| |
|
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Binnenvaartbesluit
- Binnenvaartregeling
- Patentreglement
Rijn'
- Regeling tarieven scheepvaart
2005
WET van 13 september 2007, houdende bepalingen met betrekking tot de
veilige vaart op de binnenwateren (Binnenvaartwet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
ter bevordering van de binnenvaart wenselijk is de wetgeving te
harmoniseren door de bepalingen die betrekking hebben op de toegang tot
de markt, de technische staat van het schip, de scheepsmeting, de
bemanning, het vaarbewijs, de scheepsnummering en de
gegevensverstrekking in een wet bijeen te brengen, waarbij mede
uitvoering wordt gegeven aan de Herziene Rijnvaartakte met bijbehorende
protocollen, alsmede aan Verordening 1017/68/EEG van de Raad van 19 juli
1968 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het
vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PbEG L
175), Richtlijn 76/135/EEG van de Raad van 20 januari 1976 inzake
wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (PbEG
L 021), Richtlijn 80/1119/EEG van de Raad van 17 november 1980
betreffende de statistische registratie van het goederenvervoer over de
binnenwateren (PbEG L 339), Richtlijn 82/714/EEG van de Raad van
4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor
binnenschepen (PbEG L 301), Verordening nr. 2919/85/EEG van de
Raad van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de voorwaarden
waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime
dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen
die tot de Rijnvaart behoren (PbEG L 280), Richtlijn 87/540/EEG
van de Raad van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep
van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de
binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep
betreffende diploma's, certificaten en andere titels (PbEG L
322), Verordening 3921/91/EEG van de Raad van 16 december 1991 tot
vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden
toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de
binnenwateren in een Lid-Staat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG
L 373), Richtlijn 91/672/EEG van de Raad van 16 december 1991 inzake
wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen
van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren (PbEG
L 373), Verordening 3912/92/EEG van de Raad van 17 december 1992 inzake
in de Gemeenschap in het wegvervoer en de binnenvaart uitgevoerde
controles van in een derde land ingeschreven of tot het verkeer
toegelaten vervoermiddelen (PbEG L 395), Verordening 1356/96/EEG
van de Raad van 8 juli 1996 tot vaststelling van gemeenschappelijke
voorschriften voor het vervoer van goederen of personen over de
binnenwateren, tussen Lid-Staten, om voor dit vervoer het vrij
verrichten van diensten te verzekeren (PbEG L 175) en Richtlijn
96/50/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van
voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor
binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de
Gemeenschap gebruikt worden (PbEG L 235);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Reikwijdte van de wet
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij
anders is bepaald, verstaan onder:
bedrijfsmatig vervoer:
1°. vervoer in de uitoefening van een bedrijf of beroep;
2°. vervoer van goederen, uitsluitend bestemd voor of
afkomstig van de eigen onderneming; of
3°. slepen en duwen van schepen met sleep-, duw- en
sleepduwboten;
bemanningslid: ieder die zich als schipper, stuurman, machinist,
volmatroos, matroos-motordrijver, matroos, lichtmatroos of deksman aan
boord van een schip bevindt;
bevoegde autoriteit: door Onze Minister aangewezen autoriteit;
binnenschip:
1°. vaartuig dat is bestemd voor de vaart op de binnenwateren
of op dienovereenkomstige buitenlandse wateren;
2°. drijvend werktuig;
binnenwateren: wateren die in Nederland zijn gelegen binnen een
langs de Nederlandse kust gaande, bij ministeriėle regeling aan te
wijzen lijn;
bunkerstation: drijvend werktuig met permanente ligplaats dat is
bestemd of wordt gebruikt voor de opslag of levering van brandstof
voor voortstuwing van schepen;
dekbemanning: de bemanning met uitzondering van de machinisten;
diepgang: verticale afstand van het laagste punt van de scheepsromp
aan de onderkant van de bodembeplating of van de kiel tot het vlak van
de grootste inzinking van de scheepsromp in meters;
drijvend werktuig: drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties
bevinden, zoals bunkerstations, grind- of zandzuigers, baggermolens,
hei-installaties, kranen en elevatoren;
gezagvoerder: degene die het gezag voert over een schip;
Herziene Rijnvaartakte: op 17 oktober 1868 te Mannheim tot stand
gekomen Herziene Rijnvaartakte (Trb. 1955, 161);
onderneming: rechtspersoon, vennootschap zonder
rechtspersoonlijkheid, maatschap dan wel natuurlijke persoon, die zich
bezig houdt met bedrijfsmatig vervoer;
Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
schip: zeeschip of binnenschip;
verwerken van persoonsgegevens: hetgeen daaronder wordt verstaan in
de Wet bescherming persoonsgegevens;
werkgever:
1°. degene jegens wie de gezagvoerder krachtens
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is
tot het verrichten van arbeid, behalve indien die gezagvoerder aan
een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van
arbeid welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
2°. degene aan wie de gezagvoerder ter beschikking is gesteld
voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°; of
3°. degene die zonder werkgever als bedoeld onder 1° of 2°
te zijn, de gezagvoerder onder zijn gezag arbeid doet verrichten;
zeeschip: schip dat blijkens zijn constructie uitsluitend of in
hoofdzaak wordt gebruikt voor de vaart op zee;
2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede
verstaan onder:
eigenaar van een binnenschip: degene die het binnenschip in gebruik
heeft, niet zijnde een reis- of tijdbevrachter;
vervoer:
1°. aanbieden van schepen voor het vervoeren van goederen en
personen;
2°. laden en lossen van goederen;
3°. in- en ontschepen van personen; of
4°. opslaan van goederen in schepen.
3.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder
vervoer niet verstaan het door een schip vervoeren van met behulp van
dit schip zelf gevangen vis als bedoeld in de Visserijwet 1963.
§ 2. Zonering binnenwateren
Artikel 2
Overeenkomstig bindende besluiten van instellingen van de Europese
Gemeenschappen dan wel anderszins ter uitvoering van verdragen of
bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties worden bij
ministeriėle regeling de binnenwateren onderverdeeld in zones, die
kunnen verschillen met het oog op de eigen omstandigheden van de vaart.
§ 3. Toepassingsgebied
Artikel 3
Deze wet is van toepassing op de binnenwateren.
Artikel 4
Deze wet is niet van toepassing op schepen:
a. in het beheer van het Ministerie van Defensie; of
b. behorende tot een buitenlandse krijgsmacht.
Hoofdstuk 2. Toegang tot de markt
Artikel 5
1.Het is degene die bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen
verricht verboden een schip te gebruiken waarvoor niet een in het
tweede lid bedoeld document van toelating is afgegeven.
2.Overeenkomstig bindende besluiten van instellingen van de
Europese Gemeenschappen dan wel anderszins ter uitvoering van
verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties
worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur documenten van
toelating vastgesteld, die voor bepaalde categorieėn van schepen of
bepaalde soorten van vervoer kunnen verschillen.
Artikel 6
1.Het is een onderneming of degene die een onderneming drijft
verboden bedrijfsmatig goederen te vervoeren, anders dan bestemd voor
of afkomstig van de eigen onderneming, zonder dat aan deze onderneming
een persoon verbonden is aan wie een bewijs van vakbekwaamheid is
afgegeven voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen en die
daadwerkelijk en bij voortduring leiding geeft aan de
vervoersactiviteit van de onderneming.
2.Onze Minister kan vrijstelling verlenen van de verplichting,
bedoeld in het eerste lid. Aan een vrijstelling kunnen voorschriften
of beperkingen worden verbonden.
3.Bij ministeriėle regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het aantonen van de vakbekwaamheid, waaronder in ieder geval zijn
begrepen de vereiste kennisgebieden en de vereiste scholing of
praktijkervaring.
4.Documenten die ten bewijze van de vakbekwaamheid zijn afgegeven
door een andere lidstaat van de Europese Unie krachtens bindende
besluiten van instellingen van de Europese Gemeenschappen, door een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of door Zwitserland, worden gelijkgesteld aan het
bewijs van vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid.
5.Bij ministeriėle regeling kan worden bepaald in welke gevallen
en voor welke termijnen Onze Minister ontheffing kan verlenen van het
eerste lid. Onze Minister kan aan de ontheffing voorschriften of
beperkingen verbinden.
6.Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften die aan
een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het tweede
onderscheidenlijk vijfde lid zijn verbonden.
Hoofdstuk 3. Regels aan boord
§ 1. Certificaat van onderzoek
Artikel 7
1.Het is verboden een schip te gebruiken zonder de vereiste geldige
certificaten.
2.Overeenkomstig bindende besluiten van instellingen van de
Europese Gemeenschappen dan wel anderszins ter uitvoering van
verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties
worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de soorten
certificaten van onderzoek en de categorieėn van binnenschepen
aangewezen waarvoor een certificaat van onderzoek vereist is.
Artikel 8
1.Overeenkomstig bindende besluiten van instellingen van de
Europese Gemeenschappen dan wel anderszins ter uitvoering van
verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties
worden bij ministeriėle regeling regels gesteld met betrekking tot de
technische staat van een binnenschip.
2.Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld in
aanvulling op de in het eerste lid bedoelde regels.
3.Het is verboden een binnenschip te gebruiken in strijd met de
regels, bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 9
1.Onze Minister of de bevoegde autoriteit verstrekt op aanvraag
voor het binnenschip een certificaat van onderzoek, indien bij
onderzoek is gebleken, dat is voldaan aan de regels, bedoeld in
artikel 8.
2.Bij ministeriėle regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de geldigheidsduur van een certificaat van onderzoek, alsmede de
voorwaarden waaronder een verloren gegaan of beschadigd exemplaar kan
worden vervangen.
3.Aan het certificaat van onderzoek kunnen voorschriften of
beperkingen worden verbonden.
Artikel 10
1.In het certificaat van onderzoek worden de voorschriften
opgenomen die bij het gebruik van het binnenschip in acht moeten
worden genomen, alsmede in voorkomende gevallen de toegestane
afwijkingen en te treffen voorzieningen met vermelding van de
binnenwateren en de periode, waarvoor deze gelden.
2.Het is verboden een binnenschip te gebruiken in strijd met het
eerste lid.
Artikel 11
Het is de eigenaar of gezagvoerder van een binnenschip waarvoor een
certificaat van onderzoek is afgegeven verboden het binnenschip te
gebruiken zonder dat Onze Minister, onderscheidenlijk de bevoegde
autoriteit onverwijld in kennis wordt gesteld van:
a. belangrijke schade en herstel daarvan;
b. verbouwing en andere ingrijpende wijzigingen;
c. overgang van de eigendom.
Artikel 12
Het is verboden een binnenschip te gebruiken waarvan de toestand, het
gebruik en de uitrusting niet in overeenstemming zijn met hetgeen is
vastgelegd in het certificaat van onderzoek.
Artikel 13
1.Onze Minister kan met betrekking tot bepaalde categorieėn van
binnenschepen van een of meer van de krachtens artikel 8 gestelde
regels vrijstelling verlenen, indien naar zijn oordeel de veiligheid
van de binnenschepen en de opvarenden voldoende gewaarborgd is. Aan
een vrijstelling kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
2.Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van
een of meer van de krachtens artikel 8 gestelde regels. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
3.Onze Minister kan een krachtens het tweede lid verleende
ontheffing intrekken, indien de aldaar bedoelde voorschriften niet
worden nageleefd.
4.Het is verboden een binnenschip te gebruiken in strijd met de
voorschriften die aan een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in
het eerste onderscheidenlijk tweede lid zijn verbonden.
Artikel 14
1.Onze Minister is belast met het onderzoek van een schip ingevolge
deze paragraaf. De onderzoeken kunnen geheel of ten dele worden
verricht door daartoe door Onze Minister aangewezen natuurlijke
personen of rechtspersonen.
2.Onze Minister kan in overeenstemming met de ambtgenoten die het
aangaat diensten en personen, ressorterende onder een ander ministerie
dan dat van Onze Minister, aanwijzen die voor het verrichten van
werkzaamheden samenhangende met het onderzoek van een schip ter
beschikking worden gesteld van Onze Minister.
3.Onze Minister stelt in overeenstemming met de ambtgenoten die het
aangaat voor de krachtens het tweede lid aangewezen diensten en
personen beleidsregels betreffende de vervulling van hun taak.
4.Een aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot het onderzoek en de aanwijzing van
de in het eerste lid bedoelde personen.
Artikel 15
1.Ten aanzien van een schip waarvoor een certificaat van onderzoek
is afgegeven kan Onze Minister in de gevallen, bedoeld in artikel 11,
onderdeel a of b, of bij vermoeden van ernstige gebreken aan het schip
een onderzoek instellen.
2.Onze Minister kan naar aanleiding van het onderzoek aanwijzingen
geven aan de eigenaar van het schip.
Artikel 16
Onze Minister kan het certificaat intrekken, indien:
a. bij het onderzoek blijkt dat niet wordt voldaan aan de in
artikel 8, eerste lid, bedoelde regels;
b. bij het onderzoek blijkt dat bij gebruik van het schip de
veiligheid van de vaart in gevaar wordt gebracht;
c. niet wordt voldaan aan de vordering tot medewerking aan het
onderzoek.
Artikel 17
1. Onze Minister kan het gebruik van een schip op de binnenwateren
onderbreken, indien de staat waarin het zich bevindt zodanig is dat de
veiligheid ervan of van zijn omgeving onmiddellijk gevaar loopt.
2. In geval van toepassing van het eerste lid draagt de
gezagvoerder er zorg voor, dat het schip onverwijld en met
inachtneming van de aanwijzingen van Onze Minister naar een door hem
aangewezen plaats wordt gebracht.
3. De eigenaar dan wel de gezagvoerder laat het schip op de
aangewezen plaats liggen, totdat naar het oordeel van Onze Minister de
redenen voor het onderbreken van het gebruik zijn weggenomen.
4. Titel 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing op de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid.
5. Het is verboden een schip te gebruiken zolang het gebruik met
toepassing van dit artikel is onderbroken, tenzij met inachtneming van
de ingevolge het tweede lid gegeven aanwijzingen.
Artikel 18
De kosten van een onderzoek en daarmee samenhangende werkzaamheden,
voor zover deze worden verricht door Onze Minister of de in artikel 14,
tweede lid, bedoelde diensten en personen, komen ten laste van het Rijk:
a. indien naar aanleiding van een vermoeden ten aanzien van de
aanwezigheid van ernstige gebreken aan het schip op grond van
artikel 15 een onderzoek is ingesteld en gebleken is, dat het
vermoeden onjuist is geweest; of
b. indien ingevolge artikel 17, eerste lid, het gebruik van een
schip is onderbroken en gebleken is, dat het onderbreken ten
onrechte is geschied.
Artikel 19
1.In afwachting van de sluiting van overeenkomsten tussen de
Europese Unie en derde landen inzake de wederzijdse erkenning van
scheepscertificaten, kan Onze Minister scheepscertificaten van
vaartuigen van derde landen erkennen voor het bevaren van de
binnenwateren.
2.Het afgeven van certificaten voor vaartuigen uit derde landen
geschiedt overeenkomstig de bij of krachtens deze paragraaf gegeven
voorschriften.
§ 2. Scheepsmeting
Artikel 20
Deze paragraaf is van toepassing op:
a. een binnenschip dat ingevolge artikel 785, eerste lid, met
inachtneming van het tweede lid, onderdeel a, van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek te boek is gesteld;
b. een zeeschip waarmee, op grond van een certificaat van
onderzoek, op de binnenwateren met een grotere diepgang mag worden
gevaren dan op zee of in de kustwateren.
Artikel 21
1.Het is verboden een schip te gebruiken zonder geldige meetbrief,
afgegeven op grond van de op 15 februari 1966 te Genčve tot stand
gekomen Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen (Trb.1967,
43).
2.Bij ministeriėle regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de meting en de meetbrieven.
§ 3. Bemanning
Artikel 22
1.Overeenkomstig bindende besluiten van instellingen van de
Europese Gemeenschappen dan wel anderszins ter uitvoering van
verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties
worden bij ministeriėle regeling regels gesteld voor bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen categorieėn van schepen met
betrekking tot de vaartijden en bemanningssterkte, de
uitrustingsstukken van binnenschepen en de hiermee verband houdende
eisen.
2.In het belang van de veiligheid van de vaart kan de regeling,
bedoeld in het eerste lid, aanvullende regels bevatten inzake:
a. de vaartijden van schepen;
b. de samenstelling van de minimumbemanning van in die regeling
aan te wijzen soorten schepen en categorieėn daarvan en bij te
onderscheiden exploitatiewijzen, alsmede de aan bemanningsleden te
stellen eisen;
c. eisen aan de deskundigheid van bemanningsleden, waaronder
begrepen opleiding en ervaring;
d. de rusttijden van de bemanningsleden.
3.Indien de regeling, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend
betrekking heeft op de wateren, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van
de Herziene Rijnvaartakte, kan Onze Minister voor de overige
binnenwateren regels stellen met betrekking tot de in het eerste lid
genoemde onderwerpen.
4.Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel de veilige vaart
voldoende gewaarborgd is, met betrekking tot bepaalde categorieėn van
schepen vrijstelling verlenen van een of meer eisen, bedoeld in het
eerste tot en met derde lid. Aan een vrijstelling kunnen voorschriften
of beperkingen worden verbonden.
5.Onze Minister kan ontheffing verlenen van de krachtens het eerste
tot en met derde lid gestelde eisen. Aan de ontheffing kunnen
voorschriften of beperkingen worden verbonden.
6.Onze Minister kan een krachtens het vijfde lid verleende
ontheffing intrekken, indien de aldaar bedoelde voorschriften niet
worden nageleefd.
7.De gezagvoerder of de werkgever zijn verplicht tot naleving van:
a. het bepaalde krachtens het eerste en tweede lid, onderdelen
a tot en met c;
b. het tot hen gerichte krachtens het tweede lid, onderdeel d,
bepaalde; en
c. de krachtens het vierde of vijfde lid, aan een vrijstelling
of ontheffing verbonden voorschriften.
8.Een bemanningslid is verplicht tot naleving van:
a. het tot hem gerichte krachtens het eerste en tweede lid,
onderdelen a en d, bepaalde; en
b. de tot hem gerichte krachtens het vierde of vijfde lid, aan
een vrijstelling of ontheffing verbonden voorschriften.
9.Het is verboden te handelen in strijd met dit artikel.
Artikel 23
1.Het is een gezagvoerder of een werkgever verboden een binnenschip
te gebruiken met een bemanningslid dat niet over een geldige
geneeskundige verklaring beschikt.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gesteld met betrekking tot de geneeskundige verklaring.
3.De artikelen 28 en 31 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
1.Een ambtenaar als bedoeld in artikel 40, eerste of tweede lid,
kan vorderen dat binnen een door hem te stellen termijn een nieuw
geneeskundig onderzoek wordt uitgevoerd, indien hij redelijkerwijs
vermoedt dat de houder daarvan niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld
in artikel 23, tweede lid.
2.Indien een geneeskundige verklaring wordt afgegeven
overeenkomstig het eerste lid, komen de kosten van afgifte ten laste
van het Rijk.
3.Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het eerste lid.
§ 4. Vaarbewijs
Artikel 25
1.Voor het voeren van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen categorieėn van schepen is aan de gezagvoerder een
geldig vaarbewijs afgegeven.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de
verschillende soorten vaarbewijzen en de geldigheidsduur vastgesteld.
3.Dit artikel is niet van toepassing op de gezagvoerder aan wie een
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
gelijkwaardig document is afgegeven.
4.Het is verboden een schip te gebruiken zonder dat aan de
gezagvoerder het daarvoor vereiste geldige vaarbewijs is afgegeven.
5.Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten, dat een op
zijn naam gesteld vaarbewijs voor een gedeelte of het geheel van de
geldigheidsduur ongeldig is verklaard, verboden een binnenschip
gedurende dat gedeelte of het geheel van de geldigheidsduur te voeren
of als gezagvoerder te doen voeren.
Artikel 26
1.Onze Minister verstrekt een vaarbewijs na overlegging van
verklaringen waaruit blijkt, dat de aanvrager voldoet aan bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorschriften om
het binnenschip veilig te voeren.
2.De in het eerste lid bedoelde voorschriften hebben betrekking op:
a. de lichamelijke en geestelijke geschiktheid; en
b. de kennis en de bekwaamheid om het binnenschip te voeren.
3.De in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen betrekking
hebben op de vaartijd. Onder vaartijd wordt verstaan de tijd die na
het bereiken van de leeftijd van 16 jaar is doorgebracht als lid van
de dekbemanning van een schip.
4.De in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen verschillend
zijn naar gelang het soort vaarbewijs.
Artikel 27
1.Een vaarbewijs wordt niet afgegeven aan degene:
a. die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;
b. van wie het vaarbewijs ongeldig is verklaard, gedurende de
periode van ongeldigheid.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt onder
vaarbewijs mede verstaan een vaarbewijs, afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woont.
Artikel 28
1.Onze Minister wijst de deskundigen aan die belast zijn met het
onderzoek naar de lichamelijke en geestelijke geschiktheid, bedoeld in
artikel 26, tweede lid, onderdeel a. De deskundige geeft een
verklaring af, indien het onderzoek met gunstig gevolg heeft
plaatsgevonden.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde verklaring daartoe
aanleiding geeft, kunnen aan het vaarbewijs voorschriften of
beperkingen worden verbonden, die op het vaarbewijs worden opgenomen.
3.Indien de afgifte van een in het eerste lid bedoelde verklaring
wordt geweigerd of indien blijkt uit die verklaring dat het gaat om
een beperkte geschiktheid, dan wordt de aanvrager op diens aanvraag
door een andere door Onze Minister aangewezen deskundige nogmaals
onderzocht. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
4.De deskundige gaat eerst tot een onderzoek over nadat de
aanvrager zich heeft gelegitimeerd.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald in welke gevallen het onderzoek achterwege blijft en op welke
wijze en voor welk soort vaarbewijs de aanvrager zijn lichamelijke en
geestelijke geschiktheid opnieuw aantoont.
6.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot het onderzoek of de
verklaring van lichamelijke en geestelijke geschiktheid.
7.Het is de gezagvoerder of de werkgever verboden te handelen in
strijd met de voorschriften die ingevolge het tweede lid zijn
verbonden aan een vaarbewijs.
Artikel 29
1.Onze Minister wijst de instellingen of personen aan die belast
zijn met het onderzoek naar de kennis en bekwaamheid als bedoeld in
artikel 26, tweede lid, onderdeel b. Zij verstrekken een verklaring,
indien het onderzoek met gunstig gevolg heeft plaatsgevonden.
2.Het onderzoek kan geheel of gedeeltelijk achterwege blijven,
indien de aanvrager in het bezit is van:
a. een geldig vaarbewijs;
b. een vaarbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur;
c. een door Onze Minister ingevolge artikel 32, eerste lid,
erkend gelijkwaardig document of bewijs van kennis en bekwaamheid
voor de binnenvaart.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot:
a. het onderzoek naar de kennis en bekwaamheid, bedoeld in het
eerste lid;
b. de aanwijzing van instellingen of personen, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 30
1.Onze Minister kan een vaarbewijs ongeldig verklaren voor een
gedeelte of het geheel van de geldigheidsduur, indien:
a. het vaarbewijs is afgegeven op grond van door de houder
verschafte onjuiste gegevens en het niet zou zijn afgegeven,
indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag
bekend zou zijn geweest;
b. het vaarbewijs kennelijk abusievelijk aan de houder is
afgegeven;
c. de houder hierom schriftelijk verzoekt;
d. de houder blijkens een nader onderzoek niet beschikt over de
lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist voor het
voeren van een binnenschip dan wel zich op eerste vordering van
Onze Minister niet aan een dergelijk onderzoek onderwerpt;
e. naar zijn oordeel de houder niet over de kennis of
bekwaamheid beschikt die is vereist voor het voeren van een
binnenschip;
f. de houder niet voldoet aan de voorschriften, bedoeld in
artikel 28, tweede lid.
2.Indien bij het nader onderzoek, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d, de ongeschiktheid niet blijkt, komen de kosten van het
onderzoek ten laste van het Rijk. Artikel 28, eerste lid en vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot het ongeldig verklaren, het
invorderen en het teruggeven van een vaarbewijs.
Artikel 31
1.Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel de veilige vaart
voldoende gewaarborgd is, met betrekking tot bepaalde categorieėn van
binnenschepen vrijstelling verlenen van de op een gezagvoerder
rustende verplichting, bedoeld in artikel 25, eerste lid. Aan een
vrijstelling kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
2.Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel de veilige vaart
voldoende gewaarborgd is, aan een gezagvoerder ontheffing verlenen van
de in artikel 25, eerste lid, bedoelde verplichting. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
3.Onze Minister kan een krachtens het tweede lid verleende
ontheffing intrekken, indien de gezagvoerder de aldaar bedoelde
voorschriften niet naleeft.
4.Het is verboden te handelen in strijd met aan een vrijstelling of
ontheffing als bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid
verbonden voorschriften.
Artikel 32
1.Onze Minister kan een bewijs van kennis en bekwaamheid voor een
of meer vormen van binnenvaart erkennen, indien naar zijn oordeel het
bewijs voldoende waarborg biedt voor het veilig voeren van een
binnenschip. Alsdan treedt het bewijs van kennis en bekwaamheid
gedeeltelijk in de plaats van het onderzoek of geheel in de plaats van
de verklaring, bedoeld in artikel 29, eerste lid.
2.Bij ministeriėle regeling kunnen vaarbewijzen of bewijzen van
kennis en bekwaamheid worden erkend die zijn afgegeven door een
bevoegde autoriteit in het buitenland. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing.
3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
andere geneeskundige verklaringen dan de verklaring, bedoeld in
artikel 28, eerste lid.
Artikel 33
1.Overeenkomstig bindende besluiten van instellingen van de
Europese Gemeenschappen dan wel anderszins ter uitvoering van
verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties
worden bij ministeriėle regeling regels gegeven ten aanzien van
vaarbewijzen.
2.Het is verboden te handelen in strijd met de regels, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 34
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
gesteld worden met betrekking tot:
a. de binnenwateren waarop de vaarbewijzen geldig zijn, de houder
van het vaarbewijs of het binnenschip waarmee wordt gevaren;
b. de vereisten voor de afgifte van de vaarbewijzen;
c. de modellen voor de vaarbewijzen.
Artikel 35
1.Aan autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van deze
wet of die zijn belast met de handhaving van de bij of krachtens deze
wet vastgestelde regels, worden op bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te bepalen wijze gegevens verstrekt omtrent afgegeven en
ongeldige vaarbewijzen die deze autoriteiten voor de uitoefening van
hun taak behoeven.
2.Aan de met de afgifte van vaarbewijzen belaste autoriteiten
buiten Nederland worden inlichtingen als in het eerste lid bedoeld
verstrekt in de gevallen en op de wijze, zoals bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur bepaald.
Hoofdstuk 4. Scheepsnummer en gegevensverstrekking
§ 1. Scheepsnummer
Artikel 36
1.Onze Minister kent aan een binnenschip dat in Nederland op grond
van artikel 785, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek te
boek is gesteld en aan een binnenschip waarvoor een certificaat van
onderzoek is afgegeven een scheepsnummer toe, waaronder mede wordt
begrepen het aanmerken als scheepsnummer van een overeenkomstige
aanduiding die bij of krachtens andere wet is toegekend.
2.De eigenaar van het binnenschip waaraan een scheepsnummer is
toegekend is verplicht:
a. dit nummer binnen twee weken na de toekenning en
kennisgeving ervan op zijn binnenschip aan te brengen;
b. van elke wijziging in de omstandigheden van het binnenschip
die aanleiding kunnen geven tot wijziging van het scheepsnummer
binnen twee weken aan Onze Minister kennis te geven.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot het scheepsnummer.
4.Het is de eigenaar van het binnenschip verboden te handelen in
strijd met het tweede lid of met de regels, bedoeld in het derde lid.
§ 2. Gegevensverstrekking
Artikel 37
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de registratie van gegevens ten
behoeve van het toezicht op de naleving van de krachtens hoofdstuk 3,
paragraaf 3, gegeven regels en voorschriften.
2.Het is verboden te handelen in strijd met de regels, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 38
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de verstrekking van gegevens betreffende het
vervoer in het belang van de statistiek.
Artikel 39
1.Persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming
persoonsgegevens, betreffende de gezondheid, worden verwerkt ter
uitvoering van:
a. artikel 6, mede betreffende de wettelijke onbekwaamheid, met
het oogmerk te beoordelen of aan dit artikel toepassing kan worden
gegeven dan wel of ontheffing onderscheidenlijk vrijstelling kan
worden verleend;
b. artikel 23, met het oogmerk te beoordelen of een
bemanningslid voldoet of niet meer voldoet aan de bij of krachtens
deze wet gestelde vereisten betreffende de lichamelijke
geschiktheid;
c. artikel 26, eerste lid, met het oogmerk te beoordelen of de
aanvrager voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen
betreffende de lichamelijke en geestelijke geschiktheid;
d. artikel 30, eerste lid, onderdeel d, met het oogmerk te
beoordelen of sprake is van lichamelijke of geestelijke
ongeschiktheid van de houder van een vaarbewijs.
2.Onze Minister is verantwoordelijk voor de verwerking van de in
het eerste lid bedoelde persoonsgegevens.
3.Ter uitvoering van de Herziene Rijnvaartakte kunnen
persoonsgegevens worden verwerkt betreffende de gezondheid van de
bemanning van schepen die zich op de Rijn, inbegrepen de Lek en de
Waal, bevinden. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde
de lichamelijke geschiktheid van de bemanning vast te stellen.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wie
verantwoordelijk is voor de verwerking van de in het derde lid
bedoelde persoonsgegevens.
Hoofdstuk 4a. Financiering inzameling en verdere verwijdering van
olie- en vethoudende scheepsafvalstoffen
§ 1. Algemene bepalingen [Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip]
Artikel 39a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. verdrag: het op 9 september 1996 te Straatsburg tot stand
gekomen verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval
in de Rijn- en binnenvaart (Trb. 1996, 293);
b. afvalbeheerbijdrage: de in artikel 6, eerste lid, van het
verdrag bedoelde verwijderingsbijdrage;
c. betrekken van gasolie: het betrekken van gasolie in gevallen
waarin de levering van die gasolie gepaard gaat met een uitslag of
een invoer ter zake waarvan artikel 66, eerste lid, onder a, van de
Wet op de accijns van toepassing is, dan wel ter zake van de
levering van die gasolie artikel 70, eerste lid, onder b, van die
wet van toepassing is;
d. leverancier: leverancier van de gasolie;
e. nationaal instituut: Nederlandse nationaal instituut, bedoeld
in artikel 9 van het verdrag.
Artikel 39b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op binnenschepen waarvan de
hoofd- of hulpmotoren, met uitzondering van ankerlieren,
verbrandingsmotoren zijn.
2. In afwijking van het eerste lid is dit hoofdstuk, met
uitzondering van artikel 39e, niet van toepassing met betrekking tot
schepen die zijn toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend
daartoe bestemd zijn.
§ 2. Afvalbeheerbijdrage [Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip]
Artikel 39c [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Ter zake van het betrekken van gasolie ten behoeve van een schip
wordt een afvalbeheerbijdrage geheven van de eigenaar van het schip.
2. De afvalbeheerbijdrage is verschuldigd op het tijdstip van het
betrekken, bedoeld in het eerste lid.
3. De betaling van de afvalbeheerbijdrage geschiedt namens de
eigenaar van het schip door de gezagvoerder en door tussenkomst van de
leverancier, volgens de bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde voorschriften voor de eigenaar van het schip en de
gezagvoerder ten aanzien van het betrekken en voor de leverancier ten
aanzien van het leveren van gasolie.
Artikel 39d [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De afvalbeheerbijdrage wordt berekend over het aantal liters
gasolie dat ten behoeve van het schip is betrokken.
2. Het in een kalenderjaar geldende tarief van de
afvalbeheerbijdrage is het tarief dat krachtens artikel 14, derde lid,
onder b, van het verdrag voor het desbetreffende kalenderjaar is
vastgesteld bij besluit van de Conferentie der Verdragsluitende
Partijen.
3. Het tarief van de afvalbeheerbijdrage wordt door Onze Minister
telkens zo spoedig mogelijk na de in het tweede lid bedoelde
vaststelling in de Staatscourant bekendgemaakt.
Artikel 39e [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Bij algemene maatregel van bestuur worden de administratieve
verplichtingen van de eigenaar van het schip en de gezagvoerder, alsmede
van de leverancier in verband met de afvalbeheerbijdrage geregeld.
Artikel 39f [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Bij constatering van het feit dat voor een schip niet volledig is
voldaan aan de ingevolge artikel 39c, derde lid, geldende voorschriften,
geeft Onze Minister met betrekking tot het bedrag aan
afvalbeheerbijdrage dat door de eigenaar van het schip is verschuldigd
toepassing aan artikel 4.4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht.
§ 3. Het nationaal instituut
Artikel 39g
1. Onze Minister wijst in overeenstemming met Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, waarin
vertegenwoordigers van de bedrijfstak van de binnenvaart zijn
opgenomen, aan als nationaal instituut.
2. Het nationaal instituut is belast met:
a. de organisatie van de inzameling en de verdere verwijdering
van olie- en vethoudende scheepsafvalstoffen, alsmede de
financiering daarvan, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het
verdrag, met inbegrip van de inning van de afvalbeheerbijdrage, en
b. de Nederlandse vertegenwoordiging in het Internationaal
Verevenings- en Coördinatieorgaan, in overeenstemming met artikel
10, tweede lid, laatste volzin, van het verdrag.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent
de taken van het nationaal instituut en de wijze van uitoefening
daarvan vastgesteld.
4. Onze Minister draagt zorg voor de vervulling van de taken die
ingevolge het verdrag aan nationale instituten kunnen worden
opgedragen, voor zover die niet behoren tot de in het tweede lid
bedoelde taken, alsmede voor de vervulling van de in het tweede lid
bedoelde taken indien geen aanwijzing als bedoeld in het eerste lid
van kracht is.
5. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan worden
ingetrokken indien de aangewezen instelling niet langer voldoet aan
het bepaalde in het eerste lid, dan wel handelt in strijd met de in
het derde lid bedoelde regels.
Artikel 39h [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Onze Minister verstrekt aan de ingevolge artikel 39g aangewezen
rechtspersoon subsidie:
a. ten aanzien van de kosten van de personele en materiėle
voorzieningen die nodig zijn voor de uitvoering van de ingevolge
artikel 39g aan het nationaal instituut toegekende taken en
b. ten aanzien van de internationale financiėle verevening,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het verdrag.
2. De Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat en afdeling 4.2.8
van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing op de
subsidieverstrekking.
§ 4. Uitvoering van het verdrag [Treedt in werking op een nader te
bepalen tijdstip]
Artikel 39i [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld ten aanzien van de in dit hoofdstuk geregelde
onderwerpen, voor zover dat nodig is voor een goede uitvoering van het
verdrag, daaronder begrepen de uitvoering van een besluit van de
Conferentie der Verdragsluitende Partijen.
Hoofdstuk 5. Handhaving
§ 1. Toezicht en opsporing
Artikel 40
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet en de Herziene Rijnvaartakte zijn belast:
a. de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen ambtenaren;
b. de door Onze Minister aangewezen ambtenaren van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat.
2.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn voorts belast andere dan in het eerste lid, onderdeel b,
bedoelde door Onze Minister aangewezen ambtenaren. Indien Onze
Minister ambtenaren van provincies, gemeenten of waterschappen
aanwijst, doet hij dit in overeenstemming met de desbetreffende
besturen.
3.Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt bekendgemaakt
in de Staatscourant.
4.Onze Minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot
het toezicht op de naleving.
Artikel 41
1.Een ambtenaar als bedoeld in artikel 40 is bevoegd afgifte te
vorderen van bij of krachtens deze wet vereiste documenten die
ongeldig zijn verklaard of zijn ingetrokken.
2.Een ambtenaar als bedoeld in artikel 40 beschikt niet over de
bevoegdheid, genoemd in artikel 5:18 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Artikel 42
1.Een ambtenaar als bedoeld in artikel 40 is bevoegd afgifte van
het vaarbewijs te vorderen indien naar zijn oordeel het vermoeden
bestaat van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het voeren
van een binnenschip of de houder niet over de kennis of bekwaamheid
beschikt die is vereist voor het voeren van een binnenschip. Hij legt
het vaarbewijs waarvan afgifte is gevorderd onverwijld en onder opgave
van redenen aan Onze Minister over.
2.Onze Minister neemt, nadat hij van de vordering tot afgifte
kennis heeft genomen, onverwijld een besluit over de geldigheid van
het vaarbewijs. Totdat een besluit als bedoeld in dit lid is genomen,
geldt het besluit van de vordering tot afgifte als een besluit als
bedoeld in artikel 31, derde lid.
3.Wanneer Onze Minister niet tot verlies van geldigheid besluit,
geeft hij het vaarbewijs aan de houder terug.
4.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
een vaarbewijs als bedoeld in artikel 32, tweede lid. Onze Minister
legt dit vaarbewijs onverwijld en onder opgave van redenen over aan de
desbetreffende bevoegde autoriteit in het buitenland met het verzoek
over de geldigheid van het vaarbewijs een besluit te nemen.
Artikel 43
1.Bij ministeriėle regeling wordt vastgesteld welke documenten die
bij of krachtens deze wet zijn vereist:
a. aan boord van het schip aanwezig zijn; of
b. op andere wijze kunnen worden getoond.
2.Het is degene op wie krachtens het eerste lid de verplichting
berust documenten aan boord te hebben of op andere wijze te tonen,
verboden te handelen in strijd met het eerste lid.
Artikel 44
Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter
handhaving van de bij of krachtens deze wet en de Herziene Rijnvaartakte
gestelde verplichtingen.
Artikel 45
1.Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet en de Herziene
Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten zijn belast de bij of
krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen
ambtenaren, alsmede de in artikel 40 bedoelde ambtenaren.
2.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn tevens belast met
de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot
en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze
feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan
of ondernomen door henzelf.
Artikel 46
1.Op de eerste vordering van de ambtenaren, bedoeld in de artikelen
40 en 45, geeft de houder behoorlijk ter inzage af de documenten die
bij of krachtens deze wet zijn vereist.
2.Het is verboden te handelen in strijd met het eerste lid.
Artikel 47
1.De artikelen 5:13 en 5:15 tot en met 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
ambtenaren, bedoeld in artikel 45.
2.De ambtenaren, bedoeld in artikel 45, zijn zonder toestemming van
de bewoner bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een
woning te betreden.
3.De ambtenaren, bedoeld in artikel 45, zijn bevoegd afgifte te
vorderen van bij of krachtens deze wet vereiste documenten die
ongeldig zijn verklaard of zijn ingetrokken.
§ 2. Bestuurlijke boete
Artikel 48
1. Onze Minister kan aan degene die handelt in strijd met de
artikelen 5, eerste lid, 6, eerste lid en zesde lid, 7, eerste lid, 8,
derde lid, 10, tweede lid, 11, 12, 13, vierde lid, 21, eerste lid, 22,
negende lid, 23, eerste lid, 36, vierde lid, 37, tweede lid, 43,
tweede lid, en 46, tweede lid, een bestuurlijke boete opleggen.
2. De bestuurlijke boete die ten hoogste kan worden opgelegd komt
overeen met de boete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23,
vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
3. De op te leggen bestuurlijke boete kan met maximaal 50% worden
verhoogd, indien binnen een periode van 48 maanden tweemaal voor een
zelfde feit, elk afzonderlijk in een periode van maximaal 24 maanden
voorafgaand aan dat feit, een boete is opgelegd en onherroepelijk is
geworden. In afwijking van het tweede lid geldt deze verhoging ook
voor de ten hoogste op te leggen boete.
4. Bij ministeriėle regeling worden de boetebedragen voor de
beboetbare feiten vastgesteld.
Artikel 48a [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 49
1. Wanneer door het handelen in strijd met de artikelen 5, eerste
lid, 6, eerste lid en zesde lid, 7, eerste lid, 8, derde lid, 10,
tweede lid, 11, 12, 13, vierde lid, 21, eerste lid, 22, negende lid,
23, eerste lid, 36, vierde lid, 37, tweede lid, 43, tweede lid, en 46,
tweede lid, gevaar voor de openbare veiligheid ontstaat of kan
ontstaan, worden deze gedragingen aangemerkt als strafbaar feit.
2. Handelen in strijd met artikel 17, vijfde lid, is een strafbaar
feit.
3. Strafbare feiten als bedoeld in het eerste en tweede lid zijn
overtredingen.
Artikel 49a [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 49b [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 49c [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 49d [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 49e [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 49f [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 49g [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 49h [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 49i [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 49j [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 49k [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 49l [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 50
Indien een bestuurlijke boete wordt opgelegd kan Onze Minister de
geldsom invorderen bij dwangbevel.
Artikel 50a [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 50b [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 50c [Vervallen per 01-07-2009]
Hoofdstuk 6. Overige bepalingen
§ 1. Vergoedingen
Artikel 51
1.Degene die ingevolge deze wet een aanvraag doet in verband met:
a. het verlenen, wijzigen of intrekken van een ontheffing
ingevolge deze wet; of
b. het afgeven, wijzigen of intrekken van ingevolge deze wet
vereiste documenten;
is voor de behandeling van die aanvraag een vergoeding van de
kosten verschuldigd.
2.Bij ministeriėle regeling:
a. worden de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid,
vastgesteld;
b. kan worden bepaald dat, voor zover anderen dan Onze Minister
de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden verrichten, zij zelf
daarvoor de vergoedingen alsmede de wijze van betaling van deze
vergoedingen vaststellen met inachtneming van de bij ministeriėle
regeling gegeven regels;
c. wordt bepaald aan wie de vergoedingen, bedoeld in het eerste
lid, verschuldigd zijn.
§ 2. Noodwetgeving
Artikel 52
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, artikel 53 in werking worden
gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent
het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepaling.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld,
buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel
toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op
de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 53
Bij toepassing van artikel 52, eerste lid, gelden de bepalingen van
en krachtens deze wet ten aanzien van een schip en de gezagvoerder
slechts, voor zover zulks bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 54
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 54a [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 55
Deze wet wordt aangehaald als: Binnenvaartwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 13 september 2007
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
C.M.P.S. Eurlings
Uitgegeven de achttiende december 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|