St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

 

RIJKSWET  FINANCIEEL  TOEZICHT  CURAÇAO  EN  SINT  MAARTEN

Tekst zoals deze geldt op 14 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

RIJKSWET van 7 juli 2010, houdende regels voor het financieel toezicht op de landen Curaçao en Sint Maarten (Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van de Nederlandse Antillen en Nederland en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten zijn overeengekomen:
– dat op de voet van samenwerking tussen gelijkwaardige partners financieel toezicht wordt ingesteld op de landen Curaçao en Sint Maarten dat erop gericht is dat die landen structureel voldoen aan de in deze wet opgenomen begrotingsnormen die tevens zijn verankerd in de eigen wetgeving zodat het toezicht op termijn overbodig wordt,
– dat in verband daarmee in deze rijkswet bepalingen zijn opgenomen die voorzien in evaluatie ter voorbereiding van beslissingen inzake voortzetting, beperking en beëindiging van het toezicht,
– dat Nederland aan deze ontwikkelingen een bijdrage levert door middel van overname bij het ingaan van de nieuwe staatkundige verhoudingen van de dan resterende hoofdsom van het totaal van de door Nederland over te nemen schulden,
– dat zij deze samenwerking onderling willen regelen in een rijkswet op grond van artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk,
– dat de regeringen van de Nederlandse Antillen en Nederland en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten instemmen met de inhoud van deze rijkswet;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Definitiebepalingen

 

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

– begroting: begroting, bedoeld in de onderscheiden Staatsregelingen van de landen;

– bestuur: raad van ministers van het land Curaçao onderscheidenlijk ministerraad van het land Sint Maarten;

– collectieve sector: land Curaçao onderscheidenlijk land Sint Maarten tezamen met de rechtspersonen die met toepassing van artikel 23 als zodanig zijn aangewezen;

– college: College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, bedoeld in artikel 2, eerste lid;

– landen: landen Curaçao en Sint Maarten;

– land: land Curaçao of land Sint Maarten;

– geconsolideerde schuld: gezamenlijke schulden van de collectieve sector van een land in de vorm van leningen en betalingsachterstanden, met uitzondering van de onderlinge schulden binnen de desbetreffende collectieve sector;

– kapitaaluitgaven: uitgaven die ingevolge de geldende definitie van het System of National Accounts van de Verenigde Naties op de kapitaaldienst van de overheidsrekening worden geboekt;

– Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

– rentelast: uitgaven aan rente, toerekenbaar aan een begrotingsjaar, over de geconsolideerde schuld van een land;

– rentelastnorm: rentelast die overeenkomt met 5% van de gemiddelde gerealiseerde gezamenlijke inkomsten van de collectieve sector van een land, over de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de begroting is of wordt ingediend;

– Staten: Staten van een land.

 

Hoofdstuk 2. Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten

 

Artikel 2. Inrichting en rechtspositie

1. Er is een College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten.

2. Het college bestaat uit vier leden waaronder een voorzitter.

3. De voorzitter en de andere leden worden op grond van deskundigheid benoemd. Over de benoeming beslist de raad van ministers van het Koninkrijk volgens de volgende procedure:

a. de voorzitter op aanbeveling van Onze Minister-President, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de raad van ministers van het Koninkrijk;

b. een lid in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van Curaçao op aanbeveling van Onze Minister-President van dat land;

c. een lid in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad van Sint Maarten op aanbeveling van Onze Minister-President van dat land;

d. een lid in overeenstemming met het gevoelen van de Nederlandse ministerraad op aanbeveling van Onze Minister-President van dat land.

4. De leden worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.

5. De leden van het college oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.

6. De leden worden benoemd voor een periode van drie jaar. Herbenoeming is mogelijk.

7. Een lid wordt op eigen verzoek ontslagen.

8. Een lid kan worden geschorst of ontslagen wegens ongeschiktheid voor de vervulde functie, dan wel wegens andere zwaarwegende in zijn persoon gelegen redenen, dan wel wegens het aanvaarden van een ambt, betrekking of functie als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid.

9. De raad van ministers van het Koninkrijk beslist over schorsing en ontslag. Schorsing en ontslag geschieden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Over ontslag wordt het aanbevelende bestuur vooraf geconsulteerd.

10. Voorafgaande aan een ontslag of een schorsing als bedoeld in het achtste lid wordt het college gehoord, tenzij de omstandigheden met betrekking tot het ontslag of de schorsing dat horen belemmeren.

11. Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën van de landen de vaste vergoeding van de leden van het college vast. Hierbij wordt de toepasselijke salarisschaal van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren en de toepasselijke deeltijdfactor aangegeven. De leden hebben voorts overeenkomstig het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland recht op vergoeding van reis- en verblijfskosten. Daarnaast hebben de leden op declaratiebasis recht op vergoeding van kosten van internationale telefoongesprekken die zij maken in het kader van de werkzaamheden voor het college.

 

Artikel 3. Nevenfuncties

1. Een lid van het college kan niet tevens zijn:

a. Gouverneur;

b. minister of staatssecretaris;

c. commissaris van de Koning of gedeputeerde;

d. lid van de Staten of van een daarmee vergelijkbaar orgaan van Nederland;

e. burgemeester of wethouder dan wel gezaghebber of eilandgedeputeerde;

f. lid van de Raad van Advies van een van de landen;

g. lid van de Raad van State van het Koninkrijk;

h. lid van de Algemene Rekenkamer van een van de landen of van Nederland;

i. ombudsman of substituut-ombudsman van een van de landen of van Nederland;

j. ambtenaar bij een ministerie of een daaronder ressorterende instelling, dienst of bedrijf.

2. Een lid vervult ook overigens geen andere betrekking of nevenfunctie die overigens ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie of de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.

3. Een lid meldt het voornemen tot het aanvaarden van een andere betrekking of nevenfunctie aan het college. Het college informeert Onze Minister en de besturen.

4. Het college maakt de nevenfuncties van een lid openbaar. Openbaarmaking geschiedt bij zijn benoeming en voorts door jaarlijkse publicatie van een opgave van deze nevenfuncties in de Staatscourant, de Curaçaosche Courant en de Landscourant Sint Maarten.

 

Artikel 4. Taken

1. De taken van het college zijn, onverminderd de in andere artikelen van deze wet genoemde taken:

a. het toezicht op de toepassing door de landen van de normen, genoemd in artikel 15, bij de uitvoering en de verantwoording van de begroting en bij het betalingsverkeer;

b. het toetsen of de landen voldoen aan de in deze wet vastgelegde voorwaarden voor het aangaan van rentedragende leningen en rentedragende kredieten;

c. het rapporteren aan en adviseren van Onze Ministers van Financiën van de landen, de beide Staten, de besturen en, door tussenkomst van Onze Minister, de raad van ministers van het Koninkrijk;

d. het toezicht op de voortgang van de implementatie van de verbetering van het financieel beheer.

2. Het college zendt eens per half jaar door tussenkomst van Onze Minister een schriftelijk verslag over zijn werkzaamheden aan de raad van ministers van het Koninkrijk en aan de besturen, de beide Kamers der Staten-Generaal, en de beide Staten.

3. Het college verstrekt desgevraagd inlichtingen over zijn werkzaamheden aan Onze Minister, aan Onze Minister van Financiën van Nederland en aan de besturen.

4. Onze Minister kan, na instemming van de raad van ministers van het Koninkrijk, die handelt in overeenstemming met de besturen, beleidsregels vaststellen en algemene en bijzondere aanwijzingen geven ten aanzien van de uitoefening van de in deze wet aan het college toegekende taken en bevoegdheden.

 

Artikel 5. Uitvoering van de taken

1. Het college stelt ter uitvoering van de in artikel 4 genoemde taken een bestuursreglement vast, waarin in ieder geval regels over de besluitvorming, werkwijze en procedures zijn opgenomen. In het reglement worden tevens regels

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is te verkrijgen op www.123recht.nl



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x