| |
|
|
|
|
vorige
WET
WEGVERVOER GOEDEREN (Wwg)
Tekst zoals deze geldt op
19 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Regeling
wegvervoer goederen
WET van 30 oktober 2008 tot wijziging van de regeling van het
beroepsgoederenvervoer en het eigen vervoer met vrachtauto’s (Wet
wegvervoer goederen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is om de regelgeving voor de toelating tot het beroep van
goederenvervoerder over de weg en voor de toelating tot de markt van het
goederenvervoer over de weg te versoberen, om de administratieve lasten
voor de goederenvervoerders te verminderen en de handhaafbaarheid van de
regelgeving te verbeteren, mede gelet op de Eerste Richtlijn van de Raad
van de Europese Gemeenschap van 23 juli 1962 betreffende de vaststelling
van gemeenschappelijke regels voor bepaalde soorten goederenvervoer over
de weg (PbEG 70), Verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de
markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar
het grondgebied van een Lidstaat of over het grondgebied van een of meer
Lid-Staten (PbEG L 95), verordening (EEG) nr. 3118/93 van de Raad
van Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 tot vaststelling van de
voorwaarden waaronder vervoerders worden toegelaten tot het binnenlands
goederenvervoer over de weg in een Lid-Staat waarin zij niet gevestigd
zijn (PbEG L 279) en op Richtlijn nr. 96/26/EG van de Raad van de
Europese Unie van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van
vervoerder van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg,
nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van
diploma’s, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de
uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde
vervoerondernemers (PbEG L 124);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
beroepsrichtlijn voor het wegvervoer: de bij regeling van Onze
Minister aangewezen beroepsrichtlijn voor het wegvervoer;
beroepsvervoer: vervoer van goederen met een of meer vrachtauto’s
dat tegen vergoeding van een of meer derden wordt verricht, niet
zijnde eigen vervoer;
bestuurdersattest: bestuurdersattest als bedoeld in de
marktverordening voor het wegvervoer;
cabotageverordening voor het wegvervoer: de bij regeling van Onze
Minister aangewezen cabotageverordening voor het wegvervoer;
CEMT-vergunning: de vergunning die door het Secretariaat van de
Europese Conferentie van Ministers van Verkeer (CEMT) wordt
uitgegeven voor het verrichten van grensoverschrijdend
goederenvervoer;
communautaire vergunning: communautaire vergunning als bedoeld in
de marktverordening voor het wegvervoer;
eigen vervoer: vervoer van goederen met een of meer vrachtauto’s
dat voor eigen rekening wordt verricht dan wel als werkzaamheid van
ondersteunende aard die direct samenhangt met de hoofdwerkzaamheid
binnen de bedrijfsactiviteiten;
integriteitsverklaring beroepsvervoer: een verklaring van Onze
Minister van Justitie dat uit een onderzoek met betrekking tot het
gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon
ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving alsmede het
risico voor een behoorlijke beroepsuitoefening niet gebleken is van
bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon;
lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
marktverordening voor het wegvervoer: de bij regeling van Onze
Minister aangewezen marktverordening voor het wegvervoer;
motorrijtuig: voertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994;
NIWO: Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer
Organisatie;
Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
vervoerder: de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de
vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of de maatschap voor wiens
rekening en risico het beroepsvervoer of het eigen vervoer wordt
verricht;
vrachtauto: motorrijtuig, motorrijtuig met aanhangwagen of
samenstel van motorrijtuig en oplegger, ingericht voor het vervoer
van goederen;
vrijstellingsrichtlijn voor het wegvervoer: de bij regeling van
Onze Minister aangewezen vrijstellingsrichtlijn voor het wegvervoer.
Artikel 1.2
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder
beroepsvervoer onderscheidenlijk eigen vervoer mede verstaan de ledige
ritten en het laden en lossen van zaken in een vrachtauto in verband
met dit vervoer.
2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder
rechtspersoon mede verstaan de vennootschap zonder
rechtspersoonlijkheid en de maatschap.
3.Een natuurlijk persoon die goederen vervoert met een
communautaire vergunning van een derde of met een vergunning als
bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, van een derde, verricht
beroepsvervoer indien hij de vrachtauto waarmee de goederen worden
vervoerd in eigendom heeft of de vrachtauto hem anderszins tegen
vergoeding ter beschikking is gesteld.
4.Het binnenlands vervoer van goederen ten behoeve van een andere
rechtspersoon geschiedt voor de toepassing van deze wet voor eigen
rekening indien:
a. die rechtspersoon samen met de vervoerder al dan niet met
een of meer andere rechtspersonen ingevolge een beschikking op
basis van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969,
als een fiscale eenheid wordt aangemerkt, of
b. die rechtspersoon samen met de vervoerder al dan niet met
een of meer andere rechtspersonen ingevolge een beschikking op
basis van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, als
één onderneming wordt aangemerkt.
Artikel 1.3
Deze wet is van toepassing op het beroepsvervoer en het eigen vervoer
dat wordt verricht:
a. door een in Nederland gevestigde vervoerder;
b. in Nederland door een buiten Nederland gevestigde vervoerder.
Hoofdstuk 2. Toegang tot de markt en tot het beroep
Artikel 2.1
1.De marktverordening voor het wegvervoer is van overeenkomstige
toepassing op het:
a. binnenlands beroepsvervoer door een in Nederland gevestigde
vervoerder;
b. binnenlands beroepsvervoer door een in een andere lidstaat
gevestigde vervoerder;
c. grensoverschrijdend beroepsvervoer, bedoeld in de punten 2,
3 en 5 van de bij de vrijstellingsrichtlijn voor het wegvervoer
behorende bijlage I, door een in Nederland gevestigde vervoerder
voor trajecten over het grondgebied van lidstaten.
2.De marktverordening voor het wegvervoer is in afwijking van het
eerste lid niet van overeenkomstige toepassing op het beroepsvervoer
door een in Nederland gevestigde vervoerder dat wordt verricht met een
of meer vrachtauto’s met een laadvermogen van niet meer dan 500 kg.
3.De marktverordening voor het wegvervoer is in afwijking van het
eerste lid niet van overeenkomstige toepassing op het binnenlands
beroepsvervoer door een in Nederland gevestigde vervoerder:
a. dat vanwege de aard van de vervoerde zaken of de geringe
afstand die wordt afgelegd, slechts een geringe weerslag op de
vervoersmarkt heeft, en dat na overleg met de Commissie van de
Europese Gemeenschappen, bij regeling van Onze Minister is
aangewezen;
b. dat vanwege de aard van de vervoerde zaken of de geringe
afstand die wordt afgelegd, slechts een geringe weerslag op de
vervoersmarkt heeft en vanwege onvoorziene omstandigheden, in
afwachting van de voltooiing van het overleg met de Commissie van
de Europese Gemeenschappen, tijdelijk bij regeling van Onze
Minister is aangewezen, of
c. dat is genoemd in punt 1 van de bij de
vrijstellingsrichtlijn voor het wegvervoer behorende bijlage I.
4.De marktverordening voor het wegvervoer is in afwijking van het
eerste lid niet van overeenkomstige toepassing op het binnenlands
beroepsvervoer door in een andere lidstaat gevestigde vervoerder, dat
is opgenomen in de bij de vrijstellingsrichtlijn voor het wegvervoer
behorende bijlage I.
5.De marktverordening voor het wegvervoer is niet van toepassing op
het grensoverschrijdend beroepsvervoer door een in een andere lidstaat
gevestigde vervoerder, dat is opgenomen in de bij de
vrijstellingsrichtlijn voor het wegvervoer behorende bijlage I.
Artikel 2.2
Bij regeling van Onze Minister kan, met inachtneming van de
overgangsbepalingen van een verdrag betreffende de toetreding van een of
meer staten tot de Europese Unie, in afwijking van de
cabotageverordening voor het wegvervoer of van de marktverordening van
het wegvervoer, het in Nederland verrichten van binnenlands
beroepsvervoer onderscheidenlijk grensoverschrijdend beroepsvervoer,
door een vervoerder uit een bovenbedoelde lidstaat verboden worden.
Artikel 2.3
1.Het is een in Nederland gevestigde vervoerder verboden
grensoverschrijdend beroepsvervoer te verrichten voor trajecten op het
grondgebied van andere staten dan lidstaten, zonder te beschikken
over:
a. een geldige CEMT-vergunning, of
b. één of meerdere daarvoor geldige ritmachtigingen op grond
van een verdrag voor het grensoverschrijdend goederenvervoer met
een andere staat.
2.De NIWO verleent slechts een CEMT-vergunning dan wel een
ritmachtiging voor het verrichten van grensoverschrijdend
beroepsvervoer aan de in Nederland gevestigde vervoerders, die houder
zijn van een communautaire vergunning.
3.Het is een vervoerder, die niet gevestigd is in een lidstaat
verboden om in Nederland beroepsvervoer te verrichten zonder te
beschikken over:
a. een geldige CEMT-vergunning, of
b. één of meerdere daarvoor geldige ritmachtigingen op grond
van een verdrag voor het goederenvervoer tussen Nederland met de
staat waarin de vervoerder is gevestigd.
4.Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ter
uitvoering van het eerste en derde lid en van besluiten van de
Conferentie van Europese Ministers van Transport. Daartoe behoren in
elk geval regels over:
a. de aanvraag tot verlening van een CEMT-vergunning of een
ritmachtiging;
b. de verlening, het gebruik en de intrekking van een
CEMT-vergunning of een ritmachtiging;
c. de op de ritmachtiging te vermelden gegevens, en
d. de aan de CEMT-vergunning of de ritmachtiging te verbinden
voorschriften.
5.Het is een in Nederland gevestigde vervoerder verboden
grensoverschrijdend eigen vervoer te verrichten voor trajecten op het
grondgebied van andere staten dan lidstaten, zonder te beschikken over
een daarvoor geldende door de NIWO verleende ritmachtiging, op grond
van een verdrag voor het grensoverschrijdend goederenvervoer met een
andere staat.
6.Het is een vervoerder, die niet gevestigd is in een lidstaat
verboden om in Nederland eigen vervoer te verrichten zonder te
beschikken over één of meerdere daarvoor geldige ritmachtigingen op
grond van een verdrag voor het goederenvervoer tussen Nederland met de
staat waarin de vervoerder is gevestigd.
7.Ter uitvoering van een besluit van de Conferentie van Europese
Ministers van Transport, of van een verdrag met betrekking tot het
grensoverschrijdend goederenvervoer, kan bij regeling van Onze
Minister vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het
eerste, derde, vijfde of zesde lid.
Artikel 2.4
1.De andere staten dan lidstaten, die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte worden voor de
toepassing van de cabotageverordening voor het wegvervoer en van de
marktverordening voor het wegvervoer en van de artikelen 2.1 tot en
met 2.3 en 2.5 gelijkgesteld met een lidstaat.
2.Voor zover dit uit een verdrag van de Europese Gemeenschap met
een staat voortvloeit, wordt die staat voor de toepassing van de
marktverordening voor het wegvervoer en van artikel 2.1, eerste lid,
onderdeel c en vijfde lid, artikel 2.3 en artikel 2.5 met een lidstaat
gelijk gesteld.
3.De door de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte verleende soortgelijke
vervoervergunningen en attesten voor bestuurders worden voor de
toepassing van de cabotageverordening voor het wegvervoer en van de
marktverordening voor het wegvervoer en van artikel 2.1 gelijkgesteld
met communautaire vergunningen onderscheidenlijk met
bestuurdersattesten.
4.Onze Minister doet van de staten waarop het tweede lid van
toepassing is, mededeling in de Staatscourant.
Artikel 2.5
Het is verboden om bij het verrichten van beroepsvervoer anders dan
bedoeld in artikel 2.1, tweede, derde, vierde of vijfde lid, in strijd
te handelen met artikel 3, eerste lid, artikel 5, vierde lid, of artikel
6, vierde lid, van de marktverordening voor het wegvervoer.
Artikel 2.6
1.Het is verboden beroepsvervoer of eigen vervoer te verrichten met
een vrachtauto ten aanzien waarvan in strijd wordt gehandeld met de
bij regeling van Onze Minister aangewezen bepalingen die zijn
vastgesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het doen
verrichten van beroepsvervoer.
Artikel 2.7
1.Het is de houder van een communautaire vergunning of van een
vergunning als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, verboden om een
gewaarmerkte kopie van die vergunning al dan niet tegen betaling ter
beschikking te stellen aan een derde ten behoeve van het verrichten
van beroepsvervoer.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene aan
wie door de houder van een vergunning een gewaarmerkte kopie van die
vergunning ter beschikking is gesteld.
Artikel 2.8
1.Een vervoerder die een natuurlijk persoon is, heeft toegang tot
het beroep van beroepsvervoerder en is gemachtigd tot het verrichten
van binnenlands en grensoverschrijdend beroepsvervoer, indien:
a. hij voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, financiële
draagkracht en vakbekwaamheid, of
b. hij voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid en financiële
draagkracht en een andere natuurlijk persoon die de
vervoeractiviteiten permanent en daadwerkelijk leidt, voldoet aan
de eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid, en
c. er geen sprake is van een geval waarin op basis van artikel
3.2, eerste lid, dan wel 3.4, eerste lid, artikel 3 van de Wet
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
kan worden toegepast.
2.Een vervoerder die een rechtspersoon is, heeft toegang tot het
beroep van beroepsvervoerder en is gemachtigd tot het verrichten van
binnenlands en grensoverschrijdend beroepsvervoer indien:
a. hij voldoet aan de eisen van financiële draagkracht;
b. de een of meer natuurlijke personen die de
vervoeractiviteiten permanent en daadwerkelijk leiden, voldoen aan
de eisen van betrouwbaarheid, en
c. ten minste een van de onder b bedoelde natuurlijke personen
voldoet aan de eis van vakbekwaamheid, en
d. er geen sprake is van een geval waarin op basis van artikel
3.2, eerste lid, dan wel 3.4, eerste lid, artikel 3 van de Wet
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
kan worden toegepast.
3.De vervoerder die een natuurlijk persoon of een rechtspersoon
anders dan een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of maatschap
is, heeft bij faillissement geen toegang tot het beroep van
beroepsvervoerder en is niet meer gemachtigd tot het verrichten van
binnenlands en grensoverschrijdend beroepsvervoer met ingang van de
dag waarop de curator aan de NIWO heeft verklaard dat
vervoeractiviteiten zijn gestaakt dan wel waarop de daarvoor door de
NIWO gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
4.Bij regeling van Onze Minister worden met inachtneming van de
beroepsrichtlijn voor het wegvervoer regels gesteld over de eisen van
financiële draagkracht en vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste en
tweede lid.
Artikel 2.9
1.De NIWO kan een vervoerder ten behoeve van de tijdelijke
voortzetting van de vervoeractiviteiten gedurende ten hoogste een jaar
toegang tot het beroep van beroepsvervoerder verlenen en machtigen tot
het verrichten van binnenlands en grensoverschrijdend beroepsvervoer
indien als gevolg van overlijden of lichamelijke of wettelijke
onbekwaamheid van een natuurlijk persoon niet meer wordt voldaan aan
de eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid, bedoeld in artikel
2.8, eerste onderscheidenlijk tweede lid.
2.De NIWO kan de periode van een jaar, bedoeld in het eerste lid,
in bijzondere omstandigheden met maximaal zes maanden verlengen.
3.De NIWO kan een vervoerder die een natuurlijk persoon is en niet
voldoet aan de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 2.8, eerste
lid, toegang tot het beroep van beroepsvervoerder verlenen en
machtigen tot het verrichten van binnenlands en grensoverschrijdend
beroepsvervoer ten behoeve van de definitieve voortzetting van
vervoeractiviteiten, indien hij:
a. permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de
vervoeractiviteiten;
b. beschikt over tien jaar ervaring in de leiding van de
vervoeractiviteiten van een vervoerder waaraan een communautaire
vergunning dan wel een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste
lid, van de Wet goederenvervoer over de weg is verleend, en
c. ten minste drie jaar ervaring heeft in de leiding van de
voort te zetten vervoeractiviteiten.
4.De NIWO trekt de verlening van de toegang tot het beroep van
beroepsvervoerder en de machtiging tot het verrichten van binnenlands
en grensoverschrijdend beroepsvervoer, bedoeld in het derde lid, in
met ingang van de dag dat de natuurlijke persoon, niet langer
permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoeractiviteiten.
Artikel 2.10
1.Een natuurlijk persoon of een rechtspersoon voldoet aan de eis
van betrouwbaarheid door overlegging van een niet ouder dan drie
maanden zijnde integriteitsverklaring beroepsvervoer.
2.De artikelen 29, 30, tweede lid, 32, 33, 34 tot en met 38 van de
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en het krachtens artikel
30, derde lid, van die wet bepaalde zijn van overeenkomstige
toepassing op de afgifte van de integriteitsverklaring beroepsvervoer,
met dien verstande dat Onze Minister van Justitie de afgifte van die
verklaring tevens weigert indien bij rechterlijke uitspraak is
vastgesteld dat:
a. de aanvrager de geldende voorschriften inzake de financiële
arbeidsvoorwaarden niet is nagekomen, of
b. een rechtspersoon, terwijl de aanvrager een permanent en
daadwerkelijk leidinggevende was, de geldende voorschriften inzake
de financiële arbeidsvoorwaarden niet is nagekomen.
3.Onze Minister van Justitie geeft in afwijking van het tweede lid,
de afgifte van de integriteitsverklaring beroepsvervoer af, indien:
a. de niet-nakoming van de geldende voorschriften inzake de
financiële arbeidsvoorwaarden indien herhaald, gelet op de
overige omstandigheden van het geval, niet aan een behoorlijke
uitoefening van de taak als beroepsvervoerder onderscheidenlijk
als permanent en daadwerkelijk leidinggevende in de weg zal staan,
b. de rechterlijke uitspraak, bedoeld in het tweede lid, is
vernietigd.
4.De griffier van een gerecht als bedoeld in artikel 2 van de Wet
op de rechterlijke organisatie verstrekt aan Onze Minister van
Justitie een afschrift van een uitspraak als bedoeld in het tweede lid
onderscheidenlijk in het derde lid, onderdeel b.
5.Bij regeling van Onze Minister van Justitie kunnen nadere regels
worden gegeven voor de verstrekking van het afschrift, bedoeld in het
vierde lid.
6.Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot afgifte van
een integriteitsverklaring beroepsvervoer kan Onze Minister van
Justitie een vergoeding van kosten verlangen, die niet hoger is dan
een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen
bedrag.
7.Een rechtspersoon of een natuurlijk persoon, wiens land van
oorsprong of herkomst een andere lidstaat is, voldoet aan de eis van
betrouwbaarheid door overlegging van een niet ouder dan drie maanden
zijnde document of verklaring die Nederland op grond van de
beroepsrichtlijn voor het wegvervoer, voor het voldoen aan de eis van
betrouwbaarheid moet erkennen.
8.De andere staten dan lidstaten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, worden voor
de toepassing van het zevende lid gelijk gesteld met lidstaten.
9.Voorzover dit uit een verdrag van de Gemeenschap met een staat
voortvloeit, wordt die staat voor de toepassing van het zevende lid
gelijk gesteld met een lidstaat. Onze Minister doet van deze
gelijkstelling mededeling in de Staatscourant.
10.De NIWO kan indien zij twijfelt aan de betrouwbaarheid van een
rechtspersoon of een natuurlijk persoon ook anders dan bij de aanvraag
tot verlening of verlenging van de communautaire vergunning de
overlegging vorderen van een integriteitsverklaring beroepsvervoer dan
wel van een document of verklaring als bedoeld in het zevende lid, die
niet ouder is dan drie maanden.
Artikel 2.11
1.Het is een vervoerder verboden vervoer te verrichten met
gebruikmaking van bestuurders van vrachtauto’s die niet bij hem in
dienstbetrekking zijn.
2.Ten blijke van de in het eerste lid bedoelde dienstbetrekking
wordt door de vervoerder en de bestuurder van een vrachtauto
gezamenlijk een verklaring opgesteld waarin in ieder geval wordt
vermeldt dat:
a. het vervoer voor rekening en risico van de vervoerder wordt
verricht; en
b. tussen de vervoerder en de bestuurder van een vrachtauto
sprake is van een loons- en gezagsverhouding.
3.Onze Minster stelt het model vast van de in het tweede lid
bedoelde verklaring.
4.Bij regeling van Onze Minister worden regels gegeven over de
gevallen waarin Onze Minister ontheffing kan verlenen van het in het
eerste lid vermelde verbod, alsmede over de in die gevallen benodigde
documenten.
5.Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
6.Door overtreding van het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt
niet langer voldaan aan de eis van betrouwbaarheid.
Artikel 2.12
1.Het bestuurdersattest wordt verleend voor de periode dat de
bestuurder ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen gerechtigd is arbeid
te verrichten doch ten hoogste voor een periode van vijf jaar.
2.De NIWO kan de geldigheid van het bestuurdersattest verlengen tot
een periode van ten hoogste vijf jaar indien de periode waarin de
bestuurder ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen gerechtigd is arbeid
te verrichten, is verlengd.
Artikel 2.13
1.Het is verboden om beroepsvervoer te verrichten indien met
betrekking tot dat vervoer geen vrachtbrief is opgemaakt.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op
binnenlands beroepsvervoer dat:
a. wordt verricht met een of meer vrachtauto’s met een
toegestaan laadvermogen van niet meer dan 500 kg, of
b. bij regeling van Onze Minister is aangewezen.
3.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de inhoud van de vrachtbrief voor het binnenlands
beroepsvervoer, en
b. het gebruik van de vrachtbrief voor het binnenlands en het
grensoverschrijdend beroepsvervoer.
Hoofdstuk 3. Verlening en intrekking van beschikkingen
Artikel 3.1
1.De NIWO beslist binnen acht weken na ontvangst daarvan op de
aanvraag door een vervoerder:
a. tot verlening of verlenging van een communautaire
vergunning;
b. tot verlening of verlenging van een bestuurdersattest;
c. tot verlening en machtiging als bedoeld in artikel 2.9;
d. tot verlening van een CEMT-vergunning of van een
ritmachtiging.
2.De NIWO neemt een aanvraag als bedoeld in het eerste lid niet
eerder in behandeling dan nadat zij de daarvoor krachtens artikel 4.6,
eerste lid, onderdeel a, verschuldigde vergoeding heeft ontvangen.
3.Indien de NIWO niet tijdig heeft beslist, is de aanvraag
toegewezen.
Artikel 3.2
1.De NIWO weigert de verlening of verlenging van een communautaire
vergunning in het geval en onder de voorwaarden van artikel 3 van de
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur.
2.Voordat de NIWO toepassing geeft aan het eerste lid, kan zij het
Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, bedoeld in artikel 8, van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als
bedoeld in artikel 9 van die wet vragen.
Artikel 3.3
1.De NIWO weigert de verlening van een CEMT-vergunning indien
daarvan vermoedelijk geen, onvoldoende of slechts voor bilateraal
vervoer gebruik zal worden gemaakt.
2.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld voor de verdeling van de voor de in Nederland gevestigde
vervoerders in het kalenderjaar beschikbare CEMT-vergunningen en
ritmachtigingen.
Artikel 3.4
1.De NIWO gaat over tot intrekking van de communautaire vergunning,
in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
2.Voordat de NIWO toepassing geeft aan het eerste lid, kan zij het
Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, bedoeld in artikel 8, van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als
bedoeld in artikel 9 van die wet vragen.
Artikel 3.5
1.De NIWO trekt een aan een in Nederland gevestigde vervoerder
verleende CEMT-vergunning of ritmachtiging in:
a. op verzoek van de vervoerder;
b. indien de vervoerder niet meer beschikt over een geldige
communautaire vergunning, of
c. de daartoe krachtens artikel 2.3, vierde lid, vastgestelde
gevallen.
2.De NIWO kan een aan een in Nederland gevestigde vervoerder
verleende CEMT-vergunning intrekken indien de vervoerder daarvan geen,
onvoldoende of slechts voor bilateraal vervoer gebruik heeft gemaakt.
Artikel 3.6
1.De vervoerder levert een vervallen of ingetrokken communautaire
vergunning, CEMT-vergunning, ritmachtiging, verlening en machtiging
als bedoeld in artikel 2.9, vergunning als bedoeld in artikel 7.1,
eerste lid, of een vervallen of ingetrokken bestuurdersattest bij de
NIWO in binnen één week na de vervaldatum, onderscheidenlijk de
datum van inwerkingtreding van de beschikking tot intrekking.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de verstrekte
gewaarmerkte kopieën van de vervallen of ingetrokken communautaire
vergunning of van het vervallen of ingetrokken bestuurdersattest.
Hoofdstuk 4. Taken, inrichting en financiering van de NIWO
Artikel 4.1
1.De NIWO is belast met:
a. de verlening, verlenging en intrekking van een communautaire
vergunning;
b. de verlening en intrekking van een bestuurdersattest;
c. de verlening en intrekking van een CEMT-vergunning of een
ritmachtiging;
d. de verlening en machtiging, bedoeld in artikel 2.9;
e. het onderzoek, bedoeld in artikel 7.1, derde en vierde lid;
f. de intrekking van een vergunning, bedoeld in artikel 7.2,
eerste en tweede lid;
g. ondersteuning van onderhandelingen in het kader van
verdragen over goederenvervoer, en met
h. het beheer van gegevensbestanden en de verstrekking van
gegevens uit die bestanden, uit hoofde van haar publieke taken.
2.Bij regeling van Onze Minister kan de NIWO belast worden met
andere taken ten aanzien van het goederenvervoer.
Artikel 4.2
De beleidsregels die de NIWO vaststelt in verband met haar taken als
bedoeld in artikel 4.1 worden bekend gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 4.3
1.Het bestuur van de NIWO is samengesteld uit:
a. leden die worden benoemd door representatieve organisaties
die de onderscheiden belangen ten aanzien van het goederenvervoer
vertegenwoordigen en door Onze Minister zijn aangewezen, en
b. twee onafhankelijke leden die worden benoemd door Onze
Minister.
2.Bij regeling van Onze Minister wordt per representatieve
organisatie het aantal te benoemen bestuursleden bepaald, dat ten
hoogste 40% van het totaal aantal bestuursleden kan bedragen.
3.De in het eerste lid bedoelde organisaties kunnen de door hen
benoemde leden van het bestuur van de NIWO schorsen en ontslaan.
4.Onze Minister kan de door hem benoemde onafhankelijke leden van
het bestuur van de NIWO schorsen en ontslaan.
5.De leden van het bestuur van de NIWO worden benoemd voor een
periode van drie jaar welke periode met ten hoogste drie jaar kan
worden verlengd.
6.De in het eerste lid bedoelde organisaties wijzen
plaatsvervangers aan voor de door hen benoemde leden.
7.De vergaderingen van het bestuur kunnen worden bijgewoond door
ambtenaren die door Onze Minister zijn aangewezen.
Artikel 4.4
1.De NIWO brengt geen wijziging aan in haar statuten of neemt geen
besluit tot opheffing dan na instemming door Onze Minister.
2.De NIWO maakt jaarlijks een begroting van baten en lasten op, die
de instemming van Onze Minister behoeft.
3.De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op het eerste en
tweede lid.
4.De NIWO brengt jaarlijks aan Onze Minister voor 1 juli een
financieel verslag uit over het voorafgaande kalenderjaar dat
vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en
rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel
393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
5.De NIWO brengt jaarlijks aan Onze Minister voor 1 juli een
verslag uit over de uitvoering van haar taken in het voorafgaande
kalenderjaar en maakt dit gelijktijdig openbaar.
6.De NIWO vermeldt in het jaarverslag in ieder geval:
a. het aantal houders van een communautaire vergunning, van een
CEMT-vergunning of van een vergunning als bedoeld in artikel 7.1,
eerste lid op de eerste dag van het kalenderjaar en op de laatste
dag van het voorafgaande kalenderjaar;
b. het aantal gewaarmerkte kopieën van de vergunningen,
bedoeld in onderdeel a op de eerste en op de laatste dag van het
voorafgaande kalenderjaar;
c. het aantal communautaire vergunningen, bestuurdersattesten,
CEMT-vergunningen en ritmachtigingen, dat in het voorafgaande
kalenderjaar is verleend, verlengd of ingetrokken;
d. het aantal gewaarmerkte kopieën van de in het voorafgaande
kalenderjaar verleende communautaire vergunningen;
e. het aantal vergunningen als bedoeld in artikel 7.1, eerste
lid, dat in het voorafgaande kalenderjaar is ingetrokken.
Artikel 4.5
1.Onze Minister kan aan de NIWO aanwijzingen van algemene aard
geven met betrekking tot de uitvoering van de in artikel 4.1, bedoelde
taken.
2.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld over de uitoefening van het toezicht op de NIWO.
3.De NIWO verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
4.Indien de NIWO naar het oordeel van Onze Minister haar taken
ernstig verwaarloost of in gevaar brengt, kan Onze Minister, gehoord
de NIWO, de noodzakelijke voorzieningen treffen.
5.Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van
deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren
van de NIWO, waarbij in ieder geval aan de orde komen de rechtsvorm
van de NIWO en het arbeidsvoorwaardenregime. De NIWO is gehouden aan
deze evaluatie medewerking te verlenen.
Artikel 4.6
1.Ter dekking van de kosten van uitvoering van de bij of krachtens
artikel 4.1 aan de NIWO opgedragen werkzaamheden:
a. is de aanvrager aan de NIWO een vergoeding verschuldigd voor
het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening of
verlenging van een communautaire vergunning, tot verlening of
verlenging van een bestuurdersattest, tot verlening van een
CEMT-vergunning of van een ritmachtiging of tot de verlening en
machtiging, bedoeld in artikel 2.9;
b. is de houder van een communautaire vergunning jaarlijks een
vergoeding aan de NIWO verschuldigd;
c. is de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 7.1,
eerste lid, jaarlijks een vergoeding aan de NIWO verschuldigd.
2.De NIWO stelt de tarieven van de vergoedingen, bedoeld in het
eerste lid vast.
3.De tarieven voor de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, worden zodanig vastgesteld dat de begrote baten van die
vergoedingen niet uitgaan boven de begrote kosten ter zake van de
behandeling van de in het eerste lid bedoelde aanvragen.
4.De tarieven voor de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid,
onderdelen b en c, worden zodanig vastgesteld dat de begrote baten van
die vergoedingen niet uitgaan boven de begrote lasten van de taken,
bedoeld in artikel 4.1, anders dan de behandeling van aanvragen.
5.Onder de in het vierde lid bedoelde lasten wordt mede verstaan de
bijdragen aan reserves van de NIWO.
6.De besluiten tot vaststelling van de tarieven van de
vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, zijn onderworpen aan
goedkeuring van Onze Minister.
7.Onze Minister kan zijn goedkeuring onthouden aan de vastgestelde
tarieven indien ze naar zijn oordeel tot te hoge reserves zouden
leiden.
8.De NIWO maakt de besluiten tot vaststelling van de tarieven van
de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, bekend in de Staatscourant
met vermelding van de dagtekening van het besluit van Onze Minister
waarbij de goedkeuring is verleend of met vermelding van de
omstandigheid dat ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht, een besluit tot goedkeuring wordt geacht te zijn
genomen.
Hoofdstuk 5. Toezicht, handhaving en opsporing
Artikel 5.1
1.Met het toezicht op de naleving van de marktverordening voor het
wegvervoer en het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast:
a. de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen ambtenaren;
b. de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen
personen.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 5.2
1.Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter
handhaving van de marktverordening voor het wegvervoer en van het
bepaalde bij of krachtens deze wet.
2.In afwijking van artikel 5:24, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, kan de beschikking tot toepassing van bestuursdwang
bekend worden gemaakt aan de bestuurder van de vrachtauto ten aanzien
waarvan bestuursdwang zal worden toegepast.
3.In geval van overtreding van artikel 3.6 kan de NIWO de
vervoerder een last onder dwangsom opleggen teneinde die overtreding
ongedaan te maken.
Artikel 5.3
De Nederlandse strafwet is mede van toepassing op de in Nederland
gevestigde vervoerder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een
overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 5.4
1.De ambtenaren, die op basis van artikel 17 van de Wet op de
economische delicten zijn belast met de opsporing van overtredingen
van deze wet, zijn bevoegd het vervoer van goederen dat wordt verricht
in strijd met de artikelen 2.3, eerste en derde lid en 2.5 te beletten
en een mechanisch hulpmiddel aan te brengen of te doen aanbrengen op
de vrachtauto waarmee de overtreding is gepleegd waardoor wordt
verhinderd dat de vrachtauto wordt weggereden, teneinde de overtreding
te doen ophouden.
2.Het aangebrachte mechanisch hulpmiddel wordt verwijderd nadat de
overtreding is opgehouden dan wel na het aanbrengen achtenveertig uren
zijn verstreken en de kosten van het aanbrengen en het verwijderen
ervan zijn voldaan.
3.De betrokken ambtenaar maakt van het aanbrengen van het
mechanisch hulpmiddel, bedoeld in het eerste lid, proces-verbaal op.
Hij zendt dit proces-verbaal binnen vierentwintig uur aan de officier
van justitie bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het
aanbrengen van het mechanisch hulpmiddel, bedoeld in het eerste lid,
is geschied. Een afschrift van het proces-verbaal wordt gelijktijdig
uitgereikt of toegezonden aan de bestuurder.
Artikel 5.5
1.Elke belanghebbende kan tegen het aanbrengen van het mechanisch
hulpmiddel, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, gedurende vier weken
een beroepsschrift indienen bij de rechtbank, bedoeld in artikel 5.4,
derde lid.
2.Indien de rechtbank het beroepschrift gegrond acht, kan zij
bepalen dat ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding
wordt toegekend.
3.Tegen de beschikking van de rechtbank staat het Openbaar
Ministerie binnen twee weken en de belanghebbende binnen twee weken
nadat zij hem betekend werd, hoger beroep open bij het gerechtshof.
4.Tegen de beschikking van het gerechtshof staat het Openbaar
Ministerie binnen twee weken en de belanghebbende binnen twee weken
nadat zij hem betekend werd, beroep in cassatie open.
Hoofdstuk 6. Wijziging van andere wetten
Artikel 6.1
[Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur.]
Artikel 6.2
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 6.3
[Wijzigt de Vervoersnoodwet.]
Artikel 6.4
[Wijzigt de Vestigingswet Bedrijven 1954.]
Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen
Artikel 7.1
1.Het verbod, bedoelt in artikel 2.1, eerste lid, geldt niet voor
binnenlands beroepsvervoer door een vervoerder die beschikt over een
geldige vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet
goederenvervoer over de weg, die vóór de inwerkingtreding van deze
wet is verleend.
2.De vergunning, bedoeld in het eerste lid, blijft voor onbepaalde
tijd geldig.
3.De NIWO onderzoekt iedere vijf jaar indien de vervoerder een
natuurlijk persoon is of :
a. hij voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, financiële
draagkracht en vakbekwaamheid, of
b. hij voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid en financiële
draagkracht en de natuurlijk persoon die de vervoeractiviteiten
permanent en daadwerkelijk leidt, voldoet aan de eisen van
betrouwbaarheid en vakbekwaamheid.
4.De NIWO onderzoekt iedere vijf jaar indien de vervoerder een
rechtspersoon is of:
a. hij voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid en financiële
draagkracht;
b. de een of meer natuurlijke personen die de
vervoeractiviteiten permanent en daadwerkelijk leiden, voldoen aan
de eisen van betrouwbaarheid, en
c. ten minste een van de onder b bedoelde natuurlijke personen
voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid.
5.Het krachtens artikel 2.8, vierde lid, met betrekking tot de eis
van financiële draagkracht bepaalde, artikel 2.10, het krachtens
artikel 2.10, derde lid, bepaalde en het krachtens artikel 30, derde
lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens bepaalde,
zijn van overeenkomstige toepassing op de vergunning, bedoeld in het
eerste lid.
6.Het bij of krachtens artikel 21, eerste, of tweede lid, van het
Besluit goederenvervoer over de weg, bepaalde zoals dat luidde op de
dag voor de inwerkingtreding van deze wet, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 7.2
1.De NIWO trekt de vergunning, bedoeld in artikel 7.1, eerste lid,
in:
a. indien niet meer wordt voldaan aan de eisen van
betrouwbaarheid, financiële draagkracht en vakbekwaamheid,
bedoeld in artikel 7.1, derde, vijfde en zesde lid
onderscheidenlijk vierde tot en met zesde lid;
b. op verzoek van de vergunninghouder;
c. indien de vervoerder zijn vervoersactiviteiten heeft
gestaakt, of
d. indien de een of meer natuurlijke personen die vóór de
inwerkingtreding van deze wet de vervoeractiviteiten van de
vervoerder permanent en daadwerkelijk leidden en voldeden aan de
eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 7.1, derde en zesde lid
onderscheidenlijk vierde en zesde lid, niet langer permanent en
daadwerkelijk leiding geven aan die vervoeractiviteiten.
2.De NIWO kan de vergunning, bedoeld in artikel 7.1, eerste lid,
intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3
van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur.
3.Voordat de NIWO toepassing geeft aan het tweede lid, kan zij het
Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, bedoeld in artikel 8, van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als
bedoeld in artikel 9 van die wet vragen.
4.De vergunning, bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, vervalt van
rechtswege met ingang van het tijdstip van:
a. overlijden dan wel intreden van wettelijke onbekwaamheid van
de natuurlijke persoon waaraan de vergunning is verleend, of
b. ontbinding van de rechtspersoon waaraan de vergunning is
verleend.
5.Artikel 2.9, eerste en tweede lid is van overeenkomstige
toepassing indien als gevolg van overlijden of lichamelijke of
wettelijke onbekwaamheid van een natuurlijk persoon niet meer wordt
voldaan aan de eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid, bedoeld in
artikel 7.1, derde, vijfde en zesde lid onderscheidenlijk vierde tot
en met zesde lid.
Artikel 7.3
Een vergunning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet
goederenvervoer over de weg, die is verleend voor de inwerkingtreding
van deze wet, wordt gedurende haar geldigheidsperiode aangemerkt als een
verlening en machtiging ten behoeve van de tijdelijke voortzetting van
vervoeractiviteiten als bedoeld in artikel 2.9.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 8.1
Tegen een op grond van de marktverordening voor het wegvervoer of van
deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het
College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Artikel 8.2
Een wijziging van de bijlage, behorende bij de vrijstellingsrichtlijn
voor het wegvervoer gaat voor de toepassing van de artikel 2.1, eerste
lid, onderdeel c, derde lid, onderdeel c, vierde en vijfde lid, gelden
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 8.3
[Wijzigt deze wet]
Artikel 8.4
[Wijzigt de Wet BDU verkeer en vervoer]
Artikel 8.5
[Wijzigt de Spoorwegwet]
Artikel 8.6
De Wet goederenvervoer over de weg wordt ingetrokken.
Artikel 8.7
[Wijzigt deze wet]
Artikel 8.8
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip. Bij koninklijk besluit kunnen andere tijdstippen worden
vastgesteld waarop de onderdelen van artikel 8.4 in werking treden.
Artikel 8.9
Deze wet wordt aangehaald als: Wet wegvervoer goederen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 30 oktober 2008
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
C.M.P.S. Eurlings
Uitgegeven de negende december 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|