| |
|
|
|
|
vorige
WET
HOUDENDE REGELING VAN DE TOEWIJZING
VAN EEN EXTRA ZETEL VOOR NEDERLAND
IN HET EUROPEES PARLEMENT
Tekst zoals deze geldt op
12 januari 2012
Wet vervalt m.i.v. 1 september 2014
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 24 juni 2010, houdende regeling van de toewijzing van een
extra zetel voor Nederland in het Europees Parlement
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de
Europese Raad heeft bepaald dat aan Nederland tijdens de huidige
zittingsperiode van het Europees Parlement een extra zetel in het
Europees Parlement wordt toegewezen en dat voor deze toewijzing een
eenmalige wettelijke voorziening noodzakelijk is;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van het
Europees Parlement stelt in aanvulling op de vaststelling van de
uitslag van de verkiezing van de leden van het Europees Parlement op 4
juni 2009 vast aan welke lijst de extra zetel voor Nederland in het
Europees Parlement toevalt. Deze vaststelling omvat mede de
benoemdverklaring van een kandidaat op deze zetel. De artikelen P 20,
P 22, eerste en tweede lid, P 23 en P 24 van de Kieswet zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de openbare zitting
van het centraal stembureau binnen twee weken na de inwerkingtreding
van deze wet plaatsvindt.
2. De extra zetel valt toe aan de lijst die, na toewijzing van de
laatst toegewezen restzetel bij de vaststelling van de uitslag van de
verkiezing van de leden van het Europees Parlement op 4 juni 2009, bij
voortgezette toepassing van de artikelen P 7, P 10 tot en met P 19a en
Y 23a van de Kieswet als eerste in aanmerking komt voor de toewijzing
van een restzetel, uitgaande van de kiesdeler die op basis van de
uitslag van de verkiezing van de leden van het Europees Parlement op 4
juni 2009 is vastgesteld.
3. Tot lid van het Europees Parlement wordt benoemd verklaard de
daarvoor in aanmerking komende kandidaat die in de volgorde, bedoeld
in artikel P 19 van de Kieswet, het hoogst is geplaatst op de lijst,
bedoeld in het tweede lid. Artikel W 2 van de Kieswet is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat alleen die
verklaringen als bedoeld in artikel W 2, eerste lid, onder f, van de
Kieswet in aanmerking worden genomen, die door de voorzitter van het
centraal stembureau zijn ontvangen voor of binnen een week na de
inwerkingtreding van deze wet.
4. Voor de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt het model
gebruikt dat in de bijlage bij deze wet is opgenomen.
5. Artikel 8:4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht is
mede van toepassing op de vaststelling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2
De artikelen Y 25 en Y 26 van de Kieswet zijn van toepassing, met
dien verstande dat:
a. de benoeming, bedoeld in artikel 1, bij de toepassing van de
artikelen V 1 en V 3 tot en met V 10 van de Kieswet wordt aangemerkt
als een benoeming in een opengevallen plaats als bedoeld in artikel
W 1 van de Kieswet; en
b. bij het onderzoek van de geloofsbrieven, bedoeld in artikel V
4 van de Kieswet, de vaststelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
kan worden betrokken.
Artikel 3
In afwijking van artikel Y 5 van de Kieswet vangt het lidmaatschap
van het op grond van artikel 1 benoemde lid van het Europees Parlement
aan met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen datum en
eindigt het lidmaatschap op het tijdstip waarop de zittingsperiode
eindigt van de leden van het Europees Parlement die op 4 juni 2009 zijn
gekozen.
Artikel 4 [Vervalt per 01-09-2014]
1. De voorzitter van het centraal stembureau voor de verkiezing van
de leden van het Europees Parlement wijst de kandidaat die op grond
van artikel 1 in aanmerking komt voor benoeming tot lid van het
Europees Parlement aan als waarnemer in de zin van artikel 11, vierde
lid, van het Reglement van het Europees Parlement. Artikel 8:4,
onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht is mede van toepassing
op deze aanwijzing.
2. Hoofdstuk W van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing op
de opvolging van de ingevolge het eerste lid aangewezen waarnemer.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
betreffende het waarnemerschap.
Artikel 5
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Deze wet vervalt met ingang van 1 september 2014.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges, en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 24 juni 2010
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten
Uitgegeven de vijftiende juli 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage niet opgenomen
|
|
|