| |
|
|
|
|
vorige
INVOERINGSWET
WATERWET
Tekst zoals deze geldt op
15 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 9 november 2009 tot intrekking van enige wetten betreffende
het waterbeheer, aanpassing van een aantal andere wetten, regeling van
het overgangsrecht en aanvulling van de Waterwet, met het oog op de
invoering van die wet (Invoeringswet Waterwet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
met het oog op de invoering van de Waterwet noodzakelijk is een aantal
wetten, waaronder de Waterwet, aan te passen en enige andere wetten in
te trekken, alsmede het overgangsrecht te regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Wijziging van enige wetten
Artikel 1.1
[Wijzigt de Algemene douanewet]
Artikel 1.2
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel 1.3
[Wijzigt de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat]
Artikel 1.4
[Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998]
Artikel 1.4a
[Wijzigt de Ontgrondingenwet]
Artikel 1.5
[Wijzigt de Planwet verkeer en vervoer]
Artikel 1.6
[Wijzigt de Provinciewet]
Artikel 1.7
[Wijzigt de Spoedwet wegverbreding]
Artikel 1.8
[Wijzigt de Waterschapswet]
Artikel 1.9
[Wijzigt de Waterstaatswet 1900]
Artikel 1.10
[Wijzigt de Waterwet]
Artikel 1.11
[Wijzigt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken]
Artikel 1.12
[Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag]
Artikel 1.13
[Wijzigt de Wet bodembescherming]
Artikel 1.14
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 1.15
[Wijzigt de Goedkeurings- en uitvoeringswet Verdrag inzake de
verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart]
Artikel 1.16
[Wijzigt de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende
zaken]
Artikel 1.17
[Wijzigt de Wet inzake de luchtverontreiniging]
Artikel 1.18
[Wijzigt de Wet milieubeheer]
Artikel 1.19
[Wijzigt de Wet rampen en zware ongevallen]
Artikel 1.20
[Wijzigt de Wet voorkoming verontreiniging door schepen]
Hoofdstuk 2. Intrekking van wetten en overgangsrecht
Afdeling 2.1. Intrekking van enige wetten
Artikel 2.1
1. De artikelen 2a, 2b en 3 tot en met 11 van de Wet op de
waterhuishouding vervallen.
2. Ingetrokken worden:
a. de Grondwaterwet,
b. de wet van 14 juli 1904 (Stb. 147), houdende bepalingen
omtrent het ondernemen van droogmakerijen en indijkingen;
c. de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
d. de Wet verontreiniging zeewater;
e. de Wet op de waterhuishouding; en
f. de Wet op de waterkering.
Afdeling 2.2. Overgangsbepalingen
§ 2.2.1. Overgangsbepalingen Waterwet hoofdstuk 1
Artikel 2.2
Het horen van gedeputeerde staten van de betrokken provincies en de
beheerders alsmede de bevoegde autoriteiten van de andere staten in het
stroomgebieddistrict, bedoeld in artikel 1.2, derde lid, van de
Waterwet, blijft achterwege voor zover de in de maatregel vast te
stellen grenzen gelijk zijn aan de grenzen die onmiddellijk voor het
tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van kracht zijn ingevolge
artikel 2a van de Wet op de waterhuishouding.
§ 2.2.2. Overgangsbepalingen Waterwet hoofdstuk 2
Artikel 2.3
[Vervallen]
Artikel 2.4
De leidraden die zijn tot stand gebracht ingevolge artikel 5 van de
Wet op de waterkering worden gelijkgesteld met de leidraden, bedoeld in
artikel 2.6 van de Waterwet.
Artikel 2.5
De door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat ingevolge artikel 10,
derde lid, van de Wet op de waterkering kosteloos verkrijgbaar gestelde
kaart wordt voor de periode die loopt tot en met 31 december van het
kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin artikel 2.7, tweede
lid, van de Waterwet in werking treedt, gelijkgesteld met de peilkaart,
bedoeld in laatstgenoemd artikel.
Artikel 2.6
1. De eerste rapportage van gedeputeerde staten, bedoeld in artikel
2.12, derde lid, van de Waterwet, wordt uitgebracht voor 16 januari
2011, met uitzondering van de rapportage over de verslagen van
beheerders ingevolge artikel 2.12, tweede lid, van die wet, welke
wordt uitgebracht voor 16 januari 2017.
2. De eerste rapportage van de minister, bedoeld in artikel 2.12,
derde lid, van de Waterwet, wordt uitgebracht voor 16 januari 2012.
Artikel 2.7
De eerste toezending van een verslag als bedoeld in artikel 2.13 van
de Waterwet vindt plaats voor 16 januari 2018.
§ 2.2.3. Overgangsbepalingen Waterwet hoofdstuk 3
Artikel 2.8
1. De aanwijzingen van beheerders ingevolge artikel 3.2 van de
Waterwet kunnen, voor zover die betrekking hebben op de vaarweg- of
havenfunctie van onderdelen van watersystemen, uiterlijk drie jaar na
het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel worden vastgesteld.
2. Tot het tijdstip van van kracht worden van een aanwijzing als
bedoeld in het eerste lid blijft de zorg voor de vaarweg- of
havenfunctie berusten bij het overheidslichaam dat onmiddellijk voor
het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.2 van de Waterwet die
zorg behartigde met betrekking tot de desbetreffende vaarweg of haven.
Artikel 2.9
De ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Wet op de waterkering
vastgestelde alarmeringspeilen worden voor de periode die loopt tot en
met 31 december van het kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin
artikel 3.3, tweede lid, van de Waterwet in werking treedt,
gelijkgesteld met de alarmeringspeilen, bedoeld in artikel 3.3, tweede
lid, van de Waterwet.
Artikel 2.10
1. Besluiten die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 3.4 van de Waterwet van kracht zijn
ingevolge artikel 15a, derde of vierde lid, van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren worden gelijkgesteld met besluiten ingevolge
artikel 3.4, tweede onderscheidenlijk derde lid, van de Waterwet.
2. Voorstellen als bedoeld in artikel 15a, derde lid, van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren die voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 3.4 van de Waterwet door het betrokken
bestuur zijn ontvangen, worden gelijkgesteld met voorstellen ingevolge
artikel 3.4, derde lid, van de Waterwet.
Artikel 2.11
Besluiten als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wet op de
waterkering die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 3.9 van de Waterwet van kracht zijn, worden gelijkgesteld met
besluiten als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, van de Waterwet.
§ 2.2.4. Overgangsbepalingen Waterwet hoofdstuk 4
Artikel 2.12
1. Een nota waterhuishouding, provinciaal plan voor de
waterhuishouding of beheerplan voor de rijkswateren dan wel voor
andere wateren dan rijkswateren, die of dat is vastgesteld
overeenkomstig de Wet op de waterhuishouding en betrekking heeft op de
planperiode die aanvangt op 22 december 2009, wordt gelijkgesteld met
het nationaal waterplan, onderscheidenlijk het regionaal waterplan van
de betrokken provincie of het beheerplan van de betrokken beheerder,
een en ander als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Waterwet.
2. Indien onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van
de Waterwet met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht een nota of plan als bedoeld in het eerste lid in
voorbereiding is, blijft laatstgenoemde wet van toepassing op de
verdere voorbereiding en vaststelling daarvan. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op de aldus tot stand gebrachte nota en het
aldus tot stand gebrachte plan.
Artikel 2.13
De eerste herziening van de plannen, bedoeld in artikel 4.8 van de
Waterwet, wordt voltooid voor 22 december 2015.
§ 2.2.5. Overgangsbepalingen Waterwet hoofdstuk 5
Artikel 2.14
1. De leggers, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet, worden, voor
zover die geen betrekking hebben op waterkeringen, uiterlijk drie jaar
na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel vastgesteld.
2. Bij of krachtens provinciale verordening of algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat artikel 5.1, eerste lid, van de
Waterwet gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van
toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen
daarvan die in beheer zijn bij een waterschap onderscheidenlijk het
Rijk.
3. Een legger, overzichtskaart of beheersregister met betrekking
tot een primaire waterkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 13
van de Wet op de waterkering, wordt gelijkgesteld met een legger,
overzichtskaart of beheersregister als bedoeld in artikel 5.1 van de
Waterwet.
Artikel 2.15
Peilbesluiten die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding
van artikel 5.2 van de Waterwet overeenkomstig artikel 16 van de Wet op
de waterhuishouding van kracht waren worden gelijkgesteld met
peilbesluiten als bedoeld in eerstgenoemd artikel.
Artikel 2.16
1. Artikel 5.4 van de Waterwet is niet van toepassing op de aanleg
of wijziging van een waterstaatswerk waarvoor op het tijdstip van
inwerkingtreding van dat artikel:
a. door de beheerder een beslissing is genomen als bedoeld in
artikel 148 van de Waterschapswet die – voor zover vereist –
is goedgekeurd door gedeputeerde staten, of
b. een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 12, eerste of
tweede lid, van de Waterstaatswet 1900 is vastgesteld.
2. Indien onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 5.4 van de Waterwet
a. nog goedkeuring door gedeputeerde staten benodigd is voor
een beslissing als bedoeld in artikel 148 van de Waterschapswet,
dan wel
b. met betrekking tot een beoogd koninklijk besluit als bedoeld
in artikel 12, eerste of tweede lid, van de Waterstaatswet 1900
een kennisgeving als bedoeld in het derde lid van dat artikel is
gedaan,
blijft de Waterschapswet van toepassing op die goedkeuring,
onderscheidenlijk de Waterstaatswet 1900 op verdere voorbereiding,
vaststelling en mededeling van dat besluit.
3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a of b, is van
overeenkomstige toepassing op een overeenkomstig het tweede lid
goedgekeurde beslissing onderscheidenlijk tot stand gebracht
koninklijk besluit.
Artikel 2.16a
1. Een plan als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet op de
waterkering, dat is vastgesteld vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 5.4 van de Waterwet, wordt gelijkgesteld
met een projectplan als bedoeld in laatstgenoemd artikel.
2. Artikel 5.4 van de Waterwet is niet van toepassing op de aanleg,
versterking of verlegging van een primaire waterkering ten aanzien
waarvan voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel
toepassing is gegeven aan afdeling 3.5 dan wel artikel 3.33, eerste
lid, of artikel 3.35, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
3. Het eerste lid en artikel 5.4 van de Waterwet zijn niet van
toepassing met betrekking tot plannen als bedoeld in artikel XII van
de Wet van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 28 april
2005 tot wijziging van de Wet op de waterkering en intrekking van de
Deltawet grote rivieren, de Deltawet, de Deltaschadewet, de Wet schade
oesterkwekers, de Vergunningwet Westerschelde, de Zuiderzeewet en de
Zuiderzeesteunwet (Stb. 275), die zijn goedgekeurd door gedeputeerde
staten vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5.4 van de
Waterwet.
Artikel 2.17
1. Het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 1.13, met uitzondering van de artikelen
76m tot en met 76o van de Wet bodembescherming, blijft van toepassing
ten aanzien van saneringen van gevallen van verontreiniging in de
bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvoor vóór dat
tijdstip een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de
Wet bodembescherming is gegeven waarbij ingevolge artikel 37, eerste
lid, van de Wet bodembescherming is vastgesteld dat spoedige sanering
noodzakelijk is. De eerste volzin is van toepassing tot het moment dat
het bevoegde gezag overeenkomstig artikel 39c, tweede lid, van de Wet
bodembescherming heeft ingestemd met het verslag van de sanering.
2. Bevelen als bedoeld in artikel 30, tweede tot en met vierde lid,
in samenhang met artikel 35, eerste lid, van de Wet bodembescherming,
gegeven vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13,
worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als bevelen als bedoeld in
artikel 30, tweede tot en met vierde lid, van de Wet bodembescherming
in samenhang met artikel 5.15, tweede lid, van de Waterwet.
3. Bevelen als bedoeld in artikel 43, eerste, derde of vierde lid,
in samenhang met artikel 63a, eerste lid, van de Wet bodembescherming
tot het verrichten van nader onderzoek of het treffen van tijdelijke
beveiligingsmaatregelen, gegeven vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 1.13, worden vanaf dat tijdstip
aangemerkt als bevelen als bedoeld in artikel 5.16, eerste, tweede of
derde lid, van de Waterwet tot het verrichten van onderzoek of het
treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen.
4. Bevelen als bedoeld in artikel 43, eerste, derde of vierde lid,
van de Wet bodembescherming tot het verrichten van nader onderzoek of
het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, dat betrekking
heeft op de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, gegeven
door gedeputeerde staten vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 1.13, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als bevelen als
bedoeld in artikel 5.16, eerste, tweede of derde lid, van de Waterwet
tot het verrichten van onderzoek of het treffen van tijdelijke
beveiligingsmaatregelen, gegeven door de beheerder, bedoeld in artikel
1.1 van die wet.
5. Artikel 74 van de Wet bodembescherming blijft van toepassing ten
aanzien van bevelen als bedoeld in artikel 30, derde of vierde lid, of
artikel 49 juncto artikel 30, derde of vierde lid, van die wet, met
betrekking tot de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam,
gegeven door gedeputeerde staten vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 1.13.
6. Artikel 75 van de Wet bodembescherming blijft van toepassing ten
aanzien van het verhalen van de kosten van onderzoeksgevallen en van
saneringsonderzoek en sanering van gevallen van ernstige
verontreiniging van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam,
voor zover die kosten zijn gemaakt dan wel tot het doen van onderzoek
of het uitvoeren van een sanering opdracht is verstrekt vóór het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13.
Artikel 2.18
1. Een gedoogplicht die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van de artikelen 5.21 en 5.22 van de Waterwet voor
een rechthebbende ten aanzien van gronden of wateren van kracht is
ingevolge artikel 31 of 32 van de Grondwaterwet wordt gelijkgesteld
met een gedoogplicht als bedoeld in artikel 5.21, onderscheidenlijk
5.22 van de Waterwet.
2. Een gedoogplicht die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 5.24 van de Waterwet voor een
rechthebbende ten aanzien van gronden of wateren van kracht is
ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 12 of 12a van de
Waterstaatswet 1900 wordt gelijkgesteld met een gedoogplicht als
bedoeld in artikel 5.24 van de Waterwet.
Artikel 2.19
Een onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel
5.29 van de Waterwet geldend calamiteitenplan als bedoeld in artikel 69
van de Waterstaatswet 1900 wordt gelijkgesteld met een calamiteitenplan
als bedoeld in artikel 5.29 van de Waterwet.
Artikel 2.20
Maatregelen die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding
van artikel 5.30 van de Waterwet van kracht zijn ingevolge artikel 72
van de Waterstaatswet 1900 worden, zolang zij nog niet volledig ten
uitvoer zijn gelegd, gelijkgesteld met maatregelen krachtens artikel
5.30 van de Waterwet. Een melding die overeenkomstig artikel 73 van de
Waterstaatswet 1900 is gedaan met betrekking tot zodanige maatregelen
wordt gelijkgesteld met een melding overeenkomstig artikel 5.30 van de
Waterwet.
Artikel 2.21
Een opdracht krachtens artikel 74, eerste lid, of 75 van de
Waterstaatswet 1900 die onmiddellijk voor de inwerkingtreding van
artikel 5.31 van de Waterwet van kracht is, wordt gelijkgesteld met een
aanwijzing krachtens artikel 5.31, eerste onderscheidenlijk derde lid,
van de Waterwet.
§ 2.2.6. Overgangsbepalingen Waterwet hoofdstuk 6
Artikel 2.22. (Grondwaterwet)
1. Een vergunning met betrekking tot een handeling als bedoeld in
artikel 6.4 van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dat artikel van de Waterwet van kracht is
overeenkomstig artikel 14 van de Grondwaterwet, wordt gelijkgesteld
met een door gedeputeerde staten verleende watervergunning als bedoeld
in de Waterwet voor de desbetreffende handeling.
2. Een vergunning met betrekking tot het onttrekken van grondwater
of het infiltreren van water in andere gevallen dan bedoeld in artikel
6.4 van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dat artikel van de Waterwet van kracht is
overeenkomstig artikel 14 van de Grondwaterwet, wordt gelijkgesteld
met een door het bestuur van het betrokken waterschap verleende
watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor de desbetreffende
handeling, voor zover bij verordening van een waterschap dan wel bij
of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel
6.5 van die wet een vergunning of ontheffing voor die handeling wordt
vereist.
Artikel 2.23. (Wet beheer rijkswaterstaatswerken)
1. Een vergunning met betrekking tot een handeling als bedoeld in
artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet, die onmiddellijk voor het
tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van kracht is
overeenkomstig artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
wordt gelijkgesteld met een door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat verleende watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor
de desbetreffende handeling, voor zover deze krachtens artikel 6.5,
onderdeel c, van die wet wordt vereist.
2. Een verbod of beperking met betrekking tot een van de in artikel
1 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken bedoelde wateren,
waterkeringen of daarin gelegen kunstwerken dat overeenkomstig artikel
6 van die wet onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 6.10 van de Waterwet van kracht is, wordt gelijkgesteld met
een verbod of beperking als bedoeld in laatstgenoemd artikel.
Artikel 2.24. (Wet droogmakerijen en indijkingen)
Een concessie voor een handeling als bedoeld in artikel 6.5,
onderdeel c, van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dat artikel van kracht is overeenkomstig artikel 1
van de Wet van 14 juli 1904 (Stb. 147), houdende bepalingen omtrent het
ondernemen van droogmakerijen en indijkingen, wordt gelijkgesteld met
een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende
watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor de desbetreffende
handeling voor zover deze krachtens artikel 6.5, onderdeel c, van die
wet wordt vereist.
Artikel 2.25. (Wet verontreiniging oppervlaktewateren)
1. Een vergunning van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat dan
wel het bestuur van een waterschap met betrekking tot een handeling
als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet, die onmiddellijk voor het
tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van de Waterwet van
kracht is krachtens artikel 1, eerste, tweede of derde lid, van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, wordt gelijkgesteld met een door
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat onderscheidenlijk het bestuur
van het waterschap verleende watervergunning als bedoeld in de
Waterwet voor de desbetreffende handeling, tenzij ingevolge artikel
6.7 van die wet een vrijstelling van toepassing is.
2. Een vergunning met betrekking tot lozen met behulp van een werk
dat op een ander werk is aangesloten, die onmiddellijk voor het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.2 van de Waterwet van
kracht is krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren, wordt, indien op dat lozen artikel 6.2 van de
Waterwet niet van toepassing is, gelijkgesteld met:
a. indien het lozen plaatsvindt vanuit een inrichting als
bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer: een
vergunning krachtens artikel 8.1 van die wet, verleend door het
voor die inrichting bevoegde gezag ingevolge artikel 8.2 van die
wet;
b. indien het lozen plaatsvindt anders dan vanuit een
inrichting als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet
milieubeheer: een ontheffing krachtens artikel 10.63, eerste lid,
van die wet, verleend door burgemeester en wethouders.
3. Het dagelijks bestuur van het waterschap draagt de
archiefbescheiden die betrekking hebben op vergunningen als bedoeld in
het tweede lid over aan:
a. in gevallen als bedoeld in onderdeel a van dat lid: het
bevoegde gezag, bedoeld in dat onderdeel;
b. in gevallen als bedoeld in onderdeel b van dat lid:
burgemeester en wethouders.
4. Het derde lid geldt niet voor bescheiden die overeenkomstig de
Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
Artikel 2.25a. (overgangsrecht advies indirecte lozingen)
1. Tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.26 van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, stelt het bevoegd gezag voor
een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet
milieubeheer, waarbij vanuit een inrichting waartoe een
gpbv-installatie behoort of vanuit een inrichting die behoort tot een
aangewezen categorie van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.1,
tweede lid, van de Wet milieubeheer, afvalwater of andere afvalstoffen
in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater
worden gebracht, naar aanleiding van de aanvraag om die vergunning het
dagelijks bestuur van het in artikel 3.4, eerste lid, van de Waterwet
bedoelde waterschap of de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam
waarop het afvalwater vanuit die voorziening wordt gebracht, in de
gelegenheid advies uit te brengen.
2. Indien ten gevolge van de activiteit waarvoor vergunning wordt
gevraagd:
a. de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk zou
worden belemmerd, of
b. de krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer gestelde
grenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zouden
worden overschreden,
kan het advies inhouden dat de daarin opgenomen voorschriften die
nodig zijn om die gevolgen te voorkomen, aan de vergunning moeten
worden verbonden. Indien die gevolgen niet kunnen worden voorkomen,
kan het advies inhouden dat de vergunning geheel of gedeeltelijk moet
worden geweigerd.
Artikel 2.25b. (overgangsrecht verzoek handhaving indirecte lozingen)
Tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5.20 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht, kan in gevallen waarin vanuit een
inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen als bedoeld in
artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, van waaruit afvalwater
of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater worden gebracht tengevolge waarvan:
a. de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk wordt
belemmerd, of
b. de krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer gestelde
grenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater worden
overschreden,
het dagelijks bestuur van het in artikel 3.4, eerste lid, van de
Waterwet bedoelde waterschap of de beheerder van het
oppervlaktewaterlichaam waarop het afvalwater vanuit die voorziening
wordt gebracht, voor zover dat nodig is om die gevolgen te beperken of
weg te nemen, het voor die inrichting bevoegde bestuursorgaan een
verzoek doen om een beschikking te geven tot oplegging van
bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van
een vergunning of ontheffing. Het bevoegde bestuursorgaan geeft daaraan
gevolg, voor zover dat niet in strijd is met het belang van de
bescherming van het milieu.
Artikel 2.26. (Wet verontreiniging zeewater)
Een ontheffing met betrekking tot een handeling als bedoeld in
artikel 6.3 van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dat artikel van de Waterwet van kracht is
overeenkomstig artikel 3 van de Wet verontreiniging zeewater, wordt
gelijkgesteld met een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
verleende watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor de
desbetreffende handeling, tenzij ingevolge artikel 6.7 van die wet een
vrijstelling van toepassing is.
Artikel 2.27. (Wet op de waterhuishouding)
Een vergunning met betrekking tot een handeling als bedoeld in
artikel 6.5, onderdeel a, van de Waterwet, die onmiddellijk voor het
tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van de Waterwet van kracht
is overeenkomstig artikel 24 van de Wet op de waterhuishouding, wordt
gelijkgesteld met een watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor de
desbetreffende handeling, voor zover deze krachtens artikel 6.5,
onderdeel a, van die wet dan wel een verordening van een waterschap
wordt vereist.
Artikel 2.28. (keurvergunningen)
Een vergunning of ontheffing voor een handeling in een watersysteem
of een beschermingszone die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van de Waterwet van kracht is
overeenkomstig een verordening van een waterschap wordt gelijkgesteld
met een door dat waterschap verleende watervergunning, voor zover na dat
tijdstip ingevolge een zodanige verordening nog steeds een vergunning of
ontheffing voor die handeling wordt vereist.
Artikel 2.29. (afwikkeling aanvragen)
1. Het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van paragraaf 6.2 van de Waterwet blijft van
toepassing ten aanzien van de voorbereiding en vaststelling van een
besluit op een voor die inwerkingtreding gedane aanvraag om een
vergunning, ontheffing of concessie als bedoeld in:
a. artikel 14 van de Grondwaterwet,
b. artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
c. artikel 1 van de wet van 14 juli 1904 (Stb. 147), houdende
bepalingen omtrent het ondernemen van droogmakerijen en
indijkingen,
d. artikel 1, eerste, tweede of derde lid, van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren,
e. artikel 3 van de Wet verontreiniging zeewater,
f. artikel 24 van de Wet op de waterhuishouding, of
g. een verordening van een waterschap als bedoeld in artikel
6.13 van de Waterwet, alsmede op de beslissing op een bezwaar of
beroep, ingediend onderscheidenlijk ingesteld tegen een zodanig
besluit.
2. Een vergunning, ontheffing of concessie die overeenkomstig het
eerste lid wordt verleend wordt, zodra deze onherroepelijk is
geworden, gelijkgesteld met een door het betrokken bestuursorgaan
verleende watervergunning voor de desbetreffende handeling, voor zover
na de inwerkingtreding van paragraaf 6.2 van de Waterwet nog steeds
een vergunning of ontheffing voor die handeling wordt vereist.
Artikel 2.30. (Wet bodembescherming)
1. Artikel 6.8 van de Waterwet is mede van toepassing op een ieder
die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel
handelingen heeft verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11
van de Wet bodembescherming, zoals die luidden onmiddellijk vóór het
tijdstip van inwerkingtreding van eerstgenoemd artikel 6.8, en die
wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen
de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kon worden
verontreinigd of aangetast.
2. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Wet
bodembescherming, gegeven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
of gedeputeerde staten vóór het tijdstip, bedoeld in het eerste lid,
die betrekking heeft op een verontreiniging of aantasting van de bodem
of oever van een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van handelingen
als bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing
als bedoeld in artikel 6.9, tweede lid, van de Waterwet, gegeven door
de beheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet.
3. Een beschikking tot het toepassen van bestuursdwang of een last
onder dwangsom, gegeven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
of gedeputeerde staten vóór het tijdstip, bedoeld in het tweede lid,
ter zake van een overtreding van het in artikel 13 van de Wet
bodembescherming bepaalde met betrekking tot de bodem of oever van een
oppervlaktewaterlichaam, wordt gelijkgesteld met een beschikking tot
het toepassen van bestuursdwang of een last onder dwangsom, gegeven
door de beheerder, bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet.
Artikel 2.31. (Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart)
1. Na de inwerkingtreding van de artikelen 6.6, 6.7 en 10.1 van de
Waterwet berust het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart op
die artikelen, voor zover dat besluit voordien berustte op de
artikelen 1, derde lid, en 2f van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren.
2. Na de inwerkingtreding van artikel 1.15 berust het
Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart op artikel 39, 39e,
39g en 39i van de Binnenvaartwet, voor zover dat besluit voordien
berustte op artikel 28c, 28e, 28i onderscheidenlijk 28k van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren.
§ 2.2.7. Overgangsbepalingen Waterwet hoofdstuk 7
Artikel 2.32. (verontreinigingsheffing)
Het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren, zoals dat luidde onmiddellijk vóór het tijdstip
van inwerkingtreding van hoofdstuk 7 van de Waterwet, blijft van
toepassing op belastingtijdvakken die zijn aangevangen voor dat
tijdstip.
Artikel 2.33. (grondwaterheffing)
Het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk VI van de Grondwaterwet,
zoals dat luidde onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding
van hoofdstuk 7 van de Waterwet, blijft van toepassing op
belastingtijdvakken die zijn aangevangen voor dat tijdstip.
Artikel 2.34. (schadevergoeding)
1. De artikelen 7.14 tot en met 7.17 van de Waterwet zijn niet van
toepassing indien de schade is veroorzaakt door een uitoefening van
een taak of bevoegdheid die plaatsvond voor het tijdstip van
inwerkingtreding van die artikelen.
2. De artikelen 12b of 78 van de Waterstaatswet 1900, 9 van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, 40 en 41 van de Wet op de
waterhuishouding dan wel 41 en 42 van de Grondwaterwet, zoals die
luidden onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van
hoofdstuk 6 van de Waterwet, blijven van toepassing met betrekking tot
een schade als bedoeld in het eerste lid, voor zover onderscheidenlijk
onder die bepalingen vallend.
Artikel 2.35. (schadevergoeding)
De artikelen 7.18 en 7.20 van de Waterwet zijn niet van toepassing
met betrekking tot schade als bedoeld in artikel 7.18 van die wet die is
veroorzaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel. Met
betrekking tot een zodanige schade blijven de artikelen 35 en 36 van de
Grondwaterwet, zoals die luidden onmiddellijk voor dat tijdstip, van
toepassing.
Artikel 2.36. (schade aan waterstaatswerken)
Artikel 7.21 van de Waterwet is niet van toepassing indien schade als
bedoeld in dat artikel is veroorzaakt voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dat artikel. Met betrekking tot een zodanige schade
blijft voor waterstaatswerken in beheer bij het rijk artikel 9 van de
Wet beheer rijkswaterstaatswerken dan wel, voor andere
waterstaatswerken, artikel 12c van de Waterstaatswet 1900, zoals die
artikelen luidden onmiddellijk voor dat tijdstip, van toepassing.
Artikel 2.37. (subsidies primaire waterkeringen)
Met betrekking tot subsidies die krachtens artikel 12 van de Wet op
de waterkering zijn verleend blijft het bepaalde bij en krachtens
genoemd artikel, zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 7.23 van de Waterwet, van toepassing.
§ 2.2.8. Overgangsbepalingen Waterwet hoofdstuk 8
Artikel 2.38. (handhavingsbeschikkingen)
Het bestuursorgaan dat vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
hoofdstuk 8 van de Waterwet een beschikking tot toepassing van
bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van
een vergunning of ontheffing heeft gegeven ter zake van een overtreding
van een voorschrift dat door deze wet wordt ingetrokken, maar ingevolge
§ 2.2.6 van kracht blijft na die intrekking, blijft bevoegd met
betrekking tot die beschikking.
§ 2.2.9. Overgangsbepalingen Waterschapswet
Artikel 2.39. (goedkeuring van of beroep tegen besluiten en
beslissingen)
1. Hoofdstuk XIX van de Waterschapswet blijft van toepassing met
betrekking tot besluiten en beslissingen die ingevolge dat hoofdstuk
zijn onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten, indien
die zijn vastgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 1.8, onderdeel E.
2. Hoofdstuk XX van de Waterschapswet blijft van toepassing met
betrekking tot besluiten waartegen belanghebbenden ingevolge dat
hoofdstuk administratief beroep kunnen instellen bij gedeputeerde
staten, indien die zijn vastgesteld voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 1.8, onderdeel F.
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 3.1
1. De tekst van de Waterwet wordt in het Staatsblad geplaatst.
2. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat de nummering van de hoofdstukken, paragrafen en
artikelen van de Waterwet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet
voorkomende aanhalingen van de hoofdstukken, paragrafen en artikelen
met de nieuwe nummering in overeenstemming.
Artikel 3.2
[Wijzigt de Waterwet.]
Artikel 3.3
1. De artikelen 1.3 en 1.8, onderdelen B, E en F, treden in werking
met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij worden geplaatst.
2. De overige artikelen van deze wet treden in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 3.4
Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Waterwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 9 november 2009
BEATRIX
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.C. Huizinga-Heringa
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.M. Cramer
Uitgegeven de vierentwintigste november 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|