| |
|
|
|
|
vorige
RIJKSWET
OPENBARE MINISTERIES VAN CURAÇAO, VAN
SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT
EUSTATIUS EN SABA
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
RIJKSWET van 7 juli 2010 tot regeling van de inrichting, de
organisatie en het beheer van de openbare ministeries van Curaçao, van
Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de samenwerking
daartussen (Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint
Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de
regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen en de
bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten binnen het Koninkrijk
willen samenwerken door de inrichting, organisatie en het beheer van de
openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint
Eustatius en Saba en de onderlinge samenwerking tussen deze openbare
ministeries te regelen in een rijkswet op grond van artikel 38, tweede
lid, van het Statuut voor het Koninkrijk en dat de regeringen van
Nederland en de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van Curaçao
en Sint Maarten instemmen met de inhoud van deze regeling;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het
Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de
bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. algemene maatregel van rijksbestuur: algemene maatregel van
rijksbestuur in de zin van artikel 38, tweede lid, van het Statuut
voor het Koninkrijk der Nederlanden;
b. landen: Curaçao, Sint Maarten en Nederland voor zover het
betreft Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
c. Gerecht in eerste aanleg: Gerecht in eerste aanleg van
Curaçao, Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten of Gerecht in
eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
d. Hof: Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,
Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
e. Hoge Raad: Hoge Raad der Nederlanden;
f. Onze Minister: Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze
Minister van Justitie van Sint Maarten of Onze Minister van Justitie
van Nederland afhankelijk van het land dat het aangaat;
g. Onze Ministers: Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze
Minister van Justitie van Sint Maarten en Onze Minister van Justitie
van Nederland gezamenlijk;
h. Statuut: Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Hoofdstuk 2. De inrichting van de openbare ministeries
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 2
1. Het openbaar ministerie van elk van de landen bestaat uit:
a. het parket van de procureur-generaal en
b. het parket in eerste aanleg.
2. Aan het hoofd van de openbare ministeries van de landen staat
een gezamenlijke procureur-generaal.
§ 2. Het parket van de procureur-generaal
Artikel 3
1. Het parket van de procureur-generaal is gevestigd in Curaçao.
De procureur-generaal houdt in elk land kantoor.
2. Bij het kantoor van de procureur-generaal in Sint Maarten is een
daartoe door de procureur-generaal aangewezen medewerker van het
parket van de procureur-generaal als hoofd van dat kantoor werkzaam.
3. Het hoofd van het kantoor ondersteunt de procureur-generaal bij
in ieder geval de volgende taken in Sint Maarten:
a. de zorg voor de kwaliteit en bestuurlijke en
organisatorische werkwijze van het openbaar ministerie;
b. de voorbereiding van het jaarplan en de begroting van het
parket in eerste aanleg en het toezicht op de uitvoering daarvan;
c. de voorbereiding en uitvoering van het beleidsprogramma voor
de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit;
d. het toezicht op een behoorlijke opsporing en vervolging van
strafbare feiten.
Artikel 4
1. De procureur-generaal staat aan het hoofd van het parket van de
procureur-generaal.
2. Bij het parket van de procureur-generaal zijn naast de
procureur-generaal een of meer andere leden van het openbaar
ministerie werkzaam, waaronder in elk geval een advocaat-generaal.
3. Bij het parket van de procureur-generaal kunnen andere
ambtenaren werkzaam zijn, die geen lid zijn van het openbaar
ministerie.
Artikel 5
1. Het openbaar ministerie bij het Hof wordt ten behoeve van de
landen uitgeoefend door of namens de procureur-generaal.
2. Bij verhindering of afwezigheid wordt de procureur-generaal
vervangen door de advocaat-generaal. Bij verhindering of afwezigheid
van de advocaat-generaal kan de procureur-generaal zich doen vervangen
door een door de procureur-generaal aan te wijzen hoofdofficier van
justitie of diens plaatsvervanger, die dan als waarnemend
procureur-generaal optreedt.
3. In geval van ontstentenis van de procureur-generaal voor langere
duur wordt bij koninklijk besluit in de vervanging voorzien. De
voordracht voor benoeming van de vervanger geschiedt op voorstel van
Onze Ministers.
4. De procureur-generaal kan algemene en bijzondere aanwijzingen
geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het
openbaar ministerie.
Artikel 6
1. De procureur-generaal is bevoegd tot het instellen van hoger
beroep in strafzaken die door een Gerecht in eerste aanleg zijn
berecht, onverminderd de bevoegdheid van de officier van justitie op
grond van landsverordening of wet hoger beroep in te stellen.
2. De procureur-generaal is belast met de opsporing en vervolging
van strafbare feiten waarvan de berechting in eerste aanleg aan het
Gemeenschappelijk Hof van Justitie is opgedragen.
3. De procureur-generaal ziet toe op een behoorlijke opsporing en
vervolging van strafbare feiten.
4. De procureur-generaal kan voorts andere, hem bij
landsverordening of wet opgedragen taken vervullen.
§ 3. Het parket in eerste aanleg
Artikel 7
1. Aan het hoofd van het openbaar ministerie bij het Gerecht in
eerste aanleg staat een hoofdofficier van justitie, die als hoofd van
het parket in eerste aanleg wordt benoemd. De hoofdofficieren van
justitie zijn in hun ambtsbetrekking ondergeschikt aan de
procureur-generaal.
2. Bij het parket in eerste aanleg kunnen naast de hoofdofficier
van justitie officieren van justitie, substituut-officieren van
justitie, plaatsvervangende officieren van justitie en andere
ambtenaren werkzaam zijn. De hoofdofficier van justitie, de officieren
van justitie, substituut-officieren van justitie en plaatsvervangende
officieren van justitie zijn in de uitoefening van hun functie allen
op gelijke wijze lid van het openbaar ministerie.
3. De officieren van justitie, de substituut-officieren van
justitie en de plaatsvervangende officieren van justitie zijn in hun
ambtsbetrekking ondergeschikt aan het hoofd van het parket, waarbij
zij zijn geplaatst. De hoofdofficier kan de bij zijn parket werkzame
leden van het openbaar ministerie algemene en bijzondere aanwijzingen
geven betreffende de uitoefening van hun taken en bevoegdheden.
4. Bij verhindering of afwezigheid van de hoofdofficier van
justitie wordt zijn functie waargenomen door een ander lid van het
desbetreffende parket.
5. De inrichting en organisatie van het parket in eerste aanleg kan
overigens bij landsverordening of wet worden geregeld.
Artikel 8
1. Officieren van justitie zijn bevoegd en inzetbaar in elk van de
landen. Onze Ministers maken hierover nadere afspraken.
2. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op
a. de betrokkenheid van de procureur-generaal bij het inzetten
van een officier van justitie in een ander land dan het land van
aanstelling;
b. onderlinge vergoeding van de kosten;
c. onderlinge informatieverstrekking;
d. evaluatie van de afspraken.
Hoofdstuk 3. Enige taken en bevoegdheden
Artikel 9
1. Het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke
handhaving van de rechtsorde en met andere bij landsverordening of wet
vastgestelde taken.
2. Het openbaar ministerie is in het bijzonder belast met:
a. de handhaving van de wettelijke regelingen;
b. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
c. het doen uitvoeren van vonnissen en beschikkingen in
strafzaken;
d. het toezicht op de naleving van de rechterlijke beslissingen
in tuchtzaken.
Artikel 10
De taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie worden, op de
wijze bij of krachtens landsverordening of wet bepaald, uitgeoefend door
de leden van het openbaar ministerie.
Artikel 11
1. De procureur-generaal is belast met de zorg voor de justitiële
politie. Hij is bevoegd aan de ambtenaren die met de politie belast
zijn zodanige instructies te geven tot voorkoming, opsporing, en
nasporing van strafbare feiten als hij in het belang van een goede
justitie nodig oordeelt.
2. De procureur-generaal waakt voor de richtige uitoefening van de
taak van de politie. Hij is bevoegd daarover aan Onze Minister de
voorstellen te doen die hem dienstig voorkomen.
Artikel 12
1. Wanneer het aan het Hof voorkomt dat de vervolging van een
strafbaar feit in een van de landen behoort te worden ingesteld of
voortgezet, is de procureur-generaal verplicht te voldoen aan een
bevel van het Hof om de gevraagde informatie te verstrekken.
2. De procureur-generaal is, behoudens de bepalingen van
strafvordering van het desbetreffende land, verplicht om op bevel van
het Hof te vervolgen of te doen vervolgen.
Artikel 13
1. Onze Minister kan de procureur-generaal algemene aanwijzingen
geven betreffende de opsporing en vervolging van strafbare feiten in
zijn land. Een aanwijzing wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven.
2. Indien Onze Minister voornemens is de procureur-generaal een
bijzondere aanwijzing te geven betreffende de opsporing en vervolging
van strafbare feiten in zijn land, dan legt hij de voorgenomen
aanwijzing voor aan het Hof ter toetsing aan het recht. Het Hof
beslist binnen een week op het verzoek van Onze Minister. Indien het
Hof van oordeel is dat de voorgenomen aanwijzing in overeenstemming is
met het recht, dan kan Onze Minister de aanwijzing geven.
Artikel 14
De openbare ministeries van de landen en van Nederland zijn onderling
verplicht gevolg te geven aan verzoeken om rechtshulp. Onze Ministers
kunnen hierover nadere afspraken maken.
Artikel 15
1. Het openbaar ministerie is verplicht bericht en advies te geven,
wanneer dit door of vanwege de regering van het betrokken land wordt
gevraagd. Een verzoek om bericht of advies wordt gedaan aan de
procureur-generaal.
2. De leden van het openbaar ministerie verstrekken de
procureur-generaal de inlichtingen die hij nodig heeft.
3. Wanneer de zaak waaromtrent bericht en advies is gevraagd, aan
een rechterlijke beslissing is onderworpen of te voorzien is dat dit
zal geschieden, is het geven van eenvoudig bericht voldoende.
Hoofdstuk 4. Rechtspositionele aspecten
Artikel 16
1. De procureur-generaal en de advocaat-generaal worden benoemd,
geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit.
2. Indien de plaats van procureur-generaal of advocaat-generaal
openvalt, nodigen Onze Ministers het Hof en de procureur-generaal uit
gezamenlijk een aanbeveling voor benoeming te doen. De aanbeveling
bevat de namen van ten hoogste drie kandidaten.
3. De voordracht voor benoeming wordt gedaan op voorstel van Onze
Ministers. Daarbij nemen zij de aanbeveling, bedoeld in het tweede
lid, zoveel mogelijk in acht.
4. Indien Onze Ministers voornemens zijn af te wijken van de
aanbeveling winnen zij daaromtrent het gevoelen van het Hof en de
procureur-generaal in. Het gevoelen van het Hof en de
procureur-generaal en de aanbeveling worden bij het voorstel van Onze
Ministers gevoegd. Zij motiveren waarom zij zijn afgeweken van de
aanbeveling.
5. De procureur-generaal kan leden van en andere ambtenaren
werkzaam bij het openbaar ministerie van elk van de landen aanwijzen
om bij het parket van de procureur-generaal werkzaam te zijn.
Artikel 17
1. De hoofdofficier van justitie wordt benoemd, geschorst en
ontslagen bij koninklijk besluit. De voordracht geschiedt op voorstel
van Onze Minister.
2. Indien een plaats van hoofdofficier van justitie openvalt zendt
de procureur-generaal, gehoord het Hof, een schriftelijke aanbeveling
bevattende de namen van ten hoogste drie kandidaten aan Onze Minister.
3. De overige leden van het openbaar ministerie werkzaam bij het
parket in eerste aanleg van Curaçao of Sint Maarten worden benoemd,
geschorst en ontslagen bij landsbesluit van het desbetreffende land,
op een daartoe strekkende aanbeveling van de procureur-generaal.
4. De overige leden van het openbaar ministerie werkzaam bij het
parket in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden
benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op een daartoe
strekkende aanbeveling van de procureur-generaal.
5. Bij of krachtens landsverordening of wet kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de benoemingsprocedure van de
overige leden van het openbaar ministerie werkzaam bij het parket in
eerste aanleg.
Artikel 18
1. Tot lid van het openbaar ministerie kan worden benoemd degene:
a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een
afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk
onderwijs op het gebied van het recht door een bij algemene
maatregel van rijksbestuur aan te wijzen universiteit, de graad
van Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad van
Master op het gebied van het recht is verleend;
b. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een
afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht
aan een bij algemene maatregel van rijksbestuur aan te wijzen
universiteit, het recht om de titel meester te voeren heeft
verkregen.
2. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen graden verleend
door een universiteit of een hogeschool of daaraan gelijkwaardige
getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het
eerste lid, onder a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde
graad Bachelor op het gebied van het recht.
3. Op voorstel van de procureur-generaal kunnen plaatsvervangend
officieren van justitie worden benoemd die niet voldoen aan de
vereisten, bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. De leden van het openbaar ministerie moeten Nederlander zijn.
5. De leden van het openbaar ministerie kunnen niet zijn:
a. Gouverneur;
b. minister of staatssecretaris;
c. commissaris der Koningin of gedeputeerde;
d. lid van de vertegenwoordigende lichamen van Curaçao of van
Sint Maarten, lid van de Staten-Generaal of lid van een
eilandsraad;
e. Rijksvertegenwoordiger, gezaghebber of eilandsgedeputeerde;
f. burgemeester of wethouder;
g. lid van het Hof of van de Beheerraad;
h. lid van de Raad voor de rechtshandhaving;
i. lid van de Raad van Advies van Curaçao of Sint Maarten;
j. lid van de Raad van State van het Koninkrijk;
k. lid van de Algemene Rekenkamer van één van de landen;
l. nationale of eilandelijke ombudsman of substituut-ombudsman;
m. advocaat of notaris dan wel anderszins beroepsmatige
rechtshulpverlener;
n. ambtenaar bij een ministerie of een eiland van het land waar
betrokkene als lid van het openbaar ministerie is aangesteld,
alsmede de daaronder ressorterende instellingen, diensten en
bedrijven, met dien verstande dat onderdeel n niet van toepassing
is op substituut-officieren van justitie en plaatsvervangende
officieren van justitie.
6. Een lid van het openbaar ministerie geeft de procureur-generaal
kennis van de betrekkingen die hij buiten zijn ambt vervult. Zo
mogelijk geschiedt de kennisgeving zodra het voornemen bestaat tot het
aangaan van de betrekking.
7. De procureur-generaal houdt een register bij waarin de in het
zesde lid bedoelde betrekkingen zijn opgenomen. Het register ligt ter
inzage bij het parket van de procureur-generaal en het parket in
eerste aanleg waar betrokkene werkzaam is.
Artikel 19
1. De leden van het openbaar ministerie leggen voorafgaand aan de
datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier
zoals vastgesteld in de bijlage bij deze rijkswet.
2. De leden van het openbaar ministerie leggen de eed af ten
overstaan van de Gouverneur van Curaçao, de Gouverneur van Sint
Maarten of de Rijksvertegenwoordiger van Bonaire, Sint Eustatius en
Saba of ten overstaan van een door de Gouverneur of de
Rijksvertegenwoordiger aangewezen ambtenaar.
Artikel 19a
Een lid van het openbaar ministerie is verplicht tot geheimhouding
van de gegevens waarover hij bij de uitoefening van zijn taak de
beschikking krijgt en waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of
redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens zover enig wettelijk
voorschrift tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot
mededeling voortvloeit.
Artikel 19b
1. Echtgenoten, bloedverwanten of aanverwanten tot in de derde
graad mogen niet tegelijkertijd lid van het openbaar ministerie zijn.
2. Indien leden van het openbaar ministerie met elkaar huwen, zal
de jongstbenoemde geen lid van het openbaar ministerie kunnen blijven.
3. Indien de aanverwantschap ontstaat na de benoeming, zal degene
die haar veroorzaakte, zijn ambt niet kunnen behouden, tenzij
ontheffing is verleend door het tot benoeming bevoegde gezag.
4. Het aanverwantschap houdt op te bestaan door ontbinding van het
huwelijk.
5. Degene die ingevolge het tweede en het derde lid zijn ambt niet
kan behouden, dient zijn ontslag in.
6. De procureur-generaal draagt er zorg voor dat aanverwanten aan
wie ontheffing is verleend als bedoeld in het derde lid, niet worden
belast met de behandeling van dezelfde zaak.
Artikel 20
1. Een lid van het openbaar ministerie wordt geschorst indien:
a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een
dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die
vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
c. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, hij surséance van betaling heeft gekregen, dan wel
wegens schulden is gegijzeld.
2. Een lid van het openbaar ministerie kan worden geschorst indien:
a. tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een
misdrijf is ingesteld;
b. er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van
feiten of omstandigheden die tot ontslag, anders dan op grond van
artikel 21, eerste lid, onder a en b, of artikel 22, onder c, zou
kunnen leiden.
3. De schorsing als bedoeld in de voorgaande leden, eindigt na drie
maanden. De maatregel kan telkens voor ten hoogste drie maanden worden
verlengd.
4. De schorsing wordt beëindigd zodra de grond voor deze maatregel
is vervallen.
Artikel 21
1. Een lid van het openbaar ministerie wordt ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die
waarin hij de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt;
c. indien hij een ambt of betrekking aanvaardt bedoeld in
artikel 18, vijfde lid;
d. bij het verlies van het Nederlanderschap;
e. bij gebleken ongeschiktheid voor de functie, anders dan
wegens ziekte of gebreken.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid onder a en b, wordt
het ontslag eervol verleend.
3. In het geval bedoeld in het eerste lid, onder c, kan het ontslag
eervol worden verleend.
Artikel 22
1. Een lid van het openbaar ministerie kan voorts worden ontslagen:
a. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
b. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard, surséance van
betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
c. indien hij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend
ongeschikt is om zijn functie te vervullen;
d. wegens handelen of nalaten, dat ernstig nadeel toebrengt aan
de goede gang van zaken bij het openbaar ministerie of aan het in
hem te stellen vertrouwen.
2. In het geval bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt het
ontslag eervol verleend.
Artikel 23
Alvorens een besluit op grond van de artikelen 20, tweede lid, 21,
eerste lid, onder e, en 22 wordt genomen wordt betrokkene in de
gelegenheid gesteld zijn zienswijze mondeling of schriftelijk naar voren
te brengen.
Artikel 24
Indien Onze Minister oordeelt dat een reden tot ontslag van de
procureur-generaal is gelegen in gebleken ongeschiktheid voor zijn
functie anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken, dan kan hij een
voorstel tot schorsing of ontslag met inachtneming van de toepasselijke
procedureregels aanmelden voor agendering in de raad van ministers van
het Koninkrijk.
Artikel 25
1. Tegen een rechtspositionele beschikking of handeling waarbij een
lid van het openbaar ministerie als zodanig, zijn nagelaten
betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn, kan een
belanghebbende beroep instellen bij het Gerecht in eerste aanleg van
het land waar belanghebbende woont. Indien belanghebbende niet woont
in één van de landen, is het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
bevoegd.
2. Tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg kan een
belanghebbende hoger beroep instellen bij het Hof.
3. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een beschikking tot
benoeming of aanstelling, tenzij het beroep wordt ingesteld door een
lid van het openbaar ministerie als zodanig, zijn nagelaten
betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden.
4. Op de behandeling van het beroep en het hoger beroep zijn de
regels van het procesrecht voor de behandeling van
ambtenaarrechtelijke geschillen van het land waarin het beroep wordt
behandeld van overeenkomstige toepassing.
5. Met een beschikking of handeling bedoeld in dit artikel wordt
een weigering te beschikken of te handelen gelijkgesteld.
Artikel 26
De rechtspositie van de leden van het openbaar ministerie wordt
overigens geregeld bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur.
Daarbij kunnen nadere regels worden gesteld over schorsing en ontslag.
Artikel 27
Andere ambtenaren bij het parket van de procureur-generaal als
bedoeld in artikel 4, derde lid, worden benoemd door Onze Minister van
het land waar de ambtenaar voornamelijk werkzaam zal zijn op voorstel
van de procureur-generaal. Op hun rechtspositie zijn de in dat land
geldende ambtenarenregelingen van toepassing.
Hoofdstuk 5. Beheer en bekostiging
Artikel 28
De procureur-generaal is belast met het beheer van de openbare
ministeries van de landen. In het bijzonder draagt de procureur-generaal
zorg voor:
a. de kwaliteit en de bestuurlijke en organisatorische werkwijze
van de openbare ministeries;
b. de voorbereiding van de begrotingen van het parket in eerste
aanleg en het parket van de procureur-generaal;
c. het toezicht houden op de uitvoering van de begrotingen;
d. het afleggen van verantwoording aan Onze Minister over de
uitvoering van de begroting van het openbaar ministerie;
e. de automatisering, de bestuurlijke informatievoorziening, de
huisvesting, de beveiliging, de personele en materiële
voorzieningen bij de openbare ministeries.
Artikel 29
1. Onze Ministers voeren jaarlijks voor 15 april overleg over het
totaal van de in het daaropvolgende jaar door de landen beschikbaar te
stellen middelen voor het parket van de procureur-generaal.
2. De procureur-generaal zendt ter voorbereiding van het in het
eerste lid bedoelde overleg voor 15 maart aan Onze Ministers een
jaarplan met een ontwerpbegroting voor het parket van de
procureur-generaal. De ontwerpbegroting gaat vergezeld van een
meerjarenraming voor tenminste vier op het begrotingsjaar volgende
jaren. Het jaarplan bevat een omschrijving van de voorgenomen
activiteiten, de doelstellingen en de prestatieafspraken van het
parket voor het komende jaar.
3. Op basis van het in het eerste lid bedoelde overleg stellen Onze
Ministers zo spoedig mogelijk de begroting voor het parket van de
procureur-generaal vast. Onze Ministers stellen het jaarplan vast
uiterlijk voor aanvang van het jaar waarop het jaarplan betrekking
heeft.
4. De kosten van het parket van de procureur-generaal worden op
grond van een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur
vast te stellen verdeelsleutel aan de landen toebedeeld.
Artikel 30
1. De procureur-generaal stelt jaarlijks voor 1 april in
overeenstemming met de betrokken hoofdofficier van justitie een
jaarplan op met een daarbij behorende ontwerp-begroting voor het
parket in eerste aanleg. De ontwerpbegroting gaat vergezeld van een
meerjarenraming voor tenminste vier op het begrotingsjaar volgende
jaren. Het jaarplan bevat een omschrijving van de voorgenomen
activiteiten, de doelstellingen en de prestatieafspraken van het
parket voor het komende jaar.
2. Onze Minister stelt zo spoedig mogelijk de begroting van het
parket in eerste aanleg vast. Onze Minister stelt het jaarplan vast
voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het
jaarplan betrekking heeft.
3. De procureur-generaal ziet toe op de uitvoering van het jaarplan
en voert daarover regelmatig maar ten minste vier keer per jaar in
persoon overleg met de hoofdofficier van justitie in het land van
standplaats van de betrokken hoofdofficier.
4. Elk van de landen draagt de kosten van zijn parket in eerste
aanleg.
Artikel 31
1. De procureur-generaal dient jaarlijks voor 1 april bij Onze
Minister een jaarverslag in over het parket van de procureur-generaal.
Het jaarverslag bevat een verantwoording over de activiteiten, de
doelstellingen en de prestatieafspraken. Het jaarverslag bevat tevens
de jaarrekening met bijbehorende begroting en overige financiële
gegevens.
2. De procureur-generaal dient jaarlijks voor 1 april bij Onze
Minister een jaarverslag in over de uitvoering van de begroting van
het parket in eerste aanleg. De tweede en derde zin van het eerste lid
is van toepassing.
3. Het jaarverslag van het parket van de procureur-generaal gaat
vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid afgegeven door een
door de procureur-generaal in overeenstemming met Onze Ministers
aangewezen accountant.
4. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de
procureur-generaal dat aan Onze Minister desgevraagd inzicht wordt
geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant.
Artikel 32
Privaatrechtelijke rechtshandelingen die voortvloeien uit het beheer
van de begroting van het parket van de procureur-generaal en van de
begrotingen van de parketten in eerste aanleg, worden verricht door of
namens de procureur-generaal.
Hoofdstuk 6. Samenwerking
Artikel 33
1. Onze Ministers voeren overleg over de opsporing en vervolging
van grensoverschrijdende criminaliteit en maken afspraken over in
ieder geval de personele en materiële inzet voor het beleid ter
bestrijding van de grensoverschrijdende criminaliteit.
2. Onder grensoverschrijdende criminaliteit wordt in ieder geval
verstaan: terrorisme, internationale drugshandel,
computercriminaliteit, het internationale witwassen van geld,
internationale wapenhandel, internationale mensenhandel en
internationale corruptie.
3. De afspraken, bedoeld in het eerste lid, worden na
overeenstemming tussen Onze Ministers vastgesteld door de raad van
ministers van het Koninkrijk.
Artikel 34
1. De procureur-generaal doet in opdracht van Onze Ministers
vierjaarlijks een voorstel voor een beleidsprogramma voor de
bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit.
2. Het beleidsprogramma wordt, na overeenstemming tussen Onze
Ministers vastgesteld door de raad van ministers van het Koninkrijk.
3. De procureur-generaal kan de korpschefs opdragen ten behoeve van
de opsporing en vervolging van grensoverschrijdende criminaliteit
ambtenaren van politie, middelen en voorzieningen beschikbaar te
stellen conform de afspraken die hierover in de raad van ministers van
het Koninkrijk zijn gemaakt.
4. Onze Ministers kunnen regels geven over de wijze waarop gegevens
met betrekking tot grensoverschrijdende criminaliteit worden
geregistreerd, verwijderd dan wel worden verstrekt. Verstrekking van
gegevens vindt plaats met inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke voorschriften van de landen.
5. De procureur-generaal is bevoegd officieren van justitie aan te
wijzen die zijn belast met de opsporing en vervolging van
grensoverschrijdende criminaliteit.
Artikel 35
1. Op verzoek van de procureur-generaal kunnen ambtenaren van de
rijksrecherche ondersteuning verlenen ten behoeve van onderzoek naar
integriteitschendingen en de opsporing van ambtsdelicten.
2. De procureur-generaal doet een verzoek als bedoeld in het eerste
lid eerst na overleg met Onze Minister.
3. De ambtenaren van de rijksrecherche beschikken bij de
uitoefening van hun taken ten behoeve van de procureur-generaal over
de bevoegdheden van de ambtenaren van politie van het desbetreffende
land. De ambtenaren van de rijksrecherche die de gevraagde bijstand
verlenen functioneren onder het gezag van de procureur-generaal.
4. De procureur-generaal is bevoegd in het belang van een goede
rechtsbedeling te vorderen dat door hem aangewezen ambtenaren van
politie worden belast met onderzoek naar integriteitschendingen en
ambtsdelicten. De korpsen zijn verplicht aan dergelijk onderzoek
medewerking te verlenen en de aangewezen ambtenaren de nodige
inlichtingen te verschaffen.
5. Onder onderzoek naar integriteitschendingen wordt verstaan
opsporingsonderzoek naar strafbare feiten die de integriteit van de
overheid kunnen aantasten en zijn begaan door natuurlijke personen of
rechtspersonen belast met een publieke taak, of betrokken bij de
uitvoering daarvan.
Artikel 36
1. Onze Ministers en de procureur-generaal voeren ten minste één
keer per jaar overleg waarin ze afspraken maken over het opsporings-
en vervolgingsbeleid van de landen.
2. Onze Ministers stemmen in overleg met de procureur-generaal
jaarlijks het beleid af voor de opsporing en vervolging in de landen
van misdrijven die gezien de aard en de frequentie of het
georganiseerd verband waarin ze worden gepleegd een ernstige inbreuk
op de rechtsorde vormen. De resultaten van de afstemming worden
schriftelijk vastgelegd.
Artikel 36a
1. De procureur-generaal voert ten minste tweemaal per jaar met een
daartoe door het College van procureurs-generaal in Nederland
aangewezen lid van dat College overleg over opsporing en vervolging
van grensoverschrijdende criminaliteit en andere aangelegenheden die
van gemeenschappelijk belang zijn voor de strafrechtelijke
rechtshandhaving in de landen en in het Europese deel van Nederland.
2. Het overleg strekt tevens tot het maken van afspraken over
onderlinge hulp en bijstand.
3. Voor het overleg wordt de procureur-generaal van Aruba
uitgenodigd.
Artikel 37
De procureur-generaal kan een aanwijzing als bedoeld in artikel 13,
eerste lid, binnen twee weken nadat zij is gegeven voorleggen aan Onze
Ministers indien de aanwijzing naar zijn oordeel het gezamenlijk beleid
van de landen betreft.
Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 38
1. De benoeming van degene die op de dag voorafgaand aan
inwerkingtreding van deze rijkswet procureur-generaal van de
Nederlandse Antillen is, wordt van rechtswege gewijzigd in een
benoeming tot procureur-generaal van de landen.
2. De benoeming van degene die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze rijkswet advocaat-generaal bij het openbaar
ministerie van de Nederlandse Antillen is, wordt van rechtswege
gewijzigd in een benoeming tot advocaat-generaal bij het parket van de
procureur-generaal.
3. Officieren van justitie, plaatsvervangend officieren van
justitie en substituut-officieren van justitie die op de dag
voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wet in dienst zijn van de
Nederlandse Antillen zijn met ingang van de datum van inwerkingtreding
van deze wet in dezelfde rang benoemd bij het openbaar ministerie van
het land waarin de plaats is gelegen die op de dag voorafgaand aan
inwerkingtreding van deze wet standplaats van betrokkene was.
Artikel 39
Zaken die voorafgaand aan inwerkingtreding van deze rijkswet in
behandeling zijn bij het openbaar ministerie van de Nederlandse Antillen
alsmede wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij het openbaar
ministerie is betrokken worden voortgezet door het openbaar ministerie
van Curaçao, het openbaar ministerie van Sint Maarten of het openbaar
ministerie van Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Zo nodig beslist de
procureur-generaal welk van deze drie openbare ministeries de
behandeling of procedure voortzet.
Artikel 40
Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van
deze rijkswet aan de vertegenwoordigende lichamen van Sint Maarten en
Curaçao en de Staten-Generaal een evaluatieverslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze rijkswet in de praktijk.
Voorafgaande aan de evaluatie zullen de landen gezamenlijk de criteria,
de thema’s alsmede de samenstelling van de evaluatiecommissie
vaststellen.
Artikel 41
1. Deze rijkswet kan in onderling overleg worden gewijzigd bij
rijkswet op grond van artikel 38, tweede lid, van het Statuut.
2. Naar aanleiding van de evaluatie, bedoeld in artikel 40, kan
deze rijkswet in onderlinge overeenstemming worden beëindigd.
Artikel 42
Deze rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 43
Deze rijkswet wordt aangehaald als: Rijkswet openbare ministeries van
Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
en in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 7 juli 2010
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten
Uitgegeven de eerste september 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage, bedoeld in artikel 19, eerste lid
Ik zweer/ik beloof trouw aan de Koning en gehoorzaamheid aan de
wettelijke regelingen.
Ik zweer/ik verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke
naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van mijn benoeming aan
iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of
beloven.
Ik zweer/ik beloof dat ik nimmer enige giften of geschenken, hoe ook
genaamd, zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of
vermoed dat hij in enige rechtszaak is of zal worden betrokken, waarin
mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!
Op ..........................., werd te
............................................
Ten overstaan van
...............................................................
De bovenstaande eed/belofte afgelegd.
De ........................................
1...........................................
2...........................................
|
|
|