|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 15 april 2010, houdende regeling van de uitvoering van de
wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen door de Pensioen- en
Uitkeringsraad en de Sociale verzekeringsbank (Wet uitvoering wetten
voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de continuïteit en de kwaliteit van de dienstverlening aan
verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen te waarborgen en daartoe nieuwe
regels te treffen voor de uitvoering van de wetten voor
verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. Raad: de Pensioen- en
Uitkeringsraad, bedoeld in artikel 3;
c. Sociale verzekeringsbank: de
Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
d. Cliëntenraad: de Cliëntenraad
verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, genoemd in artikel 10;
e. wetten voor verzetsdeelnemers en
oorlogsgetroffenen: de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, de Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, de Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet, de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945.
Artikel 2
1. De artikelen 18 tot en met 20, 22,
26 tot en met 30 en 33 tot en met 35 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen zijn van toepassing op de uitvoering door de Sociale
verzekeringsbank van de wetten voor verzetsdeelnemers en
oorlogsgetroffenen.
2. De bevoegdheden, bedoeld in de
artikelen 20 en 22, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen,
worden door Onze Minister toegepast in overeenstemming met Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
3. In afwijking van artikel 36, tweede
lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,
wordt het toezicht op de uitvoering door de Sociale verzekeringsbank
van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uitgeoefend
door Onze Minister.
4. Artikel 84 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is ten aanzien van de
uitvoering van deze wet door de Sociale verzekeringsbank niet van
toepassing.
Artikel 3
1. Er is een Raad, die is belast met de
taken, genoemd in artikel 4.
2. De Raad is gevestigd op een door
Onze Minister te bepalen plaats.
3. De Raad bezit rechtspersoonlijkheid.
4. De Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen is van toepassing op de Raad.
Artikel 4
De Raad heeft tot taak:
a. het geven van beschikkingen op een
aanvraag voor een erkenning, buitengewoon pensioen, garantietoeslag,
uitkering, periodieke uitkering, garantie-uitkering, vergoeding,
tegemoetkoming of herziening als bedoeld in de wetten voor
verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, afkomstig van een persoon
die nog geen financiële aanspraak ontleent of heeft ontleend aan de
wet waarop hij zijn aanvraag baseert;
b. het ambtshalve herzien van de
erkenning als verzetsdeelnemer, vervolgde of
burger-oorlogsslachtoffer;
c. het vaststellen van beleidsregels
voor beschikkingen van de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in
artikel 6, onderdelen a en b, en
d. het adviseren van de Sociale
verzekeringsbank over beschikkingen waarbij niet op basis van de
beleidsregels, bedoeld in onderdeel c, kan worden besloten.
Artikel 5
1. De Raad bestaat uit minimaal drie en
maximaal negen leden, onder wie een voorzitter.
2. De benoeming van de leden van de
Raad geschiedt gehoord hebbende de organisaties en instellingen welke
regelmatig zijn betrokken bij de uitvoering van de wetten voor
verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen.
3. De leden van de Raad worden benoemd
voor een periode van vier jaren.
4. De Raad wordt zodanig samengesteld
dat daarin de categorieën belanghebbenden waarop de werkzaamheden van
de Raad betrekking hebben op een evenwichtige wijze zijn
vertegenwoordigd.
5. Het lidmaatschap van de Raad is
onverenigbaar met het hebben van een financiële aanspraak op basis
van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen.
6. De Raad stelt regels betreffende de
uitvoering van zijn taken, genoemd in artikel 4.
7. De voorzitter vertegenwoordigt de
Raad in en buiten rechte.
Artikel 6
De Sociale verzekeringsbank heeft tot
taak:
a. het geven van de beschikkingen op
basis van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen die
niet op grond van artikel 4 aan de Raad zijn opgedragen;
b. het geven van beschikkingen op
aanvragen voor een vergoeding in de kosten van een behandeling, als
bedoeld in artikel 2 van de Tijdelijke vergoedingsregeling
psychotherapie na-oorlogse generatie;
c. de voorbereiding en de uitvoering
van de beschikkingen, bedoeld in artikel 4, onderdelen a en b, en
d. de ondersteuning van de Raad bij
zijn werkzaamheden.
Artikel 7
1. De beschikkingen, bedoeld in artikel
6, onderdelen a en b, worden gegeven met in achtneming van de
beleidsregels, bedoeld in artikel 4, onderdeel c.
2. De Sociale verzekeringsbank vraagt
de Raad om advies indien deze niet kan voldoen aan de verplichting,
genoemd in het eerste lid, omdat:
a. er geen beleidsregel is, of
b. toepassing van de beleidsregel
voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens
bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de
met de beleidsregel te dienen doelen.
3. Indien de Sociale verzekeringsbank
een beschikking geeft die afwijkt van het advies, genoemd in het
tweede lid, wordt dit advies met het besluit meegestuurd. Van het
besluit wordt mededeling gedaan aan Onze Minister en aan de Raad.
Artikel 8
1. De Raad en de Sociale
verzekeringsbank overleggen ten minste een maal per kwartaal over de
afstemming van de hen op grond van deze wet toegekende taken.
2. De Raad en de Sociale
verzekeringsbank stellen gezamenlijk Onze Minister onverwijld op de
hoogte van het resultaat van dit overleg.
Artikel 9
1. De kosten van de buitengewone
pensioenen, garantietoeslagen, uitkeringen, periodieke uitkeringen,
garantie-uitkeringen, vergoedingen en tegemoetkomingen, die worden
verstrekt op grond van de wetten voor verzetsdeelnemers en
oorlogsgetroffenen, komen ten laste van het Rijk.
2. De kosten, gemoeid met de uitvoering
van deze wet, komen ten laste van ’s Rijks kas, overeenkomstig bij
ministeriële regeling te stellen regels.
Artikel 10
1. Er is een Cliëntenraad, die met de
Raad en de Sociale verzekeringsbank overlegt en hun gevraagd en
ongevraagd schriftelijk adviseert over de uitvoering van de wetten
voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, voorzover dit relevant
is vanuit het oogpunt van cliëntenbelangen, met uitzondering van
individuele zaken.
2. De Cliëntenraad bestaat uit
personen of vertegenwoordigers van personen die als cliënt betrokken
zijn bij de uitvoering van de taken, genoemd in de artikelen 4 en 6.
3. De Cliëntenraad bestaat uit
minimaal zeven en maximaal vijftien leden, onder wie een voorzitter,
die door de Sociale verzekeringsbank worden benoemd, geschorst en
ontslagen. De benoeming van de leden van de eerste Cliëntenraad na
inwerkingtreding van deze wet, geschiedt op voordracht van de Raad. De
daaropvolgende benoemingen geschieden op voordracht van de zittende
leden van de Cliëntenraad.
4. De leden van de Cliëntenraad worden
benoemd voor een periode van drie jaren.
5. De Raad en de Sociale
verzekeringsbank verstrekken de Cliëntenraad tijdig, spontaan en op
verzoek, alle informatie die hij redelijkerwijs nodig heeft voor de
uitoefening van zijn taak, tenzij enig wettelijk voorschrift deze
verstrekking in de weg staat.
6. De Sociale verzekeringsbank voert
het secretariaat van de Cliëntenraad en benoemt een van zijn
medewerkers tot ambtelijk secretaris.
7. De Cliëntenraad stelt in ieder
geval regels betreffende:
a. de frequentie van zijn
bijeenkomsten;
b. de wijze waarop door de leden
onderwerpen voor de agenda van zijn bijeenkomsten kunnen worden
aangedragen, en
c. de openbaarheid van zijn
bijeenkomsten.
8. De leden van de Cliëntenraad hebben
recht op een reiskostenvergoeding tot een door de Sociale
verzekeringsbank te bepalen maximum.
Artikel 11
1. Aan de voorzitter en de leden van
het bestuur, bedoeld in artikel 5 van de Wet op de Pensioen- en
Uitkeringsraad, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van
deze wet ontslag verleend.
2. Aan de voorzitters, de leden en de
plaatsvervangende leden van de Kamers, bedoeld in artikel 11 van de
Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, wordt met ingang van de datum
van inwerkingtreding van deze wet ontslag verleend.
Artikel 12
1. Op het tijdstip van inwerkingtreding
van deze wet zijn de personeelsleden van de Raad, bedoeld in artikel
2, eerste lid, van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, van wie
naam en functie zijn vermeld op een door deze Raad in overleg met de
Sociale verzekeringsbank vastgestelde lijst, van rechtswege ontslagen
en in dienst genomen door de Sociale verzekeringsbank krachtens een
arbeidsovereenkomst.
2. De overgang van de in het eerste lid
bedoelde personeelsleden vindt plaats met een rechtspositie die als
geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold
bij de Raad, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de
Pensioen- en Uitkeringsraad.
Artikel 13
Op het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet worden de archiefbescheiden van de Raad, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, overgedragen
aan de Sociale verzekeringsbank, met uitzondering van de bescheiden die
betrekking hebben op de personeelsleden van deze Raad die niet in dienst
zijn genomen door de Sociale verzekeringsbank.
Artikel 14
1. Onze Minister bepaalt in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën welke
vermogensbestanddelen van de Raad, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, worden toebedeeld aan de
Sociale verzekeringsbank.
2. De in het eerste lid bedoelde
vermogensbestanddelen gaan met ingang van de datum van
inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op de Sociale
verzekeringsbank tegen een door Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister van Financiën te bepalen waarde.
3. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld ten aanzien van de besteding van de
vermogensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 15
[Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen
1940–1945]
Artikel 16
[Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers]
Artikel 17
[Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen
Indisch verzet]
Artikel 18
[Wijzigt de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945]
Artikel 19
[Wijzigt de Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945]
Artikel 20
De Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad
wordt ingetrokken.
Artikel 21
Onze Minister zendt in overeenstemming
met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid binnen drie jaar
na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar,
aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 22
1. De publiekrechtelijke rechten en
verplichtingen van de Raad, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de
Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, ten aanzien van gerechtigden
die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een financiële
aanspraak ontlenen aan de wetten voor verzetsdeelnemers en
oorlogsgetroffenen of aan de Tijdelijke vergoedingsregeling
psychotherapie na-oorlogse generatie, gaan over op de Sociale
verzekeringsbank.
2. Een tot de Raad, bedoeld in artikel
2, eerste lid, van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, gerichte
aanvraag op basis van de wetten voor verzetsdeelnemers en
oorlogsgetroffenen van een gerechtigde die op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet geen financiële aanspraak ontleent aan
de wet waarop hij deze aanvraag baseert en waarop ten tijde van de
inwerkingtreding van deze wet nog niet is beslist, wordt beschouwd als
te zijn gericht tot de Raad, bedoeld in artikel 3.
3. Een tot de Raad, bedoeld in artikel
2, eerste lid, van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, gerichte
aanvraag op basis van de wetten voor verzetsdeelnemers en
oorlogsgetroffenen van een gerechtigde die op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet een financiële aanspraak ontleent aan
de wet waarop hij deze aanvraag baseert, of op basis van de Tijdelijke
vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie, waarop ten
tijde van de inwerkingtreding van deze wet nog niet is beslist, wordt
beschouwd als te zijn gericht tot de Sociale verzekeringsbank.
Artikel 23
Deze wet treedt in werking met ingang van
1 januari 2011.
Artikel 24
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
15 april 2010
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
A. Klink
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
De Staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten
Uitgegeven de twintigste mei 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|