| |
|
|
|
|
vorige
RIJKSWET
RAAD VOOR DE RECHTSHANDHAVING
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
RIJKSWET van 7 juli 2010 tot regeling van de instelling, taken en
bevoegdheden van de Raad voor de rechtshandhaving van Curaçao, van Sint
Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet Raad voor de
rechtshandhaving)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de
regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen en de
bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten binnen het Koninkrijk
willen samenwerken door instelling van een orgaan dat is belast met de
inspectie van diensten en instellingen die deel uitmaken van de
justitiële keten in Curaçao, in Sint Maarten en op Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, dat zij deze samenwerking onderling willen regelen in
een rijkswet op grond van artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor
het Koninkrijk en dat de regeringen van Nederland en de Nederlandse
Antillen en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten instemmen
met de inhoud van deze regeling;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het
Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de
bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze rijkswet wordt verstaan onder:
a. bestuursorgaan:
– een orgaan van een rechtspersoon in de landen die
krachtens publiekrecht is ingesteld of
– een ander persoon of college met enig openbaar gezag
bekleed in de landen;
b. landen: Curaçao, Sint Maarten of Nederland, voor zover het
betreft Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
c. Gemeenschappelijk Hof van Justitie: Gemeenschappelijk Hof
van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire,
Sint Eustatius en Saba;
d. Raad: Raad voor de rechtshandhaving bedoeld in artikel 2,
eerste lid;
e. Onze Minister: Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze
Minister van Justitie van Sint Maarten of Onze Minister van
Nederland wie het aangaat als bedoeld in het tweede tot en met
vijfde lid;
f. Onze betrokken Minister: Onze Minister van het land dat bij
een inspectierapport of advies is betrokken;
g. Onze Ministers: Onze Minister van Justitie van Curaçao,
Onze Minister van Justitie van Sint Maarten en Onze Minister van
Nederland wie het aangaat als bedoeld in het tweede tot en met
vijfde lid gezamenlijk;
h. vertegenwoordigend orgaan: de Staten van Curaçao, de Staten
van Sint Maarten of de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
2. Voor zover de inspectie door de Raad betrekking heeft op de
politie of de opleiding van de politie en geheel of ten dele wordt
uitgevoerd ten behoeve van Nederland, voor zover het betreft Bonaire,
Sint Eustatius en Saba is Onze Minister van Nederland wie het aangaat:
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in
overeenstemming met Onze Minister van Justitie van Nederland.
3. Bij de toepassing van de artikelen 36, vijfde lid, 37, zesde
lid, en 42 is Onze Minister van Nederland wie het aangaat Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze
Minister van Justitie van Nederland.
4. Voor zover de inspectie door de Raad betrekking heeft op
instellingen en inrichtingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onder b, justitiële samenwerking als bedoeld in artikel 3, derde lid,
het vreemdelingentoezicht of de grensbewaking ten behoeve van Bonaire,
Sint Eustatius en Saba is Onze Minister van Nederland wie het aangaat
Onze Minister van Justitie.
5. In andere gevallen dan genoemd in het tweede tot en met vierde
lid is Onze Minister van Nederland wie het aangaat Onze Minister van
Justitie van Nederland in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Hoofdstuk 2. Instelling en taak
Artikel 2
1. Er is een Raad voor de rechtshandhaving.
2. De Raad is een orgaan van Curaçao, Sint Maarten en Nederland.
3. De Raad bezit rechtspersoonlijkheid.
Artikel 3
1. De Raad is in de landen belast met algemene inspectie van de
volgende organisaties:
a. de politie, de opleiding van de politie en het openbaar
ministerie,
b. instellingen en inrichtingen waar vrijheidsstraffen,
vrijheidsbeperkende straffen, vrijheidsbenemende maatregelen of
vrijheidsbeperkende maatregelen ten uitvoer worden gelegd, of
reclassering dan wel slachtofferzorg plaatsvindt ten aanzien van
volwassenen en jeugdigen,
c. andere bij landsverordening of bij wet aangewezen
organisaties die onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister
vallen en deel uitmaken van de justitiële keten.
2. De Raad voert de inspectie, bedoeld in het eerste lid, uit met
betrekking tot:
a. de effectiviteit,
b. de kwaliteit van de taakuitvoering, en
c. het beheer.
3. De Raad is voorts belast met de algemene inspectie van de
kwaliteit en effectiviteit van de justitiële samenwerking tussen de
landen.
4. De Raad kan bij landsverordening of bij wet worden belast met
advisering over de afhandeling van klachten bij bestuursorganen over
de wijze waarop een organisatie als bedoeld in het eerste lid zich in
een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen.
5. De Raad kan bij landsverordening of bij wet worden belast met
het toezicht op de verwerking van politiegegevens. Daarbij kunnen de
voor die taak benodigde bevoegdheden aan de Raad worden toegekend.
6. De Raad voert geen inspectie uit voor zover de Onderzoeksraad
voor veiligheid, bedoeld in artikel 2 van de Rijkswet Onderzoeksraad
voor veiligheid, een onderzoek instelt.
Artikel 4
1. Onze Ministers kunnen de Raad met betrekking tot de uitvoering
van het jaarplan aanwijzingen geven.
2. Deze aanwijzingen kunnen geen betrekking hebben op de te
hanteren methodiek, de oordeelsvorming van de Raad en zijn
onderzoeksrapport.
3. Een aanwijzing wordt niet gegeven dan na overleg met de Raad.
Hoofdstuk 3. Inrichting en samenstelling van de Raad
§ 1. De Raad en zijn leden
Artikel 5
De Raad bestaat uit drie leden.
Artikel 6
De leden van de Raad worden benoemd, geschorst en ontslagen bij
koninklijk besluit. Zij worden benoemd voor maximaal vier jaar en kunnen
eenmaal worden herbenoemd.
Artikel 7
1. Onze Minister van één van de landen, doet een voorstel voor
benoeming van één van de leden in overeenstemming met Onze Minister
van beide andere landen.
2. Alvorens hun ambt te aanvaarden leggen de leden in handen van de
president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie de eed of belofte
af volgens het formulier zoals vastgesteld in de bijlage bij deze
rijkswet.
Artikel 8
1. De leden van de Raad worden benoemd op grond van de
deskundigheid die nodig is voor de uitoefening van de taken van de
Raad.
2. De leden dienen de Nederlandse nationaliteit te bezitten.
3. De leden vervullen geen betrekkingen waarvan de uitoefening
ongewenst is met het oog op een goede vervulling van hun functie of op
de handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het
vertrouwen daarin.
4. De leden van de Raad melden het voornemen tot het aanvaarden van
een nevenfunctie aan Onze Minister van één van de landen en stelt de
andere ministers daarvan gelijktijdig op de hoogte.
5. De Raad maakt de nevenfuncties openbaar door publicatie op de
website van de Raad.
Artikel 9
Het voorzitterschap van de Raad rouleert jaarlijks tussen de drie
leden.
Artikel 10
Aan een lid van de Raad wordt ontslag verleend:
a. op zijn verzoek uiterlijk met ingang van de eerste dag van de
derde kalendermaand van de dag waarop Onze Minister het verzoek om
ontslag heeft ontvangen;
b. bij het bereiken van de leeftijd van 70 jaar;
c. indien hij uit hoofde van ziekte of gebrek blijvend ongeschikt
is zijn functie te vervullen;
d. bij aanvaarding van een betrekking als bedoeld in artikel 8,
derde lid;
e. bij het verlies van het Nederlanderschap;
f. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak
een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
g. indien hij ingevolge onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden
is gegijzeld;
h. indien hij naar het oordeel van Onze Ministers door handelen
of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem te stellen
vertrouwen.
Artikel 11
1. Een lid van de Raad wordt geschorst indien:
a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens
schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak.
2. Een lid van de Raad kan worden geschorst, indien tegen hem een
gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld
of indien er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van
feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 10, onderdelen c tot
en met h, die tot ontslag zouden kunnen leiden.
3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, eindigt schorsing na
drie maanden. De schorsing kan telkens met ten hoogste drie maanden
worden verlengd. De schorsing wordt beëindigd zodra de grond voor
schorsing is vervallen.
Artikel 12
Het voorstel voor de besluiten die worden genomen op grond van de
artikelen 10 en 11 worden gedaan door Onze Ministers.
Artikel 13
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt de
rechtspositie van de leden van de Raad geregeld, voor zover daarin niet
bij deze rijkswet is voorzien.
§ 2. Het secretariaat
Artikel 14
1. De Raad beschikt voor zijn ondersteuning over een secretariaat.
2. Het secretariaat houdt kantoor in Curaçao en Sint Maarten,
alsmede op één van de eilanden Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
3. Aan het hoofd van elk van de kantoren staat een secretaris.
4. De secretarissen zijn voor hun werkzaamheden voor de Raad
uitsluitend verantwoording schuldig aan de Raad.
5. De Raad benoemt, schorst en ontslaat de secretarissen en de
overige leden van het secretariaat.
6. Het besluit tot benoeming van een lid van het secretariaat bevat
het land van standplaats van betrokkene.
7. Ieder lid van het secretariaat is bevoegd en inzetbaar in alle
landen.
Artikel 15
1. Op de rechtspositie van de leden van het secretariaat met als
standplaats Curaçao of Sint Maarten zijn de regels die gelden voor
ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries in Curaçao
respectievelijk Sint Maarten van toepassing, met dien verstande dat
waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend aan een minister,
deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door de Raad, tenzij het de
bevoegdheid betreft regels te stellen.
2. Op de rechtspositie van de leden van het secretariaat met als
standplaats Bonaire, Sint Eustatius of Saba zijn de regels van
toepassing die gelden voor ambtenaren die door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn aangesteld om
uitsluitend werkzaam te zijn op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, met
dien verstande dat waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend
aan de minister, deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door de Raad,
tenzij het de bevoegdheid betreft regels te stellen.
Artikel 16
1. De Raad stelt voor zijn werkzaamheden een protocol voor de
werkwijze vast.
2. Het protocol wordt binnen vier weken na vaststelling openbaar
gemaakt door plaatsing op de website van de Raad en door publicatie in
een algemeen verkrijgbaar publicatieblad van elk van de landen.
Hoofdstuk 4. De uitvoering van de inspectie door de Raad
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 17
1. De leden van de Raad hebben zitting zonder last.
2. Een lid van de Raad of een lid van het secretariaat mag niet:
a. als advocaat, gemachtigde of adviseur werkzaam zijn in
geschillen voor:
1°. een wederpartij van de Raad,
2°. een partij die door de Raad wordt geadviseerd,
3°. een dienst of instelling die de Raad inspecteert, of
4°. de Raad,
b. rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan met de
Raad met uitzondering van overeenkomsten die rechtstreeks
samenhangen met de aanstelling als lid van de Raad of van het
secretariaat,
c. als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn voor derden
in verband met het met de Raad aangaan van overeenkomsten als
bedoeld onder b.
Artikel 18
1. De Raad kan voor de uitoefening van zijn bevoegdheden gebruik
maken van deskundigen, waaronder in ieder geval begrepen
toezichthouders werkzaam bij inspectiediensten van de landen.
2. De Raad maakt voor de uitoefening van zijn bevoegdheden met
betrekking tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba gebruik van terzake
deskundige Nederlandse inspectiediensten.
Artikel 19
De Raad kondigt een inspectie van tevoren aan bij de betrokken dienst
of instelling, tenzij in het belang van het onderzoek een
onaangekondigde inspectie wenselijk is.
Artikel 20
Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van deze rijkswet en
daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het
vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor
wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter
zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot
geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk
voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak bij de
uitvoering van deze rijkswet de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
§ 2. Bevoegdheden van de Raad
Artikel 21
1. De Raad is bevoegd uit eigen beweging in het kader van zijn
inspectietaken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderzoek in te
stellen.
2. De Raad verricht voorts een onderzoek als bedoeld in het eerste
lid op een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister.
Artikel 22
De Raad maakt van de uitoefening van zijn bevoegdheden slechts
gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak
nodig is.
Artikel 23
1. De Raad is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur,
terreinen en gebouwen van de in artikel 3, eerste lid, genoemde
organisaties te betreden.
2. De Raad is bevoegd zich te laten vergezellen door personen die
daartoe door de Raad zijn aangewezen.
3. De leden van de Raad, de door hem aangewezen medewerkers van het
secretariaat en deskundigen dragen bij het betreden van een plaats als
bedoeld in het eerste lid een legitimatiebewijs bij zich, dat is
uitgegeven door Onze Minister. Zij tonen het legitimatiebewijs
desgevraagd aanstonds.
4. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de drager en vermeldt
in ieder geval diens naam en hoedanigheid.
Artikel 24
De Raad is bevoegd inlichtingen te vorderen.
Artikel 25
De Raad is bevoegd van personen inzage te vorderen van een in de
landen algemeen bij of krachtens landsverordening of bij of krachtens
wet erkend identiteitsbewijs.
Artikel 26
1. De Raad is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en
bescheiden.
2. De Raad is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te
maken.
3. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden,
is de Raad bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel korte tijd
mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.
Artikel 27
1. De Raad is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking
waartoe hij een inspectietaak heeft.
2. De Raad is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk
oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een
inspectietaak heeft, op hun lading te onderzoeken.
3. De Raad is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel met
betrekking waartoe hij een inspectietaak heeft, inzage te vorderen van
de wettelijk voorgeschreven bescheiden.
4. De Raad is bevoegd met het oog op de uitoefening van de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, van de bestuurder van een
voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn
vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats
overbrengt.
5. De Raad stelt in een reglement vast op welke wijze de vordering
tot stilhouden wordt gedaan.
Artikel 28
1. Een ieder is verplicht aan de Raad binnen de door hem gestelde
redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs
kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
2. Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of wettelijk voorschrift
verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking
weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
Artikel 29
1. Het ten aanzien van de Raad gestelde in de artikelen 22 tot en
met 28 geldt ook voor daartoe door de Raad aangewezen personen, voor
zover de Raad in de aanwijzing vermeldt over welke bevoegdheden deze
personen beschikken. Deze bevoegdheden worden vermeld in het
legitimatiebewijs, bedoeld in artikel 23, derde lid.
2. De Raad kan personen als bedoeld in het eerste lid slechts
aanwijzen uit de kring van leden van de Raad, medewerkers van het
secretariaat en deskundigen als bedoeld in artikel 18, eerste lid.
3. De op grond van het eerste lid aangewezen deskundigen handelen
bij de uitoefening van de bevoegdheden onder verantwoordelijkheid van
de Raad.
§ 3. Rapportage door de Raad
Artikel 30
1. De Raad stelt naar aanleiding van het door hem verrichte
onderzoek een inspectierapport op.
2. De Raad stelt de betrokken instantie in de gelegenheid binnen
een door de Raad gestelde redelijke termijn op het inspectierapport te
reageren. Vervolgens stelt de Raad Onze betrokken Minister in de
gelegenheid binnen een door de Raad gestelde redelijke termijn op het
inspectierapport te reageren.
3. Na ontvangst van de reactie van Onze betrokken Minister of na
verloop van de termijn, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin,
stelt de Raad het inspectierapport vast. Hij kan naar aanleiding van
zijn bevindingen Onze betrokken Minister aanbevelingen doen met
betrekking tot eventueel te treffen maatregelen.
4. Het inspectierapport wordt na vaststelling door de Raad gezonden
aan Onze betrokken Minister.
5. Onze betrokken Minister zendt het inspectierapport alsmede zijn
reactie daarop binnen zes weken aan het vertegenwoordigende orgaan van
het betrokken land.
Artikel 31
1. De Raad maakt een inspectierapport, bedoeld in artikel 30,
eerste lid, behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid openbaar
niet eerder dan zes weken nadat het rapport is toegezonden aan Onze
betrokken Minister.
2. Niet openbaar wordt gemaakt dat deel van het rapport dat
a. de eenheid van de regering van Curaçao, Sint Maarten of
Nederland kan schaden;
b. de veiligheid van Curaçao, Sint Maarten of Nederland kan
schaden;
c. bedrijfs- of fabricagegegevens betreft die vertrouwelijk aan
de overheid zijn medegedeeld;
d. persoonsgegevens betreft, tenzij de verstrekking kennelijk
geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.
3. Voorts blijft openbaarmaking van het rapport of gedeelten
daarvan achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de
volgende belangen:
a. de betrekkingen van Curaçao, Sint Maarten of Nederland met
andere staten en met internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van Curaçao, Sint
Maarten of Nederland;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. de inspectie, controle of het toezicht door of vanwege
bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling
van natuurlijke personen of rechtspersonen.
Artikel 32
Indien Onze betrokken Minister stelselmatig geen gevolg geeft aan de
aanbevelingen van de Raad, kan de Raad daarvan mededeling doen aan het
vertegenwoordigend orgaan van het betrokken land en de raad van
ministers van het Koninkrijk.
Artikel 33
1. De Raad brengt elk jaar voor 1 mei over ieder land een verslag
uit over de staat van de rechtshandhaving naar aanleiding van zijn
werkzaamheden in het voorafgaande jaar.
2. Het verslag over een land als bedoeld in het eerste lid wordt
aangeboden aan Onze betrokken Minister en aan het betrokken
vertegenwoordigend orgaan.
Hoofdstuk 5. De behandeling van klachten
Artikel 34
1. Indien de Raad bij landsverordening of bij wet is belast met
advisering over de afhandeling van klachten als bedoeld in artikel 3,
vierde lid, zijn het tweede tot en met zesde lid van dit artikel van
toepassing.
2. Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3, vierde lid, meldt aan
de klager dat het advies van de Raad wordt ingewonnen.
3. Het horen van de klager en het bestuursorgaan geschiedt door de
Raad. De Raad kan het horen opdragen aan één van zijn leden.
4. De Raad kan van het horen afzien indien de klacht kennelijk
ongegrond is of indien de klager en het bestuursorgaan hebben
verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden
gehoord.
5. De Raad zendt een rapport van bevindingen, vergezeld van een
advies en eventuele aanbevelingen aan het bestuursorgaan dat is belast
met beoordeling van de klacht. Het rapport bevat het verslag van het
horen.
6. Indien de conclusies van het bestuursorgaan afwijken van het
advies, wordt in de conclusies de reden voor die afwijking vermeld en
wordt het advies aan de klager toegezonden.
Hoofdstuk 6. De bekostiging en het beheer van de Raad
Artikel 35
1. De kosten van de Raad worden vergoed uit een door de landen
beschikbaar te stellen bijdrage.
2. Onze Ministers bepalen de omvang van de in totaal aan de Raad te
vergoeden kosten.
3. Elk van de landen draagt de kosten die het secretariaat
specifiek voor inspectie en advies in het betrokken land maakt.
4. Onze Ministers verdelen de kosten voor algemene ondersteuning
van de Raad.
Artikel 36
1. De Raad zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Ministers een
jaarplan en een begroting voor het daaropvolgende jaar.
2. De begroting behelst een raming van de baten en lasten, een
raming van de voorgenomen investeringsuitgaven en een raming van de
inkomsten en uitgaven met een onderverdeling in de kosten, bedoeld in
artikel 35, derde en vierde lid.
3. In het jaarplan worden de begrotingsposten ieder afzonderlijk
van een toelichting voorzien. De Raad onderscheidt de werkzaamheden
per land.
4. Tenzij de activiteiten waarop de begroting betrekking heeft nog
niet eerder werden verricht, bevat de begroting een vergelijking met
de begroting van het lopende jaar en de laatst goedgekeurde
jaarrekening.
5. Het besluit tot vaststelling van het jaarplan en de begroting
behoeft de goedkeuring van Onze Ministers.
6. Onze Ministers zenden het jaarplan naar de vertegenwoordigende
organen.
Artikel 37
1. De Raad verstrekt desgevraagd aan Onze Ministers de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De Raad verstrekt
deze inlichtingen onverwijld uit eigen beweging aan Onze Ministers
indien er aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan
tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten dan wel inkomsten
en uitgaven.
2. De Raad stelt jaarlijks voor 1 april een jaarverslag vast over
het voorgaande jaar.
3. Het jaarverslag beschrijft de taakuitoefening alsmede het
gevoerde beleid en bevat in ieder geval een toelichting van de
gerealiseerde werkzaamheden en een jaarrekening.
4. De Raad zendt het jaarverslag naar de vertegenwoordigende
organen.
5. In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van
de uitgaven, de eventuele ontvangsten en het gevoerde financieel
beheer.
6. Het besluit tot vaststelling van de jaarrekening behoeft de
goedkeuring van Onze Ministers.
7. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht
of het algemeen belang.
Artikel 38
1. De Raad vormt een egalisatiereserve.
2. Het verschil tussen de door de Raad gerealiseerde baten en de
gerealiseerde lasten van de activiteiten komt ten gunste
onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.
3. De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de
egalisatiereserve toegevoegd.
4. Onze Ministers kunnen regels stellen met betrekking tot de
vorming en de omvang van reserves.
Artikel 39
De Raad kan privaatrechtelijke rechtshandelingen verrichten, voor
zover die voortvloeien uit het jaarplan en zijn gedekt binnen het budget
van de ingevolge artikel 36, vijfde lid, goedgekeurde begroting van de
Raad.
Artikel 40
1. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een door de Raad bij unanimiteit
aangewezen accountant.
2. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de Raad dat aan Onze
Ministers desgevraagd inzicht wordt geboden in de
controlewerkzaamheden van de accountant.
3. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft mede betrekking
op de rechtmatige besteding van de middelen door de Raad.
4. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede
lid, tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het
beheer en de organisatie van de Raad voldoen aan eisen van
doelmatigheid.
Artikel 41
De bevoegdheden van de Algemene Rekenkamers in de landen strekken
zich uit tot de Raad. Over het toezicht op de Raad treden de Algemene
Rekenkamers met elkaar in overleg.
Hoofdstuk 7. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 42
Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van
deze rijkswet aan de vertegenwoordigende organen een evaluatieverslag
over de doeltreffendheid en de effecten van deze rijkswet in de
praktijk. Voorafgaande aan de evaluatie zullen de landen gezamenlijk de
criteria, de thema’s en de samenstelling van de evaluatiecommissie
vaststellen.
Artikel 43
1. Deze rijkswet kan in onderling overleg worden gewijzigd bij
rijkswet op grond van artikel 38, tweede lid, van het Statuut.
2. Naar aanleiding van de evaluatie, bedoeld in artikel 42, kan
deze rijkswet in onderlinge overeenstemming worden beëindigd.
Artikel 44
Deze rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 45
Deze rijkswet wordt aangehaald als: Rijkswet Raad voor de
rechtshandhaving.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
en in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 7 juli 2010
BEATRIX
De Minister van Justitie, Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten
Uitgegeven de eerste september 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage, bedoeld in artikel 7, tweede lid
Formulier voor het afleggen van de eed of belofte door leden van de
Raad
Ik zweer/ik beloof trouw aan de Koning en gehoorzaamheid aan de
wettelijke regelingen
Ik zweer/ik verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke
naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van mijn benoeming aan
iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of
beloven.
Ik zweer/ik beloof dat ik nimmer enige giften of geschenken, hoe ook
genaamd, zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of
vermoed dat hij bij enige inspectie is of zal worden betrokken, waarin
mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!
Op .., werd te ..
Ten overstaan van ..
De bovenstaande eed/belofte afgelegd.
De ..
1 ...
2 ...
|
|
|