|
Nadere regelgeving:
- Besluit
aanvullende regels veiligheid wegtunnels
- Besluit
archeologische monumentenzorg
- Besluit
bodemkwaliteit
- Besluit
emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
- Besluit
glastuinbouw
- Besluit
indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning
- Besluit
informatie inzake rampen en zware ongevallen
- Besluit
kwaliteitseisen handhaving milieubeheer
- Besluit omgevingsrecht
- Besluit
risico’s zware ongevallen 1999
- Besluit
ruimtelijke ordening
- Besluit
stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
- Besluit
verbranden afvalstoffen
- Binnenvaartbesluit
- Regeling
Bouwbesluit 2003'
- Regeling
genetisch gemodificeerde organismen
- Regeling omgevingsrecht
- Stortbesluit
bodembescherming
- Vuurwerkbesluit
WET van 6 november 2008, houdende regels inzake een vergunningstelsel
met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke
leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de
fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat een
groot aantal verschillende stelsels bestaat met betrekking tot
toestemmingen van bestuursorganen die vereist zijn voor het verrichten
van activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en dat
het wenselijk is die stelsels zoveel mogelijk samen te voegen, opdat een
samenhangende beoordeling van die activiteiten op de betrokken aspecten
mogelijk is in één procedure die leidt tot één besluit; dat het
nodig is met het oog op dit nieuwe stelsel ook de handhaving daarvan te
regelen en dat het wenselijk is van die gelegenheid gebruik te maken om
de bestuursrechtelijke handhaving van regelingen met betrekking tot de
fysieke leefomgeving - voor zover niet algemeenbestuursrechtelijk
geregeld - verder te uniformeren en in dezelfde wet onder te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
activiteit: activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
of 2.2;
afvalstoffen: afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1 van de
Wet milieubeheer;
beheersverordening: beheersverordening als bedoeld in artikel
3.38 van de Wet ruimtelijke ordening die van toepassing is op de
plaats waar de activiteit wordt of zal worden verricht;
beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
1, onder d, van de Monumentenwet 1988, met uitzondering van een
beschermd archeologisch monument als bedoeld in artikel 1, onder
c, van die wet;
beschermd stads- of dorpsgezicht: beschermd stads- of
dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1, onder g, van de
Monumentenwet 1988;
beste beschikbare technieken: voor het bereiken van een hoog
niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende
technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het
milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of,
indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die –kosten
en baten in aanmerking genomen – economisch en technisch
haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen
worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft,
redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn;
daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de
inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden,
alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de
inrichting buiten gebruik wordt gesteld;
bestemmingsplan: bestemmingsplan, provinciaal inpassingsplan of
rijksinpassingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening dat
van toepassing is op de plaats waar de activiteit wordt of zal
worden verricht en de krachtens dat plan gestelde nadere eisen;
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
een besluit ten aanzien van een aanvraag om een
omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende
omgevingsvergunning;
bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen,
veranderen of vergroten;
bouwverordening: bouwverordening als bedoeld in artikel 8 van
de Woningwet;
exploitatieplan: plan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid,
van de Wet ruimtelijke ordening;
gevaarlijke afvalstoffen: gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld
in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;
gpbv-installatie: installatie als bedoeld in bijlage 1 bij
richtlijn nr. 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 15 januari 2008 inzake geďntegreerde
preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEU L 24);
inrichting: inrichting, behorende tot een categorie die is
aangewezen krachtens het derde lid;
inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaar;
mijnbouwwerk: mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onder n,
van de Mijnbouwwet;
omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
2.1of 2.2;
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
project: project als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of2.2;
slopen: geheel of gedeeltelijk afbreken;
verklaring: verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in
artikel 2.27, eerste lid;
voorbereidingsbesluit: besluit waarbij toepassing is gegeven
aan artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening;
wijzigen van voorschriften van een omgevingsvergunning:
wijzigen, aanvullen of intrekken van voorschriften die aan een
omgevingsvergunning zijn verbonden of alsnog verbinden van
voorschriften aan een omgevingsvergunning.
2. Met betrekking tot de betekenis van de begrippen «gevolgen voor
het milieu» en «bescherming van het milieu» in deze wet en de
daarop berustende bepalingen is artikel 1.1, tweede lid, van de Wet
milieubeheer van overeenkomstige toepassing.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
categorieën inrichtingen aangewezen als bedoeld in artikel 1.1,
vierde lid, van de Wet milieubeheer, waarvan het oprichten, het
veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben moet
worden onderworpen aan een voorafgaande toetsing, gezien de aard en de
omvang van de nadelige gevolgen die de inrichtingen voor het milieu
kunnen veroorzaken. Bij de maatregel worden als categorie in ieder
geval aangewezen de inrichtingen waartoe een gpbv-installatie behoort.
4. Een wijziging van bijlage 1 bij richtlijn nr. 2008/1/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 januari 2008
inzake geďntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEU
L 24) gaat voor de toepassing van de in het eerste lid gegeven
omschrijving van «gpbv-installatie» gelden met ingang van de dag
waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn
gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant
wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 1.1a
1. Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een
landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de
beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste
lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de
omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met
betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die
inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder
landbouwinrichting verstaan:
inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische
activiteiten, zijnde het telen of kweken van landbouwgewassen of het
fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan wel
activiteiten die daarmee verband houden worden verricht.
Hoofdstuk 2. De omgevingsvergunning
§ 2.1. Verbodsbepalingen, bevoegd gezag, gefaseerde en
revisievergunning
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te
voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van
werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan,
beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is
bepaald,
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een
bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de
regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde
lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit
voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid,
tweede volzin, van die wet,
d. het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met
het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen categorieën gevallen,
e.
1°. het oprichten,
2°. het veranderen of veranderen van de werking of
3°. het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk,
f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht
wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken
of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze
waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,
g. het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een
bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is
bepaald,
h. het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of
dorpsgezicht of
i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een
bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie
activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke
leefomgeving.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het
eerste lid bedoelde activiteiten.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met
betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het
eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid
gestelde verbod niet geldt.
Artikel 2.2
1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of
gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:
a. [vervallen,]
b. een monument als bedoeld in een zodanige verordening:
1°. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig
opzicht te wijzigen of
2°. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op
een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,
c. een bouwwerk te slopen in een krachtens een zodanige
verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht,
d. een weg aan te leggen of verandering te brengen in de wijze
van aanleg van een weg, voor zover daarvoor tevens een verbod
geldt als bedoeld inartikel 2.1, eerste lid, onder b,
e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het
gebruik daarvan te veranderen,
f. in, op of aan een onroerende zaak een alarminstallatie te
hebben die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal
kan produceren,
g. houtopstand te vellen of te doen vellen,
h. op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te
voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in
welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek
toegankelijke plaats,
i. als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van
een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die
onroerende zaak handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd met behulp
van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan
ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke
plaats,
j. in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de
gemeente roerende zaken op te slaan of
k. als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van
een onroerende zaak in een daarbij aangewezen gedeelte van de
provincie of de gemeente toe te staan of te gedogen dat daar
roerende zaken worden opgeslagen,
geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor
zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te
voeren zonder omgevingsvergunning.
2. Bij provinciale, gemeentelijke of waterschapsverordening kan
worden bepaald dat het in daarbij aangewezen categorieën gevallen
verboden is projecten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit andere
activiteiten die behoren tot een daarbij aangewezen categorie
activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving,
uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
Artikel 2.3
Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een
omgevingsvergunning dat betrekking heeft op:
a. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e;
b. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,
b, c, d, f, g, h of i;
c. activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.
Artikel 2.3a
1. Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd
zonder omgevingsvergunning in stand te laten.
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing indien voor het bouwen
van het desbetreffende bouwwerk op grond van artikel 2.1, derde lid,
geen omgevingsvergunning is of was vereist, met dien verstande dat
indien in een dergelijk geval sprake is van een bouwwerk waarvan de
aanwezigheid slechts een beperkte periode is toegestaan, het eerste
lid uitsluitend buiten toepassing blijft gedurende die periode.
Artikel 2.4
1. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken
project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, beslissen op de
aanvraag om een omgevingsvergunning, behoudens in gevallen als bedoeld
in het tweede tot en met vijfde lid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
gedeputeerde staten van de provincie waar het betrokken project in
hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, op de aanvraag beslissen ten
aanzien van projecten die behoren tot een bij de maatregel aangewezen
categorie projecten die van provinciaal belang zijn. Bij de maatregel
kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt in daarbij
aangewezen categorieën gevallen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat Onze
daarbij aangewezen Minister op de aanvraag beslist ten aanzien van
projecten die behoren tot een bij de maatregel aangewezen categorie
projecten die van nationaal belang zijn. Bij de maatregel kan worden
bepaald dat de aanwijzing slechts geldt in daarbij aangewezen
categorieën gevallen.
4. Onze Minister kan bepalen dat hij, in afwijking van het eerste,
tweede of derde lid, beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning
ten aanzien van een bij zijn besluit aangewezen project, indien dat
geboden is in het algemeen belang.
5. Het bevoegd gezag met betrekking tot een geldende
omgevingsvergunning beslist op elke aanvraag die betrekking heeft op
een project dat zal worden of wordt uitgevoerd op de plaats ten
aanzien waarvan die vergunning is verleend. De eerste volzin geldt
niet voor burgemeester en wethouders in gevallen als bedoeld in het
tweede tot en met vierde lid en gedeputeerde staten in gevallen als
bedoeld in het derde en vierde lid. De eerste volzin geldt voorts niet
in gevallen die behoren tot een bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen categorie.
Artikel 2.5
1. Op verzoek van de aanvrager wordt een omgevingsvergunning in
twee fasen verleend. De eerste fase heeft slechts betrekking op de
door de aanvrager aan te geven activiteiten.
2. Op een aanvraag om een beschikking met betrekking tot de eerste
of tweede fase wordt beslist door het bestuursorgaan dat bevoegd zou
zijn te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
betrokken project. Een beschikking als bedoeld in de eerste volzin
wordt voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing zou
zijn op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een
omgevingsvergunning.
3. Indien een beschikking met betrekking tot de eerste of tweede
fase wordt voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure,
bedoeld inparagraaf 3.3, maar geen betrekking heeft op een activiteit
of geval als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, die niet tevens kan
worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in het derde lid van
dat artikel, geeft het bevoegd gezag de beschikking – in afwijking
van artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht –
uiterlijk veertien weken na ontvangst van de aanvraag.
4. De beschikking met betrekking tot de tweede fase wordt niet
eerder gegeven dan de beschikking met betrekking tot de eerste fase.
Indien daardoor de beslistermijn voor de beschikking met betrekking
tot de tweede fase zou worden overschreden geeft het bevoegd gezag, in
afwijking daarvan, de beschikking gelijktijdig met de beschikking met
betrekking tot de eerste fase.
5. Het bevoegd gezag kan een beschikking intrekken waarbij positief
is beslist op een aanvraag met betrekking tot:
a. de eerste fase: indien niet uiterlijk twee jaar nadat de
beschikking onherroepelijk is geworden een aanvraag is ingediend
voor de beschikking met betrekking tot de tweede fase,
b. de eerste of tweede fase: indien op de aanvraag met
betrekking tot de andere fase negatief is beslist en niet
uiterlijk twee jaar nadat de beschikking onherroepelijk is
geworden een nieuwe aanvraag is ingediend.
6. De beschikking met betrekking tot de eerste fase kan bij de
beschikking met betrekking tot de tweede fase worden gewijzigd voor
zover dat nodig is met het oog op het verlenen van de
omgevingsvergunning.
7. Het bepaalde bij of krachtens deze wet met betrekking tot een
omgevingsvergunning is, met uitzondering van artikel 2.7, van
overeenkomstige toepassing op de beschikkingen met betrekking tot de
eerste en tweede fase.
8. De beschikkingen waarbij positief is beslist op de aanvragen met
betrekking tot de eerste en tweede fase worden, als deze in werking
zijn getreden, tezamen aangemerkt als een omgevingsvergunning.
Artikel 2.6
1. Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking
heeft op het veranderen van een inrichting of mijnbouwwerk of van de
werking daarvan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e,
onder 2° of 3°, en met betrekking tot die inrichting of dat
mijnbouwwerk al een of meer omgevingsvergunningen zijn verleend, kan
het bevoegd gezag bepalen dat een omgevingsvergunning wordt
aangevraagd met betrekking tot die verandering en het in werking
hebben van de betrokken inrichting of het betrokken mijnbouwwerk na
die verandering.
2. Indien het bevoegd gezag heeft bepaald dat een zodanige
omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, besluit het aanvragen met
betrekking tot de betrokken activiteit die daarop geen betrekking
hebben, niet te behandelen.
3. Het bevoegd gezag kan de rechten die de vergunninghouder aan de
al eerder verleende omgevingsvergunningen ontleende, niet wijzigen
anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van artikel 2.31 of 2.33.
4. Een met toepassing van dit artikel verleende omgevingsvergunning
vervangt met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de
eerder met betrekking tot het betrokken project verleende
omgevingsvergunningen, voor zover het de inrichting of het
mijnbouwwerk betreft. Deze omgevingsvergunningen vervallen op het
tijdstip waarop de met toepassing van dit artikel verleende
omgevingsvergunning, onherroepelijk wordt.
§ 2.2. De aanvraag om een omgevingsvergunning
Artikel 2.7
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en
2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning die
betrekking heeft op een activiteit die behoort tot verschillende
categorieën activiteiten als bedoeld in deartikelen 2.1 en 2.2 er
zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die
activiteiten.
2. Een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op
een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, mag
slechts op één inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort
betrekking hebben.
Artikel 2.8
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag om een
omgevingsvergunning geschiedt en de gegevens en bescheiden die door de
aanvrager worden verstrekt met het oog op de beslissing op de
aanvraag. Bij de maatregel kan – in afwijking van de artikelen 2:14,
eerste lid, en 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht – worden
bepaald dat de aanvraag geheel of gedeeltelijk elektronisch wordt
ingediend of in ontvangst wordt genomen. Daarbij kan worden bepaald
dat de verplichtingen slechts gelden in daarbij aangewezen
categorieën gevallen.
2. Bij een verordening als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid,
kunnen eveneens regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens
en bescheiden die door de aanvrager met betrekking tot de bij die
verordening aangewezen activiteit worden verstrekt met het oog op de
beslissing op de aanvraag.
Artikel 2.9
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat door daarbij aangewezen bestuursorganen van het Rijk
rechten worden geheven ter zake van de behandeling van aanvragen tot
verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een
omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een
omgevingsvergunning.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de berekening en de bedragen van de krachtens:
a. artikel 229, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet;
b. artikel 223, eerste lid, onder b, van de Provinciewet; of
c. het eerste lid,
te heffen rechten ter zake van de behandeling van aanvragen tot
verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een
omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een
omgevingsvergunning.
Artikel 2.9a
1. Voor zover aanvragen tot verlening of gehele of gedeeltelijke
intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften
van een omgevingsvergunning betrekking hebben op een activiteit met
betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder e, worden geen rechten geheven. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen met betrekking tot een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder i, categorieën gevallen worden
aangewezen waarin de eerste volzin van overeenkomstige toepassing is.
2. De bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van door
of vanwege het gemeentebestuur, provinciaal bestuur of Onze betrokken
Minister verstrekte diensten die verband houden met een
omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste
lid, onder a, onder 3°, van een bestemmingsplan of beheersverordening
wordt afgeweken, wordt opgeschort tot het tijdstip waarop de
mededeling van dat besluit krachtens artikel 3.12, tweede lid, onder
b, langs elektronische weg beschikbaar is gesteld, overeenkomstig de
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. De
bevoegdheid vervalt indien de mededeling niet binnen twee maanden op
de voorgeschreven wijze beschikbaar is gesteld.
§ 2.3. De beoordeling van de aanvraag
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld inartikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de
omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden
het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken
dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking
heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of
krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 2 of 120 van de Woningwet;
b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden
het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken
dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking
heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de
bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in
overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld
bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8,
achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die
wet;
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de
beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn
gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van
de Wet ruimtelijke ordening;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de
aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk
bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf
beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten
ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van
welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a,
eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag
van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden
verleend;
e. indien het advies van de Commissie voor de tunnelveiligheid,
bedoeld in artikel 6, derde lid, onder b, van de Wet aanvullende
regels veiligheid wegtunnels, daartoe aanleiding geeft.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de
aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt
de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met
toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.11
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld inartikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn
gesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
voorbereidingsbesluit, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien
het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of in strijd is met
de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3,
derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Indien sprake is van strijd met de regels, bedoeld in het eerste
lid, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een
vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien
vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld inartikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning
slechts worden verleend:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of
de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de
beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
gevallen, of
3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede
ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een
goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
b. indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan:
met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking;
c. indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn
gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van
de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels
afwijking daarvan toestaan;
d. indien de activiteit in strijd is met een
voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het
voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°,
kan de vergunning, voor zover zij betrekking heeft op een activiteit
voor een bepaalde termijn, worden verleend, indien de activiteit niet
in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing,
bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°.
Artikel 2.13
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld
in artikel 2.1, eerste lid, onder d, wordt de omgevingsvergunning
geweigerd indien de brandveiligheid met het oog op het voorziene gebruik
van het bouwwerk niet voldoende verzekerd is.
Artikel 2.14
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld inartikel 2.1, eerste lid, onder e:
a. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag
in ieder geval:
1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de
inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan
veroorzaken;
2°. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge
samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan
veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de
geografische ligging daarvan;
3°. de met betrekking tot de inrichting of het
mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het
mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te
verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op
de bescherming van het milieu;
4°. de voor het einde van de in artikel 3:16 van de
Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn of de krachtens
artikel 3.12, zesde lid, aangegeven termijn ingebrachte
adviezen en zienswijzen;
5°. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door
de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het
mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk
te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;
6°. het systeem van met elkaar samenhangende technische,
administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen
die de inrichting of het mijnbouwwerk voor het milieu
veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het
nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de
inrichting of het mijnbouwwerk drijft, met betrekking tot de
inrichting of het mijnbouwwerk toepast, alsmede het
milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting of het
mijnbouwwerk voert;
b. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval
rekening met:
1°. het voor hem geldende milieubeleidsplan;
2°. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de
Wet milieubeheer;
3°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de
inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende
richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening
houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig
artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;
c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in
acht:
1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de
voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende
beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;
2°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de
inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende
grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen
daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2
van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel
5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft
voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53
tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66
van de Wet geluidhinder;
3°. in afwijking van onderdeel 2°, neemt het bevoegd
gezag, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die
voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de
Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag om een
vergunning voor een inrichting, gelegen op een
industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld
in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het
geldende geluidreductieplan in acht;
4°. de onderdelen van het advies, bedoeld in artikel 2.26,
tweede lid, ten aanzien waarvan in het advies is aangegeven
dat daaraan moet worden voldaan, voor zover daardoor geen
strijd ontstaat met het bepaalde in de andere onderdelen van
dit lid of het tweede lid, of het bepaalde bij of krachtens
artikel 2.22;
d. en betrekt het bevoegd gezag bij die beslissing de bij een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1 van de
Wet milieubeheer ter uitvoering van een EU-richtlijn of
EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen op de bij die
maatregel aangegeven wijze, voor zover de verplichting daartoe
krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer is
vastgelegd in die maatregel.
2. Voor zover de aanvraag om een activiteit als bedoeld in het
eerste lid betrekking heeft op een inrichting waarin stoffen behorende
tot een in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer
aangewezen categorie aanwezig kunnen zijn en die behoort tot een bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, draagt het
bevoegd gezag er zorg voor dat de beslissing op de aanvraag niet tot
gevolg heeft dat minder dan voldoende afstand aanwezig is tussen die
inrichting en een beschermd natuurmonument of gebied dat als zodanig
is aangewezen krachtens artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998
of een gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10a van
die wet of dat voorlopig als zodanig is aangewezen krachtens artikel
12 van die wet. Bij de beoordeling van de afstand betrekt het bevoegd
gezag de maatregelen die zijn of worden getroffen om een voorval als
bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer waarbij stoffen als
bedoeld in de eerste volzin zijn betrokken en waardoor ernstig gevaar
voor het milieu ontstaat, in de inrichting te voorkomen of de gevolgen
daarvan te beperken.
3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste
lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de
bescherming van het milieu worden geweigerd.
4. Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de
aanvraag te kennen, op welke wijze de in het eerste lid, onder a,
genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beďnvloed. Indien
toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°,
vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.
5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid wordt in
gevallen als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, de
omgevingsvergunning verleend indien wordt voldaan aan de in het
laatstgenoemde lid gestelde voorwaarden.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting of
mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten
worden bepaald. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels
slechts gelden in gevallen die behoren tot een daarbij aangewezen
categorie.
7. Bij de toepassing van het eerste lid worden gronden en
bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen
overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien
met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan
of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.
Artikel 2.15
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld
in artikel 2.1, eerste lid, onder f, kan de omgevingsvergunning slechts
worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen
niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag
rekening met het gebruik van het monument.
Artikel 2.16
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld
in artikel 2.1, eerste lid, onder g of h, kan de omgevingsvergunning
worden geweigerd indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet
aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander
bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Artikel 2.17
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld
in artikel 2.1, eerste lid, onder i, kan de omgevingsvergunning slechts
worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de
betrokken algemene maatregel van bestuur.
Artikel 2.18
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld
in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of
geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.
Artikel 2.19
Voor zover de aanvraag ingevolge een wettelijk voorschrift tevens
betrekking heeft op een andere activiteit dan bedoeld in de artikelen
2.1, eerste lid, en 2.2, kan de omgevingsvergunning voor die activiteit
slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven
in het betrokken wettelijk voorschrift.
Artikel 2.20
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, of in artikel 2.1, eerste
lid, onder e, met betrekking tot een inrichting kan het bevoegd gezag
de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10,
onderscheidenlijk artikel 2.14 slechts weigeren in het geval en onder
de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien
verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet, voor zover
het deze wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die
op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager
van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld.
2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het
Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als
bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel 2.20a
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor
voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is
als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning
voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd.
Artikel 2.21
Indien een aanvraag betrekking heeft op een project dat uit
verschillende activiteiten bestaat en de omgevingsvergunning voor dat
project ingevolge de artikelen 2.10 tot en met 2.20a moet worden
geweigerd, kan het bevoegd gezag op verzoek van de aanvrager de
omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten waarvoor zij niet
behoeft te worden geweigerd.
§ 2.4. De omgevingsvergunning
Artikel 2.22
1. In een omgevingsvergunning worden het project en de activiteiten
waarop het betrekking heeft, duidelijk beschreven.
2. Aan een omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden,
die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken
activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen
2.10 tot en met 2.20. Indien toepassing is gegeven aan artikel 2.27,
vierde lid, worden aan een omgevingsvergunning tevens de bij de
verklaring aangegeven voorschriften verbonden. De aan de
omgevingsvergunning verbonden voorschriften zijn op elkaar afgestemd.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor
daarbij aangewezen categorieën activiteiten of gevallen regels
gesteld met betrekking tot het verbinden van voorschriften aan de
omgevingsvergunning. Hiertoe kunnen behoren regels met betrekking tot:
a. voorschriften ter uitvoering van een voor Nederland
verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van
een volkenrechtelijke organisatie met betrekking tot de fysieke
leefomgeving;
b. voorschriften, inhoudende een verplichting om te voldoen aan
nadere eisen die door een bij het voorschrift aangewezen
bestuursorgaan worden gesteld;
c. voorschriften, inhoudende een verplichting voor het
krachtens onderdeel b aangewezen bestuursorgaan om van de in dat
onderdeel bedoelde eisen op een daarbij aan te geven wijze
openbaar kennis te geven;
d. voorschriften die nodig zijn met het oog op het belang van
de archeologische monumentenzorg;
e. voorschriften die niet aan de omgevingsvergunning kunnen
worden verbonden.
4. Bij een verordening als bedoeld in artikel 2.2 kunnen voor de
betrokken categorieën activiteiten eveneens regels worden gesteld met
betrekking tot het verbinden van voorschriften aan de
omgevingsvergunning.
5. Voor zover met betrekking tot de activiteit algemeen verbindende
voorschriften gelden, kunnen de voorschriften die aan de vergunning
worden verbonden daarvan alleen afwijken voor zover dat bij die regels
is toegestaan. In afwijking van de eerste volzin worden aan een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld
in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting
waartoe een gpbv-installatie behoort, voorschriften verbonden die
afwijken van de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in de
eerste volzin, voor zover met die voorschriften niet wordt voldaan aan
het bepaalde bij of krachtens het tweede of derde lid of artikel 2.14.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in
daarbij aangewezen categorieën gevallen regels worden gesteld omtrent
het voorbereiden, vormgeven, inrichten of beschikbaar stellen van een
omgevingsvergunning of omtrent de uitvoerbaarheid daarvan.
Artikel 2.23
1. In een omgevingsvergunning kan worden bepaald dat zij geheel of
gedeeltelijk geldt voor een daarin aangegeven termijn.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen
worden aangewezen, waarin in de omgevingsvergunning wordt bepaald dat
zij slechts geldt voor een daarbij aangegeven termijn. Bij de
maatregel kan worden bepaald:
a. dat de omgevingsvergunning voor ten hoogste een daarbij
aangegeven termijn kan gelden of
b. in welke categorieën gevallen een bij de
omgevingsvergunning aangegeven termijn kan worden verlengd.
Artikel 2.24
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in
daarbij aangewezen categorieën gevallen de vergunninghouder verplicht
is te zijner keuze hetzij de voor de verlening van de
omgevingsvergunning bestaande toestand te herstellen, hetzij die met
de wettelijk voorgeschreven toestand in overeenstemming te brengen.
2. In een omgevingsvergunning met betrekking tot een
seizoensgebonden bouwwerk wordt bepaald binnen welke opeenvolgende
tijdvakken van een kalenderjaar dat bouwwerk wordt opgericht, gebruikt
en gesloopt.
Artikel 2.25
1. Een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project
uitvoert waarop zij betrekking heeft. De vergunninghouder draagt
ervoor zorg dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften
worden nageleefd.
2. Indien een omgevingsvergunning zal gaan gelden voor een ander
dan de aanvrager of de vergunninghouder, meldt de aanvrager,
onderscheidenlijk de vergunninghouder dat ten minste een maand
voordien aan het bevoegd gezag, onder vermelding van de bij algemene
maatregel van bestuur aangegeven gegevens.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen
worden aangewezen, waarin de omgevingsvergunning slechts geldt voor
degene aan wie zij is verleend. Daarbij kan tevens worden bepaald dat
in daarbij aangewezen categorieën gevallen:
a. de omgevingsvergunning nog gedurende een daarbij aangegeven
termijn blijft gelden voor rechtsopvolgers van degene aan wie zij
is verleend;
b. de omgevingsvergunning ook geldt voor een rechtspersoon aan
wie zij is overgedragen door een andere rechtspersoon, indien
daarvoor door het bevoegd gezag toestemming is verleend.
§ 2.5. Advies en verklaring van geen bedenkingen
Artikel 2.26
1. Naar aanleiding van een aanvraag die betrekking heeft op een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, waarbij
vanuit een inrichting of mijnbouwwerk afvalwater of andere
afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport
van afvalwater worden gebracht, stelt het bevoegd gezag het
bestuursorgaan dat zorg draagt voor het beheer van het
zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de
Waterwet, of het oppervlaktewater waarop het afvalwater vanuit die
voorziening wordt gebracht, in de gelegenheid advies uit te brengen.
2. Indien ten gevolge van de activiteit waarvoor vergunning wordt
gevraagd:
a. de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk,
bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet, zou worden
belemmerd, of
b. de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een
EU-richtlijn of een EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen
voor oppervlaktewaterlichamen zouden worden overschreden,
kan het advies inhouden dat de daarin opgenomen voorschriften die
nodig zijn om die gevolgen te voorkomen, aan de vergunning moeten
worden verbonden. Indien die gevolgen niet kunnen worden voorkomen,
kan het advies inhouden dat de vergunning geheel of gedeeltelijk moet
worden geweigerd.
3. Het bevoegd gezag stelt de bij algemene maatregel van bestuur
en, in gevallen als bedoeld in artikel 2.2, de bij de betrokken
verordening aangewezen bestuursorganen of andere instanties in
gevallen die behoren tot een bij die maatregel, onderscheidenlijk
verordening aangewezen categorie in de gelegenheid hem advies uit te
brengen over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de
aanvraag om een omgevingsvergunning.
4. Het bevoegd gezag kan een als adviseur aangewezen bestuursorgaan
verzoeken om naar aanleiding van een aanvraag om een
omgevingsvergunning advies uit te brengen over:
a. de bij de beslissing op de aanvraag te betrekken gegevens,
b. aan de vergunning te verbinden voorschriften,
met betrekking tot activiteiten die zullen plaatsvinden binnen het
grondgebied van de rechtspersoon waartoe het betrokken bestuursorgaan
behoort en ten aanzien waarvan dat orgaan bijzondere deskundigheid
bezit.
Artikel 2.27
1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen
categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan
nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het
daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de
eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin
voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke
toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de
bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit
bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid
dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die
maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan
categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is
vereist.
2. In afwijking van artikel 10:32 van de Algemene wet bestuursrecht
is afdeling 10.2.1 van die wet, met uitzondering van artikel 10:28,
niet van toepassing met betrekking tot de verklaring.
3. De verklaring kan slechts worden gegeven of geweigerd in het
belang dat in de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur is
aangegeven.
4. Het bestuursorgaan dat de verklaring geeft, bepaalt daarbij dat
aan de omgevingsvergunning de daarbij aangegeven voorschriften die
nodig zijn met het oog op het belang, bedoeld in het derde lid, worden
verbonden.
5. De verklaring wordt vermeld in de beschikking op de aanvraag.
Een exemplaar ervan wordt bij ieder exemplaar van die beschikking
gevoegd.
Artikel 2.28
Indien met het oog op de beslissing op de aanvraag om een
omgevingsvergunning krachtens meer dan een wettelijk voorschrift een
verklaring van hetzelfde bestuursorgaan is vereist, beslist dat
bestuursorgaan daarover in één verklaring.
§ 2.6. Wijziging en intrekking van de omgevingsvergunning
Artikel 2.29
1. Een bestuursorgaan dat bij de totstandkoming van de
omgevingsvergunning bevoegd was een verklaring als bedoeld in artikel
2.27, eerste lid, te geven of advies uit te brengen kan het bevoegd
gezag verzoeken voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen
of de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken. Een
verzoek kan slechts worden gedaan door:
a. het bestuursorgaan dat bevoegd was een verklaring te geven:
voor zover het betreft de activiteiten waarvoor de verklaring is
gegeven;
b. een adviseur: voor zover het betreft de aspecten waarover
hij bij de totstandkoming van de omgevingsvergunning advies kan
uitbrengen.
2. Voor zover een omgevingsvergunning betrekking heeft op een
activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onder e, kan Onze Minister het bevoegd gezag
verzoeken binnen een daarbij aangegeven termijn de omgevingsvergunning
of voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen, indien zich
in de betrokken inrichting een voorval als bedoeld in artikel 17.1 van
de Wet milieubeheer voordoet of heeft voorgedaan of, indien titel
17.1A van die wet van toepassing is, zich een gebeurtenis als bedoeld
in artikel 17.5a van die wet voordoet of heeft voorgedaan.
3. Indien het bevoegd gezag gevolg geeft aan een verzoek als
bedoeld in het eerste of tweede lid, zendt het een exemplaar van de
beschikking tot wijziging van voorschriften van de omgevingsvergunning
of wijziging of gehele of gedeeltelijke intrekking van de
omgevingsvergunning aan het betrokken bestuursorgaan.
Artikel 2.30
1. Voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een
activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onder e, beziet het bevoegd gezag regelmatig of de
voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog
toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de
technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de
ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de
bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot de
wijze waarop het eerste lid wordt toegepast met betrekking tot daarbij
aangewezen categorieën inrichtingen. Bij de maatregel kan worden
bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij
aangewezen categorieën gevallen.
Artikel 2.31
1. Het bevoegd gezag wijzigt voorschriften van de
omgevingsvergunning:
a. ter uitvoering van een verzoek als bedoeld in artikel 2.29,
eerste lid, tweede volzin, onder a;
b. indien door toepassing van artikel 2.30, eerste lid, blijkt
dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu
veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische
mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of,
gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder
moeten worden beperkt;
c. in gevallen waarin de omgevingsvergunning van rechtswege is
verleend, voor zover dit nodig is om ernstige nadelige gevolgen
voor de fysieke leefomgeving te voorkomen, of, voor zover zodanige
gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te
beperken;
d. voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, voor zover dat bij de
betrokken algemene maatregel van bestuur is bepaald;
e. voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld in artikel 2.2, voor zover dat bij de betrokken
verordening is bepaald;
f. voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld in artikel 2.19, voor zover dat bij het betrokken
wettelijk voorschrift is bepaald.
2. Het bevoegd gezag kan voorschriften van een omgevingsvergunning
wijzigen voor zover deze betrekking hebben op:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
d, voor zover dit in het belang van de brandveiligheid is met het
oog op het voorziene gebruik van het bouwwerk;
b. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
e, voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu
is;
c. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
i, op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken algemene
maatregel van bestuur;
d. een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, op de gronden die
zijn aangegeven in de betrokken verordening;
e. een activiteit als bedoeld in artikel 2.19, op de gronden
die zijn aangegeven in het betrokken wettelijk voorschrift.
Artikel 2.32
Onze Minister wijzigt de omgevingsvergunning of voorschriften van de
omgevingsvergunning voor zover deze betrekking hebben op een activiteit
met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder e, indien zich in de betrokken inrichting een voorval als
bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer voordoet of heeft
voorgedaan of, indien titel 17.1A van die wet van toepassing is, zich
een gebeurtenis als bedoeld in artikel 17.5a van die wet voordoet of
heeft voorgedaan en de geboden spoed een verzoek als bedoeld in artikel
2.29, tweede lid, niet toelaat of het bevoegd gezag niet aan het
krachtens dat lid gedane verzoek binnen de daarbij aangegeven termijn
gevolg heeft gegeven.
Artikel 2.33
1. Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in, voor zover:
a. de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of
een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie dat vereist;
b. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder e, indien door toepassing van
artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, redelijkerwijs niet
kan worden bereikt dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten
minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking
komende beste beschikbare technieken worden toegepast;
c. dat nodig is ter uitvoering van een verzoek als bedoeld in
artikel 2.29, eerste lid, tweede volzin, onder a;
d. de inrichting of het mijnbouwwerk ontoelaatbaar nadelige
gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel
2.31 daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt;
e. deze van rechtswege is verleend, indien deze betrekking
heeft op een activiteit die ontoelaatbaar ernstige nadelige
gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft of dreigt te hebben en
toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder c,
daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt;
f. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder e, indien de inrichting een
stortplaats als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet milieubeheer of
een afvalvoorziening als bedoeld in artikel 1.1 van die wet is:
indien de stortplaats of afvalvoorziening krachtens paragraaf 8.2
van die wet voor gesloten is verklaard;
g. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.19, in gevallen die in het betrokken wettelijk
voorschrift zijn aangegeven.
2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of
gedeeltelijk intrekken, voor zover:
a. gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking
heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken
onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen
handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
b. de vergunninghouder daarom heeft verzocht;
c. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder d, indien dit in het belang van de
brandveiligheid nodig is met het oog op het voorziene gebruik van
het bouwwerk, en het niet mogelijk blijkt door toepassing van
artikel 2.31, tweede lid, onder a, dat belang voldoende te
beschermen;
d. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder e, indien:
1°. dit in het belang van een doelmatig beheer van
afvalstoffen nodig is;
2°. de inrichting of het mijnbouwwerk geheel of
gedeeltelijk is verwoest;
e. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder f, indien de omstandigheden aan de
kant van de vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd dat het belang
van de monumentenzorg zwaarder moet wegen;
f. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder i, op de gronden die zijn
aangegeven in de betrokken algemene maatregel van bestuur;
g. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.2, op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken
verordening;
h. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.19, op de gronden die zijn aangegeven in het betrokken
wettelijk voorschrift.
3. Voor zover een verzoek van een vergunninghouder tot gehele of
gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning betrekking heeft
op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e,
trekt het bevoegd gezag de omgevingsvergunning slechts geheel of
gedeeltelijk in, indien het belang van de bescherming van het milieu
zich daartegen niet verzet.
Artikel 2.33a
1. In een geval behorende tot een krachtens artikel 4.1 aangewezen
categorie kan een voorschrift overeenkomstig de betrokken algemene
maatregel van bestuur aan een beschikking tot gehele of gedeeltelijke
intrekking van de omgevingsvergunning worden verbonden.
2. In een beschikking als bedoeld in het eerste lid kan worden
bepaald dat een voorschrift als bedoeld in het eerste lid, dan wel
daarbij aangegeven aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften
gedurende een daarbij aan te geven termijn blijven gelden.
§ 2.7. Aanwijzingen aan het bevoegd gezag
Artikel 2.34 [Vervallen per 01-10-2012]
Hoofdstuk 3. Voorbereidingsprocedures
§ 3.1. Algemene bepalingen over de totstandkoming van de beschikking
op de aanvraag om een omgevingsvergunning
Artikel 3.1
1. De aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend bij
burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project
in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd. Indien burgemeester en
wethouders niet bevoegd zijn op de aanvraag te beslissen, kan de
aanvraag bij het bevoegd gezag worden ingediend. In dat geval zendt
het bevoegd gezag een afschrift van de aanvraag aan burgemeester en
wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal
worden of wordt uitgevoerd.
2. Het orgaan waarbij de aanvraag is ingediend, zendt de aanvrager
onverwijld een bewijs van ontvangst van de aanvraag, waarin het de
datum vermeldt, waarop het de aanvraag heeft ontvangen. In afwijking
van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dienstenwet
geldt de daarin gestelde verplichting voor zover deze betrekking heeft
op het bewijs van ontvangst, bedoeld in de eerste volzin, voor het
orgaan waarbij de aanvraag is ingediend. Artikel 29 van de Dienstenwet
is niet van toepassing.
3. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft
ontvangen, zo snel mogelijk een bericht waarin het vermeldt dat het
bevoegd is op de aanvraag te beslissen en waarin tevens worden
vermeld:
a. de procedure die ter voorbereiding van de beslissing zal
worden gevolgd,
b. welke beslistermijn van toepassing is, en
c. de beschikbare rechtsmiddelen om tegen de beschikking op te
komen.
Indien op de voorbereiding van de beslissing paragraaf 3.2 van
toepassing is, vermeldt het bevoegd gezag tevens dat de gevraagde
beschikking van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de
aanvraag is beslist.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen
worden aangewezen waarin het bevoegd gezag de aanvraag of andere
gegevens of bescheiden zendt aan daarbij aangewezen categorieën
bestuursorganen of andere instanties.
5. Indien bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een
milieueffectrapport moet worden gemaakt, is artikel 13.2 van de Wet
milieubeheer van toepassing.
Artikel 3.2
Voor zover het belang van de veiligheid van de Staat dat vereist, kan
het bevoegd gezag de toepassing van afdeling 3.4 en artikel 3:44 van de
Algemene wet bestuursrecht en van de artikelen 2.26 en 3.19 geheel of
gedeeltelijk achterwege laten.
Artikel 3.2a
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld
in artikel 2.1, eerste lid, onder f, ter zake van een kerkelijk monument
als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Monumentenwet 1988, neemt het
bevoegd gezag geen beslissing dan na overleg met de eigenaar. Voor zover
het betreft een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden
van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding
zijn, neemt het bevoegd gezag geen beslissing dan in overeenstemming met
de eigenaar.
Artikel 3.3
1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, houdt het bevoegd
gezag, in afwijking vanartikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk
artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht, de beslissing aan,
indien er geen grond is de vergunning te weigeren maar voor het gebied
waarin de activiteit zal worden verricht vóór de dag van ontvangst
van de aanvraag:
a. een voorbereidingsbesluit in werking is getreden;
b. een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd;
c. een verklaring als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, of
4.3, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is bekendgemaakt;
d. een bestemmingsplan is vastgesteld;
e. een bestemmingsplan na vaststelling is bekendgemaakt.
De beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, die is
voorgeschreven met toepassing van artikel 3.7, derde lid, van de Wet
ruimtelijke ordening wordt niet aangehouden.
2. De aanhouding duurt totdat:
a. het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 3.7, vijfde
of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is vervallen;
b. de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan
ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke
ordening is overschreden;
c. de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan na
de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid,
van de Wet ruimtelijke ordening is overschreden;
d. het bestemmingsplan in werking is getreden dan wel in beroep
is vernietigd;
e. de termijn, genoemd in artikel 4.1, vijfde lid, of 4.3,
vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is overschreden;
f. de verordening, bedoeld in artikel 4.1, van de Wet
ruimtelijke ordening of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld
in artikel 4.3, van die wet in werking is getreden.
3. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, kan het bevoegd
gezag de omgevingsvergunning verlenen, indien de activiteit niet in
strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, houdt het bevoegd
gezag, in afwijking vanartikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk
artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht, de beslissing tevens
aan, indien er geen grond is de vergunning te weigeren en de aanvraag
een activiteit betreft in een gebied waarvoor vóór de datum van
ontvangst van de aanvraag een besluit tot aanwijzing als beschermd
stads- of dorpsgezicht is bekendgemaakt en waarvoor nog geen ter
bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan of beheersverordening
geldt.
5. De aanhouding, bedoeld in het vierde lid, duurt totdat een ter
voldoening aan artikel 36 van de Monumentenwet 1988 vast te stellen
bestemmingsplan of beheersverordening in werking is getreden.
6. Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het vierde lid, de
vergunning verlenen indien de activiteit niet in strijd is met het in
voorbereiding zijnde ter bescherming van het beschermde stads- of
dorpsgezicht strekkende bestemmingsplan. Alvorens te besluiten hoort
het bevoegd gezag Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 3.4
1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g of h, kan het bevoegd
gezag, in afwijking vanartikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk
artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht de beslissing
aanhouden, indien voor een bouwwerk dat zal worden gebouwd in plaats
van het te slopen bouwwerk, een omgevingsvergunning is aangevraagd,
maar op die aanvraag nog niet is beslist.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid duurt de aanhouding
totdat onherroepelijk op de aanvraag om de omgevingsvergunning is
beslist.
Artikel 3.5
1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, en daarop een
exploitatieplan van toepassing is, houdt het bevoegd gezag, in
afwijking van artikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3:18
van de Algemene wet bestuursrecht, de beslissing aan, indien er geen
grond is de vergunning te weigeren en het exploitatieplan, dat voor de
in de aanvraag begrepen grond is vastgesteld, nog niet onherroepelijk
is.
2. De aanhouding duurt totdat een exploitatieplan onherroepelijk
is.
3. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag de
omgevingsvergunning verlenen indien een ingesteld beroep geen gevolgen
kan hebben voor de beoordeling van de aangevraagde activiteit of de
aan de omgevingsvergunning voor die activiteit te verbinden
voorschriften, dan wel indien deze gevolgen naar het oordeel van het
bevoegd gezag niet opwegen tegen het belang dat met verlening van de
omgevingsvergunning is gediend.
Artikel 3.6
1. Het bevoegd gezag doet van de aanhouding op grond van artikel
3.3 of 3.5mededeling aan de aanvrager.
2. In gevallen waarin een beslissing op de aanvraag om een
omgevingsvergunning wordt aangehouden wordt voor de toepassing
vanartikel 3.9, onderscheidenlijk artikel 3:18, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht in plaats van de datum waarop de aanvraag
is ontvangen uitgegaan van de datum waarop de aanhouding eindigt.
§ 3.2. De reguliere voorbereidingsprocedure
Artikel 3.7
1. Deze paragraaf is van toepassing op de voorbereiding van
besluiten, tenzijparagraaf 3.3 daarop van toepassing is.
2. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf tevens van
toepassing op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel
3.10, derde lid.
Artikel 3.8
Het bevoegd gezag geeft bij de toepassing van titel 4.1 van de
Algemene wet bestuursrecht tevens onverwijld kennis van de aanvraag om
een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het vermeldt
daarbij de in artikel 3.1, tweede lid, bedoelde datum waarop de aanvraag
is ontvangen.
Artikel 3.9
1. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een
omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de
aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de
bekendmaking:
a. doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop
het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de
aanvraag, en
b. zendt het in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
categorieën gevallen de daarbij aangewezen bestuursorganen een
afschrift van die beschikking.
2. Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid bedoelde termijn
eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit
daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn. Het doet daarvan
tevens zo spoedig mogelijk mededeling op de wijze waarop het
overeenkomstig artikel 3.8kennis heeft gegeven van de aanvraag.
3. Paragraaf. 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is, met
uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van
toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen worden
aangewezen waarin de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag
wegens strijd met een voor Nederland verbindend verdrag of een voor
Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie is
uitgezonderd van de toepassing van de eerste volzin.
4. Het bevoegd gezag doet zo spoedig mogelijk mededeling van de
bekendmaking, bedoeld in artikel 4:20c van de Algemene wet
bestuursrecht, op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8
kennis heeft gegeven van de aanvraag.
§ 3.3. De uitgebreide voorbereidingsprocedure
Artikel 3.10
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing
op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een
omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk
betrekking heeft op:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een
beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met
toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of
artikel 2.12, tweede lid;
b. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
d;
c. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
e;
d. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
f, voor zover voor die activiteit krachtens artikel 2.26, derde
lid, een adviseur is aangewezen;
e. een geval waarin een verklaring vereist is, als bedoeld in
artikel 2.27;
f. een geval dat behoort tot een bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen categorie met mogelijk belangrijke gevolgen
voor de fysieke leefomgeving of de belangen van derden;
g. een activiteit als bedoeld in artikel 2.19, voor zover dat
in het betrokken wettelijk voorschrift is aangegeven.
2. Het bevoegd gezag kan bepalen dat de toepassing van artikel 3.1
of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of
gedeeltelijk achterwege blijft, indien:
a. de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvan de
uitvoering als gevolg van een ongewone omstandigheid op korte
termijn nodig is;
b. de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of
een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie dat vereist.
3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, is afdeling
3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de
voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een
omgevingsvergunning met betrekking tot een verandering van een
inrichting of mijnbouwwerk of de werking daarvan, die niet leidt tot
andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de
geldende omgevingsvergunning is toegestaan, waarvoor geen verplichting
bestaat tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in
hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, en die niet leidt tot een andere
inrichting of mijnbouwwerk dan waarvoor eerder een omgevingsvergunning
is verleend.
4. Indien op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om
een omgevingsvergunning afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing is, zijn tevens de artikelen 13.6, 13.9 en 13.11,
eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer van toepassing.
Artikel 3.11
1. Het bevoegd gezag zendt het bestuursorgaan dat bevoegd is een
verklaring te geven als bedoeld in artikel 2.27, onverwijld een
exemplaar van de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken.
2. Op verzoek van het bestuursorgaan geeft het bevoegd gezag
toepassing aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, voor
zover dat nodig is voor de beoordeling van de onderdelen van de
aanvraag waaromtrent de verklaring is vereist.
3. Zienswijzen die overeenkomstig artikel 3:15 van de Algemene wet
bestuursrecht naar voren worden gebracht, en adviezen van de krachtens
artikel 2.26aangewezen adviseurs kunnen mede betrekking hebben op het
ontwerp van de verklaring. Voor zover dat het geval is, zendt het
bevoegd gezag ze onverwijld aan het bestuursorgaan dat de verklaring
geeft. Dit deelt zijn oordeel daarover mee aan het bevoegd gezag.
4. Indien dat met het oog op de voorbereiding van de verklaring
nodig is, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is de verklaring te
geven, het bevoegd gezag verzoeken de termijn waarbinnen de beslissing
op de aanvraag moet worden genomen, te verlengen met toepassing van
artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht juncto
artikel 3.12, achtste lid. Het bevoegd gezag verlengt de termijn
overeenkomstig het verzoek.
Artikel 3.12
1. Het bevoegd gezag neemt bij de toepassing van de afdelingen 3.4
en 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht het bepaalde in de volgende
leden en deartikelen 3.13 en 3.14 in acht.
2. Een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12 van de Algemene wet
bestuursrecht en een mededeling als bedoeld in artikel 3:44 van die
wet worden:
a. in de Staatscourant geplaatst, voor zover dat bij algemene
maatregel van bestuur is voorgeschreven;
b. tevens langs elektronische weg gedaan en beschikbaar
gesteld, voor zover en op de wijze waarop dat bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur is voorgeschreven;
c. indien toepassing is gegeven aan artikel 2.12, eerste lid,
aanhef en onder a, onder 3°, gezonden aan diegenen die in de
kadastrale registratie staan vermeld als eigenaar van de in het
ontwerpbesluit begrepen gronden of als beperkt gerechtigde op die
gronden, voor zover dat nodig is met het oog op de toepassing van
artikel 85 van de onteigeningswet.
3. In gevallen waarin een ander bestuursorgaan dan burgemeester en
wethouders bevoegd gezag is, ligt het ontwerpbesluit, met de daarop
betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een
beoordeling van het ontwerpbesluit, tevens ter inzage in de gemeente
waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt
uitgevoerd.
4. Het bevoegd gezag zendt het orgaan dat bevoegd is een verklaring
te geven en in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
aangewezen categorieën gevallen de daarbij aangewezen bestuursorganen
het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken die
redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerpbesluit,
alsmede een afschrift van de beschikking op de aanvraag om een
omgevingsvergunning.
5. Eenieder kan zienswijzen bij het bevoegd gezag naar voren
brengen. Voor zover een ontwerpbesluit zijn grondslag vindt in een
aanwijzing als bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, die betrekking
heeft op een daarbij concreet aangegeven plaats, kunnen zienswijzen
daarop geen betrekking hebben.
6. Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2.26
kan worden bepaald dat in daarbij aangewezen categorieën gevallen een
andere, daarbij aan te geven termijn geldt voor het uitbrengen van
advies, dan die bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene wet
bestuursrecht.
7. In afwijking van artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vangt de beslistermijn, bedoeld in dat lid, aan op de
dag na de datum waarop het orgaan, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid,
de aanvraag heeft ontvangen.
8. De in artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht bedoelde termijn voor verlenging van de termijn
waarbinnen het bevoegd gezag op de aanvraag beslist, bedraagt ten
hoogste zes weken. De termijn waarbinnen het bevoegd gezag op de
aanvraag beslist, kan ten hoogste eenmaal worden verlengd. De
verlenging en de duur daarvan wordt, met inachtneming van de in
artikel 3:18, tweede lid, bedoelde termijn van acht weken, gemotiveerd
aan de aanvrager medegedeeld. Artikel 31, vierde lid, van de
Dienstenwet is niet van toepassing.
Artikel 3.13
1. In gevallen waarin toepassing is gegeven aan artikel 2.12,
eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, en gedeputeerde staten of de
inspecteur daaromtrent een zienswijze naar voren hebben gebracht, die
niet is overgenomen, wordt de beschikking op de aanvraag hun
onverwijld toegezonden en wordt zij eerst zes weken na die toezending
bekendgemaakt.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid kunnen gedeputeerde
staten, onderscheidenlijk Onze Minister, onverminderd andere aan hen
toekomende bevoegdheden, binnen de in dat lid genoemde termijn met
betrekking tot het betrokken onderdeel van de beschikking op de
aanvraag aan het bevoegd gezag een aanwijzing als bedoeld in artikel
4.2, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 4.4, eerste lid, onder a,
van de Wet ruimtelijke ordening geven, ertoe strekkende dat het
onderdeel geen deel blijft uitmaken van de beschikking op de aanvraag
die is gegeven. De kennisgeving van het besluit tot aanwijzing
geschiedt tevens langs elektronische weg. Artikel 4.2, tweede tot en
met vierde lid, onderscheidenlijk artikel 4.4, tweede tot en met
vierde lid, van die wet is op die aanwijzing niet van toepassing.
3. Gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister vermelden
in het besluit, houdende de aanwijzing, de daaraan ten grondslag
liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die hen beletten het
betrokken provinciaal, onderscheidenlijk nationaal belang met inzet
van andere aan hen toekomende bevoegdheden te beschermen.
4. Indien toepassing is gegeven aan het eerste tot en met derde
lid, wordt de beschikking op de aanvraag tegelijkertijd en op dezelfde
wijze met het besluit, houdende de aanwijzing, bekendgemaakt. In
afwijking van het eerste lid geschiedt die bekendmaking binnen zeven
weken na de toezending, bedoeld in dat lid.
5. Van het besluit houdende de aanwijzing wordt mededeling gedaan
aan diegenen die ten aanzien van het onderdeel van de beschikking op
de aanvraag dat bij dat besluit is betrokken een zienswijze naar voren
hebben gebracht. De termijn voor indiening van een beroepschrift tegen
het besluit houdende de aanwijzing vangt aan met ingang van de dag na
die waarop dit besluit ter inzage is gelegd.
6. Het onderdeel, bedoeld in het tweede lid, vervalt van rechtswege
op het tijdstip dat het besluit, houdende de aanwijzing,
onherroepelijk is geworden.
Artikel 3.14 [Vervallen per 01-01-2012]
§ 3.4. Procedures voor wijziging en intrekking van de
omgevingsvergunning
Artikel 3.15
1. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van
een door het bevoegd gezag ambtshalve gegeven beschikking tot
wijziging van een omgevingsvergunning of voorschriften van een
omgevingsvergunning of tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een
omgevingsvergunning:
a. doet het mededeling van die beschikking in een of meer dag-,
nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze;
b. zendt het in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
categorieën gevallen de daarbij aangewezen bestuursorganen een
afschrift van die beschikking.
2. Met betrekking tot een aanvraag om wijziging van voorschriften
van de omgevingsvergunning of gehele of gedeeltelijke intrekking van
de omgevingsvergunning zijn de artikelen 3.1, 3.8 en 3.9, eerste en
tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien de vergunninghouder
de wijziging van voorschriften van de omgevingsvergunning of de gehele
of gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning aanvraagt, zijn
tevens het derde en vierde lid van artikel 3.9 van overeenkomstige
toepassing.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid is op de voorbereiding
van een beschikking tot wijziging van voorschriften van een
omgevingsvergunning of gehele of gedeeltelijke intrekking van een
omgevingsvergunningparagraaf 3.3 van overeenkomstige toepassing indien
de beschikking betrekking heeft op activiteiten of gevallen als
bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, met uitzondering van activiteiten
als bedoeld in onderdeel c van dat lid met betrekking tot
mijnbouwwerken en van activiteiten als bedoeld in het derde lid van
dat artikel. De eerste volzin geldt niet indien toepassing wordt
gegeven aan artikel 2.32of 3.23.
§ 3.5. Coördinatie met de voorbereiding van beschikkingen krachtens
artikel 6.2 van de Waterwet
Artikel 3.16
In gevallen waarin een omgevingsvergunning of een wijziging van
voorschriften van een omgevingsvergunning wordt aangevraagd op de
voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing is en die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting
waartoe een gpbv-installatie behoort, waarbij sprake is van het lozen
van stoffen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet, worden, indien
daarvoor krachtens artikel 6.2 van die wet een vergunning vereist is op
de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing is, bij de toepassing van deze wet de bepalingen van deze
paragraaf in acht genomen.
Artikel 3.17
Indien in de vergunning krachtens de Waterwet een bepaling wordt
opgenomen als bedoeld in artikel 2.23 over de termijn waarvoor zij
geldt, kan een gelijke bepaling worden opgenomen in de
omgevingsvergunning.
Artikel 3.18
1. De aanvraag om een omgevingsvergunning of wijziging van
voorschriften van een omgevingsvergunning overeenkomstig artikel 2.31
wordt tegelijk ingediend met de aanvraag om verlening of wijziging van
de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet.
2. Indien de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning
krachtens artikel 6.2 van de Waterwet niet is ingediend binnen zes
weken na het tijdstip waarop de aanvraag om de omgevingsvergunning of
wijziging van voorschriften van de omgevingsvergunning is ingediend,
wordt de aanvraag om de omgevingsvergunning buiten behandeling
gelaten.
3. Indien de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning
krachtens artikel 6.2 van de Waterwet buiten behandeling wordt
gelaten, wordt de aanvraag om de omgevingsvergunning eveneens buiten
behandeling gelaten.
Artikel 3.19
1. Het bestuursorgaan dat tot verlening van de vergunning krachtens
artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is, brengt een advies uit met het
oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene
aanvragen. Het advies wordt uitgebracht binnen acht weken na ontvangst
van de aanvraag om de omgevingsvergunning of wijziging van
voorschriften van de omgevingsvergunning. Artikel 3.11, derde lid,
tweede en derde volzin is van overeenkomstige toepassing.
2. Het orgaan dat tot verlening van de vergunning krachtens artikel
6.2 van de Waterwet bevoegd is, wordt voorts in de gelegenheid gesteld
advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de
aanvraag om de omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van
de omgevingsvergunning.
Artikel 3.20
1. Indien burgemeester en wethouders bevoegd zijn de beschikking op
de aanvraag om de omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften
van de omgevingsvergunning te verlenen, kunnen gedeputeerde staten,
indien dat met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de
onderscheidene aanvragen in het belang van de bescherming van het
milieu geboden is, en zo nodig in afwijking van regels, gesteld
krachtens artikel 1.3c van de Wet milieubeheer, op een daartoe
strekkend verzoek van het orgaan dat bevoegd is de vergunning
krachtens artikel 6.2 van de Waterwet te verlenen, aan burgemeester en
wethouders een aanwijzing geven ter zake van de inhoud van die
beschikking.
2. Een aanwijzing wordt gegeven binnen acht weken na de dag waarop
het ontwerp van de beschikking op de aanvraag overeenkomstig artikel
3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is
gelegd. Zij wordt niet gegeven dan na overleg met het bevoegd gezag.
3. De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van het bevoegd
gezag, ter zake waarvan zij is gegeven. Een exemplaar ervan wordt
gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking.
Artikel 3.21
De motivering van de beschikking vermeldt in ieder geval de invloed
die de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen
heeft gehad op de inhoud van de omgevingsvergunning of de beschikking
tot wijziging van voorschriften van de omgevingsvergunning.
Artikel 3.22
Ten aanzien van een wijziging van voorschriften van een
omgevingsvergunning anders dan op aanvraag zijn de artikelen 3.16, 3.17,
3.19, 3.20 en 3.21 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.23
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk
intrekken, indien de krachtens artikel 6.2 van de Waterwet verleende
vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken.
Hoofdstuk 4. Financiële bepalingen
§ 4.1. Financiële zekerheid
Artikel 4.1
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in
daarbij aangewezen categorieën gevallen waarin een
omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit die ernstige
nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben, degene die
de activiteit verricht, verplicht is tot het stellen van financiële
zekerheid:
a. voor het nakomen van krachtens de omgevingsvergunning voor
hem geldende verplichtingen;
b. ter dekking van zijn aansprakelijkheid voor schade die
voortvloeit uit door de activiteit veroorzaakte nadelige gevolgen
voor de fysieke leefomgeving.
2. Bij de maatregel worden regels gesteld met betrekking tot de
vorm waarin, het bedrag waarvoor en de termijn gedurende welke de
zekerheid in stand wordt gehouden en over de voorwaarden waaraan moet
zijn voldaan voordat de verplichting komt te vervallen.
3. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder a, bepaalt het
bevoegd gezag tot welk bedrag het verhaal neemt op de zekerheid bij
het niet-nakomen van een verplichting. Het bevoegd gezag kan het te
verhalen bedrag invorderen bij dwangbevel.
§ 4.2. Vergoeding van kosten en schade
Artikel 4.2
1. Het bevoegd gezag kent degene tot wie een beschikking is gericht
krachtens:
a. artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c of h, voor zover
daaraan in het belang van de archeologische monumentenzorg
voorschriften zijn verbonden,
b. artikel 2.1, eerste lid, onder b of c, voor zover daarbij de
omgevingsvergunning in het belang van de archeologische
monumentenzorg is geweigerd,
c. artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2°, of onder 3°,
junctoartikel 8.1, eerste lid, in gevallen waarin het tweede lid
van dat artikel niet van toepassing is,
d. artikel 2.1, eerste lid, onder f,
e. artikel 2.1, eerste lid, onder i, voor zover dat bij de
krachtens dat onderdeel vastgestelde algemene maatregel van
bestuur is bepaald,
f. artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2° of 3°, met
toepassing vanartikel 2.6, voor zover de rechten die de
vergunninghouder aan al eerder krachtens die onderdelen verleende
vergunningen ontleende, daarbij zijn gewijzigd,
g. artikel 2.19, voor zover dat bij het betrokken wettelijk
voorschrift is bepaald,
h. artikel 2.31, eerste lid, onder a, b of c,
i. artikel 2.31, eerste lid, onder d, voor zover dat bij het
betrokken wettelijk voorschrift is bepaald,
j. artikel 2.33, eerste lid, onder a, b, c, d of e, of tweede
lid, onder e of f,
k. artikel 2.33, eerste lid, onder g, voor zover dat bij het
betrokken wettelijk voorschrift is bepaald,
l. artikel 2.33, tweede lid, onder f of g, voor zover dat bij
de betrokken algemene maatregel van bestuur, onderscheidenlijk
verordening is bepaald, of
m. artikel 2.33, tweede lid, onder h, voor zover dat bij het
betrokken wettelijk voorschrift is bepaald,
en die ten gevolge daarvan kosten maakt of schade lijdt die
redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoren te komen
op zijn verzoek of uit eigen beweging een naar billijkheid te bepalen
vergoeding toe, voor zover niet op andere wijze in een redelijke
vergoeding is of kan worden voorzien.
2. Indien de beschikking op de aanvraag om een vergunning met
toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is
voorbereid, kan een verzoek om vergoeding worden ingediend na de
toezending van het ontwerp van de beschikking aan de aanvrager.
3. Indien het bevoegd gezag advies heeft ingewonnen over een
verzoek om vergoeding of over het voornemen tot toekenning daarvan uit
eigen beweging, zendt het een exemplaar van het advies aan de
belanghebbende. Het vermeldt daarbij de termijn waarbinnen deze zijn
zienswijze over het advies kenbaar kan maken.
Artikel 4.3
1. Voor zover Onze Minister heeft ingestemd met het toekennen van
een vergoeding krachtens artikel 4.2 van kosten of schade ten gevolge
van beschikkingen met betrekking tot activiteiten met betrekking tot
inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, komen de
kosten daarvan ten laste van het Rijk.
2. In gevallen waarin het bevoegd gezag een beschikking als bedoeld
inartikel 4.2, eerste lid, heeft gegeven ter uitvoering van een
verzoek van een bestuursorgaan, als bedoeld in artikel 2.29, eerste
lid, tweede volzin, onder a, komen de kosten van de vergoeding, voor
zover het de uitvoering van dat verzoek betreft, ten laste van dat
bestuursorgaan, voor zover Onze Minister daarmee niet heeft ingestemd.
3. Voor zover het bevoegd gezag een beschikking als bedoeld in
artikel 4.2, eerste lid, heeft gegeven vanwege het van toepassing
worden van bepalingen van een provinciale milieuverordening als
bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer,
houdende een verbod tot het in werking hebben, veranderen of
veranderen van de werking van inrichtingen, met betrekking tot een
inrichting die al was opgericht op het moment waarop de betrokken
bepaling van toepassing werd, komen de kosten van de schadevergoeding
ten laste van de provincie, voor zover gedeputeerde staten daarmee
hebben ingestemd.
Hoofdstuk 5. Bestuursrechtelijke handhaving
§ 5.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.1
Dit hoofdstuk is van toepassing met betrekking tot de handhaving van
het bij of krachtens deze wet bepaalde, alsmede met betrekking tot de
handhaving van het bepaalde bij of krachtens de:
– Flora-en faunawet,
– Kernenergiewet,
– Monumentenwet 1988,
– Natuurbeschermingswet 1998,
– Ontgrondingenwet,
– Wet bescherming Antarctica,
– Wet bodembescherming,
– Wet geluidhinder,
– Wet inzake de luchtverontreiniging,
– Wet milieubeheer,
– Wet ruimtelijke ordening,
– Waterwet en
– Woningwet,
voor zover dit bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald.
Artikel 5.2
1. Het bevoegd gezag heeft tot taak:
a. zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de
op grond van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten
voor degene die het betrokken project uitvoert, geldende
voorschriften;
b. gegevens die met het oog op de uitoefening van de taak als
bedoeld onder a van belang zijn, te verzamelen en te registreren;
c. klachten te behandelen die betrekking hebben op de naleving
van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten met
betrekking tot het uitvoeren van het betrokken project.
2. Indien met betrekking tot het uitvoeren van het betrokken
project door het bevoegd gezag een beschikking tot oplegging van een
last onder bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of
intrekking van een vergunning op grond van artikel 5.19 is gegeven en,
nadat die beschikking is gegeven, als gevolg van een verandering van
het betrokken project een ander bestuursorgaan bevoegd wordt de
vergunning te verlenen, blijft het bestuursorgaan dat de beschikking
heeft gegeven, bevoegd met betrekking tot die beschikking totdat zij
a. onherroepelijk is geworden en is tenuitvoergelegd, of de
dwangsom is ingevorderd, of
b. is ingetrokken, of de bij de beschikking opgelegde last
onder dwangsom overeenkomstig artikel 5:34 van de Algemene wet
bestuursrecht is opgeheven.
3. Bij het uitoefenen van de taak, bedoeld in het eerste lid, houdt
het bevoegd gezag, voorzover er sprake is van een activiteit met
betrekking tot een inrichting of mijnbouwwerk, rekening met het voor
hem geldende milieubeleidsplan.
4. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen
categorieën gevallen heeft tevens het bestuursorgaan dat bevoegd is
een verklaring te geven als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, tot
taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving, bedoeld in
het eerste lid, onder a. Deze taak blijft beperkt tot de activiteiten
van het project waarvoor de verklaring is vereist. Op het uitoefenen
van deze taak is het derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.2a
1. Voor zover dit hoofdstuk bij of krachtens een in artikel 5.1
genoemde wet van toepassing is, en een orgaan van een waterschap een
bij of krachtens dit hoofdstuk gevorderde beslissing niet of niet naar
behoren neemt dan wel een bij of krachtens dit hoofdstuk gevorderde
handeling niet of niet naar behoren verricht, zijn de artikelen 121
tot en met 121g van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid zijn, voor zover § 5.2 bij of
krachtens een in artikel 5.1 genoemde wet van toepassing is en een
orgaan van een waterschap een bij of krachtens § 5.2 gevorderde
beslissing niet of niet naar behoren neemt dan wel een bij of
krachtens § 5.2 gevorderde handeling niet of niet naar behoren
verricht, zijn de artikelen 124, 124a en 124c tot en met 124i van de
Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
3. Hoofdstuk XVIII van de Provinciewet is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van door een orgaan van een waterschap bij of
krachtens dit hoofdstuk genomen besluiten en niet-schriftelijke
beslissingen, gericht op enig rechtsgevolg.
4. In afwijking van het derde lid is hoofdstuk XVII van de
Gemeentewet van overeenkomstige toepassing ten aanzien van door een
orgaan van een waterschap bij of krachtens § 5.2 genomen besluiten en
niet-schriftelijke beslissingen, gericht op enig rechtsgevolg.
§ 5.2. Afstemming en coördinatie in het belang van een doelmatige
handhaving
Artikel 5.3
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden in het belang van een
doelmatige handhaving regels gesteld. De maatregel bevat geen regels
met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.
2. Bij de maatregel worden in ieder geval regels gesteld met
betrekking tot een strategische, programmatische en onderling
afgestemde uitoefening van de handhavingsbevoegdheden door de
bestuursorganen die belast zijn met de bestuursrechtelijke handhaving
van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten en van het
toezicht op de naleving door de onder hun gezag werkzame
toezichthouders.
3. Bij de maatregel kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
de afstemming van de werkzaamheden van de bestuursorganen en
toezichthouders, bedoeld in het tweede lid, op die van andere organen
en ambtenaren die belast zijn met de handhaving van het bepaalde bij
of krachtens de betrokken wetten.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen, in overeenstemming met
Onze betrokken Minister, nadere regels worden gesteld met betrekking
tot het bepaalde bij de maatregel.
Artikel 5.4
Gedeputeerde staten dragen zorg voor de coördinatie van de
uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 5.3 in de provincie.
Artikel 5.5
1. Ter uitvoering van artikel 5.4 wordt in iedere provincie
regelmatig overleg gevoerd tussen de bestuursorganen die belast zijn
met de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken
wetten.
2. Gedeputeerde staten stellen voor dat overleg een of meer
overlegorganen in. Aan het overleg kunnen, op uitnodiging, andere
organen en ambtenaren, die belast zijn met de handhaving van het
bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten, deelnemen.
3. In dat overleg maken die bestuursorganen in ieder geval
afspraken over de wijze waarop zij uitvoering zullen geven aan het
bepaalde krachtensartikel 5.3 en aan artikel 5.4 en over de
voorzieningen die zij voor die uitvoering zullen treffen.
Artikel 5.6
Onze Minister draagt zorg voor de coördinatie van de uitvoering van
het bepaalde krachtens artikel 5.3, voorzover die coördinatie naar zijn
oordeel van meer dan provinciaal belang is.
Artikel 5.7 [Vervallen per 01-10-2012]
Artikel 5.8
1. Gedeputeerde staten kunnen, indien zij hebben vastgesteld dat
een behoorlijke uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 5.3 in
de provincie onvoldoende gewaarborgd is, gemeenten of waterschappen
aanwijzen waarvan burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de
dagelijkse besturen een gemeenschappelijke regeling moeten treffen als
bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, ter behartiging van
het belang van een doelmatige handhaving. Artikel 99, eerste lid, van
die wet is niet van toepassing. Een waterschap wordt niet aangewezen
dan nadat Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming
met Onze Minister heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen
heeft.
2. Gedeputeerde staten houden bij een aanwijzing rekening met de
regio’s die overeenkomstig de bijlage, behorend bij de Wet
veiligheidsregio’s, zijn vastgesteld.
3. Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde bepalen dat de
provincie deelneemt aan een regeling. Indien een aan te wijzen
waterschap in meer dan een provincie ligt, geschiedt de aanwijzing in
overeenstemming met gedeputeerde staten van de betrokken provincie.
4. Bij de regeling wordt een openbaar lichaam als bedoeld in
artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen
ingesteld.
5. Bij de regeling worden door de deelnemende gemeenten of
waterschappen aan het bestuur van het openbaar lichaam ten minste de
volgende taken opgedragen:
a. het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij
of krachtens de betrokken wetten, het verzamelen en registreren
van gegevens, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder b, en het
behandelen van klachten, bedoeld in dat artikellid, onder c, en
b. het voorbereiden en het uitvoeren van door burgemeester en
wethouders van een deelnemende gemeente of van door het dagelijks
bestuur van een deelnemend waterschap te geven, of gegeven
beschikkingen tot oplegging van een last onder bestuursdwang,
oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een
vergunning of ontheffing op grond van artikel 5.19.
6. Gedeputeerde staten doen van het besluit, houdende de
aanwijzing, mededeling door overlegging van het besluit aan Onze
betrokken Minister en aan provinciale staten en door plaatsing ervan
in de Staatscourant.
Artikel 5.9 [Vervallen per 01-10-2012]
§ 5.3. Aanwijzing ambtenaren met toezichthoudende of
opsporingsbevoegdheden
Artikel 5.10
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de
betrokken wet bepaalde, zijn belast de bij besluit van Onze betrokken
Minister aangewezen ambtenaren. Ambtenaren, ressorterende onder een
ander dan zijn ministerie, wijst hij niet aan dan in overeenstemming
met Onze Minister onder wiens ministerie zij ressorteren.
2. Voor de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren,
ressorterende onder een ander ministerie dan dat van Onze betrokken
Minister, worden regels betreffende de vervulling van hun in het
eerste lid bedoelde taak niet gesteld dan in overeenstemming met Onze
betrokken Minister.
3. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de
betrokken wet bepaalde binnen hun ambtsgebied zijn eveneens belast de
bij besluit van gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders of
andere met de uitvoering van de betrokken wet belaste bestuursorganen
aangewezen ambtenaren.
4. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid kan Onze betrokken
Minister gevallen of categorieën gevallen aanwijzen met betrekking
waartoe, in afwijking van het derde lid bij zijn besluit aangewezen
ambtenaren uitsluitend belast zijn met het toezicht op de naleving.
5. Van een besluit als bedoeld in het eerste en vierde lid, wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 5.11 [Vervallen per 01-10-2012]
Artikel 5.12
1. Met de opsporing van de bij of krachtens de betrokken wet
strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het
Wetboek van Strafvordering, belast de in artikel 5.10 bedoelde
ambtenaren, voor zover zij bij besluit van Onze Minister van
Veiligheid en Justitie daartoe zijn aangewezen. Deze ambtenaren zijn
tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de
artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht,
voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of
handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 5.13
De ambtenaren die zijn belast met het toezicht op de naleving of de
opsporing van strafbaar gestelde feiten ter zake van het bepaalde bij of
krachtens:
a. deze wet met betrekking tot activiteiten als bedoeld in:
1°. artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, e, voorzover
deze betrekking hebben op gevaarlijke afvalstoffen, f, g en h,
2°. artikel 2.1, eerste lid, onder i, voor zover dat bij de
betrokken algemene maatregel van bestuur is bepaald, en
3°. artikel 2.2, voor zover dat bij de betrokken verordening
is bepaald,
b. de Monumentenwet 1988,
c. de Wet milieubeheer, ten aanzien van gevaarlijke afvalstoffen,
d. de Wet ruimtelijke ordening en
e. de hoofdstukken I tot en met IV van de Woningwet,
zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning
te betreden zonder toestemming van de bewoner.
§ 5.4. Last onder bestuursdwang, last onder dwangsom en intrekking
van een vergunning of ontheffing
Artikel 5.14
Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot bestuursrechtelijke handhaving
is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving
van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor
zover het betreft de verplichting tot het verlenen van medewerking aan
de krachtens artikel 5.10 aangewezen ambtenaren.
Artikel 5.15
Onze betrokken Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de
betrokken wet in gevallen waarin:
a. hem de zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving daarvan is
opgedragen, of
b. geen ander bestuursorgaan daartoe bevoegd is.
Artikel 5.16
Het bestuursorgaan dat een beschikking tot oplegging van een last
onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom heeft
gegeven terzake van overtreding van het bepaalde waarvoor bij of
krachtens de betrokken wetten ook andere organen bevoegd zijn tot
bestuursrechtelijke handhaving, zendt die organen onverwijld een
exemplaar van die beschikking.
Artikel 5.17
Een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of
oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het
bepaalde bij of krachtens de betrokken wet kan inhouden dat het bouwen,
gebruiken of slopen van een bouwwerk wordt gestaakt of dat
voorzieningen, met inbegrip van het slopen van een bouwwerk, gericht op
het tegengaan of beëindigen van gevaar voor de gezondheid of de
veiligheid worden getroffen.
Artikel 5.18
Bij een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of
oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het
bepaalde bij of krachtens de betrokken wet kan het bestuursorgaan dat
het besluit heeft genomen bepalen dat het besluit mede geldt jegens de
rechtsopvolger van degene aan wie het besluit is opgelegd alsmede jegens
iedere verdere rechtsopvolger. In dat geval kan het besluit, tenzij
bijzondere omstandigheden zich daartegen naar het oordeel van dat
bestuursorgaan verzetten, jegens die rechtsopvolger of iedere verdere
rechtsopvolger worden ten uitvoer gelegd en kunnen de kosten van die
tenuitvoerlegging en een te innen dwangsom bij die rechtsopvolger of
verdere rechtsopvolger worden ingevorderd.
Artikel 5.19
1. Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing
te verlenen, kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk
intrekken, indien:
a. de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of
onvolledige opgave is verleend;
b. niet overeenkomstig de vergunning of ontheffing is of wordt
gehandeld;
c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften
of beperkingen niet zijn of worden nageleefd;
d. de voor de houder van de vergunning of ontheffing als
zodanig geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd.
2. Een vergunning of ontheffing, die betrekking heeft op het beheer
van gevaarlijke afvalstoffen, of van andere afvalstoffen die van
elders afkomstig zijn, kan, voor zover zij het beheer van afvalstoffen
betreft, tevens worden ingetrokken, indien op grond van hoofdstuk 10
van de Wet milieubeheer voor de houder geldende voorschriften niet
worden nageleefd.
3. Een bestuursorgaan gaat niet tot intrekking als bedoeld in het
eerste of tweede lid over dan nadat het de betrokkene de gelegenheid
heeft geboden binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen
alsnog in overeenstemming te brengen met de vergunning of ontheffing,
onderscheidenlijk de voorschriften of algemene regels, bedoeld in het
eerste of tweede lid, na te leven.
4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning tevens geheel of
gedeeltelijk intrekken:
a. in gevallen als bedoeld in artikel 2.25, derde lid, indien
het project niet overeenkomstig het krachtens dat artikellid
bepaalde wordt uitgevoerd door een ander dan degene aan wie de
vergunning is verleend;
b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3
van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur;artikel 2.20, tweede lid, is in dat geval van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.20
1. Een bestuursorgaan dat bij de totstandkoming van de vergunning
of ontheffing bevoegd was een verklaring als bedoeld in artikel 2.27,
eerste lid, te geven of advies uit te brengen kan een bestuursorgaan
dat op grond van dit hoofdstuk bevoegd is tot oplegging van een last
onder bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of
intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe
strekkende beschikking te geven.
2. In gevallen waarin vanuit een inrichting of mijnbouwwerk
afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de
inzameling en het transport van afvalwater worden gebracht tengevolge
waarvan:
a. de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk,
bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet wordt
belemmerd, of
b. de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een
EU-richtlijn of EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen voor
oppervlaktewaterlichamen worden overschreden,
kan het bestuursorgaan dat zorg draagt voor het beheer van het
zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de
Waterwet, of het oppervlaktewaterlichaam waarop het afvalwater vanuit
de voorziening wordt gebracht, voor zover dat nodig is om die gevolgen
te beperken of weg te nemen, een verzoek doen, als bedoeld in het
eerste lid en geeft het bevoegde bestuursorgaan daaraan gevolg, voor
zover dat niet in strijd is met het belang van de bescherming van het
milieu.
Artikel 5.21
1. Indien meer dan een bestuursorgaan bevoegd is tot
bestuursrechtelijke handhaving geeft het bestuursorgaan waarbij een
verzoek tot oplegging van een last onder bestuursdwang, oplegging van
een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing
is ingediend, een beschikking op het verzoek.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. een ander bestuursorgaan dat eveneens bevoegd is tot
handhaving, schriftelijk heeft verklaard het verzoek in
behandeling te willen nemen, en
b. het bestuursorgaan waarbij het verzoek tot oplegging van een
last onder bestuursdwang is ingediend, het verzoek binnen twee
weken na de datum waarop het is ontvangen, heeft doorgezonden aan
dat andere bestuursorgaan.
3. In een geval als bedoeld in het tweede lid:
a. deelt het bestuursorgaan waarbij het verzoek is ingediend,
onverwijld aan de afzender mede dat zijn verzoek is doorgezonden;
b. geeft het bestuursorgaan waaraan het verzoek is
doorgezonden, een beschikking op het verzoek.
Artikel 5.22
Indien het verzoek wordt ingewilligd, voegt het bestuursorgaan bij de
bekendmaking van de beschikking aan de verzoeker een exemplaar van de
beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang, oplegging
van een last onder dwangsom of intrekking van de vergunning of
ontheffing.
Artikel 5.23
Het bestuursorgaan zendt een exemplaar van de beschikking tot
oplegging van een last onder bestuursdwang, tot oplegging van een last
onder dwangsom of tot intrekking van zodanige beschikkingen of van de
beschikking tot intrekking van een vergunning of ontheffing aan de
inspecteur en de andere bij of krachtens artikel 2.26 aangewezen
adviseurs.
§ 5.5 [Vervallen per 01-10-2012]
Artikel 5.24 [Vervallen per 01-10-2012]
Artikel 5.25 [Vervallen per 01-10-2012]
§ 5.6. Verhaal van kosten
Artikel 5.26
1. Een overheidslichaam kan – behoudens matiging door de rechter–
de te zijnen laste komende kosten van het beheer van afvalstoffen ten
aanzien waarvan in strijd is gehandeld met het bij of krachtens deze
wet of de Wet milieubeheer bepaalde, verhalen op degene door wiens
onrechtmatige daad die kosten zijn veroorzaakt, of op degene die
anderszins krachtens burgerlijk recht buiten overeenkomst
aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan.
2. Een overheidslichaam kan in een geval als bedoeld in het eerste
lid, overeenkomstig de regels betreffende ongerechtvaardigde
verrijking, de daar bedoelde kosten verhalen op degene die door het
beheer van de betrokken afvalstoffen ongerechtvaardigd wordt verrijkt.
3. Voor de toepassing van dit artikel is niet vereist dat op het
tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde handeling met de in dat
lid bedoelde afvalstoffen zich heeft voorgedaan, al jegens de overheid
onrechtmatig werd gehandeld.
Hoofdstuk 6. Inwerkingtreding beschikkingen en rechtsbescherming
Artikel 6.1
1. Een beschikking krachtens deze wet treedt in werking met ingang
van de dag na haar bekendmaking.
2. In afwijking van het eerste lid treedt een beschikking in
werking met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in
artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, voor het indienen van:
a. een bezwaarschrift indien het een omgevingsvergunning
betreft met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onder b, f, g of h, of 2.2, eerste lid, onder b,
c of g, of een wijziging van voorschriften van een
omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit als
hiervoor bedoeld;
b. een beroepschrift in gevallen waarin zij is voorbereid met
toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Indien in gevallen als bedoeld in het tweede lid, gedurende de
daar bedoelde termijn bij de bevoegde rechter een verzoek om
voorlopige voorziening is gedaan, treedt de beschikking niet in
werking voordat op dat verzoek is beslist.
4. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van een
overeenkomstigartikel 3.9, derde lid, van rechtswege verleende
vergunning opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet
bestuursrecht, is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op dit
bezwaar is beslist. De vergunninghouder kan de voorzieningenrechter
van de rechtbank verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van
de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
5. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onder i, of een verordening als bedoeld in artikel
2.2, tweede lid, kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij
aangewezen activiteiten het tweede en derde lid van overeenkomstige
toepassing zijn in daarbij aangewezen categorieën gevallen.
Artikel 6.2
In gevallen waarin het onverwijld in werking treden van een
beschikking als bedoeld in artikel 6.1 naar het oordeel van het bevoegd
gezag nodig is, kan het in afwijking van dat artikel bepalen dat zij
terstond na haar bekendmaking in werking treedt.
Artikel 6.2a
Onverminderd artikel 6.1 treedt een omgevingsvergunning met
betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder a, b, g of h, indien voor die activiteit tevens een vergunning als
bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is vereist,
niet eerder in werking dan nadat die vergunning in werking is getreden.
Artikel 6.2b
Onverminderd artikel 6.1 treedt een omgevingsvergunning met
betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder a, indien die activiteit tevens is aan te merken als het oprichten
of wijzigen van een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in
artikel 15, aanhef en onderdeel b, van de Kernenergiewet is vereist,
niet eerder in werking dan nadat die vergunning in werking is getreden.
Artikel 6.2c
1. Onverminderdartikel 6.1 treedt een omgevingsvergunning met
betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder a, indien het te bouwen bouwwerk een bouwwerk betreft als
bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Woningwet en het bevoegd gezag
op basis van het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid,
onderdeel c, van die wet, dan wel uit anderen hoofde een redelijk
vermoeden heeft dat ter plaatse van het bouwwerk sprake is van een
geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wet
bodembescherming, niet eerder in werking dan nadat:
a. op grond van artikel 29, eerste lid, in samenhang met
artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming is vastgesteld
dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten
aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is en het
desbetreffende besluit in werking is getreden,
b. op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet
bodembescherming met het saneringsplan, bedoeld in het eerste lid
van dat artikel, is ingestemd en het desbetreffende besluit in
werking is getreden, of
c. een melding van een voornemen tot sanering als bedoeld in
artikel 39b, derde lid, van de Wet bodembescherming is gedaan en
de bij of krachtens het vierde lid van dat artikel gestelde
termijn is verstreken.
2. Bij de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, vermeldt
het bevoegd gezag of het een vermoeden heeft als bedoeld in dat lid.
Artikel 6.3
1. Indien een vergunning met toepassing van artikel 2.5 in fasen
wordt verleend, treden – in afwijking van de artikelen 6.1en 6.2a
tot en met 6.2c – de beschikkingen met betrekking tot de eerste en
tweede fase op dezelfde dag in werking. Deze dag is de laatste van de
dagen waarop de beschikkingen, met toepassing van de artikelen 6.1 en
6.2a tot en met 6.2c, elk afzonderlijk in werking zouden treden.
2. In gevallen waarin de vergunning met toepassing van artikel 2.5
in fasen wordt verleend en de beschikkingen in de eerste en de tweede
fase tegelijkertijd in bezwaar of beroep aanhangig zijn, worden die
beschikkingen voor de behandeling in bezwaar, onderscheidenlijk beroep
als één besluit aangemerkt.
Artikel 6.4
Indien in een geval als bedoeld in artikel 3.16beroep is ingesteld
tegen een beschikking op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in
artikel 6.2 van de Waterwet en krachtens artikel 2.1 of 2.2 een daarmee
samenhangende beschikking is gegeven met betrekking tot een
omgevingsvergunning, heeft het beroep, voor zover het die samenhang
betreft, ook betrekking op de laatstbedoelde beschikking.
Artikel 6.5
1. Het beroep tegen een beschikking inzake een verklaring als
bedoeld in artikel 2.27 kan door het ten aanzien van de beschikking
waarop de verklaring betrekking heeft, bevoegde gezag eerst worden
ingesteld nadat die beschikking is bekendgemaakt.
2. In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht
vangt de beroepstermijn in een geval als bedoeld in het eerste lid aan
met ingang van de dag na de dag waarop overeenkomstig artikel 3.9,
eerste of vierde lid, of artikel 3:44 van de Algemene wet
bestuursrecht mededeling is gedaan van de beschikking waarop de
verklaring of het verzoek betrekking heeft. De bepalingen met
betrekking tot het beroep tegen die beschikking zijn van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot het beroep tegen de
beschikking inzake de verklaring of de aanwijzing.
Artikel 6.5a [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 6.5b
1. De stichting, bedoeld in artikel 20.15 van de Wet milieubeheer,
heeft tevens tot taak aan de bestuursrechter op diens verzoek
deskundigenbericht uit te brengen inzake beroepen op grond van deze
wet.
2. Artikel 20.17 van de Wet milieubeheer is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 6.6 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 6.7 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 6.8 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 6.9 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 6.10 [Vervallen per 01-10-2010]
Hoofdstuk 7. Verdere bepalingen
Artikel 7.1
Voor de uitvoering van deze wet ten aanzien van gebieden die niet
deel uitmaken van een provincie of gemeente, worden, voor zover nodig,
bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld ten aanzien van de
bestuursorganen die de in deze wet vervatte bevoegdheden uitoefenen, en
ten aanzien van de bestuursorganen die bij die uitvoering dienen te
worden betrokken.
Artikel 7.2
1. Onze Minister zendt binnen vijf jaar nadat deze wet in werking
treedt, aan de Staten-Generaal een verslag omtrent de werking van deze
wet in de praktijk.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid.
Deze regels kunnen voor daarbij aangewezen bestuursorganen de
verplichting inhouden op een daarbij aan te geven wijze de gegevens te
verstrekken, die voor de opstelling van het verslag nodig zijn.
Artikel 7.3
1. Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een
goede uitvoering van deze wet nadere regeling behoeven, kan deze
geschieden bij algemene maatregel van bestuur.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 7.4
De voordracht voor een krachtens artikel 1.1, derde lid, 2.1, eerste
lid, onder d, 2.1, derde lid, 2.4, tweede of derde lid, 2.8, eerste
lid,2.9, tweede lid, 2.22, derde lid, 2.23, tweede lid, 2.24, eerste
lid,2.25, tweede of derde lid, 2.27, eerste of derde lid, 2.29, eerste
lid, onder a, 3.9, eerste lid, onder b, 3.12, tweede lid, onder a,
vierde of zesde lid, 4.1, eerste lid, of 5.3 vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 7.5
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in de
gevallen waarin een van Onze Ministers het bevoegd gezag is aan een
provincie, gemeente of waterschap een alleenrecht als bedoeld in
artikel 18 van richtlijn nr. 2004/18/EG van het Europees Parlement en
de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de
procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken,
leveringen en diensten (PbEG L 134) wordt verleend met betrekking tot
daarbij aangewezen categorieën werkzaamheden in het kader van de
voorbereiding van een beschikking met betrekking tot een
omgevingsvergunning of in het kader van bezwaar of beroep tegen een
beschikking met betrekking tot een omgevingsvergunning.
2. Bij provinciale verordening kan worden bepaald dat in de
gevallen waarin gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn aan een
gemeente of waterschap een alleenrecht als bedoeld in het eerste lid
wordt verleend met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën
werkzaamheden in het kader van de voorbereiding van een beschikking
met betrekking tot een omgevingsvergunning of in het kader van bezwaar
of beroep tegen een beschikking met betrekking tot een
omgevingsvergunning.
3. Een alleenrecht kan slechts worden verleend:
a. aan de provincie of gemeente waar een activiteit waarop de
voorbereiding van de beschikking betrekking heeft, in hoofdzaak
wordt verricht of zal worden verricht,
b. voor zover de voorbereiding van de beschikking betrekking
heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder e, waarbij vanuit een inrichting of mijnbouwwerk afvalwater
of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en
het transport van afvalwater zijn of worden gebracht, aan het
waterschap waartoe het bestuursorgaan behoort dat zorg draagt voor
het beheer van het zuiveringstechnisch werk of het
oppervlaktewater waarop het afvalwater vanuit die voorziening
wordt gebracht.
4. Een wijziging van artikel 18 van de richtlijn, bedoeld in het
eerste lid, gaat voor de toepassing van het eerste en tweede lid
gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 7.6
1. Er is een landelijke voorziening waarin gegevens en bescheiden
worden opgenomen die betrekking hebben op aanvragen om een
omgevingsvergunning die geheel of gedeeltelijk elektronisch worden
ingediend alsmede op aanvragen om daarop volgende beschikkingen.
2. Het bevoegd gezag en de bestuursorganen die zijn betrokken bij
de beslissing omtrent de verlening van een omgevingsvergunning, maken
gebruik van de voorziening, bedoeld in het eerste lid. Het bevoegd
gezag draagt zorg voor het beheer van de in de voorziening opgenomen
gegevens en bescheiden en de verstrekking daarvan aan de
bestuursorganen, bedoeld in de eerste volzin. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent
dat beheer en die verstrekking.
3. Onze Minister draagt zorg voor de inrichting, instandhouding,
werking en beveiliging van de voorziening, bedoeld in het eerste lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de inrichting, instandhouding, werking en
beveiliging van die voorziening.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 8.1
1. Indien voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder e, met betrekking tot een inrichting, het in de aanhef van
dat artikel bedoelde verbod op enig tijdstip gaat gelden, dat voor die
activiteit voordien niet gold, kan de activiteit indien daarmee op dat
tijdstip al was begonnen, zonder vergunning worden voortgezet tot
twaalf weken na dat tijdstip en, indien binnen die termijn een
aanvraag om de vereiste omgevingsvergunning is ingediend, vervolgens
tot acht weken na het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag in
werking is getreden.
2. Indien het verbod gaat gelden ten gevolge van een verandering
van de activiteit, is het eerste lid niet van toepassing voor zover
het die verandering betreft.
3. Indien voor de activiteit algemene regels golden voor het
tijdstip waarop het verbod daarvoor ging gelden, blijven die regels
voor de activiteit van toepassing gedurende de periode waarin zij
zonder vergunning mag worden verricht.
Artikel 8.2
1. Indien bij of krachtens een wettelijk voorschrift of door een
verandering van een project de bevoegdheid te beslissen op aanvragen
om een omgevingsvergunning overgaat naar een ander bestuursorgaan,
worden de voor dat project al verleende omgevingsvergunningen
gelijkgesteld met omgevingsvergunningen, verleend door dat andere
bestuursorgaan.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot een overgang als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8.3
1. Deze wet is, voor zover deze betrekking heeft op
activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, niet van
toepassing op inrichtingen waarvoor een vergunning is vereist
krachtens artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet, behoudens voor
zover uit de bepalingen van die wet anders blijkt. Deze wet is evenmin
van toepassing op inrichtingen, voor zover daarvoor bij of krachtens
andere dan in de eerste volzin genoemde bepalingen van die wet
vergunning is vereist of algemene voorschriften gelden, behoudens voor
zover uit de bij of krachtens die wet gestelde bepalingen anders
blijkt.
2. Deze wet is, voor zover deze betrekking heeft op activiteiten
als bedoeld inartikel 2.1, eerste lid, onder e, niet van toepassing op
inrichtingen of mijnbouwwerken, voor zover daarvoor een vergunning is
vereist of algemene voorschriften gelden krachtens de artikelen 3.1,
3.3 tot en met 3.6, 6.4 en 7.1 van de Wet dieren met betrekking tot
dierlijke bijproducten of de Waterwet, behoudens voor zover uit de
bepalingen van die wetten anders blijkt.
3. Deze wet is, voor zover deze betrekking heeft op
activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, niet van
toepassing op inrichtingen waarin van buiten de inrichting afkomstige
dierlijke meststoffen in de zin van de Meststoffenwet worden bewaard,
bewerkt, verwerkt of vernietigd, voor zover het een doelmatig beheer
van die stoffen betreft.
Artikel 8.4
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 8.5
Deze wet wordt aangehaald als: Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 6 november 2008
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.M. Cramer
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.H.A. Plasterk
Uitgegeven de vierde december 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|