelmatige
postbezorging benodigde gegevens uit dit systeem aan
postvervoerbedrijven te verstrekken.
Artikel 12
1.Indien een poststuk terecht komt in de poststroom van een ander
postvervoerbedrijf dan het postvervoerbedrijf waaraan het poststuk door
de afzender is aangeboden, geschiedt de afhandeling binnen redelijke
termijn en tegen redelijke, objectief gerechtvaardigde, transparante en
non-discriminatoire voorwaarden en tarieven.
2.Postvervoerbedrijven maken afspraken voor de afhandeling van gevallen
als bedoeld in het eerste lid.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de toepassing van het eerste lid.
Artikel 13
Een ieder die postbussen exploiteert, is verplicht aan
postvervoerbedrijven toegang te verlenen tot zijn postbussen tegen
redelijke, objectief gerechtvaardigde, transparante en
non-discriminatoire voorwaarden en tarieven.
Hoofdstuk 4. Universele postdienst
§ 4.1. Algemeen
Artikel 14
Dit hoofdstuk is van toepassing op de verlener van de universele
postdienst voor zover deze postvervoerdiensten verricht die tot de
universele postdienst behoren.
§ 4.2. Aanwijzing verlener van universele postdienst
Artikel 15
1.Onze Minister wijst op basis van een transparante selectieprocedure
voor onbepaalde tijd een postvervoerbedrijf aan dat belast is met de
universele postdienst of een gedeelte hiervan.
2.Onze Minister kan een aanwijzing geheel of gedeeltelijk intrekken
indien:
a. de goede uitvoering van de universele postdienst of een gedeelte
hiervan niet meer gewaarborgd is;
b. een verlener van de universele postdienst overeenkomstig artikel 30,
eerste lid, heeft aangegeven dat de uitvoering van deze dienst
nettokosten zal opleveren;
c. het aangewezen postvervoerbedrijf daarom verzoekt;
d. een ander postvervoerbedrijf te kennen heeft gegeven de universele
postdienst uit te willen voeren.
3.Onze Minister maakt het voornemen om de aanwijzing geheel of
gedeeltelijk in te trekken aan het aangewezen postvervoerbedrijf bekend
en doet hiervan mededeling in de Staatscourant.
4.De aanwijzing wordt niet ingetrokken vóórdat is voorzien in een
aanwijzing van een postvervoerbedrijf voor de universele postdienst of
het gedeelte van de universele postdienst waarop de aanwijzing die wordt
ingetrokken, betrekking heeft.
5.Een postvervoerbedrijf waarvan de aanwijzing wordt ingetrokken, is
verplicht deel te nemen aan de selectieprocedure.
6.Een aanwijzing wordt niet gegeven aan een aanvrager die naar
verwachting de universele dienst niet naar behoren zal kunnen verzorgen.
7.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de selectieprocedure.
8.De voordracht voor een krachtens het zevende lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
§ 4.3. Omvang universele postdienst
Artikel 16
1.De universele postdienst betreft het postvervoer binnen Nederland van
ten minste de volgende poststukken:
a. brieven die elk afzonderlijk ten hoogste twee kilogram wegen;
b. pakketten die elk afzonderlijk ten hoogste tien kilogram wegen;
c. poststukken die in hoofdzaak tekst bevatten in voor blinden bestemde
tekens die elk afzonderlijk ten hoogste zeven kilogram wegen.
2.De universele postdienst betreft het postvervoer van of naar gebieden
buiten Nederland van ten minste de volgende poststukken:
a. brieven die elk afzonderlijk ten hoogste twee kilogram wegen;
b. boeken die elk afzonderlijk ten hoogste vijf kilogram wegen;
c. pakketten die elk afzonderlijk ten hoogste twintig kilogram wegen;
d. poststukken die in hoofdzaak tekst bevatten in voor blinden bestemde
tekens en die elk afzonderlijk ten hoogste zeven kilogram wegen.
3.De universele postdienst omvat binnen Nederland ten minste de volgende
postvervoerdiensten:
a. vervoer van aangetekende poststukken;
b. vervoer van poststukken met aangegeven waarde;
c. de uitreiking van het gerechtelijk schrijven, bedoeld in de artikelen
585, tweede lid, en 587, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
4.Onder de universele postdienst vallen bij postvervoer van en naar
gebieden buiten Nederland ten minste de postvervoerdiensten, opgenomen
in de akten van de Wereldpostunie.
5.Een verlener van de universele postdienst haalt ten minste zes dagen
per week poststukken op uit de voor het publiek bestemde brievenbussen
dan wel uit andere daartoe bestemde inrichtingen, en voert ten minste
zes dagen per week overal in Nederland een bestelling uit.
6.Een verlener van de universele postdienst zorgt ervoor dat de brieven,
die overeenkomstig de daartoe gestelde voorwaarden aan hem worden
aangeboden voor postvervoer binnen Nederland met de standaard overnight
service, per kalenderjaar in ten minste gemiddeld 95% van de gevallen
worden besteld op de dag, niet zijnde een zon- of officiële feestdag,
volgend op de dag van aanbieding.
7.De verlener van de universele postdienst zorgt ervoor dat het net van
dienstverleningspunten voor het aanbieden van postzendingen en voor het
verrichten van andere met het postvervoer samenhangende handelingen ten
minste 2000 dienstverleningspunten omvat, waarvan ten minste 902 met een
volledig assortiment aan diensten. Bovendien zorgt de verlener van de
universele postdienst ervoor dat dit net voldoet aan de volgende
spreidingsmaatstaven:
a. de spreiding over Nederland van dienstverleningspunten met een
volledig assortiment van diensten resulteert in een beschikbaarheid van
een volledig assortiment van diensten binnen een straal van vijf
kilometer voor ten minste 95% van de inwoners;
b. de spreiding van dienstverleningspunten met een volledig assortiment
van diensten buiten woonkernen met meer dan 5000 inwoners resulteert in
een beschikbaarheid van een volledig assortiment van diensten binnen een
straal van 5 kilometer voor ten minste 85% van de betrokken inwoners.
8.De verlener van de universele postdienst zorgt ervoor dat in
woonkernen met meer dan 5000 inwoners binnen een straal van 500 meter
een voor het publiek bestemde brievenbus is om voor postvervoer bestemde
poststukken aan te bieden. Buiten deze woonkernen zorgt de verlener van
de universele postdienst ervoor dat binnen een straal van 2500 meter
voor het publiek bestemde brievenbussen zijn.
9.Indien het gestelde in het achtste lid redelijkerwijs niet haalbaar
is, draagt de verlener van de universele postdienst er zorg voor dat bij
de bestelling gelegenheid wordt geboden om daartoe geschikte
postzendingen ten vervoer aan te bieden.
Artikel 17
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld over de universele postdienst. Deze regels kunnen betrekking
hebben op:
a. de onderscheiden postvervoerdiensten;
b. de soorten poststukken waarop de universele postdienst betrekking
heeft;
c. de kwaliteit van de postvervoerdiensten, bedoeld in onderdeel a, die
voor de verschillende postvervoerdiensten verschillend kan worden
vastgesteld;
d. de goede postale dienstverlening;
e. de wijze waarop poststukken aan een verlener van de universele
postdienst worden aangeboden.
2.De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
§ 4.4. Verplichtingen voor de universele postdienstverlener
Artikel 18
1.Een verlener van de universele postdienst verzorgt binnen Nederland en
van of naar gebieden buiten Nederland de universele postdienst.
2.De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen indien
poststukken zijn aangeboden aan een verlener van de universele
postdienst in overeenstemming met de regels, bedoeld in artikel 17,
eerste lid, onderdeel e.
Artikel 19
1.Een verlener van de universele postdienst weigert de uitvoering van de
universele postdienst indien dit strijdig is met de wet of gevaar
oplevert voor personen of zaken.
2.Een verlener van de universele postdienst kan de uitvoering van de
universele postdienst weigeren indien dit strijdig is met de eisen die
met het oog op een doelmatig postvervoer in zijn algemene voorwaarden
zijn gesteld.
Artikel 20
1.Bij ministeriële regeling worden regels omtrent plaats, afmetingen en
andere hoedanigheden van de voor aflevering van poststukken bestemde
brievenbussen vastgesteld.
2.Een verlener van de universele postdienst kan poststukken die naar hun
aard en omvang in aanmerking komen voor aflevering in een brievenbus,
als onbestelbaar aanmerken indien het opgegeven adres niet beschikt over
een brievenbus die voldoet aan de regels, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 21
1. Een verlener van de universele postdienst kan gedeelten van de
universele postdienst door anderen onder zijn verantwoordelijkheid doen
uitvoeren.
2. Een verlener van de universele postdienst rekent de kosten die
anderen in rekening brengen voor het uitvoeren van gedeelten van de
universele postdienst slechts toe aan de universele postdienst voor
zover die kosten overeenkomstig de op grond van de artikelen 22, tweede
lid, en 25, zesde lid, vastgestelde regels zijn toe te rekenen aan de
universele postdienst.
3. Een verlener van de universele postdienst maakt de toerekening van de
kosten van anderen, bedoeld in het tweede lid, inzichtelijk voor ieder
gedeelte van de universele postdienst dat hij door anderen laat
uitvoeren.
4. Een verlener van de universele postdienst die gedeelten van de
universele postdienst door anderen laat uitvoeren waarborgt de volledige
en juiste uitvoering van de door de anderen uitgevoerde gedeelten van de
universele postdienst.
Artikel 22
1.Een verlener van de universele postdienst brengt een boekhoudkundige
scheiding aan tussen de kosten en opbrengsten van de universele
postdienst en de kosten en opbrengsten van andere activiteiten.
2.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking
tot de inrichting van de boekhouding en de wijze van toerekening van de
kosten van de universele postdienst.
Artikel 23
1.Een verlener van de universele postdienst verstrekt jaarlijks aan het
college een rapportage over de uitvoering van de universele postdienst.
Deze rapportage bevat de resultaten van regelmatige metingen van de
kwaliteit van de universele postdienstverlening en de hierbij behorende
kwaliteitsnormen, alsmede een overzicht van de kosten en opbrengsten van
de universele postdienstverlening, bedoeld in artikel 22, eerste lid.
2.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de
rapportage. Deze regels kunnen betrekking hebben op de inrichting van de
rapportage, op de metingen, bedoeld in het eerste lid, alsmede op de op
te nemen financiële gegevens.
§ 4.5. Voorwaarden en tarieven voor de universele postdienst
Artikel 24
1.Een verlener van de universele postdienst stelt voorwaarden en
tarieven vast voor de onderscheiden postvervoerdiensten binnen de
universele postdienst en maakt deze bekend.
2.De tarieven zijn uniform en op de kosten gebaseerd.
3.De voorwaarden en tarieven zijn non-discriminatoir en transparant.
Artikel 25
1.Bij ministeriële regeling, gehoord het college, wordt bepaald:
a. met welk percentage de tarieven voor de universele postdienst
jaarlijks gemiddeld ten hoogste mogen worden gewijzigd;
b. op welke wijze de jaarlijks gemiddelde wijziging, bedoeld in
onderdeel a, wordt vastgesteld.
2.Bij ministeriële regeling kan, gehoord het college, voor een
afzonderlijk jaar een ander percentage dan bedoeld in het eerste lid
worden vastgesteld indien dit noodzakelijk is om te voldoen aan het
vereiste dat de tarieven op de kosten gebaseerd zijn.
3.Met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels
worden, in afwijking van het eerste en tweede lid, zes maanden na
inwerkingtreding van dit artikel de tarieven voor de te onderscheiden
postvervoerdiensten binnen de universele postdienst gebaseerd op de
daadwerkelijke kosten van de universele postdienst en een redelijk
rendement. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in de eerste volzin,
kan worden bepaald dat de tarieven voor de onderscheiden
postvervoerdiensten binnen de universele postdienst in enig ander jaar
kunnen worden aangepast op basis van de daadwerkelijke kosten van de
universele postdienst en een redelijk rendement.
4.Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de
tarieven, bedoeld in het derde lid.
5.In afwijking van de artikelen 24 en 27 worden de tarieven, bedoeld in
het derde lid, door het college vastgesteld.
6.Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, worden regels
vastgesteld met betrekking tot de elementen van de tarieven, de wijze
van berekening van de tarieven en de toerekening van de kosten.
7.Het college brengt advies uit over de ministeriële regeling, bedoeld
in het derde lid.
8.Het ontwerp voor een krachtens het derde lid vast te stellen
ministeriële regeling en het advies van het college worden gelijktijdig
aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële
regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken na de overlegging
van het ontwerp.
Artikel 26
In afwijking van de artikelen 24 en 25 worden de kosten van het vervoer
van poststukken die in hoofdzaak tekst bevatten in voor blinden bestemde
tekens en die elk afzonderlijk ten hoogste zeven kilogram wegen door de
verlener van de universele postdienst gedragen.
Artikel 27
1.De tarieven, bedoeld in artikel 24, en de wijzigingen hiervan worden
niet eerder vastgesteld dan een maand na het tijdstip waarop zij aan het
college zijn toegezonden ter toetsing aan artikel 24, tweede en derde
lid, en aan het bepaalde krachtens artikel 25.
2.Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de
procedure van de toetsing, alsmede over de wijze en het tijdstip van de
toetsing aan artikel 24.
Artikel 28
1.Een verlener van de universele postdienst kan, met het oog op de
doelmatige wijze van uitvoeren van de universele postdienst, in de
algemene voorwaarden regels stellen over de verpakking en adressering
van poststukken.
2.Indien de algemene voorwaarden van een verlener van de universele
postdienst bepalingen bevatten over het gebruik van een postcode, zorgt
hij ervoor dat afzenders kosteloos en op eenvoudige wijze de bij een
adres behorende postcode kunnen verkrijgen.
§ 4.6. Aansprakelijkheid verlener van de universele postdienst
Artikel 29
1.Een verlener van de universele postdienst is voor schade als gevolg
van verlies, beschadiging of vertraagde aflevering van binnenlandse
poststukken slechts aansprakelijk indien door de afzender gebruik wordt
gemaakt van een wijze van vervoer waarbij een poststuk volgens daartoe
in de algemene voorwaarden van het postvervoerbedrijf te stellen regels
wordt geregistreerd.
2.De aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid bestaat niet indien de
schade uitsluitend het gevolg is van een of meer van de volgende
omstandigheden:
a. de aard of een gebrek van het vervoerde zelf;
b. onvoldoende verpakking van het vervoerde door een ander dan een
verlener van de universele postdienst of diens ondergeschikten;
c. een oorzaak die aan de afzender kan worden toegerekend;
d. een oorlogshandeling of een gewapend conflict;
e. aanhouding op last van daartoe bevoegd gezag.
3.Vorderingen kunnen slechts worden ingediend door de afzender. Indien
de schade is geleden door een ander dan de afzender, is de afzender van
rechtswege bevoegd ten behoeve van die ander, hetzij op eigen naam
hetzij als diens vertegenwoordiger, de vordering in te stellen.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld
waarboven de aansprakelijkheid, bedoeld in het eerste lid, zich niet
uitstrekt, waarbij de hoogte van de afzonderlijke bedragen kan worden
bepaald naar gelang van onder meer de soorten van registratie alsmede
naar gelang van de aard en de waarde van een poststuk.
5.Een verlener van de universele postdienst kan zich niet beroepen op
een uit de voorgaande leden van dit artikel voortvloeiende uitsluiting
of beperking van zijn aansprakelijkheid voor zover de schade is ontstaan
uit zijn eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met het opzet die
schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die
schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
6.Ter zake van het postvervoer van of naar gebieden buiten Nederland is
een verlener van de universele postdienst slechts aansprakelijk
overeenkomstig de bepalingen van de akten van de Wereldpostunie dan wel
andere voor Nederland bindende verdragen of besluiten van
volkenrechtelijke organisaties.
7.Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt afgeweken.
§ 4.7. Financiering van de universele postdienst
Artikel 30
1.Een verlener van de universele postdienst meldt uiterlijk drie maanden
voor de afloop van het kalenderjaar aan het college dat in het
daaropvolgende kalenderjaar nettokosten worden verwacht voor de
uitvoering van de universele postdienst. Daarbij wordt aangegeven hoe
hoog de voor dat kalenderjaar verwachte nettokosten zullen zijn.
2.De nettokosten zijn de kosten die een verlener van de universele
postdienst voor de aan hem opgedragen universele postdiensten maakt
waartegenover door toepassing van de regels, bedoeld in artikel 25, geen
vergoeding staat, verminderd met andere op geld waardeerbare voordelen
die verband houden met de verlening van de universele postdienst,
waaronder begrepen immateriële voordelen.
3.Een postvervoerbedrijf dat ingevolge het eerste lid nettokosten heeft
aangekondigd, kan binnen een half jaar na afloop van het kalenderjaar
waarin de nettokosten zijn ontstaan, bij het college een aanvraag
indienen om vergoeding van de in het afgelopen kalenderjaar gemaakte
nettokosten.
4.Een vergoeding wordt slechts toegekend voorzover naar het oordeel van
het college het bestaan en de hoogte van de nettokosten voldoende is
aangetoond.
5.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
berekening van de nettokosten, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 31
1.De vergoeding aan een universele postdienstverlener wordt omgeslagen
over alle postvervoerbedrijven, met uitzondering van de
postvervoerbedrijven die voldoen aan bij ministeriële regeling te
bepalen criteria met betrekking tot de relevante omzet van een
postvervoerbedrijf in Nederland.
2.Bij ministeriële regeling wordt de wijze van berekening van de
vergoeding vastgesteld aan de hand van de relevante netto-omzet van een
postvervoerbedrijf in Nederland.
3.Het college doet aan een postvervoerbedrijf mededeling van het door
hem verschuldigde bedrag.
4.Een postvervoerbedrijf is verplicht binnen een daarbij te bepalen
termijn de door het college vastgestelde vergoeding te betalen aan de
desbetreffende verlener van de universele postdienst.
Hoofdstuk 5. Wereldpostunie
Artikel 32
1.Een verlener van de universele postdienst is gehouden bij de
uitvoering van de op hem rustende verplichtingen terzake van de
universele postdienst van of naar gebieden buiten Nederland de voor
Nederland bindende verplichtingen na te komen die voortvloeien uit de
akten van de Wereldpostunie dan wel uit andere verdragen of besluiten
van volkenrechtelijke organisaties.
2.Een verlener van de universele postdienst is gerechtigd voor de
toepassing van akten van de Wereldpostunie op te treden als Nederlandse
postadministratie.
3.Onze Minister geeft in overeenstemming met Onze Minister van
Buitenlandse Zaken bij ministeriële regeling voorschriften welke
strekken tot:
a. het waarborgen van een goede toepassing van het eerste lid;
b. het verlenen van de nodige medewerking aan Onze Minister en Onze
Minister van Buitenlandse Zaken bij de voorbereiding van verdragen en
besluiten als bedoeld in het eerste lid en het in verband daarmee te
voeren internationale overleg.
Hoofdstuk 6. Overige bepalingen
Artikel 33
1.Het college verzamelt, analyseert en bewerkt systematisch inlichtingen
en gegevens met betrekking tot de werking van de nationale markt voor
postvervoerdiensten.
2.Het college zendt jaarlijks een verslag van zijn bevindingen aan Onze
Minister.
Artikel 34
De gemeenteraad kan voor de plaatsing van brievenbussen aan de openbare
weg regels stellen, tenzij door het stellen van regels:
a. de verlener van de universele postdienst de universele postdienst
niet kan verrichten;
b. postvervoerbedrijven, niet zijnde een verlener van de universele
postdienst, hun diensten niet onder voor deze bedrijven vergelijkbare
voorwaarden kunnen aanbieden.
Artikel 35
De afbeelding van de Koning op een postzegel of postzegelafdruk behoeft
Diens goedkeuring.
Artikel 36
1.Het is aan andere postvervoerbedrijven dan verleners van de universele
postdienst verboden postzegels of postzegelafdrukken te vervaardigen, te
verspreiden of ter verspreiding in voorraad te hebben met daarop de
vermelding «Nederland».
2.Het is verboden zegels, zegelafdrukken, stempelafdrukken of
aanduidingen op zodanige wijze te bezigen, dat zij ten onrechte de
indruk kunnen wekken, dat de bescheiden of voorwerpen, waarop zij
voorkomen, door een verlener van de universele postdienst behandeld of
van een verlener van de universele postdienst afkomstig zijn.
Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving
§ 7.1. Algemeen
Artikel 37
1.Het college is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde
bij of krachtens deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 11.
2.De bij besluit van het college aangewezen ambtenaren zijn belast met
het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet,
met uitzondering van hoofdstuk 11. Van het besluit wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 38
1.Onze Minister is belast met het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 11.
2.De bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren zijn belast met
het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk
11. Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
Artikel 39
1. Een ieder verstrekt het college desgevraagd de gegevens en
inlichtingen en verschaft hem desgevraagd inzage in de gegevens en
bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van hem bij
of krachtens deze wet opgedragen taken.
2. Onze Minister kan van een ieder de gegevens en inlichtingen verlangen
die hij nodig heeft voor de juiste uitvoering van de hem bij of
krachtens deze wet opgedragen taken.
3. Degene aan wie een verzoek is gedaan om gegevens en inlichtingen te
verstrekken, is verplicht binnen een door het college respectievelijk
Onze Minister gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen
die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn
bevoegdheden.
4. Gegevens en inlichtingen welke in verband met enige werkzaamheid ten
behoeve van de uitvoering van deze wet zijn verkregen, mogen uitsluitend
voor de toepassing van deze wet en de Mededingingswet worden gebruikt.
5. Met inachtneming van een goede vervulling van zijn toezichthoudende
taken ingevolge deze wet draagt het college er zorg voor dat het
verzamelen van de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid,
op zodanige wijze geschiedt dat de daaruit voortvloeiende
administratieve lasten voor postvervoerbedrijven of andere bedrijven en
instellingen zo laag mogelijk zijn.
Artikel 40
1.Voorzover bij de uitoefening van bevoegdheden van het college
begrippen worden uitgelegd die worden gehanteerd bij de toepassing van
artikel 24 van de Mededingingswet, geschiedt de uitoefening van die
bevoegdheden door het college in overeenstemming met de door de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit vastgestelde richtlijnen. Van die
richtlijnen doet de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
mededeling in de Staatscourant.
2.Het college en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit maken
in het belang van een effectieve en efficiënte besluitvorming
gezamenlijk afspraken over de wijze van behandeling van aangelegenheden
van wederzijds belang.
§ 7.2. Registratie
Artikel 41
Een postvervoerbedrijf deelt aan het college in ieder geval de naam, het
adres, de vestigingsplaats en een beschrijving van de aangeboden
postvervoerdiensten mee.
Artikel 42
1.Het college stelt vast welke andere gegevens dan genoemd in artikel 41
bij de mededeling aan het college worden overgelegd, alsmede de wijze
waarop de mededeling wordt gedaan.
2.De gegevens, bedoeld artikel 41 en het eerste lid, worden slechts
verzameld ten behoeve van de goede uitvoering van deze wet.
3.Het college registreert het postvervoerbedrijf na ontvangst van de
inartikel 41 bedoelde mededeling en de daarbij behorende gegevens.
4.Een postvervoerbedrijf geeft wijzigingen van de gegevens, bedoeld
inartikel 41 en het eerste lid, onverwijld aan het college door.
Artikel 43
1.Het college gaat niet over tot registratie als bedoeld in artikel 42,
derde lid, indien:
a. de mededeling geen betrekking heeft op het postvervoerbedrijf, of
b. de op grond vanartikel 41 en 42, eerste lid, te overleggen gegevens
niet, onvolledig, of niet juist zijn verstrekt.
2.Het college beëindigt de registratie indien de grond voor registratie
is vervallen.
Artikel 44
1.In het belang van de goede uitvoering van deze wet wordt door het
college een register van de registraties bijgehouden.
2.Het register ligt voor eenieder kosteloos ter inzage op een door het
college te bepalen plaats. De gegevens uit het register zijn kosteloos
op elektronische wijze te raadplegen.
3.Het college brengt het register in overeenstemming met de wijzigingen
die voortvloeien uit artikel 42, vierde lid, en artikel 43, tweede lid.
4.Het college kan de gegevens met betrekking tot de registratie wijzigen
indien dit noodzakelijk is om feitelijke onjuistheden van eenvoudige
aard weg te nemen.
Artikel 45
1.Het college verstrekt zo spoedig mogelijk na de registratie, bedoeld
inartikel 42, derde lid, aan het postvervoerbedrijf een schriftelijke
verklaring waaruit blijkt dat de mededeling, bedoeld in artikel 41, aan
het college is gedaan.
2.Het college verstrekt binnen een week na ontvangst van een daartoe
strekkend schriftelijk verzoek van een postvervoerbedrijf een
verklaring.
Artikel 46
Het college is verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel d,
van de Wet bescherming persoonsgegevens voor de gegevensverzameling,
bedoeld in artikel 42, tweede lid, en voor het register, bedoeld
inartikel 44, eerste lid.
§ 7.3. Aanwijzingen
Artikel 47
1.Het college kan bindende aanwijzingen geven in verband met de naleving
van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van
hoofdstuk 11.
2.Onze Minister kan bindende aanwijzingen geven in verband met de
naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 11.
3.Een beschikking als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt
gepubliceerd in de Staatscourant.
§ 7.4. Bestuursdwang
Artikel 48
1. Het college is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang
ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen,
met uitzondering van de verplichtingen bij of krachtens hoofdstuk 11.
2. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 11
gestelde verplichtingen.
§ 7.5. Bestuurlijke boete
Artikel 49
1. Het college kan in geval van overtreding van een bindende aanwijzing
als bedoeld in artikel 47, eerste lid, alsmede overtreding van het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5, 8, 9, 10, 12, 13, 16,
vijfde tot en met negende lid,18, 19, 22, 23, 24, 26, 27, 28, 31, vierde
lid, 32, 35, 36, 39, eerste en derde lid, 41, 59, 61, 63, tweede lid, en
64 van deze wet, alsmede artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht
de overtreder per overtreding een bestuurlijke boete opleggen van ten
hoogste€ 450 000 of, indien dat meer is, 10% van de relevante
netto-omzet van de onderneming in Nederland.
2. Onze Minister kan in geval van overtreding van een bindende
aanwijzing als bedoeld in artikel 47, tweede lid, alsmede overtreding
van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 11 de overtreder per
overtreding een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000
of, indien dat meer is, 10% van de relevante netto-omzet van de
onderneming in Nederland.
3. De berekening van de netto-omzet, bedoeld in het eerste en het tweede
lid,
a. geschiedt op de voet van artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek;
b. betreft het boekjaar voorafgaande aan de beschikking, bedoeld in het
eerste en het tweede lid;
c. is beperkt tot de omzet die betrekking heeft op de
postvervoerdiensten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d.
Artikel 50 [Vervallen per 08-02-2012]
Artikel 51 [Vervallen per 08-02-2012]
Artikel 52 [Vervallen per 08-02-2012]
Artikel 53 [Vervallen per 08-02-2012]
Artikel 54 [Vervallen per 08-02-2012]
Artikel 55
1. Een beschikking waarbij een last onder dwangsom dan wel een
bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 49 wordt opgelegd wordt, nadat
zij bekend is gemaakt, ter inzage gelegd bij het college respectievelijk
Onze Minister.
2. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 56
Verzet schorst de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat strekt tot
invordering van de bestuurlijke boete.
Artikel 57
De te betalen geldsom van de door het college opgelegde bestuurlijke
boete, de verbeurde dwangsommen bij een door het college opgelegde last
en de als gevolg van die boete en dwangsom verschuldigde wettelijke
rente, komen toe aan de Staat.
Hoofdstuk 8. Geschillenbeslechting
Artikel 58
1.Indien tussen postvervoerbedrijven, tussen een postvervoerbedrijf en
iemand die postbussen exploiteert, tussen een postvervoerbedrijf en
iemand die een systeem met adresgegevens als bedoeld in artikel 11
exploiteert of beheert of tussen een postvervoerbedrijf en iemand die
een postcodesysteem exploiteert of beheert een geschil is ontstaan
inzake de nakoming van de verplichtingen bedoeld in hoofdstuk 3,
beslecht het college op aanvraag van een bij dat geschil betrokken
partij het geschil voor zover naar het oordeel van het college verdere
onderhandelingen redelijkerwijs niet meer zullen leiden tot
overeenstemming.
2.Het college is onbevoegd tot het beslechten van een op grond van het
eerste lid voorgelegd geschil indien de bij dat geschil betrokken
partijen het college verzoeken het geschil niet langer te beslechten.
Artikel 59
1.Op vordering van het college verstrekken de bij een geschil betrokken
partijen binnen een door het college te bepalen redelijke termijn aan
het college alle gegevens die relevant zijn voor de beoordeling van het
geschil.
2.De bij het geschil betrokken partijen zijn verplicht binnen de door
het college gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die
deze redelijkerwijs kan vorderen ten behoeve van de beoordeling van het
geschil.
Artikel 60
1.Het college beslist op een aanvraag als bedoeld in artikel 58, eerste
lid, binnen zeventien weken na ontvangst van de aanvraag.
2.In uitzonderlijke gevallen kan het college de termijn, bedoeld in het
eerste lid, met ten hoogste acht weken verlengen. Het college stelt de
betrokken postvervoerbedrijven hiervan in kennis en geeft de termijn aan
waarbinnen het college het geschil zal beslechten.
3.Het college kan in spoedeisende gevallen een voorlopig besluit nemen
dat tussen de betrokken postvervoerbedrijven geldt tot het definitieve
besluit van het college in werking treedt.
Artikel 61
Een postvervoerbedrijf volgt het door het college op grond van artikel
60genomen besluit op. Het college kan daarbij een termijn stellen.
Artikel 62
Het college doet mededeling in de Staatscourant van een besluit als
bedoeld in artikel 60.
Artikel 63
1.Indien een partij door het college in het gelijk wordt gesteld en hij
voor het beslechten van een geschil een vergoeding aan het college
verschuldigd is, kan het college bepalen dat die vergoeding door de bij
het geschil betrokken andere partij wordt vergoed.
2.Een bij een geschil betrokken partij volgt de door het college op
grond van het eerste lid gegeven voorschriften op. Het college kan
daarbij termijnen stellen.
Hoofdstuk 9. Kosten werkzaamheden college
Artikel 64
1.Postvervoerbedrijven zijn ter dekking van de kosten die verband houden
met de werkzaamheden van het college ter uitvoering van deze wet,
jaarlijks een vergoeding verschuldigd.
2.Van de vergoeding zijn uitgezonderd de kosten verbonden aan de
behandeling van bezwaar- en beroepschriften.
3.Van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgezonderd
bedrijven die voldoen aan een bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen criterium met betrekking tot de relevante omzet van een
postvervoerbedrijf in Nederland.
Artikel 65
1.Onze Minister stelt de hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel
64, eerste lid, vast.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
nadere gesteld over de vergoeding, bedoeld in artikel 64. Deze regels
kunnen mede betrekking hebben op de wijze waarop de vergoeding wordt
vastgesteld, geheven en ingevorderd.
Hoofdstuk 10. Implementatie van Europese richtlijnen en verordeningen
Artikel 66
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
implementatie van postrichtlijnen en liberalisatierichtlijnen regels
worden gesteld.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ter implementatie van een bindende overeenkomst tussen de
Europese Gemeenschap en een derde land of een internationale organisatie
die betrekking heeft op een onderwerp dat wordt bestreken door een
postrichtlijn ofverordening.
3.Bij ministeriële regeling kunnen voor een goede uitvoering van
postverordeningen en gedelegeerde verordeningen regels worden gesteld.
4.Bij ministeriële regeling kunnen ter implementatie van gedelegeerde
richtlijnen regels worden gesteld.
5.Bij de regels, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, kunnen:
a. taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het
college, en
b. voorschriften uit een postverordening of gedelegeerde verordening
worden aangewezen waarop door het college aangewezen ambtenaren toezicht
houden of die het college kan toepassen door besluiten te nemen.
Hoofdstuk 11. Buitengewone omstandigheden
Artikel 67
In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de
internationale rechtsorde of met de internationale betrekkingen is Onze
Minister bevoegd om in overeenstemming met Onze Minister van
Buitenlandse Zaken aan een verlener van de universele postdienst en zo
nodig aan een ander postvervoerbedrijf aanwijzingen te geven met
betrekking tot het postvervoer van of naar gebieden buiten Nederland.
Artikel 68
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele land of een deel
daarvan artikel 70 in werking worden gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het
voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde
bepaling.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld,
onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld,
buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel
toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de
daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na
de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 69
In geval voor Nederland of een gedeelte daarvan, op grond van de
artikelen 7, eerste lid, of 8, eerste lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden, bepalingen uit de Oorlogswet voor Nederland in
werking zijn gesteld, oefent Onze Minister de in artikel 70, eerste lid,
bedoelde bevoegdheid uit in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie.
Artikel 70 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]
1. Onze Minister is bevoegd een verlener van de universele postdienst en
zo nodig een ander postvervoerbedrijf bindende aanwijzingen te geven met
betrekking tot het postvervoer naar, van of in het gebied waarvoor een
besluit als bedoeld in artikel 68 van kracht is.
2. Onze Minister kan bij toepassing van het eerste lid afwijken van de
verplichtingen die op grond van deze wet op een verlener van de
universele postdienst rusten.
3. Een verlener van de universele postdienst kan aan exploitanten van
openbare vervoermiddelen de verplichting opleggen mee te werken aan het
postvervoer van aan de verlener van de universele postdienst ter vervoer
aangeboden poststukken. De verlener van de universele postdienst kan in
verband hiermee aanwijzingen geven aan de exploitanten van openbare
vervoermiddelen.
4. Indien een verlener van de universele postdienst of een exploitant
van openbare vervoermiddelen als gevolg van aanwijzingen gegeven op
grond van het eerste onderscheidenlijk het derde lid, onevenredig
financieel nadeel ondervindt, kent Onze Minister de betrokkene een naar
billijkheid te bepalen vergoeding toe.
Artikel 71
1.Bij toepassing van artikel 14 van de Wet buitengewone bevoegdheden
burgerlijk gezag is een verlener van de universele postdienst verplicht
de krachtens het eerste lid van genoemd artikel aangewezen autoriteiten
alle medewerking te verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door
die autoriteiten gegeven opdrachten.
2.Bij toepassing van artikel 31 van de Oorlogswet voor Nederland is een
verlener van de universele postdienst verplicht het militair gezag of
een orgaan als bedoeld in het tweede lid van genoemd artikel alle
medewerking te verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door dat
gezag of dat orgaan gegeven opdrachten.
Artikel 72
Onze Minister geeft aan een verlener van de universele postdienst
voorschriften ten aanzien van de door deze te nemen organisatorische en
personele maatregelen met betrekking tot de voorbereiding van de
uitvoering van de universele postdienst in buitengewone omstandigheden
als bedoeld in artikel 68 en de door deze daarover aan Onze Minister te
verstrekken informatie. Onze Minister bepaalt in die voorschriften welke
kosten van de uitvoering redelijkerwijs ten laste van een verlener van
de universele postdienst komen.
Hoofdstuk 12 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 73 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 13. Wijziging in andere wetten
§ 13.1. Ministerie van Justitie
Artikel 74
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 8]
Artikel 75
[Wijzigt de Faillissementswet]
Artikel 76
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie]
Artikel 77
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht]
Artikel 78
[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering]
§ 13.2. Ministerie van Binnenlandse Zaken
Artikel 79
[Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden]
§ 13.3. Ministerie van Financiën
Artikel 80
[Wijzigt de Postbankwet]
Artikel 81
[Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968]
§ 13.4. Ministerie van Verkeer en Waterstaat
Artikel 82
[Wijzigt de Luchtvaartwet]
§ 13.5. Ministerie van Economische Zaken
Artikel 83
[Wijzigt de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit]
Hoofdstuk 14. Overgangs-en slotbepalingen
Artikel 84
In afwijking van artikel 15, eerste lid, wordt met ingang van het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15, eerste lid, een bij
besluit van Onze Minister te bepalen rechtspersoon aangewezen als
verlener van de universele postdienst.
Artikel 85
Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet
en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 86
De Machtigingswet Koninklijke PTT Nederland NV wordt ingetrokken.
Artikel 87
De Postwet wordt ingetrokken.
Artikel 88
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
2. De voordracht voor het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 89
1. Artikel 8 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen datum.
2. De voordracht voor het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 90
Deze wet wordt aangehaald als: Postwet met vermelding van het jaartal
van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 25 maart 2009
BEATRIX
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
F. Heemskerk
Uitgegeven de dertigste maart 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|