|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 12 november 2009 tot implementatie van Europese regelgeving
betreffende het verkeer van diensten op de interne markt (Dienstenwet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
noodzakelijk is om te voorzien in wettelijke regels om uitvoering te
geven aan Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten
op de interne markt (PbEU L 376);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1.1. Definities en reikwijdte
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
afnemer: natuurlijke persoon die onderdaan is van een lidstaat of
die rechten heeft die hem door communautaire besluiten zijn
verleend, of een rechtspersoon in de zin van artikel 48 van het
Verdrag die in een lidstaat is gevestigd en, al dan niet voor
beroepsdoeleinden, van een dienst gebruik maakt of wil maken;
bevoegde instantie: bestuursorgaan, een ander orgaan of een
autoriteit, dat of die een toezichthoudende, vergunningverlenende of
regelgevende rol vervult ten aanzien van diensten;
centraal loket: het centraal loket, bedoeld in artikel 5, eerste
lid;
consument: afnemer die een natuurlijke persoon is, niet handelend
in de uitoefening van een beroep of bedrijf;
Consumentenautoriteit: de Consumentenautoriteit, bedoeld in
artikel 2.1 van de Wet handhaving consumentenbescherming;
dienst: economische activiteit, anders dan in loondienst, die
gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, als bedoeld in artikel 50 van
het Verdrag;
dienstverrichter: natuurlijke persoon die onderdaan is van een
lidstaat of een rechtspersoon in de zin van artikel 48 van het
Verdrag, die in een lidstaat is gevestigd en die een dienst aanbiedt
of verricht;
dwingende redenen van algemeen belang: redenen die als zodanig
zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen;
eis: verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit
hoofde van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of
voortvloeiend uit de rechtspraak, de administratieve praktijk, de
regels van beroepsorden of de collectieve regels van
beroepsverenigingen of andere beroepsorganisaties, die deze in het
kader van de hun toegekende bevoegdheden hebben vastgesteld, met
uitzondering van regels vastgelegd in collectieve
arbeidsovereenkomsten waarover door de sociale partners is
onderhandeld;
gereglementeerd beroep: beroepsactiviteit of een geheel van
beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a,
van richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning
van beroepskwalificaties (PbEU L 255);
informatiepunt: het informatiepunt, bedoeld in artikel 6, eerste
lid;
interne markt informatiesysteem: elektronisch informatiesysteem,
bedoeld in artikel 34 van de richtlijn, voor de uitwisseling van
informatie tussen de bevoegde instanties van de lidstaten;
lidstaat: lidstaat van de Europese Unie of van de Europese
Economische Ruimte;
lidstaat van vestiging: lidstaat op het grondgebied waarvan de
dienstverrichter is gevestigd;
Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie;
procedures en formaliteiten: activiteiten die naar hun aard door
middel van uitwisseling van gegevens en bescheiden tussen een
dienstverrichter en een of meer bevoegde instanties plaatsvinden en
die op een eis of een vergunning betrekking hebben;
richtlijn:richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende diensten
op de interne markt (PbEU L 376);
Verdrag: Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
vergunningstelsel: procedure die voor een dienstverrichter of
afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen
te ondernemen ter verkrijging van een vergunning;
vergunning: beslissing, uitdrukkelijk of stilzwijgend, over de
toegang tot of de uitoefening van een dienst;
vestiging: daadwerkelijke uitoefening van een economische
activiteit als bedoeld in artikel 43 van het Verdrag, door een
dienstverrichter voor onbepaalde tijd en vanuit een duurzame
infrastructuur, van waaruit daadwerkelijk diensten worden verricht;
zakelijke afnemer: afnemer, niet zijnde een consument.
Artikel 2
1. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is van toepassing op de
eisen en vergunningstelsels met betrekking tot de vrijheid van
vestiging en het vrij verkeer van diensten die onder de reikwijdte van
de richtlijn vallen.
2. Het eerste lid geldt in ieder geval voor de eisen en
vergunningstelsels, bedoeld in dat lid, die zijn opgenomen in een
regeling van Onze Minister.
3. Deze wet is niet van toepassing op:
a.
1°. onderwerpen en diensten die op grond van artikel 1,
tweede tot en met zevende lid, artikel 2, derde lid en artikel
3, tweede lid, van de richtlijn, van het toepassingsgebied van
de richtlijn zijn uitgezonderd,
2°. diensten en sectoren die op grond van de artikel 2,
tweede lid, van de richtlijn, van het toepassingsgebied van de
richtlijn zijn uitgezonderd,
3°. bepalingen van communautaire regelgeving, die ingeval
zich een strijdigheid voordoet als omschreven in artikel 3,
eerste lid, van de richtlijn, van het toepassingsgebied van de
richtlijn zijn uitgezonderd;
b. procedures van bezwaar en beroep;
c. andere rechterlijke procedures of vormen van
geschilbeslechting;
d. regels en procedures betreffende overheidsopdrachten.
4. Een wijziging van de richtlijn met betrekking tot de eisen en
vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de richtlijn vallen
gaat voor de toepassing van het bij en krachtens deze wet bepaalde
gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
eerder tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 3
Het bij of krachtens deze wet bepaalde is mede van toepassing in de
Nederlandse exclusieve economische zone.
§ 1.2. Wederzijdse erkenning van gegevens en bescheiden
Artikel 4
1. Een bevoegde instantie waaraan een afnemer of dienstverrichter
gegevens of bescheiden overlegt ten bewijze dat aan een eis is voldaan
of een vergunning is verkregen aanvaardt ook:
a. gegevens en bescheiden uit een andere lidstaat die een
gelijkwaardig doel dienen of waaruit blijkt dat aan de betrokken
eis is voldaan of de vergunning is verkregen;
b. daartoe strekkende formulieren als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, van de richtlijn.
2. Bij de toepassing van het eerste lid kan een bevoegde instantie
voor gegevens en bescheiden uit een andere lidstaat uitsluitend
originelen, afschriften van originelen die als eensluidend met het
origineel gewaarmerkt zijn, of een authentieke vertaling van
originelen, verlangen, indien dit uit een verdrag van de Europese Unie
of uit een voor lidstaten bindend besluit van één of meer
instellingen van de Europese Unie volgt, of indien dit op grond van
een dwingende reden van algemeen belang gerechtvaardigd is.
3. Onverminderd het tweede lid kan een bevoegde instantie bij de
toepassing van het eerste lid voor gegevens en bescheiden uit een
andere lidstaat in een vreemde taal een niet-gelegaliseerde vertaling
verlangen in de Nederlandse of Friese taal.
4. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op gegevens
en bescheiden als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de richtlijn.
Hoofdstuk 2. Centrale elektronische voorzieningen voor
dienstverrichters en afnemers
§ 2.1. Het centraal loket
Artikel 5
1. Onze Minister draagt zorg voor de inrichting, instandhouding,
werking en beveiliging van een centraal loket met behulp waarvan:
a. ten behoeve van dienstverrichters:
1°. informatie toegankelijk wordt gemaakt die van belang
is voor het verkrijgen van toegang tot of de uitoefening van
diensten;
2°. berichtenverkeer dat betrekking heeft op procedures en
formaliteiten wordt uitgewisseld tussen dienstverrichters en
bevoegde instanties.
b. ten behoeve van zakelijke afnemers:
1°. informatie toegankelijk wordt gemaakt in verband met
het afnemen van diensten in Nederland of een andere lidstaat;
2°. op verzoek informatie wordt verschaft in verband met
het afnemen van diensten in een andere lidstaat dan Nederland.
2. Het centraal loket is gemakkelijk langs elektronische weg
bereikbaar.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting,
instandhouding, werking en beveiliging van het centraal loket.
§ 2.2. Het informatiepunt
Artikel 6
1. De Consumentenautoriteit draagt zorg voor de inrichting,
instandhouding, werking en beveiliging van een informatiepunt met
behulp waarvan ten behoeve van consumenten:
a. informatie toegankelijk wordt gemaakt in verband met het
afnemen van diensten in Nederland of een andere lidstaat;
b. op verzoek informatie wordt verschaft in verband met het
afnemen van diensten in een andere lidstaat dan Nederland.
2. Het informatiepunt is gemakkelijk langs elektronische weg
bereikbaar.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting,
instandhouding, werking en beveiliging van het informatiepunt.
Hoofdstuk 3. Informatie, bijstand en elektronische afwikkeling voor
dienstverrichters
§ 3.1. Toegankelijkheid van informatie voor dienstverrichters
Artikel 7
Onze Minister maakt de volgende informatie voor dienstverrichters via
het centraal loket toegankelijk:
a. de eisen en vergunningstelsels, bedoeld in artikel 2, en de
namen en adresgegevens van de bij die eisen en vergunningstelsels
betrokken bevoegde instanties;
b. de rechtsmiddelen die algemeen voorhanden zijn voor het
beslechten van geschillen tussen bevoegde instanties en
dienstverrichters, tussen dienstverrichters en afnemers of tussen
dienstverrichters onderling;
c. de middelen en voorwaarden om toegang te krijgen tot openbare
registers en openbare databanken met gegevens over dienstverrichters
en diensten;
d. de namen en adresgegevens van verenigingen en organisaties
zonder winstoogmerk, anders dan de bevoegde instanties, van welke
dienstverrichters praktische bijstand kunnen krijgen.
Artikel 8
1. Een bevoegde instantie die betrokken is bij één of meer eisen
of vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, maakt de volgende
informatie voor dienstverrichters langs elektronische weg
toegankelijk:
a. de eisen of vergunningstelsels, waarbij die instantie is
betrokken en haar naam en adresgegevens;
b. de rechtsmiddelen die algemeen voorhanden zijn voor het
beslechten van geschillen tussen haar en een dienstverrichter over
eisen en vergunningstelsels waarbij zij is betrokken.
2. Een bevoegde instantie maakt tevens informatie voor
dienstverrichters langs elektronische weg toegankelijk over de
middelen en voorwaarden om toegang te krijgen tot een openbaar
register of een openbare databank met gegevens over dienstverrichters
en diensten, voor zover die instantie daarbij betrokken is.
Artikel 9
De informatie, bedoeld in de artikelen 7 en 8 is actueel, duidelijk
en ondubbelzinnig.
Artikel 10
Bij ministeriėle regeling kunnen ten behoeve van een goede
uitvoering van artikel 7 regels worden gesteld over de wijze waarop
bevoegde instanties informatie als bedoeld in artikel 8 ordenen en
toegankelijk maken.
Artikel 11
Indien daarin niet op andere wijze is voorzien, draagt Onze Minister
ten behoeve van dienstverrichters zorg voor het gemakkelijk langs
elektronische weg toegankelijk maken van informatie over:
a. de betekenis van bepaalde keurmerken;
b. de criteria voor het aanvragen van keurmerken;
c. andere kwaliteitsaanduidingen voor diensten;
d. op communautair niveau vastgestelde gedragscodes die gericht
zijn op de vergemakkelijking van de toegang tot of uitoefening van
diensten.
§ 3.2. Verlening van bijstand aan dienstverrichters
Artikel 12
1. Een bevoegde instantie verstrekt een dienstverrichter op diens
verzoek algemene informatie over de gebruikelijke uitleg en toepassing
van eisen of vergunningstelsels, bedoeld in artikel 2, waarbij die
bevoegde instantie is betrokken.
2. De in het eerste lid bedoelde informatie wordt zo spoedig
mogelijk verstrekt, is actueel, duidelijk en ondubbelzinnig. Waar
passend wordt informatie verstrekt in de vorm van een handleiding.
3. Indien een bevoegde instantie de verzochte informatie niet kan
verstrekken, deelt zij dat onverwijld mee.
4. Een bevoegde instantie draagt er zorg voor dat zij langs
elektronische weg voldoende bereikbaar is voor een verzoek van een
dienstverrichter om informatie als bedoeld in het eerste lid.
5. Een bevoegde instantie verzendt een bericht met de verzochte
informatie als bedoeld in het eerste lid, of een mededeling als
bedoeld in het derde lid, langs elektronische weg, voor zover een
dienstverrichter waarvoor het bericht bestemd is aan de bevoegde
instantie kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende
bereikbaar is.
6. Het vijfde lid geldt, voor zover van toepassing, in afwijking
van artikel 2:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
§ 3.3. Op procedures en formaliteiten betrekking hebbend
berichtenverkeer
Artikel 13
1. Onze Minister biedt een dienstverrichter respectievelijk een
bevoegde instantie de mogelijkheid berichten die betrekking hebben op
procedures en formaliteiten via het centraal loket te verzenden en te
ontvangen.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld inzake
vernietigingstermijnen van via het centraal loket verzonden berichten.
3. Onze Minister draagt onverwijld zorg voor vernietiging van een
bericht na verloop van de krachtens het tweede lid gestelde termijnen.
Artikel 14
1. Een bevoegde instantie die betrokken is bij de afwikkeling van
procedures en formaliteiten:
a. draagt zorg voor aansluiting op het centraal loket;
b. verzendt daarop betrekking hebbende berichten via het
centraal loket, voor zover een dienstverrichter waarvoor een
bericht bestemd is via het centraal loket aan de bevoegde
instantie kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende
bereikbaar is.
c. draagt er zorg voor dat zij via het centraal loket voldoende
bereikbaar is voor daarop betrekking hebbende berichten van een
dienstverrichter.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot technische eisen waaraan door een bevoegde instantie
als bedoeld in het eerste lid moet worden voldaan met het oog op
aansluiting op het centraal loket.
3. Het eerste lid geldt, voor zover van toepassing, in afwijking
van artikel 2:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld ter
uitvoering van door de Europese Commissie met inachtneming van artikel
8, derde lid, van de richtlijn vastgestelde gedetailleerde regels.
5. Indien een via het centraal loket verzonden bericht dat op
procedures en formaliteiten betrekking heeft, is ondertekend met een
elektronische handtekening die afwijkt van een elektronische
handtekening die bij of krachtens wettelijk voorschrift is
voorgeschreven of door een bevoegde instantie wordt geėist, kan een
bevoegde instantie dit bericht niet om die reden weigeren, indien de
elektronische handtekening voldoet aan een van de in de ministeriėle
regeling, bedoeld in het vierde lid, genoemde elektronische
handtekeningen, tenzij:
a. het een elektronische handtekening betreft waarvan het
niveau van betrouwbaarheid lager is dan de elektronische
handtekening die bij of krachtens wettelijk voorschrift is
voorgeschreven of door een bevoegde instantie wordt geėist, of
b. de in de ministeriėle regeling, bedoeld in het vierde lid,
genoemde elektronische handtekening met het laagste niveau van
betrouwbaarheid bij of krachtens wettelijk voorschrift is
voorgeschreven of door een bevoegde instantie wordt geėist.
Artikel 15
1. Artikel 2:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is
niet van toepassing op de verzending via het centraal loket van
gegevens en bescheiden die op procedures en formaliteiten betrekking
hebben.
2. Voor zover daarvan bij of krachtens deze wet niet wordt
afgeweken, zijn de artikelen 2:14, derde lid, 2:15, derde en vierde
lid, 2:16 en 2:17 van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing op berichten waarop dit hoofdstuk en
hoofdstuk 4 van toepassing zijn en waarbij een bevoegde instantie niet
als bestuursorgaan is betrokken.
§ 3.4. Gegevensbescherming
Artikel 16
1. Onze Minister verwerkt persoonsgegevens als bedoeld in artikel
1, onderdeel a, van de Wet bescherming persoonsgegevens, met het doel
de uitwisseling van berichtenverkeer dat betrekking heeft op de
afwikkeling van procedures en formaliteiten via het centraal loket
voor dienstverrichters mogelijk te maken.
2. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde verwerking van
persoonsgegevens, is Onze Minister verantwoordelijke in de zin van
artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Hoofdstuk 4. Informatie en bijstand voor afnemers
§ 4.1. Toegankelijkheid van informatie voor afnemers
Artikel 17
Onze Minister maakt via het centraal loket voor zakelijke afnemers
toegankelijk:
a. de informatie, bedoeld in artikel 7, onderdelen a en c;
b. algemene informatie over in andere lidstaten geldende eisen
inzake toegang tot en uitoefening van diensten;
c. de rechtsmiddelen die algemeen voorhanden zijn voor het
beslechten van geschillen tussen bevoegde instanties en zakelijke
afnemers of tussen dienstverrichters en zakelijke afnemers;
d. algemene informatie over in andere lidstaten beschikbare
rechtsmiddelen voor het beslechten van geschillen tussen
dienstverrichters en zakelijke afnemers;
e. de namen en adresgegevens van verenigingen of organisaties
zonder winstoogmerk, anders dan de bevoegde instanties, waarvan
zakelijke afnemers praktische bijstand kunnen krijgen;
f. de namen en adresgegevens van verenigingen of organisaties
zonder winstoogmerk, die geen bevoegde instantie in enige lidstaat
zijn, en waar zakelijke afnemers praktische bijstand van kunnen
krijgen in een andere lidstaat dan Nederland.
Artikel 18
De Consumentenautoriteit maakt via het informatiepunt voor
consumenten toegankelijk:
a. de informatie, bedoeld in artikel 7, onderdelen a en c;
b. algemene informatie over in andere lidstaten geldende eisen
inzake toegang tot en uitoefening van diensten, in het bijzonder
informatie inzake consumentenbescherming;
c. de rechtsmiddelen die algemeen voorhanden zijn voor het
beslechten van geschillen tussen bevoegde instanties en consumenten
of tussen dienstverrichters en consumenten;
d. algemene informatie over in andere lidstaten beschikbare
rechtsmiddelen voor het beslechten van geschillen tussen
dienstverrichters en consumenten;
e. de namen en adresgegevens van verenigingen of organisaties
zonder winstoogmerk, anders dan de bevoegde instanties, waarvan
consumenten praktische bijstand kunnen krijgen.
f. de namen en adresgegevens van verenigingen of organisaties
zonder winstoogmerk, die geen bevoegde instantie in enige lidstaat
zijn, en waar consumenten praktische bijstand van kunnen krijgen in
een andere lidstaat dan Nederland.
Artikel 19
Een bevoegde instantie die betrokken is bij één of meer eisen of
vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, maakt voor afnemers langs
elektronische weg toegankelijk:
a. de informatie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a,
en artikel 8, tweede lid;
b. de rechtsmiddelen die algemeen voorhanden zijn voor het
beslechten van geschillen tussen haar en een afnemer of tussen een
dienstverrichter en een afnemer.
Artikel 20
De informatie, bedoeld in de artikelen 17, 18 en 19, is actueel,
duidelijk en ondubbelzinnig.
Artikel 21
Bij ministeriėle regeling kunnen ten behoeve van een goede
uitvoering van artikel 17, onderdelen a, c en e, regels worden gesteld
over de wijze waarop bevoegde instanties informatie als bedoeld in
artikel 19 ordenen en toegankelijk maken.
Artikel 22
Indien daarin niet op andere wijze is voorzien, draagt Onze Minister
ten behoeve van afnemers zorg voor het gemakkelijk langs elektronische
weg toegankelijk maken van informatie over:
a. de betekenis van bepaalde keurmerken;
b. de criteria voor het aanvragen van keurmerken;
c. andere kwaliteitsaanduidingen voor diensten;
d. op communautair niveau vastgestelde gedragscodes die gericht
zijn op de vergemakkelijking van de toegang tot of uitoefening van
diensten.
§ 4.2. Verlening van bijstand aan afnemers
Artikel 23
Onze Minister verstrekt een zakelijke afnemer op diens verzoek:
a. algemene informatie over in de andere lidstaten geldende eisen
inzake de toegang tot en de uitoefening van diensten.
b. algemene informatie over in andere lidstaten beschikbare
rechtsmiddelen voor het beslechten van geschillen tussen een
dienstverrichter en een zakelijke afnemer;
c. namen en adresgegevens van verenigingen en organisaties zonder
winstoogmerk uit een andere lidstaat, die geen bevoegde instanties
in die lidstaat zijn, en van welke een zakelijke afnemer praktische
bijstand kan krijgen.
Artikel 24
De Consumentenautoriteit verstrekt een consument op diens verzoek:
a. algemene informatie over in de andere lidstaten geldende eisen
inzake de toegang tot en uitoefening van diensten, in het bijzonder
die inzake consumentenbescherming;
b. algemene informatie over in andere lidstaten beschikbare
rechtsmiddelen voor het beslechten van geschillen tussen een
dienstverrichter en een consument;
c. namen en adresgegevens van verenigingen en organisaties zonder
winstoogmerk uit een andere lidstaat, die geen bevoegde instanties
in die lidstaat zijn, en van welke een consument praktische bijstand
kan krijgen.
Artikel 25
Een bevoegde instantie verstrekt een afnemer op diens verzoek
algemene informatie over de gebruikelijke uitleg en toepassing van eisen
of vergunningstelsels, bedoeld in artikel 2, waarbij die bevoegde
instantie is betrokken.
Artikel 26
Op een informatieverzoek als bedoeld in de artikelen 23 tot en met 25
isartikel 12, tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de behandeling van een tot Onze
Minister gericht verzoek geschiedt via het centraal loket en een tot de
Consumentenautoriteit gericht verzoek via het informatiepunt.
Artikel 27
1. Onze Minister verstrekt aan een relevante organisatie als
bedoeld in artikel 21, derde lid, van de richtlijn op verzoek
informatie als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdelen a tot en
met c, van de richtlijn, voor Nederland ten behoeve van zakelijke
afnemers.
2. De Consumentenautoriteit verstrekt aan een relevante organisatie
als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de richtlijn op verzoek
informatie als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdelen a tot en
met c, van de richtlijn, voor Nederland ten behoeve van consumenten.
3. Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld ter
uitvoering van op grond van artikel 21, derde lid, laatste volzin en
artikel 21, vierde lid, van de richtlijn vastgestelde praktische
regelingen en uitvoeringsmaatregelen.
Hoofdstuk 5. Vergunningstelsels
§ 5.1. Vergunningen op aanvraag
Artikel 28
1. In afwijking van artikel 4:20a, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is paragraaf 4.1.3.3 van die wet van toepassing op een
aanvraag om een vergunning, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
bepaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de aanvraag om een
vergunning, ingesteld bij of ter uitvoering van een verordening of
besluit als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie.
Artikel 29
1. Een bevoegde instantie bevestigt de ontvangst van een aanvraag
om een vergunning zo snel mogelijk. De ontvangstbevestiging bevat de
volgende informatie:
a. de bij wettelijk voorschrift met betrekking tot die
vergunning bepaalde termijn waarbinnen de beschikking wordt
gegeven of de termijn van acht weken, bedoeld in artikel 31,
eerste lid;
b. beschikbare rechtsmiddelen om tegen de beschikking op te
komen.
2. Indien paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht op
een aanvraag van toepassing is, vermeldt de ontvangstbevestiging
tevens dat de gevraagde beschikking van rechtswege is gegeven, indien
niet tijdig op de aanvraag is beslist.
Artikel 30
1. Een dienstverrichter voldoet aan een eis die bij de
voorbereiding van een beschikking op een aanvraag voor een vergunning
geldt, indien de dienstverrichter reeds in Nederland of in een andere
lidstaat aan een gelijkwaardige eis voldoet.
2. Een bevoegde instantie verricht bij de voorbereiding van een
beschikking als bedoeld in het eerste lid geen onderzoek naar een eis
als in dat lid bedoeld, indien reeds in Nederland of in een andere
lidstaat onderzoek naar een gelijkwaardige eis is verricht en hieruit
blijkt dat de dienstverrichter aan die eis voldoet.
Artikel 31
1. Indien bij wettelijk voorschrift geen termijn is bepaald binnen
welke een beschikking op een aanvraag om de desbetreffende vergunning
dient te worden gegeven, wordt de beschikking zo spoedig mogelijk,
doch uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag gegeven.
2. Artikel 4:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
vindt alleen toepassing indien een beslissing op een aanvraag om een
vergunning vanwege de ingewikkeldheid van het onderwerp niet kan
worden gegeven binnen de in het eerste lid bedoelde termijn. De
termijn kan eenmaal worden verlengd.
3. De in artikel 4:14, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
bedoelde kennisgeving wordt bij toepassing van het tweede lid gedaan
binnen de desbetreffende termijn, is met redenen omkleed, en geeft een
zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan
worden gezien.
4. Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op een
aanvraag van toepassing is, kan een bevoegde instantie de termijn voor
het geven van de beschikking, in afwijking van artikel 3:18, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten hoogste eenmaal voor
beperkte duur verlengen. De verlenging en de duur daarvan wordt, met
inachtneming van de in artikel 3:18, tweede lid, bedoelde termijn van
acht weken, gemotiveerd aan de aanvrager medegedeeld.
Artikel 32
1. Indien een aanvrager van een vergunning met toepassing van
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid krijgt de
aanvraag binnen de daarvoor door de bevoegde instantie gestelde
termijn aan te vullen, vermeldt de bevoegde instantie tevens de
gevolgen daarvan voor de termijn van het geven van de beschikking.
2. In afwijking van artikel 4:15, eerste lid, onderdeel b, van de
Algemene wet bestuursrecht, wordt de termijn voor het geven van een
beschikking op een aanvraag voor een vergunning niet opgeschort door
een mededeling als bedoeld in dat onderdeel.
Artikel 33
1. Een bevoegde instantie beperkt een vergunning die zij al dan
niet voor onbepaalde tijd kan verlenen niet in geldigheidsduur,
tenzij:
a. die geldigheidsduur automatisch wordt verlengd,
b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een
dwingende reden van algemeen belang, of
c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden
van algemeen belang.
2. Een vergunning waarvan de geldigheidsduur uitsluitend
afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de
vergunningsvoorwaarden wordt aangemerkt als een vergunning voor
onbepaalde tijd.
3. Onder een vergunning met beperkte geldigheidsduur wordt niet
verstaan een vergunning die op grond van wettelijke voorschriften of
aan de vergunning verbonden voorwaarden zijn geldigheid verliest
indien een dienstverrichter niet binnen de daartoe in de vergunning
gestelde termijn zijn dienstverrichtingen aanvangt.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. vergunningen die naar hun aard beperkt zijn in de tijd;
b. vergunningen waarvan het aantal beperkt is door schaarste
van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare
technische mogelijkheden.
5. Een bevoegde instantie verleent een vergunning als bedoeld in
het vierde lid, onderdeel b, voor een passende beperkte duur.
Artikel 34
1. Een dienstverrichter stelt de bevoegde instantie die een
vergunning heeft verleend in kennis van:
a. de oprichting van dochterondernemingen waarvan de
activiteiten onder de desbetreffende vergunning vallen;
b. wijzigingen in zijn situatie waardoor niet meer aan de
voorwaarden van de desbetreffende vergunning wordt voldaan.
2. Een dienstverrichter die de aanvraag om de vergunning heeft
gedaan via het centraal loket, verricht de mededeling, bedoeld in het
eerste lid, door verzending via het centraal loket.
§ 5.2. Meldingen
Artikel 35
1. Een bevoegde instantie bevestigt de ontvangst van een melding
die een dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een
bevoegde instantie moet verrichten, indien:
a. het doen van die melding en het verloop van een bij
wettelijk voorschrift bepaalde termijn na die melding een
voorwaarde is tot vestiging en
b. de bevoegde instantie bevoegd is binnen de termijn, bedoeld
in onderdeel a, een vergunning te verlenen.
2. Een dienstverrichter voldoet aan een eis die bij een melding als
bedoeld in het eerste lid geldt, indien de dienstverrichter reeds in
Nederland of in een andere lidstaat aan een gelijkwaardige eis
voldoet. Artikel 30, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op
een bevoegde instantie die bevoegd is binnen de termijn, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, een vergunning te verlenen.
Artikel 36
1. Een dienstverrichter stelt de bevoegde instantie bij welke hij
een melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, in
kennis van:
a. de oprichting van dochterondernemingen waarvan de
activiteiten onder de desbetreffende melding vallen;
b. wijzigingen in de gegevens die hij bij de melding heeft
verstrekt.
2. Een dienstverrichter die reeds gebruik heeft gemaakt van de
mogelijkheid, bedoeld in artikel 13, eerste lid, verricht de
mededeling, bedoeld in het eerste lid, door verzending via het
centraal loket.
Hoofdstuk 6. Administratieve samenwerking
§ 6.1. Wederzijdse bijstand
Artikel 37
1. Een bevoegde instantie die is betrokken bij een of meer eisen of
vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2:
a. verstrekt op verzoek van een bevoegde instantie uit een
andere lidstaat informatie over een dienstverrichter en zijn
dienstverrichtingen,
b. verricht op verzoek van een bevoegde instantie uit een
andere lidstaat verificaties, inspecties en onderzoeken naar een
dienstverrichter en zijn dienstverrichtingen, indien het verzoek
deugdelijk is gemotiveerd en de desbetreffende instantie bevoegd
is om aan het verzoek te voldoen.
2. Een bevoegde instantie verstrekt de in het eerste lid,
onderdelen a en b, bedoelde informatie en resultaten van verificaties,
inspecties en onderzoeken, alsmede informatie over genomen maatregelen
jegens de desbetreffende dienstverrichter, binnen de kortst mogelijke
termijn en langs elektronische weg.
3. De in het tweede lid bedoelde verstrekking geschiedt via het
interne markt informatiesysteem, tenzij naar het oordeel van de
bevoegde instantie ter uitvoering van regelgeving van de Europese
Gemeenschap een ander elektronisch communicatiesysteem is aangewezen.
Artikel 38
1. Indien een bevoegde instantie niet kan voldoen aan een verzoek
als bedoeld inartikel 37, eerste lid, onderdeel a of b, stelt zij de
instantie die het verzoek heeft gedaan daarvan snel in kennis,
teneinde een oplossing te vinden.
2. Een bevoegde instantie informeert het in artikel 55 bedoelde
contactpunt:
a. indien zij niet bevoegd is om aan een verzoek als bedoeld in
artikel 37, eerste lid, onderdeel a of b, te voldoen;
b. indien de toepassing van het eerste lid niet leidt tot een
oplossing met de instantie die het verzoek heeft gedaan.
Artikel 39
1. Een bevoegde instantie die is betrokken bij een of meer eisen of
vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, motiveert op een
deugdelijke wijze een verzoek aan een bevoegde instantie uit een
andere lidstaat:
a. om informatie over een dienstverrichter en zijn
dienstverrichtingen;
b. tot het verrichten van verificaties, inspecties en
onderzoeken naar een dienstverrichter en zijn dienstverrichtingen.
2. Indien een bevoegde instantie uit een andere lidstaat niet
voldoet aan een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of
b, informeert de desbetreffende bevoegde instantie het in artikel 55
bedoelde contactpunt hierover.
§ 6.2. Informatie over de betrouwbaarheid van dienstverrichters
Artikel 40
1. Een bevoegde instantie die is betrokken bij een of meer eisen of
vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, verstrekt op verzoek van
een bevoegde instantie van een andere lidstaat informatie over
onherroepelijke bestuursrechtelijke sancties of onherroepelijke
tuchtrechtelijke maatregelen die door de eerstbedoelde bevoegde
instantie jegens een dienstverrichter zijn getroffen, indien het
desbetreffende verzoek deugdelijk is gemotiveerd en de desbetreffende
instantie bevoegd is om aan het verzoek te voldoen.
2. Een bevoegde instantie verstrekt de in het eerste lid bedoelde
informatie, onder vermelding van de bepalingen die zijn overtreden,
binnen de kortst mogelijke termijn en langs elektronische weg, met
inachtneming van artikel 37, derde lid. De dienstverrichter wordt
daarvan onverwijld schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 41
1. Voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, van de richtlijn
wordt een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van
de Wet justitiėle en strafvorderlijke gegevens aangemerkt als
informatie omtrent strafrechtelijke sancties.
2. In afwijking van artikel 33 van de Wet justitiėle en
strafvorderlijke gegevens wordt een aanvraag tot het afgeven van een
verklaring als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een
dienstverrichter ingediend door een bevoegde instantie uit een andere
lidstaat.
3. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt, in afwijking
van artikel 30, eerste lid, eerste volzin, van de Wet justitiėle en
strafvorderlijke gegevens ingediend bij Onze Minister van Veiligheid
en Justitie.
4. Artikel 37, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de
in het tweede lid bedoelde aanvraag.
Artikel 42
1. Voor de toepassing van de artikelen 32, eerste lid, 34, 35 en 36
van de Wet justitiėle en strafvorderlijke gegevens wordt als
aanvrager aangemerkt de dienstverrichter ten aanzien van wie de
verklaring wordt gevraagd.
2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie stelt de
dienstverrichter ten aanzien van wie de verklaring wordt gevraagd in
kennis van de in artikel 41, tweede lid, bedoelde aanvraag en vraagt
zijn instemming met het in behandeling nemen van de aanvraag.
3. Indien de dienstverrichter geen instemming verleent, bericht
Onze Minister van Veiligheid en Justitie dit aan de bevoegde instantie
die de verklaring heeft aangevraagd.
4. Artikel 37, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing op de in het derde lid bedoelde berichten.
5. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot afgifte van
een verklaring omtrent het gedrag kan Onze Minister van Veiligheid en
Justitie van de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, een vergoeding
van kosten verlangen. Artikel 39, tweede en vierde lid, van de Wet
justitiėle en strafvorderlijke gegevens is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 43
1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie informeert de
dienstverrichter ten aanzien van wie de verklaring wordt gevraagd
indien hij voornemens is de afgifte van de verklaring omtrent het
gedrag te weigeren.
2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie verstrekt de verklaring
omtrent het gedrag dan wel de weigering tot afgifte daarvan aan de in
het eerste lid bedoelde dienstverrichter.
3. Onze Minister van Veiligheid en Justitie stelt de bevoegde
instantie uit een andere lidstaat zo spoedig mogelijk op de hoogte van
de afgifte dan wel weigering van de verklaring omtrent het gedrag. Bij
de kennisgeving over de afgifte van de verklaring wordt de strekking
van de afgegeven verklaring medegedeeld.
4. Indien de weigering van de verklaring omtrent het gedrag nog
niet onherroepelijk is informeert Onze Minister van Veiligheid en
Justitie de bevoegde instantie uit een andere lidstaat daarover.
5. Artikel 37, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing op de informatieverschaffing, bedoeld in het derde en
vierde lid.
Artikel 44
1. Een bevoegde instantie die is betrokken bij een of meer eisen of
vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, motiveert op deugdelijke
wijze een verzoek aan een bevoegde instantie uit een andere lidstaat
om informatie over aan een dienstverrichter opgelegde
bestuursrechtelijke sancties, tuchtrechtelijke maatregelen of
strafrechtelijke sancties of met betrekking tot een dienstverrichter
genomen beslissingen betreffende insolventie of faillissement waarbij
sprake is van frauduleuze praktijken.
2. Artikel 39, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 6.3. Veiligheidsmaatregelen jegens dienstverrichters in
individuele gevallen
Artikel 45
Deze paragraaf is niet van toepassing:
a. indien de wettelijke voorschriften op grond waarvan de
maatregel wordt genomen, vallen onder een communautaire
harmonisatiemaatregel op het gebied van de veiligheid van diensten;
b. op opsporingsonderzoeken als bedoeld in artikel 132a van het
Wetboek van Strafvordering.
Artikel 46
Voor de toepassing van de artikelen 47 tot en met 49 beschikken de
bevoegde instanties over de toezichts- en handhavingsbevoegdheden die
hen bij wettelijk voorschrift zijn toegekend, voor zover die
bevoegdheden uitsluitend kunnen worden uitgeoefend ten aanzien van in
Nederland gevestigde dienstverrichters.
Artikel 47
Een bevoegde instantie die is betrokken bij een of meer eisen of
vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, kan uitsluitend in
buitengewone omstandigheden ten behoeve van de veiligheid van
dienstverrichtingen maatregelen treffen jegens een dienstverrichter die
is gevestigd in een andere lidstaat en die diensten verricht in het
gebied waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 48
1. Voordat een bevoegde instantie een maatregel treft als bedoeld
in artikel 47, verzoekt zij de bevoegde instantie uit de lidstaat van
vestiging van de dienstverrichter jegens hem maatregelen te nemen.
Daarbij verstrekt de bevoegde instantie alle relevante informatie over
de betrokken dienstverrichter, zijn dienstverrichtingen en de
omstandigheden ter zake.
2. De bevoegde instantie stelt de Europese Commissie, de bevoegde
instantie uit de lidstaat van vestiging en het in artikel 55 bedoelde
contactpunt in kennis van het voornemen tot het treffen van
maatregelen, indien:
a. naar haar oordeel de bevoegde instantie uit de lidstaat van
vestiging het krachtens het eerste lid gedane verzoek om
maatregelen te treffen niet of onvoldoende heeft ingewilligd en
b. zij haar voornemen tot het treffen van een maatregel jegens
de dienstverrichter handhaaft.
3. De kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, geschiedt voor zover
het de Europese Commissie en de bevoegde instantie uit de lidstaat van
vestiging betreft, via het interne markt informatiesysteem en bevat de
volgende informatie:
a. de redenen waarom de door de bevoegde instantie van de
lidstaat van vestiging van de dienstverrichter genomen of
voorgenomen maatregelen onvoldoende zijn,
b. de redenen waarom de voorgenomen maatregel de afnemer van de
dienst meer bescherming biedt dan de maatregel die de bevoegde
instantie van de lidstaat van vestiging zou nemen en
c. een toelichting op de evenredigheid van de voorgenomen
maatregel.
4. De bevoegde instantie treft de maatregel niet eerder dan nadat
de bij of krachtens de richtlijn daarvoor gestelde termijn is
verstreken.
5. De bevoegde instantie geeft terstond uitvoering aan een verzoek
van de Europese Commissie om, vanwege de strijdigheid van die
maatregel met het Gemeenschapsrecht, de maatregel niet te treffen of
de uitvoering ervan te staken.
Artikel 49
1. Indien een bevoegde instantie op grond van artikel 47 een
maatregel treft, kan zij in spoedeisende gevallen de toepassing van
artikel 48, eerste tot en met vierde lid, achterwege laten. In dat
geval stelt zij de Europese Commissie, de bevoegde instantie uit de
lidstaat van vestiging van de dienstverrichter en het in artikel 55
bedoelde contactpunt onverwijld in kennis van de genomen maatregel met
opgave van de redenen waarom er sprake is van een spoedeisend
karakter.
2. Artikel 48, vijfde lid, is van toepassing.
Artikel 50
1. Een bevoegde instantie die is betrokken bij een of meer eisen of
vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, treft op verzoek van een
bevoegde instantie uit een andere lidstaat maatregelen jegens een in
Nederland gevestigde dienstverrichter indien:
a. het desbetreffende verzoek alle relevante informatie bevat
over de betrokken dienstverrichter, zijn dienstverrichtingen en de
omstandigheden ter zake;
b. de desbetreffende instantie bevoegd is om aan het verzoek te
voldoen;
c. de verzochte maatregelen verband houden met de veiligheid
van dienstverrichtingen in een andere lidstaat;
d. zij er voldoende van overtuigd is dat de aan het verzoek ten
grondslag liggende feiten juist zijn.
2. De bevoegde instantie stelt de instantie die het verzoek heeft
gedaan en het in artikel 55 bedoelde contactpunt onverwijld in kennis
van de genomen of voorgenomen maatregelen dan wel van de redenen
waarom zij geen maatregelen treft.
3. Op een kennisgeving aan de bevoegde instantie als bedoeld in het
tweede lid isartikel 37, derde lid, van toepassing.
§ 6.4. Het waarschuwingsmechanisme
Artikel 51
1. Zodra een bevoegde instantie die is betrokken bij een of meer
eisen of vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, kennis neemt van
gedragingen, ernstige specifieke handelingen of omstandigheden met
betrekking tot een dienstverrichter of een dienstverrichting die
ernstige schade aan de gezondheid, veiligheid van personen of het
milieu kan veroorzaken, stelt deze instantie alle andere lidstaten, de
Europese Commissie en het in artikel 55 bedoelde contactpunt daarvan
onverwijld in kennis.
2. De in het eerste lid bedoelde kennisgeving geschiedt via het
interne markt informatiesysteem, tenzij naar het oordeel van de
bevoegde instantie ter uitvoering van regelgeving van de Europese
Gemeenschap een ander elektronisch communicatiesysteem is aangewezen.
3. De kennisgeving wordt gelijkgesteld met een besluit.
4. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking
wordt van het besluit mededeling gedaan aan de dienstverrichter.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op opsporingsonderzoeken
als bedoeld in artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 52
Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld ter
uitvoering van de door de Europese Commissie krachtens artikel 32, derde
lid, van de richtlijn vastgestelde regels.
§ 6.5. Toezicht en handhaving
Artikel 53
Een bevoegde instantie die is betrokken bij een of meer eisen of
vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, ziet niet af van de
toepassing van toezichts- of handhavingsmaatregelen jegens een
dienstverrichter die in Nederland is gevestigd vanwege het feit dat de
door die dienstverrichter verrichte dienst in een andere lidstaat is
verricht of daar schade heeft veroorzaakt.
Artikel 54
Artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige
toepassing indien een bevoegde instantie medewerking vordert naar
aanleiding van een verzoek van een bevoegde instantie uit een andere
lidstaat als bedoeld in de paragrafen 6.1, 6.2en 6.3.
§ 6.6. Het contactpunt
Artikel 55
1. Onze Minister draagt zorg voor de inrichting en instandhouding
van een contactpunt.
2. Het contactpunt:
a. ondersteunt de uitwisseling van verzoeken om informatie over
en tot het verrichten van verificaties, inspecties en onderzoeken
naar dienstverrichters en hun dienstverrichtingen tussen de
bevoegde instanties en de bevoegde instanties uit andere
lidstaten;
b. is de bevoegde instanties al dan niet op verzoek behulpzaam
bij
1°. het oplossen van problemen bij verzoeken om informatie
over en tot het verrichten van verificaties, inspecties en
onderzoeken naar dienstverrichters en hun dienstverrichtingen
aan of van bevoegde instanties uit andere lidstaten,
2°. het gebruik van het waarschuwingsmechanisme;
c. verstrekt al dan niet op verzoek aan de bevoegde instanties
de nodige informatie met betrekking tot gelijkwaardige, of gezien
hun doel in wezen vergelijkbare eisen en onderzoeken waaraan een
dienstverrichter in een andere lidstaat is onderworpen;
d. onderhoudt contacten met de contactpunten van andere
lidstaten ten behoeve van een goede werking van de administratieve
samenwerking.
§ 6.7. Het interne markt informatiesysteem
Artikel 56
Een bevoegde instantie die is betrokken bij een of meer eisen of
vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, draagt zorg voor
aansluiting op het interne markt informatiesysteem.
Artikel 57
Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot technische eisen waaraan de bevoegde instanties moeten
voldoen met het oog op aansluiting op het interne markt
informatiesysteem en met betrekking tot de beveiliging van
persoonsgegevens bij gebruik van het interne markt informatiesysteem.
Artikel 58
Een bevoegde instantie die is betrokken bij een of meer eisen of
vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, kan het interne markt
informatiesysteem benutten voor de uitwisseling van gegevens binnen
Nederland met betrekking tot dienstverrichters en dienstverrichtingen.
Artikel 59
1. Onze Minister verwerkt persoonsgegevens als bedoeld in artikel
1, onderdeel a, van de Wet bescherming persoonsgegevens, bestaande uit
de contactgegevens van de contactpersonen van de bevoegde instanties,
met het doel de uitwisseling van berichten die betrekking hebben op de
afwikkeling van verzoeken om informatie en verificaties, inspecties en
onderzoeken en op waarschuwingsberichten, bedoeld in dit hoofdstuk,
door bevoegde instanties via het interne markt informatiesysteem
mogelijk te maken.
2. Ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in
het eerste lid, is onze Minister verantwoordelijke in de zin van
artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Artikel 60
Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld ter
uitvoering van door de Commissie krachtens artikel 36 van de richtlijn
vastgestelde uitvoeringsmaatregelen en praktische regels voor de
elektronische uitwisseling van informatie tussen de lidstaten.
Hoofdstuk 6a [Vervallen per 13-06-2012]
Artikel 59a [Vervallen per 13-06-2012]
Artikel 59b [Vervallen per 13-06-2012]
Artikel 59c [Vervallen per 13-06-2012]
Artikel 59d [Vervallen per 13-06-2012]
Hoofdstuk 7. Wijziging van andere wetten
Artikel 61
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel 62
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6]
Artikel 63
[Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming]
Artikel 64
[Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering]
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 65
Artikel 28 is tot 1 januari 2012 niet van toepassing op vergunningen,
verleend krachtens de Provinciewet, de Gemeentewet, de Waterschapswet,
de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Wet op de
bedrijfsorganisatie.
Artikel 66
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden tot 1 januari 2012 de
vergunningen aangewezen waarvan de aanvraag op grond van artikel 28 is
uitgezonderd van de toepassing van paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
wet bestuursrecht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op vergunningen, verleend
krachtens de Provinciewet, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet
gemeenschappelijke regelingen en de Wet op de bedrijfsorganisatie.
3. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt voor de eerste maal niet eerder
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 67
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 68
Deze wet wordt aangehaald als: Dienstenwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te s-Gravenhage, 12 november 2009
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
M.J.A. van der Hoeven
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de vierde december 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|