| |
|
|
|
|
vorige
WET
WEDERZIJDSE BIJSTAND IN DE EUROPESE
UNIE BIJ DE INVORDERING VAN
BELASTINGSCHULDEN EN ENKELE ANDERE
SCHULDVORDERINGEN 2012
Tekst zoals deze geldt op
12 januari 2012
|
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 8 december 2011 tot wederzijdse bijstand in de Europese Unie
bij de invordering van belastingschulden en enkele andere
schuldvorderingen 2012
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van de op 16 maart
2010 door de Raad van de Europese Unie vastgestelde Richtlijn 2010/24/EU
betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van
schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere
maatregelen (PbEU 2010, L 84);
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van
de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Deze wet strekt tot uitvoering van de op 16 maart 2010 door de
Raad van de Europese Unie vastgestelde Richtlijn 2010/24/EU
betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van
schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere
maatregelen (PbEU 2010, L 84) en geeft regels over de door Nederland
te verlenen en te vragen bijstand bij de invordering van de in het
tweede lid bedoelde schuldvorderingen die in een andere lidstaat
onderscheidenlijk in Nederland ontstaan.
2. Deze wet is van toepassing op schuldvorderingen die voortvloeien
uit:
a. alle vormen van belastingen en rechten, geheven door of ten
behoeve van een lidstaat of zijn territoriale of staatkundige
onderdelen, lokale overheden daaronder begrepen, dan wel ten
behoeve van de Europese Unie;
b. restituties, interventies en andere maatregelen die deel
uitmaken van het stelsel van volledige of gedeeltelijke
financiering door het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het
Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), met
inbegrip van in het kader van deze maatregelen te innen bedragen;
c. heffingen en andere rechten uit hoofde van de
gemeenschappelijke marktordening voor suiker;
d. bestuursrechtelijke sancties, boetes, heffingen en toeslagen
die verband houden met de schuldvorderingen waarvoor om
wederzijdse bijstand kan worden verzocht overeenkomstig de
voorgaande onderdelen, en:
1°. die zijn opgelegd door de administraties die bevoegd
zijn om de desbetreffende belastingen of rechten te heffen dan
wel om administratieve onderzoeken daarnaar te verrichten, of
2°. die op verzoek van de in onderdeel 1° genoemde
administraties zijn bevestigd door administratieve of
gerechtelijke instanties;
e. heffingen voor in het kader van administratieve procedures
in verband met belastingen en rechten afgegeven verklaringen en
soortgelijke documenten;
f. interesten en kosten die zijn verbonden aan de
schuldvorderingen waarvoor om wederzijdse bijstand kan worden
verzocht op overeenkomstig de voorgaande onderdelen.
3. Deze wet is niet van toepassing op:
a. verplichte socialezekerheidsbijdragen, te betalen aan een
lidstaat, een onderdeel van die lidstaat of een publiekrechtelijke
socialezekerheidsinstelling;
b. heffingen die niet genoemd worden in het tweede lid;
c. contractueel verschuldigde bedragen, zoals betalingen voor
openbare nutsvoorzieningen;
d. strafrechtelijke sancties die zijn opgelegd op grond van een
strafvordering en andere niet onder het tweede lid, onderdeel d,
vallende strafrechtelijke sancties.
Artikel 2
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
b. richtlijn:richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010
betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van
schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en
andere maatregelen (PbEU L 84);
c. bevoegde autoriteit: de door een lidstaat als zodanig
aangewezen autoriteit;
d. verzoekende autoriteit: een centraal verbindingsbureau, een
verbindingsbureau of een verbindingsdienst van een lidstaat die een
verzoek om bijstand indient ter zake van een schuldvordering als
bedoeld in artikel 1, tweede lid;
e. aangezochte autoriteit: een centraal verbindingsbureau, een
verbindingsbureau of een verbindingsdienst van een lidstaat waaraan
een verzoek om bijstand wordt gericht ter zake van een
schuldvordering als bedoeld in artikel 1, tweede lid;
f. centraal verbindingsbureau: een door een bevoegde autoriteit
van een lidstaat aangewezen bureau dat primair verantwoordelijk is
voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de onder
de richtlijn vallende wederzijdse bijstand;
g. verbindingsbureau: een door een bevoegde autoriteit van een
lidstaat aangewezen bureau dat verantwoordelijk is voor de contacten
met andere lidstaten ten behoeve van de wederzijdse bijstand
betreffende een of meer specifieke vormen of categorieën van de in
artikel 1 bedoelde belastingen en rechten;
h. verbindingsdienst: een door een bevoegde autoriteit van een
lidstaat aangewezen dienst die op grond van de richtlijn verzoekt om
wederzijdse bijstand of die deze verleent in verband met zijn
specifieke territoriale of functionele bevoegdheid;
i. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
j.
1°. een natuurlijk persoon;
2°. een rechtspersoon;
3°. indien de geldende wetgeving in een lidstaat in die
mogelijkheid voorziet, een vereniging van personen die bevoegd
is rechtshandelingen te verrichten, maar niet de wettelijke
status van rechtspersoon bezit, of
4°. een andere juridische constructie, ongeacht de aard of
vorm ervan, met of zonder rechtspersoonlijkheid, die activa
bezit of beheert die, met inbegrip van de daardoor gegenereerde
inkomsten, aan een onder deze wet vallende belasting zijn
onderworpen;
k. langs elektronische weg: door middel van elektronische
apparatuur voor gegevensverwerking, met inbegrip van digitale
compressie, en gegevensopslag, met gebruikmaking van draden, radio,
optische of andere elektronisch magnetische middelen;
l. CCN-netwerk: het op het gemeenschappelijke communicatienetwerk
(common communications network – CCN) gebaseerde
gemeenschappelijke platform dat de Europese Unie ontwikkeld heeft
voor het elektronische berichtenverkeer tussen autoriteiten die
bevoegd zijn op het gebied van douane en belastingen.
Artikel 3
Onze Minister wordt voor Nederland aangewezen als bevoegde autoriteit
en centraal verbindingsbureau. Onze Minister is tevens verantwoordelijk
voor de contacten met de Europese Commissie. Voor Nederland worden geen
verbindingsbureau en verbindingsdienst aangewezen.
Hoofdstuk 2. Bijstand door Nederland te verlenen
§ 2.1. Verzoek om inlichtingen
Artikel 4
Op verzoek van de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat
verstrekt Onze Minister, met inachtneming van de artikelen 5 tot en met
7, alle inlichtingen die normaliter voor die verzoekende autoriteit van
belang zijn ten behoeve van de invordering van haar schuldvorderingen
als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
Artikel 5
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek
om inlichtingen te verlenen gevolg.
Artikel 6
1. Indien een verzoek om inlichtingen voor inwilliging vatbaar is,
wordt hieraan uitvoering gegeven door Onze Minister. Met het oog op
die inlichtingenverstrekking laat Onze Minister alle administratieve
onderzoeken verrichten die noodzakelijk zijn om deze inlichtingen te
verkrijgen.
2. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
verleent desgevraagd zijn medewerking aan de uitvoering van een
verzoek om inlichtingen.
3. De colleges van gedeputeerde staten, de colleges van
burgemeester en wethouders en de dagelijkse besturen van waterschappen
verlenen desgevraagd hun medewerking aan de uitvoering van een verzoek
om inlichtingen.
4. De uitvoering van een verzoek om inlichtingen geschiedt met
overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften en
procedures die van toepassing zijn bij het verzamelen van gegevens ten
behoeve van de invordering van een in Nederland ontstane
schuldvordering van soortgelijke aard als die waarop het verzoek om
inlichtingen betrekking heeft.
Artikel 7
1. Onze Minister is niet gehouden inlichtingen te verstrekken
wanneer:
a. deze niet zouden kunnen worden verkregen voor de invordering
van in Nederland ontstane soortgelijke schuldvorderingen;
b. daarmee een commercieel, een industrieel of een
beroepsgeheim zou worden onthuld;
c. mededeling daarvan een aantasting zou kunnen vormen van de
veiligheid of in strijd zou kunnen zijn met de openbare orde van
Nederland.
2. In geen geval wordt het tweede lid uitgelegd in die zin dat Onze
Minister mag weigeren inlichtingen te verstrekken, louter omdat de
inlichtingen bij een bank, een andere financiële instelling of een
als vertegenwoordiger, agent of trustee optredende persoon berusten,
of omdat de inlichtingen betrekking hebben op eigendomsbelangen in een
persoon.
3. Onze Minister brengt de verzoekende autoriteit op de hoogte van
de beweegredenen die zich verzetten tegen het voldoen aan een verzoek
om inlichtingen.
§ 2.2. Verzoek om betekening van stukken
Artikel 8
Op verzoek van de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat
worden alle stukken, gerechtelijke en buitengerechtelijke akten en
beslissingen met betrekking tot schuldvorderingen als bedoeld in artikel
1, tweede lid, of de invordering daarvan, die uitgaan van de verzoekende
lidstaat, in Nederland betekend aan de geadresseerde met inachtneming
van deartikelen 9 tot en met 11.
Artikel 9
Het verzoek, bedoeld in artikel 8, gaat vergezeld van een toelichting
op de betekening (uniform notificatieformulier). Dit formulier wordt bij
de betekening uitgereikt aan de betrokken persoon.
Artikel 10
1. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het
verzoek tot betekening te verlenen gevolg.
2. Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit onverwijld in
kennis van het gevolg dat in Nederland aan het verzoek tot betekening
is gegeven.
Artikel 11
1. Indien het verzoek tot betekening voor inwilliging vatbaar is,
draagt Onze Minister zorg voor de betekening van de akte of beslissing
waarop het verzoek betrekking heeft met overeenkomstige toepassing van
de wettelijke voorschriften en procedures betreffende het betekenen
van een overeenkomstige Nederlandse akte of beslissing.
2. Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit onverwijld in
kennis van de datum waarop het document aan de geadresseerde is
betekend.
§ 2.3. Verzoek om invordering
Artikel 12
Op verzoek van de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat
worden schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, waarvoor
een titel voor het nemen van executiemaatregelen in de verzoekende
lidstaat (oorspronkelijke titel) bestaat, in Nederland ingevorderd met
inachtneming van de artikelen 13 tot en met 20.
Artikel 13
1. Het verzoek tot invordering gaat vergezeld van een uniforme
titel voor het nemen van invorderingsmaatregelen als bedoeld in
artikel 12 van de richtlijn (uniforme titel).
2. Het verzoek kan vergezeld gaan van andere, in de verzoekende
lidstaat afgegeven documenten die betrekking hebben op de
schuldvordering.
3. De uniforme titel, bedoeld in het eerste lid, wordt hier te
lande rechtstreeks erkend en behandeld als executoriale titel van een
Nederlandse schuldvordering.
Artikel 14
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek
tot invordering te verlenen gevolg.
Artikel 15
1. Indien Onze Minister besluit gevolg te geven aan het verzoek tot
invordering dat betrekking heeft op een schuldvordering als bedoeld in
artikel 1, tweede lid, draagt hij een door hem aan te wijzen ontvanger
op tot invordering van de schuldvordering over te gaan.
2. Ter zake van de invordering van de schuldvordering, bedoeld in
het eerste lid, is de Invorderingswet 1990 van overeenkomstige
toepassing, met uitzondering van de artikelen 7, 20, 21, 22, derde
lid, 22a, 23, 23a, 25, derde tot en met eenentwintigste lid, 26 en 32
tot en met 57 van die wet. De invordering van de schuldvordering
geschiedt, met inachtneming van de eerste volzin, met overeenkomstige
toepassing van de wettelijke voorschriften en procedures die gelden
voor de invordering van een soortgelijke Nederlandse schuldvordering
of, bij het ontbreken van een vergelijkbare Nederlandse
schuldvordering, met overeenkomstige toepassing van de wettelijke
voorschriften en procedures die gelden voor de invordering van de
inkomstenbelasting.
3. Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit met bekwame spoed
in kennis van het gevolg dat aan het verzoek tot invordering is
gegeven.
Artikel 16
Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit in kennis van ieder
besluit omtrent uitstel van betaling of de betaling in termijnen.
Artikel 17
1. Ter zake van een verzoek tot invordering is rente verschuldigd
overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V van de Invorderingswet
1990.
2. Voor de berekening van de verschuldigde rente wordt als
vervaldag aangemerkt de datum waarop het verzoek is ontvangen.
Artikel 18
De invordering geschiedt in euro’s.
Artikel 19
1. Aan het verzoek tot invordering hoeft niet te worden voldaan:
a. in gevallen waarin deze bijstand, wegens de situatie van de
schuldenaar, ernstige moeilijkheden van economische of sociale
aard in Nederland zou opleveren;
b. indien het totaalbedrag van de schuldvorderingen waarvoor om
bijstand bij invordering wordt verzocht lager is dan€ 1500.
2. Onze Minister brengt de verzoekende autoriteit op de hoogte van
de beweegredenen die zich verzetten tegen het voldoen aan een verzoek
tot invordering.
Artikel 20
1. Indien een beslissing van de in artikel 29, eerste lid, bedoelde
bevoegde instantie leidt tot aanpassing van het verzoek en van de
uniforme titel vindt verdere afhandeling van de
invorderingsmaatregelen plaats op basis van deze aangepaste uniforme
titel.
2. De invorderingsmaatregelen die al zijn genomen op grond van de
eerder afgegeven uniforme titel, kunnen op grond van de aangepaste
uniforme titel worden voortgezet, tenzij het verzoek is gewijzigd
wegens ongeldigheid van de oorspronkelijke titel in de verzoekende
lidstaat of van de eerder afgegeven uniforme titel.
3. De artikelen 13 en 29 zijn van toepassing op de aangepaste
uniforme titel.
§ 2.4. Verzoek om conservatoire maatregelen
Artikel 21
1. Op verzoek van de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat
worden ter waarborging van de invordering van schuldvorderingen als
bedoeld in artikel 1, tweede lid, in Nederland conservatoire
maatregelen genomen, met inachtneming van het tweede en derde lid en
de artikelen 22 en 23, indien:
a. in de verzoekende lidstaat nog geen oorspronkelijke titel
bestaat voor de schuldvordering; of
b. bij de indiening van het verzoek de schuldvordering of de
oorspronkelijke titel in de verzoekende lidstaat wordt betwist;
voor zover dergelijke maatregelen op grond van het nationale recht
en de bestuursrechtelijke bepalingen van de verzoekende lidstaat in
een soortgelijke situatie eveneens mogelijk zijn.
2. Indien in de verzoekende lidstaat met het oog op het nemen van
conservatoire maatregelen een document is opgesteld, wordt dit aan het
verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen gehecht. In
Nederland wordt geen erkenning, aanvulling of vervanging van het
betreffende document verlangd.
3. Het verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen kan
vergezeld gaan van andere, in de verzoekende lidstaat afgegeven
documenten die betrekking hebben op de schuldvordering.
Artikel 22
1. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het
verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen te verlenen
gevolg.
2. Indien Onze Minister besluit gevolg te geven aan het verzoek
draagt hij een door hem aan te wijzen ontvanger op rechterlijk verlof
te vragen tot aanwending van die middelen van bewaring van recht die
voor de waarborging van de invordering van een soortgelijke in
Nederland ontstane schuldvordering zijn toegelaten.
3. Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit met bekwame spoed
in kennis van het gevolg dat aan het verzoek om conservatoire
maatregelen is gegeven.
Artikel 23
Voor de toepassing van artikel 21 zijn deartikelen 15, tweede lid,
19, 20 en 29 van overeenkomstige toepassing.
§ 2.5. Regels die betrekking hebben op diverse soorten
bijstandsverzoeken
Artikel 24
1. Een verzoek om bijstand hoeft niet in behandeling te worden
genomen als het niet wordt gedaan door middel van het
standaardformulier dat voldoet aan de in of krachtens de richtlijn
gestelde voorwaarden. Een verzoek om bijstand hoeft eveneens niet in
behandeling te worden genomen indien het uniform notificatieformulier
en de uniforme titel niet voldoen aan de in of krachtens de richtlijn
gestelde voorwaarden.
2. De standaardformulieren, bedoeld in het eerste lid, het uniform
notificatieformulier en de uniforme titel worden verzonden langs
elektronische weg via het CCN-netwerk met inachtneming van de in of
krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden.
3. Indien Nederland toch uitvoering geeft aan een verzoek om
bijstand dat niet aan de voorwaarden van het eerste en het tweede lid
voldoet, doet dit geen afbreuk aan de geldigheid van de maatregelen
die zijn genomen om uitvoering te geven aan het verzoek dan wel de
verstrekte inlichtingen.
4. Een verzoek om bijstand, een uniform notificatieformulier en een
uniforme titel dienen vergezeld te gaan van een vertaling in het
Nederlands.
5. Het feit dat in het vierde lid bedoelde documenten geheel of ten
dele niet in het Nederlands, maar in een andere taal gesteld zijn doet
niets af aan de geldigheid noch aan de geldigheid van de procedure,
mits die taal is overeengekomen tussen Onze Minister en de bevoegde
autoriteit van de verzoekende lidstaat.
6. Indien een verzoek om bijstand vergezeld gaat van andere dan in
het vierde lid bedoelde documenten kan, indien noodzakelijk, Onze
Minister een vertaling in het Nederlands verlangen.
Artikel 25
1. Aan een verzoek om bijstand als bedoeld in dit hoofdstuk behoeft
niet te worden voldaan indien de betreffende schuldvordering waarop
dit verzoek betrekking heeft meer dan vijf jaar oud is, te rekenen
vanaf de datum waarop de schuldvordering in de verzoekende lidstaat
opeisbaar is geworden tot de datum van het initiële verzoek om
bijstand met betrekking tot die schuldvordering. In afwijking van de
eerste volzin vangt de daar bedoelde termijn aan:
a. bij betwisting van de schuldvordering of van de
oorspronkelijke titel in de verzoekende lidstaat op het tijdstip
waarop de schuldvordering of oorspronkelijke titel niet langer kan
worden betwist in de verzoekende lidstaat;
b. bij een verleend uitstel van betaling of bij betaling in
termijnen in de verzoekende lidstaat op het tijdstip waarop de
enige of laatste betalingstermijn is verstreken.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin,
onderdeel b, is Onze Minister niet gehouden tot het verlenen van
bijstand met betrekking tot schuldvorderingen die meer dan tien jaar
oud zijn, te rekenen vanaf de datum waarop de schuldvordering in de
verzoekende lidstaat opeisbaar is geworden.
3. Onze Minister stelt de bevoegde autoriteit van de verzoekende
lidstaat in kennis van iedere maatregel die de verjaringstermijn van
de schuldvordering waarvoor de invorderingsmaatregelen of
conservatoire maatregelen zijn gevraagd, stuit, schorst of verlengt of
die dat tot gevolg kan hebben.
Artikel 26
1. Onze Minister staat toe dat aan een bevoegde autoriteit van een
andere lidstaat verstrekte inlichtingen in die andere lidstaat voor
een ander doel gebruikt worden dan voor het nemen van
invorderingsmaatregelen, conservatoire maatregelen of voor de heffing
en invordering van verplichte socialezekerheidsbijdragen indien die
inlichtingen in Nederland voor soortgelijke doeleinden kunnen worden
gebruikt.
2. Onze Minister kan binnen tien werkdagen, te rekenen vanaf de
datum van ontvangst van de kennisgeving van een verzoekende autoriteit
van een andere lidstaat, zich verzetten tegen het voornemen van de
bevoegde autoriteit van die andere lidstaat om de ontvangen
inlichtingen aan een bevoegde autoriteit van een derde lidstaat te
verstrekken.
3. Toestemming voor het overeenkomstig het eerste lid gebruiken van
overeenkomstig het tweede lid doorgegeven inlichtingen kan alleen
worden verleend door Onze Minister.
Artikel 27
1. Onze Minister kan, na overleg met de bevoegde autoriteit van een
verzoekende lidstaat erin toestemmen dat door de verzoekende
autoriteit gemachtigde ambtenaren:
a. aanwezig zijn in de kantoren van de ambtenaren van de
rijksbelastingdienst, dan wel van andere ambtenaren die belast
zijn met de invordering van schuldvorderingen als bedoeld in
artikel 1, tweede lid;
b. aanwezig zijn bij onderzoeken die in Nederland worden
uitgevoerd;
c. bijstand verlenen aan de in onderdeel a genoemde ambtenaren
tijdens rechtszaken.
2. Bij het overleg worden de voorwaarden vastgesteld waaronder Onze
Minister de in het eerste lid bedoelde toestemming verleent.
3. In het overleg kan worden overeengekomen dat ambtenaren uit de
verzoekende lidstaat in Nederland personen kunnen ondervragen en
documenten kunnen onderzoeken.
4. Ambtenaren uit de verzoekende lidstaat die in Nederland aanwezig
zijn, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen
overleggen waaruit hun identiteit en bevoegdheid blijkt.
5. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in het eerste en derde
lid wordt ingesteld, is verplicht de door Onze Minister aangewezen
ontvanger alsmede de ambtenaar die ingevolge het eerste en derde lid
bij dit onderzoek aanwezig is, ten behoeve van dit onderzoek toegang
te verlenen.
Artikel 28
1. Ter zake van het verrichten van werkzaamheden voor de
invordering van schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede
lid, door de door Onze Minister aangewezen ontvanger en door een
deurwaarder op grond van de bepalingen van de Invorderingswet 1990 of
enige andere wettelijke bepaling worden aan degene die in gebreke is
gebleven het verschuldigde tijdig te betalen kosten in rekening
gebracht volgens de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
2. Tot het verrichten van werkzaamheden waartoe deurwaarders
bevoegd zijn, zijn ter zake van de uitvoering van de artikelen 11, 15
en 21 mede bevoegd de belastingdeurwaarders.
3. Met uitzondering van de kosten die op grond van een wettelijk
voorschrift in rekening kunnen worden gebracht aan degene die in
gebreke is gebleven de schuldvordering te voldoen, komen de kosten
voor de uitvoering van de verzoeken om wederzijdse bijstand ten laste
van de overheid die deze maakt.
4. Onze Minister en de verzoekende autoriteit kunnen per geval
specifieke afspraken maken over de modaliteiten van de vergoeding van
kosten wanneer de invordering tot een bijzonder probleem leidt, zeer
hoge kosten veroorzaakt of verband houdt met de georganiseerde
misdaad.
5. De verzoekende lidstaat blijft aansprakelijk ten opzichte van
Nederland voor de kosten en mogelijke verliezen die het gevolg zijn
van eisen die als niet gerechtvaardigd erkend zijn wat betreft de
gegrondheid van de schuldvordering of de geldigheid van de
oorspronkelijke titel.
6. Onder inhouding van de kosten, als bedoeld in het eerste lid,
worden de ingevorderde bedragen, inclusief de rente, overgemaakt aan
de verzoekende lidstaat.
Artikel 29
1. De bevoegde instantie van de verzoekende lidstaat beslist over
geschillen in verband met de schuldvordering, de oorspronkelijke
titel, de uniforme titel of de geldigheid van een betekening door een
bevoegde autoriteit in de verzoekende lidstaat. Indien een
belanghebbende in de loop van de invorderingsprocedure de
schuldvordering, de oorspronkelijke titel of de uniforme titel in
Nederland betwist, deelt Onze Minister hem mee dat hij een
rechtsgeding aanhangig moet maken bij de bevoegde instantie van de
verzoekende lidstaat overeenkomstig de in die lidstaat geldende
rechtsregels.
2. Zodra Onze Minister van de verzoekende autoriteit of van de
betrokken persoon informatie heeft ontvangen over een rechtsgeding dat
in de verzoekende lidstaat aanhangig is gemaakt, schorst hij de
invordering voor het betwiste gedeelte van de schuldvordering in
afwachting van een definitieve beslissing. Gedurende het aanhangig
zijn van het geding kunnen conservatoire maatregelen worden genomen.
3. Indien de rechtsregels in de verzoekende lidstaat dit toelaten,
kan de betwiste schuldvordering, of het betwiste deel daarvan, op
grond van een met redenen omkleed verzoek van de verzoekende
autoriteit toch worden ingevorderd. Indien de uitkomst van het
geschil, bedoeld in het tweede lid, voor de betrokken persoon gunstig
uitvalt, is de verzoekende autoriteit gehouden tot terugbetaling van
het ingevorderde bedrag, vermeerderd met vergoedingen volgens in
Nederland geldende rechtsregels.
4. Over geschillen in verband met genomen executiemaatregelen of de
geldigheid van een betekening door Onze Minister wordt in Nederland
beslist overeenkomstig de in Nederland geldende rechtsregels.
5. Indien door de bevoegde autoriteiten van de verzoekende lidstaat
of Onze Minister een procedure voor onderling overleg is ingeleid en
de uitkomst van deze procedure van invloed kan zijn op de vordering
waarvoor om bijstand is verzocht, worden de invorderingsmaatregelen
geschorst of gestaakt totdat de procedure voor onderling overleg is
geëindigd. De invorderingsmaatregelen worden niet geschorst of
gestaakt indien het gaat om een spoedeisende zaak vanwege fraude of
insolventie. Bij de schorsing of staking van de
invorderingsmaatregelen is het tweede lid, tweede volzin, van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3. Bijstand door Nederland te vragen
§ 3.1. Verzoek om inlichtingen
Artikel 30
1. Onze Minister doet een verzoek om inlichtingen aan de
aangezochte autoriteit van een andere lidstaat wanneer de gevraagde
inlichtingen van belang kunnen zijn voor de invordering van een
schuldvordering als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
2. Het verzoek wordt gedaan door middel van een standaardformulier
dat voldoet aan de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden.
3. Het standaardformulier wordt langs elektronische weg verzonden
via het CCN-netwerk met inachtneming van de in of krachtens de
richtlijn gestelde voorwaarden.
§ 3.2. Verzoek om betekening van stukken
Artikel 31
1. Onze Minister doet een verzoek om betekening aan de aangezochte
autoriteit van een andere lidstaat wanneer de betekening van belang
kan zijn voor de invordering van een schuldvordering als bedoeld in
artikel 1, tweede lid.
2. Het verzoek wordt gedaan door middel van een standaardformulier
en gaat vergezeld van een toelichting op de betekening (uniform
notificatieformulier), die beide voldoen aan de in of krachtens de
richtlijn gestelde voorwaarden.
3. Het uniform notificatieformulier wordt, tezamen met het verzoek,
langs elektronische weg verzonden via het CCN-netwerk, met
inachtneming van de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden.
Artikel 32
Onze Minister doet alleen een verzoek om betekening wanneer
betekening volgens de Nederlandse rechtsregels niet mogelijk is of
buitensporige problemen zou veroorzaken.
§ 3.3. Verzoek tot invordering
Artikel 33
1. Onze Minister doet een verzoek aan de aangezochte autoriteit van
een andere lidstaat voor de invordering van een schuldvordering als
bedoeld in artikel 1, tweede lid, mits het in te vorderen bedrag ten
minste€ 1 500 bedraagt.
2. Een verzoek tot invordering wordt gedaan door middel van een
standaardformulier en gaat vergezeld van een uniforme titel, die beide
voldoen aan de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden.
Voorts kan het verzoek vergezeld gaan van andere, in Nederland
afgegeven documenten die betrekking hebben op de schuldvordering.
3. De uniforme titel wordt tezamen met het verzoek langs
elektronische weg verzonden via het CCN-netwerk, met inachtneming van
de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden.
Artikel 34
Een verzoek tot invordering wordt slechts gedaan indien in Nederland
de ter beschikking staande passende invorderingsmaatregelen zijn
aangewend, tenzij:
a. het duidelijk is dat er in Nederland geen voor invordering
vatbare vermogensbestanddelen zijn of dat de invorderingsmaatregelen
niet tot een volledige betaling van de schuldvordering zullen leiden
en Onze Minister specifieke inlichtingen heeft die erop wijzen dat
de betrokken persoon vermogensbestanddelen in de aangezochte
lidstaat heeft;
b. de aanwending van die maatregelen in Nederland tot
onevenredige moeilijkheden zou leiden.
Artikel 35
1. Een verzoek tot invordering wordt alleen gedaan wanneer voor de
betrokken schuldvordering hier te lande een executoriale titel tot
stand is gekomen.
2. Een verzoek tot invordering wordt slechts gedaan wanneer de in
te vorderen schuldvordering niet wordt betwist en de hier te lande tot
stand gekomen executoriale titel niet wordt aangevochten, tenzij
artikel 47, derde lid, toepassing vindt.
3. Zodra Onze Minister kennis neemt van relevante inlichtingen over
de zaak die de aanleiding tot het verzoek tot invordering vormt, doet
hij deze aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat
toekomen.
Artikel 36
1. Onze Minister stelt de bevoegde autoriteit van de aangezochte
lidstaat onverwijld in kennis van een wijziging van het verzoek tot
invordering of van de intrekking van het verzoek, met opgave van de
redenen voor die wijziging of intrekking.
2. Indien een beslissing van de in artikel 47, eerste lid, bedoelde
bevoegde instantie leidt tot de aanpassing van de uniforme titel doet
Onze Minister de kennisgeving vergezeld gaan van deze aangepaste
uniforme titel.
3. De artikelen 33 en 47 zijn van toepassing op de aangepaste
titel.
Artikel 37
1. Stuiting, schorsing of verlenging van de verjaringstermijn van
de schuldvordering waarvoor een verzoek tot invorderingsmaatregelen is
gedaan, geschiedt overeenkomstig de bepalingen van de Invorderingswet
1990.
2. De overeenkomstig een verzoek om bijstand als bedoeld in artikel
1, tweede lid, door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat
genomen maatregelen, die, indien zij hier te lande zouden zijn
genomen, tot gevolg zouden hebben gehad dat de verjaring zou zijn
gestuit, geschorst of verlengd worden voor wat dit gevolg betreft
beschouwd als hier te lande genomen.
3. De aangezochte lidstaat wordt in kennis gesteld van iedere
maatregel die de verjaringstermijn van de schuldvordering waarvoor de
invorderingsmaatregelen zijn gevraagd, stuit, schorst of verlengt of
die dit tot gevolg kan hebben.
§ 3.4. Verzoek om conservatoire maatregelen
Artikel 38
1. Onze Minister doet een verzoek aan de aangezochte autoriteit van
een andere lidstaat tot het nemen van conservatoire maatregelen.
2. Het verzoek wordt gedaan door middel van een standaardformulier.
3. Indien in Nederland een document is opgesteld met het oog op het
nemen van conservatoire maatregelen met betrekking tot de
schuldvordering waarvoor om wederzijdse bijstand is verzocht, wordt
dit gehecht aan het verzoek tot het nemen van conservatoire
maatregelen in de aangezochte lidstaat.
4. Het verzoek om conservatoire maatregelen kan vergezeld gaan van
andere documenten die betrekking hebben op de schuldvordering.
Artikel 39
Voor de toepassing van artikel 38 zijn de artikelen 30, tweede en
derde lid, 33, eerste lid, 35, derde lid, 36,37 en 47 van
overeenkomstige toepassing.
§ 3.5. Regels die betrekking hebben op diverse soorten
bijstandsverzoeken
Artikel 40
1. In de gevallen waarin dat ter verzekering van de inning van
schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, noodzakelijk
is, kan Onze Minister zich, behalve uit eigen beweging, ook op verzoek
van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, een
college van gedeputeerde staten, een college van burgemeester en
wethouders of een dagelijks bestuur van een waterschap tot de bevoegde
autoriteit van een andere lidstaat wenden met een verzoek om
inlichtingen, een verzoek om betekening, een verzoek tot invordering
of een verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen.
2. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, het
college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en
wethouders en het dagelijks bestuur van een waterschap verstrekken
zodanige gegevens als nodig kunnen zijn voor een juiste toepassing van
dit hoofdstuk en voorts alle andere inlichtingen die voor een verzoek
om bijstand nuttig kunnen zijn.
Artikel 41
Wanneer het verzoek om bijstand is gedaan op verzoek van Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, een college van
gedeputeerde staten, een college van burgemeester en wethouders of een
dagelijks bestuur van een waterschap, wordt degene die het verzoek heeft
gedaan onverwijld op de hoogte gesteld van de vragen en mededelingen van
de aangezochte autoriteit van de lidstaat waaraan het verzoek, bedoeld
in de artikelen 30, 31, 33 en 38, was gericht met betrekking tot de
uitvoering van het verzoek om bijstand.
Artikel 42
Wanneer de communicatie niet langs de voorgeschreven elektronische
weg of met gebruikmaking van standaardformulieren geschiedt, doet dit
geen afbreuk aan de geldigheid van een verzoek om bijstand, de verkregen
inlichtingen of de getroffen maatregelen.
Artikel 43
1. Verzoeken als bedoeld in de artikelen 30, 31, 33 en 38 dienen
vergezeld te gaan van een vertaling in de officiële taal of in één
van de officiële talen van de aangezochte lidstaat, tenzij Onze
Minister een andere taal is overeengekomen met de bevoegde autoriteit
van de aangezochte lidstaat.
2. Het document waarvoor om betekening wordt verzocht op grond van
artikel 31behoeft geen vertaling.
3. Indien een verzoek vergezeld gaat van andere documenten dan die
bedoeld in het eerste en tweede lid, voegt Onze Minister op verzoek
van de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat een vertaling
bij in de officiële taal of één van de officiële talen van de
aangezochte lidstaat, tenzij Onze Minister een andere taal is
overeengekomen met de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat.
Artikel 44
1. Op inlichtingen die worden verkregen door Nederland van een
andere lidstaat is de verplichting tot geheimhouding, bedoeld in
artikel 67 van de Invorderingswet 1990, van overeenkomstige
toepassing.
2. De aan Onze Minister verstrekte inlichtingen mogen worden
gebruikt voor het nemen van invorderingsmaatregelen of conservatoire
maatregelen voor schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede
lid. Tevens mogen zij worden gebruikt voor heffing en invordering van
verplichte socialezekerheidsbijdragen.
3. In afwijking van het tweede lid mogen de inlichtingen worden
gebruikt voor andere doeleinden in Nederland indien, krachtens de
wetgeving van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt, de
inlichtingen kunnen worden gebruikt voor met die andere doeleinden
vergelijkbare doeleinden.
4. De aan Nederland verstrekte inlichtingen mogen aan een derde
lidstaat worden verstrekt indien Onze Minister of de aangezochte
autoriteit van oordeel is dat deze inlichtingen voor het in artikel
23, eerste lid, van de richtlijn beoogde doel van nut kunnen zijn voor
een derde lidstaat, mits deze verstrekking geschiedt in
overeenstemming met de regels en procedures zoals opgenomen in de
richtlijn. Onze Minister stelt de lidstaat waaruit de inlichtingen
afkomstig zijn in kennis van zijn voornemen de inlichtingen met een
derde lidstaat te delen. Onze Minister verstrekt deze inlichtingen
niet aan een derde lidstaat, indien de lidstaat waar de inlichtingen
vandaan komen binnen tien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van
ontvangst van een kennisgeving, zich hiertegen verzet.
5. Toestemming voor het door een derde lidstaat overeenkomstig het
derde lid gebruiken van overeenkomstig het vierde lid doorgegeven
inlichtingen kan alleen worden verleend door de lidstaat waarvan de
inlichtingen afkomstig zijn.
6. Inlichtingen verkregen op grond van de richtlijn kunnen in
Nederland als bewijs worden aangevoerd of gebruikt op dezelfde wijze
als vergelijkbare inlichtingen die zijn verkregen in Nederland zelf.
Artikel 45
1. Indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat en
Onze Minister zodanig overeenkomen, kunnen ambtenaren van de
rijksbelastingdienst, onder de door de aangezochte lidstaat gestelde
voorwaarden:
a. aanwezig zijn in de kantoren van de ambtenaren in de
aangezochte lidstaat;
b. aanwezig zijn bij onderzoeken die worden uitgevoerd in de
aangezochte lidstaat;
c. bijstand verlenen aan de ambtenaren van de aangezochte
lidstaat tijdens rechtszaken in die lidstaat.
2. Voor zover dit is toegestaan in de aangezochte lidstaat, kan
worden overeengekomen dat ambtenaren van de rijksbelastingdienst
personen kunnen ondervragen en documenten kunnen onderzoeken.
3. Ambtenaren van de rijksbelastingdienst die aanwezig zijn in de
aangezochte lidstaat dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht
te kunnen overleggen waaruit hun identiteit en bevoegdheid blijkt.
Artikel 46
1. Wanneer de invordering in de aangezochte lidstaat tot een
bijzonder probleem leidt, zeer hoge kosten veroorzaakt of verband
houdt met de georganiseerde misdaad, kunnen Onze Minister en de
verzoekende autoriteit per geval specifieke afspraken maken over de
modaliteiten van een vergoeding van de kosten.
2. Nederland blijft ten opzichte van de aangezochte lidstaat
aansprakelijk voor de kosten en mogelijke verliezen die het gevolg
zijn van verzoeken die als niet gerechtvaardigd erkend zijn wat
betreft de gegrondheid van de schuldvordering of de geldigheid van de
oorspronkelijke titel.
Artikel 47
1. Over geschillen in verband met de schuldvordering, de
oorspronkelijke titel, de uniforme titel of de geldigheid van een
betekening door een bevoegde instantie in Nederland wordt beslist
overeenkomstig de in Nederland geldende rechtsregels.
2. Wanneer een geschil als bedoeld in het eerste lid aanhangig is,
stelt Onze Minister de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat
daarvan in kennis. Voorts wordt medegedeeld welk gedeelte van de
schuldvordering niet wordt betwist.
3. Op grond van een met redenen omkleed verzoek kan Onze Minister
de aangezochte lidstaat verzoeken de betwiste schuldvordering toch in
te vorderen. Indien de uitkomst van het geschil, bedoeld in het tweede
lid, voor de betrokken persoon gunstig uitvalt, is Nederland gehouden
tot terugbetaling van het ingevorderde bedrag, vermeerderd met
vergoedingen volgens de in de aangezochte lidstaat geldende
rechtsregels.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 48
1. Het bepaalde in deze wet laat onverlet de toepassing van de meer
uitgebreide wederzijdse bijstand welke met andere lidstaten is of zal
worden overeengekomen, onder meer met betrekking tot de betekening van
gerechtelijke of buitengerechtelijke akten.
2. Bij het verlenen van die meer uitgebreide bijstand uit hoofde
van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen kunnen
lidstaten gebruikmaken van het elektronisch communicatienetwerk en de
standaardformulieren die voor de uitvoering van deze richtlijn worden
gebruikt.
3. Wanneer Nederland dergelijke multilaterale of bilaterale
overeenkomsten sluit of regelingen treft voor onder deze richtlijn
vallende aangelegenheden, behalve voor het afwikkelen van een op
zichzelf staand geval, stelt Onze Minister de Commissie daarvan
onverwijld in kennis.
Artikel 49
De Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden
en enkele andere schuldvorderingen wordt ingetrokken. De in de eerste
volzin bedoelde wet blijft van toepassing op verzoeken om wederzijdse
bijstand die voor 1 januari 2012 zijn gedaan.
Artikel 50
Deze wet wordt aangehaald als: Wet wederzijdse bijstand in de
Europese Unie bij de invordering van belastingschulden en enkele andere
schuldvorderingen 2012.
Artikel 51
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 8 december 2011
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
F.H.H. Weekers
De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
M.J.M. Verhagen
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W.E. Spies
Uitgegeven de eenentwintigste december 2011
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten
|
|
|