| |
|
|
|
|
vorige
WET
COLLEGE VOOR EXAMENS
Tekst zoals deze geldt op
17 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 29 januari 2009 tot instelling van een College voor examens,
alsmede houdende wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht en de Wet
op het voortgezet onderwijs (Wet College voor examens)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is over te gaan tot externe verzelfstandiging van het
dienstonderdeel de Centrale examencommissie vaststelling opgaven van het
ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de
Staatsexamencommissie en de Staatsexamencommissie Nederlands als tweede
taal door instelling van een zelfstandig bestuursorgaan en in verband
daarmee de Wet op het onderwijstoezicht en de Wet op het voortgezet
onderwijs te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
college: College voor examens, genoemd in artikel 2, eerste lid;
Cito: Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling, genoemd in
artikel 12 van de Wet subsidiëring landelijke ondersteunende
activiteiten;
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
en wat betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit.
Artikel 2
1. Er is een College voor examens.
2. Het college is belast met de volgende taken op het gebied van de
centrale examens, bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, de
Wet voortgezet onderwijs BES, artikel 7.4.11 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs en artikel 7.4.13 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs BES en de daarop berustende bepalingen:
a. het vaststellen van het aantal toetsen, de tijdsduur en de
aard van de toetsen, overeenkomstig het examenprogramma;
b. het vaststellen van het tijdstip van de toetsen, de wijze
waarop en de vorm waarin de toetsen worden afgenomen;
c. het tot stand brengen en vaststellen van de opgaven;
d. het tot stand brengen en bij regeling vaststellen van de
beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores;
e. het geven van regels voor de omzetting van de scores in
cijfers;
f. het tot stand brengen en bij regeling vaststellen van
syllabi, overeenkomstig het examenprogramma; en
g. het geven van regels met betrekking tot de hulpmiddelen die
gebruikt mogen worden bij het maken van de opgaven.
3. Het college is belast met de volgende taken op het gebied van de
staatsexamens, bedoeld in artikel 60 van de Wet op het voortgezet
onderwijs en de daarop berustende bepalingen en de staatsexamens,
bedoeld in artikel 116 van de Wet voortgezet onderwijs BES en de
daarop berustende bepalingen:
a. het bij regeling vaststellen van het examenreglement;
b. het organiseren, afnemen en beoordelen;
c. de benoeming van examenfunctionarissen; en
d. het vaststellen van de uitslag en het uitreiken van diploma’s,
certificaten of cijferlijsten.
4. Het college is belast met de volgende taken op het gebied van de
college-examens van de staatsexamens, bedoeld in artikel 60, eerste
lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en de op het vijfde lid
van dat artikel berustende bepalingen en de college-examens van de
staatsexamens, bedoeld in artikel 116, eerste lid, van de Wet
voortgezet onderwijs BES en de op het vijfde lid van dat artikel
berustende bepalingen:
a. het bij regeling vaststellen van het programma van toetsing
en afsluiting;
b. het tot stand brengen en vaststellen van de opgaven; en
c. het tot stand brengen en bij regeling vaststellen van de
beoordelingsnormen.
5. Het college is belast met de volgende taken op het gebied van de
staatsexamens, bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet op het
voortgezet onderwijs en de op het vijfde lid van dat artikel
berustende bepalingen de staatsexamens, bedoeld in artikel 116, tweede
lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES en de op het vijfde lid van
dat artikel berustende bepalingen:
a. het bij regeling vaststellen van het examenprogramma;
b. het tot stand brengen en vaststellen van de opgaven; en
c. het tot stand brengen en bij regeling vaststellen van de
beoordelingsnormen.
6. Het college is verder nog belast met de volgende taken:
a. het afnemen van examens onder bijzondere omstandigheden;
b. het bij regeling vaststellen welke vakken in een tijdvak met
geheimhouding worden afgenomen, waarbij de geheimhouding
betrekking heeft op de opgaven, de beoordelingsnormen en de
daarbij behorende scores, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c
en d, vierde lid onderdelen b en c, en vijfde lid, onderdelen b en
c; en
c. het uitoefenen van andere door Onze Minister opgedragen
taken.
7. De regelingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen e en f, en
vijfde lid, onderdeel a, treden slechts in werking na goedkeuring door
Onze Minister. Onze Minister kan zijn goedkeuring onthouden wegens
strijd met het recht of het algemeen belang.
8. In afwijking van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de
Bekendmakingswet kan de bekendmaking van een regeling als bedoeld in
het tweede lid, onderdeel d, vierde lid, onderdeel c, of vijfde lid,
onderdeel c, geschieden op een andere geschikte, al dan niet
elektronische, wijze.
Artikel 3
Het college is belast met bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen taken ten aanzien van de uitvoering van de centrale examinering
in het beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 7.4.3a van de Wet educatie
en beroepsonderwijs en artikel 7.4.4 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs BES, en de op dit artikel gebaseerde
uitvoeringsvoorschriften.
Artikel 4
1. Het college heeft ten minste zes leden en ten hoogste acht
leden, onder wie een voorzitter.
2. Voor ieder lid van het college, de voorzitter uitgezonderd, zal
Onze Minister één plaatsvervangend lid benoemen. Op de
plaatsvervangende leden zijn de artikelen 9, 12, 13 en 14 van de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister draagt bij de benoeming van de leden en de
plaatsvervangende leden van het college zorg voor de onafhankelijkheid
en deskundigheid van deze leden en voor voldoende draagvlak bij de
representatieve onderwijsorganisaties voor hun benoeming.
4. De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een
periode van ten hoogste vier jaar. De leden en de plaatsvervangende
leden kunnen éénmaal worden herbenoemd voor een periode van ten
hoogste vier jaar.
Artikel 5
1. Het college heeft een bureau ter ondersteuning van zijn
werkzaamheden bestaande uit een directeur en andere medewerkers.
2. De directeur en de andere medewerkers zijn geen lid van het
college.
3. Onze Minister benoemt, bevordert, schorst en ontslaat na overleg
met de voorzitter, de directeur en de andere medewerkers.
Artikel 6
De voorzitter vertegenwoordigt het college in en buiten rechte.
Artikel 7
Het college stelt een bestuursreglement vast, waarin in elk geval
regels over de werkwijze en procedures zijn opgenomen.
Artikel 8
1. Het college zendt jaarlijks voor 1 april een werkprogramma voor
het daaropvolgende kalenderjaar aan Onze Minister.
2. Het werkprogramma omschrijft in elk geval:
a. de voorgenomen activiteiten van het college;
b. de voorstellen voor de uitvoerende werkzaamheden op het
terrein van de centrale examens of op het terrein van de
staatsexamens, bedoeld in artikel 60 van de WVO en de daarop
berustende bepalingen, waaronder in ieder geval de werkzaamheden
van de Cito;
c. de voorstellen voor de kosten van de werkzaamheden, bedoeld
in onderdeel b.
3. Het college kan, mits gemotiveerd, aan Onze Minister tussentijds
een wijziging van het werkprogramma voorstellen.
Artikel 9
[Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs]
Artikel 10
[Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht]
Artikel 11
[Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs]
Artikel 12
De archiefbescheiden van de centrale examencommissie vaststelling
opgaven, bedoeld in artikel 39, van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.,
de staatsexamencommissie, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet
op het voortgezet onderwijs en de commissie, bedoeld in artikel 1, van
het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal zoals deze artikelen
luidden op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 11 worden
overgedragen aan het college.
Artikel 13
Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de regelingen op grond
van de artikelen 13 van het Besluit staatsexamens vwo-havo-mavo 2000, 39
van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. en 3 en 10 van
het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal op artikel 2 van deze
wet.
Artikel 14
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 15
Deze wet wordt aangehaald als: Wet College voor examens.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 29 januari 2009
BEATRIX
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten
Uitgegeven de vijfde maart 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|