|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 25 maart 2010 tot vaststelling van overgangsrecht en
wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
noodzakelijk is met het oog op de invoering van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht in overgangsrecht te voorzien en een groot
aantal wetten aan te passen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Wijzigingen in de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht en overgangsrecht
§ 1.1. Wijzigingen in de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht
Artikel 1.1
[Wijzigt de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht]
§ 1.2. Overgangsrechtelijke bepalingen
Artikel 1.2
1. Een vergunning of ontheffing als
bedoeld in:
a. artikel 2.11.1, eerste lid, of
3.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken,
b. artikel 40 van de Mijnbouwwet
die niet van toepassing is op het continentaal plat,
c. artikel 11, tweede lid, van de
Monumentenwet 1988 die niet van toepassing is op archeologische
monumenten,
d. artikel 37 van de Monumentenwet
1988,
e. artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer,
f. artikel 3.3, onder a of b, 3.6,
eerste lid, onder c, 3.7, derde of vierde lid, 3.22, eerste lid,
3.23, eerste lid, 3.38, derde, vierde of zesde lid, artikel 4.1,
derde of vijfde lid, 4.2, derde lid, of 4.3, derde of vierde lid,
4.4, derde lid, 6.12, zesde lid, of 6.13, tweede lid, onder e, van
de Wet ruimtelijke ordening, of
g. artikel 40 van de Woningwet,
die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van kracht en onherroepelijk is, wordt
voorzover voor de betrokken activiteit een omgevingsvergunning als
bedoeld in artikel 1.1 van die wet is vereist, gelijkgesteld met een
omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit.
2. Het recht zoals dat gold
onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht blijft van toepassing
op:
a. de voorbereiding en vaststelling
van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing
als bedoeld in het eerste lid of een aanvraag om een beschikking
tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een
aanvraag is ingediend,
b. de voorbereiding en vaststelling
van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of
intrekking van een vergunning of ontheffing als bedoeld in het
eerste lid, indien voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage
is gelegd, of
c. een vergunning of ontheffing als
bedoeld in het eerste lid of een beschikking tot wijziging of
intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is.
3. In gevallen als bedoeld in het
tweede lid wordt:
a. een vergunning of ontheffing
gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken
activiteit;
b. een beschikking tot wijziging
van een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een beschikking
tot wijziging van een omgevingsvergunning,
op het tijdstip waarop de betrokken
beschikking onherroepelijk is geworden.
4. Beperkingen waaronder een
beschikking als bedoeld in het eerste of derde lid is verleend, worden
gelijkgesteld met aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
5. In afwijking van het vierde lid
vervalt een beperking of een voorschrift waarbij krachtens artikel
8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat de betrokken
vergunning slechts geldt voor een bepaalde termijn.
Artikel 1.2a
1. Artikel 1.2, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing op een vergunning als bedoeld in artikel
8.1 van de Wet milieubeheer die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht onherroepelijk is, maar in verband met het
bepaalde in artikel 20.8 van de Wet milieubeheer nog niet in werking
is getreden.
2. In gevallen als bedoeld in het
eerste lid, alsmede in gevallen waarin sprake is van een vergunning
als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer waarop artikel 1.2,
tweede en derde lid, van toepassing is, treedt de betrokken
omgevingsvergunning niet eerder in werking dan nadat vergunning is
verleend voor de betrokken bouwactiviteit.
3. In gevallen als bedoeld in het
eerste en tweede lid is artikel 2.7, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing ten aanzien van
activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, van
die wet.
Artikel 1.2b
1. Een omgevingsvergunning voor een
activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht geldt tevens voor veranderingen van de betrokken
inrichting of van de werking daarvan, waarvoor een besluit inhoudende
een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, onder c, van
de Wet milieubeheer is genomen die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van het eerstgenoemde artikel van kracht en
onherroepelijk is.
2. Het recht zoals dat gold
onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht blijft van toepassing
op:
a. de voorbereiding en vaststelling
van het besluit inzake een verklaring als bedoeld in het eerste
lid indien voor dat tijdstip met betrekking tot de voorgenomen
verandering een melding als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid,
onder b, van de Wet milieubeheer is gedaan;
b. een besluit inzake een
verklaring als bedoeld in het eerste lid die nog niet
onherroepelijk is.
Vanaf het tijdstip waarop het betrokken
besluit onherroepelijk is geworden is met betrekking tot dat besluit
het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.2c
Een ontheffing als bedoeld in artikel
3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening die met toepassing van
artikel 4.1.1, eerste lid, onderdeel j, en tweede lid, van het Besluit
ruimtelijke ordening is verleend voor het gebruik van een
recreatiewoning voor bewoning en op grond van artikel 1.2 met een
omgevingsvergunning wordt gelijkgesteld, geldt slechts voor de termijn
gedurende welke degene aan wie de vergunning is verleend de
recreatiewoning onafgebroken bewoont.
Artikel 1.3
1. Indien voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht een aanvraag om bouwvergunning eerste fase als bedoeld
in artikel 56a van de Woningwet is ingediend en op dat tijdstip nog
geen sprake is van zowel een onherroepelijke bouwvergunning eerste
fase als een onherroepelijke bouwvergunning tweede fase, blijft het
onmiddellijk voor dat tijdstip geldende recht van toepassing op:
a. de indiening van een aanvraag om
bouwvergunning tweede fase;
b. de indiening van een gewijzigde
aanvraag om bouwvergunning eerste fase als bedoeld in artikel 56a,
achtste lid, van de Woningwet;
c. de voorbereiding en vaststelling
van een beschikking op een aanvraag of een gewijzigde aanvraag om
bouwvergunning eerste fase en een aanvraag om bouwvergunning
tweede fase;
d. de bouwvergunning eerste fase en
de bouwvergunning tweede fase.
2. De bouwvergunning eerste fase en de
bouwvergunning tweede fase worden gelijkgesteld met een
omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit, op het tijdstip
waarop beide beschikkingen onherroepelijk zijn geworden.
Artikel 1.4
1. Een vergunning of ontheffing voor
een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht die onmiddellijk voor het tijdstip
van inwerkingtreding van dat artikel van kracht en onherroepelijk is,
wordt gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken
activiteit.
2. Artikel 1.2, tweede tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.5
1. Een projectbesluit als bedoeld in
artikel 3.10, eerste lid, 3.27, eerste lid, of 3.29, eerste lid, van
de Wet ruimtelijke ordening of een besluit als bedoeld in artikel
3.40, eerste lid, 3.41, eerste lid, of 3.42, eerste lid, van die wet
dat onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel
2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van kracht en
onherroepelijk is, wordt gelijkgesteld met een omgevingsvergunning
voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c,
van die wet.
2. Artikel 1.2, tweede tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.5a
1. In afwijking van artikel 1.2, tweede
lid, onder c, wordt een beslissing omtrent een aanvraag om:
a. een ontheffing als bedoeld in
artikel 3.6, eerste lid, onder c, 3.22, 3.23 of 3.38, vierde lid,
van de Wet ruimtelijke ordening,
b. een projectbesluit als bedoeld
in artikel 3.10, eerste lid, 3.27, eerste lid, of 3.29, eerste
lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit als bedoeld in
artikel 3.40, eerste lid, 3.41, eerste lid, of 3.42, eerste lid,
van die wet, of
c. een ontheffing van de regels die
zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid,
van de Wet ruimtelijke ordening,
die op het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht is genomen, maar nog niet onherroepelijk is, voor zover
die beslissing ziet op een bouwactiviteit waarvoor onmiddellijk voor
dat tijdstip nog geen aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in
artikel 40 van de Woningwet is ingediend, gelijkgesteld met een
beschikking van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met betrekking tot de
eerste fase van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 van
die wet voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder c, van die wet.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een beslissing als bedoeld in dat lid
die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht is aangevraagd, maar nog niet is
genomen, op het moment dat die beslissing wordt genomen.
3. Indien op de voorbereiding van de
beschikking met betrekking tot de tweede fase van een
omgevingsvergunning die verband houdt met een beslissing als bedoeld
in het eerste of tweede lid, op grond van artikel 2.5, tweede lid,
tweede volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de
reguliere voorbereidingsprocedure, bedoeld in paragraaf 3.2 van die
wet, van toepassing is, is in afwijking daarvan niettemin de
uitgebreide voorbereidingsprocedure, bedoeld in paragraaf 3.3 van die
wet, van toepassing, indien de beslissing, bedoeld in het eerste of
tweede lid, is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht.
4. Voor de mogelijkheid van beroep
wordt een beslissing die ingevolge het eerste of tweede lid is
gelijkgesteld met een beschikking met betrekking tot de eerste fase
van een omgevingsvergunning met de beschikking met betrekking tot de
tweede fase van die omgevingsvergunning als één besluit aangemerkt.
Artikel 1.5b
1. In afwijking van artikel 9.1.10 van
de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening wordt een vrijstelling als
bedoeld in dat artikel, die op het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend,
maar nog niet onherroepelijk is, voor zover die vrijstelling ziet op
een bouwactiviteit waarvoor onmiddellijk voor dat tijdstip nog geen
aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet
is ingediend, gelijkgesteld met een beschikking van het bevoegd gezag,
bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht, met betrekking tot de eerste fase van een
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 van die wet voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die
wet.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een vrijstelling als bedoeld in dat lid
die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht is aangevraagd, maar nog niet is
verleend, op het moment dat de vrijstelling wordt verleend.
3. Artikel 1.5a, derde en vierde lid,
is op een vrijstelling die ingevolge het eerste of tweede lid is
gelijkgesteld met een beschikking met betrekking tot de eerste fase
van een omgevingsvergunning van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.6
1. Indien voor het tijdstip waarop de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt met
betrekking tot een activiteit als bedoeld in die wet een beschikking
tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
dwangsom of tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning
is gegeven, blijft het onmiddellijk voor dat tijdstip ten aanzien van
een zodanige beschikking geldende recht van toepassing tot het
tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt.
2. Een beschikking als bedoeld in het
eerste lid wordt, nadat deze onherroepelijk is geworden, gelijkgesteld
met een beschikking krachtens de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
Artikel 1.7
1. Het recht zoals dat gold op het
tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht blijft van toepassing ten
aanzien van een beschikking tot vergoeding van kosten of schade ten
gevolge van een beschikking met betrekking tot een activiteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e of f, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht indien voor dat tijdstip een verzoek om een
beschikking tot vergoeding van kosten of schade is ingediend.
2. Een beschikking die overeenkomstig
het eerste lid wordt verleend wordt, nadat deze onherroepelijk is
geworden, gelijkgesteld met een beschikking krachtens artikel 4.2 van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 1.8
1. Na de inwerkingtreding van deze wet
berusten algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen,
voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet berustten op artikel 8.15 van de Wet
milieubeheer, op artikel 4.1 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
2. Na de inwerkingtreding van deze wet
berusten algemene maatregelen van bestuur, voor zover deze op het
tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet berustten op:
a. artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer: op artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht;
b. artikel 8.2 van de Wet
milieubeheer: op artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
c. artikel 8.5 van de Wet
milieubeheer: op artikel 2.8 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
d. artikel 8.7 van de Wet
milieubeheer: op artikel 2.26 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
e. artikel 8.42a, eerste lid, of
8.45 van de Wet milieubeheer: op artikel 2.22, derde lid, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
f. artikel 18.3 van de Wet
milieubeheer: op artikel 5.3 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
3. Na de inwerkingtreding van deze wet
berusten provinciale milieuverordeningen, voor zover deze op het
tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet berustten op artikel 8.46, eerste lid, van de Wet milieubeheer, op
artikel 1.3c van de Wet milieubeheer.
4. Artikel 21.6, zesde lid, van de Wet
milieubeheer blijft na de inwerkingtreding van deze wet van
overeenkomstige toepassing op wijzigingen van de Regeling
stortplaatsen voor baggerspecie op land.
Artikel 1.9
Na de inwerkingtreding van deze wet
berusten besluiten of regelingen, voor zover deze op het tijdstip
onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
berustten op:
a. artikel 18.4, eerste lid, van de
Wet milieubeheer: op artikel 5.10, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht;
b. artikel 18.4, derde lid, van de
Wet milieubeheer: op artikel 5.10, derde lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht;
c. artikel 21.3, eerste lid, van de
Wet milieubeheer: op artikel 5.11, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht;
d. artikel 21.3, derde lid, van de
Wet milieubeheer: op artikel 5.11, derde lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 1.10
Het recht zoals dat gold op het tijdstip
onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht blijft van toepassing ten aanzien van
aanwijzingen als bedoeld in de Wet voorkeursrecht gemeenten waarbij
gronden zijn aangewezen op grondslag van een projectbesluit.
Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Artikel 2.1
[Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur]
Artikel 2.2
[Wijzigt de Wet algemene regels herindeling]
Hoofdstuk 3. Ministerie van Economische Zaken
Artikel 3.1
[Wijzigt de Mijnbouwwet]
Artikel 3.2
[Wijzigt de Uitvoeringswet verdrag chemische wapen.]
Hoofdstuk 4. Ministerie van Financiën
Artikel 4.1
[Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag]
Artikel 4.2
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001]
Artikel 4.3
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964]
Artikel 4.4
[Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968]
Artikel 4.5
[Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969]
Artikel 4.6
[Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken]
Hoofdstuk 5. Ministerie van Justitie
Artikel 5.1
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel 5.2
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6 en het Burgerlijk Wetboek Boek
7]
Artikel 5.3
[Wijzigt de Onteigeningswet]
Artikel 5.4
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Hoofdstuk 6. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Artikel 6.1
[Wijzigt de Flora- en faunawet]
Artikel 6.2
[Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998]
Artikel 6.3
[Wijzigt de Meststoffenwet]
Artikel 6.4
[Wijzigt de Reconstructiewet concentratiegebieden]
Hoofdstuk 7. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Artikel 7.1
[Wijzigt de Monumentenwet 1988]
Hoofdstuk 8. Ministerie van Verkeer en Waterstaat
Artikel 8.1
[Wijzigt de Ontgrondingenwet]
Artikel 8.2
[Wijzigt de Spoedwet wegverbreding]
Artikel 8.3
[Wijzigt de Tracéwet]
Artikel 8.4
[Wijzigt de Waterwet]
Artikel 8.5
[Wijzigt de Wet bereikbaarheid en mobiliteit]
Artikel 8.6
[Wijzigt de Wet kabelbaaninstallaties]
Artikel 8.7
[Wijzigt de Wet luchtvaart]
Artikel 8.8
[Wijzigt de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels]
Hoofdstuk 9. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en
Milieubeheer
Artikel 9.1
[Wijzigt de Huisvestingswet]
Artikel 9.2
[Wijzigt de Interimwet stad-en-milieubenadering]
Artikel 9.3
[Wijzigt de Kernenergiewet]
Artikel 9.4
[Wijzigt de Wet ammoniak en veehouderij]
Artikel 9.5
[Wijzigt de Wet bescherming Antarctica]
Artikel 9.6
[Wijzigt de Wet bodembescherming]
Artikel 9.7
[Wijzigt de Wet geluidhinder]
Artikel 9.8
[Wijzigt de Wet geurhinder en veehouderij]
Artikel 9.9
[Wijzigt de Wet inzake de luchtverontreiniging]
Artikel 9.10
[Wijzigt de Wet milieubeheer]
Artikel 9.11
[Wijzigt de Wet op de huurtoeslag]
Artikel 9.12
[Wijzigt de Wet op het overleg huurders verhuurder]
Artikel 9.13
[Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening]
Artikel 9.14
[Wijzigt de Wet voorkeursrecht gemeenten]
Artikel 9.15
[Wijzigt de Woningwet]
Artikel 9.16
[Wijzigt deze wet]
Artikel 9.16
[Wijzigt deze wet]
Artikel 9.17
[Wijzigt deze wet]
Artikel 9.18
[Wijzigt deze wet]
Hoofdstuk 10. Slotbepalingen
Artikel 10.1
1. Indien ingevolge enig wettelijk voorschrift:
a. over het ontwerp van een regeling of het voornemen tot het
treffen van een regeling advies moet worden gevraagd of extern
overleg moet worden gevoerd;
b. van het ontwerp van een regeling kennis moet worden gegeven;
c. een regeling niet eerder in werking kan treden dan nadat
sedert haar vaststelling of bekendmaking een bepaalde termijn is
verstreken;
d. door of namens een van de Kamers van de Staten-Generaal of
een aantal leden daarvan kan worden verlangd dat het onderwerp of
de inwerkingtreding van de regeling bij de wet wordt geregeld, of
e. de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur moet
worden gedaan door een andere minister dan Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
geldt dat voorschrift niet ten aanzien van het Invoeringsbesluit
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Invoeringsregeling Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht.
2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op het horen
van de Raad van State.
Artikel 10.2
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 10.3
Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 25 maart 2010
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.C. Huizinga-Heringa
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart
Uitgegeven de eerste april 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|