|
Nadere regelgeving:
- Besluit
uitvoering Crisis- en herstelwet
WET van 18 maart 2010, houdende regels met betrekking tot versnelde
ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele
projecten (Crisis- en herstelwet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is bijzondere wettelijke voorzieningen te treffen voor een
versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en
infrastructurele projecten, teneinde bij te dragen aan de bestrijding
van de economische crisis alsmede met dat doel diverse wettelijke
bepalingen te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Bijzondere bepalingen voor
projecten
Afdeling 1. Toepassingsbereik van dit
hoofdstuk
Artikel 1.1
1. Afdeling 2 is van toepassing op:
a. alle besluiten die krachtens
enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of
verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde
categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel
voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en
infrastructurele projecten;
b. gebiedsontwikkelingsplannen als
bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, alsmede de voor de uitvoering
van de projecten waarop die gebiedsontwikkelingsplannen betrekking
hebben vereiste besluiten en de voor de uitvoering van maatregelen
of werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en
c, vereiste besluiten, en
c. projectuitvoeringsbesluiten als
bedoeld in artikel 2.10, eerste lid.
2. Afdeling 3 is van toepassing op de
in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele
projecten en op krachtens artikel 2.18aangewezen projecten.
Artikel 1.2
Bij algemene maatregel van bestuur op de
voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in
overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede
aangaat, kunnen categorieën van ruimtelijke en infrastructurele
projecten worden toegevoegd aan bijlage I bij deze wet, kunnen
ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aan bijlage
II bij deze wet en kunnen wettelijke voorschriften worden toegevoegd aan
bijlage III bij deze wet.
Afdeling 2. Procedures
§ 2.1. Voorbereiding besluiten
Artikel 1.3
Artikel 3:9 van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op onderzoeken die aan
een besluit ten grondslag zijn gelegd.
§ 2.2. Beperking beroepsrecht
Artikel 1.4
In afwijking van artikel 8:1 van de
Algemene wet bestuursrecht kan een niet tot de centrale overheid
behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een
niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep
instellen tegen een besluit, indien dat besluit niet is gericht tot die
rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk
tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat
bestuursorgaan behoort.
§ 2.3 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 1.5 [Vervallen per 01-01-2013]
§ 2.4. Beroep en hoger beroep
Artikel 1.6
1. De bestuursrechter behandelt het
beroep met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet
bestuursrecht.
2. In afwijking van artikel 6:6 van de
Algemene wet bestuursrecht is het beroep niet-ontvankelijk indien niet
is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.
3. Indien de bestuursrechter het advies
van de Stichting advisering bestuursrechtspraak inwint, brengt de
Stichting binnen twee maanden na het verzoek advies uit.
4. De bestuursrechter doet uitspraak
binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn.
Artikel 1.6a
Na afloop van de termijn voor het
instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.
Artikel 1.7
1. Artikel 1.6, vierde lid, is niet van
toepassing, indien artikel 8:51a of 8:51d van de Algemene wet
bestuursrecht wordt toegepast.
2. In dat geval doet de
bestuursrechter:
a. binnen zes maanden na afloop van
de beroepstermijn een tussenuitspraak, en
b. binnen zes maanden na de
verzending van de tussenuitspraak een einduitspraak.
Artikel 1.8
1. Artikel 1.6, vierde lid, is niet van
toepassing, indien de bestuursrechter met toepassing van artikel 234
van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
prejudiciële vragen stelt.
2. In dat geval worden de vragen binnen
zes maanden na afloop van de beroepstermijn bij tussenuitspraak
gesteld.
3. In de tussenuitspraak beslist de
rechter zoveel mogelijk ook op de beroepsgronden die niet door de
vragen worden geraakt.
4. Tegen een tussenuitspraak van de
rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger
beroep tegen de einduitspraak.
Artikel 1.9 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 1.9a
De artikelen 1.6 tot en met 1.8 zijn van
overeenkomstige toepassing in hoger beroep.
§ 2.5. Na vernietiging
Artikel 1.10
1. Indien een bestuursorgaan na
vernietiging van een besluit door de bestuursrechter een nieuw besluit
moet nemen, kan het dat besluit baseren op de feiten waarop het
vernietigde besluit berustte, behoudens voor zover de onjuistheid of
het onvoldoende vast staan van deze feiten een grond voor de
vernietiging was.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing indien een nieuw besluit wordt genomen ter
uitvoering van een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de
Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling 3. Milieueffectrapport
Artikel 1.11
1. Indien op grond van artikel 7.2 van
de Wet milieubeheer een milieueffectrapport wordt opgesteld ten
behoeve van een besluit, is:
a. artikel 7.23 van die wet voor
zover dat regels stelt over alternatieven voor de voorgenomen
activiteit, niet van toepassing;
b. artikel 7.32, vijfde lid, van
die wet niet van toepassing.
2. Indien door degene die de
betreffende activiteit wil ondernemen, ten behoeve van de
voorbereiding van het besluit waarvoor op grond van artikel 7.2 van de
Wet milieubeheer een milieueffectrapport wordt gemaakt, onderzoek is
verricht naar de gevolgen voor het milieu die alternatieven van de
voorgenomen activiteit kunnen hebben, bevat dat milieueffectrapport
een schets van de voornaamste alternatieven die zijn onderzocht en van
de mogelijke gevolgen voor het milieu daarvan, met een motivering van
de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven.
Afdeling 4. Lex silencio positivo
Artikel 1.12
1. Op de aanvraag om een vergunning als
bedoeld in de wettelijke voorschriften, genoemd in bijlage III bij
deze wet, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing.
2. Indien afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van een
besluit omtrent verlening van een vergunning, is op de aanvraag ervan
paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
3. In afwijking van artikel 4:20b,
derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is artikel 3.16, vierde
lid, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing indien een
aanlegvergunning van rechtswege is verleend.
4. Een bevoegde instantie bevestigt de
ontvangst van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de
wettelijke voorschriften, bedoeld inbijlage III, zo snel mogelijk. De
ontvangstbevestiging bevat de volgende informatie:
a. de bij wettelijk voorschrift met
betrekking tot die vergunning bepaalde termijn waarbinnen de
beschikking wordt gegeven;
b. de beschikbare rechtsmiddelen om
tegen de beschikking op te komen.
5. Indien paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht op een aanvraag van toepassing is, vermeldt
de ontvangstbevestiging tevens dat de gevraagde beschikking van
rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist.
Hoofdstuk 2. Bijzondere voorzieningen
Afdeling 1. Ontwikkelingsgebieden
Artikel 2.1
In deze afdeling en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. milieugebruiksruimte: binnen een
ontwikkelingsgebied aanwezige marge tussen de bestaande
milieukwaliteit en de voor dat gebied geldende
milieukwaliteitsnormen, die kan worden benut voor milieubelastende
activiteiten;
b. milieukwaliteitsnorm: bij
wettelijk voorschrift gestelde norm ten aanzien van de kwaliteit van
een onderdeel van het milieu.
Artikel 2.2
1. Bij algemene maatregel van bestuur
op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene
Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het
mede aangaat, kan bij wijze van experiment een gebied, zijnde bestaand
stedelijk gebied of bestaand bedrijventerrein, voor de duur van ten
hoogste tien jaar worden aangewezen als ontwikkelingsgebied, indien
dat met het oog op het versterken van de duurzame ruimtelijke en
economische ontwikkeling van dat gebied bijzonder aangewezen is.
2. Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt uiterlijk drie maanden na
de beëindiging van een experiment een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten ervan, alsmede een standpunt inzake de
voortzetting ervan anders dan als experiment, aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 2.3
1. Voor een ontwikkelingsgebied stelt
de gemeenteraad een gebiedsontwikkelingsplan vast dat deel uitmaakt
van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan en het exploitatieplan
worden overeenkomstig met het gebiedontwikkelingsplan gewijzigd en
worden tegelijkertijd met het gebiedsontwikkelingsplan vastgesteld.
Het gebiedsontwikkelingsplan is gericht op een optimalisering van de
milieugebruiksruimte met het oog op het versterken van een duurzame
ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied in samenhang
met het totstandbrengen van een goede milieukwaliteit. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld, zo nodig
per aangewezen gebied als bedoeld in artikel 2.2. eerste lid, over de
wijze waarop de optimalisering van de milieugebruiksruimte plaats kan
vinden.
2. Een gebiedsontwikkelingsplan bevat:
a. de vanwege het optimaliseren van
de milieugebruiksruimte door de gemeenteraad voorgenomen projecten
in het ontwikkelingsgebied;
b. de voorgenomen maatregelen en
werken in het gebied ten behoeve van een goede milieukwaliteit;
c. de in het gebied noodzakelijke
maatregelen en werken ter compensatie van het beslag op
milieugebruiksruimte door de in het gebiedsontwikkelingsplan
voorziene ruimtelijke ontwikkelingen;
d. zo nodig een fasering en
koppeling bij de tenuitvoerlegging van de in de onderdelen a, b en
c bedoelde projecten, maatregelen en werken;
e. een raming van de kosten van
uitvoering van het gebiedsontwikkelingsplan, een beschrijving van
de wijze waarop daarin zal worden voorzien, en een beschrijving
van de wijze waarop het bereiken van de met het
gebiedsontwikkelingsplan beoogde resultaten zal worden
nagestreefd;
f. een overzicht van de tijdstippen
waarop aan de gemeenteraad een rapportage zal worden uitgebracht
over de voortgang en de uitvoering van de in de onderdelen a, b en
c bedoelde projecten, maatregelen en werken, die op verzoek tevens
wordt verstrekt aan Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
3. Afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht is van toepassing.
4. Het bestemmingsplan, het
exploitatieplan en het gebiedsontwikkelingsplan worden voor de
behandeling en uitspraak op het beroep aangemerkt als één besluit.
5. Indien voor de uitvoering van
maatregelen of werken als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en
c, enig besluit is vereist, kunnen burgemeester en wethouders, met
inachtneming van desbetreffende bindende besluiten van de Raad van de
Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of
van de Europese Commissie, dat besluit nemen, mits het
gebiedsontwikkelingsplan waarin de maatregel of werken zijn opgenomen
onherroepelijk is geworden en voor zover nodig in afwijking van bij
algemene maatregel van bestuur aangegeven bepalingen bij of krachtens:
a. de Flora- en faunawet;
b. de Natuurbeschermingswet 1998;
c. de Ontgrondingenwet;
d. de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht, voor zover het betreft een omgevingsvergunning
voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld
in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet;
e. de Wet ammoniak en veehouderij
f. de Wet bodembescherming;
g. de Wet geluidhinder, met dien
verstande dat die afwijking niet leidt tot een geluidsbelasting
binnen een woning met gesloten ramen, die hoger is dan 33 dB;
h. de Wet geurhinder en
veehouderij;
i. de Wet inzake de
luchtverontreiniging;
j. de Wet milieubeheer met
uitzondering van artikel 5.2b en titel 5.2,
met dien verstande dat na vaststelling
van het plan uiterlijk na tien jaar alsnog wordt voldaan aan de bij of
krachtens de wet gestelde milieukwaliteitsnormen. Indien er na deze
periode niet wordt voldaan aan een milieukwaliteitsnorm geven
burgemeester en wethouders aan op welke wijze alsnog aan die norm zal
worden voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de maximale afwijking van milieukwaliteitsnormen.
6. Burgemeester en wethouders nemen in
bij algemene maatregel van bestuur aangegeven categorieën van
gevallen geen besluit als bedoeld in het vijfde lid dan nadat het
bestuursorgaan dat krachtens de betrokken wet bevoegd zou zijn te
beslissen, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft.
7. De verklaring, bedoeld in het zesde
lid, kan slechts worden geweigerd met het oog op het belang dat de
betrokken wet beoogt te beschermen.
8. Het bestuursorgaan zendt het ontwerp
van de verklaring binnen acht weken aan burgemeester en wethouders. In
een geval als bedoeld in artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kunnen burgemeester en wethouders deze termijn met een
bij hun besluit te bepalen redelijke termijn verlengen.
9. De artikelen 2.27, tweede, vierde en
vijfde lid, en 3.11, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat voor«omgevingsvergunning» telkens wordt
gelezen «een besluit als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, van de
Crisis- en herstelwet» en voor «verklaring» telkens wordt gelezen:
verklaring als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Crisis- en
herstelwet.
10. De gemeente draagt zorg voor het
uitvoeren van de maatregelen of werken, bedoeld in het tweede lid,
onderdelen b en c, binnen een in het plan te noemen termijn.
11. Werken opgenomen in het
gebiedsontwikkelingsplan worden aangemerkt als openbare werken van
algemeen nut in de zin van de Belemmeringenwet Privaatrecht.
12. Indien voor de uitvoering van
werken als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, toepassing
van de Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk is, geldt in plaats
van artikel 4 van die wet dat de werking van een besluit als bedoeld
in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet
opgeschort wordt totdat de beroepstermijn is verstreken.
13. Voor zover een besluit als bedoeld
in het vijfde lid zijn grondslag vindt in een
gebiedsontwikkelingsplan, kunnen de gronden in beroep daarop geen
betrekking hebben.
Artikel 2.3a
1. Indien voor een ontwikkelingsgebied
een provinciaal inpassingsplan wordt vastgesteld, stellen, in
afwijking van artikel 2.3, eerste lid, voor dat gebied provinciale
staten een gebiedsontwikkelingsplan vast.
2. Artikel 2.3 is van overeenkomstige
toepassing op een ingevolge het eerste lid vastgesteld
gebiedsontwikkelingsplan, met dien verstande dat:
a. in het eerste en tweede lid in
plaats van «de gemeenteraad»wordt gelezen: provinciale staten;
b. in het eerste en vierde lid in
plaats van «bestemmingsplan» telkens wordt gelezen:
inpassingsplan;
c. in het vijfde en achtste lid in
plaats van «burgemeester en wethouders» telkens wordt gelezen:
gedeputeerde staten;
d. in het zesde lid in plaats van
«Burgemeester en wethouders» wordt gelezen: Gedeputeerde staten;
e. in het tiende lid in plaats van
«gemeente» wordt gelezen: provincie.
Afdeling 2. Innovatie
Artikel 2.4
1. Bij algemene maatregel van bestuur
op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene
Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het
mede aangaat, kan, met inachtneming van bindende besluiten van de Raad
van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad
gezamenlijk of van de Europese Commissie, bij wege van experiment
worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens:
a. de Elektriciteitswet 1998 voor
zover dat geen gevolgen heeft voor de opbrengst van de
energiebelasting, bedoeld in de Wet belastingen op
milieugrondslag;
b. de Warmtewet;
c. de Waterwet, met uitzondering
van hoofdstuk 5, artikel 6.5, aanhef en onder c, juncto paragraaf
2 van hoofdstuk 6;
d. de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
e. de Wet ammoniak en veehouderij;
f. de Wet bodembescherming;
g. de Wet geluidhinder;
h. de Wet geurhinder en
veehouderij;
i. de Wet inzake de
luchtverontreiniging;
j. de Wet milieubeheer met
uitzondering van artikel 5.2b en titel 5.2;
k. de Wet ruimtelijke ordening;
l. de Woningwet.
2. Er kan uitsluitend toepassing worden
gegeven aan het eerste lid indien het experiment bijdraagt aan
innovatieve ontwikkelingen en voldoende aannemelijk is dat uitvoering
ervan bijdraagt aan het bestrijden van de economische crisis en aan de
duurzaamheid.
3. Bij de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald:
a. welke afwijking of afwijkingen
van de betrokken in het eerste lid genoemde wet of wetten is of
zijn toegestaan;
b. de ten hoogste toegestane
tijdsduur van die afwijking of afwijkingen, en
c. de wijze waarop wordt
vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt, en of de
tijdsduur daarvan aanpassing behoeft.
4. Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of Onze Minister voor Wonen,
Wijken en Integratie zendt uiterlijk drie maanden na de beëindiging
van een experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
ervan, alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan
als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Afdeling 3. Radarzonering
Artikel 2.5
In deze afdeling wordt:
a. verstaan onder bestemmingsplan:
bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke
ordening alsmede een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in
artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a of b, van die wet, een
inpassingplan als bedoeld in de artikelen 3.26 en 3.28 van die wet,
een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet en
een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3 van die wet
alsmede een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel
2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de
beheersverordening is afgeweken;
b. onder toelichting bij een
bestemmingsplan mede verstaan de onderbouwing bij een
omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste
lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de
beheersverordening is afgeweken;
c. verstaan onder radarstation: voor
de beveiliging van het nationaal luchtruim en de veilige afhandeling
van het militair en burgerluchtverkeer essentieel radarstation, en
d. verstaan onder
radarverstoringsgebied voor een radarstation: gebied waar
beperkingen gelden ten aanzien van bestemmingsplannen ten behoeve
van een goede werking van de radar op het radarstation.
Artikel 2.6
1. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op gronden gelegen in een radarverstoringsgebied voor een
radarstation bevat geen bestemmingen of regels omtrent het gebruik van
de grond die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun
hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor het beeld van de
radar op het radarstation.
2. Bij ministeriële regeling van Onze
Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, worden:
a. de radarstations aangewezen;
b. de begrenzingen van het
radarverstoringsgebied voor een radarstation aangewezen;
c. de maximale hoogte van
bouwwerken binnen het radarverstoringsgebied vastgesteld.
3. Bij de voorbereiding van een besluit
tot vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op
gronden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, waarbij wordt
overwogen bestemmingen aan te wijzen of regels te geven omtrent het
gebruik van de grond die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken
die de maximale hoogte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
overschrijden, wordt een beoordeling gemaakt van gevolgen van die
bouwwerken voor het zenden of ontvangen van radiogolven door het
radarstation. Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële
regeling regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de
gevolgen, bedoeld in het eerste lid, bij die beoordeling worden
bepaald en beschreven. Die regels kunnen mede betreffen de wijze van
de totstandkoming van de beoordeling.
4. De toelichting bij het
bestemmingsplan bevat de uitkomsten van de beoordeling, bedoeld in het
derde lid, alsmede het oordeel van Onze Minister van Defensie over de
toereikendheid van de beoordeling en over de aanvaardbaarheid van de
in de beoordeling beschreven gevolgen.
5. Het derde en vierde lid zijn van
overeenkomstige toepassing bij de voorbereiding van een besluit tot
het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij van het
bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt
afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder
1°, 2°, of het tweede lid van dat artikel van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht ter zake van het oprichten van bouwwerken
die de maximale hoogte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
overschrijden.
6. Op een besluit als bedoeld in het
tweede lid is het krachtens artikel 3.37, eerste lid, van de Wet
ruimtelijke ordening bepaalde omtrent de voorbereiding, vormgeving,
inrichting en beschikbaarstelling van bestemmingsplannen van
overeenkomstige toepassing. Op de ministeriële regeling, bedoeld in
het derde lid, zijn de krachtens artikel 4.3, eerste lid, in samenhang
met artikel 4.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening gestelde
regels van overeenkomstige toepassing.
7. De regels, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel c, zijn niet van toepassing op bouwwerken:
a. die op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet reeds in het radarverstoringsgebied,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aanwezig waren;
b. waarvoor de bouwvergunning
vóór dat tijdstip is verleend, of
c. waarvan de bouw in het op dat
tijdstip geldende bestemmingsplan is toegestaan.
Afdeling 4
[vervallen]
Artikel 2.7
[vervallen]
Afdeling 5. Tijdelijke verhuur te koop
staande woningen
Artikel 2.8
In afwijking van artikel 16, eerste lid,
van de Leegstandwet is artikel 247 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
van toepassing op vergunningen voor huur en verhuur van woonruimte als
bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Leegstandwet.
Artikel 16, negende lid, van de Leegstandwet is niet van toepassing op
vergunningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef, van die wet
inzake zodanige woonruimte.
Afdeling 6. Versnelde uitvoering van
bouwprojecten
Artikel 2.9
1. Deze afdeling is van toepassing op
de uitvoering van:
a. projecten die geheel of
hoofdzakelijk voorzien in de bouw van ten minste 12 en ten
hoogste:
1°. in geval van twee
ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling: 2
000 nieuwe woningen, dan wel
2°. in geval van één
ontsluitingsweg: 1 500 nieuwe woningen, alsmede
b. bij algemene maatregel van
bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van
Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze
Ministers wie het mede aangaat, aangewezen categorieën andere
projecten van maatschappelijke betekenis.
2. Projecten als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, die in elkaars nabijheid liggen of zullen zijn
gelegen, vallen uitsluitend onder het toepassingsbereik van deze
afdeling, indien de aantallen woningen in die projecten gezamenlijk
onder het toepasselijke maximum aantal woningen als bedoeld in dat
onderdeel blijven.
3. Deze afdeling is niet van
toepassing:
a. indien voor de uitvoering van
een project als bedoeld in het eerste lid een vergunning op grond
van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is
vereist;
b. op projecten als bedoeld in het
eerste lid, die zijn aangewezen krachtensartikel 2.18;
c. indien het project ziet op de
bouw van woningen op minder dan 100 meter van een hoofdweg als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Tracéwet, gemeten vanaf
de as van die weg, of van een weg die overeenkomstig een daartoe
krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen model is aangeduid
als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen dat niet is
toegestaan door de krachtens artikel 3 van de Wet vervoer
gevaarlijke stoffen aangewezen tunnels, gemeten vanaf de as van
die weg;
d. indien het project ziet op de
bouw van woningen binnen 30 meter van een krachtens artikel 2 van
de Spoorwegwet aangewezen hoofdspoorweg, gemeten vanaf het hart
van het buitenste spoor;
e. indien het project ziet op de
bouw van woningen in of op rijkswateren of regionale wateren
waaraan krachtens de artikelen 4.1 of 4.4 van de Waterwet de
functie vaarweg is toegekend en die geschikt zijn voor gebruik
door schepen met een laadvermogen van ten minste 400 ton.
Artikel 2.10
1. Op verzoek of ambtshalve kan de
gemeenteraad ten aanzien van een project als bedoeld in artikel 2.9,
eerste lid, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen, waaronder
begrepen de vaststelling dat deze afdeling op het project van
toepassing is. De gemeenteraad kan de bevoegdheid, bedoeld in dit
artikel, delegeren aan burgemeester en wethouders.
2. Op de ontwikkeling en
verwezenlijking van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste
lid, ten aanzien waarvan een projectuitvoeringsbesluit is vastgesteld,
zijn de wettelijke voorschriften krachtens welke daarvoor een
vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit is vereist,
niet van toepassing, met uitzondering van de Flora- en faunawet,
hoofdstuk V, paragraaf 3, van de Monumentenwet 1988, artikel 6.5,
onderdeel c, van de Waterwet en de artikelen 4.1a en 4.3a van de Wet
ruimtelijke ordening.
3. Het projectuitvoeringsbesluit strekt
ter vervanging van de besluiten die vereist zouden zijn geweest
krachtens de in het tweede lid bedoelde wettelijke voorschriften.
4. Uit het projectuitvoeringsbesluit en
de daarbij behorende toelichting blijkt welke gevolgen aan de
uitvoering zijn verbonden en op welke wijze rekening is gehouden met
de daarbij betrokken belangen, waaronder in elk geval de belangen ter
bescherming waarvan de wettelijke voorschriften strekken die ingevolge
het tweede lid niet van toepassing zijn en, voor zover van toepassing,
hoofdstuk V, paragraaf 1, van de Monumentenwet 1988.
5. Bij een projectuitvoeringsbesluit
worden de bij of krachtens wet of verordening vastgestelde
toetsingskaders toegepast en normen in acht genomen. Voor zover de wet
of verordening afwijking van die toetsingskaders of normen toestaat,
kan het projectuitvoeringsbesluit daarin voorzien.
6. Aan het projectuitvoeringsbesluit
kunnen ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen
voorschriften worden verbonden.
7. Indien een projectuitvoeringsbesluit
er toe strekt een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de
Monumentenwet 1988 of artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht te vervangen:
a. legt de gemeenteraad, indien het
een archeologisch monument betreft als bedoeld in artikel 1,
onderdeel c, van de Monumentenwet 1988 en in de gevallen waarin
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht adviseert, het voornemen
tot een projectuitvoeringsbesluit voor advies voor aan Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die binnen vier
weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel 3:7 van de
Algemene wet bestuursrecht, advies uitbrengt, en
b. zendt de gemeenteraad aan Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het
monument gelegen is buiten de bebouwde kom, aan gedeputeerde
staten:
1°. het ontwerpbesluit, en
2°. onmiddellijk na de
vaststelling een afschrift van het projectuitvoeringsbesluit.
8. Indien een projectuitvoeringsbesluit
betrekking heeft op een beschermd stads-of dorpsgezicht als bedoeld in
artikel 1, onderdeel g, van de Monumentenwet 1988 zendt de
gemeenteraad onmiddellijk na de vaststelling hiervan een afschrift aan
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
9. Het tweede lid en het vijfde lid,
tweede volzin, zijn niet van toepassing op de wettelijke voorschriften
die zijn gesteld bij of krachtens de Wet luchtvaart, de Luchtvaartwet
en de wet van 18 december 2008, houdende wijziging van de Wet
luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor
burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van
bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur
(Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) (Stb. 561)
omtrent ruimtelijke beperkingen in de omgeving van luchthavens in
verband met geluidbelasting, externe veiligheid en vliegveiligheid.
Voor de toepassing van de Wet luchtvaart wordt het
projectuitvoeringsbesluit gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning
waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder
3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het
bestemmingsplan wordt afgeweken.
Artikel 2.10a
Indien sprake is van provinciale
belangen, kunnen provinciale staten ten behoeve van de verwezenlijking
van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, of van een
onderdeel daarvan, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen. Indien
toepassing is gegeven aan de eerste volzin, is deze afdeling van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat burgemeester en
wethouders uitvoering geven aan het bepaalde in artikel 2.17.
Artikel 2.11
Op de voorbereiding van de beslissing tot
vaststelling van het projectuitvoeringsbesluit is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat de
kennisgeving, bedoeld in artikel 3.12 van die wet, tevens in de
Staatscourant wordt geplaatst en voorts langs elektronische weg
geschiedt en het ontwerpprojectuitvoeringsbesluit met de daarbij
behorende stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar worden
gesteld. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Artikel 2.12
Voor zover het projectuitvoeringsbesluit
niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan of een
beheersverordening, geldt het projectuitvoeringsbesluit als een
omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid,
onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van
het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt
afgeweken.
Artikel 2.13 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 2.14
Een besluit als bedoeld in artikel 2.10,
eerste lid, treedt in werking daags na afloop van de beroepstermijn.
Indien gedurende die termijn beroep wordt ingesteld, wordt de
inwerkingtreding opgeschort totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State op het beroep heeft beslist.
Artikel 2.15
Van de Wet ruimtelijke ordening zijn van
overeenkomstige toepassing:
a. artikel 3.8, zesde lid;
b. afdeling 6.1;
c. afdeling 6.4, met dien verstande
dat voor aanvang van de bouw van bouwplannen als bedoeld in artikel
6.12, eerste lid, van die wet een melding aan burgemeester en
wethouders wordt gedaan en dat burgemeester en wethouders een
beschikking met de inhoud van artikel 6.17 van die wet geven bij de
start van de bouw, gericht aan een eigenaar van gronden waarop
gebouwd wordt.
Artikel 2.16
Het is verboden in strijd te handelen met
een projectuitvoeringsbesluit of een daaraan verbonden voorschrift.
Artikel 2.17
Met het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens deze afdeling zijn belast de bij besluit van
burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.
Afdeling 7. Versnelde uitvoering van
lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis
Artikel 2.18
Deze afdeling is van toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze
Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met
Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen lokale
en (boven)regionale projecten met nationale betekenis.
Artikel 2.19
1. Ten aanzien van een krachtens
artikel 2.18 aangewezen lokaal project met nationale betekenis stelt
de gemeenteraad een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, eerste
of derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast.
2. De structuurvisie, bedoeld in het
eerste lid, bevat onverminderd het elders omtrent de inhoud van een
structuurvisie bepaalde, tevens:
a. een concretisering van de
hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van het betrokken
gebied;
b. een beschrijving van de
voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen
ontwikkeling, bestaande uit in ieder geval de volgende onderdelen:
1°. een voorlopig overzicht
van de voor de uitvoering van het project benodigde besluiten,
alsmede het daarbij voorgenomen tijdpad;
2°. een financiële
onderbouwing en een voorlopige opzet van de grondexploitatie;
3°. een analyse van de risico’s
ten aanzien van verplichtingen tot het toekennen van een
tegemoetkoming in schade als bedoeld in afdeling 6.1 van de
Wet ruimtelijke ordening;
4°. eventuele voornemens
inzake verwerving van gronden;
5°. de vermelding dat ten
aanzien van de voor de verwezenlijking van het project
noodzakelijke besluiten ingevolge artikel 2.21 toepassing zal
worden gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling,
bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening;
c. een samenvatting van de
uitkomsten van het overeenkomstig artikel 2.20, eerste lid,
gevoerde bestuurlijk overleg.
3. Indien reeds een structuurvisie is
vastgesteld, is het eerste lid niet van toepassing en wordt die
structuurvisie voor zover nodig aangevuld met de in het tweede lid
genoemde onderdelen. Artikel 2.20 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.19a
1. Ten aanzien van een krachtens
artikel 2.18 aangewezen (boven)regionaal project met nationale
betekenis stellen provinciale staten een structuurvisie als bedoeld in
artikel 2.2, eerste of derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening
vast.
2. Op projecten als bedoeld in het
eerste lid is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat:
a. in de artikelen 2.19, tweede
lid, onder b, onder 5°, en 2.21 in plaats van «de gemeentelijke
coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet
ruimtelijke ordening» wordt gelezen: de provinciale
coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.2 van de Wet
ruimtelijke ordening;
b. in artikel 2.20, eerste lid, in
plaats van «die diensten van provincie en Rijk» wordt gelezen:
die diensten van Rijk;
c. in artikel 2.20, derde lid, in
plaats van «de eerstverantwoordelijke gemeente» wordt gelezen:
de eerstverantwoordelijke provincie;
d. inartikel 2.21 in plaats van
«In afwijking van artikel 3.30, eerste lid, van de Wet
ruimtelijke ordening» wordt gelezen: In afwijking van artikel
3.33, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
e. in artikel 2.22 in plaats van
«een gemeentelijke verordening» wordt gelezen: een provinciale
of gemeentelijke verordening;
f. inartikel 2.23, eerste lid, in
plaats van «artikel 3.10» wordt gelezen «artikel 3.27», in
plaats van «kan de gemeenteraad» wordt gelezen «kunnen
provinciale staten»en in plaats van «gemeentebestuur» wordt
gelezen: provinciebestuur.
Artikel 2.20
1. Bij de voorbereiding van een
structuurvisie als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, plegen
burgemeester en wethouders overleg met de besturen van de betrokken
gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk
die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast
zijn met de behartiging van belangen die in de structuurvisie in het
geding zijn.
2. In afwijking van hoofdstuk 2 van de
Wet ruimtelijke ordening, worden, voor zover het overleg, bedoeld in
het eerste lid, leidt tot vaststelling van een structuurvisie waarmee
de bestuursorganen van de betrokken gemeenten, waterschappen,
provincie en Rijk instemmen, aan die structuurvisie verklaringen
gehecht houdende instemming van die bestuursorganen met de in de
structuurvisie voorgestelde wijze van verwezenlijking van de
voorgenomen ontwikkeling.
3. Ter uitvoering van de in de
structuurvisie voorgestelde wijze van verwezenlijking van de
voorgenomen ontwikkeling wordt ten behoeve van een goede begeleiding
en tijdige afronding van het project een projectcommissie ingesteld.
In de commissie zijn de betrokken bestuursorganen, bedoeld in het
tweede lid, vertegenwoordigd. De commissie staat onder voorzitterschap
van een bestuurder van de eerstverantwoordelijke gemeente.
Artikel 2.21
In afwijking van artikel 3.30, eerste
lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt ten aanzien van op aanvraag
of ambtshalve te nemen besluiten die noodzakelijk zijn voor de
verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project,
toepassing gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in
paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
Artikel 2.22
Voor zover de verwezenlijking van een
krachtensartikel 2.18 aangewezen project onevenredig wordt belemmerd
door bepalingen die, al dan niet krachtens de wet, bij of krachtens een
gemeentelijke verordening zijn vastgesteld, kunnen die bepalingen bij
het nemen en uitvoeren van de besluiten, bedoeld in artikel 2.21, om
dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.
Artikel 2.23
1. Indien voor de verwezenlijking van
een krachtens artikel 2.18 aangewezen project een omgevingsvergunning
waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder
3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het
bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt
afgeweken, wordt verleend, kan de gemeenteraad met het oog op de
invordering van rechten terzake van door of vanwege het
gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met die
omgevingsvergunning aan die omgevingsvergunning voorschriften
verbinden, die de verplichting inhouden dat financiële zekerheid
wordt gesteld voor het nakomen van de ingevolge die vergunning
verschuldigde rechten.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan
het eerste lid, wordt in ieder geval het bedrag aangegeven waarvoor de
zekerheid in stand moet worden gehouden.
3. Bij de vergunning kunnen
voorschriften worden gesteld voor gevallen waarin aan de verplichting
uitvoering wordt gegeven door het sluiten en in stand houden van een
verzekering. Daarbij wordt rekening gehouden met hetgeen
redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt.
Hoofdstuk 3. Wijziging van diverse wetten
Artikel 3.1
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]
Artikel 3.2
[Wijzigt de Elektriciteitswet 1998.]
Artikel 3.3
[Wijzigt de Gaswet.]
Artikel 3.4
[Wijzigt de Interimwet
stad-en-milieubenadering.]
Artikel 3.5
[Wijzigt de Invoeringswet Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht.]
Artikel 3.6
[Wijzigt de Invoeringswet Wet ruimtelijke
ordening.]
Artikel 3.7
[Wijzigt de Mijnbouwwet.]
Artikel 3.8
[Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998.]
Artikel 3.9
[Wijzigt de Onteigeningswet.]
Artikel 3.9a
[Wijzigt de Reconstructiewet
concentratiegebieden.]
Artikel 3.10
[Wijzigt de Spoedwet wegverbreding.]
Artikel 3.11
[Wijzigt de Telecommunicatiewet.]
Artikel 3.12
[Wijzigt de Tracéwet.]
Artikel 3.13
[Wijzigt de Tijdelijke wet huurkoop
onroerende zaken.]
Artikel 3.14
[Wijzigt de Waterwet.]
Artikel 3.15
[Wijzigt de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.]
Artikel 3.16
[Wijzigt de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken.]
Artikel 3.16a
[Wijzigt de Wet bereikbaarheid en
mobiliteit.]
Artikel 3.17
[Wijzigt de Wet bodembescherming.]
Artikel 3.18
[Wijzigt de Wet geluidhinder.]
Artikel 3.19
[Wijzigt de Wet luchtvaart.]
Artikel 3.20
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet luchtvaart
(Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens).]
Artikel 3.21
[Wijzigt de Wet milieubeheer.]
Artikel 3.22
[Wijzigt de Wet op de economische
delicten.]
Artikel 3.23
[Wijzigt de Wet op de waterkering.]
Artikel 3.24
[Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening.]
Artikel 3.24a
[Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening.]
Artikel 3.25
[Wijzigt de Wet stedelijke vernieuwing.]
Artikel 3.26
[Wijzigt de Wet voorkeursrecht
gemeenten.]
Hoofdstuk 4. Wijziging van lagere
regelgeving
Artikel 4.1
[Wijzigt het Besluit vergunningen
Natuurbeschermingswet 1998.]
Artikel 4.2
[Wijzigt het Besluit algemene regels voor
inrichtingen milieubeheer.]
Artikel 4.3
[Wijzigt het Besluit bouwvergunningsvrije
en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken.]
Hoofdstuk 5. Overgangs-en slotbepalingen
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 5.1
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van
Algemene Zaken, en Onze Minister of Onze Ministers wie het mede
aangaat, kunnen regels worden gegeven gericht op:
a. een versnelling van de
ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en
infrastructurele projecten, en
b. een goede uitvoering van deze
wet.
2. Het bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalde is slechts
van toepassing op:
a. de projecten en categorieën van
projecten, genoemd in de bijlagen Ien II bij deze wet;
b. de projecten waar deze wet bij
een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1.2 op van
toepassing is verklaard;
c. gebiedsontwikkelingsplannen als
bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, alsmede de voor de uitvoering
van de projecten waarop die gebiedsontwikkelingsplannen betrekking
hebben vereiste besluiten en de voor de uitvoering van maatregelen
of werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en
c, vereiste besluiten, en
d. projectuitvoeringsbesluiten als
bedoeld in artikel 2.10, eerste lid.
Artikel 5.2
Tegen toevoeging als bedoeld in artikel
1.2 van categorieën van ruimtelijke en infrastructurele projecten
aanbijlage I, van ruimtelijke en infrastructurele projecten aan bijlage
IIof van wettelijke voorschriften aan bijlage III bij deze wet alsmede
tegen de aanwijzing van een ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel
2.2, een verklaring als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, of een
aanwijzing van een project op grond van artikel 2.18 staat geen beroep
open.
Artikel 5.2a
De voordracht voor een krachtens de
artikelen 1.2,2.2, 2.4, 2.9, 2.18 of 5.1 vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de
gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de
bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze
Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister of
Onze Ministers wie het mede aangaat, te brengen. Gelijktijdig met de
bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal
overgelegd.
Afdeling 2. Overgangsrecht
Artikel 5.3
1. Deartikelen 1.4 en 1.6 tot en met
1.9 zijn niet van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een
besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding
van deze wet, dan wel hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak
die voor dat tijdstip is bekendgemaakt.
2. Deartikelen 1.4 en 1.9 zijn voorts
niet van toepassing, indien hoger beroep wordt ingesteld tegen een
uitspraak omtrent een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 5.4
1. Het recht zoals dat gold voor het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op
een onteigeningsbesluit, waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor
dat tijdstip.
2. Een koninklijk besluit tot
goedkeuring van een onteigeningsbesluit als bedoeld in artikel 79 van
de onteigeningswet, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze
wet, wordt gelijkgesteld met een onteigeningsbesluit als bedoeld in
artikel 78 van de onteigeningswet.
Artikel 5.5
De Interimwet stad-en-milieubenadering,
zoals die laatstelijk luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze
wet, blijft van toepassing op een voor die datum ingesteld beroep tegen
een besluit omtrent goedkeuring van een besluit als bedoeld in de
artikelen 2 en 3 van die wet.
Artikel 5.5a
Artikel 9, vierde, vijfde en zesde lid,
van de Spoedwet wegverbreding is niet van toepassing op een
wegaanpassingsbesluit dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van
deze wet.
Artikel 5.5b
Artikel 15, tiende, elfde en twaalfde
lid, van de Tracéwet is niet van toepassing op een tracébesluit dat is
vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet.
Afdeling 3. Slotbepalingen
Artikel 5.6
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 5.7
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 5.8
Afdeling 3 van hoofdstuk 2 vervalt op het
tijdstip van inwerkingtreding van de krachtens artikel 4.3, eerste lid,
van de Wet ruimtelijke ordening gegeven bepalingen met betrekking tot
radarstations als bedoeld in die afdeling.
Artikel 5.9 [Vervallen per 28-04-2011]
Artikel 5.9a
Onze Minister van Justitie zendt, in
overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer binnen twee jaar na de inwerkingtreding van
deze wet aan de Staten-Generaal een evaluatie van de effecten van de in
Hoofdstuk 1 van deze wet opgenomen instrumenten op versnelling en op
verbetering van de projecten waarop deze van toepassing zijn.
Artikel 5.10
1. Deze wet treedt in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervalt met ingang van 1
januari 2014. De artikelen 3.6 en 3.25 werken terug tot en met 1 juli
2008 respectievelijk tot en met 15 juni 2009.
2. Indien het eerste besluit ter
uitvoering van een project waarop deze wet van toepassing was, is
genomen voor 1 januari 2014 blijft deze wet na 31 december 2013 van
toepassing op latere besluiten of handelingen ter uitvoering van
datzelfde project.
3. Deze wet blijft na 31 december 2013
van toepassing op:
a. ontwikkelingsgebieden ten
aanzien waarvan voor 1 januari 2014 een gebiedsontwikkelingsplan
als bedoeld in artikel 2.3 is vastgesteld;
b. experimenten als bedoeld in
artikel 2.4 die voor 1 januari 2014 zijn aangewezen overeenkomstig
dat artikel;
c. de uitvoering van projecten als
bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, indien ten aanzien van dat
project voor 1 januari 2014 een besluit als bedoeld in artikel
2.10, eerste lid, is genomen, en
d. de uitvoering van krachtens
artikel 2.18 aangewezen projecten, indien ten aanzien van die
projecten voor 1 januari 2014 aan de structuurvisie, bedoeld in
artikel 2.19, eerste lid, de in artikel 2.20, tweede lid, bedoelde
verklaringen zijn gehecht.
Artikel 5.11
Deze wet wordt aangehaald als: Crisis- en
herstelwet.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
18 maart 2010
BEATRIX
De Minister-President, Minister van
Algemene Zaken,
J.P. Balkenende
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.C. Huizinga-Heringa
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
C.M.P.S. Eurlings
Uitgegeven de dertigste maart 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage I. Categorieën ruimtelijke en
infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid
1. duurzame energie
1.1. aanleg of uitbreiding van
productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit
met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid,
aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet
1998
1.2. ontwikkeling en verwezenlijking
van bodemenergiesystemen als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder
h, van de Wet bodembescherming
1.3. aanleg, wijziging of uitbreiding
van installaties voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998 in de glastuinbouw,
en van energienetwerken bestemd voor levering van restenergie aan op
het netwerk aangesloten glastuinbouwondernemingen, dan wel levering
van restwarmte van die ondernemingen aan anderen
1.4. aanleg, wijziging of uitbreiding
bij agrarische bedrijven van installaties voor co-vergisting van de
biologische afbraakreacties van in hoofdzaak verpompbare vaste en
vloeibare uitwerpselen van dieren en een of meer stoffen, genoemd in
bijlage Aa, onder IV, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
1.5. ontwikkeling en verwezenlijking
van overige ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van
het transport of het leveren van duurzame energie
2. gebiedsontwikkeling en werken van
provinciaal of nationaal belang
2.1. ontwikkeling en verwezenlijking
van werken en gebieden krachtens afdeling 3.5 van de Wet ruimtelijke
ordening
2.2. projecten ten behoeve van de
inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden,
waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in deze bijlage
bedoelde projecten ten aanzien van waterstaatswerken, spoorwegen,
vaarwegen, wegen of luchthavens
2.3. projecten aangewezen krachtens
artikel 2.18.
2.4. ontwikkeling en verwezenlijking
van rijksbufferzones
3. gebiedsontwikkeling en werken van
lokaal of regionaal belang
3.1. ontwikkeling en verwezenlijking
van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke
ordening of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel
2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken, ten behoeve van de bouw van meer
dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering
van woon- en werkgebieden
3.2. projecten als bedoeld in artikel
2.9, eerste lid, waarvoor een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in
artikel 2.10 is vastgesteld
3.3. projecten ten behoeve van de
inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden,
waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in deze bijlage
bedoelde projecten ten aanzien van waterstaatswerken, spoorwegen,
vaarwegen, wegen of luchthavens
3.4. ontwikkeling en verwezenlijking
van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke
ordening of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel
2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken, ten behoeve van de aanleg of
wijziging van wegen
4. greenports
4.1. project«Innovacomplex» en
«Villa Flora» voor de Floriade 2012 in greenport Klavertje 4 te
Venlo (uitvoering deel 4 Nota Ruimte)
5. hoofdwegen
5.1. aanleg of wijziging van hoofdwegen
als bedoeld in artikel 8 van de Tracéwet
5.2. wegaanpassingsprojecten als
bedoeld in artikel 2 van de Spoedwet wegverbreding
5.3. uitvoering van onderhoud, herstel
of verbetering van waterstaatswerken als bedoeld in artikel 1 van de
Wet beheer rijkswaterstaatswerken
6. luchthavens
6.1. ontwikkeling en verwezenlijking
van luchthavens waarvoor krachtens de Wet luchtvaart een
luchthavenbesluit is vereist dan wel krachtens de Luchtvaartwet een
aanwijzingsbesluit is vereist
7. natuur, water en waterstaatswerken
7.1. projecten ter uitvoering van de
Nadere uitwerking rivierengebied (NURG)
7.2. werken als bedoeld in artikel 10,
eerste en tweede lid, van de Wet op de waterkering, of artikel 2.7,
eerste lid, van de Waterwet (inclusief zandsuppleties)
7.3. aanleg of wijziging van
waterstaatswerken als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de
waterkering of artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet
7.4. aanleg of wijziging van
zuiveringstechnische werken als bedoeld in artikel 1.1 van de
Waterwet.
7.5. projecten ter uitvoering van de
PKB Ruimte voor de Rivier.
8. spoorwegen
8.1. aanleg of wijziging van landelijke
spoorwegen als bedoeld in artikel 8 van de Tracéwet
8.2. aanleg of wijziging van tramwegen
of metrowegen
9. vaarwegen
9.1. aanleg of wijziging van
hoofdvaarwegen als bedoeld in artikel 8 van de Tracéwet.
10 Verduurzaming landbouw
10.1. Installaties voor de verwerking
van dierlijke mest.
Bijlage II. Ruimtelijke en
infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste en tweede
lid
|
A. NOTA RUIMTE |
|
|
|
|
|
|
nr |
Omschrijving project |
Omschrijving ligging
of locatie |
Vindplaats in MIRT
projectenboek 2009 |
Vindplaats in Nota
Ruimte Uitvoeringsbudget 2007 –2014 |
Aard van het project |
|
1 |
Amsterdam Noordelijke IJoevers |
Tegenover Amsterdam CS aan de
noordkant van het IJ |
P 149 |
P 16 en 17 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
focus op herstructurering bedrijventerrein |
|
2 |
Den Bosch Spoorzone |
Gelegen rondom station |
P 221 |
P 64 en 65 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
binnenstedelijke herstructurering |
|
3 |
Apeldoorn Kanaalzone |
Centraal gelegen zone in de stad |
P 284 |
P 62 en 63 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
binnenstedelijke herstructurering |
|
4 |
Den Haag Internationale Stad
(onderdeel Scheveningen Boulevard) Bij Boulevard van Scheveningen |
P 145 |
P 26 en 27 |
Integrale gebiedsontwikkeling +
kustversterking |
|
|
5 |
Greenports (6 tuinbouwlocaties in
Zuid-Holland en Deurne) |
Prov Zuid-Holland: Boomwatering ;
4B-water Waalblok; Overbuurtsepolder; Bollenstreek; Boskoop; Prov
Noord-Brabant: Deurne |
Boskoop: P 190 Duin- en
Bollenstreek: P 191 Westland – Oostland: P 192 |
P 68 en 69 voor Boskoop, Duin- en
Bollenstreek, Westland – Oostland |
Integrale gebiedsontwikkeling,
focus op glastuinbouw |
|
6 |
Greenport Aalsmeer/PrimaViera |
Bij Aalsmeer |
P189 |
P 68 en 69 |
Integrale gebiedsontwikkeling,
focus op glastuinbouw |
|
7 |
Klavertje 4 Venlo |
Bij Venlo |
p. 257 |
P 46 en 47 (en 68, 69) |
Integrale gebiedsontwikkeling,
focus op glastuinbouw en op verbinding A73–A67 (Greenportlane) |
|
8 |
Nijmegen Waalfront |
Centrum Nijmegen aan de zuidkant
van de Waal |
P 264 |
P 54 en 55 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
binnenstedelijke herstructurering |
|
9 |
Eindhoven A2 zuidelijke aansluiting
(zie ook Eindhoven brainport) |
Rondom A2 bij Eindhoven |
P 256 |
P 44 en 45 (als A2/Brainport
Eindhoven) |
Integrale gebiedsontwikkeling;
aanleg infrastructuur en herstructurering werklandschappen |
|
10 |
Nieuwe Hollandse Waterlinie |
Rijnauwen– Vechten, Linieland,
Lingekwartier –Diefdijk |
P 188 |
P 40 en 41 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
restauratie forten, natuurontwikkeling, verbetering
infrastructuur, bouw van woningen |
|
11 |
Waterdunen |
In de buurt van Breskens |
P 220 |
P 52 en 53 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
focus op natuurontwikkeling en recreatie, kustversterking |
|
12 |
Maastricht Belvedere |
Grenzend aan het centrum van
Maastricht |
P 214 |
P 66 en 67 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
herstructurering bedrijventerrein tot woon- en werkgebied |
|
13 |
Nieuw Reijerwaard/ Westelijke
Dordtse Oever |
Industriegebied tussen Ridderkerk
en Dordrecht |
P 187 |
P 32 en 33 (als Hoeksche Waard of
alternatieve locatie) |
Integrale gebiedsontwikkeling;
herstructurering bedrijventerrein |
|
14 |
Zuidplaspolder |
Driehoek tussen Rotterdam
Zoetermeer en Gouda |
P 140 |
P 30 en 31 |
Integrale gebiedsontwikkeling voor
de functies wonen, werken, glas, groen, water en recreatie |
|
15 |
Groningen Centrale Zone |
Centrum van Groningen |
P 290 |
P 58 en 9 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
binnenstedelijke herstructurering |
|
16 |
Oude Rijnzone |
Strook tussen Leiden en Bodegraven |
P 138 |
P 36 en 37 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
focus op herstructurering bedrijventerrein |
|
17 |
Westelijke Veenweiden |
Groene Hart en Laag Holland |
P 148 P 193, als Westelijke
Veenweiden fase 1 |
P 38 en 39 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
herstructurering van kwetsbare delen van de veenweidegebieden |
|
18 |
Hengelo Hart van Zuid |
Rondom centraal station Twente |
P 260 |
P 60 en 61 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
binnenstedelijke herstructurering |
|
19 |
IJsseldelta |
Bij Kampen |
P 260 |
P 50 en 51 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
«blauwe bypass» met mogelijkheden voor natuurontwikkeling en
recreatie |
|
20 |
IJsselsprong |
Bij Zutphen |
P 261 |
P 50 en 51 |
Integrale gebiedsontwikkeling met
focus op woningbouw, bereikbaarheid en groene buffer |
|
21 |
Mooi en Vitaal Delfland |
Gebied tussen den Haag, Rotterdam
en Zoetermeer |
P 147 |
P 28 en 29 |
Integrale gebiedsontwikkeling met
focus op herstructurering glas en groen |
|
22 |
Almere Weerwaterzone |
Gelegen naast het centrum van
Almere |
P 139 (als Schaalsprong Almere) |
P 18 en 19 (als Schaalsprong
Almere) |
Verdiepte aanleg A6 om
barrièrewerking te voorkomen en integrale gebiedsontwikkeling te
faciliteren |
|
23 |
Rotterdam Stadshavens |
Aan noord- en zuidzijde van de Maas |
P 139 |
P 24 en 25 |
Integrale gebiedsontwikkeling met
focus op herstructurering van verouderde bedrijventerreinen |
|
24 |
Brainport Eindhoven |
Aanliggend aan de A2 ten westen van
Eindhoven |
P 218 |
P 44 en 45 (als A2/Brainport
Eindhoven) |
Integrale gebiedsontwikkeling;
aanleg infrastructuur en herstructurering werklandschappen |
|
25 |
Den Haag Internationale Stad
(onderdeel Worldforum) |
Bij Statenkwartier |
P 145 |
P 26 en 27 |
Vestigingsplaats voor
internationale bedrijven + bereikbaarheid |
|
26 |
Westflank Haarlemmermeer |
Strook ten oosten van Heemstede,
Hillegom en Lisse |
P 147 |
P 20 en 21 |
Integrale gebiedsontwikkeling;
woningbouwopgave, piekwaterberging, recreatieve groenontwikkeling,
versterking Groene Hart |
|
27 |
Breda Centraal (t.b.v. Nieuw
Sleutelproject) |
Centrum Breda |
p. 240 |
n.v.t. |
Ontwikkeling openbaar
vervoerterminal |
|
28 |
Windmolenpark Tweede Maasvlakte |
Maasvlakte |
p. 186 |
n.v.t. |
Ontwikkeling windmolenpark |
|
29 |
Atalanta Emmen |
Stadscentrum Emmen met drie
samenhangende deelprojecten
Centrum-West,
Verbinding via de Hondsrugweg, en
locatie Hoofdstraat |
P 316 |
– |
Integrale gebiedsontwikkeling met
focus op ontwikkeling van bovenregionale recreatieve voorziening
(dierenpark) en binnenstedelijke herstructurering |
Aa. Gebiedsontwikkeling met nationale
uitstraling
| Nr. |
Aanduiding project |
Omschrijving ligging
of locatie |
Aard van het project |
|
1 |
Amstelveenlijn |
Het tracé loopt van Station
Amsterdam Zuid via Buitenveldertselaan/Beneluxbaan naar halte
Amstelveen Westwijk en via de Legmeerpolder naar de (verlengde)
N201 ten zuiden van Amstelveen |
Ombouw van bestaande tramlijn(nen)
tot metro alsmede aanleg nieuw metrotracé en opstelterrein tot
onderdeel van het totale metronetwerk in de stadsregio Amsterdam |
|
2 |
Amsterdam VU-gebied |
VU-en VUmc-terrein te Amsterdam |
(Her)ontwikkeling van het terrein
van de Vrije Universiteit (VU) en VU Medisch Centrum (VUmc) naar
grootschalige en duurzame functies |
|
3 |
Amsterdam Zuidas |
Projectgebied van circa 270 hectare
(ha), doorsneden door de Ringweg A10 Zuid, trein- en metrosporen |
Grootschalige en hoogwaardige
duurzame ontwikkeling met kantoren, woningen en voorzieningen |
|
4 |
Den Haag Binckhorst |
Verbinding van de verlengde
Regulusweg en de Mercuriusweg |
In het betreffende gebied, dat nu
in gebruik is als bedrijventerrein, moet het tunnelproject
Rotterdamse Baan worden gerealiseerd en wordt er gewerkt aan de
vastgoedontwikkeling van diverse deelplannen. Om tijdens de bouw
van de tunnel en de vastgoedontwikkeling de verkeersontsluiting
van dit gebied te waarborgen, dient vooruitlopend het project
Verlengde Regulusweg te worden gerealiseerd. Deze Regulusweg maakt
onderdeel uit van de hoofdverkeersstructuur |
|
5 |
Spoorzone Delft |
Het gebied van de Spoorzone begint
op het terrein van DSM/Gist in het noorden en loopt tot voorbij de
Abtswoudseweg in het zuiden. Het noordelijk deel is de smalle
strook van Phoenixstraat en Spoorsingel. Het middengedeelte wordt
begrensd door Westvest en Coenderstraat. Het zuidelijk deel,
tussen Engelsestraat en Industriestraat, omvat onder meer het oude
emplacementsterrein |
Integrale herontwikkeling in van
een gebied van circa 40 hectare, tussen de binnenstad van Delft en
de woonwijken ten westen en zuiden daarvan |
|
6 |
Ruimte voor de Vecht |
Overijssels Vechtdal |
Integrale gebiedsontwikkeling
Overijssels Vechtdal; toekomstvast garanderen van de
waterveiligheid, realisatie van de natuuropgaven en versterking
van de sociaal-economische infrastructuur in het Vechtdal |
|
7 |
Vossenberg-West II Tilburg |
Multimodaal ontsloten logistiek
bedrijventerrein in het noordwesten van Tilburg van circa 100 ha
bruto (80 ha netto) |
Het bestemmingsplan voor het
bedrijventerrein Vossenberg-West II is gericht op grootschalige en
gemengde industriële bedrijven, met name in de milieucategorie
3,4 en 5, transportbedrijven en logistieke dienstverleners |
|
8 |
Bedrijvenpark H2O |
Bedrijvenpark H2O ligt bij
knooppunt Hattemerbroek en strekt zich uit langs de oostelijke
rijbaan van de A28, aan beide zijden van de A50.
Het bedrijvenpark wordt aan één
zijde begrensd door de A28. Het deel dat zich aan de Hattemse
zijde van de A50 bevindt (± 18 hectare), wordt daarnaast begrensd
door het tracé van de Hanzelijn en de Oostersedijk. Het gedeelte
dat zich aan de Oldebroekse zijde van de A50 bevindt (± 52
hectare), wordt daarnaast begrensd door de Voskuilerdijk en de
kern Hattemerbroek. |
Bedrijvenpark H2O is een
gezamenlijk ontwikkelingsproject van de gemeenten Hattem, Heerde
(H2) en Oldebroek (O), die deel uitmaken van de Regio Noord-Veluwe
in Gelderland, op de grens met Overijssel. Met het bedrijvenpark
komen deze gemeenten tegemoet aan de vraag naar bedrijfskavels van
lokaal tot internationaal georiënteerde bedrijven |
|
9 |
Landschapspark Lingezegen |
Park Lingezegen is een nieuw
landschapspark in aanleg tussen Arnhem-Zuid, Elst, Bemmel en
Nijmegen-Noord met ruimte voor
recreatie, water, landbouw en natuur |
Park Lingezegen bestaat uit vijf
deelgebieden met elk een eigen karakter die in onderlinge
samenhang zullen worden gerealiseerd: De Park, het Waterrijk, het
Landbouwland, De Woerdt, De Buitens |
|
10 |
Bedrijvenpark Deventer A1 |
Bedrijvenpark Deventer A1 is
gelegen ten zuiden van de Rijksweg A1, tussen de afritten
Deventer/Zutphen en Deventer Oost |
Bedrijvenpark Deventer A1 is een
duurzaam bedrijvenpark met veel aandacht voor landschappelijke
inpassing en een volledig duurzame energievoorziening |
|
11 |
Glastuinbouwcluster Withagen en
Afvalverwerking VAR (Voorst) |
Glastuinbouwcluster Withagen en
naastgelegen afvalverwerkend bedrijf VAR, gelegen in Middengebied
van de gemeente Voorst |
Afvalverwerkend bedrijf VAR
ontwikkelt nieuwe technieken en producten en draagt daarmee bij
aan de verduurzaming van onze maatschappij. Zo produceert VAR
warmte en elektriciteit uit biomassa. Glastuinbouwondernemers,
zoals het plantenveredelingsbedrijf Schoneveld Breeding als eerste
vestiger, en VAR krijgen de ruimte voor duurzame ontwikkeling op
en nabij de nieuwe regionale glastuin-bouwclusterlocatie Withagen.
De glastuinbouwondernemers nemen een deel van de restwarmte van de
VAR over voor benutting in de glastuinbouw. Toepassing van de
Crisis- en herstelwet ondersteunt de ontwikkeling van beide
bedrijfstakken. |
|
12 |
Nieuwe Driemanspolder (Zoetermeer) |
Agrarisch gebied tussen Zoetermeer,
Leidschendam-Voorburg en Den Haag |
Transformatie van een grotendeels
agrarisch gebied naar natuur-, recreatie- en waterbergingsgebied;
het gebied maakt deel uit van de Groen-Blauwe slinger tussen het
Groene Hart en Midden-Delfland |
|
13 |
Gebiedsontwikkeling Luchthaven
Twente |
Driehoek tussen Hengelo, Oldenzaal
en Enschede |
Integrale gebiedsontwikkeling;
transformatie van de voormalige vliegbasis Twente en
herontwikkeling voormalige militaire kampen en bijbehorende
gronden (ontwikkeling burgerluchthaven, natuurontwikkeling,
leisure, bedrijvigheid, evenementen en woningbouw) |
|
14 |
Hofbogen Rotterdam |
Voormalig spoorwegviaduct Hofplein
in de stedelijke omgeving van Rotterdam Noord |
De langgerekte structuur van het
Hofpleinviaduct doorkruist meerdere woonwijken in Rotterdam Noord
en is daarmee van essentiële invloed op de kwaliteit van de
leefomgeving. Dit Rijksmonument wordt daarom getransformeerd tot
een (semi)publiek verblijfsgebied met creatieve shopping mall,
gecombineerd met meerdere leisure functies |
|
15 |
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
en landgoed de Reehorst |
Het stationsgebied van
Driebergen-Zeist en het aanliggende gebied Reehorst |
Het stationsgebied Driebergen-Zeist
staat voor een ingrijpende aanpassing om de grote aantallen
reizigers en verdubbeling van de sporen op een goede manier in te
passen. Het gebied zal worden getransformeerd naar een duurzaam
stationsgebied in een natuurlijke omgeving, onderdeel van de
landgoederenzone Stichtse Lustwarande |
|
16 |
Rotterdamsebaan (Den
Haag/Leidschendam-Voorburg) |
De Rotterdamsebaan vormt een nieuwe
wegverbinding die begint op de kruising van de Mercuriusweg met de
Binckhorstlaan en via een tunnel onder Voorburg-West uiteindelijk
aansluit op het verkeersplein Ypenburg |
De Rotterdamsebaan vormt een tweede
aansluiting vanaf de A4/A13 waardoor de bereikbaarheid van Den
Haag, Leidschendam-Voorburg en Rijswijk verbetert en een robuust
verkeerssysteem ontstaat |
|
B BODEMBESCHERMING
EN BODEMENERGIE |
|
|
|
|
nr. |
Aanduiding project |
Omschrijving ligging
of locatie |
Aard van het project |
|
1 |
Havengebied Rotterdam |
De haven van Rotterdam |
Pilotproject voor gebiedsgerichte
aanpak van grootschalige grondwaterverontreiniging |
|
2 |
Utrecht biowasmachine |
Utrechts Stationsgebied e.o. |
Pilotproject, met combinatie van
winning van bodemenergie en aanpak bodemverontreiniging |
|
C WATERSTAATSWERKEN |
|
|
|
nr. |
Omschrijving
waterstaatswerk |
Aard van het project |
|
1 |
Kustlijn en kustfundament Noordzee |
Zandsuppleties en werken ter
voorkoming of tegengaan van een landwaartse verplaatsing van de
kustlijn |
|
D LUCHTHAVENS |
|
|
|
nr. |
Omschrijving
luchthaven |
Omschrijving project |
|
1 |
Luchthaven Twente |
Ontwikkeling burgerluchthaven |
|
2 |
Luchthaven Lelystad |
Vaststellen gebruiksmogelijkheden |
|
3 |
Luchthaven Eindhoven |
Vaststellen gebruiksmogelijkheden |
|
E WEGENPROJECTEN |
|
|
|
|
nr. |
Wegnummer |
Omschrijving traject |
Aard van het project |
|
1 |
A1/A27 |
Utrecht– Knooppunt Eemnes –
Amersfoort (Draaischijf Nederland) |
Wijziging |
|
2 |
A1/A6/A9 |
Schiphol– Amsterdam –Almere |
Wijziging |
|
3 |
A12 |
Ede–Grijsoord |
Verbreding |
|
4 |
A2 |
Passage Maastricht |
Aanleg / wijziging |
|
5 |
A4 |
Delft–Schiedam |
Aanleg |
|
6 |
A74 |
Venlo– Duitse grens |
Aanleg |
|
7 |
N61 |
Hoek–Schoondijke |
Aanleg / wijziging |
|
8 |
N23 |
Westfrisiaweg |
Aanleg / wijziging |
|
9 |
A6/A7 |
Knooppunt Joure |
wijziging |
|
10 |
N31 |
Harlingen (Flessenhals Harlingen) |
wijziging |
|
11 |
N35 |
Tussen Zwolle en Wythem en tussen
Nijverdal en Wierden |
Aanleg / wijziging |
|
12 |
|
Buitenring Parkstad (incl.
aansluiting Nuth en aansluiting Avantis) |
Ontwikkeling en aanleg |
|
13 |
A15 |
Tunnel bij Rotterdam (tweede
westelijke oeververbinding) |
Aanleg / wijziging (aanleg tunnel) |
|
14 |
A7 |
Zuidelijke Ringweg Groningen |
Aanleg / wijziging |
|
15 |
N18 |
Varsseveld–Enschedé |
Aanleg/wijziging |
|
16 |
N50 |
Ens – Emmeloord |
Wijziging |
|
F BRUGGEN |
|
|
|
|
nr. |
Omschrijving brug |
|
Aard van het project |
|
1 |
Boogbrug Beek |
A2 knooppunt Kerensheide – afslag
Maastricht Airport |
Renovatie |
|
2 |
Brienenoordbrug (westelijke boog) |
A16 Ridderkerk –Terbregseplein |
Renovatie |
|
3 |
Brug bij Ewijk |
A50 knooppunt Valburg – knooppunt
Ewijk |
Renovatie |
|
4 |
Calandbrug |
N15 bij Rozenburg |
Renovatie |
|
5 |
Galecopperbrug |
A12 Oude Rijn –Lunetten |
Renovatie |
|
6 |
Gideonsbrug |
A7 Groningen –Hoogezand |
Renovatie |
|
7 |
Ketelbrug |
A6 Emmeloord –Lelystad |
Renovatie |
|
8 |
Kreekrakbrug |
A58 knooppunt Markiezaat – afslag
Rilland |
Renovatie |
|
9 |
Kruiswaterbrug |
A7 Sneek – afslag Bolsward |
Renovatie |
|
10 |
Muiderbrug |
A1 knooppunt Muiderberg –
knooppunt Diemen |
Renovatie |
|
11 |
Scharbergbrug |
A76 Stein – Belgische grens |
Renovatie |
|
12 |
Scharsterrijnbrug |
A6 Lemmer –Joure |
Renovatie |
|
13 |
Suurhoffbrug |
N15 Emmeloord –Oostvoorne |
Renovatie |
|
14 |
Wantijbrug |
N3 Papendrecht –Dordrecht |
Renovatie |
|
G SPOORWEGEN |
|
|
|
|
nr. |
Omschrijving
spoorweg of emplacement |
Omschrijving traject
of locatie |
Aard van het project |
|
1 |
Emplacement Amersfoort westzijde |
Vrije kruising spoorlijnen
Amersfoort – Utrecht en Amersfoort – Amsterdam |
ongelijkvloerse kruising
(tunnelbak) |
|
2 |
Vrije kruising bij
Transformatorweg, Amsterdam |
Vrije kruising spoorlijnen
Amsterdam Centraal – Zaanlijn – Schiphollijn – Westelijk
havengebied Amsterdam |
ongelijkvloerse kruising
(spoorviaduct) |
|
3 |
Zuidtak OV SAAL Riekerpolder –Duivendrecht |
Knooppunt Riekerpolder –
knooppunt Duivendrecht (Zuidtak), incl. aansluitingen |
wijziging naar 4 en 6 sporen (incl.
ongelijkvloerse dubbele vorkaansluitingen) |
|
4 |
Traject Leeuwarden –Groningen |
|
wijziging van 1 naar 2 sporen |
|
5 |
Flevolijn OV SAAL |
Weesp–Lelystad |
geluidmaatregelen en
spoorverdubbeling bij Almere |
Ga Lightrailverbindingen
| Nr. |
Aanduiding project |
Omschrijving ligging
of locatie |
Aard van het project |
|
1 |
RijnGouwelijn |
Het oostelijk deel van de
RijnGouwelijn loopt van Gouda Centraal Station via Waddinxveen,
Boskoop, Alphen aan den Rijn, Rijnwoude, Zoeterwoude en Leiden tot
aan het transferium bij de A44 (gemeente Oegstgeest).
Het westelijk deel loopt vanaf het
transferium tot in Katwijk Badstraat en naar het Palaceplein in
Noordwijk |
De RijnGouwelijn is een
lightrailverbinding van Gouda via Alphen aan den Rijn en Leiden
naar de kust in Katwijk en Noordwijk. Het is een laagdrempelige en
hoogwaardige vorm van openbaar vervoer in de regio. Het heeft tot
doel de bereikbaarheid en leefbaarheid in de regio op een duurzame
wijze te verbeteren en tegelijk ruimtelijke ontwikkelingen te
structureren |
|
H VAARWEGEN,
SLUIZEN, HAVENS |
|
|
|
|
nr. |
Omschrijving vaarweg |
Omschrijving traject
of locatie |
Aard van het project |
|
1 |
Lekkanaal |
Lekkanaal bij de Prinses
Beatrixsluizen |
Verbreding / verdieping / aanleg
derde sluiskolk |
|
2 |
IJmond |
Voorhaven IJmuiden |
Lichteren bulkcarriers / aanleg
nieuwe insteekhaven |
|
3 |
Waal-Rijn |
Weurt-Lobith |
Aanleg twee overnachtingshavens |
Bijlage III. Toepassing lex silencio
positivo
Artikel 3.16 van de Wet ruimtelijke
ordening
|