| |
|
|
|
|
vorige
UITVOERINGSWET
UNESCO-VERDRAG 1970 INZAKE ONRECHTMATIGE
INVOER, UITVOER OF EIGENDOMSOVERDRACHT VAN
CULTUURGOEDEREN
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 12 juni 2009 tot uitvoering van de op 14 november 1970 te Parijs
tot stand gekomen Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige
invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te
verbieden en te verhinderen (Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970
inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van
cultuurgoederen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is bij de wet uitvoering te geven aan de Overeenkomst inzake
de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht
van culturele goederen te verbieden en te verhinderen (Parijs, 14
november 1970, Trb. 1972, 50, en 1983, 66) en in verband daarmee
onder meer wijzigingen aan te brengen in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, het Burgerlijk Wetboek en de Wet tot behoud van
cultuurbezit;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap.
b. Verdrag: op 14 november 1970 te Parijs tot stand gekomen
Overeenkomst inzake de middelen om onrechtmatige invoer, uitvoer of
eigendomsoverdracht te verbieden en te verhinderen (Trb. 1972, nr.
50 en Trb. 1983, nr. 66);
c. verdragsstaat: staat die het Verdrag heeft bekrachtigd;
d. cultuurgoederen: goederen die om godsdienstige of wereldlijke
redenen door elke Staat zijn aangewezen als belangrijk voor de
oudheidkunde, de prehistorie, de geschiedenis, de letterkunde, de
kunst of de wetenschap en derhalve van wezenlijk belang zijn voor
zijn cultureel erfgoed en die behoren tot de in artikel 1 van het
Verdrag opgesomde categorieën.
Artikel 2
Als cultuurgoederen voor Nederland worden aangewezen:
a. de beschermde voorwerpen bedoeld in artikel 1 onder a van de
Wet tot behoud van cultuurbezit;
b. de roerende zaken bedoeld in artikel 14a van de Wet tot behoud
van cultuurbezit.
Artikel 3
Het is verboden cultuurgoederen binnen Nederland te brengen die:
a. buiten het grondgebied van een verdragsstaat zijn gebracht met
schending van de bepalingen welke in overeenstemming met de
doelstellingen van het verdrag door die verdragsstaat zijn
vastgesteld ter zake van de uitvoer van cultuurgoederen uit die
verdragsstaat of ter zake van eigendomsoverdracht van
cultuurgoederen; dan wel
b. in een verdragsstaat zijn ontvreemd.
Artikel 4
Van cultuurgoederen die in strijd met het verbod, bedoeld in artikel
3, binnen Nederland zijn gebracht, kan met inachtneming van de artikelen
1011a tot en met 1011d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
teruggave worden gevorderd door de verdragsstaat waaruit die goederen
afkomstig zijn of door de rechthebbende op die goederen.
Hoofdstuk 2. Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering
Artikel 5
[Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering]
Hoofdstuk 3. Wijziging van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 6
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3]
Hoofdstuk 4. Uitvoering en handhaving
Artikel 7
Onze Minister verricht hetgeen in aanmerking komt ter uitvoering van
de artikelen 2, 5, 6, 7, 9, 10, 13 onder a, b en d en 14 van het
Verdrag, behoudens voor zover het betreft het in artikel 10 onder a van
het Verdrag bedoelde opleggen aan antiekhandelaren van regels, waarvan
de overtreding strafbaar is. Bij ministeriële regeling kunnen in
verband met die uitvoering nadere regels worden gesteld.
Artikel 8
Met het toezicht op de naleving van het bij deze wet bepaalde en met
het daartoe nodige onderzoek zijn, belast:
a. de inspecteur, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet tot
behoud van cultuurbezit, en de ambtenaren, bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van die wet;
b. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake
douane.
Artikel 9
De in artikel 8 onder a bedoelde ambtenaren zijn bevoegd:
a. met medeneming van de nodige apparatuur, een woning binnen te
treden zonder toestemming van de bewoner;
b. te vorderen dat de bewoner hun de cultuurgoederen die in de
woning aanwezig zijn, toont;
c. ruimten en voorwerpen te verzegelen, voor zover dat voor de
uitoefening van de in artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht
bedoelde bevoegdheid redelijkerwijs noodzakelijk is;
d. zonodig met behulp van de sterke arm de bevoegdheid, bedoeld
in artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht uit te oefenen.
Artikel 10
1. Onze Minister kan een cultuurgoed ten aanzien waarvan een
redelijk vermoeden bestaat dat daarmee het verbod van artikel 3 is
overtreden, in bewaring nemen voor de tijd die onze Minister nodig
acht om de verdragsstaat waaruit het cultuurgoed afkomstig is, in
staat te stellen op dit cultuurgoed beslag te doen leggen, welke tijd
niet langer dan twaalf weken mag bedragen.
2. Onze Minister stelt zijn beslissing voorafgaande aan de
inbewaringneming op schrift en maakt degene onder wie zich het
cultuurgoed bevindt en zo mogelijk ook de bezitter, met de
inbewaringneming bekend. De schriftelijke beslissing is een
beschikking. Indien de situatie zo spoedeisend is dat onze Minister de
inbewaringneming niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij zo
spoedig mogelijk voor opschriftstelling en bekendmaking.
3. De inbewaringneming kan éénmaal voor ten hoogste twaalf weken
worden verlengd. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4. De inbewaringneming eindigt, doordat op het cultuurgoed in
opdracht van de staat waaruit het afkomstig is, beslag wordt gelegd,
of de tijd waarvoor de inbewaringneming geldt, ongebruikt is
verstreken.
Artikel 11
Op de in artikel 8 onder b bedoelde ambtenaren zijn de hoofdstukken 2
en 3 van de Douanewet, met uitzondering van artikel 10 van hoofdstuk 2
van die wet, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 12
[Wijzigt de Wet tot behoud van cultuurbezit]
Artikel 12a
[Wijzigt de Wet conflictenrecht goederenrecht]
Artikel 13
De artikelen 3 en 4 zijn niet van toepassing, wanneer de schending
van de in artikel 3 onder a bedoelde bepalingen dan wel de in artikel 3
onder b bedoelde ontvreemding vóór het in werking treden van deze wet
heeft plaats gevonden.
Artikel 14
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 15
Deze wet wordt aan gehaald als: Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970
inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van
cultuurgoederen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 12 juni 2009
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.H.A. Plasterk
Uitgegeven de vijfentwintigste juni 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|