|
Nadere regelgeving:
- Besluit
werkwijze onderzoek gelijke behandeling
WET van 24 november 2011, houdende de oprichting van het College voor
de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is om met het oog op de bescherming van de rechten van de
mens, waaronder het recht op gelijke behandeling, en het bevorderen van
de naleving daarvan in Nederland en mede ter uitvoering van Resolutie A/RES/48/134
van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 20 december 1993
inzake nationale instituten voor de bevordering en bescherming van de
rechten van de mens, Aanbeveling R (97) 14 van het Comité van ministers
van de Raad van Europa van 30 september 1997 inzake de oprichting van
onafhankelijke nationale mensenrechteninstituten, Richtlijn nr.
2000/43/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 2000 houdende
toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen
ongeacht ras of etnische afstamming (PbEG L 180), Richtlijn nr.
2004/113/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 december 2004
houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PbEU
L 373) en Richtlijn nr. 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het
beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen
in arbeid en beroep (herschikking) (PbEU L 204), een nationaal
mensenrechteninstituut op te richten, dat tevens is belast met de
bescherming van het recht op gelijke behandeling en dat het mede in
verband met artikel 79 van de Grondwet noodzakelijk is daartoe
wettelijke bepalingen vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Instelling, taak en bevoegdheden
Artikel 1
1. Er is een College voor de rechten van de mens, hierna te noemen:
het College.
2. Het College is het nationaal instituut voor de rechten van de
mens, bedoeld in Resolutie A/RES/48/134 van de Algemene Vergadering
van de Verenigde Naties van 20 december 1993 inzake nationale
instituten voor de bevordering en bescherming van de rechten van de
mens en in aanbeveling R (97) 14 van het Comité van ministers van de
Raad van Europa van 30 september 1997 inzake de oprichting van
onafhankelijke nationale mensenrechteninstituten.
3. Het College heeft tot doel in Nederland de rechten van de mens,
waaronder het recht op gelijke behandeling, te beschermen, het
bewustzijn van deze rechten te vergroten en de naleving van deze
rechten te bevorderen.
Artikel 2
Deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 2, is mede van toepassing in
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met dien verstande
dat artikel 3, onderdeel a, wordt gelezen als volgt:
a. het doen van onderzoek naar de bescherming van de rechten van
de mens;.
Artikel 3
De taak van het College is:
a. het doen van onderzoek naar de bescherming van de rechten van
de mens, waaronder het onderzoeken of een onderscheid is of wordt
gemaakt en het geven van een oordeel daarover, bedoeld in artikel
10;
b. het rapporteren en het doen van aanbevelingen over de
bescherming van de rechten van de mens, waaronder het jaarlijks
rapporteren over de mensenrechtensituatie in Nederland;
c. het geven van advies, bedoeld in artikel 5;
d. het geven van voorlichting en het stimuleren en coördineren
van onderwijs over de rechten van de mens;
e. het stimuleren van onderzoek naar de bescherming van de
rechten van de mens;
f. het structureel samenwerken met maatschappelijke organisaties
en met nationale, Europese en andere internationale instellingen die
zich de bescherming aantrekken van een of meer rechten van de mens,
onder meer door het organiseren van activiteiten in samenwerking met
maatschappelijke organisaties;
g. het aansporen tot de ratificatie, implementatie en naleving
van verdragen over de rechten van de mens en het aansporen tot de
opheffing van voorbehouden bij zulke verdragen;
h. het aansporen tot de implementatie en naleving van bindende
besluiten van volkenrechtelijke organisaties over de rechten van de
mens;
i. het aansporen tot de naleving van Europese of internationale
aanbevelingen over de rechten van de mens.
Artikel 4
Het College vervult zijn taak in onafhankelijkheid.
Artikel 5
1. Het College adviseert op schriftelijk verzoek van Onze Minister
wie het aangaat of van een van beide kamers der Staten-Generaal over
wetten, voorstellen van wet, algemene maatregelen van bestuur,
ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, ministeriële
regelingen en ontwerpen van ministeriële regelingen die direct of
indirect betrekking hebben op de rechten van de mens.
2. Het College kan uit eigen beweging Onze Minister wie het aangaat
of een van beide kamers der Staten-Generaal adviseren over wetten,
voorstellen van wet, algemene maatregelen van bestuur, ontwerpen van
algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen en
ontwerpen van ministeriële regelingen die direct of indirect
betrekking hebben op de rechten van de mens.
3. Het College kan op schriftelijk verzoek of uit eigen beweging
een bestuursorgaan wie het aangaat of een van beide kamers der
Staten-Generaal adviseren over ontwerpen van bindende besluiten van
Europese en andere internationale instellingen die direct of indirect
betrekking hebben op de rechten van de mens en over beleid dat direct
of indirect betrekking heeft op de rechten van de mens.
4. Het College kan op schriftelijk verzoek of uit eigen beweging
een bestuursorgaan wie het aangaat adviseren over andere algemeen
verbindende voorschriften dan bedoeld in het eerste lid die direct of
indirect betrekking hebben op de rechten van de mens, en ontwerpen
daarvan.
Artikel 6
1. Het College en daartoe door het College aangewezen personen
kunnen alle inlichtingen en bescheiden vorderen die voor de vervulling
van de taak van het College redelijkerwijs nodig zijn.
2. Een ieder is verplicht de ingevolge het eerste lid gevorderde
inlichtingen en bescheiden volledig en naar waarheid te verstrekken,
een en ander op de wijze en binnen de termijn door of namens het
College vast te stellen.
3. Het tweede lid geldt niet voor zover het inlichtingen en
bescheiden betreft waarvan het verstrekken in strijd is met het belang
van de nationale veiligheid, dan wel een schending van een ambts- of
beroepsgeheim met zich brengt. Voorts geldt deze verplichting niet,
indien een persoon daardoor of zichzelf of een van zijn bloed- of
aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of de
derde graad of zijn echtgenoot of eerdere echtgenoot dan wel
geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner aan het
gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf
zou blootstellen.
Artikel 7
1. Het College kan een onderzoek ter plaatse instellen. Het heeft
toegang tot elke plaats, met uitzondering van een woning zonder
toestemming van de bewoner, voor zover dat redelijkerwijze voor de
vervulling van zijn taak nodig is.
2. Het eerste lid geldt niet voor plaatsen die als verboden plaats
zijn aangewezen ingevolge de Wet bescherming staatsgeheimen.
Artikel 8
1. De onderzoeken, rapporten en aanbevelingen, bedoeld in artikel
3, onderdelen a en b, en de adviezen, bedoeld in artikel 5, worden
door het College openbaar gemaakt.
2. Onze Minister wie het aangaat stelt het College in de
gelegenheid de onderzoeken, rapporten, aanbevelingen en adviezen met
hem te bespreken.
Hoofdstuk 2. Onderzoek en oordeel gelijke behandeling
Artikel 9
Binnen het College is een afdeling belast met de uitvoering van de in
dit hoofdstuk bedoelde taak.
Artikel 10
1. Het College kan op schriftelijk verzoek onderzoeken of een
onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke
behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen of
artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, en zijn oordeel
daaromtrent kenbaar maken. Voorts kan het College uit eigen beweging
onderzoeken of zodanig onderscheid stelselmatig wordt gemaakt en zijn
oordeel daarover kenbaar maken.
2. Een schriftelijk verzoek als bedoeld in het eerste lid kan
worden ingediend door:
a. degene die meent dat te zijnen nadele een onderscheid is of
wordt gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling,
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
b. de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of het bevoegd
gezag, die wensen te weten of zij een onderscheid maken als
bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek;
c. degene die belast is met de beslissing over een geschil met
betrekking tot onderscheid als bedoeld in de Algemene wet gelijke
behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen of
artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
d. een ondernemingsraad, die meent dat in de onderneming
waarvoor deze is ingesteld, onderscheidenlijk een met die
ondernemingsraad vergelijkbaar medezeggenschapsorgaan, dat meent
dat in het organisatorisch samenwerkingsverband waarvoor het is
ingesteld, onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in de Algemene
wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen en in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
e. een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of stichting,
die in overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van
diegenen in wier bescherming de Algemene wet gelijke behandeling,
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek beoogt te voorzien.
3. In het geval een schriftelijk verzoek als bedoeld in het tweede
lid, onderdelen d en e, personen noemt ten nadele van wie zou zijn
gehandeld, dan wel indien een onderzoek ingesteld uit eigen beweging,
betrekking heeft op zodanige personen, stelt het College deze personen
op de hoogte van het voornemen tot onderzoek. Het College is niet
bevoegd in het onderzoek en de beoordeling personen als bedoeld in de
eerste volzin te betrekken die schriftelijk hebben verklaard daartegen
bedenkingen te hebben.
Artikel 11
1. Het College stelt een onderzoek in en brengt zijn oordeel
schriftelijk en met redenen omkleed ter kennis van de verzoeker, van
degene die het onderscheid zou maken, alsmede, in voorkomend geval,
van degene, jegens wie het onderscheid zou worden gemaakt.
2. Het College kan bij het ter kennis brengen van zijn oordeel aan
degene die het onderscheid zou maken, aanbevelingen doen.
3. Het College kan zijn oordeel ter kennis brengen van Onze
Ministers wie het aangaat, van naar zijn mening in aanmerking komende
organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het beroepsleven of
van overheidspersoneel, van eindgebruikers van goederen of diensten en
van betrokken overlegorganen.
Artikel 12
1. Het College stelt geen onderzoek in of beëindigt het onderzoek,
indien:
a. het in artikel 10, tweede lid, bedoelde verzoek kennelijk
ongegrond is;
b. het belang van de verzoeker of het gewicht van de gedraging
kennelijk onvoldoende is;
c. sinds het inartikel 10 bedoelde onderscheid een zodanige
termijn is verstreken dat in redelijkheid geen onderzoek meer kan
plaatsvinden.
2. Indien zich gevallen als bedoeld in het eerste lid voordoen,
doet het College daarover aan verzoeker schriftelijk en met redenen
omkleed mededeling.
Artikel 13
1. Het College kan in rechte vorderen dat een gedraging die in
strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek onrechtmatig wordt verklaard, dat deze wordt
verboden of dat een bevel wordt gegeven om de gevolgen van die
gedraging ongedaan te maken.
2. Een gedraging kan niet ten grondslag worden gelegd aan een
vordering als bedoeld in het eerste lid, voor zover degene die door
deze gedraging wordt getroffen, daartegen bedenkingen heeft.
Hoofdstuk 3. Samenstelling en werkwijze
Artikel 14
1. Het College bestaat uit minimaal negen en maximaal twaalf leden,
onder wie een voorzitter en twee ondervoorzitters. Voorts kunnen
plaatsvervangende leden worden benoemd.
2. De voorzitter en een van beide ondervoorzitters voldoen aan de
vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, gesteld bij
of krachtens artikel 5, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Bij de benoeming van de
voorzitter van het College kan in bijzondere gevallen van het bepaalde
in de eerste volzin worden afgeweken.
3. Het College wordt vertegenwoordigd door de voorzitter of, bij
afwezigheid, door een ondervoorzitter.
Artikel 15
1. Er is een raad van advies. De raad adviseert het College elk
jaar over het voorgenomen beleidsplan van het College en adviseert
Onze Minister van Veiligheid en Justitie over de benoeming van de
leden en de plaatsvervangende leden van het College.
2. De raad bestaat uit de Nationale ombudsman, de voorzitter van
het College bescherming persoonsgegevens, de voorzitter van de Raad
voor de rechtspraak en uit minimaal vier en maximaal acht leden
afkomstig van maatschappelijke organisaties die zich de bescherming
aantrekken van een of meer rechten van de mens, van werkgevers- en
werknemersorganisaties en uit de kringen van de wetenschap.
3. De leden van de raad, met uitzondering van de Nationale
ombudsman, de voorzitter van het College bescherming persoonsgegevens
en de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, worden benoemd,
geschorst en ontslagen door Onze Minister van Veiligheid en Justitie
in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, gehoord het College, de Nationale ombudsman, de
voorzitter van het College bescherming persoonsgegevens en de
voorzitter van de Raad voor de rechtspraak. Deze leden worden benoemd
voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan eenmaal voor ten hoogste
vier jaar plaatsvinden.
4. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter. De raad bepaalt
zijn eigen werkwijze.
5. Artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van
overeenkomstige toepassing op de leden van de raad.
Artikel 16
1. De leden en de plaatsvervangende leden van het College worden
benoemd bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van
Veiligheid en Justitie.
2. Ten behoeve van de voordracht adviseert de raad in
overeenstemming met het College Onze Minister van Veiligheid en
Justitie, rekening houdend met de noodzaak van een deskundig en
onafhankelijk College, alsmede met het streven naar een divers
samengesteld College.
3. Een vacature voor een lid of plaatsvervangend lid en de te
volgen selectieprocedure worden door het College openbaar gemaakt. Het
College en de raad brengen de vacature tevens onder de aandacht van
maatschappelijke organisaties die zich de bescherming aantrekken van
een of meer rechten van de mens.
Artikel 17
1. De artikelen 46c, 46d, tweede lid, 46f, 46g, 46h, eerste en
tweede lid, 46i, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c,
46j, 46l, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46m, 46n,
46o en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn van
overeenkomstige toepassing op de leden en plaatsvervangende leden van
het College, met dien verstande dat:
a. de disciplinaire maatregel, bedoeld in artikel 46c, eerste
lid, ten aanzien van de voorzitter van het College door de
president van het gerechtshof Den Haag en ten aanzien van de
overige leden en plaatsvervangende leden door de voorzitter van
het College wordt opgelegd;
b. het in artikel 46c, eerste lid, onderdeel b, genoemde verbod
zich in een onderhoud of een gesprek in te laten met partijen of
haar advocaten of gemachtigden of een bijzondere inlichting of
schriftelijk stuk van hen aan te nemen niet op de leden en de
plaatsvervangende leden van het College van toepassing is;
c. in de artikelen 46j en 46o, tweede lid, onder functionele
autoriteit wordt verstaan: de voorzitter van het College.
2. De benoeming van de leden en van de plaatsvervangende leden
geschiedt voor een tijdvak van ten hoogste zes jaar. Herbenoeming is
terstond mogelijk.
3. Onverminderd artikel 9 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen komen voor benoeming als lid of plaatsvervangend lid,
ambtenaren die werken onder de verantwoordelijkheid van een Onzer
Ministers niet in aanmerking.
4. Artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van
overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende leden van het
College.
5. Onverminderd artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen worden bij algemene maatregel van bestuur
nadere regels gesteld over de rechtspositie van de leden, waaronder in
elk geval regels betreffende hun beëdiging, vakantie, verlof,
bedrijfsgeneeskundige begeleiding en voorzieningen bij ziekte en
arbeidsongeschiktheid, en kunnen nadere regels worden gesteld over de
rechtspositie van de plaatsvervangende leden.
Artikel 17a
De artikelen 13a tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke
organisatie zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
gedragingen van de leden en plaatsvervangende leden van het College, met
dien verstande dat:
a. voor de overeenkomstige toepassing van die artikelen onder
«het betrokken gerechtsbestuur» wordt verstaan: de voorzitter van
het College;
b. voor de overeenkomstige toepassing van artikel 13b, eerste
lid, onderdelen b en c, onder «overeenkomstig artikel 26 of 75 een
klacht» wordt verstaan: een klacht.
Artikel 18
1. Aan het College staat ter ondersteuning van zijn taak een bureau
ten dienste.
2. De tot het bureau behorende ambtenaren worden door het College
aangesteld, bevorderd, disciplinair gestraft, geschorst en ontslagen.
3. Ten aanzien van de tot het bureau behorende ambtenaren worden de
in de Ambtenarenwet aan het bevoegd gezag toegekende bevoegdheden
uitgeoefend door het College.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele
bevoegdheden door het College ten aanzien van de tot het bureau
behorende ambtenaren.
Artikel 19
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
omtrent de werkwijze van de afdeling, bedoeld in artikel 9, waaronder in
elk geval regels betreffende:
a. de wijze van behandeling;
b. hoor en wederhoor;
c. de openbaarheid van zittingen.
Artikel 20
1. De artikelen 12 en 21 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen zijn niet van toepassing.
2. In afwijking van artikel 20 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen is het College niet verplicht Onze Ministers van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Veiligheid en
Justitie inlichtingen te verstrekken of inzage te geven in zakelijke
gegevens en bescheiden, met betrekking tot de inhoud en de aanpak van
lopende onderzoeken van het College als bedoeld in artikel 3,
onderdeel a, en artikel 10.
3. In afwijking van artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen kunnen Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en van Veiligheid en Justitie een besluit van het
College dat betrekking heeft op het onderzoek of het oordeel, bedoeld
in artikel 10, niet vernietigen.
Hoofdstuk 4. Verslag en rapport
Artikel 21
1. Onverminderd artikel 18 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen bevat het jaarverslag een samenvatting van:
a. de onderzoeken die het College in het voorafgaande jaar
heeft gedaan;
b. de adviezen die het College in het voorafgaande jaar heeft
gegeven;
c. de overige activiteiten die het College heeft ondernomen ter
uitvoering van zijn taak.
2. Het jaarverslag wordt openbaar gemaakt. Het College zendt dit
verslag tevens aan de Nationale ombudsman, het College bescherming
persoonsgegevens, maatschappelijke organisaties die zich de
bescherming aantrekken van een of meer rechten van de mens en andere
adviesorganen die het aangaat.
Artikel 22
Het College stelt elke vijf jaar een rapport op van zijn bevindingen
ten aanzien van de werking in de praktijk van deze wet, de Algemene wet
gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en
artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Het College zendt dit
rapport aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel 23
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt zo
spoedig mogelijk na ontvangst van het in artikel 22 bedoelde rapport aan
de Staten-Generaal een verslag over de werking in de praktijk van deze
wet, de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen en artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Hoofdstuk 5. Wijziging van deze wet en andere wetten
Artikel 23a [Vervallen per 01-10-2012]
Artikel 24
[Wijzigt de Algemene wet gelijke behandeling]
Artikel 24a
a. [Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie]
b. [Wijzigt deze wet]
Artikel 24b
1. [Wijzigt deze wet]
2. [Wijzigt de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie]
Artikel 25
[Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek]
Artikel 26
[Wijzigt de Ambtenarenwet]
Artikel 27
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7]
Artikel 28
[Wijzigt de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de
arbeid]
Artikel 29
[Wijzigt de Uitvoeringswet EU-richtlijn 1999/70/EG (raamovereenkomst
door het EVV, de UNICE en het CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor
bepaalde tijd)]
Artikel 30
[Wijzigt de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of
chronische ziekte]
Artikel 31
[Wijzigt de Wet medezeggenschap onderwijs 1992]
Artikel 32
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel 33
[Wijzigt de Wet Nationale ombudsman]
Artikel 34
[Wijzigt de Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek en Ambtenarenwet ivm
verbod tot maken van onderscheid tussen werknemers naar arbeidsduur]
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 35
1. In afwijking van artikel 16 worden de benoemingen van de leden
en de plaatsvervangende leden van de Commissie gelijke behandeling,
onder wie de voorzitter en twee ondervoorzitters, van rechtswege
gewijzigd in een benoeming tot leden en plaatsvervangende leden van
het College voor de rechten van de mens. Artikel 17, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing. De datum van benoeming in het latere ambt
wordt gelijkgesteld met de datum van benoeming in het eerdere ambt.
2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde leden en
plaatsvervangende leden vindt plaats met dezelfde rechtspositie als
die welke voor elk van hen gold bij de Commissie gelijke behandeling.
Artikel 36
1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1 van deze wet
behoren de personen die tot het bureau van de Commissie gelijke
behandeling behoren, bedoeld in artikel 17 van de Algemene wet gelijke
behandeling, tot het bureau van het College voor de rechten van de
mens.
2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde personen vindt
plaats met dezelfde rechtspositie als die welke voor elk van hen gold
bij de Commissie gelijke behandeling.
Artikel 37
Onderzoeken op schriftelijk verzoek als bedoeld in artikel 12, eerste
lid, van de Algemene wet gelijke behandeling, die nog niet zijn voltooid
op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1 van deze wet worden
voortgezet door het College voor de rechten van de mens.
Artikel 38
De administratie en het archief van de Commissie gelijke behandeling
worden van rechtswege overgedragen aan het College voor de rechten van
de mens.
Artikel 39
1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Voor zover de artikelen 15 en 16 eerder in werking treden dan
artikel 1, neemt de Commissie gelijke behandeling voor de toepassing
van de artikelen 15, derde lid, en 16, tweede en derde lid, de plaats
in van het College tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel
1.
Artikel 40
Deze wet wordt aangehaald als: Wet College voor de rechten van de
mens.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 24 november 2011
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.P.H. Donner
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten
Uitgegeven de zesde december 2011
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten
|