|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 17 mei 2010 tot invoering van de
regelgeving met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba (Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba)
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat met
de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba overeengekomen is dat
zij als openbare lichamen een staatsrechtelijke positie krijgen binnen
het Nederlandse staatsbestel en het in verband hiermee wenselijk is
wettelijke regels te stellen over het in deze openbare lichamen
toepasselijke recht, alsmede enkele andere voorzieningen te treffen van
overgangsrechtelijke aard;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder
a. tijdstip van transitie: het
tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging
Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in
werking treedt;
b. eilandgebieden: de eilandgebieden
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, genoemd in artikel 1, onderdeel a,
d en c, van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen, zoals die
tot het tijdstip van transitie gold;
c. openbare lichamen: de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Hoofdstuk 2. Het toepasselijke recht
Artikel 2
1. In de openbare lichamen zijn de
doorlopende teksten van de in de bijlage bij deze wet genoemde
Nederlands-Antilliaanse regelingen, zoals deze bij besluit van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 oktober
2010 zijn vastgesteld en ter inzage zijn gelegd bij het ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als wet, algemene maatregel
van bestuur of ministeriële regeling van toepassing overeenkomstig de
status die de bijlage vermeldt. De regelingen worden in hun aldus
verkregen status aangehaald op de wijze die de bijlage vermeldt.
2. Andere wettelijke regelingen dan
die, bedoeld in het eerste lid, zijn in de openbare lichamen alleen
van toepassing voor zover:
a. dit bij wettelijk voorschrift is
bepaald;
b. op andere wijze onmiskenbaar uit
enig wettelijk voorschrift volgt dat die wettelijke voorschriften
in de openbare lichamen van toepassing zijn.
3. Het tweede lid laat onverlet de
toepasselijkheid in de openbare lichamen van wettelijke regelingen die
buiten het Europese deel van Nederland werking kunnen hebben.
4. Voorzieningen van
overgangsrechtelijke aard die zijn vastgesteld ten aanzien van de in
de bijlage genoemde regelingen blijven van toepassing, tenzij bij
wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Artikel 3
1. De Algemene wet bestuursrecht, met
uitzondering van hoofdstuk 9, is niet van toepassing op besluiten en
handelingen van bestuursorganen die hun zetel hebben in het Europese
deel van Nederland, ter uitvoering van:
a. een wettelijke regeling die
uitsluitend in de openbare lichamen van toepassing is;
b. een wettelijke regeling die op
grond van artikel 2, tweede lid, mede van toepassing is in de
openbare lichamen, voor zover het besluit of de handeling gericht
is tot een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die ten tijde
van het nemen van het besluit of het verrichten van de handeling
ingezetene is van onderscheidenlijk gevestigd is in de openbare
lichamen.
2. De hoofdstukken 6 tot en met 8 van
de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op besluiten en
handelingen van bestuursorganen die hun zetel hebben in het Europese
deel van Nederland, ter uitvoering van een wettelijk voorschrift als
bedoeld in artikel 2, derde lid, voor zover het desbetreffende besluit
of de handeling gericht is tot een natuurlijk persoon of een
rechtspersoon die ten tijde van het nemen van het besluit of het
verrichten van de handeling ingezetene is van onderscheidenlijk
gevestigd is in de openbare lichamen.
3. Hoofdstuk 9 van de Algemene wet
bestuursrecht is tevens van toepassing op gedragingen van in artikel
1a, eerste lid, onder d en e, van de Wet Nationale ombudsman bedoelde
bestuursorganen met een zetel in de openbare lichamen.
4. In de gevallen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, is de Wet administratieve rechtspraak BES van
toepassing voor zover sprake is van een beschikking in de zin van die
wet.
5. Indien een beroepschrift tegen een
beschikking op grond van een wettelijke regeling als bedoeld in het
eerste lid, wordt ingediend bij een onbevoegde administratieve
rechter, wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is
aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan,
onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Artikel 6:15,
derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige
toepassing.
6. Het tweede lid is niet van
toepassing op besluiten en handelingen ten aanzien van ambtenaren als
bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, die hun
werkzaamheden verrichten in de openbare lichamen.
7. Het eerste en tweede lid zijn
evenmin van toepassing op de heffing en inning van belastingen of van
rechten bij invoer.
Artikel 4
Indien in een wettelijk voorschrift dat
niet ingevolge artikel 2, eerste of tweede lid, van toepassing is in de
openbare lichamen, onderscheid wordt gemaakt tussen het land Nederland
en de andere landen van het Koninkrijk, wordt, tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald, onder «Nederland» verstaan het Europese
deel van Nederland en worden de openbare lichamen gelijkgesteld met
andere landen van het Koninkrijk.
Hoofdstuk 2a. Publiekrechtelijke
rechtsgevolgen huwelijk en geregistreerd partnerschap
Artikel 4a
In wettelijke regelingen en voorschriften
zoals deze van toepassing zijn in de openbare lichamen wordt geen
onderscheid gemaakt ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtsgevolgen
van huwelijken of geregistreerd partnerschappen voltrokken op grond van
het in het Europese deel van Nederland geldende Burgerlijk Wetboek, en
huwelijken, gesloten op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES
in een van de openbare lichamen.
Hoofdstuk 2b. De taal in het bestuurlijk
verkeer
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 4b
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op:
a. de eilandsraden en de
bestuursorganen van de openbare lichamen;
b. de Rijksvertegenwoordiger;
c. personen die in de openbare
lichamen werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de centrale
overheid.
2. In dit hoofdstuk worden onder «de
organen van de openbare lichamen» en «de Rijksvertegenwoordiger»
mede begrepen de onder hun onderscheidenlijk zijn verantwoordelijkheid
werkzame personen.
Artikel 4c
1. De in artikel 4b, eerste lid,
bedoelde organen en personen gebruiken de Nederlandse taal, tenzij bij
of krachtens dit hoofdstuk anders is bepaald.
2. Zij kunnen een andere taal gebruiken
dan bij of krachtens dit hoofdstuk is bepaald, indien het gebruik
daarvan doelmatiger is en de belangen van derden daardoor niet
onevenredig worden geschaad.
§ 2. Het bestuurlijk verkeer tussen de
overheid en particulieren
Artikel 4d
1. Een ieder kan de Nederlandse taal
gebruiken in het verkeer met de in artikel 4b, eerste lid, bedoelde
organen en personen.
2. Een ieder kan:
a. het Papiaments gebruiken in het
verkeer met de organen van het openbaar lichaam Bonaire;
b. het Engels gebruiken in het
verkeer met de organen van het openbaar lichaam Sint Eustatius of
Saba.
3. Een ieder kan het Papiaments ofwel
het Engels gebruiken in het verkeer met de Rijksvertegenwoordiger en
met personen die in de openbare lichamen werkzaam zijn onder
verantwoordelijkheid van de centrale overheid.
4. Het tweede en derde lid gelden niet,
indien het orgaan of de persoon heeft verzocht de Nederlandse taal te
gebruiken op de grond, dat het gebruik van het Papiaments of het
Engels tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer zou
leiden.
Artikel 4e
1. De organen van het openbaar lichaam
Bonaire kunnen in het mondeling verkeer met een ieder het Papiaments
gebruiken.
2. De organen van het openbaar lichaam
Sint Eustatius of Saba kunnen in het mondeling verkeer met een ieder
het Engels gebruiken.
3. De Rijksvertegenwoordiger en
personen die in de openbare lichamen werkzaam zijn onder
verantwoordelijkheid van de centrale overheid kunnen in het mondeling
verkeer met een ieder het Papiaments en het Engels gebruiken indien de
wederpartij hierom heeft verzocht.
4. Het eerste en tweede lid gelden
niet, indien de wederpartij heeft verzocht de Nederlandse taal te
gebruiken op de grond, dat het gebruik van het Papiaments of het
Engels tot een onbevredigend verloop van het mondeling verkeer zou
leiden.
§ 3. Het bestuurlijk verkeer bij de
overheden en tussen hen onderling
Artikel 4f
1. De in artikel 4b, eerste lid,
bedoelde organen en personen maken in hun onderling schriftelijk
verkeer en in het schriftelijke verkeer met in het Europese deel van
Nederland gevestigde organen alleen gebruik van het Nederlands.
2. Indien het gebruik daarvan
doelmatiger is en de belangen van derden daardoor niet onevenredig
worden geschaad kunnen in afwijking van het eerste lid:
a. de organen van het openbare
lichaam Bonaire in hun onderling schriftelijk verkeer het
Papiaments gebruiken;
b. de organen van de openbare
lichamen Sint Eustatius of Saba in hun onderling schriftelijk
verkeer het Engels gebruiken.
3. De in artikel 4b, eerste lid,
bedoelde organen en personen kunnen in hun onderling mondeling verkeer
alleen gebruik van het Papiaments ofwel het Engels maken indien het
gebruik daarvan doelmatiger is en de belangen van derden daardoor niet
onevenredig worden geschaad.
Artikel 4g
1. Een ieder kan in vergaderingen van
de eilandsraad van het openbaar lichaam Bonaire dan wel van het
openbaar lichaam Sint Eustatius of Saba het Papiaments
onderscheidenlijk het Engels gebruiken.
2. Hetgeen in het Papiaments dan wel in
het Engels is gezegd, wordt in het Papiaments onderscheidenlijk het
Engels genotuleerd.
§ 4. Bijzondere bepalingen inzake
schriftelijke stukken van de overheid
Artikel 4h
Onverminderd artikel 4f kan:
a. de eilandsraad van het openbaar
lichaam Bonaire dan wel van het openbaar lichaam Sint Eustatius of
Saba bij eilandsverordening regels stellen over het gebruik van het
Papiaments onderscheidenlijk het Engels in schriftelijke stukken;
b. Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties voor de Rijksvertegenwoordiger regels
stellen over het gebruik van het Papiaments ofwel het Engels in
schriftelijke stukken;
c. Onze Minister wie het aangaat voor
personen die in de openbare lichamen werkzaam zijn onder
verantwoordelijkheid van de centrale overheid, regels stellen over
het gebruik van het Papiaments ofwel het Engels in schriftelijke
stukken.
Artikel 4i
1. Indien een schriftelijk stuk in het
Papiaments ofwel het Engels is opgesteld, verstrekken de in artikel
4b, eerste lid, bedoelde organen en personen daarvan op verzoek van
een natuurlijk persoon of rechtspersoon die ingezetene is van of
gevestigd is in de openbare lichamen een vertaling in de Nederlandse
taal, tenzij het verstrekken tot een onevenredige belasting van het
bestuurlijk verkeer zou leiden.
2. Het orgaan of de persoon kan voor
het vertalen een vergoeding van ten hoogste de kosten verlangen.
3. Voor het vertalen kan geen
vergoeding worden verlangd, indien het schriftelijk stuk:
a. de notulen van de vergadering
van de eilandsraad inhoudt, en het belang van de verzoeker
rechtstreeks bij het genotuleerde is betrokken, dan wel de notulen
van de vergadering van de eilandsraad inhoudt, en de vaststelling
van een eilandsverordening of beleidsregels betreft, of
b. een besluit of andere handeling
inhoudt waarbij de verzoeker belanghebbende is.
Artikel 4j
1. Een schriftelijk stuk in het
Papiaments of in het Engels wordt tevens in de Nederlandse taal
opgesteld, indien het:
a. algemeen verbindende
voorschriften of beleidsregels inhoudt, of
b. is opgesteld ter directe
voorbereiding van de onder a genoemde voorschriften of regels.
2. De bekendmaking, mededeling of
terinzagelegging van een schriftelijk stuk als bedoeld in het eerste
lid geschiedt in ieder geval ook in de Nederlandse taal, tenzij
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte
bestaat.
Hoofdstuk 3. Vonnissen en akten
Artikel 5
Vonnissen, door de rechter in het
Europese deel van Nederland of in de openbare lichamen gewezen, en
bevelen door hem uitgevaardigd, alsmede grossen van authentieke akten,
aldaar verleden, kunnen overal in Nederland worden ten uitvoer gelegd,
met inachtneming van de wettelijke bepalingen die van kracht zijn op de
plaats waar de tenuitvoerlegging plaatsvindt. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen dienaangaande en over de erkenning van vonnissen, bevelen
en authentieke akten van andere landen nadere regels worden gegeven.
Hoofdstuk 4. Algemeen overgangsrecht
Artikel 6
1. Indien de bevoegdheid van een
Nederlands-Antilliaans bestuursorgaan tot het nemen van beslissingen
in verband met de overgang van de eilandgebieden naar de status van
openbaar lichaam binnen het Nederlandse staatsbestel is overgegaan op
een Nederlands bestuursorgaan, worden beslissingen die op grond van
die bevoegdheid vóór het tijdstip van transitie zijn genomen,
gelijkgesteld met beslissingen die zijn genomen door het vanaf het
tijdstip van transitie bevoegde Nederlandse bestuursorgaan.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op besluiten, houdende vaststelling van een
eilandsverordening of eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen.
3. Meldingen en kennisgevingen aan
bestuursorganen, die vóór het tijdstip van transitie zijn gedaan ter
voldoening aan een Nederlands-Antilliaans wettelijk voorschrift,
worden, voor zover zodanige melding of kennisgeving ook is vereist op
grond van een ingevolge artikel 2, eerste lid, in de openbare lichamen
geldend wettelijk voorschrift, gelijkgesteld met een melding of
kennisgeving ter voldoening aan dat in de openbare lichamen geldende
voorschrift
4. Indien tot het nemen van een
beschikking vóór het tijdstip van transitie een
Nederlands-Antilliaans bestuursorgaan bevoegd is en vanaf dat tijdstip
een Nederlands bestuursorgaan, wordt
a. een aanvraag die vóór dat
tijdstip is ingediend, behandeld door het vanaf dat tijdstip
bevoegde bestuursorgaan;
b. de behandeling van een vóór
dat tijdstip bij het bestuursorgaan van het eilandgebied
onderscheidenlijk een ander bestuursorgaan van het land
Nederlandse Antillen gemaakt bezwaar of ingesteld beroep,
voortgezet door het vanaf dat tijdstip bevoegde bestuursorgaan.
5. Met ingang van het tijdstip van
transitie zijn de ambtenaren en werklieden die tot dat tijdstip in
dienst waren van de onderscheiden eilandgebieden van rechtswege
aangesteld als ambtenaar onderscheidenlijk werkman in dienst van de
onderscheiden openbare lichamen met een rechtspositie die
gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij het
eilandgebied.
Artikel 7
Onverminderd de artikelen 215 en 216 van
de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, worden
eilandsverordeningen en eilandsbesluiten, houdende algemene maatregelen,
die door de eilandsraad, onderscheidenlijk het bestuurscollege van een
eilandgebied zijn vastgesteld ten behoeve van een openbaar lichaam, met
ingang van het tijdstip van transitie aangemerkt als door de eilandsraad
onderscheidenlijk het bestuurscollege van het desbetreffende openbaar
lichaam vastgestelde eilandsverordeningen onderscheidenlijk
eilandsbesluiten, houdende algemene maatregelen.
Artikel 8
1. Indien een strafbaar feit vóór het
tijdstip van transitie is begaan, worden de strafbepalingen toegepast
die gelden op het tijdstip van transitie, tenzij de strafbepalingen
die golden op het tijdstip waarop het feit is begaan, voor de
verdachte gunstiger zijn.
2. Bepalingen over strafverzwaring,
ingeval van herhaling van strafbare feiten, worden toegepast ook
indien de vroegere veroordeling wegens een soortgelijk feit of de
vrijwillige betaling van de geldboete vóór het tijdstip van
transitie heeft plaatsgevonden.
Artikel 9
1. Indien voor het tijdstip van
transitie in een strafzaak een dagvaarding in eerste aanleg is
uitgebracht, wordt het strafprocesrecht toegepast dat gold op het
tijdstip van het uitbrengen van die dagvaarding.
2. Indien voor het tijdstip van
transitie strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en vóór het
tijdstip van transitie geen dagvaarding in eerste aanleg is
uitgebracht, wordt dit onderzoek geacht te hebben plaatsgevonden op
basis van het strafprocesrecht dat geldt op het tijdstip van
transitie.
Artikel 10
Op vragen van overgangsrecht waartoe, als
gevolg van invoering van deze wet en de Aanpassingswet openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de aanpassing van wetgeving van
Nederlands-Antilliaanse oorsprong op het terrein van het privaatrecht
aanleiding geeft, zijn de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek BES en
de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek BES, tweede gedeelte, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
1. Ten aanzien van rechten en
verplichtingen naar burgerlijk recht van de eilandgebieden treden de
openbare lichamen op het tijdstip van transitie voor de eilandgebieden
in de plaats.
2. Wettelijke procedures en
rechtsgedingen waarbij een eilandgebied betrokken was, worden met
ingang van het tijdstip van transitie voortgezet door of tegen het
desbetreffende openbaar lichaam, voor zover dat openbaar lichaam op
grond van het eerste lid in de plaats treedt voor dat eilandgebied.
Ten aanzien van de rechtsgedingen is de elfde afdeling van titel 2 van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 12
Op de dag voor het tijdstip van transitie
bestaande rechten, gebaseerd op wettelijke regelingen die op het
tijdstip van transitie hun rechtskracht verliezen, kunnen daarna geldend
worden gemaakt, indien de redelijkheid en billijkheid dit vorderen.
Artikel 13
Indien in regelingen als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, sprake is van een bevoegdheid tot het vaststellen
van een eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, komt deze
bevoegdheid toe aan de bestuurscolleges van de openbare lichamen.
Hoofdstuk 5. Toepassing noodbevoegdheden
buiten een noodtoestand in Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 14
De bepalingen die voorkomen op de bij de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden behorende lijst A zijn van
overeenkomstige toepassing in de openbare lichamen, voor zover deze
bepalingen niet reeds van toepassing zijn in de openbare lichamen, met
dien verstande dat telkens in die bepalingen wordt gelezen voor:
a. «burgemeester»: gezaghebber;
b. «Onze Commissaris van de
Koning», «Onze Commissaris in de provincie» en «Onze commissaris
in de provincie»: de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 15
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste
lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden,
kunnen, indien buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij
koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
bepalingen die voorkomen op de bij de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden behorende lijst A voor de openbare lichamen
gezamenlijk of ieder afzonderlijk in werking worden gesteld.
2. Indien een koninklijk besluit als
bedoeld in het eerste lid is vastgesteld, wordt onverwijld een
voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren
van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door de
Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge
het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking
gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die
ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking
gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Een koninklijk besluit als bedoeld
in het eerste, tweede en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen
wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de
bekendmaking. Het besluit wordt in ieder geval geplaatst in het
Staatsblad.
Artikel 16
Indien in een koninklijk besluit als
bedoeld inartikel 15 voor de openbare lichamen gezamenlijk of ieder
afzonderlijk één of meerdere bepalingen in werking worden gesteld,
kunnen hiermee samenhangende in een koninklijk besluit aan te wijzen
bepalingen bij dat besluit van overeenkomstige toepassing worden
verklaard in de openbare lichamen.
Artikel 17
Onze Minister wie het aangaat kan aan de
gezaghebber of de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba mandaat verlenen tot het uitoefenen in
de openbare lichamen van de bevoegdheden die zijn opgenomen in op grond
van artikel 15 in werking gestelde artikelen.
Hoofdstuk 6. Delegatiegrondslagen
§ 1. Minister voor Jeugd en Gezin
Artikel 18.1
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent jeugdzorg in de
openbare lichamen, met inbegrip van de toegang, het aanbod, de
bekostiging en een bijdrage in de kosten van de jeugdzorg.
2. De voordracht voor een krachtens het
eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan
door Onze Minister voor Jeugd en Gezin.
§ 2. Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit
Artikel 18.2.1
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld over het voorkomen en
bestrijden van een besmettelijke dierziekte.
2. De regels, bedoeld in het eerste
lid, kunnen betrekking hebben op:
a. het melden van een verdenking
van of een besmetting met een besmettelijke dierziekte;
b. een verplichting tot het laten
doen of het dulden van onderzoek;
c. een verplichting tot het
behandelen;
d. een verbod op het vervoeren en
verplaatsen;
e. een verplichting tot het doden
van dieren of het onschadelijk maken van producten van dierlijke
oorsprong, alsmede van andere producten en voorwerpen die dragers
van smetstof kunnen zijn.
Artikel 18.2.2
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld over het invoeren en
doorvoeren van dieren, producten van dierlijke oorsprong, alsmede van
andere producten en voorwerpen die dragers van smetstof kunnen zijn.
2. De regels, bedoeld in het eerste
lid, kunnen betrekking hebben op:
a. een verbod op het invoeren of
doorvoeren van de in het eerste lid bedoelde dieren, producten of
voorwerpen;
b. de eisen waaraan de in het
eerste lid bedoelde dieren, producten of voorwerpen aan moeten
voldoen;
c. de afkomst van de in het eerste
lid bedoelde dieren, producten of voorwerpen;
d. het aanmelden van het voornemen
en de toestemming om de in het eerste lid bedoelde dieren,
producten of voorwerpen in te voeren.
e. de documenten die de in het
eerste lid bedoelde dieren, producten of voorwerpen vergezellen of
worden overgelegd;
f. de omtrent de in het eerste lid
bedoelde dieren, producten of voorwerpen bij te houden en over te
leggen gegevens;
g. de bij de in het eerste lid
bedoelde dieren, producten of voorwerpen te verrichten onderzoeken
en controles of het plaatsen in tijdelijke afzondering.
Artikel 18.2.3
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld over de identificatie en
registratie van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen
diersoorten of diercategorieën.
2. De regels, bedoeld in het eerste
lid, kunnen betrekking hebben op:
a. de verplichting tot
identificatie;
b. de hoedanigheid van de
identificatiemiddelen;
c. de gegevens die in of op de
identificatiemiddelen worden vermeld of vastgelegd;
d. het moment van aanbrengen van
identificatiemiddelen;
e. de wijze waarop en het document
waarin gegevens met betrekking tot de identificatie van dieren
worden vastgelegd;
f. de plaats waar en wijze waarop
de dieren worden gehouden;
g. de wijze waarop wordt omgegaan
met ongemerkte dieren;
h. het heffen van een vergoeding
van kosten.
Artikel 18.2.4
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld over het doden van dieren en
de productie van vlees na het slachten van dieren.
2. De regels, bedoeld in het eerste
lid, kunnen betrekking hebben op:
a. het aanmelden van het voornemen
en de toestemming om dieren te slachten;
b. de wijze waarop dieren worden
geslacht;
c. de situaties waarin dieren
kunnen worden geslacht;
d. de plaats waar dieren worden
geslacht en verwerkt en de toegang tot deze plaats;
e. de inrichting, uitvoering en
vormgeving van ruimten waar dieren worden geslacht en verwerkt,
waaronder de aanwezige voorzieningen;
f. de personen die vlees bewerken,
of daarbij betrokken zijn;
g. voorwaarden waaronder vlees
geschikt is voor menselijke consumptie;
h. de keuring van dieren;
i. het merken van dieren;
j. de inbeslagname of vernietiging
van dode dieren of delen daarvan;
k. de opslag en het vervoer van
vlees;
l. het bewerken en verwerken van
vlees;
m. de verpakking en de verkoop van
vlees;
n. het bijhouden en overleggen van
gegevens.
Artikel 18.2.4a
Voor de toepassing van de artikelen
18.2.4b,18.2.4c, 18.2.4d en 18.2.4e wordt verstaan onder:
a. «directeur»: directeur van de
Plantenziektenkundige Dienst alsmede de ambtenaar die hem vervangt;
b. «schadelijke organismen»: voor
planten of plantaardige producten schadelijke organismen van
dierlijke of plantaardige aard, alsmede virussen, mycoplasma’s,
viroïden, rickettsia’s of andere ziekteverwekkers;
c. «planten»: levende planten en
levende delen van planten, met inbegrip van verse vruchten en zaden;
d. «plantaardige producten»:
voortbrengselen van plantaardige oorsprong die niet verwerkt zijn of
die slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, voor zover
het geen planten betreft;
e. «verhandelen»: verkopen, te koop
aanbieden of afleveren alsmede met het oog daarop voorhanden of in
voorraad hebben;
f. «invoeren»: brengen binnen de
eilandgebieden;
g. «uitvoeren»: brengen buiten de
eilandgebieden;
h. «telen»: brengen of houden van
planten in grond of in een ander cultuurmedium.
Artikel 18.2.4b
1. Ter voorkoming van het optreden en
van de verbreiding van schadelijke organismen, kan Onze Minister de
in- en uitvoer van schadelijke organismen, van planten of plantaardige
producten, van grond of andere cultuurmedia en van voor planten of
plantaardige producten gebruikt verpakkingsmateriaal verbieden of
regels stellen waaraan voor, bij of na de invoer, onderscheidenlijk
voor of bij de uitvoer moet worden voldaan.
2. De in het eerste lid bedoelde regels
kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de eisen waaraan de aldaar
genoemde zaken moeten voldoen;
b. het aanmelden van het voornemen
tot invoer, onderscheidenlijk uitvoer;
c. het te verrichten onderzoek;
d. het in tijdelijke afzondering
houden;
e. de plaats van bestemming en het
gebruiksdoel;
f. het vervoer naar de plaats waar
het onderzoek of de tijdelijke afzondering zal geschieden, naar de
plaats van bestemming, dan wel naar de plaats van weder uitvoer;
g. de reiniging en ontsmetting van
ruimten waarin ingevoerde zaken, genoemd in het eerste lid, zijn
opgeslagen geweest, van transportmiddelen waarmee die zaken zijn
vervoerd of verplaatst en van voorwerpen die bij de opslag, het
vervoer of de verplaatsing zijn gebruikt.
3. De directeur is bevoegd, ter
voorkoming van het optreden en van de verbreiding van schadelijke
organismen, de in- en uitvoer van een zending, geheel of ten dele
bestaande uit schadelijke organismen, planten, plantaardige producten,
grond of andere cultuurmedia, of uit voor planten of plantaardige
producten gebruikt verpakkingsmateriaal, te verbieden of voorschriften
te geven waaraan voor, bij of na de invoer, onderscheidenlijk voor of
bij de uitvoer van die zending moet worden voldaan.
4. Een ieder wie zulks aangaat is
verplicht planten, plantaardige producten, grond of andere
cultuurmedia en schadelijke organismen, die op grond van het krachtens
de voorgaande leden bepaalde niet hadden mogen worden ingevoerd,
overeenkomstig een hem door de directeur gegeven bevel binnen de
daarin gestelde termijn uit te voeren dan wel te behandelen of te
vernietigen en zo nodig daartoe op de in het bevel aangegeven wijze
naar een daarin bepaalde plaats te brengen.
Artikel 18.2.4c
1. Ter voorkoming van het optreden en
van de verbreiding van schadelijke organismen en ter bestrijding
daarvan kunnen door Onze Minister regels worden gesteld omtrent:
a. het telen, oogsten en rooien van
planten, het geven van een bepaalde bestemming aan planten of
plantaardige producten en het kenmerken, onder verzegeling
brengen, bewaren, voorhanden of in voorraad hebben, verhandelen,
verplaatsen, vervoeren, bewerken, behandelen en vernietigen of
anderszins onschadelijk maken van planten en plantaardige
producten, daarvoor gebruikt verpakkingsmateriaal, schadelijke
organismen, grond of andere cultuurmedia en resten daarvan en
afval van planten en plantaardige producten;
b. het reinigen en ontsmetten van
ruimten, installaties, transportmiddelen, werktuigen en
gereedschappen en het reinigen, ontsmetten of zo nodig vernietigen
van gebruikte materialen en andere voorwerpen;
c. het toepassen van
ontsmettingsmaatregelen door personen bij het betreden of verlaten
van ruimten of terreinen;
d. het treffen van voorzieningen in
of aan ruimten;
e. voor de teelt van planten te
gebruiken of gebruikt water;
f. het melden van verschijnselen
van aantasting van planten of plantaardige producten door
schadelijke organismen, of
g. andere onderwerpen, voor zover
de nakoming van internationale overeenkomsten of van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties zulks met zich meebrengt.
2. Indien een onmiddellijke voorziening
geboden is, is Onze Minister bevoegd om, voor een termijn van ten
hoogste vier maanden, ten aanzien van individuele gevallen
voorschriften te geven betreffende hetgeen in het eerste lid is
vermeld.
Artikel 18.2.4d
Onze Minister is bevoegd in gevallen
waarin de schade, welke het gevolg is van het toepassen van krachtens
artikel 18.3.4c gegeven voorschriften, onevenredig zwaar op een of meer
personen zou drukken, uit ’s Rijks schatkist een tegemoetkoming te
verlenen in de geleden schade.
Artikel 18.2.4e
Onze Minister kan, wanneer de toepassing
van18.2.4c tot onbillijkheden aanleiding zou geven door of vanwege de
directeur op ’s Rijks kosten bepaalde maatregelen tot wering en
bestrijding van schadelijke organismen doen nemen.
Artikel 18.2.5
1. De voordracht voor een krachtens de
artikelen 18.2.1 tot en met 18.2.4vast te stellen algemene maatregel
van bestuur wordt gedaan door Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit.
2. Voor de toepassing van de artikelen
in deze paragraaf wordt onder Onze Minister verstaan: Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Artikel 18.2.6
1. Onze Minister kan, voor zover het
belang van de gezondheid van de mens, dieren of planten, het belang
van het welzijn van dieren of het belang van het milieu zich daartegen
niet verzetten, van het bepaalde krachtens deze wet vrijstelling of
ontheffing verlenen.
2. Aan een vrijstelling en een
ontheffing kunnen voorschriften of voorwaarden worden verbonden. Zij
kunnen onder beperkingen worden verleend.
Artikel 18.2.7
1. Gedragingen in strijd met de
voorschriften, gesteld krachtens de artikelen 18.2.1,18.2.2 en 18.2.3,
zijn overtredingen.
2. Gedragingen in strijd met de
voorschriften, gesteld krachtens de artikelen 18.2.1,18.2.2 en 18.2.3,
worden gestraft met een hechtenis van ten hoogste een maand of een
geldboete van de tweede categorie.
Artikel 18.2.8
1. Gedragingen in strijd met de
voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.2.4 zijn misdrijven.
2. Gedragingen in strijd met de
voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.2.4, worden gestraft met
een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 18.2.9
1. Met het toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf zijn belast de bij
besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2. Onze Minister wijst ambtenaren aan
die zijn belast met onderzoek naar de aanwezigheid van besmettelijke
dierziekten.
3. Met de opsporing van de bij de
artikelen 18.2.7 en 18.2.8, strafbaar gestelde feiten zijn,
onverminderd artikel 184 Wetboek van Strafvordering BES, belast de
daartoe aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren.
4. Van een besluit als bedoeld in dit
artikel wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 18.2.10
1. Toezichthouders zijn, uitsluitend
voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze
noodzakelijk is, bevoegd:
a. alle inlichtingen te vragen;
b. inzage te verlangen van alle
boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan
afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
c. goederen aan opneming en
onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen en
daarvan monsters te nemen;
d. alle plaatsen met uitzondering
van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner
te betreden, eventueel vergezeld van door hen aangewezen personen;
e. vaartuigen, stilstaande
voertuigen en de lading daarvan te onderzoeken.
2. Zo nodig wordt de toegang tot een
plaats als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, verschaft met
behulp van de sterke arm.
3. Een ieder is verplicht aan de
toezichthouder alle medewerking te verlenen die op grond van het
tweede lid wordt gevorderd.
Artikel 18.2.10a
1. Onze Minister kan bepalen dat
vergoeding van kosten wordt geheven volgens een door Onze Minister
vastgesteld tarief voor in het kader van de haar opgedragen taak door
de bij of krachtens artikel 18.2.9 aangewezen ambtenaren gedane
onderzoekingen of verrichtingen.
2. Onze Minister kan regelen stellen
met betrekking tot het heffen en betalen van de vergoeding. Daarbij
kan worden bepaald dat de vergoeding wordt geheven door de instelling
die de onderzoekingen of verrichtingen uitvoert.
Artikel 18.2.11
De artikelen 12 tot en met 35 van de Wet
voorschriften bestrijdingsmiddelen BES zijn van overeenkomstige
toepassing.
§ 3. Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid
Artikel 18.3
1. Personen die rechtmatig woonachtig
zijn in de openbare lichamen en die niet kunnen voorzien in de
noodzakelijke kosten van het bestaan hebben onder bij algemene
maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid te stellen voorwaarden recht op onderstand
van overheidswege.
2. Het recht op onderstand bestaat
jegens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
3. De onderstand en de daaraan te
verbinden verplichtingen worden afgestemd op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, alsmede op het
betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
bestaan, rekening houdend met het niveau van de noodzakelijke kosten
van het bestaan ter plaatse.
4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het
derde lid.
5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid regels worden gesteld betreffende:
a. het door derden verstrekken van
gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dit artikel
en de krachtens het vierde lid gestelde regels;
b. het door Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan derden verstrekken van
gegevens waarover hij beschikt uit hoofde van de uitvoering van
dit artikel en de krachtens het vierde lid gestelde regels;
c. het verwerken van
persoonsgegevens bij de uitvoering van dit artikel en de krachtens
het vierde lid gestelde regels;
d. het van toepassing worden van
onderdelen van de Algemene wet bestuursrecht bij de uitvoering van
dit artikel en de krachtens het vierde lid gestelde regels.
6. Een besluit van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot terugvordering van kosten van
onderstand levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.
7. Terugvordering van kosten van
onderstand door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is
bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in
artikel 288 van het Burgerlijk Wetboek BES.
8. De eilandbesturen van de openbare
lichamen kunnen Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
voorstellen doen betreffende het beleid met betrekking tot de
uitvoering van dit artikel.
9. Het ontwerp van een krachtens het
eerste, vierde of vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van
bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan
worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken,
tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten
minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der
kamers de wens te kennen worden gegeven dat het onderwerp van de
algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval
wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk
ingediend.
§ 4. Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport
Artikel 18.4.1
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld op grond waarvan bij die maatregel
aan te wijzen personen op de openbare lichamen tegen een daarbij te
bepalen premie van rechtswege verzekerd zijn tegen de behoefte aan bij
of krachtens die maatregel te bepalen zorg.
2. De voordracht voor een krachtens het
eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan
door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
3. Ter zake van de kosten verbonden aan
de geneeskundige verzorging als bedoeld in voornoemde algemene
maatregel van bestuur is de werkgever een premie verschuldigd.
4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden op voordracht van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport regels gesteld betreffende het
verwerken van gegevens over iemands gezondheid ten behoeve van de
verzekeringsadministratie en het heffen van premies.
5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de verrekening van
aanspraken krachtens dit artikel bij de vaststelling van
schadevergoeding, waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak
kan maken ter zake van een feit, dat aanleiding geeft tot het verlenen
van zorg, bedoeld in dit artikel.
6. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan bepaald worden dat Onze Minister recht heeft op
verhaal van kosten die zijn veroorzaakt door degene die in verband met
het in lid 5 bedoelde feit jegens de verzekerde naar burgerlijk recht
tot schadevergoeding is verplicht, overeenkomstig daarbij te stellen
regels.
Artikel 18.4.2
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. het vervaardigen, invoeren,
voorhanden hebben, afleveren en toepassen van medische
hulpmiddelen in de openbare lichamen;
b. het aanwijzen van diensten of
instellingen die in de openbare lichamen belast zijn met het
goedkeuren van medische hulpmiddelen.
2. De voordracht voor een krachtens het
eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan
door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 18.4.3
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het in rekening
brengen door zorgaanbieders van tarieven voor door die zorgaanbieders
geleverde zorg. Tot die regels kan onder meer behoren het verbod om
een tarief in rekening te brengen dat niet op een bij de maatregel
omschreven wijze is vastgesteld, alsmede het toezicht op de naleving
van de gestelde tariefsvoorschriften.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt verstaan onder:
a. zorg:
1°. zorg of dienst als
omschreven bij of krachtens het Besluit zorgverzekering BES;
2°. handelingen op het gebied
van de gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg,
voor zover uitgevoerd, al dan niet onder eigen
verantwoordelijkheid, door personen, ingeschreven in een
register als bedoeld in artikel 3 van die wet of door personen
als bedoeld in artikel 34 van die wet en voor zover die
handelingen niet zijn begrepen onder 1°;
b. zorgaanbieder:
1°. de natuurlijke persoon of
rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent;
2°. de natuurlijke persoon of
rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt
namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van
zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°.
3. De voordracht voor een krachtens het
eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan
door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 18.4.4
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de opleidingseisen die gelden
voor de uitoefening van beroepen in de individuele gezondheidszorg
in de openbare lichamen;
b. het aan de bedoelde beroepen
verbonden deskundigheidsgebied; en
c. de aan de bedoelde beroepen
verbonden bevoegdheden.
2. De voordracht voor een krachtens het
eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan
door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 18.4.5
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. het bevorderen van de sociale
samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten;
b. op preventie gerichte
ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van
ouders met problemen met opvoeden;
c. het geven van informatie, advies
en cliëntondersteuning;
d. het bevorderen van het
zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een
chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal
probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun
zelfstandig functioneren;
e. het bieden van maatschappelijke
opvang en vrouwenopvang en het voeren van beleid ter bestrijding
van geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het
slachtoffer is gepleegd;
f. het bevorderen van openbare
geestelijke gezondheidszorg met uitzondering van het bieden van
psychosociale hulp bij rampen.
2. Bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot een eigen bijdrage voor de verleende
ondersteuning, voor zover die bestaat uit het verlenen van een
individuele voorziening in natura of een persoonsgebonden budget.
3. De voordracht voor een krachtens het
eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan
door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 18.4.6
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld over de publieke
gezondheidszorg.
2. Onder publieke gezondheidszorg wordt
verstaan: de gezondheidsbeschermende en gezondheidsbevorderende
maatregelen voor de bevolking of specifieke groepen daaruit, waaronder
begrepen het voorkómen en het vroegtijdig opsporen van ziekten.
Artikel 18.4.7
Ter zake van de infectieziektebestrijding
kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden
gesteld over:
a. de bestuurlijke en operationele
organisatie van de bestrijding;
b. de melding van infectieziekten;
c. de maatregelen gericht op
gebouwen, goederen en vervoermiddelen, waaronder
ontsmettingsmaatregelen, het sluiten van gebouwen of terreinen en
het verbieden tot het gebruik maken of betreden van vervoermiddelen;
d. het opleggen van een verbod om
beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden te verrichten;
e. de maatregelen met betrekking tot
toelating tot of de onttrekking aan het vrije verkeer van personen
en goederen in havens en luchthavens;
f. het onderwerpen van personen aan
de maatregelen van isolatie en quarantaine;
Artikel 18.4.8
De voordracht voor een krachtens de
artikelen 18.4.6 en 18.4.7 vast te stellen algemene maatregel van
bestuur wordt gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport.
Artikel 18.4.9
1. Gedragingen in strijd met de
voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.4.7, onder b, worden
bestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete
van de tweede categorie.
2. Gedragingen in strijd met de
voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.4.7, onder c en d, worden
bestraft met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de derde categorie.
3. Gedragingen in strijd met de
voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.4.7, onder b, c en d, zijn
overtredingen.
Artikel 18.4.10
1. Gedragingen in strijd met de
voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.4.7, onder e en f, worden
bestraft met een gevangenisstraf van vier jaar of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Gedragingen in strijd met de
voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.4.7, onder e en f, zijn
misdrijven.
Artikel 18.4.11
De afdelingen 5.3 en 5.4 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18.4.12
1. Met het toezicht op de naleving van
de krachtens de artikelen 18.4.6 en 18.4.7gestelde regels zijn belast
de ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid.
2. Artikel 16.3.10 en de artikelen 155
tot en met 163 van het Wetboek van Strafvordering BES zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 18.4.13
Bij regeling van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt een rechtspersoon aangewezen die
tot taak heeft laboratoriumonderzoeken te verrichten op het terrein van
volksgezondheid en justitie en worden regels gesteld over welke
instanties met een publiekrechtelijke taak een beroep op deze
rechtspersoon kunnen doen.
Artikel 18.4.14
Het ontwerp van een krachtens de
artikelen 18.4.1, eerste lid, 18.4.3, eerste lid, 18.4.5, eerste lid, of
18.4.6, eerste lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt
aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De voordracht voor
de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan
nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die
termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van
het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen
worden gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur
bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend
voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 19
1. Debijlage kan worden gewijzigd bij
regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede
aangaat, die in werking treedt op dezelfde dag waarop deze wet in
werking treedt, met dien verstande dat toevoeging aan of verwijdering
uit de bijlage van regelingen die de status van wet of algemene
maatregel van bestuur verkrijgen of zouden verkrijgen slechts
geschiedt, indien het ontbreken of vóórkomen van die regelingen in
de bijlage zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen.
2. Bij de ministeriële regeling,
bedoeld in het eerste lid, worden de doorlopende teksten vastgesteld
van de regelingen die worden toegevoegd aan de bijlage.
Artikel 20
1. Regelingen als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, die de status van wet hebben verkregen, kunnen tot een
jaar na het tijdstip van transitie bij regeling van Onze Minister wie
het aangaat worden gewijzigd voor zover dit noodzakelijk is voor de
toepassing van die regelingen of ter voorkoming van onaanvaardbare
gevolgen.
2. Regelingen als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, die de status van algemene maatregel van bestuur hebben
verkregen, kunnen tot een jaar na het tijdstip van transitie bij
regeling van Onze Minister wie het aangaat worden gewijzigd voor zover
dit noodzakelijk is voor de toepassing van die regelingen of ter
voorkoming van onaanvaardbare gevolgen.
3. Wijzigingen van regelingen die
ingevolge artikel 19 uit de bijlage zijn verwijderd, vervallen op het
tijdstip van transitie van rechtswege.
4. Bij regeling van Onze Minister wie
het aangaat kunnen wetten tot een jaar na het tijdstip van transitie
worden gewijzigd voor zover dit noodzakelijk is in verband met de
verwijdering uit of toevoeging aan debijlage van regelingen op grond
van artikel 19 of in verband met wijziging van regelingen op grond van
het eerste lid.
5. Bij regeling van Onze Minister wie
het aangaat kunnen algemene maatregelen van bestuur tot een jaar na
het tijdstip van transitie worden gewijzigd voor zover dit
noodzakelijk is in verband met de verwijdering uit of toevoeging aan
de bijlage van regelingen op grond van artikel 19 of in verband met
wijziging van regelingen op grond van het tweede lid.
Artikel 21
1. Na de inwerkingtreding van een
krachtens artikel 19 of artikel 20, eerste of vierde lid, vastgestelde
ministeriële regeling wordt zo spoedig mogelijk een voorstel van wet
tot goedkeuring van de ministeriële regeling bij de Staten-Generaal
ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de
Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen,
wordt de wijziging van de bijlageonderscheidenlijk van de betreffende
regeling onverwijld bij ministeriële regeling ongedaan gemaakt.
2. Na de inwerkingtreding van een
krachtens artikel 20, tweede of vijfde lid, vastgestelde ministeriële
regeling wordt zo spoedig mogelijk een algemene maatregel van bestuur
tot goedkeuring van de ministeriële regeling vastgesteld. Indien een
zodanige algemene maatregel van bestuur niet wordt vastgesteld, wordt
de wijziging van de betreffende regeling onverwijld bij ministeriële
regeling ongedaan gemaakt.
Artikel 22
1. Bij regeling van Onze Minister wie
het aangaat kunnen tot een jaar na het tijdstip van transitie met het
oog op een goede invoering van de inartikel 2, eerste lid, bedoelde
regelingen, die de status van wet of algemene maatregel van bestuur
hebben verkregen, of ter voorkoming van onaanvaardbare gevolgen
voorzieningen worden getroffen, waarbij zo nodig kan worden afgeweken
van de desbetreffende wet of algemene maatregel van bestuur.
2. Indien een voorziening die bij
ministeriële regeling is getroffen een structurele afwijking van de
wet betreft, wordt zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel ingediend dat
ertoe strekt de wet zodanig te wijzigen dat de voorziening bij
ministeriële regeling niet langer noodzakelijk is. Indien een
voorziening die bij ministeriële regeling is getroffen een
structurele afwijking van een algemene maatregel van bestuur betreft,
wordt zo spoedig mogelijk een ontwerpbesluit in procedure gebracht die
ertoe strekt de algemene maatregel van bestuur zodanig te wijzigen dat
de voorziening bij ministeriële regeling niet langer noodzakelijk is.
Artikel 22a
1. Dit artikel is van toepassing indien
het tijdstip van transitie niet valt op 1 januari van enig
kalenderjaar.
2. Bij regeling van Onze Minister wie
het aangaat kunnen aanvullende regels van overgangsrechtelijke aard
worden gesteld die uitsluitend zien op de periode van het tijdstip van
transitie tot 1 januari van het daarop volgende kalenderjaar.
3. De regels, bedoeld in het tweede
lid, kunnen inhouden:
a. dat een Nederlands-Antilliaanse
regeling die niet op de bijlage is vermeld als wet, algemene
maatregel van bestuur of ministeriële regeling op de openbare
lichamen van toepassing wordt verklaard;
b. wijzigingen van een onder a.
bedoelde regeling met het oog op de goede werking van deze
regeling binnen het Nederlandse staatsbestel;
c. afwijkingen van een regeling die
op de bijlage staat vermeld met het oog op de goede werking van
deze regeling binnen het Nederlandse staatsbestel.
4. Bij de ministeriële regeling,
bedoeld in het tweede lid, kan zo nodig worden afgeweken van de wet of
algemene maatregel van bestuur.
5. Indien op grond van het derde lid,
onder a, bij ministeriële regeling een Nederlands-Antilliaanse
regeling als wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële
regeling van toepassing wordt verklaard, wordt de doorlopende tekst
van die Nederlands-Antilliaanse regeling als bijlage aan deze
ministeriële regeling gevoegd.
Artikel 23
De artikelen van deze wet treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan en voor de verschillende
in de bijlage genoemde regelingen verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 24
1. De teksten van de in de bijlage
genoemde regelingen, zoals deze op het tijdstip van transitie bij wet
of algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd, worden in het
Staatsblad geplaatst voor zover zij de status hebben van wet
onderscheidenlijk algemene maatregel van bestuur.
2. De teksten van de in de bijlage
genoemde regelingen, zoals deze op het tijdstip van transitie worden
gewijzigd, worden in de Staatscourant geplaatst voor zover zij de
status hebben van ministeriële regeling.
Artikel 25
Deze wet wordt aangehaald als:
Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
17 mei 2010
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten
Uitgegeven de eerste september
2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage
niet opgenomen
|