| |
|
|
|
|
vorige
EXPERIMENTENWET
BI-ZONES
Tekst zoals deze geldt op
15 januari 2012
Wet vervalt m.i.v. 1 juli 2015
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 19 maart 2009, houdende tijdelijke regels voor experimenten
met een gebiedsgerichte bestemmingsheffing ten behoeve van aanvullende
activiteiten van samenwerkende ondernemers mede in het publiek belang (Experimentenwet
BI-zones)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is experimenten mogelijk te maken met het instellen van zones
waarbinnen alle ondernemers bijdragen aan door een bepaalde meerderheid
van hen gewenste activiteiten die mede een publiek belang in de openbare
ruimte dienen en die in aanvulling op de activiteiten van de gemeente
door een vereniging of stichting worden uitgevoerd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1.De gemeenteraad kan onder de naam BIZ-bijdrage een heffing
instellen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente (BI-zone)
gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.
2.De BIZ-bijdrage is een belasting die strekt ter bestrijding van
de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die zijn gericht op het
bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een
ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone.
3.De BIZ-bijdrage wordt geheven van degenen die bij het begin van
het kalenderjaar in de BI-zone gelegen onroerende zaken, al dan niet
krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht,
gebruiken.
4.De verordening kan bepalen dat indien een onroerende zaak bij het
begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, de desbetreffende
BIZ-bijdrage wordt geheven van degene die van die zaak het genot
krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft.
5.De artikelen 220a, 220b, eerste lid, 220d, 220e en 220h van de
Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2
1.De heffingsmaatstaf van de BIZ-bijdrage is de op de voet van
hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende
zaak vastgestelde waarde.
2.De onroerende zaken ter zake waarvan de heffing wordt geheven
kunnen in waardeklassen worden ingedeeld.
3.Het tarief van de BIZ-bijdrage kan voor verschillende
categorieën niet-woningen verschillend worden vastgesteld waarbij
onder meer de vestigingslocatie, de bestemming van de onroerende zaak
en de branche of sector van de bijdrageplichtige gebruiker in relatie
tot het belang bij de activiteiten in aanmerking genomen kunnen
worden. Indien de verordening toepassing geeft aan artikel 1, vierde
lid, en tevens branche of sector van de bijdrageplichtige gebruiker in
aanmerking neemt voor de bepaling van het tarief, wordt het niet in
gebruik zijn van de zaak door de verordening gelijkgesteld aan bepaald
gebruik.
4.In afwijking van het eerste, tweede en derde lid kan het tarief
worden bepaald op een voor iedere bijdrageplichtige gelijk bedrag.
5.De artikelen 230 tot en met 233a en 236 tot en met 257 van de
Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op de heffing en
invordering van de BIZ-bijdrage.
Artikel 3
1.Een BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van ten hoogste
vijf jaren.
2.Met overeenkomstige toepassing van de artikelen 4 en 5 kan de
periode telkens met ten hoogste vijf jaren worden verlengd.
Artikel 4
1.De verordening waarbij de BIZ-bijdrage wordt ingesteld treedt
niet in werking dan nadat gebleken is van voldoende steun onder de
bijdrageplichtigen.
2.Het college van burgemeester en wethouders stelt iedere bij de
gemeente bekende bijdrageplichtige na vaststelling van de verordening
in de gelegenheid zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding uit
te spreken. In afwijking van het peilmoment, bedoeld in artikel 1,
derde of vierde lid, wordt degene die blijkens de bij de gemeente op
dat moment bekende gegevens een onroerende zaak in de beoogde BI-zone
gebruikt onderscheidenlijk het genot daarvan heeft aangemerkt als
bijdrageplichtige.
3.Bij de toepassing van het tweede lid zorgt het college van
burgemeester en wethouders dat alle bijdrageplichtigen zijn
geïnformeerd over de strekking van de verordening.
4.Het college zorgt er voor dat de vertrouwelijkheid van de
strekking van de schriftelijke verklaring van de bijdrageplichtige
gewaarborgd is.
Artikel 5
1.Van voldoende steun is sprake indien na toepassing van artikel 4
blijkt dat:
a. ten minste de helft van de bijdrageplichtigen zich voor of
tegen inwerkingtreding heeft uitgesproken,
b. ten minste tweederde deel daarvan zich vóór
inwerkingtreding heeft uitgesproken, en
c. de som van de WOZ waarden, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
van onroerende zaken in gebruik bij bijdrageplichtigen die zich
hebben uitgesproken vóór inwerkingtreding hoger is dan de som
van de WOZ waarden in gebruik bij bijdrageplichtigen die zich
hebben uitgesproken tegen inwerkingtreding.
2.In afwijking van het eerste lid blijkt reeds van voldoende steun
indien voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in dat lid, onder a en b,
indien de verordening voorziet in heffing van een voor iedere
bijdrageplichtige gelijk bedrag als bedoeld in artikel 2, vierde lid.
Artikel 6
1.De gemeenteraad trekt de verordening zo spoedig mogelijk in als
blijkt van voldoende steun voor intrekking onder de bijdrageplichtigen.
2.Op verzoek van ten minste een vijfde van de bijdrageplichtigen
stelt het college van burgemeester en wethouders iedere bij de
gemeente bekende bijdrageplichtige in de gelegenheid zich schriftelijk
voor of tegen intrekking van de verordening uit te spreken.
3.Het verzoek kan niet worden gedaan:
a. binnen een jaar na inwerkingtreding van de verordening, of
b. binnen een jaar na toepassing van het tweede lid.
4.Artikel 4, tweede lid, tweede volzin, vierde lid, en artikel 5
zijn van toepassing met dien verstande dat de bijdrageplichtigen in de
gelegenheid worden gesteld zich uit te spreken voor of tegen
intrekking en met dien verstande dat in afwijking van artikel 5,
eerste lid, onder b, reeds sprake is van voldoende steun voor
intrekking indien ten minste de helft zich voor intrekking heeft
uitgesproken.
Artikel 7
1.De opbrengst van de belasting wordt als subsidie verstrekt aan de
bij de verordening aangewezen vereniging of stichting. De
perceptiekosten kunnen hierop in mindering worden gebracht.
2.De verordening wijst uitsluitend als vereniging of stichting aan:
a. een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid:
1°. waarvan alle beoogde bijdrageplichtigen lid zijn of
dit desgewenst met onmiddellijke ingang kunnen worden,
2°. waarvan de contributie op jaarbasis niet hoger is dan
€ 50,–, en
3°. die als statutaire doelstelling uitsluitend heeft het
uitvoeren van activiteiten als bedoeld in artikel 1, tweede
lid, of
b. een stichting:
1°. waarvan ten minste tweederde van de leden van het
bestuur bestaat uit beoogde bijdrageplichtigen, en
2°. die als statutaire doelstelling uitsluitend heeft het
uitvoeren van activiteiten als bedoeld in artikel 1, tweede
lid.
3.In aanvulling op het tweede lid wijst de verordening uitsluitend
een vereniging of stichting aan waarmee de gemeente ter uitvoering van
de verordening een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de
Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten, waarin is bepaald dat de
subsidie-ontvanger verplicht is de activiteiten te verrichten waarvoor
de subsidie wordt verstrekt.
4.De raad stelt bij verordening de nodige regels, met inbegrip van
de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de subsidie wordt
verstrekt.
Artikel 8
1.De aangewezen vereniging of stichting zorgt er voor dat:
a. jaarlijks door de algemene ledenvergadering van de
vereniging of door het bestuur van de stichting een begroting
wordt vastgesteld voor de uitvoering van de activiteiten in het
daaropvolgende jaar,
b. na het eerste jaar jaarlijks aan de algemene
ledenvergadering of in het bestuur van de stichting rekening en
verantwoording wordt afgelegd over de uitgaven voor de uitvoering
van de activiteiten in het voorafgaande jaar.
2.De aangewezen vereniging of stichting zorgt er voor dat alle
bijdrageplichtigen kosteloos kennis kunnen nemen van de begroting, de
rekening en de verantwoording.
Artikel 9
1.Onverminderd de mogelijkheid van verlenging krachtens artikel 3,
tweede lid, kan de verordening waarbij een BI-zone voor de eerste maal
wordt ingesteld niet worden vastgesteld na afloop van de periode die
eindigt met ingang van de eerste dag van de vierentwintigste maand
volgend op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
2.De periode, bedoeld in het eerste lid, kan bij koninklijk besluit
éénmaal met ten hoogste 24 maanden worden verlengd.
Artikel 10
1.De gemeente zendt een afschrift van de uitvoeringsovereenkomst en
van de verordening aan Onze Minister van Economische Zaken.
2.Onze Minister van Economische Zaken zendt voor 1 januari 2013 aan
de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
van deze wet in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de
voortzetting, anders dan als experiment.
3.De gemeenten waar een verordening tot instelling van een
BGV-bijdrage is vastgesteld en de aangewezen verenigingen en
stichtingen verlenen Onze Minister van Economische Zaken op diens
verzoek medewerking aan de totstandkoming van het verslag.
Artikel 11
1.Deze wet vervalt met ingang van 1 juli 2015.
2.Onverminderd artikel 3 en het eerste lid en met inachtneming van
de bepalingen van deze wet kunnen gemeenten na 1 juli 2015 een
bepaalde BIZ-bijdrage blijven heffen tot 1 januari 2018 of tot een
later, bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, indien:
a. vóór 1 juli 2015 een wetsvoorstel is ingediend voor
voortzetting anders dan als experiment van een regeling voor
BIZ-bijdragen, en
b. een zelfde BIZ-bijdrage in dezelfde BI-zone ook geheven werd
tussen 1 juli 2014 en 1 juli 2015.
3.Het tweede lid vervalt op het moment dat het wetsvoorstel,
bedoeld in het tweede lid, is verworpen dan wel op het moment dat het
wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.
Artikel 12
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 13
Deze wet wordt aangehaald als: Experimentenwet BI-zones.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 19 maart 2009
BEATRIX
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
F. Heemskerk
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten
Uitgegeven de negende april 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|