St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

 

RIJKSWET  FINANCIEEL  TOEZICHT  CURAÇAO  EN  SINT  MAARTEN

Tekst zoals deze geldt op 17 januari 2014
Volgende actualisering: juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

RIJKSWET van 7 juli 2010, houdende regels voor het financieel toezicht op de landen Curaçao en Sint Maarten (Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van de Nederlandse Antillen en Nederland en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten zijn overeengekomen:
– dat op de voet van samenwerking tussen gelijkwaardige partners financieel toezicht wordt ingesteld op de landen Curaçao en Sint Maarten dat erop gericht is dat die landen structureel voldoen aan de in deze wet opgenomen begrotingsnormen die tevens zijn verankerd in de eigen wetgeving zodat het toezicht op termijn overbodig wordt,
– dat in verband daarmee in deze rijkswet bepalingen zijn opgenomen die voorzien in evaluatie ter voorbereiding van beslissingen inzake voortzetting, beperking en beëindiging van het toezicht,
– dat Nederland aan deze ontwikkelingen een bijdrage levert door middel van overname bij het ingaan van de nieuwe staatkundige verhoudingen van de dan resterende hoofdsom van het totaal van de door Nederland over te nemen schulden,
– dat zij deze samenwerking onderling willen regelen in een rijkswet op grond van artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk,
– dat de regeringen van de Nederlandse Antillen en Nederland en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten instemmen met de inhoud van deze rijkswet;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Definitiebepalingen

 

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

– begroting: begroting, bedoeld in de onderscheiden Staatsregelingen van de landen;

– bestuur: raad van ministers van het land Curaçao onderscheidenlijk ministerraad van het land Sint Maarten;

– collectieve sector: land Curaçao onderscheidenlijk land Sint Maarten tezamen met de rechtspersonen die met toepassing van artikel 23 als zodanig zijn aangewezen;

– college: College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, bedoeld in artikel 2, eerste lid;

– landen: landen Curaçao en Sint Maarten;

– land: land Curaçao of land Sint Maarten;

– geconsolideerde schuld: gezamenlijke schulden van de collectieve sector van een land in de vorm van leningen en betalingsachterstanden, met uitzondering van de onderlinge schulden binnen de desbetreffende collectieve sector;

– kapitaaluitgaven: uitgaven die ingevolge de geldende definitie van het System of National Accounts van de Verenigde Naties op de kapitaaldienst van de overheidsrekening worden geboekt;

– Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

– rentelast: uitgaven aan rente, toerekenbaar aan een begrotingsjaar, over de geconsolideerde schuld van een land;

– rentelastnorm: rentelast die overeenkomt met 5% van de gemiddelde gerealiseerde gezamenlijke inkomsten van de collectieve sector van een land, over de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de begroting is of wordt ingediend;

– Staten: Staten van een land.

 

Hoofdstuk 2. Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten

 

Artikel 2. Inrichting en rechtspositie

1. Er is een College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten.

2. Het college bestaat uit vier leden waaronder een voorzitter.

3. De voorzitter en de andere leden worden op grond van deskundigheid benoemd. Over de benoeming beslist de raad van ministers van het Koninkrijk volgens de volgende procedure:

a. de voorzitter op aanbeveling van Onze Minister-President, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de raad van ministers van het Koninkrijk;

b. een lid in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van Curaçao op aanbeveling van Onze Minister-President van dat land;

c. een lid in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad van Sint Maarten op aanbeveling van Onze Minister-President van dat land;

d. een lid in overeenstemming met het gevoelen van de Nederlandse ministerraad op aanbeveling van Onze Minister-President van dat land.

4. De leden worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.

5. De leden van het college oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.

6. De leden worden benoemd voor een periode van drie jaar. Herbenoeming is mogelijk.

7. Een lid wordt op eigen verzoek ontslagen.

8. Een lid kan worden geschorst of ontslagen wegens ongeschiktheid voor de vervulde functie, dan wel wegens andere zwaarwegende in zijn persoon gelegen redenen, dan wel wegens het aanvaarden van een ambt, betrekking of functie als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid.

9. De raad van ministers van het Koninkrijk beslist over schorsing en ontslag. Schorsing en ontslag geschieden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Over ontslag wordt het aanbevelende bestuur vooraf geconsulteerd.

10. Voorafgaande aan een ontslag of een schorsing als bedoeld in het achtste lid wordt het college gehoord, tenzij de omstandigheden met betrekking tot het ontslag of de schorsing dat horen belemmeren.

11. Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën van de landen de vaste vergoeding van de leden van het college vast. Hierbij wordt de toepasselijke salarisschaal van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren en de toepasselijke deeltijdfactor aangegeven. De leden hebben voorts overeenkomstig het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland recht op vergoeding van reis- en verblijfskosten. Daarnaast hebben de leden op declaratiebasis recht op vergoeding van kosten van internationale telefoongesprekken die zij maken in het kader van de werkzaamheden voor het college.

 

Artikel 3. Nevenfuncties

1. Een lid van het college kan niet tevens zijn:

a. Gouverneur;

b. minister of staatssecretaris;

c. commissaris van de Koning of gedeputeerde;

d. lid van de Staten of van een daarmee vergelijkbaar orgaan van Nederland;

e. burgemeester of wethouder dan wel gezaghebber of eilandgedeputeerde;

f. lid van de Raad van Advies van een van de landen;

g. lid van de Raad van State van het Koninkrijk;

h. lid van de Algemene Rekenkamer van een van de landen of van Nederland;

i. ombudsman of substituut-ombudsman van een van de landen of van Nederland;

j. ambtenaar bij een ministerie of een daaronder ressorterende instelling, dienst of bedrijf.

2. Een lid vervult ook overigens geen andere betrekking of nevenfunctie die overigens ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie of de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.

3. Een lid meldt het voornemen tot het aanvaarden van een andere betrekking of nevenfunctie aan het college. Het college informeert Onze Minister en de besturen.

4. Het college maakt de nevenfuncties van een lid openbaar. Openbaarmaking geschiedt bij zijn benoeming en voorts door jaarlijkse publicatie van een opgave van deze nevenfuncties in de Staatscourant, de Curaçaosche Courant en de Landscourant Sint Maarten.

 

Artikel 4. Taken

1. De taken van het college zijn, onverminderd de in andere artikelen van deze wet genoemde taken:

a. het toezicht op de toepassing door de landen van de normen, genoemd in artikel 15, bij de uitvoering en de verantwoording van de begroting en bij het betalingsverkeer;

b. het toetsen of de landen voldoen aan de in deze wet vastgelegde voorwaarden voor het aangaan van rentedragende leningen en rentedragende kredieten;

c. het rapporteren aan en adviseren van Onze Ministers van Financiën van de landen, de beide Staten, de besturen en, door tussenkomst van Onze Minister, de raad van ministers van het Koninkrijk;

d. het toezicht op de voortgang van de implementatie van de verbetering van het financieel beheer.

2. Het college zendt eens per half jaar door tussenkomst van Onze Minister een schriftelijk verslag over zijn werkzaamheden aan de raad van ministers van het Koninkrijk en aan de besturen, de beide Kamers der Staten-Generaal, en de beide Staten.

3. Het college verstrekt desgevraagd inlichtingen over zijn werkzaamheden aan Onze Minister, aan Onze Minister van Financiën van Nederland en aan de besturen.

4. Onze Minister kan, na instemming van de raad van ministers van het Koninkrijk, die handelt in overeenstemming met de besturen, beleidsregels vaststellen en algemene en bijzondere aanwijzingen geven ten aanzien van de uitoefening van de in deze wet aan het college toegekende taken en bevoegdheden.

 

Artikel 5. Uitvoering van de taken

1. Het college stelt ter uitvoering van de in artikel 4 genoemde taken een bestuursreglement vast, waarin in ieder geval regels over de besluitvorming, werkwijze en procedures zijn opgenomen. In het reglement worden tevens regels opgenomen over de verdeling van de werkzaamheden bij de voorbereiding van de besluiten en adviezen van het college.

2. Het bestuursreglement wordt bekendgemaakt in de Staatscourant, de Curaçaosche Courant en de Landscourant Sint Maarten.

3. De voorzitter en de secretaris van het college zien toe op een doelmatige en voorspoedige uitvoering van de taken van het college.

4. Een lid kan zich doen vertegenwoordigen, mits daartoe schriftelijk volmacht is verleend aan een ander lid. De voorzitter beoordeelt de deugdelijkheid van de volmacht. Een lid kan slechts voor één ander lid als gevolmachtigde optreden.

5. Het college streeft bij het nemen van besluiten naar consensus. Indien bij het nemen van besluiten door het college de stemmen staken, heeft de voorzitter de doorslaggevende stem.

 

Artikel 6. Uitvoeringsapparaat

1. Het college heeft een secretaris.

2. Aan de secretaris kunnen medewerkers worden toegevoegd.

3. De secretaris en de medewerkers worden op voordracht van het college vanwege Onze Minister aan het college ter beschikking gesteld.

4. De secretaris en de medewerkers staan onder gezag van het college en leggen uitsluitend aan het college verantwoording af.

5. De secretaris en de medewerkers zijn geen lid van het college.

6. De secretaris en de medewerkers van het college ondersteunen tevens het college financieel toezicht Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zoals vastgelegd in de Wet financiele verhoudingen openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

 

Artikel 7

De leden, de secretaris en de medewerkers van het college alsmede hun echtgenoten of geregistreerde partners en minderjarige kinderen voor zover zij met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren, zijn van rechtswege toegelaten tot de landen. Aan de leden, de secretaris en de medewerkers van het college alsmede hun echtgenoten of geregistreerde partners worden geen nadere voorwaarden gesteld voor de uitoefening van een beroep of het verrichten van arbeid.

 

Artikel 8. Informatieplicht

1. De besturen verstrekken het college alle inlichtingen die het voor de uitoefening van zijn taken nodig acht. Hiertoe behoren de gegevens van de desbetreffende collectieve sector van de landen.

2. De besturen verlenen het college dan wel door hem aangewezen vertegenwoordigers, te allen tijde toegang tot dan wel inzage in alle goederen, administraties, documenten en andere informatiedragers.

3. Het college neemt de met betrekking tot natuurlijke personen en rechtspersonen in de desbetreffende landen geldende geheimhoudingsbepalingen in acht.

 

Artikel 9. Bekostiging en financiering

De bezoldiging van de leden, de secretaris en de medewerkers van het college, alsmede de bekostiging van de overige apparaatsuitgaven komen ten laste van de begroting van Onze Minister.

 

Artikel 10. Onvoldoende taakuitoefening

1. Indien naar het oordeel van de raad van ministers van het Koninkrijk het college bij de uitoefening van zijn taak ernstig in gebreke blijft, kan Onze Minister, in overeenstemming met de besturen, de noodzakelijke voorzieningen treffen.

2. Deze voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat het college in de gelegenheid is gesteld om binnen een door de raad van ministers van het Koninkrijk te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.

 

Hoofdstuk 3. Toezicht op de begroting

 

Artikel 11. Advies van het college op de ontwerpbegroting en de ontwerpverordening tot wijziging van de begroting

1. Op verzoek van een bestuur adviseert het college binnen veertien dagen na dat verzoek op een ontwerpbegroting of ontwerpverordening tot wijziging van een begroting. Het college kan een bestuur ook ongevraagd adviseren op de betreffende ontwerpbegroting of ontwerpverordening tot wijziging van een begroting.

2. Indien advies is uitgebracht op een ontwerpbegroting of een ontwerpverordening tot wijziging van een begroting, gaat dat bij de Staten ingediende ontwerp vergezeld van dat advies. De indiener geeft in dat geval bij het ontwerp aan in hoeverre en op welke wijze rekening is gehouden met het advies.

3. Naast de gevallen, bedoeld in het eerste lid, kan het college ook overigens bij de begrotingsvoorbereiding gevraagd en ongevraagd adviseren

 

Artikel 12. Advies van het college aan het bestuur

1. Het bestuur zendt een begroting of een verordening tot wijziging van de begroting, onmiddellijk nadat deze is vastgesteld, aan het college.

2. Indien het college van oordeel is dat de in het eerste lid bedoelde vastgestelde begroting respectievelijk de in dat lid bedoelde vastgestelde verordening tot wijziging van de begroting geheel of ten dele niet in overeenstemming is met de normen, genoemd in artikel 15, brengt het college een advies uit aan het desbetreffende bestuur binnen veertien dagen na ontvangst van die vastgestelde begroting dan wel vastgestelde verordening tot wijziging van de begroting.

3. Het advies, bedoeld in het tweede lid, bevat de gemotiveerde bevindingen met betrekking tot de uitgevoerde beoordeling, bedoeld in artikel 15, en zo nodig aanbevelingen met betrekking tot de wijze waarop de desbetreffende vastgestelde begroting dan wel vastgestelde verordening tot wijziging van de begroting in overeenstemming met de normen, genoemd in artikel 15, kan worden gebracht.

4. Indien een advies als bedoeld in het tweede lid aanbevelingen bevat als bedoeld in het derde lid, deelt het desbetreffende bestuur binnen veertien dagen na ontvangst van dat rapport aan het college mee in hoeverre en op welke wijze rekening wordt gehouden met die aanbevelingen en, indien aan de orde, onder vermelding van de termijnen die daarbij in acht zullen worden genomen.

5. Indien naar het oordeel van het college het bestuur met de in het vierde lid bedoelde mededeling niet of niet voldoende de normen, genoemd in artikel 15, in acht neemt, dan wel indien het bestuur nalaat die mededeling aan het college te doen, geeft het college binnen veertien dagen na ontvangst van de mededeling, respectievelijk na het uitblijven ervan, daarover bericht aan het desbetreffende bestuur en aan de Staten.

 

Artikel 13. Aanwijzing van de raad van ministers van het Koninkrijk

1. Indien na ten minste zeven dagen na verzending van het bericht, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, naar het oordeel van het college sprake blijft van een begroting, respectievelijk een verordening tot wijziging van de begroting die geheel of ten dele niet voldoet aan de normen, genoemd in artikel 15, bericht het college na afloop van die periode dienaangaande de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister.

2. Een bericht als bedoeld in het eerste lid kan vergezeld gaan van een gemotiveerd advies tot het geven van een aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid.

3. Het college zendt gelijk met het advies, bedoeld in het tweede lid, een afschrift daarvan aan het desbetreffende bestuur, waarna dat bestuur zonodig beslist of de uitvoering van de begroting of een deel daarvan wordt opgeschort. Het college bericht de betrokken Staten dat het advies is verzonden.

4. Gedurende de periode dat de begroting of een deel van de begroting is opgeschort met toepassing van het derde lid, geldt de begroting of het deel van de begroting van het jaar voorafgaande aan het desbetreffende begrotingsjaar. Het bestuur legt deze voorafgaande begroting of het desbetreffende deel daarvan onmiddellijk ter beoordeling voor aan het college. Artikel 12, tweede tot en met vijfde lid, alsmede het eerste tot en met derde, vijfde en zesde lid van dit artikel zijn voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing op deze voorafgaande begroting of het deel daarvan.

5. Op een advies als bedoeld in het tweede lid kan de raad van ministers van het Koninkrijk concluderen tot het geven van een aanwijzing aan het betreffende bestuur om de begroting zodanig aan te passen dat deze voldoet aan de normen, genoemd in artikel 15. Alvorens een aanwijzing wordt gegeven, stelt Onze Minister het betrokken bestuur in de gelegenheid om zijn visie te geven.

6. Een aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid geschiedt bij koninklijk besluit op de voordracht van Onze Minister, in overeenstemming met de conclusie van de raad van ministers van het Koninkrijk.

 

Artikel 14. Geen begroting vastgesteld

1. Als het college op 15 december nog geen vastgestelde begroting heeft ontvangen en er naar zijn oordeel ook geen uitzicht bestaat dat binnen een redelijke termijn alsnog een ontwerpbegroting, respectievelijk een vastgestelde begroting zal worden toegezonden, bericht het college dienaangaande de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister.

2. Een bericht van het college als bedoeld in het eerste lid kan vergezeld gaan van een gemotiveerd advies tot het geven van een aanwijzing.

3. Het college zendt gelijk met het advies, bedoeld in het tweede lid, een afschrift daarvan aan het desbetreffende bestuur en bericht de Staten dat het advies is verzonden.

4. Op een advies als bedoeld in het tweede lid kan de raad van ministers van het Koninkrijk concluderen tot het geven van een aanwijzing aan het desbetreffende bestuur alsnog een ontwerpbegroting, respectievelijk een vastgestelde begroting ter beoordeling toe te zenden aan het college. Alvorens een voorstel voor een aanwijzing bij de raad van ministers van het Koninkrijk wordt ingediend stelt Onze Minister het betrokken bestuur in de gelegenheid zijn visie te geven.

5. De aanwijzing geschiedt bij koninklijk besluit op de voordracht van Onze Minister, in overeenstemming met de conclusie van de raad van ministers van het Koninkrijk.

6. Indien bij de aanvang van een begrotingsjaar er geen op dat jaar betrekking hebbende begroting is vastgesteld, strekt de begroting van het aan het betrokken begrotingsjaar voorafgaande jaar tot grondslag van het beheer.

 

Hoofdstuk 4. Beoordeling begrotingen en geldleningen

 

Artikel 15. De financiële normen voor begrotingen

1. Voor de beoordeling van de vastgestelde begroting van een land en een vastgestelde verordening tot wijziging van de begroting hanteert het college de volgende normen:

a. de in de begroting en de meerjarige begroting opgenomen uitgaven op de gewone dienst worden gedekt door de ter dekking van die uitgaven opgenomen middelen;

b. de in de begroting en de meerjarige begroting opgenomen uitgaven op de kapitaaldienst worden gedekt door de ter dekking van die uitgaven opgenomen middelen, rekening houdend met de verwachte ontvangsten uit de opbrengst van geldleningen;

c. de rentelastnorm wordt niet overschreden.

2. Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende aspecten betrokken:

a. in de begroting en de meerjarige begroting zijn alle verwachte uitgaven en verwachte ontvangsten opgenomen;

b. de in de begroting opgenomen ontvangsten en uitgaven worden toereikend toegelicht;

c. de begroting is zodanig ingericht dat zij voldoet aan de criteria van ordelijkheid en controleerbaarheid.

3. Bij de begroting wordt een uiteenzetting verstrekt van de financiële toestand van het land.

 

Artikel 16. Geldleningen

1. In de begrotingen, bedoeld in artikel 15, worden de voornemens tot het aantrekken van geldleningen opgenomen.

2. Van de aangetrokken leningen wordt melding gemaakt in de uitvoeringsrapportages, bedoeld in artikel 18.

3. De besturen informeren het college, als bij de uitvoering van de begroting de omvang van een lening het begrote leningbedrag dreigt te overschrijden.

4. Op basis van de voornemens tot het aantrekken van geldleningen, bedoeld in het eerste lid, de meldingen, bedoeld in het tweede lid, en de verstrekte informatie, bedoeld in het derde lid, beoordeelt het college of het bestuur voldoet aan de normen, genoemd in artikel 15.

5. Het college beoordeelt tevens of wordt voldaan aan de afspraken over de verbeteringen van het financieel beheer, voor zover deze betrekking hebben op het aantrekken van leningen.

6. Indien geldleningen ten laste van een land worden aangetrokken in het kader van een open biedingprocedure bij de centrale bank van Curaçao en van Sint Maarten, gebeurt dat aantrekken in overeenstemming met een advies daarover van die bank.

7. De Nederlandse Staat heeft een lopende inschrijving op de leningen bedoeld in het zesde lid, telkens voor het gevraagde leningbedrag, tegen het actuele rendement op staatsleningen van de desbetreffende looptijd.

8. Bij een open biedingsproces als bedoeld in het zesde lid, hebben bij gelijke leningvoorwaarden lokale inschrijvingen voorrang.

9. Indien geldleningen ten laste van een land onderhands worden aangetrokken, worden telkens naast Nederland ook een of meerdere derde partijen in de gelegenheid gesteld om gelijktijdig een aanbod te doen en wordt er vervolgens aangetrokken daar waar de leningvoorwaarden het meest gunstig zijn. Voor de Nederlandse Staat geldt in dit verband het aanbod, bedoeld in het zevende lid. Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing.

10. Het bestuur bericht het college over een voornemen tot het onderhands aantrekken van een geldlening, onder bijvoeging van de voorwaarden van de aangeboden geldleningen. Het college adviseert op basis van een onderlinge vergelijking van de leningvoorwaarden binnen veertien dagen na ontvangst van dat bericht. Indien een bestuur afwijkt van het advies van het college, geschiedt dat met een gemotiveerd besluit. Het bestuur informeert het college over het genomen besluit.

11. Het college kan de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister berichten als blijkt dat een bestuur afwijkt van het advies, bedoeld in het tiende lid. Bij dat bericht kan het college adviseren tot het nemen van een besluit als bedoeld in het twaalfde lid. Het college zendt gelijk met het advies een afschrift daarvan aan het desbetreffende bestuur en bericht de Staten dat het advies is verzonden.

12. Op een advies als bedoeld in het elfde lid kan de raad van ministers van het Koninkrijk concluderen tot het geven van een aanwijzing met betrekking tot het onderhands aangaan van leningen. Alvorens een voorstel voor een aanwijzing bij de raad van ministers van het Koninkrijk wordt ingediend stelt Onze Minister het betrokken bestuur in de gelegenheid zijn visie te geven.

13. Het geven van de aanwijzing geschiedt bij koninklijk besluit op de voordracht van Onze Minister, in overeenstemming met de conclusie van de raad van ministers van het Koninkrijk.

 

Hoofdstuk 5. De uitvoering van de begroting en verantwoording daarover

 

Artikel 17. Uitvoering van beleidsvoornemens

1. Indien het bestuur nalaat een voorziening ter uitvoering van een beleidsvoornemen te treffen of deze op een zodanig tijdstip vaststelt, implementeert of uitvoert dat de haalbaarheid van de uitgaven- en ontvangstenramingen in gevaar komt, adviseert het college hierover overeenkomstig artikel 12, derde lid.

2. Het college adviseert eveneens overeenkomstig artikel 12, derde lid, indien het vertegenwoordigende orgaan niet met een voorgestelde voorziening instemt of daarmee op een zodanig tijdstip instemt dat de haalbaarheid van de uitgaven- en ontvangstenramingen in gevaar komt.

3. Op een advies als bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 13 van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 18. Verantwoordingsinformatie

1. De besturen zenden uiterlijk zes weken na afloop van ieder kwartaal een uitvoeringsrapportage aan het college en aan de Staten.

2. Het college en de besturen stellen ten behoeve van de uitvoeringsrapportage gezamenlijk een model vast, dat aangeeft over welke onderwerpen gerapporteerd wordt. Hiertoe behoort in ieder geval informatie over de uitputting van de begroting en de daarmee samenhangende resterende verplichtingenruimte, over eventuele nieuwe beleidsvoornemens met financiële consequenties en over mee- en tegenvallers in de uitvoering van de begroting.

3. Indien uit de uitvoeringsrapportage over het vierde kwartaal blijkt dat sprake is van een tekort op de gewone dienst of van een overschrijding van de rentelastnorm, geeft het bestuur in die rapportage aan welke maatregelen worden voorgenomen ter compensatie van het tekort, respectievelijk de overschrijding.

4. Uiterlijk op 31 augustus van ieder jaar verstrekken de besturen een afschrift van de vastgestelde jaarrekening over het voorafgaande jaar aan het college.

5. Indien de jaarrekening op het tijdstip, genoemd in het vierde lid, nog niet is vastgesteld, verstrekken de besturen de in voorbereiding zijnde jaarrekening naar de stand van dat tijdstip. Het bestuur verstrekt de bevindingen van de desbetreffende Algemene Rekenkamer en van de interne accountant op het ontwerp van de jaarrekening onmiddellijk na de ontvangst van die bevindingen aan het college.

6. Indien uit de vastgestelde jaarrekening blijkt dat sprake is van een tekort op de gewone dienst of van een overschrijding van de rentelastnorm, geeft het bestuur tegelijk met de jaarrekening aan welke maatregelen worden voorgenomen ter compensatie van het tekort, respectievelijk de overschrijding.

7. Het college beoordeelt de voorgenomen maatregelen, bedoeld in het derde en het zesde lid, aan de hand van de normen, genoemd in artikel 15, en zendt het bestuur binnen veertien dagen na ontvangst van de betreffende uitvoeringsrapportage een advies overeenkomstig artikel 12, derde lid.

8. Op een advies als bedoeld in het zevende lid, zijn de artikelen 12, vierde en vijfde lid, en 13 van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 19. Verbetering van het financieel beheer

1. De besturen rapporteren uiterlijk zes weken na afloop van ieder kwartaal aan het college over de uitvoering van de implementatieplannen ter verbetering van het financieel beheer. Het college en de besturen stellen ten behoeve van die rapportage gezamenlijk een model vast, dat aangeeft over welke onderwerpen gerapporteerd wordt.

2. Het college kan de besturen ter zake van de uitvoering van de implementatieplannen aanbevelingen geven.

3. Het college kan aanbevelingen geven op het terrein van het financieel beheer, rekening houdend met de bevindingen van de interne accountant en van de Algemene Rekenkamers van Curaçao en van Sint Maarten.

 

Artikel 20. Aangaan van financiële verplichtingen

1. De besturen gaan uitsluitend financiële verplichtingen aan voor zover deze zijn opgenomen in een begroting die niet ingevolge artikel 13 is opgeschort.

2. De besturen leggen het voornemen tot het aangaan van een financiële verplichting, voor zover het de limieten voor financieel zelfbeheer, zoals die gelden bij de inwerkingtreding van deze wet, te boven gaat, voor advies voor aan een door Onze Minister van Financiën van het desbetreffende land aan te wijzen functionaris of, bij diens afwezigheid, aan diens eerste of tweede plaatsvervanger. Een positief advies wordt verleend indien de financiële verplichting voortvloeit uit de uitvoering van de begroting. De in de eerste volzin bedoelde limieten kunnen na overleg met het college gewijzigd worden.

3. Indien het bestuur financiële verplichtingen aangaat zonder of in afwijking van een positief advies als bedoeld in het tweede lid, kan Onze Minister van Financiën van het betrokken land voorafgaand toezicht instellen op het aangaan van financiële verplichtingen in de zin dat ten laste van de desbetreffende begroting of bepaalde artikelen van die begroting alleen financiële verplichtingen mogen worden aangegaan nadat hij daarmee heeft ingestemd. Gelijk met het instellen van voorafgaand toezicht bericht die minister daarvan aan de betrokken Staten met een afschrift aan het college.

4. In de uitvoeringsrapportages, bedoeld in artikel 18, eerste lid, wordt tevens gerapporteerd over de gevallen waarin het bestuur financiële verplichtingen is aangegaan zonder of in afwijking van een positief advies, als bedoeld in het tweede lid, en over de gevallen waarin toepassing is gegeven aan het derde lid.

5. Indien het bestuur financiële verplichtingen aangaat zonder of in afwijking van een positief advies als bedoeld in het tweede lid, en het voorafgaand toezicht door Onze Minister van Financiën van het betrokken land uitblijft of niet toereikend is, kan het college Onze Minister van Financiën van het betrokken land adviseren om een beslissing onderscheidenlijk een nadere beslissing te nemen als bedoeld in het derde lid. Het college bericht de betrokken Staten dat het advies is verzonden.

6. Indien na het in het vijfde lid bedoelde advies blijkt dat het toezicht door Onze Minister van Financien van het betrokken land nog steeds uitblijft dan wel niet toereikend is, kan het college dat berichten aan de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister. Bij dat bericht kan het college adviseren tot het geven van een aanwijzing als bedoeld in het zevende lid. Gelijk met dat advies zendt het college een afschrift daarvan aan het desbetreffende bestuur en bericht het college de betrokken Staten dat het advies is verzonden.

7. Op een advies als bedoeld in het zesde lid, kan de raad van ministers van het Koninkrijk concluderen dat ten laste van de desbetreffende begroting of bepaalde artikelen van die begroting geen financiële verplichtingen mogen worden aangegaan voordat het college daarmee heeft ingestemd. Alvorens een voorstel voor een aanwijzing bij de raad van ministers van het Koninkrijk wordt ingediend stelt Onze Minister het betrokken bestuur in de gelegenheid zijn visie te geven.

8. De aanwijzing geschiedt bij koninklijk besluit op de voordracht van Onze Minister, in overeenstemming met de conclusie van de raad van ministers van het Koninkrijk.

9. De instemming, bedoeld in het derde lid, en die, bedoeld in het zevende lid, worden verleend als de desbetreffende financiële verplichting voldoet aan het eerste lid.

10. In geval van het aangaan van financiële verplichtingen en het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen waartoe door de Staten van een land is besloten, is dit artikel van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 21. Machtigingen tot het verrichten van rechtshandelingen

1. Onze Minister van Financiën van het betrokken land houdt een register bij van de namen en functies van degenen die zijn gemachtigd tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen die voortvloeien uit een besluit tot het aangaan van financiële verplichtingen. Daarbij geeft hij tevens aan voor welke rechtshandelingen en tot welke bedragen zij gemachtigd zijn. Hij publiceert dit register na elke wijziging, maar in elk geval iedere zes maanden. Publicatie geschiedt op de website van Onze Minister van Financien van het betrokken land.

2. Bij toepassing van artikel 20, zevende lid, wordt, na inwerkingtreding van een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 20, achtste lid, in het register bij de desbetreffende personen aangetekend dat voor het aangaan van verplichtingen de voorafgaande instemming van het college is vereist.

3. Privaatrechtelijke rechtshandelingen betreffende het aangaan van financiële verplichtingen als bedoeld in het eerste lid zijn nietig indien zij zijn aangegaan door personen die daartoe blijkens het register, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet of niet voldoende gemachtigd zijn.

4. In afwijking van het derde lid is een rechtshandeling als bedoeld in dat lid wel rechtsgeldig als de bevoegdheid tot het aangaan van de verplichting blijkt uit een ten behoeve van die rechtshandeling verstrekte schriftelijke machtiging. Deze machtiging wordt slechts in incidentele gevallen verstrekt.

5. Het bestuur verstrekt afschriften van de in het vierde lid bedoelde machtigingen aan het college.

6. Het college kan Onze Minister van Financien van het betrokken land aanbevelingen geven ter zake van de wijze waarop het beheer wordt gevoerd van het in dit artikel bedoelde register.

 

Artikel 22. Bankrekeningen

1. De besturen dragen er, in overeenstemming met het college, zorg voor:

a. dat het college afschriften ontvangt van de bankrekeningen van het betrokken land;

b. dat het betrokken land een bankrekening heeft bij de centrale bank van Curaçao en van Sint Maarten;

c. dat het betrokken land ten behoeve van het liquiditeitenbeheer een hoofdbankrekening heeft, welke bankrekening bij de centrale bank van Curaçao en van Sint Maarten of bij een commerciële bank kan worden aangehouden;

d. dat creditsaldi op de rekeningen bij commerciële banken dagelijks worden overgeboekt naar de hoofdbankrekening van het betrokken land;

e. dat debetsaldi op de rekeningen bij commerciële banken dagelijks worden aangevuld vanaf de hoofdbankrekening van het betrokken land.

2. Een debetsaldo op de hoofdbankrekening van een land zal, indien nodig, door de Nederlandse staat worden aangevuld via de bankrekening van het land bij de centrale bank van Curaçao en van Sint Maarten. Hierdoor ontstaat een lening van het betrokken land bij de Nederlandse Staat.

3. Het rentepercentage over de lening, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan de Euro Overnight Index Average.

4. De rentevergoeding over deze lening is relevant voor de normen, genoemd in artikel 15.

5. Het college voert in verband met mogelijke toepassing van het tweede lid periodiek overleg met de besturen over het verwachte liquiditeitsverloop.

 

Artikel 23. Vaststelling collectieve sector

1. Onze Minister en het desbetreffende bestuur wijzen tweejaarlijks gezamenlijk, na advies van het centraal bureau voor de statistiek van dat land in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek van Nederland, voor 1 april aan welke rechtspersonen met ingang van het volgende begrotingsjaar behoren tot de desbetreffende collectieve sector.

2. Voor de aanwijzing is het System of National Accounts van de Verenigde Naties leidend.

3. Het bestuur stelt de betrokken rechtspersonen schriftelijk in kennis van de aanwijzing.

4. Het bestuur rapporteert jaarlijks voor 1 april aan het college over de voorlopige jaarcijfers over het voorgaande kalenderjaar van de desbetreffende collectieve sector.

 

Artikel 24. Ontwikkelingen in de collectieve sector

1. Het centraal bureau voor de statistiek van Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten rapporteert aan het desbetreffende bestuur uiterlijk op 1 september over de uitgaven-, ontvangsten-, tekort- en schuldcijfers van het voorafgaande jaar van de betrokken collectieve sector. Daarbij zijn de definities van het System of National Accounts leidend. Het Centraal Bureau voor de Statistiek Nederland adviseert het centraal bureau voor de statistiek van het betrokken land.

2. Het bestuur zendt de rapportage, bedoeld in het eerste lid, binnen twee weken naar het college. Indien uit die rapportage blijkt dat een overschrijding van de rentelastnorm dreigt, bericht het bestuur het college gelijktijdig met toezending van de rapportage over het beleid dat zal worden gevoerd ter beheersing van de rentelasten.

3. Indien na kennisneming van de rapportage, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van het college het bestuur niet of niet voldoende de dreiging wegneemt van een overschrijding van de rentelastnorm, doet het college binnen veertien dagen na ontvangst van de rapportage aan het betrokken bestuur aanbevelingen over de te nemen maatregelen ter beheersing van de rentelasten.

4. Indien na ten minste veertien dagen na het doen van de aanbevelingen, bedoeld in het derde lid, naar het oordeel van het college sprake blijft van een dreiging van een overschrijding van de rentelastnorm bericht het college na afloop van die periode dienaangaande de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister.

5. Op het bericht, bedoeld in het vierde lid, is artikel 13, tweede, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

 

Hoofdstuk 6. Bijzondere omstandigheden

 

Artikel 25. Schade door buitengewone gebeurtenissen

1. Indien dit nodig is in verband met het herstel van schade veroorzaakt door buitengewone gebeurtenissen, waaronder natuurrampen, kan het bestuur in overeenstemming met een beslissing daarover van de raad van ministers van het Koninkrijk, besluiten af te wijken van de normen, genoemd in artikel 15.

2. Indien in spoedeisende gevallen een beslissing van de raad van ministers van het Koninkrijk niet kan worden afgewacht, kan een bestuur in overeenstemming met de voorzitter van de raad van ministers van het koninkrijk verplichtingen aangaan die niet voortvloeien uit de uitvoering van de begroting.

3. Indien geen contact mogelijk is met de voorzitter van de raad van ministers van het Koninkrijk kan het bestuur de noodzakelijke maatregelen treffen die kunnen leiden tot een afwijking van de normen, genoemd in artikel 15.

 

Hoofdstuk 7. Beroep

 

Artikel 26

1. Tegen een koninklijk besluit als bedoeld in deze wet, houdende een of meer aanwijzingen, of tegen een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 33 staat voor een bestuur gedurende dertig dagen na verzending van het besluit beroep open bij Ons. De Raad van State van het Koninkrijk is belast met het voorbereiden van het ontwerpbesluit inzake de beslissing op het beroep. Ons besluit wordt in het voor de bekendmaking van landsverordeningen gebruikte publicatieblad van het betrokken land bekend gemaakt en ter kennis van het betrokken bestuur en de Staten gebracht.

2. De Raad van State van het Koninkrijk kan bij de voorbereiding van het ontwerpbesluit, bedoeld in het eerste lid, belanghebbenden, getuigen, deskundigen en tolken oproepen om tijdens het onderzoek ter zitting te worden gehoord. De Raad stelt in ieder geval het betrokken bestuur in de gelegenheid te worden gehoord.

3. De artikel 45 van de Wet op de Raad van State zijn van overeenkomstige toepassing.

4. De artikelen 6:5, 6:6, 6:14, 6:15, 6:17, 6:21, 8:24, 8:25, 8:27 tot en met 8:29, 8:31, 8:32, 8:33 tot en met 8:36, eerste lid, 8:39, 8:50, 8:61 en 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. Ambtsberichten en andere door Onze Minister aangewezen stukken zijn niet openbaar.

5. Het ontwerpbesluit inzake de beslissing op het beroep, bedoeld in het eerste lid, is niet openbaar.

6. Artikel 27d van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing. Het onderzoek ter zitting is openbaar.

7. Het beroep schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht.

8. De Raad van State van het Koninkrijk kan een procesreglement vaststellen voor de behandeling van het beroep, bedoeld in het eerste lid, en van het verzoek om een voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 27.

9. Binnen twee maanden na ontvangst van het ontwerpbesluit kan Onze Minister, met vermelding van de gerezen bedenkingen, de Raad verzoeken zijn ontwerp in nadere overweging te nemen. In het kader van die nadere overweging stelt de Raad opnieuw het betrokken bestuur in de gelegenheid te worden gehoord.

10. Ons besluit wijkt niet af van het ontwerp of, indien daarvan sprake is, het nader ontwerp, voor zover het advies van de Raad uitsluitend is gebaseerd op rechtmatigheidsgronden, en voor het overige uitsluitend indien zeer zwaarwegende, op het in deze wet geregelde toezicht betrekking hebbende, gronden daartoe aanleiding geven. Indien Ons besluit afwijkt van het ontwerp of het nader ontwerp wordt het in het Staatsblad geplaatst met een rapport van Onze Minister. Dit rapport bevat in ieder geval de argumenten op grond waarvan wordt voorgesteld af te wijken van het ontwerp respectievelijk het nader ontwerp, alsmede het ontwerp zelf en indien daarvan sprake is, het nader ontwerp.

11. Ons besluit wijkt voorts niet af van het ontwerp dan na toepassing van het negende lid, eerste volzin. Indien niet binnen twee maanden een verzoek als bedoeld in de eerste volzin van het negende lid is gedaan, beslissen Wij overeenkomstig het ontwerp van de Raad van State van het Koninkrijk.

12. Besluiten van Onze Minister op grond van deze wet zijn niet vatbaar voor beroep op de administratieve rechter op grond van de landsverordeningen van de landen die de administratieve rechtspraak regelen of de Algemene wet bestuursrecht. Dit geldt eveneens voor Ons besluit als bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 27

1. Indien op grond van artikel 26, eerste lid, tegen een besluit beroep is ingesteld, kan een daartoe door de Vicepresident van de Raad van State aangewezen staatsraad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Een verzoek om voorlopige voorziening kan worden gedaan door het bestuur dat het beroep instelde.

3. De artikel 45 van de Wet op de Raad van State zijn van overeenkomstige toepassing,

4. De artikelen 6:5, 6:6, 6:14, 6:15, 6:17, 6:21, 8:68, 8:72, vijfde lid, en 8:83, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

5. De staatsraad, bedoeld in het eerste lid, doet zo spoedig mogelijk schriftelijk of mondeling uitspraak.

6. De uitspraak strekt tot:

a. onbevoegdheid van de staatsraad, bedoeld in het eerste lid,

b. niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek,

c. afwijzing van het verzoek, of

d. gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek.

7. De staatsraad, bedoeld in het eerste lid, kan de voorlopige voorziening, op verzoek en ambtshalve, opheffen of wijzigen, nadat hij partijen heeft gehoord, althans behoorlijk heeft opgeroepen. De artikelen 6:4, derde lid, 6:5, 6:6, 6:14, 6:15, 6:17, 6:21 en 8:83 eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

8. De voorlopige voorziening vervalt, zodra door Ons is beslist, voor zover daarvoor in Ons besluit geen ander tijdstip is aangegeven.

 

Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 28. Deelnemingen

De landen hebben regelgeving die voldoet aan internationaal aanvaarde normen op het gebied van:

a. procedures voor vervreemding en verkrijging van aandelen in rechtspersonen door de landen;

b. richtlijnen voor het dividendbeleid van rechtspersonen waarin de landen deelnemen, en

c. procedures en eisen rond de benoeming en het ontslag van bestuurders van rechtspersonen waarin de landen deelnemen.

 

Artikel 29. Tijdelijke regeling rentelastnorm

1. Voor het bij de inwerkingtreding van deze wet lopende begrotingsjaar wordt onder rentelastnorm verstaan de rentelast die overeenkomt met 5% van de voor dat jaar begrote gezamenlijke inkomsten van de collectieve sector van een land.

2. Voor het na de inwerkingtreding van deze wet beginnende tweede begrotingsjaar wordt onder rentelastnorm verstaan de rentelast die overeenkomt met 5% van de gemiddelde begrote gezamenlijke inkomsten van de collectieve sector van een land in het jaar waarop die begroting betrekking heeft en in de begroting van het daaraan voorafgaande jaar, na wijziging.

3. Voor het na de inwerkingtreding van deze wet beginnende derde begrotingsjaar wordt onder rentelastnorm verstaan de rentelast die overeenkomt met 5% van de gemiddelde gezamenlijke inkomsten van de collectieve sector van een land zoals die zijn gerealiseerd in het eerste jaar na inwerkingtreding van deze wet en zoals ze zijn opgenomen in de begroting, na wijziging, van het tweede jaar na inwerkingtreding van deze wet en in de begroting van het lopende jaar.

4. Voor het na de inwerkingtreding van deze wet beginnende vierde begrotingsjaar wordt onder rentelastnorm verstaan de rentelast die overeenkomt met 5% van de gemiddelde gerealiseerde gezamenlijke inkomsten van de collectieve sector van een land over de eerste twee jaren na inwerkingtreding van deze wet, en zoals die inkomsten zijn opgenomen in de begroting, na wijziging, van het derde jaar na inwerkingtreding van deze wet.

 

Artikel 30. Lopende begroting bij aanvang toezicht

1. Onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze wet zenden de besturen aan het college een afschrift van de begroting voor het jaar van die inwerkingtreding.

2. Het college beoordeelt die begroting overeenkomstig de beoordeling bedoeld in artikel 12, tweede lid, en rapporteert uiterlijk vier weken na ontvangst van die begroting aan het bestuur overeenkomstig artikel 12, tweede lid. Artikel 12, derde tot en met vijfde lid, en artikel 13 zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 31. Verantwoording in Nederlandse begroting

1. De uitgaven en ontvangsten samenhangende met het verstrekken van leningen als bedoeld in de artikelen 16 en 22 door de Staat der Nederlanden aan de landen komen ten laste respectievelijk ten gunste van de begroting van Onze Minister.

2. De valutarisico’s samenhangende met het verstrekken van leningen als bedoeld in de artikelen 16 en 22 door de Staat der Nederlanden aan de landen komen ten laste respectievelijk ten gunste van de begroting van Onze Minister.

3. De Staat der Nederlanden saneert de per 31 december 2005 bestaande schulden van de Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten, met inbegrip van de herfinanciering van die schulden en de financiering van de rente op die schulden, tot het niveau van de voor het jaar 2005 geldende rentelastnorm en de betalingsachterstanden per 31 december 2005. De Staat der Nederlanden neemt de op de datum van inwerkingtreding van deze wet resterende hoofdsom van de in dit lid beschreven te saneren schulden over.

 

Artikel 32. Beheer bescheiden

Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van het college wordt in het bestuursreglement, bedoeld in artikel 5, eerste lid, geregeld. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van het college bewaard in het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De bescheiden worden in afschrift ter beschikking gesteld van Curaçao en Sint Maarten.

 

Artikel 33. Evaluatie en beëindiging toezicht

1. De raad van ministers van het Koninkrijk beslist vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet of en, zo ja, met ingang van welk tijdstip een van de landen of beide een of meer verplichtingen op grond van deze wet blijvend niet meer behoeft na te komen.

2. Zolang ten aanzien van een land een of meer verplichtingen op grond van deze wet nog van toepassing zijn, wordt na een besluit als bedoeld in het eerste lid drie jaar later opnieuw een besluit genomen en vervolgens telkens binnen een periode van drie jaar na ieder besluit.

3. Een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt genomen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.

4. De raad van ministers van het Koninkrijk kan, al dan niet naar aanleiding van een advies daartoe van de evaluatiecommissie, bedoeld in het zevende lid, of op een gemotiveerd verzoek van het land, beslissen dat een besluit als bedoeld in het tweede lid, op een eerder tijdstip wordt genomen.

5. Indien de raad van ministers van het Koninkrijk een advies of verzoek als bedoeld in het vierde lid, niet opvolgt, motiveert hij dit besluit.

6. Een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt niet genomen dan nadat aan de raad van ministers van het Koninkrijk een advies is uitgebracht door een evaluatiecommissie als bedoeld in het zevende lid. De raad van ministers van het Koninkrijk kan slechts gemotiveerd, op gronden ontleend aan de normen, genoemd in artikel 15, afwijken van het advies van de evaluatiecommissie.

7. Onze Minister stelt, in overeenstemming met de raad van ministers van het Koninkrijk, uiterlijk zes maanden voorafgaande aan een beslissing als bedoeld in het eerste en tweede lid, in voorkomend geval na toepassing van het vierde lid, een evaluatiecommissie in. De evaluatiecommissie bestaat uit vier onafhankelijke leden die op grond van deskundigheid en volgens de volgende procedure worden benoemd:

a. de voorzitter in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën van de landen;

b. een lid in overeenstemming met Onze Minister van Financiën van het land Curaçao;

c. een lid in overeenstemming met Onze Minister van Financiën van het land Sint Maarten;

d. een lid, aan te wijzen door Onze Minister.

8. Een evaluatiecommissie kan zich ter uitvoering van haar werkzaamheden laten ondersteunen.

9. Een evaluatiecommissie brengt uiterlijk drie maanden nadat deze is ingesteld, door tussenkomst van Onze Minister, advies uit aan de raad van ministers van het Koninkrijk. Het advies bevat gemotiveerde oordelen en aanbevelingen.

10. Het advies van de evaluatiecommissie bevat in ieder geval:

a. een oordeel over de vraag of het desbetreffende land structureel voldoet aan de normen, genoemd in artikel 15, en of alsdan het te nemen besluit, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk het tweede lid, kan inhouden dat de verplichtingen op grond van deze wet blijvend niet meer behoeven te worden nagekomen door het desbetreffende land;

b. een oordeel of er sprake is van niet aan het desbetreffende land te wijten omstandigheden, waaronder die genoemd in artikel 25, die het voldoen aan de normen in de weg hebben gestaan;

c. een oordeel of de toepassing van de normen, genoemd in artikel 15, zodanig is dat het gerechtvaardigd is dat een of meerdere verplichtingen op grond van deze wet blijvend niet meer behoeven te worden nagekomen en welke verplichtingen het in dat geval kan betreffen;

d. een aanbeveling over het tijdstip van de volgende evaluatie;

e. indien de evaluatiecommissie van oordeel is dat voortzetting van deze wet, geheel of gedeeltelijk, nodig is, aanbevelingen aan het desbetreffende land over maatregelen die bevorderen dat het aan de normen kan voldoen;

f. zo nodig, met het oog op een optimale uitvoering van deze wet, aanbevelingen aan de landen met betrekking tot het krachtens deze wet uit te oefenen toezicht.

11. Een land voldoet structureel aan de normen, genoemd in artikel 15, indien het ten minste de laatste drie achtereenvolgende jaren geheel heeft voldaan aan deze normen en deze normen in zijn regelgeving heeft verankerd. Bij het oordeel, bedoeld in de eerste volzin, betrekt de evaluatiecommissie mede de door het college gedurende de evaluatieperiode uitgebrachte adviezen en rapportages en de eventuele, op grond van deze wet gegeven aanwijzingen.

12. Alvorens advies uit te brengen hoort de evaluatiecommissie het betrokken bestuur. Het bestuur reageert binnen een week. In het geval het bestuur bezwaar maakt tegen een of meer onderdelen van het ontwerpadvies en in het advies aan deze bezwaren geen gevolg wordt gegeven, vermeldt de evaluatiecommissie deze bezwaren in het advies alsmede de reden waarom aan deze bezwaren geen gevolg is gegeven.

13. Artikel 8 is ten aanzien van de evaluatiecommissie van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 33a

[Wijzigt deze wet]

 

Artikel 34. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

 

Artikel 35. Vervallen wet

Deze wet vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit tijdstip is het tijdstip met ingang waarvan alle verplichtingen op grond van deze wet ingevolge artikel 33 door beide landen blijvend niet meer behoeven te worden nagekomen.

 

Artikel 36. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze Rijkswet in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te ’s-Gravenhage, 7 juli 2010

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten

De Minister van Financiën,
J.C. de Jager

 

Uitgegeven de eerste september 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x