| |
|
|
|
|
vorige
WET
OPENBARE LICHAMEN BONAIRE, SINT EUSTATIUS
EN SABA (WolBES)
Tekst zoals deze geldt op
18 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit grenzen openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Besluit
plaatsen bestuurlijke ophouding
WET van 17 mei 2010, houdende regels met betrekking tot de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat met de eilandgebieden
Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overeengekomen dat zij een
staatsrechtelijke positie krijgen binnen het Nederlandse staatsbestel en
worden ingericht als openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de
Grondwet en dat het in verband hiermee wenselijk is de instelling en
inrichting van deze openbare lichamen te regelen, de samenstelling en
bevoegdheid van hun besturen, de openbaarheid van hun vergaderingen
alsmede het toezicht op deze besturen, waarbij voor zover mogelijk
aansluiting wordt gezocht bij het gemeentelijk bestuursmodel;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius
of Saba;
b. eilandsbestuur: ieder bevoegd orgaan van het openbaar
lichaam;
c. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
d. Rijksvertegenwoordiger: Rijksvertegenwoordiger voor de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2. In deze wet wordt onder ambtenaar mede verstaan: degene die op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is.
Hoofdstuk II. De instelling van de openbare lichamen
Artikel 2
1. Er is een openbaar lichaam Bonaire.
2. Het openbaar lichaam Bonaire omvat de eilanden Bonaire en Klein
Bonaire.
3. Het openbaar lichaam Bonaire bezit rechtspersoonlijkheid.
Artikel 3
1. Er is een openbaar lichaam Sint Eustatius.
2. Het openbaar lichaam Sint Eustatius omvat het eiland Sint
Eustatius.
3. Het openbaar lichaam Sint Eustatius bezit rechtspersoonlijkheid.
Artikel 4
1. Er is een openbaar lichaam Saba.
2. Het openbaar lichaam Saba omvat het eiland Saba.
3. Het openbaar lichaam Saba bezit rechtspersoonlijkheid.
Artikel 4a
Bij algemene maatregel van bestuur worden de grenzen van de openbare
lichamen vastgesteld.
Hoofdstuk III. De inrichting en samenstelling van het eilandsbestuur
Afdeling I. Algemene bepaling
Artikel 5
In elk openbaar lichaam is een eilandsraad, een bestuurscollege en
een gezaghebber.
Afdeling II. De eilandsraad
Artikel 6
De eilandsraad vertegenwoordigt de gehele bevolking van het openbaar
lichaam.
Artikel 7
1. De ledenvan de eilandsraad worden gekozen op de grondslag van
evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.
Artikel 8
De zittingsduur van de eilandsraad is vier jaren.
Artikel 9
Het aantal leden van de eilandsraad bedraagt:
a. negen in het openbaar lichaam Bonaire;
b. vijf in de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba.
Artikel 10
De gezaghebber is voorzitter van de eilandsraad.
Artikel 11
1. Voor het lidmaatschap van de eilandsraad is vereist dat men
Nederlander en ingezetene van het openbaar lichaam is, de leeftijd van
achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.
2. Onder ingezetene wordt verstaan hij die zijn werkelijke
woonplaats in het openbaar lichaam heeft.
3. Hij die als ingezetene met een adres is ingeschreven in de
bevolkingsadministratie van een openbaar lichaam, wordt, behoudens
bewijs van het tegendeel, geacht werkelijke woonplaats te hebben in
het openbaar lichaam.
Artikel 12
Ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats is niet
benoembaar tot lid van de eilandsraad hij die na de laatstgehouden
periodieke verkiezing van de leden van de eilandsraad wegens handelen in
strijd met artikel 16 van het lidmaatschap van de eilandsraad is
vervallen verklaard.
Artikel 13
1. De leden van de eilandsraad maken openbaar welke andere functies
dan het lidmaatschap van de eilandsraad zij vervullen.
2. De openbaarmaking vindt plaats terstond na benoeming tot lid van
de eilandsraad of na aanvaarding van een andere functie en geschiedt
door terinzagelegging van een opgave van de functies op het
bestuurskantoor van het openbaar lichaam.
Artikel 14
1. Een lid van de eilandsraad is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de Wet Nationale ombudsman;
g. Rijksvertegenwoordiger;
h. gezaghebber;
i. eilandgedeputeerde;
j. lid van de gezamenlijke rekenkamer;
k. gezamenlijke ombudsman of lid van de gezamenlijke
ombudscommissie;
l. ambtenaar, door of vanwege het bestuur van het openbaar
lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder i, kan een lid
van de eilandsraad tevens eilandgedeputeerde zijn van het openbaar
lichaam waar hij lid van de eilandsraad is gedurende het tijdvak dat:
a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de
leden van de eilandsraad en eindigt op het tijdstip waarop de
eilandgedeputeerden ingevolge artikel 54, eerste lid, aftreden, of
b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot
eilandgedeputeerde en eindigt op het tijdstip met ingang waarvan
de geloofsbrief van zijn opvolger als lid van de eilandsraad is
goedgekeurd of waarop het centraal stembureau heeft beslist dat
geen opvolger kan worden benoemd.
3. Het lid van de eilandsraad, bedoeld in het tweede lid, onderdeel
b, wordt geacht ontslag te nemen als lid van de eilandsraad met ingang
van het tijdstip waarop hij zijn benoeming tot eilandgedeputeerde
aanvaardt. Artikel X 6 van de Kieswet is van overeenkomstige
toepassing.
4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder l, kan een lid
van de eilandsraad tevens zijn:
a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een
wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten
verricht;
c. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs;
d. ambtenaar werkzaam in een bij eilandsverordening van de
eilandsraad van het openbaar lichaam Sint Eustatius of Saba aan te
wijzen functie, die niet zodanige bevoegdheden of
verantwoordelijkheden meebrengt, dat voor belangenverstrengeling
moet worden gevreesd.
5. Een eilandsverordening als bedoeld in het vierde lid, onderdeel
d, wordt ten minste vier maanden voor de dag van kandidaatstelling
voor de verkiezing van de leden van de eilandsraad vastgesteld en
behoeft de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger.
Artikel 15
1. Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de leden van
de eilandsraad in de vergadering, in handen van de voorzitter, de
volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de eilandsraad benoemd
te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk
voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen
of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik
de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de
eilandsraad naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(Dat verklaar en beloof ik!»)
2. In plaats van in het Nederlands kan de eed (verklaring en
belofte) in het Papiaments of het Engels worden afgelegd.
3. Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments wordt
afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Mi ta hura (deklará) ku pa mi nombramentu den e kargo o funshon
di miembro di konseho insular mi no a duna ni primintí, ni direkta-
ni indirektamente, bou di ningun nňmber ni denominashon ni preteksto,
ningun regalo ni fabor.
Mi ta hura (deklará i primintí) ku mi no a risibí ni mi no a
aseptá, ni lo mi no aseptá, ni direkta- ni indirektamente, ningun
regalo ni ningun promesa di hasi algu o laga di hasi algu den e kargo
o funshon en kuestion.
Mi ta hura (primintí) ku lo mi ta fiel na Konstitushon, ku lo mi
kumpli ku lei i ku lo mi kumpli ku mi obligashonnan komo miembro di
konseho insular segun mi konsenshi i honor.
Ku Dios Todopoderoso yudami!»
(Esei mi ta deklará i primintí!»)
4. Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Engels wordt
afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«I swear (affirm) that I neither gave nor promised any gift or
favour, either directly or indirectly, under any name or pretext
whatsoever, in order to be appointed member of the island council.
I swear (affirm and promise) that I have made no gift or promise,
and shall accept no gift or promise, either directly or indirectly, in
order to do or to omit to do anything in the course of my duties.
I swear (promise) that I will bear allegiance to the Constitution,
that I will observe the laws and that I will perform my duties as
member of the island council in good faith.
So help me God Almighty!
(This I affirm and promise!)
Artikel 16
1. Een lid van de eilandsraad mag niet:
a. als advocaat, procureur of adviseur in geschillen werkzaam
zijn ten behoeve van het openbaar lichaam of het eilandsbestuur
dan wel ten behoeve van de wederpartij van het openbaar lichaam of
het eilandsbestuur;
b. als gemachtigde in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van
de wederpartij van het openbaar lichaam of het eilandsbestuur;
c. als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve
van derden tot het met het openbaar lichaam aangaan van:
1°. overeenkomsten als bedoeld in onderdeel d;
2°. overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken
aan het openbaar lichaam;
d. rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan
betreffende:
1°. het aannemen van werk ten behoeve van het openbaar
lichaam;
2°. het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten
van werkzaamheden ten behoeve van het openbaar lichaam;
3°. het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan
het openbaar lichaam;
4°. het verhuren van roerende zaken aan het openbaar
lichaam;
5°. het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van
het openbaar lichaam;
6°. het van het openbaar lichaam onderhands verwerven van
onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn
onderworpen;
7°. het onderhands huren of pachten van het openbaar
lichaam.
2. Van het eerste lid, aanhef en onderdeel d, kan de
Rijksvertegenwoordiger ontheffing verlenen.
3. De eilandsraad stelt voor zijn leden een gedragscode vast.
Artikel 17
De eilandsraad stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen
en andere werkzaamheden vast.
Artikel 18
1. De eilandsraad vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten.
2. Voorts vergadert de eilandsraad indien de gezaghebber het nodig
oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit
de eilandsraad bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom
verzoekt.
Artikel 19
De eilandsraad vergadert na de periodieke verkiezing van zijn leden
voor de eerste maal in nieuwe samenstelling op de dag met ingang waarvan
de leden van de eilandsraad in oude samenstelling aftreden.
Artikel 20
1. De gezaghebber roept de leden schriftelijk tot de vergadering
op.
2. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de gezaghebber dag,
tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda
en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de stukken,
bedoeld in artikel 26, tweede lid, worden tegelijkertijd met de
oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze
ter inzage gelegd.
Artikel 21
1. De vergadering van de eilandsraad wordt niet geopend voordat
blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting
hebbende leden tegenwoordig is.
2. Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden
geopend, belegt de gezaghebber, onder verwijzing naar dit artikel,
opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste
vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.
3. Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid
niet van toepassing. De eilandsraad kan echter over andere
aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet
geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten,
indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal
zitting hebbende leden tegenwoordig is.
Artikel 22
1. De gezaghebber heeft het recht in de vergadering aan de
beraadslaging deel te nemen.
2. Een eilandgedeputeerde heeft toegang tot de vergaderingen en kan
aan de beraadslaging deelnemen.
3. Een eilandgedeputeerde kan door de eilandsraad worden
uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.
Artikel 23
De leden van het eilandsbestuur en andere personen die deelnemen aan
de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken
voor dan wel worden verplicht in rechte getuigenis af te leggen als
bedoeld in artikel 144, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering BES over hetgeen zij in de vergadering van de
eilandsraad hebben gezegd of aan de eilandsraad schriftelijk hebben
overgelegd.
Artikel 24
1. De vergadering van de eilandsraad wordt in het openbaar
gehouden.
2. De deuren worden gesloten, wanneer ten minste één vijfde van
het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt
of de voorzitter het nodig oordeelt.
3. De eilandsraad beslist vervolgens of met gesloten deuren zal
worden vergaderd.
4. De voorzitter kan vervolgens alsnog besluiten dat de vergadering
in het openbaar wordt gehouden indien hij dit in het kader van het
openbaar belang nodig acht.
5. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk
verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de
eilandsraad anders beslist.
6. De eilandsraad maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen
terstond na de vaststelling daarvan openbaar op de in het openbaar
lichaam gebruikelijke wijze. De eilandsraad laat de openbaarmaking
achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan
op grond vanartikel 26 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien
waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
Artikel 25
1. In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of
besloten over:
a. de toelating van nieuw benoemde leden;
b. de vaststelling en wijziging van de begroting en de
vaststelling van de jaarrekening;
c. de invoering, wijziging en afschaffing van
eilandbelastingen, en
d. de benoeming en het ontslag van eilandgedeputeerden.
2. In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen
over:
a. ontwerpen van eilandsverordeningen;
b. het doen van uitgaven, op de begroting niet voorkomende of
de daarop uitgetrokken posten te boven gaande;
c. het aanwijzen van middelen tot dekking van zodanige
uitgaven;
d. het geheel of gedeeltelijk vervreemden en het bezwaren van
de eigendommen van het openbaar lichaam;
e. het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van
eigendommen van het openbaar lichaam;
f. het onderhands gunnen of aanbesteden van werken of
leveranties.
Artikel 26
1. De eilandsraad kan op grond van een belang, genoemd in artikel
11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES omtrent het in een besloten
vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de
eilandsraad worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding
omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die
vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de
behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de
stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de eilandsraad haar
opheft.
2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 11 van de Wet
openbaarheid van bestuur BES, kan de geheimhouding eveneens worden
opgelegd door het bestuurscollege, de gezaghebber en een commissie,
ieder ten aanzien van de stukken die zij aan de eilandsraad of aan
leden van de eilandsraad overleggen. Daarvan wordt op de stukken
melding gemaakt.
3. Met betrekking tot aan de eilandsraad overlegde stukken vervalt
de krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding,
indien de oplegging niet door de eilandsraad in zijn eerstvolgende
vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van
het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd. De
eilandsraad kan de geheimhouding nadien opheffen in een vergadering
die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal
zitting hebbende leden is bezocht.
4. Met betrekking tot aan de leden van de eilandsraad overlegde
stukken wordt de krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot
geheimhouding in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting
heeft opgelegd haar opheft.
Artikel 27
1. De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de
vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door
toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te
doen vertrekken.
2. Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de
vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de
vergadering te ontzeggen.
3. Hij kan de eilandsraad voorstellen aan een lid dat door zijn
gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere
verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet
beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering
onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij
herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie
maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.
Artikel 28
De leden van de eilandsraad stemmen zonder last.
Artikel 29
1. Een lid van de eilandsraad neemt niet deel aan de stemming over:
a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk
persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is
betrokken;
b. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam
waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.
2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de
stemming verstaan het inleveren van een stembriefje.
3. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort
tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een
herstemming is beperkt.
4. Het eerste lid is niet van toepassing bij het besluit
betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing benoemde
leden.
Artikel 30
1. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het
aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de
stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een
benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten
aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond
van dat lid niet geldig was;
b. in een vergadering als bedoeld in artikel 21, tweede lid,
voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande,
ingevolge artikel 21, eerste lid, niet geopende vergadering aan de
orde waren gesteld.
Artikel 31
1. Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt
de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben
uitgebracht.
2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van
een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld
stembriefje.
Artikel 32
1. De stemming over personen voor het doen van benoemingen,
voordrachten of aanbevelingen is geheim.
2. Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een
voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde
vergadering een herstemming gehouden.
3. Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist
terstond het lot.
Artikel 33
1. De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping,
indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval
geschieden zij mondeling.
2. Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid
dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht
zijn stem voor of tegen uit te brengen.
3. Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het
aangenomen.
4. Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van
stemmen het nemen van een beslissing uitgesteld tot een volgende
vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend.
5. Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een
ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel
niet aangenomen.
6. Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering
waarin alle leden waaruit de eilandsraad bestaat, voor zover zij zich
niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben
uitgebracht.
Artikel 34
De stukken die van de eilandsraad uitgaan, worden door de gezaghebber
ondertekend en door de eilandgriffier medeondertekend. Bij verhindering
of ontstentenis van de gezaghebber worden de stukken die van de
eilandsraad uitgaan ondertekend door degene die krachtens artikel 90 de
gezaghebber als voorzitter van de eilandsraad vervangt.
Artikel 35
1. De eilandsraad en elk van zijn leden hebben recht op ambtelijke
bijstand.
2. De in de eilandsraad vertegenwoordigde groeperingen hebben recht
op ondersteuning.
3. De eilandsraad stelt met betrekking tot de ambtelijke bijstand
en de ondersteuning van de in de eilandsraad vertegenwoordigde
groeperingen een eilandsverordening vast. De eilandsverordening bevat
ten aanzien van de ondersteuning regels over de besteding en de
verantwoording.
4. De eilandsverordening behoeft de goedkeuring van de
Rijksvertegenwoordiger.
Afdeling III. Het bestuurscollege
Artikel 36
1. De gezaghebber en de eilandgedeputeerden vormen te zamen het
bestuurscollege.
2. De gezaghebber is voorzitter van het bestuurscollege.
Artikel 37
1. De eilandsraad benoemt de eilandgedeputeerden.
2. De gezaghebber wordt geďnformeerd over de uitkomsten van de
college-onderhandelingen. Hij wordt alsdan in de gelegenheid gesteld
zijn opvattingen over voorstellen ten behoeve van het collegeprogramma
kenbaar te maken.
Artikel 38
Het aantal eilandgedeputeerden bedraagt:
a. drie in het openbaar lichaam Bonaire;
b. twee in de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba.
Artikel 39
1. Voor de functie van eilandgedeputeerde gelden de vereisten voor
het lidmaatschap van de eilandsraad, bedoeld in artikel 11.
2. De eilandsraad kan voor de duur van een jaar ontheffing verlenen
van het vereiste van ingezetenschap.
3. Dezelfde persoon kan niet in meer dan één openbaar lichaam
eilandgedeputeerde zijn.
Artikel 40
1. Een eilandgedeputeerde is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de Wet Nationale ombudsman;
g. Rijksvertegenwoordiger;
h. lid van een eilandsraad;
i. gezaghebber;
j. lid van de gezamenlijke rekenkamer;
k. gezamenlijke ombudsman of lid van de gezamenlijke
ombudscommissie;
l. ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een openbaar
lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt;
m. ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens
taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het
toezicht op het openbaar lichaam;
n. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel
van bestuur het bestuur van een openbaar lichaam van advies dient.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel h, kan een
eilandgedeputeerde tevens lid zijn van de eilandsraad van het openbaar
lichaam waar hij eilandgedeputeerde is gedurende het tijdvak dat:
a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de
leden van de eilandsraad en eindigt op het tijdstip waarop de
eilandgedeputeerden ingevolge artikel 54, eerste lid, aftreden, of
b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot
eilandgedeputeerde en eindigt op het tijdstip met ingang waarvan
de goedkeuring van de geloofsbrief van zijn opvolger als lid van
de eilandsraad onherroepelijk is geworden of waarop het centraal
stembureau heeft beslist dat geen opvolger kan worden benoemd.
3. De eilandgedeputeerde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
wordt geacht ontslag te nemen als lid van de eilandsraad met ingang
van het tijdstip waarop hij zijn benoeming tot eilandgedeputeerde
aanvaardt. Artikel X 6 van de Kieswet is van overeenkomstige
toepassing.
4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel l, kan een
eiland- gedeputeerde tevens zijn:
a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een
wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten
verricht;
c. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
Artikel 41
1. Bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad of huwelijk
mag niet bestaan tussen leden van het bestuurscollege.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt
a. een ongehuwd samenlevende gelijkgesteld met een echtgenoot
b. als ongehuwd tevens aangemerkt degene die duurzaam
gescheiden leeft van zijn echtgenoot.
3. In het tweede lid wordt verstaan onder ongehuwd samenlevende: de
ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een
gezamenlijke huishouding voert, met uitzondering van bloedverwanten in
de eerste graad
4. In het derde lid wordt verstaan onder het voeren van een
gezamenlijke huishouding de situatie waarin twee personen hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van
het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan
wel anderszins;
b. zij met elkaar gehuwd zijn geweest;
c. zij elkaars geregistreerde partner zijn geweest;
d. zij eerder met elkaar ongehuwd samenlevend zijn geweest, of
e. de man het kind van de vrouw heeft erkend.
Artikel 42
De benoeming van eilandgedeputeerden na de verkiezing van de leden
van de eilandsraad vindt plaats in een vergadering van de eilandsraad in
nieuwe samenstelling.
Artikel 43
In het geval van artikel 42 gaat de benoeming van degene die zijn
benoeming tot eilandgedeputeerde heeft aangenomen, in op het tijdstip
waarop ten minste de helft van het aantal eilandgedeputeerden zijn
benoeming heeft aangenomen of, indien de aanneming van de benoeming op
een later tijdstip plaatsvindt, op dat tijdstip.
Artikel 44
De benoeming ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt,
geschiedt zo spoedig mogelijk.
Artikel 45
De benoemde eilandgedeputeerde deelt de eilandsraad uiterlijk op de
tiende dag na de kennisgeving van zijn benoeming mee of hij de benoeming
aanneemt. Indien deze termijn verstrijkt zonder mededeling, wordt de
benoemde eilandgedeputeerde geacht de benoeming niet aan te nemen.
Artikel 46
Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig
mogelijk een nieuwe benoeming.
Artikel 47
1. Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen leggen de
eilandgedeputeerden, in de vergadering van de eilandsraad, in handen
van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot eilandgedeputeerde benoemd te
worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk
voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen
of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik
de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als eilandgedeputeerde
naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2. In plaats van in het Nederlands kan de eed (verklaring en
belofte) in het Papiaments of het Engels worden afgelegd.
3. Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments wordt
afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Mi ta hura (deklará) ku pa mi nombramentu den e kargo o funshon
di diputado, mi no a duna ni primintí, ni direkta- ni indirektamente,
bou di ningun nňmber ni denominashon ni preteksto, ningun regalo ni
fabor.
Mi ta hura (deklará i primintí) ku mi no a risibí ni mi no a
aseptá, ni lo mi no aseptá, ni direkta- ni indirektamente, ningun
regalo ni ningun promesa di hasi algu o laga di hasi algu den e kargo
o funshon en kuestion.
Mi ta hura (primintí) ku lo mi ta fiel na Konstitushon, ku lo mi
kumpli ku lei i ku lo mi kumpli ku mi obligashonnan komo diputado
segun mi konsenshi i honor.
Ku Dios Todopoderoso yudami!»
(Esei mi ta deklará i primintí!»)
4. Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Engels wordt
afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«I swear (affirm) that I neither gave nor promised any gift or
favour, either directly or indirectly, under any name or pretext
whatsoever, in order to be appointed member of the island executive.
I swear (affirm and promise) that I have made no gift or promise,
and shall accept no gift or promise, either directly or indirectly, in
order to do or to omit to do anything in the course of my duties.
I swear (promise) that I will bear allegiance to the Constitution,
that I will observe the laws and that I will perform my duties as
member of the island executive in good faith.
So help me God Almighty!
(This I affirm and promise!)
Artikel 48
1. Een eilandgedeputeerde vervult geen nevenfuncties waarvan de
uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn
functie als eilandgedeputeerde.
2. Een eilandgedeputeerde meldt zijn voornemen tot aanvaarding van
een nevenfunctie aan de eilandsraad.
3. Een eilandgedeputeerde maakt zijn nevenfuncties openbaar. De
openbaarmaking vindt plaats terstond na benoeming tot
eilandgedeputeerde of aanvaarding van een nevenfunctie en geschiedt
door terinzagelegging van een opgave van de functies op het
bestuurskantoor van het openbaar lichaam.
4. Een eilandgedeputeerde maakt tevens de inkomsten uit
nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging
op het bestuurskantoor uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin
de inkomsten zijn genoten.
5. Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 6 van
de Wet loonbelasting BES.
Artikel 49
1. Een eilandgedeputeerde dient bij de Rijksvertegenwoordiger
binnen dertig dagen na aanneming van zijn benoeming en binnen dertig
dagen na zijn ontslag een schriftelijke verklaring in met:
a. een nauwkeurige omschrijving van de zakelijke belangen die
hij en zijn echtgenoot hebben of beheren;
b. een nauwkeurige omschrijving van de onroerende zaken,
roerende zaken, op geld waardeerbare rechten alsmede vorderingen
en schulden van hem en zijn echtgenoot;
c. een nauwkeurige omschrijving van de aard van zijn
nevenfuncties alsmede de functies van zijn echtgenoot;
d. de vermelding of aan de nevenfuncties inkomsten of voordelen
in welke vorm dan ook, zijn verbonden en voorzover een geldelijke
vergoeding daaraan is verbonden de omvang daarvan.
2. Artikel 41, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.
3. Geen opgave hoeft te worden gedaan van belangen, zaken, met
uitzondering van onroerende zaken, rechten, vorderingen en schulden,
waarvan de waarde niet meer dan USD 11 175 bedraagt.
4. De verklaring wordt door de eilandgedeputeerde ondertekend.
5. Bij ministeriële regeling wordt voor de verklaring een model
vastgesteld.
Artikel 50
De Rijksvertegenwoordiger bewaart de verklaringen, bedoeld in artikel
49, gedurende tien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip waarop hij deze
heeft ontvangen. Na afloop van deze termijn draagt hij zorg voor de
vernietiging hiervan.
Artikel 51
De Rijksvertegenwoordiger en degenen die in zijn opdracht handelen
zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond vanartikel 49 ontvangen
verklaringen. Zij verstrekken de verklaringen of doen hierover slechts
mededeling aan instanties die zijn belast met de opsporing en vervolging
van strafbare feiten.
Artikel 52
Indien een eilandgedeputeerde de verklaring, bedoeld in artikel 49,
niet tijdig bij de Rijksvertegenwoordiger indient, informeert deze
onverwijld de eilandsraad.
Artikel 53
1. Artikel 16, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing op de eilandgedeputeerden.
2. De eilandsraad stelt voor de eilandgedeputeerden een gedragscode
vast.
Artikel 54
1. Na de verkiezing van de leden van de eilandsraad treden de
eilandgedeputeerden af op het moment dat de eilandsraad ten minste de
helft van het aantal eilandgedeputeerden heeft benoemd en deze
benoemingen zijn aangenomen.
2. Indien zoveel eilandgedeputeerden hun ontslag indienen of worden
ontslagen dat niet ten minste de helft van het aantal
eilandgedeputeerden in functie is, treedt de gezaghebber in de plaats
van het bestuurscollege totdat dit wel het geval is.
Artikel 55
1. Een eilandgedeputeerde kan te allen tijde ontslag nemen. Hij
doet daarvan schriftelijk mededeling aan de eilandsraad.
2. Het ontslag gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na
de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn
opvolger de benoeming heeft aangenomen.
Artikel 56
1. De eilandgedeputeerden genieten ten laste van het openbaar
lichaam een bezoldiging, die bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur wordt geregeld.
2. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste
lid, kunnen tevens regels worden gesteld betreffende tegemoetkoming in
of vergoeding van bijzondere kosten en betreffende andere financiële
voorzieningen die verband houden met de vervulling van het ambt van
eilandgedeputeerde.
3. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten
de eilandgedeputeerden als zodanig geen inkomsten, in welke vorm ook,
ten laste van het openbaar lichaam.
4. De eilandgedeputeerden genieten geen vergoedingen, in welke vorm
ook, voor werkzaamheden, verricht in nevenfuncties die zij vervullen
uit hoofde van het ambt van eilandgedeputeerde ongeacht of die
vergoedingen ten laste van het openbaar lichaam komen of niet. Indien
deze vergoedingen worden uitgekeerd, worden zij gestort in de kas van
het openbaar lichaam.
5. Tot vergoedingen als bedoeld in het vierde lid, behoren
inkomsten, onder welke benaming ook, uit nevenfuncties die de
eilandgedeputeerde neerlegt bij beëindiging van het ambt.
6. Andere inkomsten dan die bedoeld in het vierde lid worden met de
bezoldiging verrekend overeenkomstig artikel 3 van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer, met dien verstande dat in dat
artikel:
a. onder neveninkomsten wordt verstaan: opbrengst van
onderneming en arbeid, bedoeld in artikel 6 van de Wet
inkomstenbelasting BES;
b. in het derde lid voor «de Wet inkomstenbelasting 2001»
wordt gelezen: de Wet inkomstenbelasting BES.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
wijze waarop de eilandgedeputeerde gegevens over de inkomsten, bedoeld
in het zesde lid, verstrekt, en de gevolgen van het niet verstrekken
van deze gegevens.
Artikel 57
1. Indien degene wiens benoeming tot eilandgedeputeerde is
ingegaan, een functie bekleedt als bedoeld in artikel 40, eerste lid,
en het tweede of vierde lid van dat artikel niet van toepassing zijn,
draagt hij er onverwijld zorg voor dat hij uit die functie wordt
ontheven.
2. De eilandsraad verleent hem ontslag indien hij dit nalaat.
3. Het ontslag gaat in terstond na de bekendmaking van het
ontslagbesluit.
4. Indien de eilandsraad naar het oordeel van de gezaghebber ten
onrechte nalaat ontslag te verlenen, wordt de eilandgedeputeerde door
de gezaghebber van zijn betrekking vervallen verklaard.
5. De werking van een besluit, inhoudende de vervallenverklaring,
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien
beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Gedurende deze periode
is de eilandgedeputeerde in zijn betrekking geschorst.
Artikel 58
1. Tegen een besluit van de gezaghebber als bedoeld in artikel 57,
vierde lid, kan de eilandgedeputeerde beroep instellen bij het
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao, Aruba, Sint Maarten
en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2. De Wet administratieve rechtspraak BES is voor zoveel nodig van
overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 54 en 55
en paragraaf 1 en 3 van hoofdstuk 6.
3. In afwijking van artikel 17, vijfde lid, van de Wet
administratieve rechtspraak BES bedraagt de termijn binnen welke de
bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te
vinden, twee weken. De president van het Gemeenschappelijk Hof kan een
kortere termijn stellen.
4. Het Gemeenschappelijk Hof behandelt de zaak met overeenkomstige
toepassing van paragraaf 2 van hoofdstuk 6 van de Wet administratieve
rechtspraak BES. Aan de gezaghebber en degene die beroep heeft
ingesteld wordt terstond een afschrift van het beroepschrift
toegezonden.
Artikel 59
1. Indien een eilandgedeputeerde niet langer voldoet aan de
vereisten voor de functie van eilandgedeputeerde, bedoeld in artikel
39, of een functie gaat bekleden als bedoeld in artikel 40, eerste
lid, en het tweede of vierde lid van dat artikel niet van toepassing
zijn, neemt hij onmiddellijk ontslag. Hij doet hiervan schriftelijk
mededeling aan de eilandsraad.
2. Deartikelen 57, tweede tot en met vijfde lid, en artikel 58 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 60
1. Indien een uitspraak van de eilandsraad inhoudende de opzegging
van zijn vertrouwen in een eilandgedeputeerde er niet toe leidt dat de
betrokken eilandgedeputeerde onmiddellijk ontslag neemt, kan de
eilandsraad besluiten tot ontslag.
2. Op het ontslagbesluit is artikel 7, eerste lid, van de Wet
administratieve rechtspraak BES niet van toepassing.
Artikel 61
De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop de
eilandsraad tot ontslag van een eilandgedeputeerde heeft besloten.
Artikel 62
Het bestuurscollege stelt een reglement van orde voor zijn
vergaderingen en andere werkzaamheden vast, dat aan de eilandsraad wordt
toegezonden.
Artikel 63
1. De gezaghebber stelt, met inachtneming van hetgeen het
bestuurscollege heeft bepaald, dag en plaats van de vergadering van
het bestuurscollege en het tijdstip van de opening vast.
2. De gezaghebber maakt dag en plaats van te houden openbare
vergaderingen en het tijdstip van de opening bekend.
Artikel 64
1. De gezaghebber bevordert de eenheid van het beleid van het
bestuurscollege.
2. De gezaghebber kan onderwerpen aan de agenda voor een
vergadering van het bestuurscollege toevoegen.
3. De gezaghebber kan ten aanzien van geagendeerde onderwerpen een
eigen voorstel aan het bestuurscollege voorleggen.
Artikel 65
1. De vergaderingen van het bestuurscollege worden met gesloten
deuren gehouden, voor zover het bestuurscollege niet anders heeft
bepaald.
2. Het reglement van orde voor de vergaderingen kan regels geven
omtrent de openbaarheid van de vergaderingen van het bestuurscollege.
Artikel 66
1. Het bestuurscollege kan op grond van een belang, genoemd in
artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES, omtrent het in een
besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken
die aan het bestuurscollege worden overgelegd, geheimhouding opleggen.
Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt
tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die
bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of
de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat het bestuurscollege
haar opheft.
2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 11 van de Wet
openbaarheid van bestuur BES, kan de geheimhouding eveneens worden
opgelegd door de gezaghebber of een commissie, ten aanzien van de
stukken die zij aan het bestuurscollege overleggen. Daarvan wordt op
de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen
totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel de
eilandsraad haar opheft.
3. Indien het bestuurscollege zich ter zake van het behandelde
waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot de eilandsraad
heeft gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat de
eilandsraad haar opheft.
Artikel 67
1. In de vergadering van het bestuurscollege kan slechts worden
beraadslaagd of besloten, indien ten minste de helft van het aantal
zitting hebbende leden tegenwoordig is.
2. Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de
gezaghebber, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een
vergadering.
3. Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid
niet van toepassing. Het bestuurscollege kan echter over andere
aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd
alleen beraadslagen of besluiten, indien ten minste de helft van het
aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
Artikel 68
De leden van het bestuurscollege en andere personen die deelnemen aan
de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken
voor hetgeen zij in de vergadering van het bestuurscollege hebben gezegd
of aan het bestuurscollege schriftelijk hebben overgelegd.
Artikel 69
De artikelen 29, eerste tot en met derde lid, 30en 31 zijn ten
aanzien van de vergaderingen van het bestuurscollege van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 70
1. Indien bij een stemming, anders dan over personen voor het doen
van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, de stemmen staken,
wordt opnieuw gestemd.
2. Staken de stemmen andermaal over hetzelfde voorstel, dan beslist
de stem van de voorzitter.
Artikel 71
1. De stukken die van het bestuurscollege uitgaan, worden door de
gezaghebber ondertekend en door de eilandsecretaris medeondertekend.
2. Het bestuurscollege kan hem toestaan de ondertekening op te
dragen aan een ander lid van het bestuurscollege, aan de
eilandsecretaris of aan een of meer andere ambtenaren van het openbaar
lichaam.
3. De medeondertekening door de eilandsecretaris is niet van
toepassing indien de ondertekening van stukken die van het
bestuurscollege uitgaan ingevolge het tweede lid is opgedragen aan de
eilandsecretaris of een of meer ambtenaren van het openbaar lichaam.
Artikel 72
1. De eilandsraad kan regelen van welke beslissingen van het
bestuurscollege aan de leden van de eilandsraad kennisgeving wordt
gedaan. Daarbij kan de eilandsraad de gevallen bepalen waarin met
terinzagelegging kan worden volstaan.
2. Het bestuurscollege laat de kennisgeving of terinzagelegging
achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.
3. Het bestuurscollege maakt de besluitenlijst van zijn
vergaderingen terstond na de vaststelling daarvan openbaar op de in
het openbaar lichaam gebruikelijke wijze. Het bestuurscollege laat de
openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten
aanzien waarvan op grond van artikel 66 geheimhouding is opgelegd of
ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar
belang.
Afdeling IV. De gezaghebber
Artikel 73
1. De gezaghebber wordt bij koninklijk besluit op voordracht van
Onze Minister benoemd en herbenoemd voor de tijd van zes jaar. Hij kan
te allen tijde bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister
worden ontslagen.
2. De Rijksvertegenwoordiger maakt voor elke door benoeming te
vervullen plaats een met redenen omklede aanbeveling op. Alvorens zijn
aanbeveling te doen verzoekt hij de eilandsraad, gehoord het
bestuurscollege, zijn gevoelen kenbaar te maken met betrekking tot de
aan de te benoemen gezaghebber te stellen eisen van bekwaamheid en
geschiktheid.
3. De eilandsraad kan uit zijn midden een vertrouwenscommissie
instellen belast met de beoordeling van de op haar verzoek door de
Rijksvertegenwoordiger daartoe geselecteerde kandidaten. De
eilandsraad stelt het bestuurscollege in de gelegenheid een
eilandgedeputeerde af te vaardigen die als adviseur aan de
vertrouwenscommissie wordt toegevoegd. De vertrouwenscommissie brengt
vertrouwelijk verslag uit van haar bevindingen aan de
Rijksvertegenwoordiger.
4. Onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid kunnen bij
algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld omtrent de
bij benoeming te volgen procedure.
5. De beraadslagingen van de vertrouwenscommissie, bedoeld in het
derde lid, vinden plaats met gesloten deuren. Van deze beraadslagingen
wordt een afzonderlijk verslag gemaakt, dat niet openbaar is.
6. Er geldt een geheimhoudingsplicht ten aanzien van:
a. de aanbeveling van de Rijksvertegenwoordiger, bedoeld in het
tweede lid;
b. het verslag van de bevindingen van de vertrouwenscommissie,
bedoeld in het derde lid;
c. de beraadslagingen van de vertrouwenscommissie en het
verslag van de beraadslagingen, bedoeld in het vijfde lid.
7. De Rijksvertegenwoordiger doet een voorstel tot herbenoeming.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
over de wijze waarop de eilandsraad in verband daarmee zijn gevoelen
omtrent het functioneren van de gezaghebber kenbaar kan maken aan de
Rijksvertegenwoordiger.
Artikel 74
1. De gezaghebber kan bij koninklijk besluit worden geschorst.
2. Onze Minister kan, in afwachting van een besluit omtrent
schorsing, bepalen dat de gezaghebber zijn functie niet uitoefent.
3. Een besluit als bedoeld in het tweede lid vervalt, indien niet
binnen een maand een besluit omtrent de schorsing is genomen.
Artikel 75
Voor de benoembaarheid tot gezaghebber is het Nederlanderschap
vereist.
Artikel 76
Dezelfde persoon kan niet in meer dan een openbaar lichaam tot
gezaghebber worden benoemd.
Artikel 77
1. Alvorens zijn ambt te aanvaarden, legt de gezaghebber in handen
van de Rijksvertegenwoordiger de volgende eed (verklaring en belofte)
af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot gezaghebber benoemd te worden,
rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel
ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen
of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik
de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als gezaghebber naar eer
en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(Dat verklaar en beloof ik!»)
2. In plaats van in het Nederlands kan de eed (verklaring en
belofte) in het Papiaments of het Engels worden afgelegd.
3. Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments wordt
afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Mi ta hura (deklará) ku pa mi nombramentu den e kargo o funshon
di gezaghebber mi no a duna ni primintí, ni direkta- ni
indirektamente, bou di ningun nňmber ni denominashon ni preteksto,
ningun regalo ni fabor.
Mi ta hura (deklará i primintí) ku mi no a risibí ni mi no a
aseptá, ni lo mi no aseptá, ni direkta- ni indirektamente, ningun
regalo ni ningun promesa di hasi algu o laga di hasi algu den e kargo
o funshon en kuestion.
Mi ta hura (primintí) ku lo mi ta fiel na Konstitushon, ku lo mi
kumpli ku lei i ku lo mi kumpli ku mi obligashonnan komo gezaghebber
segun mi konsenshi i honor.
Ku Dios Todopoderoso yudami!»
(Esei mi ta deklará i primintí!»)
4. Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Engels wordt
afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«I swear (affirm) that I neither gave nor promised any gift or
favour, either directly or indirectly, under any name or pretext
whatsoever, in order to be appointed Island Governor.
I swear (affirm and promise) that I have made no gift or promise,
and shall accept no gift or promise, either directly or indirectly, in
order to do or to omit to do anything in the course of my duties.
I swear (promise) that I will bear allegiance to the Constitution,
that I will observe the laws and that I will perform my duties as
Island Governor in good faith.
So help me God Almighty!
(This I affirm and promise!)
Artikel 78
1. De gezaghebber geniet ten laste van het openbaar lichaam een
bezoldiging, die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld.
2. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste
lid, kunnen tevens regels worden gesteld betreffende tegemoetkoming in
of vergoeding van bijzondere kosten en betreffende andere financiële
voorzieningen die verband houden met de vervulling van het ambt van
gezaghebber.
3. Buiten hetgeen hem bij of krachtens de wet is toegekend, geniet
de gezaghebber als zodanig geen inkomsten, in welke vorm ook, ten
laste van het openbaar lichaam.
4. De gezaghebber geniet geen vergoedingen, in welke vorm ook, voor
werkzaamheden, verricht in nevenfuncties welke hij vervult uit hoofde
van het ambt van gezaghebber, ongeacht of die vergoedingen ten laste
van het openbaar lichaam komen of niet. Indien deze vergoedingen
worden uitgekeerd, worden zij gestort in de kas van het openbaar
lichaam.
5. Tot vergoedingen als bedoeld in het vierde lid, behoren
inkomsten, onder welke benaming ook, uit nevenfuncties die de
gezaghebber neerlegt bij beëindiging van het ambt.
6. Andere inkomsten dan die bedoeld in het vierde lid worden met de
bezoldiging verrekend overeenkomstig artikel 3 van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer met dien verstande dat in dat
artikel:
a. onder neveninkomsten wordt verstaan: opbrengst van
onderneming en arbeid, bedoeld in artikel 6 van de Wet
inkomstenbelasting BES;
b. in het derde lid voor «de Wet inkomstenbelasting 2001»
wordt gelezen: de Wet inkomstenbelasting BES.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
wijze waarop de gezaghebber gegevens over de inkomsten, bedoeld in het
zesde lid, verstrekt, en de gevolgen van het niet verstrekken van deze
gegevens.
Artikel 79
1. De gezaghebber vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening
ongewenst is met het oog op de goede vervulling van zijn ambt van
gezaghebber of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en
onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
2. De gezaghebber meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een
nevenfunctie, anders dan uit hoofde van zijn ambt van gezaghebber, aan
de eilandsraad.
3. De gezaghebber maakt nevenfuncties, anders dan uit hoofde van
zijn ambt van gezaghebber, openbaar. De openbaarmaking vindt plaats
terstond na benoeming tot gezaghebber of aanvaarding van een
nevenfunctie en geschiedt door terinzaggelegging van een opgave van de
functies op het bestuurskantoor van het openbaar lichaam.
4. De gezaghebber maakt tevens de inkomsten uit de nevenfuncties,
bedoeld in het derde lid, openbaar. Openbaarmaking geschiedt door
terinzagelegging op het bestuurskantoor uiterlijk op 1 april na het
kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten.
5. Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 6 van
de Wet loonbelasting BES.
Artikel 80
1. De gezaghebber is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de Wet Nationale ombudsman;
g. Rijksvertegenwoordiger;
h. lid van een eilandsraad;
i. eilandgedeputeerde;
j. lid van de gezamenlijke rekenkamer;
k. gezamenlijke ombudsman of lid van de gezamenlijke
ombudscommissie;
l. ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een openbaar
lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt;
m. ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens
taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het
toezicht op het openbaar lichaam;
n. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel
van bestuur het bestuur van een openbaar lichaam van advies dient.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel l, kan een
gezaghebber tevens ambtenaar van de burgerlijke stand zijn.
Artikel 81
1. Bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad of huwelijk
mag niet bestaan tussen de gezaghebber en een ander lid van het
bestuurscollege.
2. Artikel 41, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.
Artikel 82
1. Artikel 16, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing op de gezaghebber.
2. De eilandsraad stelt voor de gezaghebber een gedragscode vast.
Artikel 83
De artikelen 49 tot en met 52 zijn van overeenkomstige toepassing op
de gezaghebber, met dien verstande dat inartikel 49 voor «ontslag»
wordt gelezen «ontslag onderscheidenlijk afloop van de
benoemingstermijn» en dat inartikel 52 voor «eilandsraad» wordt
gelezen «Onze Minister».
Artikel 84
Het ambt van gezaghebber ontheft van alle bij of krachtens de wet
opgelegde verplichtingen tot het verrichten van persoonlijke diensten.
Artikel 85
1. De gezaghebber heeft zijn werkelijke woonplaats in het openbaar
lichaam.
2. De Rijksvertegenwoordiger kan voor ten hoogste drie maanden
ontheffing verlenen van de verplichting om de werkelijke woonplaats in
het openbaar lichaam te hebben.
Artikel 86
1. Indien de gezaghebber langer dan zes weken buiten het openbaar
lichaam wenst te verblijven, behoeft hij daartoe de toestemming van de
Rijksvertegenwoordiger. De toestemming mag alleen worden verleend
indien het belang van het openbaar lichaam zich daartegen niet verzet.
2. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijn,
genoemd in het eerste lid.
Artikel 87
1. Voor zover dit niet bij de wet is geschied, worden bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de
gezaghebber regels vastgesteld betreffende:
a. benoeming, schorsing, tijdelijk niet uitoefenen van zijn
functie en ontslag;
b. het onderzoek naar de geschiktheid en bekwaamheid;
c. uitkering bij ontslag;
d. aanspraken in geval van ziekte;
e. bescherming bij de arbeid;
f. andere aangelegenheden, zijn rechtspositie betreffende, die
regeling behoeven.
2. Bij de regels betreffende de aangelegenheden, genoemd in het
eerste lid, kunnen financiële voorzieningen worden getroffen die ten
laste van het openbaar lichaam komen.
Artikel 88
1. Alle aan de eilandsraad of aan het bestuurscollege gerichte
stukken worden door of namens de gezaghebber geopend.
2. Van de ontvangst van aan de eilandsraad gerichte stukken die
niet terstond in de vergadering van de eilandsraad aan de orde worden
gesteld, doet hij in de eerstvolgende vergadering van de eilandsraad
mededeling.
Artikel 89
Bij koninklijk besluit wordt bepaald, welke de onderscheidingstekenen
van de gezaghebber zijn en bij welke gelegenheden hij deze zal dragen.
Artikel 90
1. Bij verhindering of ontstentenis van de gezaghebber wordt zijn
ambt waargenomen door een door het bestuurscollege aan te wijzen
eilandgedeputeerde. Het voorzitterschap van de eilandsraad wordt in
dat geval waargenomen door het langstzittende lid van de eilandsraad.
Indien meer leden van de eilandsraad even lang zitting hebben, vindt
de waarneming plaats door het oudste lid in jaren van hen. De
eilandsraad kan een ander lid van de eilandsraad met de waarneming
belasten.
2. Bij verhindering of ontstentenis van alle eilandgedeputeerden
wordt het ambt waargenomen door het langstzittende lid van de
eilandsraad. Indien meer leden van de eilandsraad even lang zitting
hebben, vindt de waarneming plaats door het oudste lid in jaren van
hen. De eilandsraad kan een ander lid van de eilandsraad met de
waarneming belasten.
Artikel 91
1. Indien de Rijksvertegenwoordiger het in het belang van het
openbaar lichaam nodig oordeelt, voorziet hij in afwijking van artikel
90 in de waarneming. Alvorens daartoe over te gaan hoort hij de
eilandsraad, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
2. Hij die door de Rijksvertegenwoordiger met de waarneming van het
ambt van gezaghebber is belast, legt in handen van de
Rijksvertegenwoordiger een overeenkomstig artikel 77 luidende eed
(verklaring en belofte) af.
Artikel 92
De toekenning van een vergoeding ten laste van het openbaar lichaam
aan degene die met de waarneming van het ambt van gezaghebber is belast,
wordt geregeld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 93
Ten aanzien van degene die met de waarneming van het ambt van
gezaghebber is belast, zijn de artikelen 80 tot en met 82van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 94
1. De eilandsraad kan regelen van welke beslissingen van de
gezaghebber aan de leden van de eilandsraad kennisgeving wordt gedaan.
Daarbij kan de eilandsraad de gevallen bepalen waarin met
terinzagelegging kan worden volstaan.
2. De gezaghebber laat de kennisgeving of terinzagelegging
achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.
Afdeling V. De gezamenlijke rekenkamer
Artikel 95
De eilandsraden stellen gezamenlijk bij eilandsverordening een
gezamenlijke rekenkamer in.
Artikel 96
1. De gezamenlijke rekenkamer bestaat uit drie leden.
2. Elke eilandsraad benoemt één lid van de gezamenlijke
rekenkamer voor de duur van zes jaar
3. De eilandsraad kan voor het lid dat hij heeft benoemd een
plaatsvervangend lid benoemen. Deze afdeling is op plaatsvervangende
leden van overeenkomstige toepassing.
4. De eilandsraad kan een lid herbenoemen.
5. Voorafgaand aan de benoemingen, bedoeld in het tweede tot en met
het vierde lid, pleegt de eilandsraad overleg met de gezamenlijke
rekenkamer.
6. Een lid van de gezamenlijke rekenkamer wordt door de eilandsraad
die hem heeft benoemd, ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met
het lidmaatschap;
c. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
d. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens
schulden is gegijzeld.
7. Een lid van de gezamenlijke rekenkamer kan door de eilandsraad
die hem heeft benoemd, worden ontslagen:
a. indien hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is
zijn functie te vervullen;
b. indien hij handelt in strijd met artikel 101.
Artikel 97
1. De eilandsraad stelt een door hem benoemd lid van de
gezamenlijke rekenkamer op non-actief indien:
a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens
schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak.
2. De eilandsraad kan een door hem benoemd lid van de gezamenlijke
rekenkamer op non-actief stellen, indien tegen dit lid een
gerechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of
indien er een ander ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten en
omstandigheden die tot ontslag, anders dan op gronden, genoemd in
artikel 96, zesde lid, onderdeel a, en zevende lid, onderdeel a,
zouden kunnen leiden.
3. De eilandsraad beëindigt de non-activiteit zodra de grond voor
de maatregel is vervallen, met dien verstande dat in een geval als
bedoeld in het tweede lid de non-activiteit in ieder geval eindigt na
zes maanden. In dat geval kan de eilandsraad de maatregel telkens voor
ten hoogste drie maanden verlengen.
Artikel 98
Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing op de leden van de
gezamenlijke rekenkamer.
Artikel 99
1. Een lid van de gezamenlijke rekenkamer is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de Wet Nationale ombudsman;
g. Rijksvertegenwoordiger;
h. lid van een eilandsraad;
i. gezaghebber;
j. eilandgedeputeerde;
k. gezamenlijke ombudsman of lid van de gezamenlijke
ombudscommissie;
l. lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 117 en118;
m. ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een openbaar
lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt;
n. ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens
taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het
toezicht op een openbaar lichaam;
o. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel
van bestuur het bestuur van een openbaar lichaam van advies dient.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel m, kan een
lid van de gezamenlijke rekenkamer tevens zijn:
a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een
wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten
verricht;
c. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
Artikel 100
1. Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt een lid van de
gezamenlijke rekenkamer in de vergadering van de eilandsraad, die hem
heeft benoemd, in handen van de voorzitter, de volgende eed
(verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de gezamenlijke
rekenkamer benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder
welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of
beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen
of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik
de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de
gezamenlijke rekenkamer naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2. In plaats van in het Nederlands kan de eed (verklaring en
belofte) in het Papiaments of het Engels worden afgelegd.
3. Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments wordt
afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Mi ta hura (deklará) ku pa mi nombramentu den e kargo o funshon
di kontraloria general mi no a duna ni primintí, ni direkta- ni
indirektamente, bou di ningun nňmber ni denominashon ni preteksto,
ningun regalo ni fabor.
Mi ta hura (deklará i primintí) ku mi no a risibí ni mi no a
aseptá, ni lo mi no aseptá, ni direkta- ni indirektamente, ningun
regalo ni ningun promesa di hasi algu o laga di hasi algu den e kargo
o funshon en kuestion.
Mi ta hura (primintí) ku lo mi ta fiel na Konstitushon, ku lo mi
kumpli ku lei i ku lo mi kumpli ku mi obligashonnan komo kontraloria
general segun mi konsenshi i honor.
Ku Dios Todopoderoso yudami!»
(Esei mi ta deklará i primintí!»)
4. Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Engels wordt
afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«I swear (affirm) that I neither gave nor promised any gift or
favour, either directly or indirectly, under any name or pretext
whatsoever, in order to be appointed Member of the court of audit.
I swear (affirm and promise) that I have made no gift or promise,
and shall accept no gift or promise, either directly or indirectly, in
order to do or to omit to do anything in the course of my duties.
I swear (promise) that I will bear allegiance to the Constitution,
that I will observe the laws and that I will perform my duties as
Member of the court of audit in good faith.
So help me God Almighty!
(This I affirm and promise!)
Artikel 101
Artikel 16, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing
op de leden van de gezamenlijke rekenkamer.
Artikel 102
1. De gezamenlijke rekenkamer stelt een reglement van orde vast
voor haar werkzaamheden en haar vergaderingen.
2. De gezamenlijke rekenkamer zendt het reglement ter kennisneming
aan de eilandsraden en maakt het bekend door plaatsing in de
afkondigingsbladen van de openbare lichamen.
Artikel 103
De eilandsraden stellen, na overleg met de gezamenlijke rekenkamer,
de gezamenlijke rekenkamer de nodige middelen ter beschikking voor een
goede uitoefening van haar werkzaamheden.
Artikel 104
1. De personen die werkzaamheden verrichten voor de gezamenlijke
rekenkamer, zijn ter zake van die werkzaamheden uitsluitend
verantwoording schuldig aan de gezamenlijke rekenkamer.
2. Ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor een orgaan van een
openbaar lichaam kunnen niet tevens werkzaamheden verrichten voor de
gezamenlijke rekenkamer.
Artikel 105
1. In de eilandsverordening waarbij de gezamenlijke rekenkamer
wordt ingesteld worden ten minste regels gesteld met betrekking tot:
a. het voorzitterschap van de gezamenlijke rekenkamer;
b. de vergoeding die de leden van de gezamenlijke rekenkamer
voor hun werkzaamheden ontvangen en de tegemoetkoming in de
kosten;
c. de ondersteuning van de gezamenlijke rekenkamer.
2. De eilandsverordening behoeft de goedkeuring van de
Rijksvertegenwoordiger.
Afdeling VI. De ombudsfunctie
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 106
Titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van de
artikelen 9:20 en 9:21, is van overeenkomstige toepassing op
schriftelijke verzoeken om een onderzoek in te stellen naar de wijze
waarop een bestuursorgaan van het openbaar lichaam zich in een bepaalde
aangelegenheid heeft gedragen met dien verstande dat in artikel 9:36,
eerste lid, voor «artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur»
wordt gelezen: artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES.
Artikel 107
1. De eilandsraden kunnen voor de behandeling van verzoekschriften
als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke
ombudscommissie instellen.
2. Een gezamenlijke ombudsman of gezamenlijke ombudscommissie kan
slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien de
eilandsraden hiertoe besluiten, zenden zij het besluit tot instelling
aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan
het jaar waarin de instelling ingaat.
3. De instelling van een gezamenlijke ombudsman of gezamenlijke
ombudscommissie kan slechts per 1 januari van enig jaar worden
beëindigd. Indien de eilandsraden hiertoe besluiten, zenden zij het
besluit tot beëindiging van de instelling aan de Nationale ombudsman
voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling
eindigt.
Artikel 108
Indien de eilandsraden een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke
ombudscommissie instellen met toepassing van de Wet gemeenschappelijke
regelingen, zijn de in die wet ten aanzien van gemeenschappelijke
organen opgenomen bepalingen slechts van toepassing voor zover de aard
van de aan de gezamenlijke ombudsman of de gezamenlijke ombudscommissie
opgedragen taken zich daartegen niet verzet.
§ 2. De gezamenlijke ombudsman
Artikel 109
1. Indien de eilandsraden besluiten tot het instellen van een
gezamenlijke ombudsman benoemen zij deze voor de duur van zes jaar.
2. De eilandsraden benoemen een plaatsvervangend gezamenlijke
ombudsman. Deze paragraaf is op de plaatsvervangend gezamenlijke
ombudsman van overeenkomstige toepassing.
3. De gezamenlijke ombudsman wordt door de eilandsraden ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is
zijn functie te vervullen;
c. bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in artikel
110, eerste lid;
d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens
schulden is gegijzeld;
f. indien hij naar het oordeel van de eilandsraden ernstig
nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
4. De eilandsraden stellen de gezamenlijke ombudsman op non-actief
indien hij:
a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens
schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak.
Artikel 110
1. De gezamenlijke ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de
uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn
ambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid
of van het vertrouwen daarin.
2. Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing op de gezamenlijke
ombudsman.
Artikel 111
1. Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de gezamenlijke
ombudsman in de vergadering van een bij zijn benoeming aan te wijzen
eilandsraad, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring
en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot ombudsman benoemd te worden,
rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel
ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen
of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de
Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als
ombudsman naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2. In plaats van in het Nederlands kan de eed (verklaring en
belofte) in het Papiaments of het Engels worden afgelegd.
3. Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments wordt
afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Mi ta hura (deklará) ku pa mi nombramentu den e kargo o funshon
di ombudsman mi no a duna ni primintí, ni direkta- ni indirektamente,
bou di ningun nňmber ni denominashon ni preteksto, ningun regalo ni
fabor.
Mi ta hura (deklará i primintí) ku mi no a risibí ni mi no a
aseptá, ni lo mi no aseptá, ni direkta- ni indirektamente, ningun
regalo ni ningun promesa di hasi algu o laga di hasi algu den e kargo
o funshon en kuestion.
Mi ta hura (primintí) ku lo mi ta fiel na Konstitushon, ku lo mi
kumpli ku lei i ku lo mi kumpli ku mi obligashonnan komo ombudsman
segun mi konsenshi i honor.
Ku Dios Todopoderoso yudami!»
(Esei mi ta deklará i primintí!»)
4. Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Engels wordt
afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«I swear (affirm) that I neither gave nor promised any gift or
favour, either directly or indirectly, under any name or pretext
whatsoever, in order to be appointed ombudsman.
I swear (affirm and promise) that I have made no gift or promise,
and shall accept no gift or promise, either directly or indirectly, in
order to do or to omit to do anything in the course of my duties.
I swear (promise) that I will bear allegiance to the Constitution,
that I will observe the laws and that I will perform my duties as
ombudsman in good faith.
So help me God Almighty!
(This I affirm and promise!)
Artikel 112
1. Op voordracht van de gezamenlijke ombudsman benoemen de
bestuurscolleges het personeel van de gezamenlijke ombudsman dat nodig
is voor een goede uitoefening van zijn werkzaamheden.
2. De gezamenlijke ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening
van zijn werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch
voor een enkel geval.
3. Het personeel van de gezamenlijke ombudsman verricht geen
werkzaamheden voor een bestuursorgaan naar wiens gedraging de
gezamenlijke ombudsman een onderzoek kan instellen.
4. Het personeel van de gezamenlijke ombudsman is ter zake van de
werkzaamheden die het voor de gezamenlijke ombudsman verricht,
uitsluitend aan hem verantwoording schuldig.
Artikel 113
De gezamenlijke ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn
werkzaamheden aan de eilandsraden.
Artikel 114
De gezamenlijke ombudsman ontvangt een bij eilandsverordening van de
eilandsraden vastgestelde vergoeding voor zijn werkzaamheden en een
tegemoetkoming in de kosten.
§ 3. De gezamenlijke ombudscommissie
Artikel 115
1. Indien de eilandsraden besluiten tot het instellen van een
gezamenlijke ombudscommissie, stellen zij het aantal leden van de
gezamenlijke ombudscommissie vast.
2. De eilandsraden benoemen de leden van de gezamenlijke
ombudscommissie voor de duur van zes jaar.
3. De eilandsraden benoemen uit de leden de voorzitter en de
plaatsvervangend voorzitter van de gezamenlijke ombudscommissie.
Artikel 116
1. De gezamenlijke ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van
zijn werkzaamheden aan de eilandsraden.
2. Op de gezamenlijke ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk
zijn deartikelen 109, derde en vierde lid, 110, 111, 112 en 114 van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling VII. De commissies
Artikel 117
1. De eilandsraad kan eilandsraadscommissies instellen die
besluitvorming van de eilandsraad kunnen voorbereiden en met het
bestuurscollege of de gezaghebber kunnen overleggen. Hij regelt
daarbij de taken, de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze,
daaronder begrepen de wijze waarop de leden van de eilandsraad inzage
hebben in stukken waaromtrent door een eilandsraadscommissie
geheimhouding is opgelegd. Deze inzage kan slechts worden geweigerd
voor zover zij in strijd is met het openbaar belang.
2. De gezaghebber en de eilandgedeputeerden zijn geen lid van een
eilandsraadscommissie.
3. Bij de samenstelling van een eilandsraadscommissie zorgt de
eilandsraad, voor zover het de benoeming betreft van leden van de
eilandsraad, voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de
eilandsraad vertegenwoordigde groeperingen.
4. Een lid van de eilandsraad is voorzitter van een
eilandsraadscommissie.
5. Deartikelen 20 en 22 tot en met 24 zijn van overeenkomstige
toepassing op een vergadering van een eilandsraadscommissie, met dien
verstande dat in artikel 20 voor«gezaghebber» wordt gelezen
«voorzitter van een eilandsraadscommissie» en in artikel 24, zesde
lid, voor«artikel 26» wordt gelezen «artikel 119».
Artikel 118
1. De eilandsraad, het bestuurscollege of de gezaghebber kan andere
commissies dan de commissies, bedoeld in artikel 117, eerste lid,
instellen.
2. De gezaghebber en de eilandgedeputeerden zijn geen lid van een
door de eilandsraad ingestelde andere commissie. Leden van de
eilandsraad zijn geen lid van een door het bestuurscollege of de
gezaghebber ingestelde commissie.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op commissies die zijn
ingesteld om te adviseren over de beslissing op ingediende
bezwaarschriften en commissies belast met de behandeling van en de
advisering over klachten.
4. De eilandsraad, het bestuurscollege onderscheidenlijk de
gezaghebber regelt ten aanzien van een door hem ingestelde andere
commissie de openbaarheid van de vergaderingen.
5. Deartikelen 129, tweede lid, 143 en 144 zijn van overeenkomstige
toepassing op een besluit tot instelling van een andere commissie.
Artikel 119
1. Een commissie kan in een besloten vergadering, op grond van een
belang, genoemd in artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES,
omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en
omtrent de inhoud van de stukken die aan de commissie worden
overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een
besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering
opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling
aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis
dragen, in acht genomen totdat de commissie haar opheft.
2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 11 van de Wet
openbaarheid van bestuur BES, kan de geheimhouding eveneens worden
opgelegd door de voorzitter van een commissie, het bestuurscollege en
de gezaghebber, ieder ten aanzien van stukken die hij aan een
commissie overlegt. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De
geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de
verplichting heeft opgelegd, dan wel de eilandsraad haar opheft.
3. Indien een commissie zich ter zake van het behandelde waarvoor
een verplichting tot geheimhouding geldt tot de eilandsraad heeft
gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat de eilandsraad
haar opheft.
Afdeling VIII. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van
de eilandsraad en de commissies
Artikel 120
1. De leden van de eilandsraad en de leden van de eilandsraad aan
wie ingevolge artikel Ya 13 juncto artikel X 10 van de Kieswet ontslag
is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte ontvangen een
bij eilandsverordening van de eilandsraad vast te stellen vergoeding
voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
2. De eilandsraad kan bij eilandsverordening regels stellen over de
tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en over andere
financiële voorzieningen die verband houden met de vervulling van het
lidmaatschap van de eilandsraad.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een lid van
de eilandsraad dat met inachtneming van artikel 14, tweede lid, tevens
eilandgedeputeerde is.
4. De eilandsverordeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid,
worden vastgesteld overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regels.
Artikel 121
1. De leden van een door de eilandsraad, het bestuurscollege of de
gezaghebber ingestelde commissie ontvangen, voor zover zij geen lid
zijn van de eilandsraad of het bestuurscollege, een door de
eilandsraad bij eilandsverordening vastgestelde vergoeding:
a. voor het bijwonen van vergaderingen van een commissie en
b. van reis- en verblijfkosten in verband met reizen binnen het
openbaar lichaam.
2. In bijzondere gevallen kan de eilandsraad bij eilandsverordening
bepalen dat de leden van het dagelijks bestuur van een commissie als
bedoeld inartikel 118, een vaste vergoeding voor hun werkzaamheden en
een tegemoetkoming in de kosten ontvangen.
3. Ten aanzien van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
nadere regels gesteld. Ten aanzien van de overige vergoedingen bedoeld
in dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
nadere regels worden gesteld.
Artikel 122
Aan de leden van de eilandsraad en de personen, genoemd in artikel
121, eerste lid, vindt vergoeding van reis- en verblijfkosten, gemaakt
in verband met reizen buiten het grondgebied van het openbaar lichaam
ter uitvoering van een beslissing van het eilandsbestuur, slechts plaats
overeenkomstig door de eilandsraad bij eilandsverordening vastgestelde
regels.
Artikel 122a
De eilandsverordeningen, bedoeld in de artikelen 120 tot en met 122,
worden aan de Rijksvertegenwoordiger gezonden.
Artikel 123
1. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend,
ontvangen de leden van de eilandsraad en de van een door de
eilandsraad, het bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde
commissie, als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen
ten laste van het openbaar lichaam.
2. Voordelen ten laste van het openbaar lichaam, anders dan in de
vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, genieten zij slechts voor
zover de eilandsraad dit bij eilandsverordening bepaalt. De
eilandsverordening behoeft de goedkeuring van de
Rijksvertegenwoordiger.
Afdeling IX. De eilandsecretaris en de eilandgriffier
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 124
1. In ieder openbaar lichaam is een eilandsecretaris en een
eilandgriffier.
2. Een eilandsecretaris is niet tevens eilandgriffier.
Artikel 125
Artikel 16, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing
op de eilandsecretaris en de eilandgriffier.
§ 2. De eilandsecretaris
Artikel 126
1. Het bestuurscollege benoemt de eilandsecretaris. Hij is tevens
bevoegd de eilandsecretaris te schorsen en te ontslaan.
2. Een besluit houdende de benoeming, bevordering, schorsing of
ontslag van de eilandsecretaris behoeft de goedkeuring van de
Rijksvertegenwoordiger. De goedkeuring kan slechts worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Artikel 127
1. De eilandsecretaris staat het bestuurscollege, de gezaghebber en
de door hen ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak
terzijde.
2. Het bestuurscollege stelt in een instructie nadere regels over
de taak en de bevoegdheden van de eilandsecretaris.
Artikel 128
De eilandsecretaris is in de vergadering van het bestuurscollege
aanwezig.
Artikel 129
1. Het bestuurscollege regelt de vervanging van de
eilandsecretaris.
2. Deartikelen 124, tweede lid en 125 tot en met 128 zijn van
overeenkomstige toepassing op degene die de eilandsecretaris vervangt.
§ 3. De eilandgriffier
Artikel 130
De eilandsraad benoemt de eilandgriffier. Hij is tevens bevoegd de
eilandgriffier te schorsen en te ontslaan.
Artikel 131
1. De eilandgriffier staat de eilandsraad en de door de eilandsraad
ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.
2. De eilandsraad stelt in een instructie nadere regels over de
taak en de bevoegdheden van de eilandgriffier.
Artikel 132
De eilandgriffier is in de vergadering van de eilandsraad aanwezig.
Artikel 133
1. De eilandsraad regelt de vervanging van de eilandgriffier.
2. Deartikelen 124, tweede lid, 125, 130 tot en met 132 en 135 zijn
van overeenkomstige toepassing op degene die de eilandgriffier
vervangt.
Artikel 134
1. De eilandsraad kan regels stellen over de organisatie van de
griffie.
2. De eilandsraad is bevoegd de op de griffie werkzame ambtenaren
te benoemen, te schorsen en te ontslaan.
Artikel 135
Een besluit houdende de benoeming, bevordering, schorsing of ontslag
van de eilandgriffier en de op de griffie werkzame ambtenaren behoeft de
goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger. De goedkeuring kan slechts
worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Hoofdstuk IV. De bevoegdheid van het eilandsbestuur
Afdeling I. Algemene bepalingen
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 136
1. De bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van
het openbaar lichaam wordt aan het eilandsbestuur overgelaten.
2. Regeling en bestuur kunnen van het eilandsbestuur worden
gevorderd bij of krachtens een andere dan deze wet of de Wet
financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ter
verzekering van de uitvoering daarvan, met dien verstande dat het
geven van aanwijzingen aan het eilandsbestuur en het aan het
eilandsbestuur opleggen of in zijn plaats vaststellen van
beslissingen, slechts kan geschieden indien de bevoegdheid daartoe bij
de wet is toegekend.
3. Onverminderd de artikelen 138, vijfde lid, en 213, vierde lid,
worden de kosten, verbonden aan de uitvoering van het tweede lid, voor
zover zij ten laste van de betrokken openbare lichamen blijven, door
het Rijk aan hen vergoed.
Artikel 137
Bij of krachtens de wet kan zo nodig onderscheid worden gemaakt
tussen de openbare lichamen.
Artikel 138
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. plan: een beslissing die een samenhangend geheel van op
elkaar afgestemde keuzes bevat omtrent door het eilandsbestuur te
nemen besluiten of te verrichten andere handelingen, ten einde een
of meer doelstellingen te bereiken;
b. beleidsverslag: een schriftelijke rapportage betreffende het
door het eilandsbestuur gevoerde beleid op een of meer
beleidsterreinen dan wel op onderdelen daarvan en de samenhang
daarbinnen of daartussen.
2. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter
voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure kan
vanwege het Rijk van het eilandsbestuur slechts worden gevorderd in
bij de wet te bepalen gevallen.
3. Een verplichting als bedoeld in het tweede lid geldt voor ten
hoogste vier jaren, tenzij de wet anders bepaalt.
4. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter
voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure kan
vanwege het Rijk in andere dan bij de wet bepaalde gevallen voor een
termijn van ten hoogste vier jaar van het eilandsbestuur worden
gevraagd als onderdeel van de regeling van een tijdelijke bijzondere
uitkering als bedoeld in artikel 92, derde lid, van de Wet financiën
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
5. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter
voorbereiding daarvan volgen van de voorgeschreven procedure wordt van
een eilandsbestuur niet gevorderd of gevraagd, dan nadat is aangegeven
hoe de financiële gevolgen ervan voor het openbaar lichaam worden
gecompenseerd.
6. Dit artikel is niet van toepassing op de begroting en op de
jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 17,
onderscheidenlijk artikel 28 van de Wet financiën openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 139
1. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld
in artikel 138 en het ter voorbereiding daarvan volgen van een
voorgeschreven procedure wordt alleen gevorderd, indien:
a. dit noodzakelijk is uit een oogpunt van afstemming tussen
het beleid van het openbaar lichaam en het beleid van het Rijk, of
b. de ontwikkeling van beleid op een nieuw beleidsterrein dit
noodzakelijk maakt.
2. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld
in artikel 138 en het ter voorbereiding daarvan volgen van een
voorgeschreven procedure wordt niet gevorderd, indien:
a. het eilandsbestuur daardoor ontoelaatbaar beperkt wordt in
zijn inhoudelijke of financiële beleidsruimte;
b. de bestuurslasten niet in redelijke verhouding staan tot de
te verwachten baten of een aanzienlijk beslag leggen op de voor
het betrokken beleidsterrein beschikbare middelen;
c. integratie met een bestaand plan of een bestaand
beleidsverslag dan wel met de begroting of de jaarrekening en het
jaarverslag, bedoeld in artikel 17, onderscheidenlijk artikel 28
van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba mogelijk is;
d. het bevorderen van de samenhang in het beleid in de openbare
lichamen door onderlinge afstemming van onderdelen daarvan
onmogelijk wordt;
e. het uitsluitend dient tot het verkrijgen van informatie.
3. Indien in een voorstel van wet tot invoering of wijziging van
bepalingen waarbij het vaststellen van een plan of een beleidsverslag
als bedoeld inartikel 138 en het ter voorbereiding daarvan volgen van
een voorgeschreven procedure wordt gevorderd, wordt afgeweken van het
bepaalde bij of krachtens artikel 138 en dit artikel, wordt die
afwijking gemotiveerd in de bij het voorstel behorende toelichting.
§ 2. Bestuursdwang
Artikel 140
1. Het eilandsbestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang.
2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang
wordt uitgeoefend door het bestuurscollege, indien de last dient tot
handhaving van regels welke het eilandsbestuur uitvoert.
3. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang
wordt uitgeoefend door de gezaghebber, indien de last dient tot
handhaving van regels welke hij uitvoert.
4. De artikelen 1:1, vierde lid, 4:116, 5:1 tot en met 5:10 en
titel 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing met
dien verstande dat in artikel 4:116 voor «het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering» wordt gelezen: het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering BES.
5. De titels X en XI van het Wetboek van Strafvordering BES zijn
van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. de machtiging, bedoeld in artikel 155 van het Wetboek van
Strafvordering BES, wordt verleend door:
1°. het bestuurscollege in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid;
2°. de gezaghebber in de gevallen, bedoeld in het derde
lid;
b. het legitimatiebewijs, bedoeld in artikel 162 van het
Wetboek van Strafvordering BES, wordt uitgegeven door de
gezaghebber;
c. het schriftelijk verslag omtrent het binnentreden, bedoeld
in artikel 163 van het Wetboek van Strafvordering BES, wordt
toegezonden aan:
1°. het bestuurscollege in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid;
2°. de gezaghebber in de gevallen, bedoeld in het derde
lid.
Artikel 141
1. In geval van toepassing van artikel 231 kan de
Rijksvertegenwoordiger een last onder bestuursdwang opleggen namens
het eilandsbestuur en ten laste van het openbaar lichaam. Artikel 140,
vierde en vijfde lid, zijn alsdan van overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat de machtiging, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
a, wordt verleend door de Rijksvertegenwoordiger, het
legitimatiebewijs, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt
uitgegeven door de Rijksvertegenwoordiger en dat het schriftelijk
verslag, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, wordt toegezonden aan
de Rijksvertegenwoordiger.
2. Het openbaar lichaam heeft in dat geval voor het bedrag van de
te zijnen laste gebrachte kosten verhaal op de overtreder.
3. De artikelen 1:1, vierde lid, 4:116 en 5:10 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn alsdan van toepassing.
§ 3. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen
verbindende voorschriften inhouden
Artikel 142
1. Besluiten van het eilandsbestuur die algemeen verbindende
voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer zij zijn
bekendgemaakt.
2. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het op een algemeen
toegankelijke wijze uit te geven afkondigingsblad van het openbaar
lichaam.
3. Het afkondigingsblad kan elektronisch worden uitgegeven. Na de
uitgifte blijft het afkondigingsblad elektronisch op een algemeen
toegankelijke wijze beschikbaar. Indien elektronische uitgifte geheel
of gedeeltelijk onmogelijk is, voorziet het eilandsbestuur in een
vervangende uitgave.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent het
bepaalde in de eerste en tweede volzin nadere regels gesteld.
4. Bij de bekendmaking van een besluit dat aan goedkeuring is
onderworpen, wordt de dagtekening vermeld van het besluit waarbij die
goedkeuring is verleend of wordt de mededeling gedaan van de
omstandigheid dat ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht een besluit tot goedkeuring wordt geacht te zijn
genomen.
Artikel 143
1. De teksten van besluiten van het eilandsbestuur die algemeen
verbindende voorschriften inhouden, zijn in geconsolideerde vorm voor
een ieder beschikbaar door middel van een bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen algemeen toegankelijk elektronisch medium.
2. Een geconsolideerde tekst van een besluit die op grond van het
eerste lid beschikbaar is gesteld, blijft beschikbaar indien het
besluit na de beschikbaarstelling is gewijzigd of ingetrokken.
3. Onze Minister kan regels stellen over de wijze waarop de in het
eerste lid bedoelde teksten beschikbaar worden gesteld.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
categorieën van besluiten worden aangewezen, waarop het eerste lid
niet van toepassing is.
Artikel 144
Een ieder kan op verzoek een papieren afschrift verkrijgen van de
besluiten van het eilandsbestuur die algemeen verbindende voorschriften
inhouden. Het afschrift wordt verstrekt tegen ten hoogste de kosten van
het maken van het afschrift.
Artikel 145
De bekendgemaakte besluiten treden in werking met ingang van de
achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten
daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.
Artikel 146
Een besluit als bedoeld in artikel 142 op overtreding waarvan straf
is gesteld, wordt na de bekendmaking medegedeeld aan het parket in
eerste aanleg.
Artikel 147
Met betrekking tot de intrekking van besluiten die algemeen
verbindende voorschriften inhouden, zijn de artikelen 142, 145en 146 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de mededeling aan het
parket in eerste aanleg geschiedt binnen een week.
§ 4. Termijnen
Artikel 148
Op termijnen gesteld in een eilandsverordening zijn de artikelen 1
tot en met 4 van de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige
toepassing, tenzij in de eilandsverordening anders is bepaald.
Afdeling II. De bevoegdheid van de eilandsraad
Artikel 149
1. Eilandsverordeningen worden door de eilandsraad vastgesteld voor
zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de eilandsraad
krachtens de wet aan het bestuurscollege of de gezaghebber is
toegekend.
2. De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 136, eerste lid,
berusten bij de eilandsraad.
3. De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 136, tweede lid,
berusten bij het bestuurscollege, voor zover deze niet bij of
krachtens de wet aan de eilandsraad of de gezaghebber zijn toegekend.
Artikel 150
1. Een lid van de eilandsraad kan een voorstel voor een
eilandsverordening of een ander voorstel ter behandeling in de
eilandsraad indienen.
2. De eilandsraad regelt op welke wijze een voorstel voor een
eilandsverordening wordt ingediend en behandeld.
3. De eilandsraad regelt op welke wijze en onder welke voorwaarden
een ander voorstel wordt ingediend en behandeld.
Artikel 151
1. Een lid van de eilandsraad kan een voorstel tot wijziging van
een voor de vergadering van de eilandsraad geagendeerde
ontwerp-eilandsverordening of ontwerp-beslissing indienen.
2. Artikel 150, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 152
De eilandsraad maakt de eilandsverordeningen die hij in het belang
van het openbaar lichaam nodig oordeelt.
Artikel 153
Indien het toezicht op de naleving of de opsporing van een
overtreding van een voorschrift van een eilandsverordening, dat strekt
tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of tot bescherming van
het leven of de gezondheid van personen vereist dat de met het toezicht
op de naleving of de opsporing belaste personen bevoegd zijn binnen te
treden in een woning zonder toestemming van de bewoner, kan de
eilandsraad deze bevoegdheid bij eilandsverordening verlenen.
Artikel 154
De eilandsraad stelt een eilandsverordening vast waarin regels worden
gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en
belanghebbenden bij de voorbereiding van het beleid van het openbaar
lichaam worden betrokken.
Artikel 155
1. De eilandsraad kan bij eilandsverordening de gezaghebber de
bevoegdheid verlenen om bij verstoring van de openbare orde door de
aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan
daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het
publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen
als veiligheidsrisicogebied. In een veiligheidsrisicogebied kan de
officier van justitie de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 50,
derde lid, 51, derde lid, en 52, derde lid, van de Wet wapens en
munitie toepassen. Voor de vaststelling van de eilandsverordening bij
stemming is de volstrekte meerderheid van het aantal zitting hebbende
leden vereist.
2. De gezaghebber gaat niet over tot aanwijzing als
veiligheidsrisicogebied dan na overleg met de officier van justitie.
3. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een
bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is
dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.
4. De beslissing tot gebiedsaanwijzing wordt op schrift gesteld en
bevat een omschrijving van het gebied waarop deze van toepassing is
alsmede de geldigheidsduur. Indien de situatie dermate spoedeisend is
dat de gezaghebber de beslissing tot gebiedsaanwijzing niet tevoren op
schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk voor de
opschriftstelling en voor de bekendmaking daarvan.
5. De gezaghebber brengt de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk
ter kennis van de eilandsraad en van de officier van justitie, bedoeld
in het tweede lid.
6. Zodra de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid
van wapens, dan wel de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan,
bedoeld in het eerste lid, is geweken, trekt de gezaghebber de
gebiedsaanwijzing in. Het vijfde lid is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 156
1. De eilandsraad kan bij eilandsverordening de gezaghebber de
bevoegdheid verlenen om, indien dat in het belang van de handhaving
van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten tot plaatsing van
vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht
op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare
manifestaties en andere bij eilandsverordening aan te wijzen plaatsen
die voor een ieder toegankelijk zijn. De gezaghebber bepaalt de duur
van de plaatsing en wijst de openbare plaats of plaatsen aan, met
inachtneming van hetgeen daaromtrent in de eilandsverordening is
bepaald. Voor de vaststelling van de eilandsverordening bij stemming
is de volstrekte meerderheid van het aantal zitting hebbende leden
vereist.
2. De gezaghebber stelt, na overleg met de officier van justitie,
de periode vast waarin in het belang van de handhaving van de openbare
orde daadwerkelijk gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de
camera’s gemaakte beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken.
3. De gezaghebber bedient zich bij de uitvoering van het in het
eerste lid bedoelde besluit van de onder zijn gezag staande politie.
4. De aanwezigheid van camera’s als bedoeld in het eerste lid is
op duidelijke wijze kenbaar voor een ieder die de desbetreffende
openbare plaats betreedt.
5. Met de camera’s worden uitsluitend beelden gemaakt van een
openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare
manifestaties en andere bij eilandsverordening aan te wijzen plaatsen
die voor een ieder toegankelijk zijn.
6. De met de camera’s gemaakte beelden mogen in het belang van de
handhaving van de openbare orde worden vastgelegd.
7. De verwerking van de gegevens, bedoeld in het zesde lid, is een
verwerking als bedoeld in de Wet politiegegevens, met dien verstande
dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 8 van die wet, de
vastgelegde beelden na ten hoogste vier weken worden vernietigd en de
gegevens, bedoeld in het zesde lid, indien er concrete aanleiding
bestaat te vermoeden dat die gegevens noodzakelijk zijn voor de
opsporing van een strafbaar feit, ten behoeve van de opsporing van dat
strafbare feit kunnen worden verwerkt.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het
oog op de goede uitvoering van het toezicht, bedoeld in het eerste
lid, regels worden gesteld omtrent:
a. de vaste camera’s en andere technische hulpmiddelen
benodigd voor het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de wijze
waarop deze hulpmiddelen worden aangebracht;
b. de personen belast met of anderszins direct betrokken bij de
uitvoering van het toezicht; en
c. de ruimten waarin de waarneming of verwerking van door het
toezicht vastgelegde beelden plaatsvindt.
Artikel 157
1. De eilandsraad kan op overtreding van zijn eilandsverordeningen
en van het bestuurscollege waaraan ingevolge artikel 166 verordenende
bevoegdheid is gedelegeerd, straf stellen maar geen andere of
zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van
de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de
rechterlijke uitspraak.
2. Indien een krachtens het eerste lid strafbaar gestelde
overtreding van voorschriften met betrekking tot het plaatsen of laten
staan van motorrijtuigen op parkeerterreinen of weggedeelten, bedoeld
in artikel 56 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit
onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kunnen de op het
feit gestelde straffen worden opgelegd aan de eigenaar of houder van
dat motorrijtuig voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor
dat feit aansprakelijk is.
3. Het tweede lid geldt niet, indien de eigenaar of houder:
a. de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend
heeft gemaakt;
b. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem
daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
4. De strafbare feiten, bedoeld in het eerste lid, zijn
overtredingen.
Artikel 158
1. De eilandsraad kan bij eilandsverordening de gezaghebber de
bevoegdheid verlenen om door de gezaghebber aangewezen groepen van
personen, op een door de gezaghebber aangegeven plaats tijdelijk te
doen ophouden. De ophouding kan mede omvatten, indien nodig, het
overbrengen naar die plaats. Voor de vaststelling van de
eilandsverordening bij stemming is de volstrekte meerderheid van het
aantal zitting hebbende leden vereist.
2. De gezaghebber oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid,
slechts uit:
a. jegens personen die een door de raad bij eilandsverordening
vastgesteld en daartoe aangewezen specifiek voorschrift dat strekt
tot handhaving van de openbare orde of beperking van gevaar in
omstandigheden als bedoeld in artikel 178, groepsgewijs niet
naleven, en
b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van
voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving
redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden
verzekerd.
3. De beslissing tot ophouding wordt op schrift gesteld. De
schriftelijke beslissing is een beschikking. Indien de situatie
dermate spoedeisend is dat de gezaghebber de beslissing tot ophouding
niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig
mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.
4. De beschikking vermeldt welk voorschrift niet wordt nageleefd.
5. De gezaghebber laat tot ophouding als bedoeld in het eerste lid
niet overgaan dan nadat de personen uit de in het eerste lid bedoelde
groep in de gelegenheid zijn gesteld de tenuitvoerlegging van de
beschikking tot ophouding te voorkomen, door alsnog het voorschrift,
bedoeld in het vierde lid, na te leven.
6. De gezaghebber draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk een
verslag van de bevindingen inzake de tenuitvoerlegging van de
ophouding wordt opgesteld.
7. De ophouding mag niet langer duren dan de tijd die nodig is ter
voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving, met een
maximum van twaalf uren.
8. De plaats van ophouding dient geschikt te zijn voor de opvang
van de op te houden personen. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels hieromtrent worden gesteld.
9. De gezaghebber draagt er voor zover mogelijk zorg voor dat de
opgehouden personen in de gelegenheid worden gesteld door een daartoe
door hem aangewezen ambtenaar hun gegevens te laten vastleggen ten
bewijze dat zij zijn opgehouden.
10. De artikelen 54 en 55 van de Wet administratieve rechtspraak
BES zijn niet van toepassing op de beschikking tot ophouding.
11. Indien tegen de beschikking tot ophouding een verzoek om een
voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 85 van de Wet
administratieve rechtspraak BES wordt gedaan:
a. wordt, in afwijking van artikel 86 van de van de Wet
administratieve rechtspraak BES, de verzoeker die is opgehouden zo
mogelijk nog tijdens zijn ophouding door de voorzieningenrechter
gehoord;
b. doet de voorzieningenrechter in afwijking van artikel 86 van
de Wet administratieve rechtspraak BES onmiddellijk na het horen
van partijen uitspraak, en
c. wordt, in afwijking van artikel 17 en artikel 81 van de Wet
administratieve rechtspraak BES, geen griffierecht geheven.
12. Bij de beoordeling van het verzoek betrekt de
voorzieningenrechter tevens de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging
van de beschikking tot ophouding jegens verzoeker.
13. Indien de voorzieningenrechter een of meer verzoeken toewijst
op de grond dat de beschikking tot ophouding naar zijn voorlopig
oordeel onrechtmatig is, kan hij bepalen dat alle personen die op
basis van de betrokken beschikking zijn opgehouden, onverwijld in
vrijheid worden gesteld.
14. Het twaalfde lid is van overeenkomstige toepassing op de
beoordeling van een beroep tegen de beschikking tot ophouding als
bedoeld in artikel 7 van de Wet administratieve rechtspraak BES.
Artikel 159
1. Een lid van de eilandsraad kan het bestuurscollege of de
gezaghebber mondeling of schriftelijk vragen stellen.
2. Een lid van de eilandsraad kan de eilandsraad verlof vragen tot
het houden van een interpellatie over een onderwerp dat niet staat
vermeld op de agenda, bedoeld in artikel 20, tweede lid, om het
bestuurscollege of de gezaghebber hierover inlichtingen te vragen. De
eilandsraad stelt hierover nadere regels.
Artikel 160
1. De eilandsraad kan op voorstel van een of meer van zijn leden
een onderzoek naar het door het bestuurscollege of de gezaghebber
gevoerde bestuur instellen.
2. Het besluit tot het instellen van een onderzoek omvat een
omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting.
Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door de eilandsraad
worden gewijzigd.
3. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de eilandsraad in
te stellen onderzoekscommissie. De commissie heeft ten minste drie
leden en bestaat uitsluitend uit leden van de eilandsraad.
4. Deartikelen 23, 117, derde lid, en 119, eerste lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op de onderzoekscommissie.
5. De onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende
bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar
leden aanwezig zijn.
6. De bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie
worden niet geschorst door het aftreden van de eilandsraad.
7. Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot
instelling van een onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot
wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek zijn
de artikelen 142, tweede lid, 143 en 144 van overeenkomstige
toepassing.
8. Alvorens de eilandsraad besluit tot een onderzoek, stelt hij bij
eilandsverordening nadere regels met betrekking tot deze onderzoeken.
In elk geval worden daarin regels opgenomen over de wijze waarop
ambtelijke bijstand wordt verleend aan de commissie.
Artikel 161
1. Leden en gewezen leden van de eilandsraad, de gezaghebber en
gewezen gezaghebbers, eilandgedeputeerden en gewezen
eilandgedeputeerden, leden en gewezen leden van de gezamenlijke
rekenkamer, leden en gewezen leden van een door de eilandsraad, het
bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde commissie, ambtenaren en
gewezen ambtenaren, door of vanwege het eilandsbestuur aangesteld of
daaraan ondergeschikt, zijn verplicht te voldoen aan een vordering van
de onderzoekscommissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen
van afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle
bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk
oordeel van de onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming
anderszins voor het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 160
nodig is.
2. Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking
heeft op bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de
Europese Unie of van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door
de onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan
schaden, wordt niet dan met toestemming van Onze Minister aan de
vordering voldaan.
3. Ambtenaren, door of vanwege het eilandsbestuur aangesteld of
daaraan ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek als bedoeld
in artikel 160 alle door de onderzoekscommissie gevorderde medewerking
te verlenen.
Artikel 162
1. Personen als bedoeld in artikel 161 zijn verplicht te voldoen
aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of deskundige
te worden gehoord.
2. Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt
gehoord, is niet tevens lid van de onderzoekscommissie.
3. De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen.
4. De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar
beste weten als zodanig te verlenen.
5. De onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend
worden verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Zij leggen dan
in de vergadering van de onderzoekscommissie, in handen van de
voorzitter, de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets
dan de waarheid zullen zeggen.
6. De getuigen en deskundigen worden in een openbare zitting van de
onderzoekscommissie gehoord. Plaats en tijd van de openbare zitting
worden door de voorzitter tijdig ter openbare kennis gebracht.
7. De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een
verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De
leden en plaatsvervangende leden van de commissie bewaren
geheimhouding over hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter kennis
komt.
8. Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten
bijstaan. Om gewichtige redenen kan de commissie besluiten, dat een
getuige zonder bijstand wordt gehoord.
9. Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie
kunnen, behalve in het geval van een strafrechtelijke procedure naar
meineed, niet als bewijs in rechte gelden.
Artikel 163
1. Getuigen en deskundigen worden schriftelijk opgeroepen. De
brief, houdende de oproep, wordt aangetekend verzonden of tegen
gedagtekend ontvangstbewijs uitgereikt.
2. De onderzoekscommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen
die, hoewel opgeroepen in overeenstemming met het eerste lid, niet
zijn verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om
aan hun verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de
getuige of deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de wijze,
bedoeld in het eerste lid. In de beschikking wordt een termijn gesteld
waarbinnen de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door
alsnog aan zijn verplichting te voldoen.
3. Op een beschikking als bedoeld in het eerste en het tweede lid
is artikel 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES niet van
toepassing.
Artikel 164
1. Niemand kan genoodzaakt worden aan de onderzoekscommissie
geheimen te openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou
worden toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep,
dan wel aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij
hij werkzaam is of is geweest.
2. Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot
geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te
leggen, doch uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de
wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage,
afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of
gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich
uitstrekt.
3. De gezaghebber en gewezen gezaghebbers, eilandgedeputeerden en
gewezen eilandgedeputeerden, leden en gewezen leden van een door het
bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde commissie, ambtenaren en
gewezen ambtenaren, door of vanwege het bestuurscollege aangesteld of
daaraan ondergeschikt, zijn niet verplicht aan artikel 161 en artikel
162 te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in strijd
is met het openbaar belang.
4. De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld
in het derde lid op strijd met het openbaar belang wordt bevestigd
door het bestuurscollege, of, voor zover de inlichtingen betrekking
hebben op het door de gezaghebber gevoerde bestuur, door de
gezaghebber.
Artikel 165
Het bestuurscollege neemt de door de eilandsraad geraamde kosten voor
een onderzoek in een bepaald jaar op in de ontwerp-begroting.
Artikel 166
1. De eilandsraad kan aan het bestuurscollege bevoegdheden
overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
2. De eilandsraad kan in ieder geval niet overdragen de bevoegdheid
tot:
a. de instelling van de gezamenlijke rekenkamer;
b. de instelling van een onderzoek, bedoeld in artikel 160,
eerste lid;
c. de vaststelling of wijziging van de begroting, bedoeld in
artikel 15 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba;
d. de vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 29
van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba;
e. het stellen van straf op overtreding van
eilandsverordeningen;
f. de vaststelling van de eilandsverordeningen, bedoeld in
artikelen 34, eerste lid en 38, eerste lid, van de Wet financiën
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
g. de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in
artikel 38, derde lid, van de Wet financiën openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
h. de heffing van andere belastingen dan de precariobelasting,
bedoeld in artikel 60 van de Wet financiën openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de rechten, genoemd in artikel 62
van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba en de rechten waarvan de heffing geschiedt krachtens andere
wetten dan de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba.
3. De bevoegdheid tot het vaststellen van eilandsverordeningen,
door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven, kan de eilandsraad
slechts overdragen voor zover het betreft de vaststelling van nadere
regels met betrekking tot bepaalde door hem in zijn
eilandsverordeningen aangewezen onderwerpen.
4. Deartikelen 142, tweede lid, 143 en 144 zijn van overeenkomstige
toepassing op een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste
lid.
Artikel 167
1. De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van de
eilandsraad, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop zijn ten
aanzien van de ingevolge artikel 166 overgedragen bevoegdheden van
overeenkomstige toepassing.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet
begrepen die betreffende vergaderingen.
Afdeling III. De bevoegdheid van het bestuurscollege
Artikel 168
1. Het bestuurscollege is in ieder geval bevoegd:
a. het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam te voeren,
voor zover niet bij of krachtens de wet de eilandsraad of de
gezaghebber hiermee is belast;
b. beslissingen van de eilandsraad voor te bereiden en uit te
voeren, tenzij bij of krachtens de wet de gezaghebber hiermee is
belast;
c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van
het openbaar lichaam, met uitzondering van de organisatie van de
griffie;
d. ambtenaren, niet zijnde de eilandgriffier en de op de
griffie werkzame ambtenaren, te benoemen, te bevorderen, te
schorsen en te ontslaan;
e. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar
lichaam te besluiten;
f. te besluiten namens het openbaar lichaam, het
bestuurscollege of de eilandsraad rechtsgedingen,
bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of
handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij de
eilandsraad, voor zover het de eilandsraad aangaat, in voorkomende
gevallen anders beslist;
g. ten aanzien van de voorbereiding van de civiele verdediging;
h. jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te
schaffen of te veranderen.
2. Besluiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden
genomen op grond van door het bestuurscollege vastgestelde regels
inzake de benoeming, bevordering, schorsing en ontslag van ambtenaren.
Deze regels bevatten in ieder geval de gronden voor deze besluiten.
3. Besluiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, behoeven
de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger. De goedkeuring kan
slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of op een grond,
die is neergelegd in de regels, bedoeld in het tweede lid.
4. Het bestuurscollege neemt, ook alvorens is besloten tot het
voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet
wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of
bezit.
Artikel 169
Het bestuurscollege kan een in het openbaar lichaam dienstdoende
ambtenaar van politie machtigen in zijn naam besluiten te nemen of
andere handelingen te verrichten.
Artikel 170
1. Het bestuurscollege kan een of meer leden van het
bestuurscollege machtigen tot uitoefening van een of meer van zijn
bevoegdheden, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt zich
daartegen verzet.
2. Een krachtens machtiging uitgeoefende bevoegdheid wordt uit naam
en onder verantwoordelijkheid van het bestuurscollege uitgeoefend.
3. Het bestuurscollege kan te dien aanzien alle aanwijzingen geven
die het nodig acht.
Artikel 171
1. Het bestuurscollege en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan
de eilandsraad verantwoording schuldig over het door het
bestuurscollege gevoerde bestuur.
2. Zij geven de eilandsraad alle inlichtingen die de eilandsraad
voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
3. Zij geven de eilandsraad mondeling of schriftelijk de door een
of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in
strijd is met het openbaar belang.
4. Zij geven de eilandsraad vooraf inlichtingen over de uitoefening
van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 168, eerste lid, onderdeel e,
f, g en h, indien de eilandsraad daarom verzoekt of indien de
uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor het openbaar lichaam.
In het laatste geval neemt het bestuurscollege geen besluit dan nadat
de eilandsraad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen
ter kennis van het bestuurscollege te brengen.
5. Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel
168, eerste lid, onderdeel f, geen uitstel kan lijden, geven zij in
afwijking van het vierde lid de eilandsraad zo spoedig mogelijk
inlichtingen over de uitoefening van deze bevoegdheid en het terzake
genomen besluit.
Afdeling IV. De bevoegdheid van de gezaghebber
Artikel 172
1. De gezaghebber ziet toe op:
a. een tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van
het beleid van het openbaar lichaam en van de daaruit
voortvloeiende besluiten, alsmede op een goede afstemming tussen
degenen die bij die voorbereiding, vaststelling en uitvoering zijn
betrokken;
b. een goede samenwerking van het openbaar lichaam met de
andere openbare lichamen en andere overheden;
c. de kwaliteit van procedures op het vlak van
burgerparticipatie;
d. een zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften;
e. een zorgvuldige behandeling van klachten door het
eilandsbestuur.
2. De gezaghebber bevordert overigens een goede behartiging van de
aangelegenheden van het openbaar lichaam.
Artikel 173
1. De gezaghebber vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en
buiten rechte.
2. De gezaghebber kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door
hem aan te wijzen persoon.
Artikel 174
1. De gezaghebber is belast met de handhaving van de openbare orde.
2. De gezaghebber is bevoegd overtredingen van wettelijke
voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten
of te beëindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag
staande politie.
3. De gezaghebber is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of
bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die
noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.
Artikel 175
1. De gezaghebber heeft het opperbevel bij brand alsmede bij
ongevallen anders dan bij brand voor zover de brandweer daarbij een
taak heeft.
2. De gezaghebber is bevoegd bij brand en ongevallen, bedoeld in
het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op het voorkomen,
beperken en bestrijden van gevaar nodig zijn.
Artikel 176
1. De gezaghebber is belast met het toezicht op de openbare
samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek
openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.
2. De gezaghebber is bevoegd bij de uitoefening van het toezicht,
bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de
bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.
3. De gezaghebber is belast met de uitvoering van
eilandsverordeningen voor zover deze betrekking hebben op het
toezicht, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 177
1. De gezaghebber kan besluiten een woning, een niet voor het
publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het
lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of
het erf wordt verstoord.
2. De bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, komt de gezaghebber
eveneens toe in geval van ernstige vrees voor verstoring van de
openbare orde op de grond dat de rechthebbende op de woning, het
lokaal of het erf eerder een woning, een niet voor het publiek
toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf
op een zodanige wijze heeft gebruikt of doen gebruiken dat die woning,
dat lokaal of dat erf op grond van het eerste lid is gesloten, en er
aanwijzingen zijn dat betrokkene de woning, het lokaal of het erf ten
aanzien waarvan hij rechthebbende is eveneens op een zodanige wijze
zal gebruiken of doen gebruiken.
3. De gezaghebber bepaalt in het besluit de duur van de sluiting.
In geval van ernstige vrees voor herhaling van de verstoring van de
openbare orde kan hij besluiten de duur van de sluiting tot een door
hem te bepalen tijdstip te verlengen.
4. Bij de bekendmaking van het besluit worden belanghebbenden in de
gelegenheid gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te
treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd.
De eerste volzin is niet van toepassing, indien voorafgaande
bekendmaking in spoedeisende gevallen niet mogelijk is.
5. De artikelen 1:1, vierde lid, 4:116, 5:10 en 5:25 tot en met
5:28 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 178
1. In geval van oproerige beweging, van andere ernstige
wanordelijkheden of van rampen of zware ongevallen, dan wel van
ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de gezaghebber bevoegd
alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of
ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de
Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken.
2. De gezaghebber laat tot maatregelen van geweld niet overgaan dan
na het doen van de nodige waarschuwing.
Artikel 179
1. Wanneer een omstandigheid als bedoeld in artikel 178, eerste lid
zich voordoet, kan de gezaghebber algemeen verbindende voorschriften
geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van
gevaar nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde
voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op
een door hem te bepalen wijze.
2. De gezaghebber brengt de voorschriften zo spoedig mogelijk ter
kennis van de eilandsraad, van de Rijksvertegenwoordiger en van de
officier van justitie, hoofd van het parket in eerste aanleg.
3. De voorschriften vervallen, indien zij niet door de eilandsraad
in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door
meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht,
worden bekrachtigd.
4. Indien de eilandsraad de voorschriften niet bekrachtigt, kan de
gezaghebber binnen vierentwintig uren administratief beroep instellen
bij de Rijksvertegenwoordiger. Deze beslist binnen twee dagen.
Gedurende de beroepstermijn en de behandeling van het administratief
beroep blijven de voorschriften van kracht.
5. De Rijksvertegenwoordiger kan de werking van de voorschriften
opschorten zolang zij niet bekrachtigd zijn. Het opschorten stuit
onmiddellijk de werking van de voorschriften.
6. Zodra een omstandigheid als bedoeld in artikel 178, eerste lid,
zich niet langer voordoet, trekt de gezaghebber de voorschriften in.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 180
1. De gezaghebber is bevoegd door hem aangewezen groepen van
personen op een door hem aangegeven plaats tijdelijk te doen ophouden.
De ophouding kan mede omvatten, indien nodig, het overbrengen naar die
plaats.
2. De gezaghebber oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid,
slechts uit:
a. jegens personen die door hem daartoe aangewezen specifieke
onderdelen van een bevel als bedoeld in artikel 178 of van een
algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 179,
groepsgewijs niet naleven, en
b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van
voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving
redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden
verzekerd.
3. Artikel 158, derde tot en met veertiende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 181
1. De gezaghebber kan een in het openbaar lichaam dienstdoende
ambtenaar van politie machtigen in zijn naam besluiten te nemen of
andere handelingen te verrichten.
2. Geen machtiging wordt verleend tot het nemen van besluiten
ingevolge deartikelen 155, 158, 174, 175, 176, tweede lid, 177, 178,
179 en 180 en tot uitvoering van beslissingen van de eilandsraad.
Artikel 182
1. De gezaghebber is aan de eilandsraad verantwoording schuldig
over het door hem gevoerde bestuur.
2. Hij geeft de eilandsraad alle inlichtingen die de eilandsraad
voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
3. Hij geeft de eilandsraad mondeling of schriftelijk de door een
of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in
strijd is met het openbaar belang.
Afdeling V. De bevoegdheid van de gezamenlijke rekenkamer
Artikel 183
1. De gezamenlijke rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de
doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door de eilandsbesturen
gevoerde bestuur. Een door de gezamenlijke rekenkamer ingesteld
onderzoek naar de rechtmatigheid van het door de eilandsbesturen
gevoerde bestuur bevat geen controle van de jaarrekening als bedoeld
in artikel 38, derde lid, van de Wet financiën openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2. Op verzoek van een of meer eilandsraden kan de gezamenlijke
rekenkamer een onderzoek instellen.
Artikel 184
1. De gezamenlijke rekenkamer is bevoegd alle documenten die
berusten bij de eilandsbesturen te onderzoeken voor zover zij dat ter
vervulling van haar taak nodig acht.
2. Het eilandsbestuur verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die
de gezamenlijke rekenkamer ter vervulling van haar taak nodig acht.
3. Indien de zorg voor een administratie aan een derde is
uitbesteed, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de
administratie van de betrokken derde dan wel van degene die de
administratie in opdracht van die derde voert.
Artikel 185
1. De gezamenlijke rekenkamer heeft de in de volgende leden
vermelde bevoegdheden ten aanzien van de volgende instellingen en over
de volgende periode:
a. samenwerkingslichamen en gemeenschappelijke organen
ingesteld krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaraan
de openbare lichamen deelnemen, over de jaren dat door de openbare
lichamen aan de regeling wordt deelgenomen;
b. naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met
beperkte aansprakelijkheid waarvan een openbaar lichaam meer dan
vijftig procent van het geplaatste aandelenkapitaal houdt, over de
jaren dat het desbetreffende openbaar lichaam meer dan vijftig
procent van het geplaatste aandelenkapitaal houdt;
c. andere privaatrechtelijke rechtspersonen waaraan een
openbaar lichaam of een derde voor rekening en risico van het
openbaar lichaam rechtstreeks of middellijk een subsidie, lening
of garantie heeft verstrekt ten bedrage van ten minste vijftig
procent van de baten van deze instelling, over de jaren waarop
deze subsidie, lening of garantie betrekking heeft.
2. De gezamenlijke rekenkamer is bevoegd bij de betrokken
instelling nadere inlichtingen in te winnen over de jaarrekeningen,
daarop betrekking hebbende rapporten van hen die deze jaarrekeningen
hebben gecontroleerd en overige documenten met betrekking tot die
instelling die bij het eilandsbestuur berusten. Indien een of meer
documenten ontbreken, kan de gezamenlijke rekenkamer van de betrokken
instelling de overlegging daarvan vorderen.
3. De gezamenlijke rekenkamer kan, indien de documenten, bedoeld in
het tweede lid, daartoe aanleiding geven, bij de betrokken instelling
dan wel bij de derde die de administratie in opdracht van de
instelling voert, een onderzoek instellen. De gezamenlijke rekenkamer
stelt de eilandsraad en het bestuurscollege van het betrokken openbare
lichaam van haar voornemen een dergelijk onderzoek in te stellen in
kennis.
Artikel 186
1. De gezamenlijke rekenkamer legt haar bevindingen en haar oordeel
vast in rapporten, met dien verstande dat hierin niet worden opgenomen
gegevens en bevindingen die naar hun aard vertrouwelijk zijn.
2. De gezamenlijke rekenkamer deelt aan de eilandsraad en het
bestuurscollege van het betrokken openbaar lichaam en, indien van
toepassing, aan de betrokken instelling, de opmerkingen en bedenkingen
mee die zij naar aanleiding van haar bevindingen van belang acht. Aan
de eilandsraad of het bestuurscollege kan zij ter zake voorstellen
doen.
3. De gezamenlijke rekenkamer stelt elk jaar voor 1 april een
verslag op van haar werkzaamheden over het voorgaande jaar. Het
verslag wordt door de gezamenlijke rekenkamer aan de eilandsraden en
de bestuurscolleges van de openbare lichamen gezonden.
4. De gezamenlijke rekenkamer zendt een afschrift van haar
rapporten aan de eilandsraad en het bestuurscollege van het betrokken
openbare lichaam. Indien zij met toepassing van artikel 38, elfde lid,
van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba een onderzoek heeft ingesteld, zendt de gezamenlijke rekenkamer
tevens een afschrift van het rapport aan de betrokken instelling.
5. De rapporten en de verslagen van de gezamenlijke rekenkamer zijn
openbaar.
Hoofdstuk V. Verhouding tot het Rijk
Afdeling I. De Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 187
1. Er is een Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2. De Rijksvertegenwoordiger heeft zijn zetel in een bij koninklijk
besluit te bepalen openbaar lichaam.
Artikel 188
1. De Rijksvertegenwoordiger wordt bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar.
2. De Rijksvertegenwoordiger kan bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister worden herbenoemd voor de tijd van zes
jaar.
3. Alvorens Onze Minister een voordracht als bedoeld in het eerste
en tweede lid doet, wint hij over de voor te dragen persoon het
gevoelen in van de bestuurscolleges van de openbare lichamen.
Artikel 189
De Rijksvertegenwoordiger kan te allen tijde bij koninklijk besluit
op voordracht van Onze Minister worden ontslagen.
Artikel 190
1. De Rijksvertegenwoordiger kan bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister worden geschorst.
2. Onze Minister kan, in afwachting van het besluit omtrent
schorsing, bepalen dat de Rijksvertegenwoordiger zijn functie niet
uitoefent.
3. Een besluit als bedoeld in het tweede lid vervalt, indien niet
binnen een maand een besluit omtrent de schorsing is genomen.
Artikel 191
Voor de benoembaarheid tot Rijksvertegenwoordiger is het
Nederlanderschap vereist.
Artikel 192
1. Alvorens zijn ambt te aanvaarden, legt de Rijksvertegenwoordiger
in handen van de Koning de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot Rijksvertegenwoordiger voor de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba benoemd te worden,
rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel
ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen
of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik
de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als
Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(Dat verklaar en beloof ik!»)
2. In geval van herbenoeming wordt de eed (verklaring en belofte)
in handen van de Koning of in handen van Onze Minister, daartoe door
de Koning gemachtigd, afgelegd.
Artikel 193
1. De Rijksvertegenwoordiger geniet een bezoldiging, die bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld. De
bezoldiging komt ten laste van de begroting van Onze Minister.
2. Bij de algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels
worden gesteld betreffende tegemoetkoming in of vergoeding van
bijzondere kosten en betreffende andere financiële voorzieningen die
verband houden met de vervulling van het ambt van
Rijksvertegenwoordiger.
3. Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
4. Buiten hetgeen hem bij of krachtens de wet is toegekend, geniet
de Rijksvertegenwoordiger als zodanig geen inkomsten, in welke vorm
ook, ten laste van het Rijk.
5. De Rijksvertegenwoordiger geniet geen vergoedingen, in welke
vorm ook, voor werkzaamheden, verricht in nevenfuncties welke hij
vervult uit hoofde van het ambt van Rijksvertegenwoordiger. Indien
deze vergoedingen worden uitgekeerd, worden zij gestort in de
Rijkskas.
6. Tot vergoedingen als bedoeld in het vijfde lid, behoren
inkomsten, onder welke benaming ook, uit nevenfuncties die de
Rijksvertegenwoordiger neerlegt bij beëindiging van het ambt.
7. Andere inkomsten dan die bedoeld in het vijfde lid worden met de
bezoldiging verrekend overeenkomstig artikel 3 van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
wijze waarop de Rijksvertegenwoordiger gegevens over de inkomsten,
bedoeld in het zevende lid, verstrekt, en de gevolgen van het niet
verstrekken van deze gegevens.
Artikel 194
1. De Rijksvertegenwoordiger vervult geen nevenfuncties waarvan de
uitoefening ongewenst is met het oog op de goede vervulling van zijn
ambt van Rijksvertegenwoordiger of op de handhaving van zijn
onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
2. De Rijksvertegenwoordiger meldt zijn voornemen tot aanvaarding
van een nevenfunctie, anders dan uit hoofde van zijn ambt van
Rijksvertegenwoordiger, aan Onze Minister.
3. De Rijksvertegenwoordiger maakt nevenfuncties, anders dan uit
hoofde van zijn ambt van Rijksvertegenwoordiger, openbaar. De
openbaarmaking vindt plaats terstond na benoeming tot
Rijksvertegenwoordiger of aanvaarding van een nevenfunctie en
geschiedt door terinzaggelegging van een opgave van de functies op het
Bureau van de Rijksvertegenwoordiger, bedoeld inartikel 202, eerste
lid.
4. De Rijksvertegenwoordiger maakt tevens de inkomsten uit de
nevenfuncties, bedoeld in het derde lid, openbaar. Openbaarmaking
geschiedt door terinzagelegging op het Bureau van de
Rijksvertegenwoordiger uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin
de inkomsten zijn genoten.
5. Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van
de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de
eindheffingsbestanddelen bedoeld in artikel 31 van die wet.
Artikel 195
De Rijksvertegenwoordiger is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van
de Wet Nationale ombudsman;
g. lid van een eilandsraad;
h. gezaghebber;
i. eilandgedeputeerde;
j. lid van de gezamenlijke rekenkamer;
k. gezamenlijke ombudsman of lid van de gezamenlijke
ombudscommissie;
l. ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een openbaar
lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt;
m. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel
van bestuur het bestuur van een openbaar lichaam van advies dient.
n. lid van provinciale staten;
o. commissaris van de Koning;
p. gedeputeerde van een provincie;
q. lid van een gemeenteraad;
r. burgemeester;
s. wethouder;
t. lid van een deelraad van een gemeente;
u. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente.
Artikel 196
De Rijksvertegenwoordiger mag niet:
a. als advocaat, procureur of adviseur in geschillen werkzaam
zijn ten behoeve van een openbaar lichaam of een eilandsbestuur dan
wel ten behoeve van de wederpartij van een openbaar lichaam of een
eilandsbestuur;
b. als gemachtigde in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de
wederpartij van een openbaar lichaam of een eilandsbestuur;
c. als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve
van derden tot het met een openbaar lichaam aangaan van:
1°. overeenkomsten als bedoeld in onderdeel d;
2°. overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan
een openbaar lichaam;
d. rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan
betreffende:
1°. het aannemen van werk ten behoeve van een openbaar
lichaam;
2°. het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten
van werkzaamheden ten behoeve van een openbaar lichaam;
3°. het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan
een openbaar lichaam;
4°. het verhuren van roerende zaken aan een openbaar
lichaam;
5°. het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van een
openbaar lichaam;
6°. het van een openbaar lichaam onderhands verwerven van
onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn
onderworpen;
7°. het onderhands huren of pachten van een openbaar
lichaam.
Artikel 197
Het ambt van Rijksvertegenwoordiger ontheft van alle bij of krachtens
de wet opgelegde verplichtingen tot het verrichten van persoonlijke
diensten.
Artikel 198
1. De Rijksvertegenwoordiger heeft zijn werkelijke woonplaats in
één van de openbare lichamen.
2. Onze Minister kan voor ten hoogste een jaar ontheffing verlenen
van de verplichting om de werkelijke woonplaats in één van de
openbare lichamen te hebben.
Artikel 199
1. Indien de Rijksvertegenwoordiger langer dan zes weken buiten de
openbare lichamen wenst te verblijven, behoeft hij daartoe de
toestemming van Onze Minister.
2. De Rijksvertegenwoordiger die buiten de openbare lichamen
verblijft kan door Onze Minister wegens dringende redenen van
dienstbelang worden teruggeroepen.
3. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijn,
genoemd in het eerste lid.
Artikel 200
1. Bij verhindering of ontstentenis van de Rijksvertegenwoordiger
wordt het ambt van Rijksvertegenwoordiger waargenomen door de
waarnemend Rijksvertegenwoordiger.
2. De waarnemend Rijksvertegenwoordiger wordt bij koninklijk
besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes
jaar.
3. Ten aanzien van de waarnemend Rijksvertegenwoordiger zijn de
artikelen 188, tweede en derde lid, 189 tot en met 192, 194 tot en met
196, 198 en 199 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 201
De toekenning van een vergoeding aan de waarnemend
Rijksvertegenwoordiger wordt geregeld bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur.
Artikel 202
1. Voor zijn ondersteuning beschikt de Rijksvertegenwoordiger over
een Bureau, dat hem bijstaat bij de uitoefening van zijn taken.
2. De bezoldiging van de medewerkers van het Bureau, alsmede de
bekostiging van de overige apparaatsuitgaven van het Bureau komen ten
laste van de begroting van Onze Minister.
3. De medewerkers van het Bureau worden door de
Rijksvertegenwoordiger benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen.
Artikel 203
Voor zover dit niet bij wet is geschied, worden bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de Rijksvertegenwoordiger
en de waarnemend Rijksvertegenwoordiger regels vastgesteld betreffende:
a. benoeming, herbenoeming, schorsing, tijdelijk niet uitoefenen
van zijn functie en ontslag;
b. onderzoek naar de geschiktheid en bekwaamheid;
c. aanspraken in geval van ziekte;
d. bescherming bij de arbeid;
e. andere aangelegenheden, zijn rechtspositie betreffende, die
regeling behoeven.
§ 2. De bevoegdheid van de Rijksvertegenwoordiger
Artikel 204
1. De Rijksvertegenwoordiger is in ieder geval belast met:
a. het rapporteren aan Onze Minister wie het aangaat over
aangelegenheden dan wel bijzondere bevindingen die de openbare
lichamen betreffen;
b. het goedkeuren van besluiten houdende benoeming,
bevordering, schorsing en ontslag van eilandsambtenaren;
c. het doen van een aanbeveling tot benoeming en een voorstel
tot herbenoeming van de gezaghebber;
d. het goedkeuren van de eilandsverordeningen bedoeld in de
artikelen 14, vijfde lid, 35, vierde lid, 105, tweede lid, en 123,
tweede lid;
e. het verlenen van ontheffingen als bedoeld in de artikelen
16, tweede lid en 85, tweede lid;
f. het bevorderen van de samenwerking tussen de in de openbare
lichamen werkzame rijksambtenaren onderling en met de
eilandsbesturen;
g. het voorleggen aan Onze Minister wie het aangaat van
besluiten en niet-schriftelijke beslissingen gericht op enig
rechtsgevolg van de eilandsbesturen die naar zijn mening voor
vernietiging in aanmerking komen;
h. het voorzien in de waarneming van de gezaghebber indien hij
dat in het belang van het openbaar lichaam nodig oordeelt;
i. al het overige ter bevordering van goed bestuur in de
openbare lichamen.
2. Bij de wet kan de Rijksvertegenwoordiger worden belast met
andere taken dan de taken, genoemd in het eerste lid.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de uitvoering van de taken, bedoeld in het
eerste en tweede lid.
Artikel 205
1. De Rijksvertegenwoordiger is verantwoording verschuldigd aan
Onze Minister wie het aangaat.
2. Onze Minister wie het aangaat kan de Rijksvertegenwoordiger de
nodige algemene en bijzondere aanwijzingen geven met betrekking tot de
aan hem toegekende taken en bevoegdheden. Alvorens een aanwijzing te
geven treedt Onze Minister wie het aangaat in overleg met Onze
Minister.
3. De Rijksvertegenwoordiger verstrekt Onze Minister wie het
aangaat desgevraagd inlichtingen over zijn werkzaamheden.
Artikel 206
De eilandsbesturen alsmede de onder hen ressorterende diensten en
ambtenaren verlenen op verzoek van de Rijksvertegenwoordiger hun
medewerking bij de uitoefening van de hem toegekende taken.
Afdeling II. Verhouding tot het Rijk
Artikel 207
Onze Minister wie het aangaat en de Rijksvertegenwoordiger doen het
bestuurscollege desgevraagd mededeling van hun standpunten en voornemens
met betrekking tot aangelegenheden die voor het openbaar lichaam van
belang zijn, tenzij het openbaar belang zich daartegen verzet.
Artikel 208
Onze Minister wie het aangaat en de Rijksvertegenwoordiger bieden het
bestuurscollege desgevraagd de gelegenheid tot het plegen van overleg
met betrekking tot aangelegenheden die voor het openbaar lichaam van
belang zijn, tenzij het openbaar belang zich daartegen verzet.
Artikel 209
1. Onze Minister wie het aangaat stelt de betrokken
bestuurscolleges of een instantie die voor deze representatief kan
worden geacht, zo nodig binnen een te stellen termijn, in de
gelegenheid hun oordeel te geven omtrent voorstellen van wet,
ontwerpen van algemene maatregel van bestuur of ontwerpen van
ministeriële regeling waarbij:
a. van de openbare lichamen regeling of bestuur wordt
gevorderd;
b. in betekenende mate wijziging wordt gebracht in de taken en
bevoegdheden van het eilandsbestuur.
2. Voorstellen als bedoeld in het eerste lid bevatten in de
bijbehorende toelichting een weergave van de gevolgen voor de
inrichting en werking van de openbare lichamen en een weergave van het
in het eerste lid bedoelde oordeel van de betrokken bestuurscolleges
of representatieve instantie.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid stelt Onze Minister wie
het aangaat de betrokken bestuurscolleges of een instantie die voor
deze representatief kan worden geacht, zo nodig binnen een te stellen
termijn, vooraf in de gelegenheid hun oordeel te geven omtrent:
a. ingrijpende beleidsvoornemens, die uitsluitend op de
openbare lichamen betrekking hebben;
b. beleidsvoornemens ten aanzien van de openbare lichamen om op
ingrijpende wijze af te wijken van regelgeving die van toepassing
is in het Europese deel van Nederland.
4. Onze Minister wie het aangaat is niet verplicht vooraf het in
het eerste en derde lid bedoelde oordeel in te winnen indien zulks ten
gevolge van dringende omstandigheden niet mogelijk is. In dat geval
wordt het oordeel zo spoedig mogelijk ingewonnen en openbaar gemaakt.
Artikel 210
1. Een wet waarbij van de eilandsbesturen regeling of bestuur wordt
gevorderd of waarbij in betekenende mate wijziging wordt gebracht in
taken en bevoegdheden van de eilandsbesturen, wijkt van het bepaalde
in deze wet niet af dan wanneer dat bijzonder aangewezen moet worden
geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.
2. Het voorstel voor een wet als bedoeld in het eerste lid bevat in
de bijbehorende toelichting de gronden voor de voorgestelde afwijking.
Artikel 211
1. Onze Minister is belast met de coördinatie van het rijksbeleid
dat de openbare lichamen raakt. Hij bevordert voorts de
beleidsvrijheid van het eilandsbestuur.
2. Over maatregelen en voornemens die van betekenis zijn voor het
rijksbeleid inzake de openbare lichamen treden Onze Ministers onder
wier verantwoordelijkheid die maatregelen en voornemens tot stand
komen in een vroegtijdig stadium in overleg met Onze Minister.
3. Onze Minister maakt bedenkingen kenbaar tegen een maatregel of
een voornemen voor zover hem die maatregel of dat voornemen met het
oog op het door de regering gevoerde decentralisatiebeleid niet
toelaatbaar voorkomt.
Artikel 212
1. Onze Minister bevordert de decentralisatie ten behoeve van de
openbare lichamen.
2. Voorstellen van maatregelen waarbij bepaalde aangelegenheden tot
rijksbeleid worden gerekend, worden slechts gedaan indien het
onderwerp van zorg niet op doelmatige en doeltreffende wijze door de
eilandsbesturen kan worden behartigd.
Artikel 213
Over al hetgeen het openbaar lichaam betreft dient het
bestuurscollege Onze Ministers en de Rijksvertegenwoordiger desgevraagd
van bericht en raad, tenzij dit uitdrukkelijk van de gezaghebber wordt
verlangd.
Artikel 214
1. Bij de wet of krachtens de wet bij algemene maatregel van
bestuur worden de gevallen geregeld waarin het bestuurscollege
verplicht is tot het verstrekken van systematische informatie aan Onze
Minister wie het aangaat. Daarbij kan worden bepaald dat bij
ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven ten behoeve
van de toepassing van de wet of de algemene maatregel van bestuur.
2. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Minister van Economische Zaken, na overleg met Onze Minister, kan
worden bepaald dat in die maatregel te omschrijven gegevens ten
behoeve van statistische doeleinden aan het Centraal Bureau voor de
Statistiek worden verstrekt.
3. Omtrent de in het eerste en tweede lid bedoelde verstrekking van
informatie en de inwinning daarvan worden bij algemene maatregel van
bestuur nadere algemene regels gesteld.
4. Omtrent de in het eerste en tweede lid bedoelde verstrekking van
informatie en de inwinning daarvan, alsmede omtrent de verstrekking en
inwinning van incidentele informatie, wordt, voorzover dat niet bij
wet geschiedt, bij algemene maatregel van bestuur aangegeven hoe de
financiële gevolgen van de verplichting tot informatieverstrekking
worden gecompenseerd.
5. De voordrachten voor de algemene maatregelen van bestuur,
bedoeld in het derde en het vierde lid, worden gedaan door Onze
Minister.
Artikel 215
De bevoegdheid tot het maken van eilandsverordeningen blijft ten
aanzien van het onderwerp waarin door wetten of algemene maatregelen van
bestuur is voorzien, gehandhaafd, voor zover de eilandsverordeningen met
die wetten en algemene maatregelen van bestuur niet in strijd zijn.
Artikel 216
De bepalingen van eilandsverordeningen in wier onderwerp door een wet
of een algemene maatregel van bestuur wordt voorzien, zijn van
rechtswege vervallen.
Afdeling III. Toezicht op het eilandsbestuur
§ 1. Goedkeuring
Artikel 217
1. Beslissingen van eilandsbesturen kunnen slechts aan goedkeuring
worden onderworpen in bij de wet bepaalde gevallen.
2. Op de goedkeuring van beslissingen van eilandsbesturen is
afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 218
1. Een beslissing die aan goedkeuring bij koninklijk besluit is
onderworpen, wordt toegezonden aan Onze Minister wie het aangaat.
2. Een voordracht tot onthouding van goedkeuring wordt gedaan door
of mede door Onze Minister.
3. Onthouding van goedkeuring geschiedt niet, dan nadat de Raad van
State is gehoord. De toepassing van artikel 10:30, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht vindt in dat geval plaats voordat het
ontwerp-besluit bij de Raad van State ter overweging wordt gebracht.
Artikel 18a van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige
toepassing.
§ 2. Schorsing en vernietiging
Artikel 219
Op de schorsing en vernietiging van beslissingen van eilandsbesturen
zijn afdeling 10.2.2 en 10.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 220
Een besluit dan wel een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig
rechtsgevolg van het eilandsbestuur kan bij koninklijk besluit worden
vernietigd.
Artikel 221
De gezaghebber zendt elk eilandsbesluit van algemene strekking, dat
niet is bekendgemaakt in het afkondigingsblad van het openbaar lichaam,
binnen twee dagen na de bekendmaking daarvan aan de
Rijksvertegenwoordiger.
Artikel 222
1. Indien een besluit naar het oordeel van de
Rijksvertegenwoordiger voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij
daarvan binnen twee dagen na de bekendmaking van het besluit, of,
indien het betreft een besluit als bedoeld in artikel 221, binnen twee
dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, mededeling aan Onze
Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan
het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de
uitvoering van het besluit is belast.
2. Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft
gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze
Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen, dat voor
schorsing of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit
niet binnen vier weken na de dagtekening van de mededeling van de
Rijksvertegenwoordiger is geschorst of vernietigd, wordt het
uitgevoerd.
Artikel 223
1. Indien een besluit naar het oordeel van de gezaghebber voor
vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen
nadat het te zijner kennis is gekomen, door tussenkomst van de
Rijksvertegenwoordiger, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat.
Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit
nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit
is belast.
2. De Rijksvertegenwoordiger zendt de stukken, vergezeld van zijn
advies, binnen een week na de dagtekening van de mededeling van de
gezaghebber toe aan Onze Minister wie het aangaat.
3. Artikel 222, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 224
1. Een voordracht tot schorsing wordt gedaan door Onze Minister wie
het aangaat.
2. Over de voordracht pleegt Onze Minister wie het aangaat overleg
met Onze Minister, tenzij schorsing onverwijld plaats dient te vinden.
In de voordracht wordt het achterwege blijven van overleg gemotiveerd.
Artikel 225
Indien een bekend gemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd
waarvoor het is geschorst, wordt hiervan door het eilandsbestuur
openbaar kennis gegeven.
Artikel 226
1. De voordracht tot vernietiging wordt gedaan door of mede door
Onze Minister.
2. Artikel 15, derde lid, van de Wet op de Raad van State is niet
van toepassing.
Artikel 227
Het koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de
schorsing of tot vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.
Artikel 228
Het eilandsbestuur neemt opnieuw een besluit omtrent het onderwerp
van het vernietigde besluit, waarbij met het koninklijk besluit wordt
rekening gehouden.
Artikel 229
1. In afwijking van artikel 3, eerste lid onderdeel a, en tweede
lid van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba kan een belanghebbende tegen een koninklijk besluit als bedoeld
in artikel 220binnen zes weken nadat het besluit is bekendgemaakt
beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State.
2. Geen beroep kan worden ingesteld tegen de weigering om de
vernietiging te bevorderen en tegen het niet tijdig nemen van een
besluit tot vernietiging.
§ 3. Bijzondere voorzieningen
Artikel 230
Wanneer de eilandsraad bij of krachtens een andere dan deze wet of de
Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren neemt, voorziet het
bestuurscollege daarin.
Artikel 231
1. Wanneer het bestuurscollege of de gezaghebber bij of krachtens
een andere dan deze wet of de Wet financiën openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevorderde beslissingen niet of niet
naar behoren neemt, voorziet de Rijksvertegenwoordiger daarin namens
het bestuurscollege of de gezaghebber en ten laste van het openbaar
lichaam.
2. Spoedeisende gevallen uitgezonderd, vindt het eerste lid geen
toepassing dan nadat het bestuurscollege, onderscheidenlijk de
gezaghebber in de gelegenheid is gesteld binnen een door de
Rijksvertegenwoordiger gestelde termijn alsnog de bij of krachtens een
andere dan deze wet of de Wet financiën openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba gevorderde beslissingen te nemen.
Artikel 232
Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 5en 149
voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een
openbaar lichaam zijn taken grovelijk verwaarloost.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 233
1. De eilandsraden, die op de dag voor de inwerkingtreding van deze
wet fungeren als eilandsraden van de eilandgebieden Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, worden aangemerkt als eilandsraad van het openbaar
lichaam Bonaire, het openbaar lichaam Sint Eustatius,
onderscheidenlijk het openbaar lichaam Saba.
2. De leden van de eilandsraden, bedoeld in het eerste lid, worden
geacht te zijn gekozen tot lid van de eilandsraad van het openbaar
lichaam Bonaire, het openbaar lichaam Sint Eustatius,
onderscheidenlijk het openbaar lichaam Saba. Zij treden, behoudens in
het geval van tussentijds aftreden of overlijden, af met ingang van de
dag waarop de leden van provinciale staten, die op de dag voor de
inwerkingtreding van deze wet zitting hebben, ingevolge artikel C 4,
tweede lid, van de Kieswet aftreden.
3. Tot het moment van aftreden, bedoeld in het tweede lid:
a. is artikel 14 slechts van toepassing voor zover de
Eilandenregeling Nederlandse Antillen, zoals die luidde op de dag
voor de inwerkingtreding van deze wet, ter zake eveneens een
verbod inhield;
b. worden de vergoeding, tegemoetkoming in de kosten en andere
financiële voorzieningen, bedoeld in artikel 120, eerste en
tweede lid, vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur in
plaats van bij eilandsverordening.
4. In afwijking van artikel 14, vijfde lid, wordt een
eilandsverordening als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onderdeel d,
die betrekking heeft op de eilandsraad van Sint Eustatius of Saba die
op 2 maart 2011 wordt gekozen uiterlijk vastgesteld op 1 december
2010.
Artikel 234
1. De gedeputeerden, die op de dag voor de inwerkingtreding van
deze wet fungeren als gedeputeerden van de eilandgebieden Bonaire,
Sint Eustatius en Saba, worden geacht voor de resterende duur van hun
benoeming te zijn benoemd door de eilandsraad van het openbaar lichaam
Bonaire, het openbaar lichaam Sint Eustatius, onderscheidenlijk het
openbaar lichaam Saba, tot eilandgedeputeerde van het openbaar lichaam
Bonaire, het openbaar lichaam Sint Eustatius, onderscheidenlijk het
openbaar lichaam Saba.
2. Tot het moment dat de eilandgedeputeerden voor de eerste keer na
de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 54 zijn
afgetreden bedraagt het aantal eilandgedeputeerden:
a. vier in het openbaar lichaam Bonaire;
b. twee in de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba.
3. Tot het moment van aftreden, bedoeld in het tweede lid:
a. isartikel 40 slechts van toepassing voor zover de
Eilandenregeling Nederlandse Antillen, zoals die luidde op de dag
voor de inwerkingtreding van deze wet, ter zake eveneens een
verbod inhield;
b. is artikel 56, derde tot en met zevende lid, niet van
toepassing.
4. Artikel 49 is niet van toepassing op de eilandgedeputeerden,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 235
1. De gezaghebbers, die op de dag voor de inwerkingtreding van deze
wet fungeren als gezaghebbers van de eilandgebieden Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, worden geacht voor de resterende duur van hun
benoeming te zijn benoemd tot gezaghebbers van het openbaar lichaam
Bonaire, het openbaar lichaam Sint Eustatius, onderscheidenlijk het
openbaar lichaam Saba.
2. Ten aanzien van de gezaghebbers, bedoeld in het eerste lid, is
gedurende de resterende tijd van hun benoeming:
a. artikel 78, vierde tot en met zevende lid, niet van
toepassing;
b. artikel 80 slechts van toepassing voor zover de
Eilandenregeling Nederlandse Antillen, zoals die luidde op de dag
voor de inwerkingtreding van deze wet, ter zake eveneens een
verbod inhield.
3. Artikel 83 is niet van toepassing op de gezaghebbers, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 236
De gezamenlijke rekenkamer wordt ingesteld binnen twee jaar na
inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 237
1. De eilandgriffier wordt benoemd binnen één jaar na
inwerkingtreding van deze wet.
2. Tot de datum waarop de eilandgriffier wordt benoemd staat de
eilandsecretaris de eilandsraad en de door hem ingestelde commissies
bij de uitoefening van hun taak terzijde.
3. Tot de datum waarop de eilandgriffier is benoemd blijft de
medeondertekening van de stukken die van de eilandsraad uitgaan,
bedoeld in artikel 34, achterwege.
Artikel 238
De eilandsverordeningen, bedoeld in de artikelen 35, derde lid en
154, alsmede de gedragscodes, bedoeld in de artikelen 16, derde lid, 53,
tweede lid en 82, tweede lid, worden vastgesteld binnen een jaar na de
dag van de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 239
Onze Minister zendt binnen zes jaar na de inwerkingtreding van deze
wet aan de beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 240
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 240a
[Wijzigt deze wet]
Artikel 241
Deze wet wordt aangehaald als: Wet openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 17 mei 2010
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten
Uitgegeven de eerste september 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|