|
Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992
Hoofdstuk 1. Toepassingsbereik
Aanwijzing 1
Deze aanwijzingen hebben betrekking op regelingen die onder
ministeriële verantwoordelijkheid tot stand komen en, voor zover
uitdrukkelijk aangegeven, op verdragen, bindende besluiten van
instellingen van de Europese Unie en andere besluiten van
volkenrechtelijke organisaties.
Toelichting:
Zie voor de toepasselijkheid van de aanwijzingen op internationale
regelingen en bindende EU-rechtshandelingen de hoofdstukken 7 en 8.
Aanwijzing 2
1. Onder regelingen worden in deze aanwijzingen verstaan:
a. algemeen verbindende voorschriften;
b. interne regelingen;
c. beleidsregels.
2. Onder EU-regelgeving wordt in deze aanwijzingen verstaan:
a. verordeningen;
b. richtlijnen;
vastgesteld door de instellingen van de Europese Unie of de
Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.
3. Onder bindende EU-rechtshandelingen wordt in deze aanwijzingen
verstaan:
a. verordeningen;
b. richtlijnen;
c. besluiten zonder dat adressaten worden vermeld;
d. besluiten met vermelding van adressaten voor zover mede tot
Nederland gericht;
vastgesteld door de instellingen van de Europese Unie of de
Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.
Toelichting:
Eerste lid:
Zie voor een nadere omlijning van deze begrippenaanwijzing 19 en
titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht.
Tweede lid:
Zie voor een nadere omlijning van deze begrippen artikel 288 van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Onder deze benaming
worden tevens verordeningen, richtlijnen en kaderbesluiten verstaan die
tot stand zijn gekomen voorafgaand aan de inwerkingtreding van het
Verdrag van Lissabon, alsmede verordeningen en richtlijnen vastgesteld
op grond van artikel 106bis van het Euratomverdrag.
Derde lid:
Dit lid doelt op de juridisch bindende handelingen, genoemd in
artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Ook in dit geval kan het tevens gaan om juridisch bindende handelingen
vastgesteld op grond van artikel 106bis van het Euratomverdrag. Door de
toevoeging van ‘bindende’aan ‘EU-rechtshandelingen’’ worden de
overige rechtsinstrumenten van artikel 288 VWEU uitgesloten.
Aanwijzing 3
Op beleidsregels zijn deze aanwijzingen van toepassing, voor zover de
aard van de beleidsregels zich daartegen niet verzet.
Toelichting:
Aan beleidsregels behoeft niet altijd de eis te worden gesteld dat
zij ook wat betreft vormgeving het karakter van regelgeving hebben.
Indien mogelijk dienen echter beleidsregels te worden ingedeeld in
artikelen. Op beleidsregels in artikelvorm zullen de op vormgeving van
regelingen betrekking hebbende aanwijzingen onverkort kunnen worden
toegepast. Aanwijzingen van inhoudelijke aard, met name die betreffende
het gebruik van regelgeving (§ 2.1), zullen op alle vormen van
beleidsregels toepassing kunnen vinden.
Aanwijzing 4
Deze aanwijzingen worden in acht genomen door de ministers en
staatssecretarissen en de onder hen ressorterende dienstonderdelen en
personen die bij de voorbereiding en vaststelling van regelingen zijn
betrokken.
Toelichting:
De aanwijzingen kunnen zich naar hun aard niet richten tot niet onder
het gezag van ministers en staatssecretarissen werkzame participanten in
het proces van regelgeving, zoals de Staten-Generaal, adviescolleges op
het terrein van de wetgeving, zelfstandige bestuursorganen, organen van
de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en decentrale overheden. De
Aanwijzingen kunnen deze organen dus niet binden. Niettemin verdient het
aanbeveling dat de Staten-Generaal met de aanwijzingen rekening houden.
Wat de Tweede Kamer betreft, verdient het aanbeveling dat op de
aanwijzingen acht wordt geslagen bij het opstellen van amendementen en
initiatiefvoorstellen van wet. Met de beide kamers zijn overigens op
sommige in deze aanwijzingen behandelde punten (§ 6.2 t/m 6.4)
procedurele afspraken gemaakt. Dit laatste geldt ook voor de Raad van
State. Desgewenst zal over de toepassing van de aanwijzingen door de
Staten-Generaal nog nader overleg plaatsvinden. Voor zover
adviescolleges en zelfstandige bestuursorganen betrokken zijn bij de
opstelling van regelingen of de advisering daarover, is het van belang
dat rekening wordt gehouden met de aanwijzingen. Wat betreft organen van
de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie wordt verwezen naar het nader
standpunt van het kabinet over de toekomst van de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisatie (Kamerstukken II 1996/97, 25 091, nr. 2) waarin
gesteld wordt dat PBO-regelingen in het algemeen dienen te voldoen aan
de Aanwijzingen voor de regelgeving, met name aan de aanwijzingen 6 tot
en met 18. In de bijlage bij dit kabinetsstandpunt is een overzicht
gegeven van algemene aandachtspunten bij het opstellen van
PBO-regelingen, welke punten uit deze aanwijzingen voortvloeien. Voorts
zij er op gewezen dat overleg over de wederzijdse aanpak bij de
verbetering van de kwaliteit van de regelgeving van de centrale overheid
en van de decentrale overheden nuttig kan zijn.
Aanwijzing 5
Afwijking van deze aanwijzingen is slechts toegestaan, indien
onverkorte toepassing daarvan uit een oogpunt van goede regelgeving niet
tot aanvaardbare resultaten zou leiden.
Toelichting:
De aanwijzingen hebben voor de in aanwijzing 4 genoemden bindende
kracht. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarin toepassing van
een aanwijzing uit een oogpunt van goede regelgeving niet tot
aanvaardbare resultaten leidt. Daartoe is in de onderhavige aanwijzing
een geclausuleerde afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Het is in het
bijzonder de taak van de departementale wetgevingsafdelingen erop toe te
zien dat van deze mogelijkheid een terughoudend en gemotiveerd gebruik
wordt gemaakt.
Voor zover aanwijzingen elementen bevatten die reeds uit algemeen
verbindende voorschriften voortvloeien, zal uiteraard van afwijking geen
sprake kunnen zijn.
Hoofdstuk 2. Algemene onderwerpen van regelgeving
§ 2.1. Gebruik van regelgeving
Aanwijzing 5a.
Voor het normeren van gedragingen, handelingen of bevoegdheden worden
algemeen verbindende voorschriften, interne regelingen of beleidsregels
gebruikt.
Toelichting
De status van andere regulerende instrumenten zoals richtlijnen en
circulaires is niet eenduidig en helder. Van gebruik van deze
instrumenten voor normering dient dan ook zoveel mogelijk te worden
afgezien.
Een uitzondering op dit uitgangspunt wordt gemaakt voor normerend
bedoelde deskundigenrichtlijnen die bij de vergunningverlening op grond
van milieuwetten zoals de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren moeten worden betrokken. Dergelijke richtlijnen, die
met name betrekking kunnen hebben op milieutechnische onderwerpen,
fungeren als richtsnoer voor de uitoefening van decentrale
bestuursbevoegdheden, spelen in de uitvoeringspraktijk vaak een grote
rol en zijn in de jurisprudentie van de bestuursrechter geaccepteerd. In
de Regeling aanwijzing BBT-documenten is de juridische status van
bedoeld type richtlijnen nader verduidelijkt. Deze aanwijzing ziet
daarom niet op deze richtlijnen. Circulaires worden alleen gebruikt voor
het verstrekken van informatie, die overigens wel betrekking kan hebben
op regelgeving.
Aanwijzing 6
1.Tot het tot stand brengen van nieuwe regelingen wordt alleen
besloten, indien de noodzaak daarvan is komen vast te staan.
2.Met het doen van uitspraken en toezeggingen over nieuwe
regelingen wordt grote terughoudendheid betracht.
Toelichting:
Terughoudendheid met het doen van uitspraken en toezeggingen over
nieuwe regelgeving is onder alle omstandigheden geboden. Zij is echter
volstrekte noodzaak, indien nog niet vaststaat dat een dergelijke
uitspraak of toezegging gestand kan worden gedaan of duidelijk is welke
lasten met de nieuwe regeling gemoeid zijn.
Aanwijzing 7
Alvorens tot het treffen van een regeling wordt besloten, worden de
volgende stappen gezet:
a. kennis wordt vergaard van de relevante feiten en
omstandigheden met betrekking tot het bewuste onderwerp;
b. de doelstellingen die worden nagestreefd, worden zo concreet
en nauwkeurig mogelijk vastgesteld;
c. onderzocht wordt of de gekozen doelstellingen kunnen worden
bereikt door middel van het zelfregulerend vermogen in de betrokken
sector of sectoren dan wel daarvoor overheidsinterventie
noodzakelijk is;
d. indien overheidsinterventie noodzakelijk is, wordt onderzocht
of de gekozen doelstellingen kunnen worden bereikt door aanpassing
of beter gebruik van bestaande instrumenten dan wel, indien dit niet
mogelijk blijkt, welke andere mogelijkheden daartoe bestaan;
e. de diverse mogelijkheden worden zorgvuldig tegen elkaar
afgewogen.
Toelichting:
Onderdeel a: Kennis feiten en omstandigheden. Kennis van de relevante
feiten en omstandigheden is noodzakelijk om tot een verantwoorde
besluitvorming te kunnen komen.
Allereerst moet de betrokken kennis worden gebruikt voor het
formuleren van de doelstellingen. Vervolgens is zij nodig voor de
beantwoording van de vraag in hoeverre overheidsinterventie nodig is en
voor de afweging van de verschillende mogelijkheden tot
overheidsinterventie. Gewoonlijk vindt het verzamelen van de gegevens
overigens gefaseerd plaats. Voor elke nieuwe stap in het
besluitvormingsproces zijn veelal weer nieuwe (meer gedetailleerde)
gegevens nodig.
Onderdeel b: Nauwkeurige doelstellingen. Een zo concreet en
nauwkeurig mogelijke vaststelling van doelstellingen houdt in dat
verschillende doelstellingen duidelijk worden onderscheiden. Waar dat
mogelijk en relevant is, dient ook te worden vastgesteld binnen welke
termijn ernaar wordt gestreefd een doelstelling te bereiken. Indien
kwantificering, financieel of anderszins, van een doelstelling mogelijk
is, dient deze ook te geschieden.
Onderdeel c: Noodzaak overheidsinterventie. Slechts voor zover het
zelfregulerend vermogen van de maatschappij tekortschiet, moet worden
gedacht aan overheidsmaatregelen. Zie voor een voorbeeld van (wettelijk
geconditioneerde) zelfregulering: artikel 391, vijfde lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek (code Tabaksblat). Zie verder aanwijzing 8.
Onderdeel d: Alternatieven overheidsinterventie. Bij het onderzoek
naar de mogelijkheden die de overheid ten dienste staan om een
doelstelling te bereiken, dienen de verschillende denkbare alternatieven
de revue te passeren. Het gaat daarbij evenzeer om instrumenten die door
middel van wetgeving worden gecreëerd, zoals ge- en verboden, een
vergunningenstelsel en een heffingenstelsel, als om andere middelen,
zoals feitelijk optreden van de overheid en subsidies. Overigens brengt
het uitgangspunt van de rechtsstaat mee dat ten aanzien van deze andere
middelen, in verband met het bieden van rechtswaarborgen, veelal ook
wettelijke voorzieningen moeten worden getroffen.
Het onderzoek naar de mogelijkheden tot overheidsinterventie kan
overigens ook tot de slotsom leiden dat de overheid de betrokken
doelstellingen niet kan realiseren. Dan moet van overheidsinterventie
worden afgezien.
Wat wettelijke regelingen betreft kunnen te onderzoeken varianten
zowel betrekking hebben op de opzet van een wettelijke regeling als
zodanig als op onderdelen van een regeling (bij voorbeeld het systeem
van rechtsbescherming waarvoor wordt gekozen).
Overigens zij opgemerkt dat het van de aard van het betrokken geval
zal afhangen of de in deze aanwijzing bedoelde onderzoeken omvangrijk
dienen te zijn of heel beperkt van aard kunnen blijven. Het is echter
wel noodzakelijk dat de in deze aanwijzing bedoelde stappen in alle
gevallen waarin het treffen van een regeling een van de mogelijkheden
is, worden gezet.
Aanwijzing 7a
Bij het ontwerpen van een nieuwe regeling wordt onderzocht of de
regeling voor het gehele grondgebied van Nederland moet gelden, of
uitsluitend voor het Europese deel van Nederland, dan wel uitsluitend
voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Toelichting
Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben op grond van artikel 2 van de
Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een
eigen rechtsstelsel, dat grotendeels bestaat uit overgenomen
Nederlands-Antilliaanse regelgeving of specifiek voor die eilanden tot
stand gebrachte regelgeving. Slechts een beperkt aantal regelingen is
thans zowel in het Europese deel van Nederland als in Bonaire, Sint
Eustatius en Saba van toepassing. Een ander belangrijk verschil met het
Europese deel van Nederland is dat Bonaire, Sint Eustatius en Saba ten
opzichte van de Europese Unie de status van landen en gebieden overzee (LGO)
hebben, waardoor EU-regelgeving in beginsel niet voor Bonaire, Sint
Eustatius en Saba geldt. Dit betekent dat Bonaire, Sint Eustatius en
Saba vanuit Europeesrechtelijk perspectief doorgaans als‘derde landen’
zullen moeten worden aangemerkt, en dat met ‘lidstaat’ uitsluitend
het Europese deel van Nederland wordt bedoeld.
Bij de afweging of een nieuw tot stand te brengen regeling mede voor
Bonaire, Sint Eustatius en Saba moet gelden, wordt – behalve met de
LGO-status van de eilanden– rekening gehouden met enerzijds de wens
zoveel mogelijk rechtseenheid tot stand te brengen en anderzijds de in
artikel 1, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk genoemde
factoren waardoor Bonaire, Sint Eustatius en Saba zich onderscheiden van
het Europese deel van Nederland. Deze factoren kunnen aanleiding zijn om
een regeling vooralsnog uitsluitend voor het Europese deel van Nederland
te laten gelden of een specifieke regeling voor Bonaire, Sint Eustatius
en Saba tot stand te brengen. Vanwege de onderlinge verschillen tussen
de eilanden is het in bijzondere gevallen ook denkbaar dat een
specifieke regeling voor een bepaald eiland wordt getroffen.
Zie ook aanwijzing 120a.
Aanwijzing 8
Bij het bepalen van de keuze voor een mogelijkheid tot
overheidsinterventie om een doelstelling te bereiken wordt zoveel
mogelijk aangesloten bij het zelfregulerend vermogen in de betrokken
sector of sectoren.
Toelichting:
Indien overheidsinterventie noodzakelijk is, kan aangesloten worden
bij het zelfregulerend vermogen van de maatschappij door bijvoorbeeld
gebruik te maken van systemen van normalisatie, certificatie of
ketengarantiestelsels. Direct overheidsingrijpen is slechts op zijn
plaats, indien van het zelfregulerend vermogen van de maatschappij - ook
versterkt met ondersteunende overheidsmaatregelen - niet voldoende
resultaten te verwachten zijn.
Ook wanneer overheidsinterventie noodzakelijk is, kan aangesloten
worden bij het zelfregulerende vermogen door gebruik te maken van
normalisatie en certificatie. Bij of krachtens de wet kan bijvoorbeeld
worden bepaald dat door het naleven van normalisatienormen of het bezit
van een certificaat aan wettelijke eisen wordt voldaan of dat het
wettelijk vermoeden ontstaat daaraan te voldoen. Voor de afweging
wanneer en in welke mate dit aanvaardbaar is, is met name paragraaf 2.1
van de aanwijzingen relevant. In het bijzonder moet erop worden
toegezien dat de mededinging niet onnodig wordt verstoord en dat wordt
voorkomen dat de burger of het bedrijfsleven wordt geconfronteerd met
dubbele uitvoeringslasten tengevolge van het naast elkaar gelden van
publieke en private normen. Bij verwijzing naar normalisatienormen die
verder gaan dan het publieke belang vereist, blijft de verwijzing
beperkt tot het voor dat belang relevante deel van de normen. De
wetgever zal steeds zoveel mogelijk moeten nagaan of bij totstandkoming
van de normen alle relevante belangen betrokken zijn.
Bezien moet worden of uit het Europees recht of ander internationaal
recht voortvloeit dat naast Nederlandse ook buitenlandse normen,
certificaten of certificerende instellingen dienen te worden erkend.
Bedacht moet worden dat de certificerende en accrediterende
instellingen bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
zijn voor zover hun openbaar gezag is toegekend. In dat geval is
paragraaf 4.5a (zelfstandige bestuursorganen) van belang.
Ook wordt gewezen op de aanwijzingen 91a (verwijzing naar
normalisatienormen geschiedt in beginsel op een niet-dwingende wijze),92
(statische en dynamische verwijzing) en 190 (kenbaarheid van normen),
die van belang zijn voor normen die niet publiekrechtelijk van aard
zijn, en voor internationale normen.
Zie ook het kabinetsstandpunt bij het MDW-rapport Normalisatie en
certificatie (Kamerstukken II 1995/96, 24 036, nr. 15), het
kabinetsstandpunt bij het MDW-rapport Ketengarantiestelsels
(Kamerstukken II 1999/2000, 24 036, nr. 155) en het ICHW-rapport
Normalisatie en certificatie (april 1998).
Aanwijzing 9
Bij de afweging van verschillende mogelijkheden tot
overheidsinterventie om een doelstelling te bereiken wordt in ieder
geval gelet op de volgende aspecten:
a. de mate waarin verwacht mag worden dat een regeling het
beoogde doel zal helpen te verwezenlijken;
b. de neveneffecten van een regeling;
c. de lasten van een regeling voor de overheid enerzijds en
burgers, bedrijven en instellingen anderzijds.
Toelichting:
Onderdeel a: Effectiviteit. Wat het onder a bedoelde aspect betreft
verdienen bij een overwogen regeling onder meer de uitvoerbaarheid en de
te verwachten mate van naleving ervan aandacht. Aandachtspunt moet
daarbij ook de mogelijkheid tot handhaving zijn. In het oog dient in dit
verband te worden gehouden dat naar mate de in een regeling vervatte
normen en bestuurlijke instrumenten voor de justitiabelen minder
vanzelfsprekend zijn, de naleving - en bijgevolg ook de handhaving -
daarvan problematischer is. Zie ten aanzien van de handhaving verder
aanwijzing 11.
Uit dit onderdeel vloeit ook voort dat erop gelet moet worden dat de
bedrijfsvoering van het betrokken ministerie toereikend moet zijn om de
doelen van de overwogen regeling te realiseren. Zie in dit verband de
nota ‘Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording’ (Kamerstukken
II 1998/99, 26 573, nr. 2).
Onderdeel b: Neveneffecten. Met betrekking tot het onder b bedoelde
aspect zij het volgende opgemerkt. Is er sprake van een beoogd
neveneffect, dan is een (secundaire) doelstelling van de regeling in het
geding. Deze dient dan ook als zodanig te worden aangewezen. Bij
onbedoelde neveneffecten moet worden bezien in hoeverre deze de
aanvaardbaarheid van een regeling niet negatief beïnvloeden. Negatieve
beïnvloeding kan aanleiding zijn van een regeling af te zien.
Anderzijds dient slechts tot het tot stand brengen van een regeling te
worden besloten indien zij geschikt lijkt de gekozen doelstelling(en) te
realiseren. Er is sprake van een onzuivere afweging indien positieve
maar onbedoelde neveneffecten de doorslag zouden geven om een regeling
in te voeren die onvoldoende adequaat lijkt voor het verwezenlijken van
de gekozen doelstelling(en).
Welke de negatieve neveneffecten van een maatregel zullen zijn, moet
steeds in breed verband worden onderzocht. Aandacht verdient daarbij
onder meer ook in hoeverre een maatregel van verstorende invloed zal
zijn op het effect dat bestaande regelingen hebben. De werking van een
regeling kan worden verstoord doordat een nieuwe regeling het voor de
justitiabele minder aantrekkelijk maakt aan eerstbedoelde regeling te
voldoen. Voorts kan een nieuwe regeling naast reeds bestaande regelingen
tot gevolg hebben dat een zodanige cumulatie van verplichtingen ontstaat
dat de bereidheid tot naleving van de betreffende regelingen afneemt.
Gevolgen voor sociaal-economische ontwikkeling. Met name dient verder
steeds te worden bezien welke gevolgen voor de sociaal-economische
ontwikkeling direct of indirect uit een maatregel kunnen voortvloeien.
Hierbij kan onder meer worden gedacht aan gevolgen voor de
concurrentiepositie van het bedrijfsleven (nationaal en internationaal),
de flexibiliteit van de markt, de afzetontwikkeling (binnenlandse en
buitenlandse markt), de werkgelegenheid, de rentabiliteit van
ondernemingen, de investeringsgeneigdheid en de beloningsstructuur.
Bedacht moet verder worden dat het overgaan tot overheidsingrijpen op
een tot dusver door de overheid niet betreden terrein nogal eens het
begin inhoudt van een langdurig proces van in intensiteit toenoemende
overheidsbemoeienis, dat leidt tot maatschappelijke verstarringen. Zulke
verstarringen zijn vaak slechts ten koste van grote inspanningen
ongedaan te maken.
Onderdeel c: Uitvoeringslasten. Wat het onder c bedoelde aspect
betreft zij verder verwezen naar de aanwijzingen 13, 14 en 15.
Tot slot zij vermeld dat ten aanzien van de verschillende te
overwegen mogelijkheden tot overheidsinterventie de onder a, b en c
bedoelde aspecten alle in onderlinge samenhang onder de loep dienen te
worden genomen. Hierbij kunnen ex ante evaluatie-instrumenten, zoals de
Tafel van Elf (Ministerie van Veiligheid en Justitie), de
Bedrijfseffectentoets (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie), de Milieueffectentoets (Ministerie van Infrastructuur en
Milieu) en andere binnen de desbetreffende ministeries ontworpen toetsen
behulpzaam zijn.
Aanwijzing 10
Gestreefd wordt naar duidelijkheid en eenvoud van regelingen en naar
een bestendig karakter daarvan.
Toelichting:
Een regeling is bestendig indien zij niet frequent behoeft te worden
gewijzigd. Het verdient aanbeveling naar zo groot mogelijke
bestendigheid van regelingen te streven. Dit betekent dat het beleid in
beginsel duidelijk moet zijn alvorens tot het treffen van een regeling
wordt overgegaan.
Aanwijzing 10a
1.Indien het noodzakelijk is de mogelijkheid te bieden dat in een
lagere regeling bij wijze van experiment van een hogere wordt
afgeweken, wordt in de hogere regeling bepaald op welke onderdelen van
de hogere regeling de mogelijkheid tot afwijking betrekking heeft. In
de lagere regeling wordt vermeld van welke onderdelen van de hogere
regeling wordt afgeweken.
2.Van een wet in formele zin wordt slechts afgeweken bij algemene
maatregel van bestuur. Voor zover de experimenteerregeling nadere
gedetailleerde uitwerking behoeft, kan de delegatiegrondslag met
inachtneming van aanwijzing 26 voorzien in subdelegatie.
Toelichting
Zoals bij elke delegatiegrondslag dient ook in een
experimenteergrondslag het onderwerp waarop een vast te stellen
experimentele regeling betrekking kan hebben, zo concreet en nauwkeurig
mogelijk te worden begrensd. Daarbij is het van belang dat in de
experimenteergrondslag het doel en de functie van eventuele experimenten
worden aangeduid en dat duidelijk wordt vermeld van welke artikelen of
onderdelen van de wet kan worden afgeweken. In de experimentele regeling
zelf moeten doel en functie vervolgens worden geconcretiseerd en moet
worden aangegeven op welke punten van de afwijkingsbevoegdheid gebruik
is gemaakt. Afwijking van een hogere regeling geschiedt in beginsel op
het ‘naast-lagere niveau’. Afwijkingen van de formele wet vinden dus
slechts bij algemene maatregel van bestuur plaats, zij het dat
aanwijzing 26 in zoverre nog toepassing kan vinden dat subdelegatie aan
een minister van administratieve voorschriften en details mogelijk
blijft. Indien een experimentele regeling van de wet afwijkende regels
kan bevatten, ligt parlementaire betrokkenheid bij een dergelijke
regeling in de rede. Daarvoor wordt bij voorkeur de figuur van de
gecontroleerde delegatie gebruikt (zie de aanwijzingen 36 en 37). Indien
brede inspraak gewenst is, kan tevens worden voorzien in publicatie van
de ontwerpregeling in de Staatscourant.
Aanwijzing 10b
1. De wettelijke regeling die de grondslag biedt voor een
experimentele regeling of een experiment bepaalt de maximale
geldingsduur van de op basis daarvan vast te stellen experimentele
regelingen of uit te voeren experimenten.
2. In de toelichting bij een experimentele regeling wordt
aangegeven hoe evaluatie van de regeling plaatsvindt. Indien een
experimentele regeling een evaluatiebepaling bevat wordt het volgende
model als uitgangspunt genomen:
‘Onze Minister van/voor ... zendt (in overeenstemming met Onze
Minister van/voor ...) drie maanden voor het einde van de werkingsduur
van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel .../dit
besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en
de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt
inzake de voortzetting van die maatregel/dit besluit, anders dan als
experiment.’
Toelichting
Eerste lid: Bij een experiment gaat het om het proefondervindelijk
vaststellen of een bepaald instrument een bijdrage kan leveren aan het
oplossen van een maatschappelijk probleem. Het uitgangspunt van
aanwijzing 10 laat onverlet dat soms behoefte bestaat aan regelingen met
een experimenteel karakter. In bepaalde gevallen moet de wetgever tot
het nemen van maatregelen kunnen besluiten ook zonder dat geheel kan
worden overzien wat de effecten daarvan zullen zijn. Het kan aangewezen
zijn om, terwijl een wet in hoofdzaak blijft gelden, in bepaalde regio’s
dan wel ten aanzien van bepaalde groepen personen of instellingen een
ander dan het in de wet neergelegde beleid te voeren met het oog op een
eventueel te overwegen wijziging van de wet. Gelet op de aard van een
experiment dient aan die regeling een tijdelijk karakter te worden
gegeven. Zie in dat verband de aanwijzingen 181 tot en met 183. Tot een
experimentele regeling moet, mede gelet op mogelijke strijdigheid met
het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, niet te snel
worden overgegaan. De verwachting moet bestaan dat op het betrokken
terrein zinvolle experimenten mogelijk zijn.
Indien na afloop van een experiment wordt besloten het experiment om
te zetten in algemeen geldende wetgeving, moet worden overwogen of moet
worden voorzien in tijdelijke verlenging van het experiment. Het kan uit
het oogpunt van rechtszekerheid ongewenst en ook minder efficiënt zijn
om voor de terreinen waarop het experiment betrekking heeft gedurende
korte tijd weer het oude regime te laten gelden. De experimentele
regeling moet dan blijven gelden tot het tijdstip waarop de aanpassing
van de wet in werking treedt. Een experimentele regeling kan overigens
slechts worden verlengd totdat een wetswijziging is ingevoerd, indien de
grondslag voor die regeling de bevoegdheid biedt voor een zodanige
verlenging. Het verdient voorts overweging in de wet een termijn op te
nemen waarbinnen het voorstel tot wetsaanpassing bij de Tweede Kamer
moet zijn ingediend. In andere gevallen zou het juist beter kunnen zijn
om de oude situatie weer in ere te herstellen, in afwachting van nieuwe
wetgeving.
Zie met betrekking tot experimentele regelingen nog het rapport ‘Het
proberen waard’, eindrapport van het Interdepartementaal
wetgevingsberaad inzake experimenteerbepalingen, namens het kabinet
aangeboden aan de Tweede Kamer bij brief van de Minister van Justitie 4
augustus 2000.
Tweede lid: De beperkte werkingsduur van experimentele regelingen
brengt met zich dat op enig moment het experiment afloopt en
beslissingen dienen te worden genomen over het vervolg. Zonder van
tevoren een uitkomst te bepalen, dienen enkele minimale procedurele
waarborgen te bestaan om vast te stellen in hoeverre het experiment
geslaagd kan worden genoemd. Een voor de hand liggende waarborg is dat
de rechtstreeks bij het experiment betrokken burgers, maar onder
omstandigheden bijvoorbeeld ook uitvoeringsorganisaties, tijdig voor het
aflopen van het experiment hun zienswijze naar voren kunnen brengen over
de wenselijkheid van omzetting van het experiment in een definitieve
regeling. Een verplichting om in alle gevallen een expliciete
evaluatiebepaling op te nemen, is echter onnodig. Wel dient in de
toelichting bij een experimenteerbepaling te worden aangegeven hoe
evaluatie zal plaatsvinden. Indien het wenselijk is expliciet te bepalen
dat experimentele regelingen worden geëvalueerd, wordt het in het derde
lid opgenomen model als uitgangspunt genomen. Het alternatief ‘dit
besluit’ in het model is aangewezen voor die gevallen waarin voor een
experimentele regeling expliciete evaluatie noodzakelijk wordt geacht,
terwijl de experimenteergrondslag daartoe niet verplicht. In dat geval
wordt de bepaling dus opgenomen in de algemene maatregel van bestuur,
dus de experimenteerregeling zelf.
Aanwijzing 11
1. Tot het treffen van een regeling wordt niet besloten dan nadat
is nagegaan of in voldoende mate handhaving te realiseren valt.
2. Hierbij wordt onderzocht of handhaving het beste langs
bestuursrechtelijke, civielrechtelijke of strafrechtelijke weg dan wel
op andere wijze kan plaatsvinden.
Toelichting:
Eerste lid: Handhavingsmogelijkheden. Voor het realiseren van een met
een regeling beoogde doelstelling is onontbeerlijk dat de regeling wordt
gehandhaafd. Of handhaving in voldoende mate mogelijk is, dient derhalve
te worden onderzocht voordat tot het treffen van de regeling wordt
besloten. In het bijzonder geldt dit indien de regeling ge- of verboden
bevat, maar ook in andere gevallen - bij voorbeeld met betrekking tot
voorschriften die aan een vergunning worden verbonden - is het
handhavingsaspect van betekenis.
Uit het onderzoek moet blijken welke inspanningen nodig worden geacht
voor de preventieve en repressieve handhaving ervan. Bij wetsvoorstellen
die uit een oogpunt van uitvoering en handhaving ingrijpende
veranderingen tot gevolg hebben, worden die bevindingen neergelegd in
handhaafbaarheids- en uitvoerbaarheidsrapporten. Over de
handhavingsmogelijkheden moet reeds voordat tot het treffen van de
regeling wordt besloten worden overlegd tussen de ontwerpers van de
beoogde regeling en de instanties die met de uitvoering en handhaving
van de regeling zullen worden belast.
De volgende aspecten zijn bij de beoordeling van de handhaafbaarheid
in ieder geval van belang:
- een regel moet zo weinig mogelijk ruimte laten voor
interpretatiegeschillen;
- uitzonderingsbepalingen moeten tot een minimum worden beperkt;
- regels moeten zo veel mogelijk zijn gericht op zichtbare dan
wel objectief constateerbare feiten;
- regels moeten werkbaar zijn voor degenen tot wie de regels zijn
gericht en voor de personen die met handhaving zijn belast.
Tweede lid: Handhavingsmethoden. In dit verband moeten ook de
verschillende handhavingsmethoden tegen elkaar worden afgewogen.
Daarbij valt in de eerste plaats te denken aan bestuursrechtelijke,
civielrechtelijke en strafrechtelijke middelen. Ook kan echter
gedacht worden aan de mogelijkheden die het tuchtrecht biedt, en aan
preventieve middelen zoals voorlichting. Voor elk van de repressieve
handhavingsmethoden dient verder aandacht te worden besteed aan de
mogelijke sancties. Bij de afweging van de verschillende
mogelijkheden dienen de aspecten, bedoeld in aanwijzing 9, aan de
orde te komen. In bepaalde gevallen is het aangewezen niet voor
één handhavingsmethode te kiezen maar voor een combinatie van
verschillende methoden. Overigens dient ervoor te worden gewaakt dat
niet zonder noodzaak wordt voorzien in een cumulatie van
sanctiemogelijkheden voor de handhaving van één verplichting.
Zie voor de keuze tussen strafrecht en bestuursrecht de kabinetsnota
over de uitgangspunten bij de keuze van een sanctiestelsel (Kamerstukken
II 2008/09, 31 700 VI, nr. 69). Bestuursrechtelijke handhaving kan een
goed alternatief bieden, mits aan de eisen die uit artikel 6 van het
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden volgen, wordt voldaan. Zie verder ook aanwijzing
139. Indien toch wordt gekozen voor strafrechtelijk te sanctioneren
bepalingen, vereist de formulering van de elementen van de
delictsomschrijvingen bijzonder veel zorg (zie aanwijzing 144). Hierover
moet in voorkomende gevallen worden overlegd met het Ministerie van
Veiligheid en Justitie of rechtstreeks met het openbaar ministerie.
Bij het in deze aanwijzing bedoelde onderzoek moet in het oog worden
gehouden dat de justitiële en bestuurlijke handhavingscapaciteit
beperkt is.
Aanwijzing 11a
Indien de noodzaak tot het vaststellen van een wet is komen vast te
staan, wordt in beginsel meteen een wetsvoorstel opgesteld, zonder
daaraan een voorontwerp of beleidsnota vooraf te laten gaan.
Toelichting:
Met voorontwerpen en beleidsnota’s moet alleen worden gewerkt als
de snelheid van het wetgevingsproces daarmee is gediend, doordat in een
vroeg stadium duidelijk moet worden welke voornemens op voldoende
maatschappelijk draagvlak en parlementaire steun kunnen rekenen.
Aanwijzing 12
Een regeling wordt op zodanige wijze ingericht dat zij zo weinig
mogelijk conflicten oproept. Daartoe wordt onder meer aan het volgende
voldaan:
a. het aantal beslismomenten waartoe toepassing van de regeling
aanleiding geeft, wordt tot een minimum beperkt;
b. ingeval bestuurlijke boetes mogelijk worden gemaakt, worden
daarvoor bindende tarieven vastgesteld;
c. de aard en omvang van uitkeringen, voorzieningen en andere
voordelen worden zo duidelijk mogelijk in algemeen verbindende
voorschriften of goed kenbaar gemaakte beleidsregels omschreven.
Toelichting:
Noodzaak conflictbeperking. Tot op zekere hoogte is het
onvermijdelijk dat regelingen waarbij aan de burger lasten worden
opgelegd of die hem aanspraak geven op bepaalde voordelen, aanleiding
geven tot conflicten. Het is echter gewenst dat deze conflicten tot een
minimum worden beperkt. Deze wenselijkheid is er allereerst vanuit een
sociaal-maatschappelijk oogpunt. Daarnaast is beperking van het aantal
conflicten gewenst om de lasten die verbonden zijn aan de
rechtsbescherming ter zake van de toepassing van de regeling, zo laag
mogelijk te houden.
Gelet hierop dient bij de keuze uit varianten van een regeling ook de
mate waarin over de toepassing daarvan conflicten zijn te verwachten, in
beschouwing te worden genomen.
Conflictopwekkende factoren. Onder meer zijn regelingen in bijzondere
mate conflictopwekkend indien zij een van de volgende kenmerken
vertonen:
- het verkrijgen van een uitkering, een voorziening, een
restitutie of een ander voordeel wordt afhankelijk gesteld van
individueel bepaalde omstandigheden zoals het hebben van een ziekte
of gebreken dan wel het zijn van ondernemer;
- belanghebbenden worden met een reeks van beschikkingen
geconfronteerd;
- aan een uitvoeringsorgaan wordt een ruime mate van
discretionaire bevoegdheid gelaten;
- voor het bepalen van de hoogte van een uitkering of van de aard
van een voordeel worden slechts vage normen gesteld;
- het verkrijgen van een uitkering of van een voordeel dan wel de
verplichting om belasting of een heffing te betalen wordt bepaald
door een groot aantal persoonlijke omstandigheden waarvan moet
blijken uit door het uitvoeringsorgaan te verifiëren gegevens die
de betrokkene verstrekt;
- de besluitvorming omtrent het toekennen van uitkeringen of
andere voordelen vindt plaats nadat andere organen dan de met de
besluitvorming belaste instantie een extern advies hebben
uitgebracht dat aan betrokkene bekend wordt gemaakt, maar waarvan de
met de besluitvorming belaste instantie nog mag afwijken;
- er worden gunstige besluiten met een voorlopig karakter
genomen, die worden gevolgd door mindere gunstige;
- aan een orgaan dat bevoegd wordt verklaard tot het opleggen van
bestuurlijke sancties, worden ruime grenzen gelaten om de aard en de
omvang van de sancties te bepalen.
Wat fiscale regelgeving betreft zijn verder onder meer nog in het
bijzonder conflictopwekkend regelingen die een van de volgende elementen
bevatten:
- een financieel belang wordt verbonden aan bijzondere, niet
strikt te omschrijven omstandigheden;
- ontwikkelingen in vele uiteenlopende en betrekkelijk smalle
sectoren van het maatschappelijk leven worden door middel van het
fiscale instrument overmatig gestuurd;
- doelgroepen worden onduidelijk afgebakend.
Zie met betrekking tot onderdeel c ook aanwijzing 24, tweede lid.
Aanwijzing 13
Bij de keuze voor een bepaalde regeling wordt gestreefd naar zo
beperkt mogelijke lasten voor burgers, bedrijven en instellingen, voor
zover niet uitdrukkelijk het opleggen van lasten wordt beoogd.
Toelichting:
Lasten voor burgers. Wat de gevolgen voor burgers betreft kan worden
gedacht aan administratieve verplichtingen, de noodzaak tot inschakeling
van deskundigen, het vertragend effect van termijnen en nieuwe
rechtstreekse financiële lasten die uit een regeling voortvloeien.
Lasten voor bedrijven en instellingen. Voor het bedrijfsleven en
non-profitinstellingen verdienen de aandacht:
a. gevolgen voor het besluitvormingsproces binnen de onderneming
of instelling, zoals die voortvloeien uit bepalingen inzake
medezeggenschap en overleg;
b. gevolgen voor ondernemingen of instellingen die voortvloeien
uit het besluitvormingsproces bij de overheid, bij voorbeeld in
verband met onzekerheid omtrent en tijdsbeslag van
overheidsbeslissingen, dan wel in verband met inspraak of beroep;
c. gevolgen voor de organisatie van de onderneming of instelling,
zoals de noodzaak voorzieningen te treffen om te voldoen aan
administratieve verplichtingen of om de benodigde deskundigheid in
te schakelen;
d. gevolgen voor de bedrijfsvoering binnen de onderneming of
instelling, zoals veiligheidseisen, eisen met betrekking tot het te
fabriceren of te verhandelen product of met betrekking tot de te
verlenen dienst, dan wel eisen die van invloed zijn op de
innovatiegeneigdheid;
e. nieuwe rechtstreekse financiële lasten die uit een regeling
voortvloeien;
f. wat het bedrijfsleven betreft, gevolgen voor de positie van de
ondernemers op de markt, bij voorbeeld ten gevolge van maatregelen
die de prijs beïnvloeden, export- en importbeperking, ge- of
verbruikersbeperkingen of regels met betrekking tot mededinging.
Lasten voor het bedrijfsleven dienen zowel in ogenschouw te worden
genomen met betrekking tot ondernemingen waarop een regeling
rechtstreeks betrekking heeft, als ten aanzien van andere sectoren van
het bedrijfsleven die gevolgen van een regeling ondervinden.
Aanwijzing 14
Bij de keuze voor een bepaalde regeling wordt eveneens gestreefd naar
zo beperkt mogelijke lasten voor de overheid.
Toelichting:
Bij lasten voor de overheid kan worden gedacht aan:
a. lasten die rechtstreeks zijn gemoeid met de uitvoering van de
regeling (voorlichting, het behandelen van aanvragen voor
vergunningen en ontheffingen, de inning van belastingen en heffingen
en de uitvoering van in de regeling voorgeschreven feitelijke
handelingen);
b. lasten die voortvloeien uit in de regeling vervatte
procedurele voorschriften, zoals voorschriften inzake verplichte
advisering, inspraak, vormen van preventief toezicht, planning,
verslagleggingsverplichtingen en evaluatieverplichtingen;
c. lasten die verband houden met het toezicht op de naleving en
met de handhaving van de regeling (wat de handhaving betreft gaat
het om lasten in verband met onder meer de van overheidswege
gefinancierde rechtshulp, het openbaar ministerie, de politie, het
gevangeniswezen, andere justitiële diensten en de rechtspraak);
d. lasten die voortvloeien uit de rechtsbescherming (lasten in
verband met de van overheidswege gefinancierde rechtshulp, met de
behandeling van bezwaarschriften en met de rechtspraak en lasten
voor uitvoerende instanties als gevolg van procedures).
De onder b bedoelde lasten kunnen onder meer worden beperkt door te
streven naar soberheid in procedurele voorschriften en naar een
duidelijke toedeling en afbakening van bestuurlijke bevoegdheden zowel
op centraal als op decentraal niveau. Bij toedeling van bevoegdheden aan
decentraal niveau zijn met name bemoeienis van hoger niveau met de
uitoefening van deze bevoegdheden (bij voorbeeld preventief toezicht) en
verplichtingen van het decentrale niveau jegens hoger niveau ter zake
(bij voorbeeld verplichte verslaglegging) zoveel mogelijk te vermijden.
Bij het maken van een keuze tussen verschillende varianten voor een
regeling kan het noodzakelijk zijn lasten voor de overheid af te wegen
tegen lasten voor de burger. Het brengen van meer doelstellingen binnen
een regeling kan de uitvoering van die regeling ingewikkelder maken en
daarmee de voor de overheid met die regeling gemoeide lasten doen
toenemen. Aan de andere kant zal het voor de burger vaak belastender
zijn om met diverse naast elkaar werkende regelingen te worden
geconfronteerd dan met één geïntegreerde regeling.
Aanwijzing 15
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een
regeling mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de
regeling te dienen doelen.
Toelichting:
Deze aanwijzing correspondeert met artikel 3:4, tweede lid, Algemene
wet bestuursrecht.
Aanwijzing 16
Taken en bevoegdheden worden op decentraal niveau gelegd, tenzij het
onderwerp van zorg niet op doelmatige en doeltreffende wijze door
decentrale organen kan worden behartigd.
Toelichting:
Territoriale decentralisatie. Als uitgangspunt geldt dat, indien
taken op doelmatige en doeltreffende wijze kunnen worden verricht door
besturen van provincies, gemeenten, waterschappen of de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zij niet behoren te worden
opgedragen aan het Rijk. Evenzeer behoren taken die op doelmatige en
doeltreffende wijze door besturen van gemeenten of waterschappen kunnen
worden verricht, niet te worden opgedragen aan de besturen van
provincies.
Algemeen of functioneel bestuur. Tevens zal per geval moeten worden
afgewogen of territoriale dan wel bij voorbeeld gezien de aard van de
betrokken taak of de schaal, waarop deze behartigd dient te worden -
functionele decentralisatie het meest in aanmerking komt. Uitgangspunt
hierbij is dat het zwaartepunt van de politieke en bestuurlijke
activiteit berust bij organen van algemeen bestuur (Rijk, provincies,
gemeenten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba).
Functioneel bestuur kan onder omstandigheden een goede aanvulling bieden
op het algemeen bestuur. Zie inzake organen van functioneel bestuur
(zelfstandige bestuursorganen) § 4.5a van deze aanwijzingen.
Aanwijzing 17
1.Bij de toekenning van bestuursbevoegdheden wordt de uitoefening
daarvan zoveel mogelijk genormeerd.
2.Met het oog hierop worden discretionaire bevoegdheden en
bevoegdheden met vage toepassingscriteria niet toegekend, tenzij
daarvoor goede gronden zijn.
Toelichting:
Ten einde de burger voldoende rechtswaarborgen te bieden, moeten
bestuursbevoegdheden zo nauwkeurig mogelijk wettelijk worden ingekaderd.
Dit geldt evenzeer voor bestuursinstrumenten die de overheid op zich ook
zonder wettelijke grondslag zou kunnen hanteren (bij voorbeeld het
verlenen van incidentele subsidies). Zie ook aanwijzing 12.
Met het oog op de wenselijkheid rechtswaarborgen te bieden dient ook
ten aanzien van elke bevoegdheid te worden bezien in welke mate
rechtsbescherming noodzakelijk is. Daarbij geldt als uitgangspunt het in
de Algemene wet bestuursrecht neergelegde stelsel van rechtsbescherming.
Zie verder de aanwijzingen 148 tot en met 160.
Aanwijzing 18
Bij het ontwerpen van regelingen wordt onderzocht welke hogere regels
de vrijheid van regeling ten aanzien van het betrokken onderwerp hebben
ingeperkt.
Toelichting:
Bij hogere regels kan het gaan om internationale regelingen of
bindende EU-rechtshandelingen, het Statuut, grondwettelijke
voorschriften, rechtsbeginselen en - bij regelingen die worden
vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling
- regels die zijn neergelegd in een wet in formele zin. Wat de
internationale regels betreft is in het bijzonder te denken aan het
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten. Wat EU-regelgeving en andere regelgeving betreft valt, behalve
aan richtlijnen, verordeningen en besluiten, te denken aan algemene
leerstukken als het burgerschap van de Europese Unie, het vrije verkeer
van goederen, personen, diensten en kapitaal en de Europese
mededingingsregels. Op het terrein van diensten kan in het bijzonder
gedacht worden aan richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en
de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU
2006, L 376, de Dienstenrichtlijn).
Wat betreft artikel 1 van de Grondwet wordt erop gewezen dat de in
dat artikel opgenomen zinsnede `op welke grond dan ook' uitdrukt dat ook
ongerechtvaardigd onderscheid op andere gronden dan de in het artikel
expliciet genoemde - bijvoorbeeld leeftijd of handicap - verboden is.
Voor de onderscheidingsgrond leeftijd geldt bovendien dat ook de hoogte
van de leeftijdsgrens geen ongerechtvaardigd onderscheid tot gevolg mag
hebben.
Van de rechtsbeginselen kunnen met name worden genoemd het
rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het
evenredigheidsbeginsel.
Wat de regels aangaat die zijn neergelegd in een wet, dient niet
alleen te worden gelet op de wet waarop de betrokken algemene maatregel
van bestuur of ministeriële regeling berust, maar ook op andere wetten.
§ 2.2. Algemeen verbindende voorschriften
Aanwijzing 19
Als algemeen verbindend voorschrift, vastgesteld vanwege het Rijk,
wordt beschouwd een naar buiten werkende algemene regel, vastgesteld bij
of krachtens wet dan wel, in bijzondere gevallen, bij of krachtens
zelfstandige algemene maatregel van bestuur.
Toelichting:
De in deze aanwijzing opgenomen omschrijving van het begrip algemeen
verbindend voorschrift is gebaseerd op de huidige stand van de
jurisprudentie.
Naast algemeen verbindende voorschriften behoren interne regels en
beleidsregels tot de algemene regels, vastgesteld vanwege het Rijk.
Interne regels ontberen het element "naar buiten werkende" van
algemeen verbindende voorschriften. Zie voor de omschrijving van het
begrip "beleidsregels" artikel 1:3, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht.
Zie met betrekking tot de zelfstandige algemene maatregel van bestuur
aanwijzing 21.
Deze aanwijzing geeft ook aan dat algemeen verbindende voorschriften
zonder delegatie door een wet of een algemene maatregel van bestuur niet
kunnen worden vastgesteld bij ministeriële regeling.
Volledigheidshalve zij vermeld dat algemeen verbindende voorschriften
niet alleen van het Rijk afkomstig kunnen zijn. Zij kunnen ook zijn
neergelegd in bindende EU-rechtshandelingen en besluiten van decentrale
overheden en openbare lichamen als bedoeld in artikel 134 van de
Grondwet.
Aanwijzing 20
Algemeen verbindende voorschriften worden vanwege het Rijk niet op
andere wijze vastgesteld dan bij:
a. wet,
b. algemene maatregel van bestuur,
c. ministeriële regeling of
d. regeling van een zelfstandig bestuursorgaan met inachtneming
van aanwijzing 124c.
Toelichting:
Uit deze aanwijzing vloeit voort dat algemeen verbindende
voorschriften vanwege de regering moeten worden vastgesteld bij algemene
maatregel van bestuur. Zij mogen derhalve niet worden vastgesteld bij
zogenaamd klein koninklijk besluit, dat wil zeggen een koninklijk
besluit dat niet voldoet aan de bijzondere vereisten voor een algemene
maatregel van bestuur, te weten dat de ministerraad en de Afdeling
advisering van de Raad van State erover zijn gehoord en dat het is
gepubliceerd in het Staatsblad.
Wijziging van bestaande kleine koninklijke besluiten die algemeen
verbindende voorschriften bevatten, dient ook bij algemene maatregel van
bestuur te geschieden. De vorm van een klein koninklijk besluit kan wel
gebruikt worden voor regelgeving van interne aard. Een voorbeeld hiervan
is het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de
functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988,
499).
Deze aanwijzing houdt ook in dat de bevoegdheid tot vaststelling van
algemeen verbindende voorschriften niet mag worden toegekend aan een
ambtelijke functionaris die geen zelfstandig bestuursorgaan is. Aan zo’n
functionaris kan wel de bevoegdheid worden toegekend regels te geven
omtrent het functioneren van zijn eigen organisatie.
Aanwijzing 21
Voor het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften wordt een
zelfstandige algemene maatregel van bestuur niet gebruikt behoudens in
uitzonderlijke situaties bij wijze van tijdelijke voorziening.
Toelichting:
Toepassingsmogelijkheden. Een zelfstandige algemene maatregel van
bestuur berust niet op een wet. Naar huidige rechtsopvatting is er
slechts in enige uitzonderlijke gevallen ruimte voor een dergelijk type
regeling. Gezien het uitzonderlijk karakter moet in de toelichting bij
een zelfstandige algemene maatregel van bestuur het gebruik daarvan
worden gemotiveerd. In de aanhef van een zelfstandige algemene maatregel
van bestuur wordt dan verwezen naar artikel 89 van de Grondwet.
Grondwettelijke beperkingen. Allereerst perkt de Grondwet de ruimte
voor zelfstandige algemene maatregelen van bestuur sterk in. Artikel 89,
tweede lid, van de Grondwet verzet zich tegen het opnemen van door
straffen te handhaven voorschriften in een dergelijke algemene maatregel
van bestuur. Onderwerpen ten aanzien waarvan de Grondwet voorschrijft,
dat de wet deze regelt of dat bepalingen daarover bij of krachtens de
wet worden vastgesteld, lenen zich evenmin voor regeling bij
zelfstandige algemene maatregel van bestuur.
Beperkingen vanwege het primaat van de wetgever. Maar ook in de
gevallen waarin de Grondwet het vaststellen van algemeen verbindende
voorschriften bij zelfstandige algemene maatregel van bestuur niet
uitsluit, is die weg ongewenst aangezien daarmee geen recht wordt gedaan
aan het primaat van de wetgever (zie aanwijzing 22). Bepalingen die de
aan de betrokkenen toekomende rechten en vrijheden inperken, kunnen naar
huidige rechtsopvatting niet bij zelfstandige algemene maatregel van
bestuur worden vastgesteld. Dit geldt steeds voor het stellen van
voorschriften die door middel van bestuursdwang worden gehandhaafd. In
andere gevallen, zoals algemeen verbindende voorschriften die
financiële aanspraken regelen, kan in uitzonderlijke situaties zo nodig
een zelfstandige algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld, doch
ook dan nog slechts voor het treffen van een tijdelijke voorziening.
Zie ook de aanwijzingen 181 en 182.
Beperkingen ingevolge afzonderlijke wetten. Er zij nog op gewezen dat
de Financiële-verhoudingswet en de Wet financiën openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba bijzondere bepalingen bevatten inzake de
geoorloofdheid om bij zelfstandige algemene maatregel van bestuur regels
te stellen inzake specifieke uitkeringen voor provincies of gemeenten en
inzake bijzondere uitkeringen voor de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba (artikel 17 van de Financiële-verhoudingswet en
artikel 92 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba).
Algemene maatregelen van rijksbestuur. Het Statuut voor het
Koninkrijk geeft voor het gebruik van de zelfstandige maatregel van
rijksbestuur specifieke ruimere mogelijkheden (zie artikelen 14 en 38
Statuut).
Aanwijzing 22
Bij verdeling van de elementen van een regeling over de wet en
algemeen verbindende voorschriften van lager niveau bevat de wet ten
minste de hoofdelementen van de regeling. Bij de keuze welke elementen
in de wet zelf regeling moeten vinden en ter zake van welke elementen
delegatie is toegestaan, dient het primaat van de wetgever als
richtsnoer.
Toelichting:
Betrokkenheid parlement. Het primaat van de wetgever dient niet aldus
te worden verstaan dat het parlement bij alle onderdelen van een
regeling rechtstreeks moet worden betrokken. Lang niet alle onderdelen
van een regeling zijn van die betekenis dat directe parlementaire
invloed op de vaststelling daarvan in de rede ligt. De mogelijkheid die
het parlement heeft het regeringsbeleid achteraf te controleren, is dan
voldoende.
Gelet op het vorenstaande dient voor de keuze welke elementen van een
regeling in de wet moeten worden geregeld en ter zake van welke
delegatie toelaatbaar is, steeds te worden onderzocht welke elementen
van een regeling zo gewichtig zijn dat de volksvertegenwoordiging
rechtstreeks bij de vaststelling moet worden betrokken. Aldus moeten ten
minste de hoofdelementen van een regeling in de wet worden opgenomen.
Hoofdelementen van de regeling. Hoofdelementen zijn in ieder geval de
reikwijdte en de structurele elementen van de regeling. Veelal zullen
daartoe ook de voornaamste duurzame normen behoren. Het kan echter uit
een oogpunt van toegankelijke regelgeving beter zijn om in de wet over
een bepaald onderwerp geen materiële normen op te nemen, maar aan de
lagere wetgever over te laten een integrale materiële regeling tot
stand te brengen.
De aanwijzing ziet niet op rechtspositionele regelingen ten aanzien
van overheidspersoneel, aangezien deze in belangrijke mate een intern
karakter hebben.
Aanwijzing 23
1.In ieder geval worden in de wet opgenomen voorschriften ten
aanzien van onderwerpen waarvoor de Grondwet een regeling bij wet eist
en geen delegatie toelaat.
2.Een in de Grondwet neergelegd verbod tot delegatie houdt in dat
a. alle wezenlijke bepalingen ten aanzien van het betrokken
onderwerp in de wet moeten worden vastgelegd en
b. in de wet niet mag worden volstaan met het ter zake van het
betrokken onderwerp toekennen van vage bestuursbevoegdheden in de
wet, waarbij de invulling van de regeling geheel of grotendeels
aan bestuursorganen wordt overgelaten.
Toelichting:
Delegatie is slechts toegestaan, indien in de Grondwet de formule
"bij of krachtens de wet" of enigerlei vorm van het werkwoord
"regelen" of de zelfstandige naamwoorden "regels" of
"regeling" zijn gebruikt. Een grondwettelijk delegatieverbod
laat overigens onverlet dat het stellen van als uitvoering te beschouwen
regels over details toch aan een lagere regelgever mag worden
overgelaten.
Dit laatste is echter niet het geval bij grondwettelijke ‘delegatieverboden’
inzake klassieke grondrechten (zie Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr.
3, blz. 22 e.v.).
Laat de Grondwet wel delegatie toe, dan dient een afweging plaats te
vinden zoals in aanwijzing 22 is beschreven.
Als voorbeelden van voorschriften waarvoor de Grondwet eist dat deze
bij wet worden vastgesteld, kunnen worden genoemd regelingen, inhoudende
beperkingen van bepaalde grondrechten (artikelen 2, vierde lid, 4, 6, 7,
eerste en derde lid, 8, 9, 12, tweede lid, 13 en 23, tweede lid),
vaststelling van straffen die de rechter terzake van een delict kan
opleggen (artikel 89, tweede lid) en regeling van de berechting van
andere dan civielrechtelijke geschillen (artikel 112, tweede lid).
Een bijzonder geval wordt gevormd door artikel 104 van de Grondwet,
waarin wordt bepaald dat belastingen van het Rijk worden geheven uit
kracht van een wet. Met de formule "uit kracht van een wet"
wordt aangegeven dat delegatie ten aanzien van rijksbelastingen wel is
toegestaan maar slechts in zeer beperkte mate. Onderwerpen als
belastinggrondslag, het belastbare feit, de kring van
belastingplichtigen en de basis van het tarief dienen in ieder geval in
de wet zelf te worden vastgelegd. Zie verder Kamerstukken II 1978/79, 15
575, nrs. 1-5, blz. 4-5.
Aanwijzing 24
1.Zoveel mogelijk worden in de wet opgenomen:
a. voorschriften die de grondslag vormen van een stelsel van
vergunningen of een stelsel waarbij anderszins de toelaatbaarheid
van handelen afhankelijk wordt gesteld van verlof van de overheid;
b. voorschriften die andere overheden in medebewind roepen;
c. voorschriften waarbij nieuwe bestuursorganen in het leven
worden geroepen;
d. voorschriften betreffende rechtsbescherming;
e. voorschriften inzake sancties van bestuursrechtelijke of
civielrechtelijke aard;
f. voorschriften waarbij toezichts- of opsporingsbevoegdheden
worden toegekend;
g. voorschriften omtrent rechten en verplichtingen van burgers
jegens elkaar;
h. voorschriften die beogen aan de burger procedurele
waarborgen te bieden ten aanzien van het gebruik van bevoegdheden
door de overheid.
2.Ook worden zoveel mogelijk in de wet opgenomen voorschriften
omtrent het bestaan van financiële aanspraken jegens de overheid, de
kring van voor die aanspraken in aanmerking komende personen en de
verschillende elementen die bij de bepaling van de uit te keren
bedragen een rol moeten spelen, tenzij de financiële aanspraken
slechts zeer tijdelijk of incidenteel van aard zijn dan wel het
slechts om een zeer beperkt aantal gevallen gaat.
Toelichting:
Het eerste lid somt een aantal categorieën van voorschriften op ten
aanzien waarvan niet reeds uit de Grondwet voortvloeit dat zij bij wet
moeten worden vastgesteld maar vaststelling bij wet niettemin, gelet op
het primaat van de wetgever, wenselijk is. Het gaat om een opsomming met
een enuntiatief karakter.
Onderdeel a: Vergunningenstelsels. Het bepaalde in de aanhef en onder
a laat de mogelijkheid open dat een vergunningenstelsel niet in de wet
zelf in het leven wordt geroepen maar in de wet wordt volstaan met het
uitdrukkelijk opnemen van de mogelijkheid dat bij algemene maatregel van
bestuur voor nader omschreven gedragingen een vergunningplicht wordt
ingesteld.
Het bepaalde in de aanhef en onder a geldt ook indien vergunningen
niet met die term worden aangeduid maar met een andere benaming zoals
erkenning. Het voorschrift heeft echter geen betrekking op die gevallen
waarin op basis van bijzondere omstandigheden ontheffing kan worden
verleend van een verbod of gebod.
Onderdeel c: Zie voor zelfstandige bestuursorganen § 4.5a.
Onderdeel h: Procedurele waarborgen voor burgers. Onderdeel h heeft
betrekking op procedurele waarborgen die aan de burger worden geboden
met betrekking tot het handelen van de overheid. Dit onderdeel ziet niet
op voorschriften van administratieve aard die ertoe strekken een
ordelijk en vlot verloop van het contact tussen burger en overheid en
het functioneren van het overheidsapparaat te vergemakkelijken.
Procedurele waarborgen zijn bij voorbeeld voorschriften die het horen
van belanghebbenden alvorens te beslissen voorschrijven, recht op inzage
van bepaalde stukken bieden, de verplichting scheppen tot vaststellen en
bekendmaken van beleidsvoornemens of de plicht opleggen bepaalde
instanties om advies te vragen.
Voorschriften van administratieve aard, zoals hiervoor bedoeld, zijn
voorschriften omtrent modellen of formulieren, het verplichten tot het
meezenden van bepaalde bescheiden of de wijze van indienen van stukken.
§ 2.3. Delegatie en mandaat van regelgevende bevoegdheid
Aanwijzing 25
Elke delegatie van regelgevende bevoegdheid dient in de delegerende
regeling zo concreet en nauwkeurig mogelijk te worden begrensd.
Toelichting:
Voor de begrenzing van gedelegeerde regelgevende bevoegdheid kan
worden gedacht aan het concretiseren van de omstandigheden waarin van de
gedelegeerde bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt, van de te regelen
onderwerpen en van de doeleinden waartoe zij mag worden gebruikt.
Aanwijzing 26
1.Delegatie aan een minister van de bevoegdheid tot het vaststellen
van algemeen verbindende voorschriften wordt beperkt tot voorschriften
van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling,
voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan
te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden
vastgesteld.
2.Delegatie aan een minister van de bevoegdheid tot het vaststellen
van algemeen verbindende voorschriften is ook toegestaan indien het
gaat om het verwerken in de Nederlandse wetgeving van internationale
regelingen die de Nederlandse wetgever, behoudens op ondergeschikte
punten, geen ruimte laten voor het maken van keuzen van
beleidsinhoudelijke aard.
Toelichting:
Indien delegatie plaatsvindt verdient het in het algemeen de voorkeur
dat de bevoegdheid wordt toegekend bij algemene maatregel van bestuur
regels te stellen. Slechts in bepaalde gevallen is delegatie of
subdelegatie aan een minister geoorloofd. Deze aanwijzing geeft aan
welke gevallen dit zijn. Onder omstandigheden kan het ook gaan om een
(tijdelijke) ministeriële regeling die de instelling van een
vergunningplicht inhoudt (zie bijvoorbeeld artikel 7 jo. 2, derde lid,
In- en uitvoerwet).
De aanwijzing ziet niet op rechtspositionele regelingen ten aanzien
van overheidspersoneel, aangezien deze in belangrijke mate een intern
karakter hebben.
Aanwijzing 27
Delegatie aan een minister van de bevoegdheid tot het vaststellen van
algemeen verbindende voorschriften geschiedt, indien mogelijk,
rechtstreeks in de wet.
Toelichting:
Indien bij het formuleren van een wet reeds vaststaat dat bepaalde
voorschriften bij ministeriële regeling moeten worden gegeven, dient,
indien dit wetgevingstechnisch niet tot problemen leidt, het stellen van
die regels in de wet rechtstreeks aan de betrokken minister te worden
gedelegeerd. Er wordt dan niet gekozen voor delegatie aan de regering,
die op haar beurt dan weer aan de minister delegeert. Daarvoor is
slechts reden als ten tijde van het formuleren van de wet wel
voorzienbaar is dat er onderwerpen zullen zijn die voor opneming in een
ministeriële regeling in aanmerking komen (volgens de criteria van
aanwijzing 26), maar het tegelijkertijd nog onvoldoende duidelijk is in
welke mate de meer wezenlijke aspecten van die onderwerpen in een
algemene maatregel van bestuur een plaats behoren te krijgen.
Aanwijzing 28
1.Voor delegatie van de bevoegdheid tot het vaststellen van
algemeen verbindende voorschriften aan de regering wordt de formule
"bij algemene maatregel van bestuur" gebruikt.
2.Is het de bedoeling subdelegatie van deze bevoegdheid door de
regering mogelijk te maken, dan wordt de formule "bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur" gebruikt.
Toelichting:
Door het gebruik van de formule "bij algemene maatregel van
bestuur" wordt subdelegatie van regelgevende bevoegdheid door de
regering uitgesloten (zie HR 25 januari 1926, NJ blz. 246, en HR 26
november 1957, NJ 53). Niettemin is in de jurisprudentie wel
geaccepteerd dat, indien deze formule wordt gehanteerd, in de betrokken
algemene maatregel van bestuur aan een minister wordt overgelaten een
regeling vast te stellen ter uitwerking van, in de maatregel genoemde,
detailpunten ten behoeve van de toepassing van de bij de maatregel
getroffen regeling in de praktijk (zie HR 8 mei 1953, NJ 614, en HR 11
januari 1977, NJ 467). Dit wordt dan niet beschouwd als subdelegatie van
regelgevende bevoegdheid, maar als het aan een minister overlaten van
uitvoering van de bij algemene maatregel van bestuur getroffen regeling.
Overigens verdient het aanbeveling bij het ontwerpen van een
wetsvoorstel niet van deze mogelijkheid uit te gaan maar in alle
gevallen waarin het wenselijk voorkomt dat aan een minister wordt
overgelaten nadere regels te stellen, van welke aard dan ook, in de wet
voor delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de regering de formule
"bij of krachtens" te gebruiken.
Vermelding verdient dat het in oude wetgeving kan voorkomen dat niet
de formule "bij of krachtens" is gebruikt, terwijl het toch
niet in de bedoeling heeft gelegen subdelegatie uit te sluiten. In een
dergelijk geval kan soms uit de wetsgeschiedenis of de jurisprudentie
worden afgeleid dat subdelegatie geoorloofd is te achten.
In de Grondwet wordt de bevoegdheid tot delegatie van regelgevende
bevoegdheid door de wetgever, behalve door de formule "bij of
krachtens", tot uitdrukking gebracht door het gebruik van enigerlei
vorm van het werkwoord "regelen" dan wel van de zelfstandige
naamwoorden "regels" of "regeling". Een dergelijk
gebruik van deze termen is evenwel beperkt tot de Grondwet.
Aanwijzing 29
Ten aanzien van de voordracht en ondertekening van een algemene
maatregel van bestuur worden in de delegerende wet slechts voorschriften
gegeven, indien bij het ontbreken daarvan onduidelijkheid zou kunnen
ontstaan.
Toelichting:
In het algemeen blijkt uit de ondertekening van de delegerende wet en
uit de te regelen materie welke minister(s) een algemene maatregel van
bestuur moet(en) ondertekenen (zie voor de daarvoor geldende criteria
aanwijzing 201). Dit kan anders liggen indien het bij voorbeeld gewenst
wordt geacht de verantwoordelijkheid voor een algemene maatregel van
bestuur te leggen bij een minister die de betrokken wet niet heeft
ondertekend.
De minister of ministers die een algemene maatregel van bestuur
ondertekenen, moeten er voor zorgen dat andere ministers aan wier
werkterrein de regeling raakt, zo nodig bij de voorbereiding daarvan
betrokken worden. Dat geldt zowel indien verwacht mag worden dat de
desbetreffende algemene maatregel van bestuur het beleid van die andere
ministers ondersteunt, als indien dat juist niet het geval is. Die
afstemming is voor algemene maatregelen van bestuur uiteindelijk
gewaarborgd door de behandeling van de ontwerpen daarvan in de
ministerraad.
Het is niet nodig, en daarom ook ongewenst, wettelijk te regelen dat
een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur gedaan wordt in
overeenstemming met of na overleg met een of meer andere ministers. Bij
het ontwerpen van de delegerende wet kunnen daarover afspraken worden
gemaakt. Deze afspraken kunnen worden vermeld in de toelichting.
Aanwijzing 30
1. Voor delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister
wordt de formule "bij ministeriële regeling" of de formule
"bij regeling van Onze Minister van/voor ......" gebruikt.
2. De delegerende wet of algemene maatregel van bestuur geeft aan
door welke minister of ministers een ministeriële regeling wordt
vastgesteld, tenzij daarover geen misverstand kan bestaan.
Toelichting:
Ook voor een ministeriële regeling geldt dat in het algemeen uit de
ondertekening van de delegerende wet of algemene maatregel van bestuur
en uit de te regelen materie blijkt welke minister(s) moet(en)
ondertekenen (zie voor de daarvoor geldende criteria aanwijzing 201).
Indien daarover echter misverstand kan bestaan, dient in de delegerende
regeling voor de delegatie de formule "bij regeling van Onze
Minister van/voor ..." te worden gebruikt. Aangezien bij
ministeriële regelingen, anders dan bij wetten en algemene maatregelen
van bestuur, de ondertekening door de minister(s) de vaststelling van de
regeling inhoudt, kan in laatstbedoeld geval de regeling slechts worden
ondertekend door de minister(s) aan wie de delegatie van de regelgevende
bevoegdheid heeft plaatsgevonden.
Omdat hier de waarborg van een verplichte behandeling in de
ministerraad ontbreekt, is er eerder dan ten aanzien van algemene
maatregelen van bestuur aanleiding voor voorschriften over
ondertekening. Zie in dit verband ook aanwijzing 31.
Ook een door een staatssecretaris vastgestelde regeling wordt
aangeduid als ministeriële regeling. Zie aanwijzing 77.
Aanwijzing 31
1.De uitdrukking dat een minister een bevoegdheid uitoefent
"in overeenstemming met" een ambtgenoot, wordt gebruikt,
indien vereist is dat het overleg tot overeenstemming leidt.
2.In de overige gevallen wordt "na overleg met" gebruikt.
Toelichting:
Er is geen inhoudelijk verschil tussen het vaststellen van een
regeling door meer dan één minister en het vaststellen door één
minister in overeenstemming met een andere. In het eerste geval is er
echter meer dan één handtekening nodig. In dat verband zij gewezen op
het belang om het aantal medeondertekenaars zoveel mogelijk te beperken
(zie aanwijzing 201, eerste lid).
De uitdrukking "in overleg met" wordt vermeden.
Aanwijzing 32
Bij delegatie van regelgevende bevoegdheid wordt over
"regels" gesproken, indien in de delegerende regeling over het
betrokken onderwerp nog niets is geregeld. In andere gevallen wordt over
"nadere regels" gesproken.
Aanwijzing 33
In een regeling wordt, behoudens in bijzondere omstandigheden, niet
voorzien in mandaatverlening van de bevoegdheid tot het vaststellen van
algemeen verbindende voorschriften.
Toelichting:
De figuur van mandaat tot het vaststellen van algemeen verbindende
voorschriften aan bijvoorbeeld een secretaris-generaal of
directeur-generaal is over het algemeen onwenselijk en onnodig. Het is
van belang dat de politiek verantwoordelijke bewindspersoon zelf de
regeling vaststelt.
Aanwijzing 33a
1. In een hogere regeling wordt niet toegestaan dat daarvan bij
lagere regeling wordt afgeweken.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. afwijkende regelingen die bij wijze van experiment worden
ingevoerd;
b. afwijkende regelingen ten behoeve van noodsituaties.
Toelichting
Een lagere regelgever heeft niet de bevoegdheid om van een regeling
van een hogere regelgever af te wijken, tenzij de hogere regelgever de
lagere daartoe bevoegd verklaart. Met de term afwijken wordt gedoeld op
de situatie dat de lagere regelgeving bepalingen bevat die niet slechts
uitwerking of invulling inhouden van formeelwettelijke bepalingen, maar
daarmee als het ware ‘strijdig’ zijn. Ook al is een dergelijke
constructie strikt genomen geoorloofd, zij leidt tot onoverzichtelijke
regelgeving en dient derhalve in beginsel niet te worden toegepast.
Afwijkende voorschriften die bij wijze van experiment worden
ingevoerd, dienen een tijdelijk karakter te hebben en ook overigens aan
bepaalde voorwaarden te voldoen. Zie hiervoor de aanwijzingen 10a, 10b,
181, 182 en 183.
Bij noodsituaties kan worden gedacht aan het toekennen van ruime, van
de wet afwijkende bevoegdheden voor bestuursorganen in geval van rampen,
oorlogssituaties of anderszins bedreiging van de veiligheid. Voorbeeld:
artikel 35 van de Noodwet financieel verkeer.
Ook artikel 103 van de Grondwet bevat een regeling voor een
uitzonderingstoestand. Deze aanwijzing ziet niet op de situatie zoals
beschreven in dat artikel.
Ook bij het implementeren van internationale en EU-regelgeving dient
afwijking van een hogere regeling bij lagere regeling achterwege te
blijven. Daar doet zich het probleem van overzichtelijkheid en
kenbaarheid van de regelgeving extra gevoelen. De mogelijkheden voor
delegatie die ten behoeve van implementatie van internationale en
EU-regelgeving bestaan, bieden afdoende mogelijkheden om tijdige
implementatie te verzekeren. Zie het nadere kabinetsstandpunt inzake
versnelde implementatie van EU-regelgeving (Kamerstukken I 2004/05, 29
200 VI, F (2e herdruk)) en de aanwijzingen 26 en 339.
Van de hier bedoelde gevallen dient overigens te worden onderscheiden
dat wordt toegestaan dat bij lagere regeling uitzonderingen op een
voorschrift in een hogere regeling worden gemaakt onder het stellen van
voorwaarden of eisen en onder aanwijzing van een bepaalde groep of
situatie of een tijdsperiode. Dit betreft in het bijzonder de figuur van
de vrijstelling of ontheffing. Een dergelijke opzet is zeker
aanvaardbaar en soms zelf de meest voor de hand liggende.
Aanwijzing 34
1. In een hogere regeling wordt niet toegestaan dat deze bij lagere
regeling wordt gewijzigd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. het volgens vaste systematiek aanpassen van bedragen,
tarieven en percentages;
b. wetstechnische aanpassingen van verwijzingen naar bindende
EU-rechtshandelingen en verdragen of onderdelen daarvan.
3. In een delegatiebepaling waarin wijziging van een hogere
regeling door een lagere regeling mogelijk wordt gemaakt, wordt
uitsluitend de term ‘wijzigen’ gebruikt.
Toelichting:
Tegen wijziging van een regeling bij regeling van lagere orde bestaat
hetzelfde bezwaar als in aanwijzing 33a ten aanzien van afwijking van
een regeling bij regeling van lagere orde is geformuleerd, namelijk dat
dit onoverzichtelijke regelgeving in de hand werkt. Daarom wordt ook
slechts voor twee specifieke gevallen een uitzondering gemaakt, namelijk
voor wijziging van tarieven, bedragen en percentages en voor technische
wijziging van verwijzingen naar (onderdelen van) bindende
EU-rechtshandelingen.
In het laatste geval zijn onderdelen van een bindende
EU-rechtshandeling vernummerd of is een bindende EU-rechtshandeling in
het kader van ‘codificatie’ opnieuw vastgesteld, zonder dat sprake
is van inhoudelijke wijziging. De aanpassing van een verwijzing heeft
dan een zuiver wetstechnisch karakter en is veelal spoedeisend vanwege
het ontbreken van een implementatietermijn. Eenduidige terminologie bij
wijziging van bedragen, tarieven en percentages is wenselijk voor de
helderheid van de bepaling (zie tevensaanwijzing 163a, tweede lid).
Gebruik van andere termen (zoals aanpassen, herzien, in de plaats
treden, vervangen, indexeren) leidt tot onduidelijke delegatieopdrachten
en moet daarom worden vermeden. Ook wetsbepalingen die opdracht geven
tot wijzigingen ‘van rechtswege’ worden niet gebruikt. Zie ook
aanwijzing 223.
Aanwijzing 34a
1. Een algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder vastgesteld
dan nadat de wet waarop deze is gebaseerd, is vastgesteld.
2. In uitzonderlijke situaties kan een algemene maatregel van
bestuur reeds worden vastgesteld nadat het wetsvoorstel dat aan de
algemene maatregel van bestuur ten grondslag ligt door de Tweede Kamer
is aanvaard.
3. Voor de inwerkingtredingsbepaling van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt het in aanwijzing 180,
onder G, bedoelde model gebruikt.
4. Deze aanwijzing is van overeenkomstige toepassing op het
vaststellen van een ministeriële regeling.
Toelichting:
Een uitvoeringsregeling kan niet eerder in werking treden of verder
terugwerken dan de delegerende regeling. Voor de vaststelling ervan kan
dat anders liggen. Van een uitzonderlijke situatie kan sprake zijn
wanneer zaken die niet doelmatig in de wet zelf te regelen zijn
(administratieve voorschriften, aangelegenheden omtrent de uitvoering)
tijdig bekend dienen te zijn aan justitiabelen of uitvoeringsinstanties,
ten einde hun de gelegenheid te bieden zich hierop adequaat voor te
bereiden, en de wet zelf op zeer korte termijn in werking moet treden.
Steeds moet hierbij echter bezien worden of op andere wijze,
bijvoorbeeld door circulaires of voorlichting, tijdig in de gewenste
duidelijkheid kan worden voorzien. Uiteraard dient voldoende zekerheid
te bestaan over de uiteindelijke redactie en nummering van de artikelen
van de delegerende wet, zodat niet achteraf onduidelijkheid kan ontstaan
over de wettelijke basis van het besluit.
§ 2.4. Parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving
Aanwijzing 35
In de wet wordt geen formele betrokkenheid van het parlement bij
gedelegeerde regelgeving geregeld tenzij daarvoor bijzondere redenen
bestaan.
Toelichting:
Terughoudendheid met parlementaire betrokkenheid. Het is wenselijk
dat bij de verdeling van een regeling over de wet en algemeen
verbindende voorschriften van lager niveau duidelijke keuzes worden
gemaakt waarbij ofwel een onderwerp in de wet wordt geregeld, ofwel het
geven van voorschriften daaromtrent wordt gedelegeerd aan een lagere
regelgever. Bij voorkeur moet worden vermeden dat de vaststelling van
bepaalde voorschriften aan een lagere regelgever wordt gedelegeerd en
tegelijkertijd wordt vastgelegd dat het parlement bij deze regelgeving
moet worden betrokken. In een enkel geval valt aan gedelegeerde
regelgeving met parlementaire betrokkenheid echter niet te ontkomen. Zie
de toelichting bij aanwijzing 176 voor de afstemming tussen de
inwerkingtreding van een voorhangbepaling en een met inachtneming
daarvan tot stand te brengen gedelegeerde regeling.
Vormen van parlementaire betrokkenheid. Er zijn drie hoofdvormen van
parlementaire betrokkenheid te onderscheiden, te weten: gecontroleerde,
tijdelijke en voorwaardelijke delegatie. Zie hiervoor verder
onderscheidenlijk de aanwijzingen 36, 38 en 42. Een bijzondere vorm is
verder delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet. Zie
daarvoor aanwijzing 40.
In het algemeen wordt parlementaire betrokkenheid geregeld met
betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Het
is echter ook denkbaar dat in een dergelijke betrokkenheid wordt
voorzien ten aanzien van bij ministeriële regeling te stellen
voorschriften. Gelet op de aard van dergelijke regels (zie aanwijzing
26) ligt een dergelijke betrokkenheid bij gecontroleerde en
voorwaardelijke delegatie echter weinig voor de hand. Anders ligt dit
evenwel bij tijdelijke delegatie en delegatie onder het vereiste van
goedkeuring bij wet.
Aanwijzing 36
Gecontroleerde delegatie wordt slechts toegepast ingeval een materie
regeling bij wet rechtvaardigt maar zich daarvoor toch niet goed leent
vanwege haar sterk technische karakter, de noodzaak van snelle
wijzigingen of de grote omvang van de te stellen regels.
Toelichting:
Gecontroleerde delegatie houdt in dat voorschriften bij lagere
regeling kunnen worden vastgesteld maar dat een voorontwerp daarvan, ter
kennis van het parlement wordt gebracht. Het parlement moet dan enige
tijd in de gelegenheid worden gesteld opmerkingen over het ontwerp of de
regeling te maken en daarover met de betrokken bewindspersoon van
gedachten te wisselen.
Aanwijzing 37
Voor gecontroleerde delegatie wordt een van de volgende modellen
gebruikt:
a. De voordracht voor een krachtens artikel .... vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier
weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
b. De voordracht voor een krachtens artikel ... vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het
ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de
gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de
bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze
Minister van/voor ..... te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking
wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal
overgelegd.
Toelichting:
Model onder a. Het onder a opgenomen model ziet op de situatie waarin
het wenselijk wordt geacht dat de Staten-Generaal zich over een ontwerp
van een algemene maatregel van bestuur kunnen uitspreken, zonder dat
daarover inspraak in den brede wordt geregeld (zie daarvoor model b).
Dit kan tot problemen leiden indien de Staten-Generaal bedenkingen
blijken te hebben die het kabinet wil overnemen. Het is dan beter dat de
algemene maatregel van bestuur het vaststellen van de datum van
inwerkingtreding overlaat aan een klein koninklijk besluit.
Model onder b. Het onder b opgenomen model ziet op de situatie waarin
het wenselijk voorkomt niet alleen de Staten-Generaal de gelegenheid te
geven vóór de inwerkingtreding van een algemene maatregel van bestuur
hun standpunt over de regeling kenbaar te maken maar tevens om inspraak
in den brede mogelijk te maken.
Bij beide modellen geldt dat het ontwerp voorafgaand aan overlegging
aan de beide Kamers der Staten-Generaal in de ministerraad moet zijn
behandeld. Zie in dit verband artikel 4, tweede lid, aanhef en onder d,
van het reglement van orde voor de ministerraad. Daarbij geldt dat de
eerstverantwoordelijke minister tevens wordt gemachtigd tot het doen van
de voordracht aan de Koningin met het oog op toezending van het ontwerp
om advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State na afloop van
de voorhangprocedure, mits geen ingrijpende wijzigingen worden
aangebracht.
Ten einde zeker te stellen dat de Staten-Generaal binnen de termijn
hun mening kenbaar kunnen maken, is het gewenst dat rekening wordt
gehouden met de recesperioden van de Staten-Generaal. Zie hierover
aanwijzing 43a. Bij beide modellen verdient het overigens de voorkeur
niet reeds in de betrokken algemene maatregel van bestuur zelf het
tijdstip van inwerkingtreding vast te leggen.
Aanwijzing 38
Tijdelijke delegatie blijft beperkt tot gevallen waarin te stellen
voorschriften gelet op hun betekenis bij wet moeten worden vastgesteld
maar de totstandkoming van een wet niet kan worden afgewacht.
Toelichting:
Tijdelijke delegatie houdt in dat voorschriften tijdelijk bij een
algemene maatregel van bestuur of eventueel een ministeriële regeling
kunnen worden vastgesteld maar dat deze algemene maatregel van bestuur
of ministeriële regeling op korte termijn moet worden vervangen door
een wet. Voor deze constructie kan aanleiding zijn indien met betrekking
tot een materie die op zich regeling bij wet behoeft, snelle interventie
is geboden of anticipatie op nieuwe maatregelen moet worden voorkomen
(dit doet zich vooral voor bij sociaal-economische en fiscale
regelgeving).
Duidelijk nadeel van de constructie is dat zij dubbel werk oplevert:
eerst moeten de voorschriften bij lagere regelgeving worden vastgesteld
en vervolgens moet nog een regeling bij wet tot stand worden gebracht.
Dit nadeel wordt ondervangen door delegatie onder het vereiste van
goedkeuring bij wet. Zie aanwijzing 40.
Aanwijzing 39
Voor tijdelijke delegatie wordt het volgende model gebruikt:
Na de plaatsing in het Staatsblad (in de Staatscourant) van een
krachtens artikel ... vastgestelde algemene maatregel van bestuur
(ministeriële regeling) wordt een voorstel van wet tot regeling van het
betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal
ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de
beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen,
wordt de algemene maatregel van bestuur (ministeriële regeling)
onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt
de algemene maatregel van bestuur (ministeriële regeling) ingetrokken
op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Toelichting:
Het verdient de voorkeur dat in het in de laatste zin van deze
aanwijzing bedoelde geval de intrekking van de algemene maatregel van
bestuur of ministeriële regeling wordt geregeld in de betrokken wet.
Aanwijzing 40
Delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet blijft beperkt
tot gevallen waarin tijdelijke delegatie aanvaardbaar is en het gaat om
regelingen die de Tweede Kamer in beginsel slechts kan goedkeuren of
weigeren goed te keuren.
Toelichting:
Bezwaar van de figuur van delegatie onder goedkeuring bij wet is dat
de Tweede Kamer aanleiding kan zien om bij de behandeling van de
goedkeuringswet wijziging te brengen in de goed te keuren regeling.
Hierdoor ontstaat een onoverzichtelijke situatie. Om die reden is deze
figuur te beperken tot regelingen die zich niet lenen voor partiële
aanpassing maar die de Tweede Kamer in beginsel slechts kan goedkeuren
of weigeren goed te keuren.
Aanwijzing 41
Voor delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet wordt het
volgende model gebruikt:
Na het tot stand komen van een krachtens artikel ... vastgestelde
algemene maatregel van bestuur (ministeriële regeling) wordt zo spoedig
mogelijk maar uiterlijk binnen acht weken een voorstel van wet tot
goedkeuring van de algemene maatregel van bestuur (ministeriële
regeling) aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het
voorstel wordt ingetrokken of indien een van de kamers van de
Staten-Generaal tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, wordt de
algemene maatregel van bestuur (ministeriële regeling) onverwijld
ingetrokken.
Aanwijzing 42
Met toepassing van voorwaardelijke delegatie wordt grote
terughoudendheid betracht. Zij wordt slechts toegepast indien in het
algemeen voor de regeling van een materie kan worden volstaan met een
lagere regeling, maar het wenselijk is de mogelijkheid open te houden
dat in bepaalde gevallen voor de totstandkoming de wetsprocedure wordt
gevolgd.
Toelichting:
Van voorwaardelijke delegatie is sprake indien een lagere regeling
voor haar inwerkingtreding moet worden voorgelegd aan het parlement en
het parlement of een gedeelte daarvan dan binnen een bepaalde termijn
vaststelling van de betrokken regeling bij wet kan eisen.
Aanwijzing 43
Voor voorwaardelijke delegatie wordt het volgende model gebruikt:
Een krachtens artikel ... vastgestelde algemene maatregel van bestuur
wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in
werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die
termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van
het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen
wordt gegeven dat het onderwerp/de inwerkingtreding van de algemene
maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een
daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien
het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers
van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de
algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Toelichting:
Het is praktisch om een algemene maatregel van bestuur in de vorm van
de publicatie daarvan in het Staatsblad over te leggen aan de
Staten-Generaal. Desgewenst kan een algemene maatregel van bestuur,
spoedshalve ook vóórdat zij in het Staatsblad is geplaatst, in andere
vorm aan de Staten-Generaal worden overgelegd. In dat geval is het
echter wel gewenst dat de tekst gelijktijdig met de toezending aan de
Staten-Generaal wordt aangeboden aan het Ministerie van Veiligheid en
Justitie voor publicatie in het Staatsblad.
Ten einde zeker te stellen dat de Staten-Generaal hun rechten ter
zake ook inderdaad kunnen uitoefenen, is het gewenst dat de overlegging
van de algemene maatregel van bestuur aan de Staten-Generaal op een
zodanig tijdstip plaatsvindt dat althans het grootste gedeelte van de
termijn van vier weken buiten een reces van de Staten-Generaal valt. Zie
hierover aanwijzing 43a.
Aanwijzing 43a
1. Voor een mededeling of overlegging aan de beide kamers der
Staten-Generaal als bedoeld in de aanwijzingen 37 en 43 wordt een
zodanig tijdstip gekozen dat ten minste drie vierde deel van de in die
aanwijzingen bedoelde termijn buiten een reces van de kamers valt.
2. Indien het eerste lid niet in acht genomen kan worden, wordt dit
bij de mededeling of overlegging uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.
3. Indien bij een mededeling of overlegging als bedoeld in
aanwijzing 37 het eerste lid niet in acht kan worden genomen, wordt
bovendien zo mogelijk een na het reces liggende datum genoemd vóór
welke de kamers hun zienswijze kenbaar kunnen maken.
4. Indien een verlenging als bedoeld in het derde lid naar het
oordeel van de betrokken minister niet mogelijk is, wordt dat
uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.
Toelichting:
Tweede lid: In zeer spoedeisende gevallen is het denkbaar dat toch
meer dan een kwart van de termijn binnen een reces valt. De betrokken
minister meldt dan in de begeleidende brief aan de kamers waarom van de
drievierde-regel is afgeweken.
Derde en vierde lid: Bij gecontroleerde delegatie (aanwijzing 37)
laten de modelbepalingen toe dat de reactietermijn voor de kamers wordt
verlengd. Indien de betrokken minister echter problemen heeft met een
verlenging, bijvoorbeeld omdat een internationaal orgaan vóór die
termijn tot besluitvorming zal komen, dan moet ook dat probleem
expliciet in de begeleidende brief worden vermeld.
Bij voorwaardelijke delegatie (aanwijzing 43) vloeit dwingend uit de
modelbepaling voort dat de kamers binnen vier weken na de overlegging
moeten hebben gereageerd. In dat geval is verlenging van de
reactietermijn dus niet mogelijk.
§ 2.5. Beleidsregels
Aanwijzing 44 [Vervallen per 01-12-2000]
Aanwijzing 44a
In een wettelijk voorschrift op grond waarvan een beleidsregel wordt
vastgesteld en in het opschrift en de citeertitel van de regeling
waarbij een beleidsregel wordt vastgesteld, wordt het woord ’beleidsregel’
uitdrukkelijk gebruikt.
Toelichting:
In de bestaande wetgevingstraditie wordt met het toekennen van een
regelgevende bevoegdheid in het algemeen de bevoegdheid tot het stellen
van algemeen verbindende voorschriften bedoeld, tenzij duidelijk blijkt
van een andere bedoeling van de wetgever. Die andere bedoeling wordt tot
uitdrukking gebracht door in de wettekst uitdrukkelijk het woord
beleidsregel te gebruiken. Voorbeeld: ... (aanduiding bestuursorgaan)
kan beleidsregels vaststellen omtrent ...
Ook indien de bevoegdheid tot het stellen van beleidsregels niet uit
een wettelijk voorschrift voortvloeit (zie artikel 4:81, eerste lid,
Algemene wet bestuursrecht) dient in de regeling waarbij deze worden
vastgesteld, duidelijk te blijken dat sprake is van beleidsregels. Dit
geschiedt door gebruik van deze term in het opschrift en de citeertitel
van de regeling. Voorbeelden:
A. Beleidsregels van ... (aanduiding bestuursorgaan) omtrent ...
B. Beleidsregels uitvoering ...wet.
Aanwijzing 45 [Vervallen per 01-12-2000]
Aanwijzing 46
Bij de vaststelling van beleidsregels krachtens mandaat geschiedt
deze vaststelling ten minste op het niveau van directeur-generaal of een
daarmee vergelijkbare functionaris.
§ 2.6. Harmonisatie
Aanwijzing 47
In gevallen waarin soortgelijke onderwerpen worden geregeld, wordt
zoveel mogelijk gestreefd naar harmonisatie van regelgeving.
Toelichting:
Harmonisatie verdient des te meer aandacht indien het gaat om
onderwerpen binnen één beleidsterrein. Indien het gaat om binnen één
regeling geregelde onderwerpen, is harmonisatie in ieder geval geboden.
Overigens mag harmonisatie uiteraard niet aan het doorvoeren van
wenselijke vernieuwingen in de weg staan.
Aanwijzing 48
Bij wijziging van een regeling wordt nagegaan welke wijzigingen uit
een oogpunt van harmonisatie kunnen worden meegenomen.
Toelichting:
Wijziging van een regeling kan soms een goede aanleiding zijn om
gelijktijdig de regeling zoveel mogelijk naar vorm en inhoud met
vergelijkbare regelingen in overeenstemming te brengen. In dergelijke
gevallen zal noodzakelijkerwijs de wens van harmonisatie wel moeten
worden afgewogen tegen de wetgevingslasten en het tijdsbeslag die met de
harmonisatie gemoeid zijn. In verband met de implementatietermijnen van
EU-richtlijnen is het niet wenselijk aan de verwerking van een
EU-richtlijn in de Nederlandse wetgeving wijzigingen uit een oogpunt van
harmonisatie te koppelen.
Aanwijzing 49
In bijzondere wetten wordt alleen afgeweken van algemene wetten,
indien dit noodzakelijk is. Een afwijking wordt in de memorie van
toelichting bij de bijzondere wet gemotiveerd.
Toelichting:
Met algemene wetten worden bedoeld wetten die algemene regels voor
een rechtsgebied geven. Als algemene wetten moeten in ieder geval worden
beschouwd de wetboeken, de Algemene termijnenwet, de Algemene wet
bestuursrecht, de Bekendmakingswet, de Gemeentewet, de Provinciewet, de
Waterschapswet, de Kaderwet adviescolleges, de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen, de Wet bescherming persoonsgegevens, de Wet op de
bedrijfsorganisatie, de Wet op de economische delicten, de Wet op de
rechterlijke organisatie, de Wet openbaarheid van bestuur en de Algemene
wet op het binnentreden. Deze aanwijzing is in het bijzonder van belang
met betrekking tot algemene wetten op het terrein van de
bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Bestaande voorzieningen, zoals de
verplichte bezwaarschriftprocedure op grond van artikel 7:1 van de
Algemene wet bestuursrecht, dienen niet te worden vervangen door andere
en onderdelen van bestaande voorzieningen dienen niet te worden
uitgezonderd. Zie voor een opsomming van algemene wetten op het terrein
van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming de toelichting op
aanwijzing 149. Ook het opnemen in een wet van een bijzondere
klachtenregeling naast of in plaats van de regeling van de Wet Nationale
ombudsman is als een afwijking in de zin van deze aanwijzing te
beschouwen. Bij de introductie in bijzondere wetgeving van
toezichtsbevoegdheden die aanvullend zijn op de bevoegdheden van de
Algemene wet bestuursrecht geldt een bijzondere motiveringsplicht: er
wordt expliciet afgewogen of de te verwachten resultaten van toepassing
van de bevoegdheid niet met behulp van bestaande bevoegdheden kunnen
worden bereikt, in hoeverre de bevoegdheid uitvoerbaar en effectief kan
zijn en in hoeverre de bevoegdheid proportioneel is. Daarin worden de
ervaringen met de handhaving, de aard van de overtreding, de aard van de
doelgroep, de aard van het toezicht en het karakter van de aanvullende
bevoegdheid meegewogen. De aanwijzing heeft mede betrekking op algemene
wetten voor een deelterrein. Als zodanig moeten in ieder geval worden
beschouwd de Wet milieubeheer, de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
de Algemene Douanewet, de Wet financiering sociale verzekeringen en de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Ter voorkoming van
onduidelijkheden over de verhouding tussen de bijzondere wet en de
algemene wet wordt bij afwijking van dwingend recht van de algemene wet
deze afwijking duidelijk gemaakt in de wettekst (zie aanwijzing 85).
Aanwijzing 50
1. De termen bestuursorgaan, belanghebbende, besluit, beschikking,
aanvraag, beleidsregel, administratieve rechter, bezwaar,
administratief beroep, beroep, subsidie, subsidieplafond, dwangbevel,
overtreder, toezichthouder, last onder bestuursdwang, last onder
dwangsom, bestuurlijke boete, mandaat endelegatie worden in
bestuursrechtelijke regelingen die gelden in het Europese deel van
Nederland, gebruikt in de betekenis die daaraan is gegeven in de
Algemene wet bestuursrecht.
2. De termen adviseur, overtreding, bestuurlijke sanctie,
herstelsanctie, bestraffende sanctie en goedkeuring worden in
bestuursrechtelijke regelingen die gelden in het Europese deel van
Nederland, zoveel mogelijk gebruikt in de betekenis die daaraan is
gegeven in de Algemene wet bestuursrecht.
3. In bestuursrechtelijke regelingen die gelden in Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, wordt aangesloten bij de terminologie van de Wet
administratieve rechtspraak BES.
Toelichting:
Eerste en tweede lid:
In de wetgeving wordt eenheid in terminologie nagestreefd. Dit
streven is in het bijzonder van belang bij het gebruik van de centrale
begrippen uit het bestuursrecht. De in het eerste lid genoemde begrippen
hebben in de Algemene wet bestuursrecht een algemeen geldende betekenis
gekregen en behoren daarom ook in andere bestuursrechtelijke regelgeving
in die betekenis te worden gebruikt. Ook overigens verdient het
aanbeveling de begrippen in deze zin te gebruiken. De in het tweede lid
genoemde begrippen gelden formeel alleen binnen de Algemene wet
bestuursrecht zelf. Het is echter van belang in de bijzondere
bestuursrechtelijke wetgeving ook bij die begrippen aan te sluiten.
Voor reacties in het kader van inspraakprocedures wordt niet de term
`bezwaar' gebruikt, maar `zienswijzen' of `bedenkingen'.
Derde lid:
De Algemene wet bestuursrecht geldt in beginsel niet in Bonaire, Sint
Eustatius en Saba. In regelingen die voor deze eilanden gelden, wordt
aangesloten bij de terminologie van de Wet administratieve rechtspraak
BES, welke wet in zekere zin de tegenhanger is van de hoofdstukken 6 tot
en met 8 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor Bonaire, Sint Eustatius
en Saba bestaan geen met de overige hoofdstukken van Algemene wet
bestuursrecht vergelijkbare algemene regelingen.
In een regeling die behalve in het Europese deel van Nederland ook in
Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt, zal aansluiting bij zowel de
Algemene wet bestuursrecht als de Wet administratieve rechtspraak BES
gewaarborgd moeten worden.
Aanwijzing 51
1.Voor de kennisgeving van een besluit aan de daarbij betrokkenen
waardoor het besluit zijn werking als rechtshandeling kan verkrijgen,
wordt de term bekendmaking gebruikt.
2.In de overige gevallen wordt de term mededeling gebruikt.
Toelichting:
Het onderscheid tussen "bekendmaking" en
"mededeling" is van belang met het oog op afdeling 3.6 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 3. Algemene aspecten van vormgeving
§ 3.1. Algemene terminologische punten
Aanwijzing 52
Bepalingen worden zo beknopt mogelijk geformuleerd.
Toelichting:
Indien bij het ontwerpen van een bepaling een sluitende, maar
ingewikkelde formulering is gevonden, dient steeds te worden nagegaan of
het niet eenvoudiger kan.
Ook dient men bedacht te zijn op het weglaten van overbodige woorden.
Dus bij voorbeeld niet: "Het bepaalde in het tweede lid van artikel
5 is van toepassing", maar: "Artikel 5, tweede lid, is van
toepassing".
Aanwijzing 53
Voorschriften worden, tenzij dit onvermijdelijk is, niet met behulp
van de werkwoorden "moeten" of "dienen"
geformuleerd.
Toelichting:
Dus bijvoorbeeld niet: "Het verzoekschrift dient te worden
gemotiveerd", maar: "Het verzoekschrift wordt
gemotiveerd".
Aanwijzing 54
1.Het normale spraakgebruik wordt zoveel mogelijk gevolgd.
2.Woorden waarvan de betekenis te weinig bepaald of onduidelijk is,
worden niet gebruikt.
Toelichting:
Zie ook aanwijzing 121.
Aanwijzing 55
Voor de terminologie van een uitvoeringsregeling wordt aangesloten
bij die van de regeling waarop zij is gebaseerd.
Toelichting:
Zie ook aanwijzing 123 en de toelichting daarop.
Aanwijzing 56
1. Voor de terminologie in nationale regelingen wordt in beginsel
aangesloten bij die van verwante bindende EU-rechtshandelingen en
internationale regelingen.
2. Hiervan kan worden afgeweken, indien:
a. de terminologie van de bindende EU-rechtshandelingen en
internationale regelingen niet voldoende is gepreciseerd,
b. daardoor beter wordt aangesloten bij elders in nationale
regelingen gehanteerde terminologie, of
c. dit beter Nederlands oplevert.
Toelichting:
Deze aanwijzing is met name van belang voor implementatieregelingen.
Aansluiting bij de terminologie van verwante EU- en internationale
regelgeving kan worden bewerkstelligd door bepalingen daaruit in
dezelfde bewoordingen over te nemen, door daarnaar te verwijzen of door
een combinatie van deze mogelijkheden.
Aanwijzing 57
Vreemde woorden of woorden die van vreemde talen zijn afgeleid,
worden vermeden, behalve indien deze de bedoeling duidelijker weergeven
dan Nederlandse en in de Nederlandse taal ingang hebben gevonden.
Aanwijzing 58
1.Hetzelfde begrip wordt niet met verschillende termen aangeduid.
2.Dezelfde term wordt niet voor verschillende begrippen gebruikt.
Toelichting:
Vooral binnen één regeling dient deze aanwijzing in acht te worden
genomen. Ook bij verwante regelgeving is zij echter van belang.
Aanwijzing 59
1.Indien mogelijk, worden persoonsaanduidingen gebruikt die zowel
mannen als vrouwen omvatten.
2.Combinaties van aanduidingen van mannen en vrouwen worden niet
gebruikt.
Voorbeeld bij eerste lid: "verloskundige" in plaats van
"vroedvrouw", "degene die" in plaats van "hij
die".
Toelichting bij eerste lid: In het bijzonder moet rekening worden
gehouden met aanwijzing 54, eerste lid.
Toelichting bij tweede lid: Formuleringen als
"werknemer/werkneemster", "werknemer(-ster)" of
"hij/zij die" worden dus niet gebruikt.
Aanwijzing 60
Afkortingen worden alleen gebruikt indien dit redelijkerwijs niet te
vermijden is. Bij gebruik ervan worden zij in de begripsbepalingen
opgenomen.
Toelichting:
Zie ook aanwijzing 185, eerste lid. Zie voor enkele afkortingen die
wel worden gebruikt de aanwijzingen 72, 90, eerste lid, en 91, eerste
lid.
Aanwijzing 61
1.Formulering van een regel in de vorm van een fictie wordt zoveel
mogelijk vermeden.
2.In elk geval blijft een fictie achterwege indien daarmee wordt
beoogd de werkingssfeer van een hogere regeling uit te breiden.
Toelichting:
Een fictie in een wettelijk voorschrift levert een onweerlegbaar
rechtsvermoeden op. Vaak is het mogelijk in plaats van een fictie de
vorm te kiezen van het van overeenkomstige toepassing verklaren van
andere regels. Zie ook aanwijzing 121, tweede lid.
Aanwijzing 62
In plaats van "indien en voor zover" wordt de uitdrukking
"voor zover" gebruikt.
Aanwijzing 63
Het gebruik van de uitdrukking "en/of" blijft achterwege.
Toelichting:
Indien in een opsomming van gevallen "of" wordt gebruikt,
is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan een van de genoemde
gevallen zich tegelijk voordoen. Dit laat uiteraard onverlet dat het
woord `of' in opsommingen ook nog in de andere gebruikelijke
betekenissen moet worden gebruikt.
Aanwijzing 64
Volzinnen of zinsneden worden niet tussen haakjes geplaatst.
Toelichting:
Plaatsing van volzinnen of zinsdelen tussen haakjes leidt tot
onduidelijkheden in de regelgeving. Wel kan dit aanvaardbaar zijn, als
het een enkel woord betreft. Zie bijvoorbeeld artikel 70 Grondwet.
Aanwijzing 65
Het einde van een periode of reeks wordt aangeduid met de uitdrukking
"tot en met".
Voorbeeld: De artikelen 5 tot en met 10 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Toelichting:
Het gebruik van een streepje of het woord "tot" kan tot
misverstand aanleiding geven. Zie ook aanwijzing 168, tweede lid.
Aanwijzing 66
1.De uitdrukking "onderscheidenlijk" wordt gebruikt
overeenkomstig het volgende voorbeeld:
Indien het betreft de verkiezing van de leden van provinciale
staten of de gemeenteraad, geschiedt de kennisgeving op de in de
provincie, onderscheidenlijk de gemeente, gebruikelijke wijze.
2.Het gebruik van de uitdrukking "c.q." blijft
achterwege.
Toelichting:
In plaats van "onderscheidenlijk" kan ook
"respectievelijk" worden gebruikt.
Aanwijzing 67
Een ontwerp voor een formele wet wordt vanaf de voordracht aan de
Koningin in officiële stukken aangeduid als "voorstel van
wet". Bij rijkswetgeving wordt gesproken van "voorstel van
rijkswet".
Toelichting:
Deze grondwettelijke aanduiding wordt in ieder geval gebruikt in de
voordracht aan de Koningin (de brief aan de Koningin ter aanhangigmaking
van een wetsvoorstel bij de Afdeling advisering van de Raad van State),
de aanhef en het slot van het nader rapport, de brief waarbij een
vervolgstuk aan de Tweede of de Eerste Kamer wordt gezonden en
wetsartikelen waarin naar een wetsvoorstel wordt verwezen. Overigens kan
de term "wetsvoorstel" of "wetsontwerp" worden
gebruikt. Dit geldt ook in het stadium voorafgaand aan de voordracht aan
de Koningin.
Aanwijzing 68
1.Voor het aanduiden van door de regering vast te stellen of
vastgestelde besluiten wordt de term "algemene maatregel van
bestuur" of "koninklijk besluit" gebruikt.
2.De term "Wij" of "Ons" wordt alleen gebruikt,
indien een redactie met gebruikmaking van de term "koninklijk
besluit" niet mogelijk is.
Toelichting:
Zie ook aanwijzing 28.
In sommige gevallen wordt "koninklijk" voor
"besluit" weggelaten. Zie de aanwijzingen 106, 178, 180, 194
en 195.
Aanwijzing 69
Een door een minister of staatssecretaris vastgesteld algemeen
verbindend voorschrift of ander besluit van regelende aard wordt
aangeduid als "ministeriële regeling".
Toelichting:
In sommige gevallen wordt "ministeriële" voor
"regeling" weggelaten. Zie de aanwijzingen 106, 179 en 196 en
199.
Besluiten van algemene strekking die niet (primair) van regelende
aard zijn, zoals besluiten tot instelling van een commissie, plegen als
"besluit" te worden aangeduid. De term "beschikking"
wordt alleen gebruikt voor besluiten inzake een concreet geval.
Aanwijzing 70
Het geheel van dienstonderdelen onder leiding van een minister wordt
aangeduid als "ministerie". Als bijvoeglijke aanduiding voor
ministerie wordt de term "departementaal" gebruikt.
Toelichting:
Aangezien de Grondwet van "ministerie" spreekt, dient de
term "departement" niet meer te worden gebezigd.
De onder een minister ressorterende diensten, instellingen en
bedrijven behoren tot het ministerie. Dient een regeling daarop geen
betrekking te hebben, dan moeten ze uitdrukkelijk worden uitgezonderd,
tenzij al uit de aard der zaak volgt dat de regeling daarvoor niet
geldt.
De term "ministerieel" heeft alleen betrekking op
"minister", niet op "ministerie".
Aanwijzing 71
1. Bij de aanduiding van het Europese deel van het grondgebied van
Nederland worden de woorden ‘het Europese deel van Nederland’
gebruikt. In een regeling die uitsluitend in het Europese deel van
Nederland geldt, kan ter aanduiding van het Europese deel van het
grondgebied van Nederland tevens het woord‘Nederland’ worden
gebruikt.
2. In een regeling van het Koninkrijk of een regeling die (mede) in
Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt, wordt het woord‘Nederland’
uitsluitend gebruikt ter aanduiding van het grondgebied van het
Europese deel van Nederland, Bonaire, Sint Eustatius en Saba
gezamenlijk.
3. Bij de aanduiding van het grondgebied van Nederland, Aruba,
Curaçao en Sint Maarten gezamenlijk wordt het woord ‘Koninkrijk’gebruikt.
4. Het woord‘land’ wordt gebruikt ter aanduiding van Nederland,
Aruba, Curaçao of Sint Maarten als component van het Koninkrijk.
5. Het woord‘Rijk’ kan aanduiding zijn van Nederland of van het
Koninkrijk. Indien de betekenis onduidelijk zou zijn, wordt gebruik
van dit woord vermeden.
Toelichting:
Eerste en tweede lid:
Vanwege de grotendeels gescheiden rechtsstelsels van het Europese
deel van Nederland enerzijds en Bonaire, Sint Eustatius en Saba
anderzijds is het van belang dat uit een regeling duidelijk blijkt of
een bepaald voorschrift zowel voor het Europese deel van Nederland als
voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt, of slechts voor een van
beide delen van Nederland. Uit artikel 4 van de Invoeringswet openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba volgt dat in een regeling die
uitsluitend in het Europese deel van Nederland geldt, tevens de
aanduiding‘Nederland’ mag worden gebruikt ter aanduiding van het
Europese deel van het grondgebied van Nederland.
Vijfde lid:
De uitdrukking ‘Rijk in Europa’ als aanduiding van Nederland is
verouderd. Wel kan in toelichtingen worden gesproken van het Europese
deel of de Caribische delen van het Koninkrijk. Als partij bij een
verdrag wordt de aanduiding‘Koninkrijk der Nederlanden’ gebruikt
(zie aanwijzing 304).
Aanwijzing 71a
1. Voor de aanduiding van bedragen in euro’s wordt het euroteken‘€’gebruikt.
2. Voor de aanduiding van bedragen in de munteenheden van de
Caribische delen van het Koninkrijk worden de NEN/ISO-aanduidingen
gebruikt:
– Aruba (de Arubaanse florin): AWG;
– Curaçao en Sint Maarten (de Nederlands-Antilliaanse
gulden): ANG;
– Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de dollar): USD.
Aanwijzing 72
Voor meeteenheden worden de wettelijk vastgestelde aanduidingen
gebruikt.
Toelichting:
Zie voor deze aanduidingen de Metrologiewet en het
Meeteenhedenbesluit. Hierin wordt uitvoering gegeven aan de
desbetreffende EG-richtlijnen.
Aanwijzing 72a
1.Indien uit een regeling rechten of verplichtingen van
niet-financiële aard voortvloeien voor twee meerderjarigen die,
anders dan als elkaars echtgenoot of geregistreerde partner, met
elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden, worden zij
aangeduid als: levensgezel.
2.Indien uit een regeling rechten of verplichtingen van financiële
aard voortvloeien voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars
echtgenoot of geregistreerde partner, een gezamenlijke huishouding
voeren, worden zij aangeduid als: ongehuwd samenlevende.
3.In een regeling als bedoeld in het tweede lid worden enkele
begripsbepalingen opgenomen, waarvoor zoveel mogelijk het volgende
model wordt gebruikt:
1. In deze wet (dit besluit/deze regeling) (en de daarop
berustende bepalingen) wordt verstaan onder ongehuwd samenlevende:
de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde
meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert (met uitzondering
van bloedverwanten in de eerste graad).
2. In het eerste lid wordt mede verstaan onder ongehuwd:
a. zonder geregistreerde partner;
b. duurzaam gescheiden levend van zijn echtgenoot.
3. In het eerste lid wordt verstaan onder het voeren van een
gezamenlijke huishouding de situatie waarin de betrokkenen hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, en
a. zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de
huishouding dan wel anderszins;
b. zij met elkaar gehuwd zijn geweest;
c. zij elkaars geregistreerde partner zijn geweest;
d. zij eerder met elkaar ongehuwd samenlevend zijn geweest,
of
e. de man het kind van de vrouw heeft erkend.
(4. Voor de toepassing van artikel .../de artikelen ... wordt
een persoon eerst aangemerkt als ongehuwd samenlevende, indien hij
gedurende ... (aantal weken, maanden of jaren) een gezamenlijke
huishouding heeft gevoerd.)
(5. Voor de toepassing van artikel .../de artikelen .../deze
wet (dit besluit/deze regeling) wordt een ongehuwd samenlevende
gelijkgesteld met een echtgenoot of een geregistreerde partner.)
Toelichting:
Eerste lid: Voorbeelden van de in het eerste lid bedoelde regelingen
zijn de regeling waarbij de bevoegdheid wordt toegekend tot het geven
van toestemming tot een medische behandeling namens iemand met wie men
een nauwe persoonlijke betrekking onderhoudt (vgl. artikel 465, derde
lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek) of de regeling waarbij men
tot curator van die ander kan worden benoemd (vgl. artikel 383, derde
lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek).
Tweede en derde lid: In veel regelingen worden financiële
rechtsgevolgen verbonden aan het ongehuwd samenleven. Wanneer iemand als
ongehuwd samenlevende wordt aangemerkt, is in een modelbepaling
aangegeven. Sommige uitdrukkingen en begrippen gebruikt in die
modelbepaling zullen in een wettelijke regeling op grond van de context
waarin de bepaling staat, niet altijd kunnen worden overgenomen. Het
gaat daarbij niet alleen om het niet getrouwd zijn, maar ook om het
ontbreken van een geregistreerd partnerschap. Geregistreerd partnerschap
en huwelijk hebben immers dezelfde rechtsgevolgen. Zo kan “betrokkenen”
in de betreffende regeling worden vervangen door “belanghebbenden”
of “belastingplichtigen”. Op inhoudelijke punten dient de bepaling
overeen te stemmen met deze modelbepaling.
In sommige gevallen zou een gelijkstelling van bloedverwanten in de
eerste graad met ongehuwd samenlevenden tot maatschappelijk ongewenste
situaties leiden. Zo is het niet wenselijk dat indien het kind en de
ouder allebei alleenstaand zijn, het kind er om financiële redenen van
zou worden weerhouden om die ouder ter verzorging in huis te nemen,
omdat ze dan beiden voortaan als ongehuwd samenlevenden worden
aangemerkt en het kind, de ouder of beiden gekort worden op hun
uitkering, terwijl die korting niet plaatsvindt indien het kind of de
ouder niet-alleenstaand is, op het moment dat de ouder bij het kind
intrekt.
In uitzonderlijke situaties kan aan de modelbepaling een termijn
gekoppeld worden voor de inwerkingtreding van de rechtsgevolgen voor de
ongehuwd samenlevenden. Daarvoor wordt het model gebruikt dat als vierde
lid is aangegeven. Een termijn kan slechts bij uitzondering worden
gesteld, bijvoorbeeld ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik
van de regeling. Zo bestaat in de successiewetgeving een termijn om te
voorkomen dat personen, zodra het voorzienbaar is dat één van hen op
korte termijn zal overlijden, gaan samenleven om op die manier voor een
verlaagd successietarief in aanmerking te komen. In de toelichting dient
niet alleen gemotiveerd te worden waarom gekozen wordt voor een termijn,
maar ook waarom gekozen wordt voor juist die termijn. Indien in een
regeling een termijn gebruikt wordt, kan in beginsel in die regeling
tevens bepaald worden dat die termijn eerst begint te lopen op het
tijdstip waarop volgens de woonadresgegevens in de gemeentelijke
basisadministratie betrokkenen op hetzelfde woonadres staan
ingeschreven. Op deze wijze kan worden voorkomen dat onduidelijk is hoe
lang betrokkenen precies een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.
Sommige regelingen kennen specifieke rechtsgevolgen toe aan het
ongehuwd samenleven. De meeste regelingen beogen echter aan het ongehuwd
samenleven dezelfde rechtsgevolgen te verbinden als aan het huwelijk of
het geregistreerd partnerschap. Daarvoor is wel een
gelijkstellingsbepaling noodzakelijk. Het vijfde lid voorziet in een
dergelijke bepaling.
Ingevolge deze modelbepaling worden niet als ongehuwd samenlevenden
beschouwd voormalig ongehuwd samenlevenden, van wie één van beide
partners bijvoorbeeld voor het werk voor langere tijd in het buitenland
gedetacheerd wordt, terwijl de ander in Nederland blijft wonen. Er is
dan immers geen sprake meer van een situatie waarin de betrokkenen hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dit laat onverlet dat, indien
noodzakelijk, in een regeling kan worden bepaald dat die personen voor
de toepassing van die regeling met ongehuwd samenlevenden worden
gelijkgesteld.
§ 3.2. Aanduiding van ministers en staatssecretarissen
Aanwijzing 73
In een wet of koninklijk besluit wordt een minister aangeduid met
"Onze Minister van/voor ......" of, indien die aanduiding in
de begripsbepalingen nader is gedefinieerd, met "Onze Minister
".
Aanwijzing 74
1. In geval van formele betrokkenheid van meer dan één minister
bij de uitvoering van een wet of algemene maatregel van bestuur,
worden dezen, indien mogelijk, met de naam van hun ministerie genoemd.
2. Indien vermelding bij naam niet doelmatig is, kan de uitdrukking
"Onze Minister(s) die het mede aangaat" worden gebruikt.
Toelichting:
Eventueel kan bepaald worden dat de aanwijzing van bij de uitvoering
van de regeling betrokken ministers bij koninklijk besluit geschiedt.
Indien de uitdrukking "Onze Minister(s) die het mede aangaat"
wordt gebezigd, verdient het aanbeveling in de toelichting uiteen te
zetten aan welke ministers wordt gedacht. Overigens wordt verwezen naar
aanwijzing 30.
De aanduidingen "Onze met de uitvoering van deze wet belaste
minister" en "Onze minister, belast met de zorg voor
......" worden niet gebruikt.
Aanwijzing 75
In een regeling wordt een minister zonder portefeuille aangeduid met
de voor hem vastgestelde benaming.
Voorbeeld: Onze (de) Minister voor Ontwikkelingssamenwerking.
Aanwijzing 76
In een rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur wordt een
minister, belast met de zorg voor een koninkrijksaangelegenheid,
aangeduid als ‘Onze Minister van/voor .......... in zijn hoedanigheid
van Minister van het Koninkrijk’, tenzij daaromtrent geen verwarring
kan bestaan.
Toelichting
Indien een minister soms als Nederlandse minister en in andere
gevallen als minister, belast met de zorg voor een
koninkrijksaangelegenheid, optreedt, kan verwarring worden voorkomen
door in het laatste geval de minister als zodanig aan te duiden. Zie
hierover het advies van de Raad van State van 12 november 2002 en de
memorie van toelichting inzake wetsvoorstel 28 836 (Kamerstukken II
2002/03, 28 836 (R 1735), A, pt. 1a, en nr. 3, blz. 1–2).
Voorbeelden
– Onze Minister van Justitie in zijn hoedanigheid van Minister
van het Koninkrijk (artikel 1, eerste lid, onder a, Rijkswet op het
Nederlanderschap);
– Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk (artikel 1,
onderdeel k, Paspoortwet).
Aanwijzing 77
1.In het opschrift, de aanhef en de ondertekening van een regeling
wordt een staatssecretaris aangeduid als "de Staatssecretaris van
...... (naam van het ministerie)".
2.In een regeling worden taken en bevoegdheden altijd aan een
minister opgedragen, ook indien een staatssecretaris op het
desbetreffende terrein als verantwoordelijk bewindspersoon fungeert.
Toelichting:
Bij de aanduiding van de staatssecretaris wordt verwezen naar de naam
van het ministerie en niet naar de taken van de staatssecretaris, óók
als een ministerie meer dan één staatssecretaris telt; uit de
ondertekening blijkt om welke staatssecretaris het gaat. Aangezien een
staatssecretaris niet behoort tot de regering zoals omschreven in
artikel 42, eerste lid, van de Grondwet, wordt de aanduiding ‘Onze
Staatssecretaris’ niet gebruikt.
Het tweede lid geldt ook voor het slotformulier van een klein
koninklijk besluit. Zie aanwijzing 195.
§ 3.3. Aanhaling en verwijzing
Aanwijzing 78
1.Verwijzing naar andere bepalingen wordt vermeden, indien de
toegankelijkheid van de regeling daardoor onnodig wordt geschaad.
2.Verwijzing naar bepalingen die zelf een verwijzing inhouden en
verwijzing naar latere bepalingen van de regeling worden bij voorkeur
vermeden.
3.In een regeling wordt niet verwezen naar een met name genoemde
lagere regeling.
Toelichting:
Verwijzing kan wenselijk zijn, indien anders meermalen in een
regeling dezelfde bepaling zou moeten worden uitgeschreven.
Met name bij begripsbepalingen zal verwijzing naar latere bepalingen
onvermijdelijk kunnen zijn.
Aanwijzing 79
1.De verwijzing naar een regeling wordt zo mogelijk verbijzonderd
tot verwijzing naar artikelen.
2.Indien dit de duidelijkheid van de verwijzing vergroot, wordt de
verwijzing naar een artikel verbijzonderd tot een verwijzing naar een
onderdeel van het artikel.
Aanwijzing 80
1.Verwijzing naar een lid van een artikel geschiedt overeenkomstig
het volgende voorbeeld:Artikel 5, tweede lid, is van toepassing.
2.Naar het voorafgaande artikel of lid van een artikel wordt
verwezen door vermelding van het nummer van dat artikel of lid.
3.Verwijzing naar een onderdeel van een opsomming geschiedt met
behulp van de aanduidingen "onder" of "onderdeel".
Verwijzing naar een verdere onderverdeling geschiedt met een
combinatie van deze aanduidingen.
4.Indien de aard van een verwijzing dit noodzakelijk maakt, wordt
bij verwijzing naar een onderdeel van een opsomming mede verwezen naar
de aanhef van de opsomming.
Toelichting:
Vermeldingen als "lid 2", "sub a", "of
letter b" worden dus vermeden. Bij verwijzing naar een onderdeel
van een opsomming wordt achter de letter- of cijferaanduiding geen punt
geplaatst.
Voorbeelden bij derde lid:
- de personen, genoemd in artikel 5, onder b.
- artikel 8, onderdeel c, vervalt.
- de gevallen, bedoeld in artikel 10, onderdeel a, onder 2°.
Voorbeeld bij vierde lid
- artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel b.
Aanwijzing 81
1.Een volledige zin wordt aangehaald als "volzin" of
"zin".
2.Een zinsnede of zinsdeel wordt aangehaald door vermelding van de
volledige tekst of van het begin en einde daarvan.
Voorbeelden bij tweede lid:
- de zinsnede "wanneer hij daarin heeft toegestemd".
- de zinsnede ‘indien (…) geëindigd’.
Aanwijzing 82
1.Met de uitdrukking "genoemd" wordt verwezen naar
bepaalde personen of zaken die met name worden aangeduid.
2.Met de aanduiding "bedoeld" wordt verwezen naar
bepaalde personen of zaken die in algemene of omschrijvende zin worden
aangeduid.
3.De aanduiding "als bedoeld" wordt gebruikt, indien het
voorafgaande begrip een onbepaald lidwoord of geen lidwoord heeft.
Voorbeelden:
- de organen, genoemd in artikel 5, (met komma's);
- de omstandigheden, bedoeld in artikel 8, (met komma's);
- een aantekening als bedoeld in artikel 15 (zonder komma's).
Aanwijzing 83
1.De uitdrukking "is van toepassing" wordt gebruikt,
indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, letterlijk kan worden
toegepast.
2.De uitdrukking "is van overeenkomstige toepassing"
wordt gebruikt, indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, niet
geheel letterlijk kan worden toegepast, maar misverstand over de toe
te passen tekst uitgesloten is.
3.De uitdrukking "is van toepassing, met dien verstande dat
......" wordt gebruikt, indien de bepaling waarnaar wordt
verwezen, gedeeltelijk of met wijziging van bepaalde onderdelen moet
worden toegepast.
Aanwijzing 83a
1.De term ’deze wet’ wordt uitsluitend gehanteerd bij
verwijzing naar een ander onderdeel van de wet zelf waarin de
verwijzing is opgenomen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een algemene
maatregel van bestuur of een ministeriële regeling.
Toelichting:
Gebruik van deze term bij verwijzing naar een andere wet leidt tot
verwarring en dient daarom achterwege te blijven. Bij verwijzing naar
een andere wet wordt die andere wet aangeduid als ’die wet’.
Aanwijzing 83b
Verwijzing naar een artikel uit het Burgerlijk Wetboek geschiedt
overeenkomstig het volgende voorbeeld: artikel 162 van Boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek.
Toelichting:
Anders dan in wetteksten kan in toelichtingen e.d. een kortere
aanduiding worden gebruikt, zoals: artikel 6:162 BW.
Aanwijzing 84
Indien het wenselijk is om de uniforme openbare
voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing te verklaren, wordt het volgende model
gebruikt:
Op de voorbereiding van ...... (aanduiding besluit) is afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Aanwijzing 85
De uitdrukkingen "onverminderd artikel ..." en "in
afwijking van artikel ..." worden alleen gebruikt, indien dit
noodzakelijk is om de onderlinge verhouding tussen de ene en de andere
bepaling duidelijk te maken.
Toelichting:
De term "onverminderd" houdt in dat het genoemde artikel in
het omschreven geval onverkort van toepassing is. Daarbij kan het zowel
gaan om de onderlinge verhouding van bepalingen binnen één wet als om
die van bepalingen in verschillende wetten. Dit geldt ook voor de term
"in afwijking van", die onder andere moet worden gebruikt als
in een bijzondere wet wordt afgeweken van een algemene wet (overigens
slechts bij hoge uitzondering: zie aanwijzing 49), tenzij de algemene
wet uitdrukkelijk de mogelijkheid tot afwijken opent door middel van een
zinsnede als "tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
bepaald".
Aanwijzing 86
Bij aanhaling van een regeling met de citeertitel wordt het
Staatsblad of de Staatscourant waarin zij is geplaatst, niet vermeld.
Toelichting:
Een regeling die een citeertitel heeft, wordt daardoor afdoende
geïdentificeerd.
Aanwijzing 87
Een regeling zonder citeertitel wordt aangehaald overeenkomstig het
volgende model:
a. bij een (rijks)wet:
(rijks)wet van ...... (datum) tot/, houdende ...... (Stb.
(jaartal), (volgnummer));
b. bij een algemene maatregel van (rijks)bestuur:
besluit van ..... (datum) tot/, houdende ...... (Stb. (jaartal),
(volgnummer));
c. bij een ministeriële (rijks)regeling:
regeling van de Minister van/voor / Staatssecretaris van
......... van ...... (datum) tot/, houdende ...... (Stcrt.
(jaartal), (volgnummer)).
Aanwijzing 88
1. Een verdrag wordt aangehaald overeenkomstig het volgende
voorbeeld:
het op 20 juni 1956 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake
verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud (Trb. 1957,
121).
2. Bij verdragen met een citeertitel of daarmee vergelijkbare
aanduiding kunnen datum en plaats van totstandkoming en het nummer van
het Tractatenblad worden weggelaten.
Voorbeelden bij tweede lid: Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie, Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie.
Toelichting:
Het aangehaalde Tractatenblad dient de authentieke tekst van het
verdrag te bevatten.
Aanwijzing 88a
Verkorte verwijzing in de toelichting bij een regeling naar artikelen
van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap voor Atoomenergie geschiedt respectievelijk
overeenkomstig de volgende voorbeelden:
artikel 6 VEU;
artikel 18 VWEU;
artikel 150 VEGA.
Toelichting:
In verband met de leesbaarheid kan een verkorte verwijzing naar
artikelen van de Europese verdragen aangewezen zijn. In de toelichting
bij een regeling kunnen voor een verkorte aanduiding van het Verdrag
betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie ook wel respectievelijk ‘het EU-verdrag’en ‘het
Werkingsverdrag’ worden gebruikt.
Aanwijzing 88b
1. In regelingen worden de instellingen, verdragen, regelgeving en
de lidstaten van de Europese Unie, dan wel de Europese Gemeenschap
voor Atoomenergie, alsmede hun grondgebied als volgt aangeduid:
a. het Europees Parlement;
b. de Europese Raad;
c. de Raad van de Europese Unie;
d. de Europese Commissie;
e. het Hof van Justitie van de Europese Unie;
f. de Europese Centrale Bank;
g. de Europese Rekenkamer;
h. het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
i. het Verdrag betreffende de Europese Unie;
j. het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor
Atoomenergie;
k. EU-verordeningen, EU-richtlijnen, EU-besluiten;
l. bindende EU-rechtshandelingen, EU-rechtshandelingen,
EU-regelgeving;
m. Euratom-verordeningen, Euratom-richtlijnen,
Euratom-besluiten;
n. lidstaten van de Europese Unie;
o. gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van
toepassing is.
2. Indien bindende EU-rechtshandelingen tevens gelden voor de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland, worden de betrokken staten
respectievelijk hun grondgebied aangeduid als:
a. de lidstaten van de Europese Unie of een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte;
b. de gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte van toepassing is;
c. Zwitserland.
Toelichting
Eerste lid:
Deze terminologie vloeit voort uit artikel 13 van het Verdrag
betreffende de Europese Unie en artikel 288 van het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie. Bij de begrippen onder c, g en k is ten
opzichte van de Europese terminologie respectievelijk‘van de Europese
Unie’, ‘Europese’ en‘EU’ toegevoegd om verwarring met
Nederlandse equivalenten te voorkomen. Zie voor de begrippen onder l
aanwijzing 2.
Tweede lid:
Zie verder aanwijzing 330.
Aanwijzing 89
1. Bindende EU-rechtshandelingen worden aangehaald overeenkomstig
de volgende voorbeelden:
Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7
juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke
behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot
intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad (PbEU 2010, L 180)
Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de
wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die
voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PbEU
2010, L 84)
Verordening (EU) nr. 1210/2010 van het Europees Parlement en de
Raad van 15 december 2010 betreffende de echtheidscontrole van
euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor
circulatie (PbEU 2010, L 339)
Verordening (EU) nr. 50/2010 van de Commissie van 20 januari 2010
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van
de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit (PbEU 2010, L 16)
Besluit 2010/98/EU van de Raad van 16 februari 2010 tot benoeming
van de gewone en plaatsvervangende leden van het Raadgevend Comité
voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats (PbEU 2010, L 45)
2. Wijzigingen worden aangehaald overeenkomstig het volgende
voorbeeld:
Richtlijn 2010/2/EU van de Commissie van 27 januari 2010 tot
wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de
uitbreiding van het gebruik van de werkzame stof chloormequat (PbEU
2010, L 24)
Verordening (EU) nr. 1233/2010 van het Europees Parlement en de
Raad van 15 december 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr.
663/2009 tot vaststelling van een programma om het economische herstel
te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan
projecten op het gebied van energie (PbEU 2010, L 346)
Toelichting:
De voorbeelden sluiten aan bij de wijze van aanhalen in het
Publicatieblad van de Europese Unie. Een consequentie hiervan is dat de
voorheen gebruikelijke toevoegingen ‘van de Europese Unie’ na Raad,
of ‘van de Europese Gemeenschap’ na Commissie, achterwege kan
blijven bij het op deze wijze aanhalen van EU-besluiten.
Bindende EU-rechtshandelingen, tot stand gekomen vóór
inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, worden
op de voor dat tijdstip geldende wijze aangehaald. Dit betekent dat:
a. ‘EU’in de gegeven voorbeelden wordt vervangen door‘EG’;
b. instellingen van de Europese Unie als gevolg van
inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, maar ook reeds eerder
bij inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht op 1 november
1993, naamswijzigingen hebben ondergaan, zodat de toenmalige
aanduidingen worden aangehouden;
c. het Publicatieblad van de Europese Unie tot en met 31 januari
2003 werd aangehaald als‘PbEG’ in plaats van ‘PbEU’ (zie
aanwijzing 91);
d. sommige soorten Europese besluiten sinds inwerkingtreding van
het Verdrag van Lissabon niet meer voorkomen, zodat bijvoorbeeld
kaderbesluiten worden aangehaald door vervanging van ‘EU’ door
‘JBZ’;
e. bij verwijzing naar Europese besluiten die vóór 1 januari
1999 zijn gepubliceerd slechts de twee laatste cijfers van het
jaartal worden vermeld en voor de aanduiding in het Publicatieblad
na‘PbEG’ het jaartal met vier cijfers wordt geschreven.
Aanwijzing 89a
1. Verwijzing naar parlementaire stukken geschiedt overeenkomstig
de volgende voorbeelden:
Kamerstukken II 2009/10,27 858, nr. 88, blz. 3.
Kamerstukken I 2008/09,31 700 VI, D, blz. 4.
Handelingen II 2007/08, nr.108, blz. 7909–7943. (tot 1 januari
2011)
Handelingen II 2010/11, nr.108, item 5, blz. 25–36. (vanaf 1
januari 2011)
Aanhangsel Handelingen II 1997/98, nr.132.
2. Verwijzing naar een wetsvoorstel geschiedt overeenkomstig het
volgende voorbeeld:
het bij koninklijke boodschap van 8 mei 2009 ingediende voorstel
van wet tot wijziging van de Meststoffenwet (differentiatie
fosfaatgebruiksnorm) (Kamerstukken31 945).
Toelichting
Eerste lid:
Bij verwijzing naar de Handelingen wordt het vergadernummer apart
vermeld (in het gegeven voorbeeld nr. 108) en niet als onderdeel van het
paginanummer zoals in de Handelingen zelf. Voor 1 januari 2011 werd voor
de Handelingen een gedurende het vergaderjaar doorlopende
bladzijdenummering gebruikt. Sinds 2011 wordt voor ieder in een
vergadering per behandeld item een afzonderlijke publicatie opgemaakt en
begint de bladzijdenummering elke vergadering telkens met 1. De gegeven
voorbeelden zien op de oude en de nieuwe situatie.
Tweede lid:
Indien naar een wetsvoorstel wordt verwezen, zoals in de aanwijzingen
171b, 180 en 252 het geval is, kan het onwenselijk zijn de in het eerste
lid genoemde formulering te gebruiken, bijvoorbeeld omdat de verwijzing
betrekking heeft op een artikel dat bij amendement of nota van wijziging
in het wetsvoorstel is opgenomen. Door alleen gebruik te maken van het
Kamerstuknummer van vijf cijfers, wordt de verwijzing dynamisch gemaakt
en heeft de verwijzing betrekking op de meest actuele versie van het
wetsvoorstel.
Aanwijzing 90
1. Vermelding van vindplaatsen in het Staatsblad, de Staatscourant
en het Tractatenblad geschiedt door toevoeging tussen haakjes van
aanduidingen overeenkomstig de volgende voorbeelden: Stb. 1981, 35;
Stcrt. 1985, 247; Trb. 1976, 175.
2. Indien de regeling waarnaar wordt verwezen nog niet in het
Staatsblad, de Staatscourant of het Tractatenblad is bekendgemaakt,
wordt de vindplaats in ontwerpen van die regeling aangeduid door
aanduiding van het jaartal en nummer van het publicatieblad met
puntjes, overeenkomstig de volgende voorbeelden:
Stb. ....; Stcrt. ...; Trb. ...
3. Het invullen van het jaartal en nummer van het desbetreffende
publicatieblad geschiedt door het betrokken ministerie, uiterlijk bij
de bekendmaking van de regeling.
Toelichting:
Derde lid: Het invullen van het jaartal en nummer in wetten en
algemene maatregelen van bestuur kan derhalve uiterlijk geschieden bij
het corrigeren van de drukproeven. Hiervoor is geen uitdrukkelijke
opdracht in de desbetreffende regeling vereist, zoals bijvoorbeeld wel
het geval is voor het publiceren van de integrale tekst van een regeling
(zie aanwijzing 246).
Aanwijzing 91
Voor het Publicatieblad van de Europese Unie wordt de afkorting PbEU
gebezigd. Bij aanduiding van een nummer van het Publicatieblad gaat aan
het nummer vooraf de aanduiding " L" (Legislatio) of
"C" (Communicatio).
Voorbeelden: PbEU 2003, L 54; PbEU 2010, C 195.
Toelichting
Tot 1 februari 2003 werd het Publicatieblad aangeduid als ‘Publicatieblad
van de Europese Gemeenschappen’. Indien naar nummers van vóór 1
februari 2003 wordt verwezen, wordt de afkorting PbEG gebezigd.
Aanwijzing 91a
Verwijzing in een regeling naar toe te passen normalisatienormen
geschiedt in beginsel op een niet-dwingende wijze.
Voorbeeld
Artikel 4, eerste lid, van de Wet pleziervaartuigen:
Pleziervaartuigen, onderdelen van pleziervaartuigen, en
voortstuwingsmotoren die overeenstemmen met de door Onze Minister
aangewezen normen, die overeenkomen met de geharmoniseerde normen,
bedoeld in artikel 5 van de richtlijn, worden vermoed te voldoen aan
artikel 3, tweede lid.
Zie ook de Regeling aanwijzing normen pleziervaartuigen 2009.
Toelichting
Wanneer het wenselijk is bij overheidsinterventie aan te sluiten bij
het zelfregulerende vermogen van de maatschappij (zie aanwijzing 8) kan
dit bijvoorbeeld door in een regeling te verwijzen naar een norm die
niet publiekrechtelijk van aard is.
Tot zulke normen van niet-publiekrechtelijke aard behoren onder
andere normalisatienormen. Normalisatie is het systeem waarbij private
partijen door tussenkomst van een normalisatie-instituut, zoals het
Nederlands Normalisatie-instituut NEN, gezamenlijk normen voor hun
handelen opstellen. Op normalisatienormen rust auteursrecht zodat zij
alleen tegen betaling bij het normalisatie-instituut kunnen worden
verkregen. Om die reden is het dwingend opleggen van dergelijke normen
in regelgeving minder wenselijk. Dwingend opleggen van
normalisatienormen past bovendien minder goed bij het vrijwillige
karakter van het systeem van normalisatie. In het algemeen heeft het
toepasselijk maken van de norm op facultatieve basis dan ook de
voorkeur. Dit kan in de vorm van een bewijsvermoeden waarbij het volgen
van de norm het vermoeden oplevert dat aan een wettelijke eis is
voldaan. Dit is bijvoorbeeld het geval in het systeem van Europese
richtlijnen conform de zogenoemde Nieuwe Aanpak.
In bepaalde gevallen legt de wetgever het volgen van een
normalisatienorm dwingend op. Zo zijn er EU-richtlijnen, verdragen en
besluiten van volkenrechtelijke organisaties die de nationale wetgever
daartoe verplichten. Dwingende verwijzing naar normalisatienormen komt
verder bijvoorbeeld in aanmerking in geval van regelingen die zich
richten tot overheidsinstanties en waarbij een exclusieve toepassing
wenselijk is of in geval van strafrechtelijke handhaving, waarbij een
duidelijke norm moet worden gesteld bijvoorbeeld met betrekking tot een
toe te passen meetmethode.
Zie over de verwijzing in wetgeving naar normalisatienormen en over
de status van verwezen normen de brief van het kabinet van 9 april 2009,
Kamerstukken II 2008/09, 28 325, nr. 105.
Aanwijzing 92
1. Indien een regeling verwijst naar normen die zijn vervat in een
andere Nederlandse publiekrechtelijke regeling, omvat die verwijzing
mede nadien in werking getreden wijzigingen van die regeling, tenzij
uitdrukkelijk anders is vermeld.
2. Indien een regeling verwijst naar normen die niet
publiekrechtelijk van aard zijn, geschiedt de verwijzing in beginsel
naar die normen zoals zij op een gegeven tijdstip luidden. Omvat de
verwijzing mede latere wijzigingen, dan wordt tevens voorzien in
mededeling van deze wijzigingen in de Staatscourant.
Voorbeeld bij tweede lid: Artikel 4 van de Archiefregeling: Papier
voldoet aan NEN 2728:2006.
Toelichting:
Met verwijzing naar een andere regeling kan bedoeld zijn een
verwijzing naar de tekst zoals die met inbegrip van sinds de
totstandkoming vastgestelde wijzigingen luidt of zal luiden (dynamische
verwijzing), of een verwijzing naar de tekst zoals die op een bepaald
tijdstip luidde (statische verwijzing).
Bij verwijzing naar andere regelingen van de centrale overheid is
dynamische verwijzing het normale geval. Uitzonderingen zijn echter
denkbaar, bij voorbeeld in het overgangsrecht.
Bij normen die niet van publiekrechtelijke aard zijn, kan worden
gedacht aan normalisatienormen en aan bepalingen die in het kader van
zelfregulering tot stand zijn gebracht. Bij verwijzing naar dergelijke
normen is een met de maatstaven van de Bekendmakingswet vergelijkbaar
niveau van bekendmaking niet gegarandeerd. Daarom dient naar deze normen
in het algemeen altijd statisch te worden verwezen.
Aanwijzing 92a
1.Indien een regeling verwijst naar normen die niet in de
Nederlandse taal zijn gesteld en op overtreding van die normen een
strafrechtelijke of bestraffende bestuursrechtelijke sanctie is
gesteld, worden die normen in het Nederlands vertaald.
2.De vertaling wordt in de Staatscourant geplaatst. Indien de
vertaalde normen slechts van belang zijn voor een kleine groep
personen of de kenbaarheid van de vertaling op een andere wijze
voldoende is verzekerd voor alle belanghebbenden, kan de vertaling
worden gepubliceerd in een ander van overheidswege verkrijgbaar
gesteld publicatieblad of door middel van terinzagelegging. Van deze
wijze van publicatie wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
3.Het tweede lid is niet van toepassing op normen die worden
vertaald krachtens de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.
Toelichting
Eerste lid: Het verdient in het algemeen de voorkeur dat bij
verwijzing in de regelgeving naar niet-wettelijke normen, die normen in
het Nederlands gesteld of vertaald zijn. De Hoge Raad heeft in zijn
arrest van 24 juni 1997, NJ 1998, 70, vastgesteld dat uit artikel 16 van
de Grondwet en artikel 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
volgt dat dit een dwingende eis is ingeval van strafrechtelijk te
handhaven normen. Gezien de analogie tussen beide sanctietypen ligt het
voor de hand om deze eis tevens te stellen aan normen op overtreding
waarvan een bestraffende bestuursrechtelijke sanctie is gesteld.
Het vereiste van vertaling geldt voor normen die rechtstreeks zijn
gericht tot burgers of bedrijven. Dat betekent dat een vertaling
eventueel achterwege kan blijven, ingeval de betrokken normen:
– niet gericht zijn tot burgers of bedrijven zelf, maar
uitsluitend tot bijvoorbeeld keuringsinstanties, zodat overtreding
van de voor goedkeuring gestelde eisen op zichzelf geen delict
oplevert;
– een facultatief karakter hebben.
Dit laatste doet zich voor als bij een regeling ‘primaire’ normen
worden gesteld, op overtreding waarvan de sanctie is gesteld (die normen
moeten dan wel in het Nederlands luiden) en daarnaast wordt bepaald dat
in ieder geval aan die normen wordt voldaan, indien betrokkene volgens
een bepaalde door een andere instantie beschreven manier handelt.
Derde lid: Uiteraard moeten ook de strafrechtelijk of
bestuursrechtelijk te handhaven normen in verdragen en besluiten van
volkenrechtelijke organisaties in de Nederlandse taal beschikbaar zijn.
Het derde lid doet recht aan het feit dat de bekendmaking van
vertalingen daarvan primair geregeerd wordt door de Rijkswet goedkeuring
en bekendmaking verdragen. De Rijkswet bevat overigens geen verplichting
tot vertalen of het bekendmaken van vertalingen.
§ 3.4. Hoofdletters
Aanwijzing 93
1. Het gebruik van hoofdletters wordt zoveel mogelijk beperkt.
2. Het gebruik van hoofdletters in de Grondwet wordt zoveel
mogelijk gevolgd of als uitgangspunt genomen.
3. Voor officiële benamingen wordt de schrijfwijze in de
desbetreffende basisregeling gevolgd.
4. Bij nieuwe benamingen wordt in beginsel alleen het eerste woord
met een hoofdletter geschreven.
5. Aanduidingen van afzonderlijke ministers en ministeries, als
eigennaam gebruikt, worden met een hoofdletter geschreven.
Voorbeelden bij tweede lid:
a. Met hoofdletter: Algemene Rekenkamer, Eerste (Tweede) Kamer,
Hoge Raad (der Nederlanden), Kabinet der Koningin, Kamer (indien
wordt gerefereerd aan de Tweede Kamer of de Eerste Kamer), Kamerlid,
Kamerstukken, Koningin, Koninkrijk (der Nederlanden), Kroon,
Minister-President, Minister van Veiligheid en Justitie, Ministerie
van Veiligheid en Justitie, Onze Minister(s), Raad van State, Rijk,
’s Rijks kas, Staten-Generaal.
b. Met kleine letter: algemene maatregel van bestuur,
burgemeester, commissaris van de Koning, commissie, gedeputeerde
staten, gemeente, kabinet, kamer(s) (indien gebruikt als soortnaam),
kroonberoep, kroonlid, koninklijk besluit, lidstaat, memorie van
toelichting, ministerraad, nota van wijziging, parlement, presidium,
provinciale staten, raad, regering, regeringscommissaris,
rijksoverheid, rijkswet, staat, voorstel van wet.
Voorbeelden bij vierde lid:
Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht, Nationale
ombudsman.
Toelichting bij vijfde lid:
Indien 'minister' of 'staatssecretaris' wordt gevolgd door de naam
van het ministerie (of - bij een minister zonder portefeuille - door een
aanduiding van diens taakveld), dan wordt deze aanduiding beschouwd als
een eigennaam, en wordt een hoofdletter gebruikt. Dit geldt ook voor de
aanduiding 'Onze Minister', die beschouwd kan worden als een verkorte
aanduiding van een (niet vermelde) eigennaam.
§ 3.5. Indeling
Aanwijzing 94
Een regeling is opgebouwd uit de volgende elementen:
a. opschrift van de regeling;
b. aanhef;
c. lichaam van de regeling;
d. slotformulier;
e. ondertekening;
f. eventuele bijlagen
.
Toelichting:
Tot de aanhef behoort mede de in een wet op te nemen considerans. Zie
aanwijzing 109.
Een inhoudsopgave is geen onderdeel van een regeling. Wel kan zij bij
de bekendmaking van de regeling in het Staatsblad of de Staatscourant
worden opgenomen. Zie aanwijzing 192.
Aanwijzing 95
1.Het lichaam van een regeling wordt vervat in een of meer
artikelen.
2.De artikelen worden doorlopend genummerd met Arabische cijfers.
In een omvangrijke regeling kunnen de artikelen per hoofdstuk worden
genummerd, onder vermelding van het hoofdstuknummer voor het
artikelnummer.
3.Bestaat een regeling uit één artikel, dan wordt daarboven de
aanduiding "Enig artikel" geplaatst.
Toelichting:
Voorbeelden van regelingen met de in het tweede lid, tweede volzin,
beschreven wijze van nummering zijn de Wet milieubeheer en het
Vreemdelingenbesluit 2000. De artikelnummering geschiedt in die gevallen
als volgt: 1.1, 1.2, 1.3 ......, 2.1, 2.2, 2.3 ..... enz. Er worden geen
artikelnummers opgenomen zonder tekst of met de aanduiding
"gereserveerd". Zie voor de nummering van artikelen van
wijzigingsregelingen aanwijzing 234.
Aanwijzing 96
De hierna genoemde bepalingen van een regeling worden in voorkomende
gevallen in afzonderlijke artikelen en in de aangegeven volgorde aan het
slot van een regeling opgenomen:
a. bepaling inzake overgangsrecht;
b. bepaling over intrekking van een regeling;
c. bepaling inzake publicatie van de integrale tekst van een
regeling;
d. bepaling inzake inwerkingtreding;
e. bepaling tot vaststelling van een citeertitel.
Toelichting
Het opnemen van een bepaling als bedoeld in onderdeel c komt alleen
voor in de situatie van aanwijzing 246, tweede lid.
Aanwijzing 97
1.Indien dit voor de toegankelijkheid van een regeling van belang
is, wordt deze systematisch in Arabisch genummerde onderdelen
verdeeld.
2.Bij een verdeling op één niveau worden de onderdelen
"hoofdstuk" of "paragraaf" genoemd.
3.Bij een verdeling op twee niveaus worden de onderdelen van het
eerste niveau "hoofdstuk" en de onderdelen van het tweede
niveau "paragraaf" genoemd.
4.Bij een verdeling op meer dan twee niveaus worden de onderdelen
in volgorde van omvang "deel", " hoofdstuk",
"titel", " afdeling" en "paragraaf"
genoemd, met dien verstande dat in ieder geval de aanduidingen
"hoofdstuk" en "paragraaf" worden gebruikt.
Toelichting:
De benaming "boek" wordt alleen voor een deel van een
wetboek gebruikt.
Het verdient aanbeveling voor de aanduiding van paragrafen het
§-teken te gebruiken.
Aanwijzing 98
1. De in aanwijzing 97 bedoelde onderdelen van een regeling worden
voorzien van een opschrift, waarin de inhoud van het onderdeel beknopt
wordt aangeduid.
2. Artikelen kunnen van een opschrift worden voorzien.
Aanwijzing 99
1.Artikelen kunnen worden verdeeld in leden welke worden aangeduid
met Arabische cijfers.
2.Een lid wordt niet verdeeld in alinea's.
3.Indien de inhoud van een artikel zou leiden tot een groot aantal
leden, wordt het artikel zo mogelijk gesplitst in meer artikelen.
Aanwijzing 100
1.Indien het bij een opsomming in een artikel ter wille van de
duidelijkheid wenselijk is elk onderdeel daarvan op een nieuwe regel
te laten beginnen, wordt de volgende werkwijze gevolgd:
a. de onderdelen worden aangegeven met de letters a, b, c
enzovoort, een eventuele verdere onderverdeling met 1°, 2°, 3°
enzovoort, waarbij achter deze letters en cijfers een punt wordt
geplaatst;
b. binnen de onderdelen wordt niet met een nieuwe zin begonnen;
c. de onderdelen worden, met uitzondering van het laatste
onderdeel, afgesloten met een puntkomma of een komma.
2.Bij een opsomming in een begripsbepaling wordt bij voorkeur een
alfabetische volgorde zonder opsommingstekens gehanteerd.
Toelichting:
Is bij een onderdeel van een opsomming een in een afzonderlijke
volzin vervatte nadere bepaling nodig, dan wordt deze in een
afzonderlijk artikellid opgenomen. Zie ook aanwijzing 123.
Aanwijzing 101
1.Indien dit voor de duidelijkheid nodig is, wordt door gebruik van
het woord "of" dan wel "en" aan het slot van het
voorlaatste onderdeel van een opsomming het alternatieve,
onderscheidenlijk cumulatieve karakter van de opsomming tot
uitdrukking gebracht.
2.Uit de formulering van het artikel moet blijken of een opsomming
een limitatief of een enuntiatief karakter heeft.
Toelichting:
Het enuntiatieve karakter van een opsomming kan worden uitgedrukt
door de woorden "in ieder geval" of "ten minste",
het limitatieve karakter door de woorden "slechts",
"uitsluitend", "alleen".
Aanwijzing 102
Bij een regeling worden geen bijlagen opgenomen, tenzij het gaat om
de vaststelling van een tabel, formulier, model, kaart of lijst van
regelingen of bepalingen dan wel dit anderszins onvermijdelijk is.
Toelichting:
De inhoud van een bijlage is in gelijke mate bindend als de regeling
waarbij zij behoort. Bijlagen waarin louter toelichtende informatie
wordt verschaft, behoren niet bij een regeling te worden opgenomen.
Eventueel kunnen dergelijke bijlagen worden opgenomen bij de toelichting
op de regeling.
Aanwijzing 103
Op een bijlage bij een regeling wordt vermeld bij welk artikel van de
regeling zij hoort, tenzij dit door het grote aantal artikelen niet
doelmatig is.
Aanwijzing 104
1. Indien een regeling voorziet in de verplichting of de
bevoegdheid tot het vaststellen van uitvoeringsregelingen, wordt ter
uitvoering van de hogere regeling zo mogelijk één algemene maatregel
van bestuur of ministeriële regeling vastgesteld.
2. In een uitvoeringsregeling worden zo mogelijk de indeling en
volgorde van de onderdelen, de opschriften van die onderdelen, de
wijze van nummering van de artikelen en de volgorde van de artikelen
van de hogere regeling in acht genomen.
Voorbeeld
Vreemdelingenwet 2000 en Vreemdelingenbesluit 2000.
Aanwijzing 104a
In een regeling worden, tenzij dit onvermijdelijk is, bepalingen uit
een andere regeling, die hetzelfde onderwerp regelen, niet herhaald.
Toelichting:
Het gaat hierbij met name om het vermijden van herhaling in een
uitvoeringsregeling van bepalingen uit de delegerende regeling en
herhaling in een bijzondere regeling van bepalingen uit algemenere
regelingen, zoals het Burgerlijk Wetboek, de Algemene wet bestuursrecht,
de Gemeentewet en de Wet milieubeheer.
Hoofdstuk 4. Bijzondere bestanddelen van regelingen
§ 4.1. Opschrift
Aanwijzing 105
Regelingen worden voorzien van een opschrift.
Toelichting:
Het "opschrift" komt overeen met wat voorheen werd
aangeduid als "intitulé".
Aanwijzing 106
1. Bij de formulering van het opschrift wordt een van de volgende
modellen gevolgd:
a. in een (rijks)wet:
(Rijks)wet van ...... (datum) tot/, houdende ......;
b. in een algemene maatregel van (rijks)bestuur:
Besluit van ..... (datum) tot/, houdende ......;
c. in een ministeriële (rijks)regeling:
Regeling van de Minister van/voor /Staatssecretaris van .....
van ...... (datum) tot/, houdende .......
2. In een wetsvoorstel worden in het opschrift de woorden‘Rijkswet/Wet
van ..... tot/, houdende .....’ niet opgenomen.
Voorbeelden:
- (Wet van 12 december 1985 tot) wijziging van een aantal
bepalingen in de wetgeving in verband met het verkrijgen van de
hoedanigheid van land in het Koninkrijk door Aruba
- Besluit van (3 juni 1992), houdende regels voor de
horecabedrijven
Toelichting:
Voor een algemene maatregel van bestuur wordt de aanduiding
"Besluit" gebezigd, voor een ministeriële regeling de
aanduiding "Regeling".
De woorden "Wet van ..... tot/, houdende" worden pas
toegevoegd bij de bekendmaking van de wet in het Staatsblad. Degene die
de drukproef aanvraagt, draagt hiervoor zorg. In het opschrift van (het
ontwerp van) een algemene maatregel van bestuur worden de woorden
"Besluit van ... tot/, houdende" wel reeds van begin af aan
opgenomen.
Na het opschrift wordt geen punt geplaatst.
Aanwijzing 107
1.Het opschrift bevat zo mogelijk enige materiële aanduiding van
het onderwerp van de regeling.
2.Het opschrift wordt beknopt gehouden.
Voorbeelden
– Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wegenverkeerswet
1994 in verband met de invoering van een bromfietsrijbewijs
– Wet van 5 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van
Strafrecht (verlenging verjaring inzake overtredingen na stuiting)
Toelichting:
Opschriften die slechts een verwijzing inhouden naar artikelen, data
en nummers van verdragen, wetten of besluiten, zijn in het algemeen
onwenselijk, omdat ze geen informatie geven over het onderwerp van de
regeling. Dit geldt ook bij wijzigingsregelingen. Zie ook aanwijzing
108.
Aanwijzing 108
Indien aan een regeling een citeertitel wordt gegeven, wordt deze aan
het slot van het opschrift tussen haakjes vermeld.
Voorbeeld: Wet van 20 december 1984, houdende nieuwe bepalingen met
betrekking tot gemeenschappelijke regelingen (Wet gemeenschappelijke
regelingen)
Toelichting:
Bij een wijzigingsregeling kan aan het slot van het opschrift tussen
haakjes een aanduiding van het onderwerp van de wijziging worden
opgenomen. Zie het tweede voorbeeld bij aanwijzing 107. Dit is echter
geen citeertitel en daarin komt niet de term wet, besluit of regeling
voor. Slechts in bijzondere gevallen wordt bij een wijzigingsregeling
een citeertitel opgenomen (zie aanwijzing 184).
Zie ook aanwijzing 185.
§ 4.2. Aanhef
Aanwijzing 109
1. Voor de aanhef van een wet wordt het volgende model gebruikt:
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ...... (considerans);
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
2. Indien het een rijkswet betreft, luidt de laatste alinea:
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State
van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen
zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
Aanwijzing 110
1. Voor de aanhef van een algemene maatregel van bestuur of een
ander koninklijk besluit van regelende aard wordt het volgende model
gebruikt:
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister(s) van/voor ... /de
Staatssecretaris(sen) van ...... van ...... (datum en nummer), gedaan
mede namens/in overeenstemming met/na overleg met Onze Minister(s)
van/voor ... /de Staatssecretaris(sen) van ......;
Gelet op ......;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van
...... (datum en nummer));
Gezien het nader rapport van Onze Minister(s) van/voor ... /de
Staatssecretaris(sen) van ...... van ...... (datum en nummer),
uitgebracht mede namens/in overeenstemming met/na overleg met Onze
Minister(s) van/voor ... /de Staatssecretaris(sen) van ......;
Hebben goedgevonden en verstaan:
2. Indien het een algemene maatregel van rijksbestuur betreft,
wordt gesproken van de Afdeling advisering van de Raad van State van
het Koninkrijk en wordt als voorlaatste zinsnede ingevoegd:
De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen
zijnde;
3. In een koninklijk rijksbesluit, geen algemene maatregel van
rijksbestuur zijnde, wordt niet naar het Statuut verwezen, tenzij de
raad van ministers van het Koninkrijk ter zake heeft overlegd. In dat
geval wordt als voorlaatste zinsnede ingevoegd:
Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen
zijnde;
Toelichting:
Een voordracht "mede namens" houdt in dat de minister of
staatssecretaris namens wie de voordracht plaatsvindt, zelf ook een van
de voordragende bewindslieden is (zie aanwijzing 111).
Een voordracht "in overeenstemming met" houdt in dat de
betrokken minister of staatssecretaris niet zelf mede voordraagt, maar
wel uitdrukkelijk met de vaststelling van het besluit heeft ingestemd.
Een voordracht "na overleg met" houdt in dat bij de
voorbereiding van het besluit met de betrokken minister of
staatssecretaris overleg is gepleegd.
Voor de wijze waarop de keuze voor een van deze vormen van
medebetrokkenheid wordt bepaald zie ook aanwijzing 201 en de toelichting
bij aanwijzing 29.
De zinsneden, volgend op de vermelding van de voordracht, worden
alleen opgenomen, indien zij van toepassing zijn.
Aanwijzing 111
Indien bij de voordracht tot een voorstel van wet, een algemene
maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard
meer dan één minister of staatssecretaris is betrokken, verdient een
voordracht, uitgaande van één van hen mede namens de andere(n), in het
algemeen de voorkeur boven een gezamenlijke voordracht.
Toelichting:
Een gezamenlijke voordracht komt alleen in aanmerking, indien van
belang is dat de gelijkwaardigheid van de bemoeienis van de
verschillende bewindslieden ook in de voordracht tot uitdrukking wordt
gebracht. Ook indien de delegerende wet voorschrijft dat de voordracht
voor een algemene maatregel van bestuur of ander koninklijk besluit van
regelende aard door twee of meer ministers geschiedt, verdient een
voordracht door een van hen, ‘mede namens’ de ander(en) de voorkeur.
Een voordracht "mede namens" veronderstelt uiteraard dat er
tussen de betrokken bewindslieden overeenstemming bestaat.
Bij een voordracht ’mede namens’ kan volstaan worden met
ondertekening van de memorie of nota van toelichting door de
eerstverantwoordelijke bewindspersoon. De medebetrokken bewindspersonen
dienen wel allen de wet of het besluit te contrasigneren (zie de
aanwijzingen 202 en 221).
Na een voordracht "mede namens" wordt ook het nader rapport
"mede namens" uitgebracht, tenzij in het advies een bijzondere
reden is gelegen het nader rapport gezamenlijk te ondertekenen. Bij een
voordracht "in overeenstemming met" vindt geen
medeondertekening van stukken plaats.
Aanwijzing 112
Voor de aanhef van een ministeriële regeling wordt het volgende
model gebruikt:
De Minister van/voor.../Staatssecretaris van ......,
Handelende in overeenstemming met de Minister
van/voor.../Staatssecretaris van ...... /in overeenstemming met het
gevoelen van de ministerraad/na overleg met de Minister
van/voor.../Staatssecretaris van ......;
Gelet op ......;
Besluit:
Aanwijzing 113 [Vervallen per 13-09-2008]
Aanwijzing 114
1. De uitdrukking "Gelet op" verwijst naar de hogere
regeling waarop de regelgevende bevoegdheid berust en in voorkomend
geval naar de internationale regeling of bindende EU-rechtshandeling
ter uitvoering waarvan de regeling strekt.
2. Bij uitvoering van een bepaling van een algemene maatregel van
bestuur wordt alleen naar deze bepaling verwezen en niet tevens naar
de wetsbepaling waarop de algemene maatregel van bestuur steunt.
3. Verwezen wordt naar de afzonderlijke artikelen van de hogere
regeling, tenzij dit door het grote aantal artikelen niet doelmatig
is.
Toelichting:
Indien een bepaling die regelgevende bevoegdheid verleent, in een
andere bepaling van overeenkomstige toepassing is verklaard op een ander
gebied, wordt, ingeval ten aanzien van dat gebied regels worden gesteld,
verwezen naar laatstbedoelde bepaling. Indien dat voor de duidelijkheid
wenselijk is, kan daaraan een verwijzing naar de van toepassing
verklaarde bepaling worden toegevoegd. Voorbeeld: artikel 35 in
samenhang met artikel 8.
In een wijzigingsregeling wordt niet "gelet op" het te
wijzigen besluit.
In geval van verwijzing naar zowel een internationale regeling of
bindende EU-rechtshandeling als een nationale regeling, wordt de
desbetreffende internationale regeling of bindende EU-rechtshandeling
eerst vermeld.
Bij wijziging van een bijlage bij een uitvoeringsregeling moet worden
verwezen naar de bepaling waarop de uitvoeringsregeling steunt en niet
(tevens) naar de bepaling in de uitvoeringsregeling die de bijlage
daarmee verbindt.
Zie ook aanwijzing 119.
Aanwijzing 115 [Vervallen per 08-03-1998]
Aanwijzing 116 [Vervallen per 08-03-1998]
§ 4.3. Considerans
Aanwijzing 117
1.In de aanhef van een wet wordt een considerans opgenomen.
2.In een andere regeling wordt geen considerans opgenomen.
Toelichting:
Zie met betrekking tot wijziging van een considerans aanwijzing 226.
De reden voor de vaststelling van een algemene maatregel van bestuur
of een ministeriële regeling kan kenbaar worden gemaakt in de (nota
van) toelichting (zie aanwijzing 211). Bij wetten verplicht additioneel
artikel XIX van de Grondwet tot opneming van een considerans. Voor de
term "considerans" wordt in het Reglement van Orde van de
Tweede Kamer de term "beweegreden" gebruikt.
Aanwijzing 118
In een considerans worden de strekking van en, indien daartoe
aanleiding is, het motief tot de vaststelling van de wet in hoofdzaak
kort weergegeven.
Toelichting:
Vaak is het voldoende te vermelden dat het wenselijk is ten aanzien
van een bepaald onderwerp een regeling te treffen, bij voorbeeld
"dat het wenselijk is de bepalingen met betrekking tot de
vermelding van de kandidaten op de lijsten voor de verkiezing van de
leden van de vertegenwoordigende lichamen te wijzigen". Niet kan
echter worden volstaan met bij voorbeeld de overweging "dat het
wenselijk is enige wijzigingen aan te brengen in de Kieswet".
Aanwijzing 119
Strekt een wet tot uitvoering van de Grondwet, een verdrag of een
bindende EU-rechtshandeling, dan wel ander besluit van een
volkenrechtelijke organisatie, dan wordt dit in de considerans vermeld.
Toelichting:
Bij een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling
wordt het verband met een hogere regeling tot uitdrukking gebracht door
de formule "gelet op" (zie aanwijzing 114).
Deze aanwijzing geeft tevens invulling aan het tegenwoordig in
EU-richtlijnen opgenomen voorschrift dat naar de geïmplementeerde
richtlijn wordt verwezen in de nationale uitvoeringsbepalingen of bij de
officiële bekendmaking van die bepalingen, op een wijze die door de
lidstaten wordt vastgesteld.
Zie voor zelfstandige algemene maatregelen van bestuur de toelichting
op aanwijzing 21.
Aanwijzing 120
In de considerans worden geen elementen opgenomen die niet in het
lichaam van de regeling zelf voorkomen.
Toelichting:
De werkingssfeer van een regeling moet uit de regeling zelf blijken.
§ 4.3a. Toepasselijkheid in Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Aanwijzing 120a
1. Indien een regeling van toepassing is of mede van toepassing is
in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt dit in de regeling
uitdrukkelijk bepaald.
2. De bepaling die de toepasselijkheid van een regeling in Bonaire,
Sint Eustatius en Saba regelt, wordt bij voorkeur in de inleidende
bepalingen van de regeling opgenomen. In regelingen waarvan de
werkingssfeer eerst na de totstandkoming van de regeling tot Bonaire,
Sint Eustatius en Saba wordt uitgebreid, mag de daartoe strekkende
bepaling ook aan het einde van de regeling worden opgenomen, voor de
overgangs- en slotartikelen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien het een regeling
van het Koninkrijk betreft of indien de toepasselijkheid van een
regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba reeds onmiskenbaar uit een
ander wettelijk voorschrift volgt.
4. In een regeling die uitsluitend van toepassing is in het
Europese deel van Nederland, behoeft geen bepaling te worden opgenomen
die de werkingssfeer van de regeling uitdrukkelijk tot dat deel van
Nederland beperkt.
Toelichting
Op grond van artikel 2 van de Invoeringswet openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt een regeling alleen in Bonaire,
Sint Eustatius en Saba, indien dat bij wettelijk voorschrift is bepaald
of op andere wijze onmiskenbaar uit een wettelijk voorschrift volgt.
Indien in een Nederlandse regeling niets is bepaald en haar
toepasselijkheid in Bonaire, Sint Eustatius en Saba ook niet uit een
ander wettelijk voorschrift volgt, geldt die regeling uitsluitend voor
het Europese deel van Nederland. Om die reden behoeft in een regeling
die uitsluitend voor het Europese deel van Nederland bestemd is, ook
geen daartoe strekkende bepaling te worden opgenomen.
Indien het een regeling betreft die uitsluitend in Bonaire, Sint
Eustatius en Saba geldt, wordt dat tevens in de citeertitel tot
uitdrukking gebracht: zie aanwijzing 185, zesde lid.
Omwille van de duidelijkheid verdient het de voorkeur dat de
werkingssfeer van de regeling reeds uit de inleidende bepalingen blijkt.
In bestaande regelingen, waarvan de werkingssfeer pas na de
totstandkoming van de regeling wordt uitgebreid tot Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, is het niet altijd mogelijk om de bepaling die de
toepasselijkheid in het Caribische deel van Nederland regelt, een
logische plaats te geven aan het begin van de regeling. In dat geval kan
er voor worden gekozen om de daartoe strekkende bepaling aan het einde
van de regeling, voor de overgangs- en slotartikelen, op te nemen. Het
verdient in dat geval aanbeveling om die bepaling in een apart hoofdstuk
of een aparte paragraaf op te nemen, om te voorkomen dat zij makkelijk
over het hoofd zou kunnen worden gezien. In dat aparte hoofdstuk of die
aparte paragraaf kunnen dan tevens andere specifiek op de toepassing van
de regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba betrekking hebbende
bepalingen worden opgenomen. Zie ook aanwijzing 163b.
Voorbeeld bij het eerste lid:
Deze wet is (mede) van toepassing in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba.
§ 4.4. Begripsbepalingen
Aanwijzing 121
1.Termen die een te weinig bepaalde of een van het spraakgebruik
afwijkende betekenis hebben, worden gedefinieerd.
2.In een begripsbepaling wordt aan een term geen sterk van het
normale spraakgebruik afwijkende betekenis gegeven.
Toelichting:
Soms zullen op zichzelf duidelijke termen uit juridisch oogpunt
nadere definiëring behoeven, bijvoorbeeld "ambtenaar" en
"bouwen".
In een begripsbepaling onder "landbouw" mede verstaan
tuinbouw is aanvaardbaar. Onder "landbouw" mede verstaan
visserij is daarentegen onjuist.
Het tweede lid is te beschouwen als een specificering van aanwijzing
61 ten aanzien van begripsbepalingen. Zie ook aanwijzing 54.
Aanwijzing 122
Veelvuldige herhaling in een regeling van omvangrijke omschrijvingen
wordt vermeden door in de begripsbepalingen een verkorte aanduiding op
te nemen.
Aanwijzing 123
1.Voor een begripsbepaling wordt de volgende formulering gebruikt:
In deze wet (dit besluit/deze regeling) (en de daarop berustende
bepalingen) wordt (mede) verstaan onder ......: ......
2.De term "verstaan" wordt gebruikt, indien een begrip in
algemene zin wordt gedefinieerd.
3.De term "mede verstaan" wordt gebruikt, indien aan de,
al dan niet gedefinieerde, betekenis van een begrip uitbreiding wordt
gegeven.
4.In een begripsbepaling worden geen aanhalingstekens gebruikt.
Toelichting:
Door toevoeging van de zinsnede "en de daarop berustende
bepalingen" wordt vermeden dat begrippen in een uitvoeringsregeling
een afwijkende betekenis hebben van die in de delegerende regeling (zie
ook aanwijzing 55).
De formulering "wordt begrepen onder" (synoniem van
"wordt mede verstaan onder") dient niet meer gebruikt te
worden, omdat deze misverstand kan wekken.
In begripsbepalingen kan ook worden verwezen naar de definiëring van
een begrip in een andere regeling.
§ 4.5. Adviescolleges en interdepartementale commissies
Aanwijzing 123a
1.In de toelichting bij een regeling waarbij een adviescollege
wordt ingesteld of een adviestaak wordt opgedragen, wordt gemotiveerd
waarom onafhankelijke advisering op het desbetreffende terrein
noodzakelijk wordt geacht.
2.In de toelichting bij een regeling waarbij een adviescollege
wordt ingesteld, wordt gemotiveerd waarom de adviestaak niet aan een
bestaand adviescollege wordt opgedragen.
Toelichting:
Deze aanwijzing ziet op alle adviescolleges, ongeacht of het gaat om
een vast of tijdelijk college of een college voor de eenmalige
advisering over een bepaald vraagstuk en ongeacht of het gaat over
wetgeving of te voeren beleid dan wel over uitvoeringsaangelegenheden.
Aanwijzing 123b
In een regeling wordt niet voorzien in de verplichting advies te
vragen over algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van
het Rijk.
Aanwijzing 124
Bij de opneming in een regeling van bepalingen over een
interdepartementale commissie worden de Aanwijzingen inzake
interdepartementale commissies in acht genomen.
§ 4.5a. Zelfstandige bestuursorganen
Aanwijzing 124a
In de toelichting bij een regeling waarbij een zelfstandig
bestuursorgaan wordt ingesteld of een taak aan een zelfstandig
bestuursorgaan wordt opgedragen, wordt de noodzaak daartoe gemotiveerd.
Toelichting:
In artikel 3 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn de
(restrictief geïnterpreteerde) gevallen opgenomen waarin een
zelfstandig bestuursorgaan kan worden ingesteld, of nadien met een
andere taak, inhoudende de uitoefening van openbaar gezag, kan worden
belast. Het voldoen aan één of meer van de in artikel 3 van de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen opgenomen gronden laat onverlet
dat terughoudend met de instelling van een zelfstandig bestuursorgaan of
het opdragen van taken aan een bestaand zelfstandig bestuursorgaan moet
worden omgegaan. Bij het opstellen van de motivering kunnen de volgende
vragen als leidraad worden gebruikt:
– waarom moet de overheid de taak behartigen of blijven
behartigen?
– waarom is toekenning van de taak aan provincie- en
gemeentebesturen of aan de besturen van de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet aangewezen?
– waarom wordt de taak niet onder volledige ministeriële
verantwoordelijkheid uitgeoefend?
– welke afweging is er gemaakt inzake de kosten, bestuurlijke
lasten en doelmatigheid in vergelijking met het toekennen of blijven
toekennen van de taak aan een minister?
– hoe is de taakuitoefening afgestemd op de taken van andere
bestuursorganen op rijks-, provinciaal of gemeentelijk niveau of op
het niveau van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba?
Aanwijzing 124b
1. Een zelfstandig bestuursorgaan wordt bij of in bijzondere
gevallen krachtens de wet ingesteld.
2. Het toekennen van openbaar gezag geschiedt bij of in bijzondere
gevallen krachtens de wet.
3. Wat het verstrekken van subsidies betreft, kan in bijzondere
gevallen worden afgeweken van het tweede lid.
Toelichting:
Eerste lid: Instelling bij wet is aangewezen in verband met de
beperkte ministeriële verantwoordelijkheid voor een zelfstandig
bestuursorgaan. Omdat de mogelijkheden van parlementaire controle op de
uitoefening van de desbetreffende taak niet volledig zijn, is het
noodzakelijk dat de Staten-Generaal zich over het instellen van een
zelfstandig bestuursorgaan kunnen uitspreken. In bijzondere gevallen is
instelling krachtens de wet mogelijk, bij voorbeeld indien de regeling
een hele categorie gelijksoortige zelfstandige bestuursorganen betreft
(bij voorbeeld landelijk gespreide organen op een bepaald taakgebied).
In een dergelijk geval worden de algemene kenmerken van deze organen bij
wet geregeld, maar de afzonderlijke organen kunnen dan krachtens wet
worden ingesteld.
Tweede lid: Uitgangspunt is dat toekenning van openbaar gezag aan een
zelfstandig bestuursorgaan bij formele wet geschiedt. Niet iedere
toekenning van openbaar gezag is echter zo gewichtig dat de
volksvertegenwoordiging daarbij rechtstreeks moet worden betrokken.
Afhankelijk van de aard van de taak kan volstaan dan worden met opneming
in een lagere regeling. Overigens is ook voor belangrijke bestuurstaken
die niet gepaard gaan met het uitoefenen van openbaar gezag (zoals het
verrichten van feitelijke uitvoeringshandelingen, bijv. het geven van
onderwijs), een wettelijke basis wenselijk of vereist. Het toekennen van
verschillende taken wordt gemotiveerd.
Derde lid: Zie voor de mogelijkheden hiertoe, indien het een regeling
betreft die geldt in het Europese deel van Nederland, artikel 4:23 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Aanwijzing 124c
1.Regelgevende bevoegdheden worden aan een zelfstandig
bestuursorgaan uitsluitend toegekend:
a. voor zover het betreft organisatorische of technische
onderwerpen, of
b. in bijzondere gevallen mits voorzien is in de bevoegdheid
tot goedkeuring van de regeling door een minister.
2.Aan een zelfstandig bestuursorgaan wordt geen adviestaak
opgedragen ten aanzien van algemeen verbindende voorschriften of te
voeren beleid van het Rijk.
Toelichting:
Algemeen verbindende voorschriften worden in beginsel niet
vastgesteld door anderen dan regering (en Staten-Generaal), provincies
en gemeenten. Daarnaast kan aan een orgaan van een openbaar lichaam van
beroep of bedrijf of een ander openbaar lichaam, als bedoeld in artikel
134 van de Grondwet die bevoegdheid worden toegekend. Het is in dat
licht in beperkte mate aanvaardbaar dat aan een zelfstandig
bestuursorgaan regelgevende bevoegdheid wordt toegekend. Niet
uitgesloten is dat in bijzondere gevallen over andere dan
organisatorische of technische onderwerpen regels worden gesteld, doch
uitsluitend indien voorzien is in ministeriële goedkeuring. Aan de
motivering hiervan in de toelichting worden vanwege het uitzonderlijk
karakter zware eisen gesteld.
Voorbeeld
Artikel 124, tweede lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële
ondernemingen Wft.
Aanwijzing 124d
1.Indien het toekennen van rechtspersoonlijkheid wenselijk is,
wordt in de instellingswet het volgende model gebruikt:
1. Er is een …. (naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig
bestuursorgaan deel uitmaakt).
2. …. (naam rechtspersoon ) is gevestigd te … .
3. … (naam rechtspersoon ) bezit rechtspersoonlijkheid.
2.In de instellingswet wordt in dat geval, indien mogelijk,
duidelijk onderscheid gemaakt tussen het zelfstandig bestuursorgaan en
de rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt.
Daarbij wordt het volgende model gebruikt:
1. Aan het hoofd van … (naam rechtspersoon waarvan het
zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt) staat … (aanduiding
zelfstandig bestuursorgaan).
2. … (aanduiding zelfstandig bestuursorgaan) heeft tot taak
… / de volgende taken: …
3.In de instellingswet wordt in dat geval de wijze van bekostiging
van de rechtspersoon geregeld.
Toelichting:
Eerste lid: In bepaalde gevallen kan het voor een goede
taakvervulling van belang zijn dat de organisatie waarvan een
zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt, op eigen titel – dat wil
zeggen los van de rechtspersoon Staat der Nederlanden – aan het
civielrechtelijke rechtsverkeer kan deelnemen. Het zelfstandig
bestuursorgaan heeft dan de mogelijkheid zelfstandig contracten te
sluiten of personeel aan te nemen, wat voor het onafhankelijk verrichten
van zijn publieke taak van belang kan zijn. Zonder rechtspersoonlijkheid
kunnen die bevoegdheden alleen worden uitgevoerd indien de minister
daartoe volmacht of mandaat heeft verleend. In die gevallen kan
rechtspersoonlijkheid door de wet worden toegekend. In de memorie van
toelichting moet een uitdrukkelijke motivering worden opgenomen. De
daardoor ontstane vermogensrechtelijke bevoegdheden kunnen overigens
uitsluitend worden uitgeoefend ter verwezenlijking van de bestuurstaak
van het zelfstandig bestuursorgaan: zie artikel 14 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek.
In de afweging over het toekennen van rechtspersoonlijkheid dient
telkens te worden betrokken of het personeel een aanstelling bij een
aparte organisatie zou prefereren boven een aanstelling in algemene
rijksdienst en of het bestuur/ de directie de verantwoordelijkheid voor
het personeel, de organisatie, het financieel beheer en wat dies meer
zij, kan dragen.
Tweede lid: Het zelfstandig bestuursorgaan is de drager van
publiekrechtelijke taken en bevoegdheden (openbaar gezag). De
rechtspersoon is het lichaam waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel
uitmaakt en dat aan het rechtsverkeer deelneemt. In veel gevallen zal de
rechtspersoonlijkheid worden toegekend aan een organisatie en zullen de
publiekrechtelijke taken en bevoegdheden worden toegekend aan het
bestuur van die organisatie. Het bestuur is dan het zelfstandig
bestuursorgaan. Om te voorkomen dat beide begrippen door elkaar gaan
lopen doordat bijvoorbeeld privaatrechtelijke bevoegdheden aan het
bestuur (zelfstandig bestuursorgaan) worden opgedragen, of
publiekrechtelijke bevoegdheden aan de rechtspersoon, dient in de
instellingswet een scherp onderscheid tussen beide te worden gemaakt.
Het kan voorkomen dat de naam van de rechtspersoon tevens de naam van
het bestuursorgaan is. Een voorbeeld hiervan is de Onderzoeksraad voor
veiligheid. In dat geval is het onderscheid niet te maken en vervalt het
in de modelbepaling opgenomen eerste lid.
Aanwijzing 124e
1.De inrichting van het zelfstandig bestuursorgaan, alsmede de
termijn waarvoor de leden van het zelfstandig bestuursorgaan worden
benoemd, worden in de instellingswet geregeld.
2.Indien het zelfstandig bestuursorgaan wordt ingesteld omdat
participatie van maatschappelijke organisaties in verband met de aard
van de betrokken bestuurstaak bijzonder aangewezen moet worden geacht
(artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen), wordt in de instellingswet bepaald dat personen
afkomstig van maatschappelijke organisaties in het zelfstandig
bestuursorgaan worden benoemd. Zo mogelijk wordt daarbij bepaald dat
voor elk lid een plaatsvervangend lid wordt benoemd.
3.Deze aanwijzing is van overeenkomstige toepassing indien er naast
het bestuur andere organen worden ingesteld.
Toelichting:
In een instellingswet is alleen een nadere precisering van
benoemingen (zittingsduur, persoonlijke kwalificaties van leden) nodig:
de artikelen 9 en 12 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen
voorzien in de algemene regels.
Eerste lid: Met de ’inrichting van het zelfstandig bestuursorgaan’
wordt bedoeld de omvang van het zelfstandig bestuursorgaan, alsmede de
kwalificaties waaraan de te benoemen leden moeten voldoen. Voorbeeld:
artikel 5 van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad en artikel 7 van
de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank.
Tweede lid: Hier wordt artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen nader uitgewerkt voor de
samenstelling van een zelfstandig bestuursorgaan. Benoeming geschiedt
uit de kring van, dan wel op aanbeveling van de betrokken
maatschappelijke organisaties, maar niet dóór die organisaties. Door
het tevens benoemen van plaatsvervangende leden wordt bevorderd dat bij
alle besluitvorming door het zelfstandig bestuursorgaan steeds alle
participerende maatschappelijke groeperingen daadwerkelijk
gerepresenteerd zullen kunnen zijn.
Aanwijzing 124f
Indien binnen een organisatie of rechtspersoon naast het
publiekrechtelijke zelfstandig bestuursorgaan nog andere organen of
nevenorganen worden ingesteld, worden in de instellingswet de onderlinge
verhoudingen en bevoegdheden van deze organen vastgelegd.
Toelichting:
Bestuursbevoegdheden worden veelal ongedeeld opgedragen aan een
zelfstandig bestuursorgaan. Vooral bij complexe taken en grotere
organisaties kan het echter raadzaam zijn de bevoegdheden over meer
organen te verdelen. Gedacht kan worden aan de constructie van een
dagelijks bestuur met daarnaast een toezichthoudend orgaan, een bestuur
naast een (operationeel) directeur of een gebruikers- of cliëntenraad.
Indien voor een gedeelde opzet wordt gekozen, dient duidelijk te zijn
welke bevoegdheden aan welk orgaan toekomen en wat de onderlinge
verhouding tussen de organen is. Ingevolge artikel 7 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen kan een zelfstandig bestuursorgaan in deze
situatie mede ten behoeve van de andere zelfstandige bestuursorganen de
verplichtingen ingevolge deze wet nakomen. Bij de regeling van de
onderlinge verhoudingen, bedoeld in deze aanwijzing, wordt aangegeven
welk orgaan dit is, zodat duidelijk is met welk orgaan de minister
communiceert.
Aanwijzing 124g
Aan een minister wordt niet de bevoegdheid toegekend bijzondere
aanwijzingen te geven.
Toelichting:
Indien de minister bevoegd is bijzondere aanwijzingen ofwel
aanwijzingen voor een concreet geval te geven, kan niet meer van ‘zelfstandigheid’
gesproken worden en resteert er materieel niets anders dan een aan de
minister ondergeschikt orgaan met bij de wet geattribueerde bevoegdheid.
Aanwijzing 124h
1. In de instellingswet wordt in voorkomende gevallen bepaald hoe
de overgang van personeel, rechten, bezittingen en verplichtingen van
de rechtspersoon de Staat der Nederlanden op een andere rechtspersoon
waarvan het zelfstandig bestuursorgaan onderdeel uitmaakt, wordt
geregeld.
2. Hiervoor worden de volgende modellen gebruikt:
(Artikel ..)
1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn de
personeelsleden van .....(naam dienstonderdeel), van wie naam en
functie zijn vermeld op een door Onze Minister vastgestelde lijst,
van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van
.....(naam zelfstandig bestuursorgaan).
2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde
personeelsleden vindt plaats met een rechtspositie die als geheel
ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold
bij .....(naam dienstonderdeel).
3. De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht
behoren tot het personeel van .....(naam dienstonderdeel), en van
wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister
vastgestelde lijst, zijn op dat tijdstip van rechtswege ontslagen
en aangesteld in dienst van .....(naam zelfstandig bestuursorgaan)
met een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig
is aan die welke voor elk van hen gold bij .....(naam
dienstonderdeel).
NB:
Het tweede lid is alleen nodig, indien in afwijking van artikel 15
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen , bij de nieuwe werkgever het
ARAR/BBRA niet van (overeenkomstige) toepassing zijn op het
overkomende personeel.
(Artikel ..)
1. Onze Minister bepaalt in overeenstemming met Onze Minister
van Financiën welke vermogensbestanddelen van de Staat die aan
.....(naam dienstonderdeel) worden toegerekend, worden toebedeeld
aan .....(naam dienst waarvan het zelfstandig bestuursorgaan
onderdeel uitmaakt).
2. De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan op
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onder algemene
titel over op .....(naam dienst) tegen een door Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën te bepalen
waarde.
3. Ingeval krachtens het eerste en het tweede lid
registergoederen overgaan, doet Onze Minister van Financiën de
overgang van die registergoederen onverwijld inschrijven in de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
(Artikel ..)
Archiefbescheiden van ..... (naam dienstonderdeel) betreffende
zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet
zijn afgedaan, worden overgedragen aan ..... (naam zelfstandig
bestuursorgaan), voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995
zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
Toelichting:
Derde modelbepaling: Deze bepaling zorgt ervoor dat archiefbescheiden
betreffende zaken die bij de instelling van het zelfstandig
bestuursorgaan nog niet zijn afgedaan, worden overgedragen aan het
zelfstandig bestuursorgaan dat die archiefbescheiden nodig heeft voor
het afdoen van die zaken. Daarnaast kan het zelfstandig bestuursorgaan
voor historisch onderzoek behoefte hebben aan archiefbescheiden
betreffende zaken die bij de instelling van het zelfstandig
bestuursorgaan wel zijn afgedaan. Dergelijke archiefbescheiden kunnen
door de zorgdrager in de zin van de Archiefwet 1995 tijdelijk ter
beschikking worden gesteld van het zelfstandig bestuursorgaan. Na afloop
van de terbeschikkingstelling keren die archiefbescheiden terug naar het
archief waaruit ze afkomstig zijn. Aldus wordt voorkomen dat het
oorspronkelijke archief van een dienstonderdeel door overdracht van
archiefbescheiden aan een zelfstandig bestuursorgaan incompleet wordt en
zijn rol als bron voor verantwoording en voor historisch onderzoek niet
meer optimaal kan vervullen.
Aanwijzing 124i
1. Indien aan de orde, wordt bij wet bepaald op welke wijze de op
het moment van instelling van een zelfstandig bestuursorgaan dat geen
onderdeel uitmaakt van de rechtspersoon de Staat der Nederlanden,
lopende wettelijke procedures en rechtsgedingen, respectievelijk
onderzoeken door de Nationale ombudsman worden afgehandeld.
2. Hiervoor wordt het volgende model gebruikt:
1. In wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij
.....(naam dienstonderdeel) is betrokken, treedt op het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet .....(naam dienst waarvan het
zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt, dan wel zelfstandig
bestuursorgaan) in de plaats van de Staat dan wel Onze Minister.
2. In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te
doen dan wel de Nationale ombudsman een onderzoek heeft ingesteld
naar een gedraging die kan worden toegerekend aan (naam
dienstonderdeel), treedt .....(naam zelfstandig bestuursorgaan) op
dat tijdstip als bestuursorgaan in de zin van de Wet Nationale
ombudsman in de plaats van Onze Minister.
Aanwijzing 124j
1.Over een ontwerp voor een regeling tot instelling, wijziging of
opheffing van een zelfstandig bestuursorgaan of zijn taken en
bevoegdheden wordt in een vroegtijdig stadium overleg gepleegd met de
Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van
Financiën.
2.Het overleg gaat vooraf aan enige mededeling aan het parlement
ter voldoening aan artikel 5 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen.
§ 4.6. Toekenning van bestuursbevoegdheden
Aanwijzing 125
1. Voor een besluit waarbij een uitzondering op een wettelijk
verbod of gebod wordt gemaakt voor een categorie van gevallen, wordt
de term "vrijstelling" gebruikt.
2. Voor een beschikking waarbij in een individueel geval een
uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt, wordt de
term "ontheffing" gebruikt.
3. Voor een beschikking waarbij een bepaalde handeling wordt
toegestaan, wordt de term "vergunning" gebruikt.
4. Voor een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat een persoon
of instelling aan bepaalde eisen voldoet, wordt de term
"erkenning" gebruikt.
Toelichting:
Het gebruik van andere termen voor deze figuren zoals toestemming,
instemming of verlof wordt vermeden. Zieaanwijzing 131d voor
vergunningen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Dienstenwet.
Aanwijzing 126
1.Voor de voor de inwerkingtreding van een besluit van een
bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan wordt
de term "goedkeuring" gebruikt.
2.Voor de voor het nemen van een besluit door een bestuursorgaan
vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan wordt de term
"verklaring van geen bezwaar" gebruikt.
Toelichting:
Zowel bij goedkeuring als bij een verklaring van geen bezwaar is
sprake van voorafgaand toezicht op bestuursorganen. Het verschil is dat
een besluit omtrent goedkeuring wordt genomen ten aanzien van een al
bestaand maar nog niet werkend besluit, terwijl een verklaring van geen
bezwaar een belemmering opheft voor het onder toezicht gestelde orgaan
om een bepaald besluit te nemen.
Aanwijzing 127
Indien de bevoegdheid wordt toegekend om bij het verlenen van een
vrijstelling, ontheffing of vergunning een begrenzing naar tijd of
plaats dan wel anderszins aan te brengen, wordt de term
"beperking" gebruikt.
Toelichting:
Naast begrenzingen naar tijd of plaats kan bij voorbeeld worden
gedacht aan een begrenzing ten aanzien van het aantal te verrichten
handelingen of een begrenzing in de aard van de te verrichten
handelingen.
Aanwijzing 128
1. Indien wordt beoogd de verplichtingen van een belanghebbende die
hem bij het geven van een beschikking zijn opgelegd, door middel van
straffen te handhaven, wordt deze strafbaarstelling uitdrukkelijk
geregeld.
2. Voor dergelijke en andere bij het geven van een beschikking op
te leggen verplichtingen wordt de term "voorschriften"
gebruikt.
Toelichting:
Het is niet juist het handelen in strijd met de voorschriften bij een
vergunning als handelen zonder vergunning en op die grond strafbaar te
beschouwen. Een voorbeeld van een juiste wijze van strafbaarstelling
biedt artikel 6 juncto artikel 54 van de Wet wapens en munitie. De term
"voorwaarde" wordt niet gebruikt voor verplichtingen als
bedoeld in deze aanwijzing.
Aanwijzing 129
Indien intrekking of wijziging van een op een regeling berustende
beschikking mogelijk moet zijn, wordt de bevoegdheid daartoe
uitdrukkelijk geregeld.
Aanwijzing 130
De gronden die kunnen of moeten leiden tot het intrekken of wijzigen
van een beschikking, worden in de regeling gespecificeerd.
Toelichting:
Gronden voor intrekking of wijziging van een beschikking kunnen
bijvoorbeeld zijn:
- de verstrekte gegevens blijken zodanig onjuist of onvolledig
dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, indien
bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
- de beschikking is in strijd met wettelijke voorschriften
gegeven;
- van de beschikking is gedurende een bepaalde achtereenvolgende
periode geen gebruik gemaakt;
- in verband met verandering van wetgeving, gewijzigde
omstandigheden of gewijzigde inzichten moet de bescherming van de
belangen met het oog waarop het vereiste van de beschikking is
gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de betrokkene bij een
ongewijzigde beschikking.
In het algemeen verdient het de voorkeur de intrekkings- of
wijzigingsbevoegdheid als een facultatieve bevoegdheid te verlenen. Dit
stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid te beoordelen of intrekking
of wijziging in een bepaald geval de juiste maatregel is.
Aanwijzing 130a
In een wet wordt geen delegatie van bestuursbevoegdheden aan
ondergeschikten mogelijk gemaakt.
Toelichting:
Deze aanwijzing ziet alleen op delegatie van bestuursbevoegdheden via
een wet in formele zin. Voor wetgeving in materiële zin geldt artikel
10:14 van de Algemene wet bestuursrecht.
Aanwijzing 130ab
1. Indien bevoegdheden aan gemeenten en provincies of aan de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden toegekend:
a. wordt de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen
verbindende voorschriften, het vaststellen van de kaders van het
beleid en het nemen van een besluit dat een sterke democratische
legitimatie nodig heeft, in beginsel toegekend aan de gemeenteraad
of de eilandsraad dan wel provinciale staten.
b. wordt de bevoegdheid tot het vaststellen of uitvoeren van
beleid en het vaststellen van besluiten, niet zijnde algemeen
verbindende voorschriften, in beginsel toegekend aan het college
van burgemeester en wethouders of het bestuurscollege dan wel
gedeputeerde staten.
2. De termen gemeentebestuur, eilandsbestuur en provinciebestuur
worden vermeden. De term gemeente of provincie wordt uitsluitend
gehanteerd als aanduiding van de rechtspersoon gemeente of provincie
of het gebied van de gemeente of provincie.
3. De term openbare lichamen, als aanduiding van de rechtspersonen
openbaar lichaam Bonaire, openbaar lichaam Sint Eustatius of openbaar
lichaam Saba of als aanduiding van het gebied van die openbare
lichamen, wordt uitsluitend gebruikt, indien uit de regeling volgt dat
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bedoeld zijn.
Toelichting
In de Gemeentewet en de Provinciewet zijn sinds de dualisering van
het gemeente- en het provinciebestuur de posities en bevoegdheden van
gemeenteraden en het college van burgemeester en wethouders
respectievelijk van provinciale staten en gedeputeerde staten
ontvlochten. Bij de toedeling van bevoegdheden aan de bestuursorganen
van gemeenten en provincies wordt een keuze gemaakt die in
overeenstemming is met de uitgangspunten van het dualistische
bestuursmodel. In het algemeen geldt dat het college van burgemeester en
wethouders en gedeputeerde staten besturen; bij de gemeenteraad en
provinciale staten ligt het accent op controle, het stellen van kaders
en de vertegenwoordigende functie. Zie de artikelen 147 en 160, eerste
lid, onder a en b, van de Gemeentewet en artikel 158, eerste lid, onder
a en b, van de Provinciewet, alsmede het toetsingskader dat is opgenomen
in Kamerstukken II 2002/03, 28 995, nr. 3, blz. 2–3. Bij de opneming
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in het Nederlandse staatsbestel
heeft eenzelfde ontvlechting van de posities en bevoegdheden van de
eilandsraden en bestuurscolleges ten grondslag gelegen aan de Wet
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
§ 4.6a. Koppeling van overheidsprestaties aan juiste inschrijving in
GBA
Aanwijzing 130b
1.Indien in een regeling wordt voorzien in een aanspraak op een
prestatie van de overheid, waarbij de adresgegevens van de aanvrager
en andere betrokkenen van belang zijn voor het recht op of de omvang
van de prestatie en de verstrekking van een onjuist adres de aanvrager
of andere betrokkenen voordeel kan opleveren, wordt overwogen om het
geldend kunnen maken van de aanspraak te koppelen aan een juiste
inschrijving van betrokkene in een gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens.
2.Voor de koppeling wordt het volgende model als uitgangspunt
genomen:
1. Een aanvraag wordt slechts in behandeling genomen, indien
het in de aanvraag vermelde adres van de aanvrager (, van zijn
echtgenoot, (geregistreerd) partner of van een kind) overeenstemt
met het woonadres dat van de betrokkene is opgenomen in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvrager
(of andere betrokkene) overeenkomstig de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens niet of niet met een woonadres
is ingeschreven in een gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens.
Toelichting:
Eerste lid: Het opnemen van een koppeling tussen overheidsprestatie
en inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
(GBA) is niet geformuleerd als een verplichting, doch als een
uitdrukkelijke overweging bij het voorbereiden van regelingen op grond
waarvan aanspraak kan worden gemaakt op een overheidsprestatie. Het kan
namelijk voorkomen dat de uitvoeringskosten van een koppeling niet
opwegen tegen de baten daarvan. Vooral bij `kleinere' regelingen kan
zich dit voordoen.
Indien van het opnemen van een koppeling wordt afgezien, wordt
overwogen om in de regeling een verplichting voor het betrokken
bestuursorgaan op te nemen om een afwijking tussen het verstrekte adres
van een betrokkene en het in de GBA opgenomen adres te melden bij de
beheerder van de GBA. Voor een dergelijke terugmeldingsverplichting kan
het volgende model als uitgangspunt worden genomen:
`Indien het door de aanvrager verstrekte adres afwijkt van het in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van hem (of andere
betrokkenen) opgenomen woonadres, meldt ..... (aanduiding betrokken
bestuursorgaan of uitvoeringsorgaan) het in de aanvraag vermelde adres
aan de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in de
basisadministratie waarin de aanvrager (of andere betrokkenen) als
ingezetene staat ingeschreven.'
Tweede lid: Artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat
de aanvraag voor een beschikking de naam en het adres van de aanvrager
moet vermelden. Dit adres is echter niet noodzakelijkerwijs het adres
waar de aanvrager woont, het kan ook een correspondentie-adres zijn.
Voor veel aanvragen is het woonadres van de aanvrager ook niet relevant.
Indien voor de beslissing op de (eerste) aanvraag wel relevant is
waar de aanvrager (of een andere betrokkene) daadwerkelijk woont, dient
de regeling te specificeren welk adres bij de aanvraag moet worden
opgegeven. Daarbij wordt aangesloten bij het begrip woonadres zoals
opgenomen in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens.
Omdat niet van iedere potentiële betrokkene bij een beschikking een
woonadres is opgenomen in de GBA, is in de modelbepaling een
uitzondering geformuleerd. Deze betreft gevallen waarin de Wet GBA niet
verplicht tot inschrijving met een woonadres (bijvoorbeeld
binnenschippers, niet-ingezetenen, daklozen).
§ 4.6B. Overgang van rechten krachten publiekrecht
Aanwijzing 130c
Indien een publiekrechtelijke regeling voorziet in het ontstaan van
enigerlei recht dat zich naar zijn aard leent voor overgang op anderen,
wordt die overgang óf uitgesloten óf geregeld.
Toelichting
Indien een recht slechts aan een bepaalde (rechts)persoon toe kan
komen omdat het strikt persoonsgebonden is (bijvoorbeeld rechten
voortvloeiend uit inschrijving bij een school, verstrekking van een
rijbewijs of inschrijving van een bedrijf in een verplicht register) is
overgang vanzelfsprekend niet mogelijk. Een expliciete regeling terzake
is in dat geval niet nodig. In andere gevallen is het wenselijk dat de
regeling duidelijk maakt of de rechten die voortvloeien uit de regeling
of uit daarop gebaseerde beschikkingen kunnen overgaan op anderen en zo
ja, hoe dat geschiedt (bijvoorbeeld artikel 8.20 Wet milieubeheer,
artikel 70 Kernenergiewet). Indien overgang niet is uitgesloten en een
regeling bovendien schaarste creëert of beoogt te creëren moet bij het
opstellen van de regeling – behalve aan de overgang zelf – ook
aandacht worden besteed aan de wenselijkheid van handel in de rechten,
de handhaving van het stelsel en wijze van ontstaan, verdelen,
tenietgaan en registratie van die rechten. Zie in dit verband voor een
voorbeeld Hoofdstuk V van de Meststoffenwet en overigens artikel 83,
derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Zie verder het
kabinetsstandpunt bij het eerste rapport van de MDW-werkgroep
Verhandelbare rechten (Kamerstukken II 1999/2000, 24 036, nr. 149) en
het kabinetsstandpunt bij het tweede rapport ‘Ingrijpen en
compenseren?’ (Kamerstukken II 2000/01, 24 036, nr. 182).
§ 4.7. Hardheidsclausules
Aanwijzing 131
1.In een regeling wordt geen hardheidsclausule opgenomen tenzij er
aanleiding is om te verwachten dat, gelet op het doel en de strekking
van de regeling, de toepassing van de regeling kan leiden tot
onbillijkheden van overwegende aard in niet precies te voorziene
gevallen of groepen van gevallen.
2.In een regeling wordt geen hardheidsclausule opgenomen voor
situaties waarin het buiten toepassing laten of het afwijken van de
regeling nadelige effecten heeft of in het algemeen kan hebben voor
derden-belanghebbenden.
3.Indien in een regeling een hardheidsclausule wordt opgenomen,
wordt zo concreet en nauwkeurig mogelijk aangegeven op welke
onderdelen van de regeling de clausule van toepassing is.
Toelichting:
Eerste lid: Het opnemen van een hardheidsclausule in een regeling
opent de mogelijkheid voor een bestuursorgaan om, in gevallen waarin
toepassing van de regeling - gegeven de doelstelling en de strekking van
die regeling - een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren, een
onderdeel van die regeling buiten toepassing te laten of daarvan af te
wijken. Indien het afwijking van de wet betreft, betekent dit een
inbreuk op het primaat van de wetgever. Naast dit mogelijke principiële
bezwaar kleven er ook praktische bezwaren aan het opnemen van
hardheidsclausules in de wetgeving. Niet zelden blijken dergelijke
clausules conflictopwekkend te zijn. In de praktijk kan het opnemen van
een hardheidsclausule leiden tot grote aantallen aanvragen om toepassing
van de hardheidsclausule, terwijl inwilliging daarvan slechts in zeer
beperkte mate aangewezen is. Daarbij dient te worden bedacht dat tegen
de afwijzing van de aanvraag om toepassing van een hardheidsclausule
beroep openstaat bij de administratieve rechter. Mede gelet op
aanwijzing 12 leiden deze factoren tot de noodzaak grote
terughoudendheid te betrachten met het opnemen van hardheidsclausules.
Indien toch een hardheidsclausule wordt opgenomen, dient hiervoor in de
memorie of de nota van toelichting een toereikende motivering opgenomen
te worden.
Een hardheidsclausule onderscheidt zich van ontheffings- en
vrijstellingsbepalingen, doordat vooraf niet (precies) te voorzien is of
afwijking nodig zal zijn en zo ja, om welke gevallen of groepen gevallen
het bij de toepassing zal gaan. Voorts beperkt de toepassing van een
hardheidsclausule zich tot (eventuele) onbillijkheden van overwegende
aard. Bij ontheffingen is het juist van meet af aan de uitdrukkelijke
bedoeling om in bepaalde, individuele, voorzienbare gevallen een
uitzondering te maken op de wettelijke regel. Alleen wanneer een
ontheffings- of vrijstellingssysteem zeer gebonden bevoegdheden bevat,
kan voor het daarnaast opnemen van een hardheidsclausule nog ruimte
zijn.
Het primaat van de wetgever brengt met zich dat een hardheidsclausule
in beginsel in de wet zelf wordt opgenomen. Zie ook aanwijzing 22. Het
gaat echter te ver om uit te sluiten dat een hardheidsclausule onder
omstandigheden in een algemene maatregel van bestuur wordt opgenomen.
Delegatie van regelgevende bevoegdheid kan in bepaalde gevallen mede
omvatten de mogelijkheid om een hardheidsclausule op te nemen. Dit
betekent dat de mogelijkheid wordt geopend om in bepaalde gevallen van
de desbetreffende krachtens delegatie gestelde regeling af te wijken.
Uiteraard dient een eventuele afwijking dan wel binnen het kader van de
wet te blijven.
In het algemeen zal de toepassing van een hardheidsclausule beperkt
blijven tot individuele gevallen. Onder omstandigheden kan een
hardheidsclausule evenwel ook op een concreet te traceren groep van
gevallen worden toegepast. Dan zal er overigens al gauw sprake zijn van
bestendig beleid dat overeenkomstig aanwijzing 131b uiteindelijk in een
algemeen verbindend voorschrift moet worden neergelegd.
Tweede lid: Vermeden moet worden dat het in bijzondere omstandigheden
buiten toepassing laten of afwijken van een regeling nadelige effecten
heeft of in het algemeen kan hebben voor derden-belanghebbenden wier
belang door de desbetreffende algemeen verbindende voorschriften wordt
beschermd. De behoefte aan een hardheidsclausule doet zich in de
praktijk soms gevoelen bij de toepassing van (meer) gebonden
bestuursbevoegdheden. Dit geeft een verdere beperking van het gebruik
van hardheidsclausules. In de praktijk betekent dit dat
hardheidsclausules in bijzondere omstandigheden wel worden opgenomen in
regelingen op het terrein van de belastingen, de sociale zekerheid, de
rechtspositie en in bepaalde subsidieregelingen.
Derde lid: Gelet op de hierboven genoemde mogelijke bezwaren van het
opnemen van hardheidsclausules in regelingen, is in dit lid vastgelegd
dat zo concreet en nauwkeurig mogelijk wordt aangegeven op welke
onderdelen van de regeling deze clausule van toepassing is. Daarmee
blijft onverlet de mogelijkheid van een algemene hardheidsclausule in
een algemene wet die geldt voor een aantal bijzondere wetten, zoals
bijvoorbeeld het geval is in de belastingwetgeving. Bij de opneming in
een regeling van bepalingen, gericht tot besturen van lagere openbare
lichamen, inzake het vorderen en vragen van plannen of beleidsverslagen
en inzake planprocedures worden de Aanwijzingen betreffende
terughoudendheid met planverplichtingen en planprocedures gericht tot
lagere overheden in acht genomen.
Aanwijzing 131a
Voor het opnemen van een hardheidsclausule wordt het volgende model
als uitgangspunt genomen:
..... (aanduiding bestuursorgaan) kan artikel ..... buiten toepassing
laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van
..... (aanduiding doel of strekking van de regeling) zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard.
Toelichting:
In de zinsnede "gelet op het belang van ....." moet zo
concreet mogelijk het doel of de strekking van de regeling worden
omschreven. Als dit niet goed mogelijk is, kan de volgende formulering
worden gebruikt: "gelet op het belang dat dit artikel/deze regeling
beoogt te beschermen". Een hardheidsclausule impliceert geen
delegatie van regelgevende bevoegdheid: hij geeft slechts een
beschikkingsbevoegdheid.
Aanwijzing 131b
Indien de toepassing van een hardheidsclausule voor bepaalde gevallen
voldoende is uitgekristalliseerd en daardoor een bestendig karakter
heeft gekregen, wordt dit bestendige beleid in een algemeen verbindend
voorschrift neergelegd.
Toelichting:
Voor de realisering van het primaat van de wetgever en uit het
oogpunt van duidelijkheid en rechtszekerheid verdient het de voorkeur om
bestendig beleid dat in eerste instantie zal zijn neergelegd in een
beleidsregel, uiteindelijk in wetgeving neer te leggen. Het is daarom
van belang om de toepassing van hardheidsclausules periodiek te
evalueren. Mocht evaluatie leiden tot de conclusie dat de gevallen
waarin een hardheidsclausule is toegepast op bepaalde punten voldoende
zijn uitgekristalliseerd, dan dient het bestendig gebleken beleid - bij
gelegenheid - in de wet of onder omstandigheden in een gedelegeerde
regeling te worden neergelegd.
§ 4.7A. Wederzijdse erkenning van goederen, keuringen en diensten
Aanwijzing 131c
1. Voor zover een regeling, die niet strekt tot implementatie van
bindende EU-rechtshandelingen, eisen stelt aan goederen, keuringen of
diensten, wordt tevens een clausule van wederzijdse erkenning
opgenomen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op regelingen die
uitsluitend gelden in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
3. Voor een clausule van wederzijdse erkenning worden de volgende
modellen als uitgangspunt genomen:
(Goederen)
Met ..... (aanduiding van de desbetreffende goederen) als bedoeld
in deze wet/dit besluit/deze regeling worden gelijkgesteld
(desbetreffende goederen) die rechtmatig zijn vervaardigd of in de
handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of in
een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij
is bij een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig
zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een
vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen
aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste
gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt
nagestreefd.
(Keuringen)
Met een ..... (aanduiding van het desbetreffende document) als
bedoeld in deze wet/dit besluit/deze regeling wordt gelijkgesteld een
verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke
keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel
in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die
partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag
dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van
onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste
gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen
wordt nagestreefd.
(Diensten)
Met de beroepseisen ter zake van…..(aanduiding van de
desbetreffende dienst) als bedoeld in deze wet/dit besluit/deze
regeling worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een
andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde
een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe
strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en
die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan
het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
Toelichting
Het vrij goederen- en dienstenverkeer in de EU brengt mee dat
lidstaten goederen, diensten of keuringen, die in een andere lidstaat
rechtmatig in het verkeer zijn gebracht respectievelijk worden verricht,
niet mogen weigeren omdat ze niet voldoen aan de eigen nationale
voorschriften terzake. Dit wordt het beginsel van wederzijdse erkenning
genoemd. Het beginsel houdt in, dat goederen en diensten die weliswaar
niet identiek zijn aan de eigen nationale goederen en diensten, maar die
wél aan buitenlandse eisen voldoen die een tenminste gelijkwaardig
beschermingsniveau bieden, moeten worden toegelaten. Wanneer aan de
toelating een keuring voorafgaat, geldt dat keuringen die op basis van
gelijkwaardige buitenlandse onderzoeken zijn verricht, moeten worden
erkend. Wanneer voor de dienstverrichting een bepaald beroepsniveau is
vereist, geldt dat gelijkwaardige buitenlandse beroepseisen moeten
worden erkend.
Een lidstaat kan, uit een oogpunt van bescherming van
gerechtvaardigde belangen zoals de volksgezondheid, de belangen van de
consument, openbare orde of openbare veiligheid, eisen stellen aan
goederen, keuringen of dienstverlening (de artikelen 36 en 52 VWEU; HvJ
zaak 120/78, Cassis de Dijon, Jur. 1979 p. 649). Om te bevorderen dat
ook gelijkwaardige buitenlandse goederen, diensten en keuringen op het
nationale grondgebied worden toegelaten, moet volgens de rechtspraak van
het Hof van Justitie EU in een regeling die eisen stelt aan goederen,
keuringen of dienstverlening tevens een clausule van wederzijdse
erkenning worden opgenomen (HvJ zaken C-184/96, Foie gras, Jur. 1998, p.
I-6197 en C-355/98, Commissie/België Jur. 2000, p. I–1221). Naar zijn
aard geldt deze verplichting alleen voorzover het gaat om autonome
nationale regelgeving en niet bij implementatieregelgeving naar
aanleiding van bindende EU-rechtshandelingen. Voorzover er
geharmoniseerd is, worden (binnen- en buitenlandse) producten en
diensten immers aan de hand van uniforme EU-eisen beoordeeld. Zie
aanwijzing 328 voor hetgeen onder implementatie van bindende
EU-rechtshandelingen moet worden verstaan.
Slechts wanneer het uit een oogpunt van bescherming van
gerechtvaardigde belangen, zoals de openbare orde of openbare
veiligheid, onwenselijk is om gelijkwaardige buitenlandse goederen,
diensten of keuringen op het nationale grondgebied toe te laten, kan een
clausule van wederzijdse erkenning achterwege worden gelaten. Hetzelfde
geldt wanneer er naar zijn aard (bij een totaalverbod) geen
gelijkwaardige buitenlandse eisen bestaan.
Gevolg van het achterwege laten van een clausule van wederzijdse
erkenning is, dat buitenlandse goederen, diensten of keuringen aan de
(extra) nationale eisen moeten voldoen, hetgeen een potentiële
handelsbelemmering oplevert. Het verdient derhalve aanbeveling
terughoudend met deze uitzondering om te gaan. Tevens verdient het
aanbeveling om in de toelichting bij een regeling waarin geen clausule
inzake wederzijdse erkenning wordt opgenomen, aandacht te besteden aan
de overwegingen die hiertoe hebben geleid. Indien de Dienstenrichtlijn
van toepassing is, zijn de mogelijkheden tot het stellen van regels
verder ingeperkt (zie aanwijzing 131d en aanwijzing131e). Zie verder
aanwijzing 261a over het notificeren van eisen aan goederen en diensten.
In een aantal verdragen met niet-lidstaten wordt het bovenomschreven
regime uitgebreid tot andere staten. Het belangrijkste voorbeeld hiervan
is de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte. Wat goederen
betreft, dient een onderscheid gemaakt te worden tussen niet-lidstaten
waarmee de EU een douane-unie vormt en niet-lidstaten waarmee de EU een
vrijhandelszone vormt. Bij een douane-unie geldt de wederzijdse
erkenning voor zowel goederen die rechtmatig in de niet-lidstaat zijn
vervaardigd als voor goederen die rechtmatig in het verkeer zijn
gebracht in desbetreffende niet-lidstaat. Bij een vrijhandelszone is de
wederzijdse erkenning beperkt tot goederen die rechtmatig in de
desbetreffende niet-lidstaat zijn vervaardigd. In dat laatste geval
dient de passage ‘of in de handel zijn gebracht’ achterwege te
worden gelaten. Het verdient aanbeveling om in de memorie van
toelichting de landen op te sommen die het betreft. Ook sluit de
Europese Unie verdragen op dit terrein die Nederland binden, zonder dat
het Koninkrijk als zodanig partij is. In dat geval is Nederland op grond
van het Europese recht aan het desbetreffende verdrag gebonden. Het
model beoogt ook mede deze verdragen te omvatten. Aanwijzing 304, tweede
lid, is op deze situatie niet van toepassing.
In regelingen die uitsluitend gelden in Bonaire, Sint Eustatius en
Saba behoeft geen clausule van wederzijdse erkenning te worden
opgenomen. Dit houdt verband met het feit dat deze eilanden geen deel
uitmaken van de Europese Unie, maar onder de Associatieregeling van de
landen en gebieden overzee (LGO) vallen.
§ 4.7B. Regels betreffende diensten
Aanwijzing 131d
1. Een vergunningstelsel in de zin van artikel 2, eerste lid, van
de Dienstenwet:
a. wordt niet opgenomen, tenzij dit geen discriminerende
werking heeft ten opzichte van de betrokken dienstverrichter, dit
noodzakelijk is wegens een dwingende reden van algemeen belang, en
het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel
kan worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat
zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn;
b. wordt uitsluitend van de werking van paragraaf 4.1.3.3. van
de Algemene wet bestuursrecht uitgezonderd wegens dwingende
redenen van algemeen belang, met inbegrip van de belangen van
derden.
2. Indien de conflictregel van artikel 3 van de Dienstenrichtlijn
en artikel 2, derde lid, onder a, sub 3, van de Dienstenwet op een
vergunningstelsel als bedoeld in het eerste lid van toepassing is,
wordt dit toegelicht.
3. Indien bij een vergunningstelsel als bedoeld in het eerste lid
het aantal beschikbare vergunningen beperkt is, wordt een
selectieprocedure ingesteld die alle waarborgen voor transparantie en
onpartijdigheid biedt voor gegadigden, met inbegrip van met name een
toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van
de procedure.
Toelichting
Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12
december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU 2006, L
376), de Dienstenrichtlijn, definieert het begrip‘vergunningstelsel’
in artikel 4, zesde lid, als‘elke procedure die voor een
dienstverrichter de verplichting inhoudt om bij een bevoegde instantie
stappen te ondernemen ter uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming
voor de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit’.
De toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn brengt een aantal
verplichtingen en beperkingen met zich. Tevens bevatten de artikelen 28
e.v. van de Dienstenwet specifieke bepalingen voor vergunningstelsels
die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen. Zie verder
aanwijzing 163.
Eerste lid:
Onderdeel a: Deze verplichting volgt uit artikel 9 van de
Dienstenrichtlijn. Als dwingende redenen van algemeen belang gelden in
ieder geval de redenen die door het Hof van Justitie van de Europese
Unie zijn erkend.
Onderdeel b: Ingevolge artikel 28 van de Dienstenwet is paragraaf
4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de aanvraag
van een vergunning die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn
valt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Paragraaf
4.1.3.3 bevat een regeling voor de totstandkoming van een positieve
beschikking op een aanvraag bij het uitblijven van een beslissing binnen
de termijn, meestal aangeduid als de lex silencio positivo. De
Dienstenrichtlijn verplicht tot invoering van de lex silencio positivo,
maar biedt de mogelijkheid om een uitzondering te maken indien dit
gerechtvaardigd is wegens dwingende redenen van algemeen belang, met
inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij. Daarnaast kan
de lex silencio positivo naar zijn aard niet toepasbaar zijn op een
vergunning in de zin van de Dienstenrichtlijn, omdat door het
desbetreffende bestuursorgaan geen beslissing op een aanvraag in de zin
van de Awb wordt genomen, of omdat de beoogde gevolgen van de
vergunningverlening niet stilzwijgend tot stand kunnen worden gebracht,
maar feitelijk handelen vergen van het bestuursorgaan. Hierbij valt te
denken aan meld- en registratieplichten.
Tweede lid:
De conflictregel, ook wel voorrangsregel, is ingesteld om de
verhouding tussen verplichtingen op grond van de Dienstenrichtlijn en
verplichtingen op grond van andere bindende EU-rechtshandelingen te
regelen. Indien toepassing van de Dienstenrichtlijn op een
vergunningstelsel strijd oplevert met verplichtingen uit andere bindende
EU-rechtshandelingen, gaan de desbetreffende andere verplichtingen voor.
Om te voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over de vraag of de
Dienstenrichtlijn geheel of ten dele van toepassing is, is vermelding
van de toepassing van de conflictregel in de toelichting aangewezen.
Derde lid:
Deze verplichting volgt uit artikel 12 van de Dienstenrichtlijn en
ziet op de situatie dat het aantal beschikbare vergunningen voor een
activiteit beperkt is door schaarste van de beschikbare natuurlijke
hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden.
Aanwijzing 131e
1. In een regeling die onder de reikwijdte van artikel 16 van de
Dienstenrichtlijn valt, worden geen eisen gesteld aan de verrichting
van diensten door dienstverrichters die in een andere lidstaat van de
Europese Unie gevestigd zijn, die niet voldoen aan de beginselen van
non-discriminatie, noodzakelijkheid wegens redenen van openbare orde,
openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het
milieu en evenredigheid.
2. In een regeling die onder de reikwijdte van artikel 15, tweede
lid, van de Dienstenrichtlijn valt, worden geen eisen opgenomen die
niet voldoen aan de beginselen van non-discriminatie, noodzakelijkheid
wegens een dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid.
Toelichting
De Dienstenrichtlijn beperkt de mogelijkheden om eisen te kunnen
stellen betreffende diensten. Zie artikel 1 van de Dienstenwet voor de
definiëring van het begrip ‘eis’ in de zin van de
Dienstenrichtlijn.
Eerste lid:
Onder artikel 16 van de Dienstenrichtlijn kunnen eisen aan de
verrichting van diensten door dienstverrichters die niet in het Europese
deel van Nederland gevestigd zijn, alleen nog op basis van een of meer
van de vier genoemde gronden worden gesteld. Daarnaast mogen deze geen
direct of indirect onderscheid maken naar nationaliteit of, voor
rechtspersonen, naar lidstaat van vestiging, en zijn ze evenredig in
verhouding tot het te beschermen belang. Indien er eisen worden gesteld,
worden deze aan de Europese Commissie genotificeerd (zie aanwijzing
261a).
Tweede lid:
Onder artikel 15, tweede en derde lid, van de Dienstenrichtlijn
kunnen bepaalde eisen aan dienstverrichters die in het Europese deel van
Nederland gevestigd zijn alleen onder voorwaarden worden gesteld. Het
gaat om:
a. kwantitatieve of territoriale beperkingen, met name in de vorm
van beperkingen op basis van de bevolkingsomvang of een geografische
minimumafstand tussen de dienstverrichters;
b. eisen die van de dienstverrichter verlangen dat hij een
bepaalde rechtsvorm heeft;
c. eisen aangaande het aandeelhouderschap van een onderneming;
d. eisen, niet zijnde eisen die betrekking hebben op
aangelegenheden die vallen onder richtlijn 2005/36/EG of die in
andere communautaire instrumenten zijn behandeld, die de toegang tot
de betrokken dienstenactiviteit wegens de specifieke aard ervan
voorbehouden aan bepaalde dienstverrichters;
e. een verbod om op het grondgebied van dezelfde staat meer dan
een vestiging te hebben;
f. eisen die een minimum aantal werknemers vaststellen;
g. vaste minimum- of maximumtarieven waaraan de dienstverrichter
zich moet houden;
h. een verplichting voor de dienstverrichter om in combinatie met
zijn dienst andere specifieke diensten te verrichten.
Deze eisen worden alleen gesteld indien deze non-discriminatoir,
evenredig en noodzakelijk zijn wegens een dwingende reden van algemeen
belang. Dergelijke eisen worden aan de Europese Commissie genotificeerd
(zie aanwijzing 261a).
§ 4.8. Toezicht en opsporing
Aanwijzing 132
1.De werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden
verricht om na te gaan of voorschriften worden nageleefd, worden
aangeduid als "toezicht op de naleving" van die
voorschriften.
2.De werkzaamheden ter vaststelling in concrete gevallen of een
strafbaar feit is gepleegd op basis van een redelijk vermoeden dat dit
het geval is, worden aangeduid als "opsporing" van die
feiten.
Toelichting:
Het is van belang toezicht te onderscheiden van opsporing. Weliswaar
hebben toezichthouders soms ook opsporingsbevoegdheid, maar met het oog
zowel op de rechten van de belanghebbende, respectievelijk verdachte,
als op de verhouding tot het openbaar ministerie moet zoveel mogelijk
duidelijk zijn wanneer sprake is van toezicht en wanneer van opsporing.
Zie over de verhouding tussen toezicht en opsporing de parlementaire
stukken inzake de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (met
name Kamerstukken II 1994/95, 23 700, nr. 5, blz. 47-50 en Kamerstukken
I 1995/96, 23 700, nr. 185b).
In de gevallen waarin hetzij toezicht, hetzij opsporing wordt
bedoeld, worden voor deze activiteiten termen als "controle",
"inspectie" of "handhaving" vermeden. Deze termen
geven onvoldoende weer of het gaat om toezicht of om opsporing. Wel kan
in toelichtende stukken de term "handhaving" worden gehanteerd
voor het geheel van handhavingsmechanismen.
Aanwijzing 133
Voor de regeling van de aanwijzing van toezichthouders worden de
volgende modellen gebruikt:
a. bij aanwijzing van toezichthouders bij de wet:
Met het toezicht op de naleving van ... (aanduiding
desbetreffende voorschriften) zijn belast ... (aanduiding ambtenaren
of andere personen).
b. bij aanwijzing van toezichthouders krachtens de wet:
1. Met het toezicht op de naleving van ... (aanduiding
desbetreffende voorschriften) zijn belast de bij besluit van ...
(aanduiding bestuursorgaan) aangewezen ambtenaren/personen.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Toelichting:
De bevoegdheden die toezichthouders hebben bij de uitoefening van hun
taak zijn ten algemene geregeld in titel 5.2 van de Algemene wet
bestuursrecht. Krachtens artikel 5:14 van die wet kunnen de bevoegdheden
onder andere bij wettelijk voorschrift worden beperkt. Zie hiervoor het
model in aanwijzing 134.
Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing in
Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De toekenning van bevoegdheden aan
toezichthouders zal in een (mede) voor die eilanden geldende regeling
uitdrukkelijk moeten worden geregeld.
Aanwijzing 134
Voor het uitsluiten van toezichtsbevoegdheden wordt het volgende
model gebruikt:
De toezichthouder beschikt niet over de bevoeghe(i)d)en), genoemd in
(de) artikel(en) ... van de Algemene wet bestuursrecht.
Toelichting:
Als regel worden, gelet op de samenhang tussen beide bevoegdheden, de
bevoegdheden met betrekking tot onderzoek van zaken (artikel 5:18 Awb)
en de bevoegdheden met betrekking tot onderzoek van vervoermiddelen
(artikel 5:19 Awb) steeds gezamenlijk uitgesloten. De bevoegdheden tot
het vorderen van inlichtingen (artikel 5:16 Awb) en het vorderen van
inzage van een identiteitsbewijs (artikel 5:16a Awb) wordt gelet op het
basale karakter van deze bevoegdheden nimmer uitgesloten. Zie overigens
deel 2, § 5.7, van de memorie van toelichting bij de Aanpassingswet
derde tranche Awb I (Kamerstukken II 1996/97, 25 280, nr. 3).
Aanwijzing 135 [Vervallen per 08-03-1998]
Aanwijzing 136
Indien het in bijzondere gevallen wenselijk wordt geacht ook anderen
dan de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
aangewezen algemene opsporingsambtenaren te belasten met de opsporing
van bepaalde strafbare feiten die geen economisch delict zijn, wordt
daarvoor het volgende model gebruikt:
1. Met de opsporing van de bij artikel ... strafbaar gestelde
feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering / artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES,
belast ... (aanduiding ambtenaren). Deze ambtenaren zijn tevens
belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de
artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht /
de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van
Strafrecht BES, voor zover deze feiten betrekking hebben op een
bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Toelichting:
Voor de aanwijzing van opsporingsambtenaren voor economische delicten
bevat artikel 17 van de Wet op de economische delicten al een regeling.
Het onderhavige model is bestemd voor gevallen waarin het wenselijk is
om voor commune delicten in bijzondere wetten naast artikel 141 Wetboek
van Strafvordering (Sv) andere ambtenaren met de opsporing van strafbare
feiten te belasten. De feitelijke bevoegdheid tot aanwijzing kan in de
bijzondere wet zelf geschieden of worden gedelegeerd.
Indien de bijzondere wet zelf de opsporingsambtenaren aanwijst
(bijvoorbeeld de ambtenaren van een bepaalde dienst) wordt in het eerste
lid van de modelbepaling na het woord ’belast’ ingevuld: de
ambtenaren van ..... (volgt de naam van de dienst).
Indien de bijzondere wet de aanwijzing van de opsporingsambtenaren
delegeert geschiedt deze delegatie bij voorkeur aan de Minister van
Veiligheid en Justitie; delegatie aan de minister van het desbetreffende
vakdepartement is formeel mogelijk, doch wordt minder wenselijk geacht.
Bij delegatie van de aanwijzingsbevoegdheid wordt in het eerste lid van
de modelbepaling na het woord ’belast’ ingevuld: de bij besluit van
Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren.
De aldus bij of krachtens een bijzondere wet aangewezen
opsporingsambtenaar zijn buitengewoon opsporingsambtenaar in de zin van
artikel 142, eerste lid, onder c, Sv. Overigens dienen buitengewone
opsporingsambtenaren, alvorens hun taak feitelijk te kunnen uitoefenen,
aan bepaalde vakbekwaamheids- en betrouwbaarheidseisen te voldoen en
beëdigd te worden. Hieromtrent zijn regels gesteld in het Besluit
buitengewoon opsporingsambtenaar. Dit besluit bevat ook regels over de
legitimatie door buitengewone opsporingsambtenaren. Het (Nederlandse)
Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten zijn
niet van toepassing in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In een (mede)
voor die eilanden geldende regeling zal moeten worden aangesloten bij de
corresponderende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering BES. Er
bestaat voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen tegenhanger van de Wet
op de economische delicten.
Aanwijzing 137 [Vervallen per 08-03-1998]
Aanwijzing 138
Aan buitengewone opsporingsambtenaren worden in beginsel naast de hun
op grond van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische
delicten toekomende bevoegdheden geen bijzondere opsporingsbevoegdheden
toegekend.
Aanwijzing 138a
1.Het regelen van de mogelijkheid om bij de uitoefening van een
bevoegdheid de assistentie van de politie in te roepen, geschiedt
overeenkomstig het volgende model:
Zo nodig ... (omschrijving bevoegdheid) met behulp van de sterke
arm.
2.Indien het de bedoeling is taken of bevoegdheden slechts op te
dragen aan ambtenaren van politie die executieve werkzaamheden
verrichten, worden de daarmee te belasten ambtenaren aangeduid als: de
ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
3.Indien het de bedoeling is ook ander politiepersoneel taken of
bevoegdheden op te dragen, worden de daarmee te belasten ambtenaren
aangeduid als: de ambtenaar van politie.
Toelichting:
Tweede lid: Het gaat hier om de ambtenaren van politie, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993. De overige
ambtenaren, genoemd in artikel 3 van de Politiewet 1993 zijn aldus
uitgesloten. Deze formulering omvat mede de militairen van de
koninklijke marechaussee die politietaken uitoefenen.
Derde lid: Het gaat hier om een uitbreiding tot de overige in artikel
3, eerste lid, van de Politiewet 1993 bedoelde ambtenaren, met name
technisch, administratief en ondersteunend personeel. Zie bijvoorbeeld
artikel 62 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
§ 4.9. Sancties
Aanwijzing 139
Als bestuursrechtelijke sancties worden met name de volgende
mogelijkheden overwogen: intrekken of schorsen van een beschikking,
opleggen van een last onder bestuursdwang, opleggen van een last onder
dwangsom of opleggen van een bestuurlijke boete.
Toelichting:
Er zijn vier bestuursrechtelijke sancties die vanwege hun algemene
karakter in een groot aantal gevallen en voor regelgeving van
uiteenlopende aard in aanmerking komen als handhavingsmiddel. Voor het
verlenen van de bevoegdheid tot het toepassen van een last onder
bestuursdwang en een last onder dwangsom (beide herstelsancties) is in
aanwijzing 142 een model opgenomen. Titel 5.3 van de Algemene wet
bestuursrecht (herstelsancties) bevat algemene regels over het opleggen
van een last onder bestuursdwang (afdeling 5.3.1) en het opleggen van
een last onder dwangsom (afdeling 5.3.2). Een bevoegdheid tot toepassing
van een last onder bestuursdwang impliceert automatisch een bevoegdheid
tot het opleggen van een last onder dwangsom (vgl. artikel 5:32, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Het opleggen van een
bestuurlijke boete is geregeld in titel 5.4 van de Algemene wet
bestuursrecht.
De titels 5.3 en 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht gelden niet in
Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In een regeling die (mede) voor die
eilanden geldt, moet worden voorzien in een nadere regeling van de
bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een
last onder dwangsom.
Bij het verlenen van de bevoegdheid tot het opleggen van een
bestuurlijke boete worden de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag
tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
en de artikelen 14 en 15 van het Internationale Verdrag inzake
Burgerrechten en Politieke Rechten in acht genomen (zie hiervoor met
name de memorie van toelichting bij de Vierde tranche Algemene wet
bestuursrecht, Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 117 en
volgende).
Aanwijzing 140
Indien intrekking of schorsing van een beschikking bij wijze van
sanctie mogelijk moet zijn, wordt de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk
geregeld.
Toelichting:
Onder omstandigheden kan het ook aangewezen zijn wijziging van een
beschikking bij wijze van sanctie mogelijk te maken. Zie bij voorbeeld
artikel 10 van de Wet toezicht accountantsorganisaties.
Aanwijzing 141
De gronden die kunnen of moeten leiden tot het intrekken of schorsen
van een beschikking bij wijze van sanctie, worden in de regeling
gespecificeerd.
Toelichting:
Zie ook aanwijzing 130.
Aanwijzing 142
Voor het verlenen van de bevoegdheid tot oplegging van een last onder
bestuursdwang/ een last onder dwangsom wordt het volgende model
gebruikt:
... (aanduiding bestuursorgaan) is bevoegd tot oplegging van een last
onder bestuursdwang/dwangsom ter handhaving van ... (aanduiding
desbetreffende verplichtingen).
Toelichting:
Door gebruik te maken van het model, in een regeling die in het
Europese deel van Nederland geldt, wordt aangegeven dat afdeling 5.3.1
of 5.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Deze
afdelingen gelden niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba (zie ook de
toelichting op aanwijzing 139). Het model is met name van belang voor
toekenning van de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder
bestuursdwang c.q. dwangsom aan bestuursorganen van de centrale
overheid. De Gemeentewet, de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, de Provinciewet en de Waterschapswet bevatten reeds
een algemene bevoegdheid tot het opleggen van een last onder
bestuursdwang voor de besturen van gemeenten, de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, provincies en waterschappen.
Aanwijzing 143
1. Voor het vaststellen van een maximale bestuurlijke boetehoogte
die aansluit bij de boetecategorieën in het Wetboek van Strafrecht,
wordt het volgende model gebruikt:
De op grond van ... vast te stellen bestuurlijke boete bedraagt ten
hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de ... categorie, bedoeld
in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht / artikel
27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.
2. Indien oplegging van een zeer hoge maximale bestuurlijke boete
aan ondernemingen noodzakelijk is vanwege de afschrikwekkende werking
of grote financiële belangen, en de maximale bestuurlijke boete ofwel
aansluit bij de hoogste boetecategorie in het Wetboek van Strafrecht,
ofwel, indien dit een hoger boetebedrag oplevert, gerelateerd wordt
aan de omzet van de desbetreffende onderneming, wordt het volgende
model gebruikt:
De op grond van ... vast te stellen bestuurlijke boete bedraagt ten
hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld
in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht / artikel
27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES of, indien dat meer
is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming,
onderscheidenlijk, indien de overtreding door een
ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de
ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar
voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt
opgelegd.
Toelichting
Eerste lid:
In veel bestuursrechtelijke wetgeving is de maximale hoogte van
bestuurlijke boetes vastgesteld op een bedrag dat vergelijkbaar is met
een van de geldboetecategorieën van artikel 23, vierde lid, van het
Wetboek van Strafrecht (artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van
Strafrecht BES). Het verdient aanbeveling dynamisch te verwijzen naar
deze bepaling, die regelmatig geïndexeerd wordt.
Tweede lid:
Voor de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete worden
grofweg twee systemen, soms in mengvorm, gehanteerd. De hoogte van de
bestuurlijke boete is per overtreding vastgelegd in de regelgeving
(gefixeerde boetes), of de hoogte van de bestuurlijke boete wordt per
geval vastgesteld aan de hand van een aantal in een beleidsregel
neergelegde factoren (variabele boetes). De mengvorm, die bijvoorbeeld
wordt gehanteerd in de mededingingswetgeving, omvat vaste bestuurlijke
boetes voor bepaalde‘lichte’ overtredingen en voor de‘zwaardere’
overtredingen een flexibel systeem met een maximum boetebedrag. In een
aantal wetgevingscomplexen is het maximumbedrag niet gefixeerd maar
gerelateerd aan de mate van benadeling (vergrijpboetes in de
belastingwetgeving) of de omzet (Mededingingswet, Wet marktordening
gezondheidszorg en Wet milieubeheer). Een dergelijk open boetemaximum is
aanvaardbaar mits hiervoor een goede argumentatie kan worden gegeven,
zoals de uiteenlopende grootte van ondernemingen.
Aanwijzing 144
Door sancties te handhaven bepalingen worden zo nauwkeurig mogelijk
geformuleerd.
Toelichting:
In het bijzonder bij bepalingen die door sancties worden gehandhaafd
is de rechtszekerheid van groot belang. De burger moet uit de bepalingen
precies kunnen afleiden in welke gevallen een gedraging tot toepassing
van een sanctie kan leiden. Als daarover door verwijzing naar andere
bepalingen onduidelijkheid kan ontstaan betekent dat dus dat die
verwijzing achterwege moet blijven (zie aanwijzing 78).
Aanwijzing 145
Ten aanzien van elk strafbaar feit dat door een wet in het leven
wordt geroepen of dat krachtens een wet bij lagere regeling in het leven
kan worden geroepen, wordt in de wet aangegeven of het een misdrijf of
een overtreding is. Daarvoor wordt het volgende model gebruikt:
De in artikel ... strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
De in (of krachtens) artikel ... strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Toelichting:
Indien het een misdrijf betreft, dient de delictsomschrijving in de
wet zelf te geschieden.
Indien het economische delicten betreft, behoeft alleen indien zij
worden vermeld in artikel 1, onder 3°, van de Wet op de economische
delicten, te worden aangegeven of er sprake is van een misdrijf of een
overtreding. Voor het overige wordt in artikel 2 van de Wet op de
economische delicten zelf geregeld of er sprake is van een misdrijf of
een overtreding (zie verder aanwijzing 147). De Wet op de economische
delicten is niet van toepassing in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Aanwijzing 146
1. Indien de omschrijving van een strafbaar feit aan een lagere
regeling wordt overgelaten, wordt in de wet aangegeven welke straf kan
worden opgelegd.
2. De geldboete die ten hoogste kan worden opgelegd, wordt
aangegeven door het noemen van een van de geldboetecategorieën,
vermeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht,
onderscheidenlijk artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van
Strafrecht BES.
Voorbeeld bij het tweede lid: Overtreding van artikel 9b wordt
gestraft met geldboete van de eerste categorie.
3. Voor de strafbaarstelling van een feit dat niet alleen met een
geldboete maar ook met een vrijheidsstraf wordt bedreigd, wordt het
volgende model gebruikt:
Overtreding van artikel ..... wordt gestraft met gevangenisstraf
(hechtenis) van ten hoogste ..... of geldboete van de ..... categorie.
Toelichting:
De strafsanctie op de overtreding van een voorschrift in een algemene
maatregel van bestuur (of een ministeriële regeling) kan ingevolge
artikel 89, tweede en vierde lid, van de Grondwet niet in het betrokken
besluit worden geregeld. De wet dient de strafsoort en de maximaal op te
leggen straf te bepalen.
Derde lid: Ingevolge artikel 9, tweede lid, van het Wetboek van
Strafrecht (BES) kan de rechter, indien de wet dit bepaalt, naast
gevangenisstraf of hechtenis ook een geldboete opleggen. Deze
formulering geeft die mogelijkheid aan. Gevangenisstraf en hechtenis
zijn altijd alternatieven, zodat daaruit derhalve gekozen moet worden.
Aanwijzing 147
1. Indien in een wet omschreven strafbare feiten economische
delicten zijn, wordt de wet in de alfabetische rangschikking in
artikel 1 of 1a van de Wet op de economische delicten ingevoegd.
2. Bij aanwijzing van economische delicten dienen de artikelen van
de betrokken regeling waarvan overtreding een economisch delict
oplevert, te worden opgesomd; zo nodig dienen ook de afzonderlijke
leden te worden genoemd.
3. De aanwijzing van economische delicten wordt overeenkomstig het
volgende voorbeeld geformuleerd:
In artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten
wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd:
de Wet op de weerkorpsen en de particuliere
beveiligingsorganisaties, de artikelen 6, 8, tweede lid, 9, derde lid,
en 10, eerste lid;
4. Indien de Wet op de economische delicten wordt gewijzigd in
verband met de wijziging van een wet die reeds economische delicten
bevat, wordt de wijziging overeenkomstig de volgende voorbeelden
geformuleerd:
A. In artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische
delicten wordt in de zinsnede met betrekking tot de Wet
dierenvervoer "artikel 2, eerste lid en derde lid, 3, 5, 6 en
8, tweede lid;" vervangen door: ...;.
B. In artikel 1a, onder 3°, van de Wet op de economische
delicten vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet
bodembescherming; de zinsnede wordt ingevoegd in artikel 1a, onder
1°, van de Wet op de economische delicten.
Toelichting:
Voor het bepalen van de alfabetische rangschikking wordt als ijkpunt
genomen het eerste zelfstandige naamwoord dat in de citeertitel van de
desbetreffende wet voorkomt.
Milieudelicten worden ondergebracht in artikel 1a van de Wet op de
economische delicten. Voor de keuze tussen onderbrenging in artikel 1 of
1a is bepalend of de desbetreffende wet in overwegende mate (mede)
strekt tot bescherming van milieubelangen (zie Kamerstukken II 1992/93,
23 196, nr. 3, blz. 7-9). In artikel 1 a, onder 1°, worden opgenomen
delicten die een directe aantasting opleveren van het milieu, dan wel
daarvoor een ernstige en rechtstreekse bedreiging vormen. In de regel
worden onder 1° niet opgenomen de minder ernstige milieudelicten, die
voornamelijk betrekking hebben op het niet nakomen van administratieve
verplichtingen en delicten in de sfeer van wederspannigheid. Deze
delicten worden opgenomen in onderdeel 3°.
Wat de overige economische delicten betreft, wordt gekozen voor
opneming in onderdeel 4° van artikel 1, tenzij er bijzondere redenen
zijn om voor opneming in een van de andere onderdelen van artikel 1 te
kiezen.
De Wet op de economische delicten is niet van toepassing in Bonaire,
Sint Eustatius en Saba.
§ 4.10. Bestuursrechtelijke rechtsbescherming
Aanwijzing 148
1.Indien een wet aan een bestuursorgaan de bevoegdheid toekent
besluiten te nemen, dient, behoudens in bijzondere gevallen, voor
belanghebbenden de mogelijkheid te bestaan tot het instellen van
beroep en hoger beroep bij een administratieve rechter. Het voorgaande
geldt niet met betrekking tot besluiten, inhoudende algemeen
verbindende voorschriften of beleidsregels.
2.Voor alle belanghebbenden wordt in dezelfde beroepsmogelijkheden
voorzien.
Toelichting:
Het openstellen van beroep bij een administratieve rechter geschiedt
ingevolge artikel 112, tweede lid, van de Grondwet bij wege van
attributie in een formele wet. Delegatie is niet toegestaan.
Het tweede lid geldt ook voor de gevallen waarin (ook) een
bestuursorgaan belanghebbende is of kan zijn.
In bijzondere gevallen (zie artikel 8:4 van de Algemene wet
bestuursrecht en de negatieve lijst ingevolge artikel 8:5 van die wet)
kan het de voorkeur verdienen geen beroep bij een administratieve
rechter open te stellen. Daarbij dient echter te worden bedacht dat dan
de burgerlijke rechter op grond van artikel 112, eerste lid, van de
Grondwet van deze geschillen kennis kan nemen.
Hoofdregel is rechtspraak in twee instanties. Op 1 januari 1994 is de
eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie voltooid.
Bij die gelegenheid zijn voorshands - dat wil zeggen in afwachting van
een definitieve regeling ter zake in de derde fase - uitzonderingen
gemaakt op de hoofdregel van rechtspraak in twee feitelijke instanties.
In afwachting van de derde fase dient in beginsel niet in meer gevallen
beroep in één instantie te worden opengesteld. Hierop kan een
uitzondering worden gemaakt indien gelet op de aard van de zaken een
snelle definitieve beslechting van geschillen noodzakelijk is.
Zie voor de wijze waarop beroep moet worden opengesteld: aanwijzing
150 en de daarbij gegeven toelichting.
Zie ook aanwijzing 50.
Aanwijzing 149
In een bijzondere regeling wordt buiten de gevallen waarin een
beroepsregeling reeds bestaat, geen beroep bij een administratieve
rechter opengesteld tegen feitelijke handelingen.
Toelichting:
Het is mogelijk dat op grond van een algemene beroepsregeling beroep
openstaat tegen feitelijke handelingen. Indien geen beroep bij een
administratieve rechter openstaat moet ook hier worden bedacht dat dan
de burgerlijke rechter van deze geschillen kennis kan nemen.
Onder algemene beroepsregelingen worden verstaan: de Algemene wet
bestuursrecht, de Wet administratieve rechtspraak BES, de Wet op de Raad
van State, de Beroepswet, de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
en de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Aanwijzing 150
1. Bij het openstellen van beroep bij een administratieve rechter
wordt aangesloten bij de bestaande competentieverdeling.
2. Voor alle voor beroep en hoger beroep vatbare besluiten op grond
van één wet wordt beroep en hoger beroep bij dezelfde
administratieve rechter opengesteld, tenzij daardoor onvoldoende wordt
aangesloten bij de bestaande competentieverdeling.
3. Naast de bestaande gerechten worden geen nieuwe organen met
administratieve rechtspraak belast.
Toelichting:
In de meeste gevallen blijft een uitdrukkelijke beroepsbepaling
achterwege. Uit de Algemene wet bestuursrecht, de Wet administratieve
rechtspraak BES en de Wet op de Raad van State volgt reeds dat, indien
verdere regeling achterwege blijft, beroep bij de rechtbank en hoger
beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
openstaat (in Bonaire, Sint Eustatius en Saba: beroep bij het Gerecht in
eerste aanleg en hoger beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van
Justitie). Indien voor het desbetreffende terrein van regelgeving een
gespecialiseerde rechter (de Centrale Raad van Beroep of het College van
Beroep voor het bedrijfsleven) bestaat, dan wordt bij nieuwe regelingen
ter zake hoger beroep opengesteld bij dat gerecht. Hiertoe dient dan de
bijlage bij de Beroepswet onderscheidenlijk de Wet bestuursrechtspraak
bedrijfsorganisatie te worden aangevuld.
Voor toedeling van rechtsmacht aan het College van Beroep voor het
bedrijfsleven is aanleiding in regelingen van sociaal-economische aard,
dat wil zeggen regelingen die economische ordening of sturing dan wel
kwaliteitsnormen voor producten behelzen. Van een regeling van
sociaal-economische aard zal in het algemeen ook gesproken kunnen
worden, indien het gaat om wettelijke voorschriften die primair de
uitoefening van beroepen of bedrijven betreffen. Dit geldt niet voor
voorschriften, bijvoorbeeld in de milieuwetgeving voorkomend, die
betrekking hebben op het oprichten en in werking houden van inrichtingen
ten behoeve van bedrijf of beroep.
Indien wordt afgeweken van de hoofdregel van rechtspraak in twee
instanties (zie de toelichting bij aanwijzing 148), dan moet in de
bijzondere wet uitdrukkelijk beroep worden opengesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep
of het College van Beroep voor het bedrijfsleven (zie het model in
aanwijzing 152). In alle andere gevallen blijft een uitdrukkelijke
beroepsbepaling dus achterwege.
Aanwijzing 151 [Vervallen per 01-01-1996]
Aanwijzing 152
Voor het openstellen van beroep in één instantie wordt het volgende
model gebruikt:
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State / de Centrale Raad van Beroep / het College van Beroep
voor het bedrijfsleven.
Toelichting:
Onder de formulering "een op grond van deze wet genomen
besluit" vallen ook besluiten die genomen zijn op grond van
uitvoeringsregelingen van de wet.
Aanwijzing 153
1.Indien de besluitvorming uiteenvalt in een reeks
achtereenvolgende besluiten, wordt overwogen of het uit een oogpunt
van concentratie van rechtsbescherming aanbeveling verdient te bepalen
dat de desbetreffende administratiefrechtelijke voorzieningen slechts
openstaan tegen het laatste besluit in deze reeks.
2.In dat geval wordt tevens bepaald dat daarbij ook de voorafgaande
besluiten kunnen worden betrokken.
Toelichting:
Het beperken van de lasten voor de rechtspraak enerzijds en het geen
afbreuk doen aan de rechtsbescherming van de burger anderzijds dienen
hierbij tegen elkaar te worden afgewogen. Een punt van overweging kan
mede zijn dat het laatste besluit in de reeks niet het essentiële
besluit is.
In deze gevallen zal in de desbetreffende beroepsbepaling het beroep
tegen de aan het laatste besluit voorafgaande besluiten uitdrukkelijk
moeten worden uitgezonderd. Zie bij voorbeeld artikel 20.2 Wet
milieubeheer.
Aanwijzing 154 [Vervallen per 01-01-1996]
Aanwijzing 155
Administratief beroep wordt slechts opengesteld, indien:
a. sprake is van een niet in overwegende mate gebonden besluit,
en
b. het belang van de eenheid van beleid of van sturing door een
hoger bestuursorgaan op een beleidsterrein waarvoor dit orgaan
medeverantwoordelijkheid draagt, niet afdoende door andere
bestuursinstrumenten kan worden verzekerd.
Toelichting:
Uit het stelsel van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet
administratieve rechtspraak BES volgt dat de bezwaarschriftprocedure
regel en administratief beroep uitzondering is.
Aanwijzing 156
Tegen besluiten van bestuursorganen wordt, tenzij daarvoor een
bijzondere reden bestaat, geen administratief beroep opengesteld bij een
ander orgaan van hetzelfde openbare lichaam.
Toelichting:
Het is bij voorbeeld niet wenselijk tegen besluiten van het college
van burgemeester en wethouders beroep open te stellen bij de
gemeenteraad. Minder bezwaarlijk is het openstellen van beroep bij de
minister tegen besluiten van een aan hem ondergeschikte ambtenaar aan
wie bevoegdheid tot het nemen van besluiten is geattribueerd.
Aanwijzing 157 [Vervallen per 13-09-2008]
Aanwijzing 158 [Vervallen per 01-01-1996]
Aanwijzing 159 [Vervallen per 01-01-1996]
Aanwijzing 160
1. Bij het openstellen van beroep wordt overwogen of er gronden
zijn om een regeling op te nemen, anders dan de hoofdregel van artikel
6:16 van de Algemene wet bestuursrecht, betreffende de opschorting van
de werking van een besluit.
2. Voor een zodanige regeling wordt het volgende model als
uitgangspunt genomen:
De werking van het besluit wordt opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
Toelichting:
Bij de overweging van de vraag of het noodzakelijk is om een regeling
ter zake van de opschorting van de werking van een besluit op te nemen,
moet worden bedacht dat belanghebbenden in beginsel de mogelijkheid
hebben om bij de administratieve rechter een voorlopige voorziening te
vragen, inhoudende gehele of gedeeltelijke schorsing van een besluit.
Met het oog op de rechtsbescherming, in het bijzonder van
derden-belanghebbenden, kan het soms gewenst zijn om te regelen dat de
werking van een besluit gedurende een bepaalde periode na de
bekendmaking wordt opgeschort. Aandacht hiervoor is met name van belang
als de uitvoering van het besluit tot onomkeerbare gevolgen leidt.
In beginsel geldt de opschortende werking voor de periode waarbinnen
bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld bij een
administratieve rechter. Een verdergaande mogelijkheid is dat wordt
bepaald dat het besluit buiten werking blijft totdat op een ingesteld
beroep is beslist. Overigens geldt dat de administratieve rechter in het
kader van de bevoegdheid tot het treffen van een voorlopige voorziening
op grond van een daartoe ingesteld verzoek kan beslissen de schorsing op
te heffen.
De Wet administratieve rechtspraak BES bevat geen met artikel 6:16
van de Algemene wet bestuursrecht vergelijkbare bepaling. Ook voor de
Wet administratieve rechtspraak BES geldt echter dat een bezwaar of
beroep niet de werking schorst van de beschikking waartegen het is
gericht.
§ 4.11. Informatievoorziening en gegevensverwerking
Aanwijzing 161
Indien voor de uitvoering van een regeling gegevens van burgers,
bedrijven of instellingen nodig zijn, wordt voor de omschrijving van de
daaraan ten grondslag liggende begrippen zoveel mogelijk verwezen naar
of aangesloten bij de definities uit de wetten inzake de
basisregistraties.
Toelichting
Een belangrijk uitgangspunt bij het inrichten van
(e-)overheidsdienstverlening is dat van ‘eenmalig aanleveren,
meervoudig gebruik’ van gegevens. De overheid vraagt van burgers,
bedrijven en instellingen geen gegevens waarover zij al beschikt.
Spiegelbeeld hiervan is dat burgers, bedrijven en instellingen bij
bijvoorbeeld het doen van belastingaangifte of aanvraag van een
vergunning, geen gegevens behoeven te verstrekken die al bij de overheid
bekend zijn.
Om dit uitgangspunt in de praktijk te realiseren, is een stelsel van
basisregistraties ingericht, waarin basisgegevens zijn opgenomen die
nodig zijn voor het uitvoeren van verschillende (beslis)processen van
overheidsorganisaties. Een deel van de gegevens in die basisregistraties
zijn aangemerkt als‘authentiek’, dat wil zeggen dat een
overheidsorganisatie in beginsel kan uitgaan van de juistheid van het
gegeven en in beginsel verplicht is dit te gebruiken bij de uitvoering
van zijn taken.
De genoemde verplichting van overheidsorganisaties en het recht van
burgers, bedrijven en instellingen is ten aanzien van deze authentieke
gegevens expliciet vastgelegd in de verschillende wetten inzake
basisregistraties, zie bijvoorbeeld de artikelen 3a, 3b en 3c van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, de artikelen 7k en 7l
van de Kadasterwet.
Om het uitgangspunt van eenmalig aanleveren, meervoudig gebruik zo
breed mogelijk ingang te doen vinden, is nodig dat in wetgeving waarin
gegevensuitwisseling met de overheid aan de orde is, zoveel mogelijk
wordt verwezen naar of aangesloten bij begrippen uit de
basisregistraties.
Een overzicht van de basisregistraties en de daarin opgenomen
begrippen en authentieke gegevens is opgenomen in de Stelselcatalogus.
Aanwijzing 162
Indien voor de uitvoering van een regeling de beschikbaarheid of
uitwisseling van informatie tussen overheidsorganisaties van betekenis
is, wordt in een aparte informatieparagraaf in de toelichting aandacht
besteed aan de wijze waarop de informatievoorziening organisatorisch en
technisch is ingericht.
Toelichting
Inrichting informatievoorziening. Het is voor een goede
taakvervulling van de overheid van belang dat het ten behoeve daarvan
ingerichte of in te richten systeem van informatievoorziening niet
alleen doelmatig en doeltreffend is, maar ook dat het voldoet aan
juridische en bestuurlijk-organisatorische randvoorwaarden. Onder
juridische randvoorwaarden valt onder meer de afstemming op wetgeving
die ziet op informatie of informatievoorziening, zoals de Wet
bescherming persoonsgegevens en de wetten inzake basisregistraties.
Bestuurlijk-organisatorische randvoorwaarden betreffen onder meer de
verantwoordelijkheid voor de informatievoorziening en de daarvoor
benodigde bevoegdheden en systemen en de samenwerking en aansluiting
tussen betrokken organisaties en hun informatiesystemen.
Inhoud informatieparagraaf. De inhoud van de informatieparagraaf zal
variëren naar gelang de wijze waarop in de informatievoorziening wordt
ingericht. In het ene geval zal een volledige beschrijving van het
voorgestane stelsel worden gegeven, waarin wordt ingegaan op de
verschillende informatierelaties, de bevoegdheden die bestaan of worden
geschapen, de wijze waarop wordt aangesloten bij bestaande
informatiesystemen en dergelijke; in een ander geval kan worden volstaan
met een beschrijving van de wijze waarop van een bestaand
informatiesysteem gebruik gemaakt zal worden.
Overleg over informatieparagraaf. Ingevolge artikel 5 van het Besluit
informatievoorziening in de rijksdienst 1990 (Besluit IVR 1990) heeft de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een
coördinerende bevoegdheid op het gebied van de informatievoorziening in
de openbare sector. Het Besluit IVR 1990 wijst voorts verantwoordelijke
ministers aan voor verschillende deelgebieden van de
informatievoorziening. Met de desbetreffende ministeries wordt overleg
gevoerd over de informatieparagraaf.
Aanwijzing 162a
Bij het opnemen in een regeling van bepalingen over de verwerking van
persoonsgegevens bevat de regeling een welbepaalde en uitdrukkelijke
omschrijving van de doeleinden van de gegevensverwerking en bevat de
toelichting een expliciete afweging van de belangen van
verantwoordelijken en betrokkenen in relatie tot die doeleinden.
Toelichting
Een regeling waarin de verwerking van persoonsgegevens een
belangrijke plaats inneemt, bevat ter uitvoering van de artikelen 7 en 8
van de Wet bescherming persoonsgegevens een welbepaalde en
uitdrukkelijke omschrijving van de doeleinden van de gegevensverwerking.
Die doeleinden dienen ook gerechtvaardigd te zijn. Bij het ontwerpen van
een dergelijke regeling wordt daarom ook altijd een afweging gemaakt
tussen de belangen, gemoeid met de verwerking van persoonsgegevens en
het belang van de bescherming van die gegevens. Zie in dit verband
ookaanwijzing 212, onderdeel a. Het internationaalrechtelijke en
Europeesrechtelijke kader en de Grondwet worden bij de belangenafweging
in acht genomen. Daarnaast vereist de afstemming van bijzondere
wettelijke regelingen op de Wet bescherming persoonsgegevens, mede met
het oog op het legaliteitsbeginsel, aparte aandacht. De verwerking van
bijzondere gegevens is ingevolge artikel 16 van de Wet bescherming
persoonsgegevens in beginsel verboden. Indien de Wet bescherming
persoonsgegevens niet voorziet in een uitdrukkelijke regeling van de
verwerking van deze gegevens zal daarvoor steeds op het niveau van de
formele wet een regeling moeten worden getroffen.
Aanwijzing 162b
Indien het noodzakelijk is dat op structurele basis wordt voorzien in
de onderlinge verstrekking van persoonsgegevens tussen bestuursorganen
of toezichthouders, terwijl geldende geheimhoudingsbepalingen daaraan in
de weg staan, wordt op het niveau van de formele wet voorzien in een
uitdrukkelijke regeling van de gegevensverstrekking, met inbegrip van de
vaststelling van het doel van de gegevensverstrekking.
Toelichting
In het rapport van de Werkgroep herijking toezichtsregelgeving, Den
Haag, augustus 2008, zijn de achtergronden van de doelbinding van
gegevensverwerking, de betekenis van de term verdere verwerking van
gegevens en de functie van geheimhoudingsbepalingen specifiek voor het
toezicht op de naleving beschreven. Zie de bijlage bij de brief van de
Minister van Justitie van 29 oktober 2008 aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2008/09, 31 700 VI,
nr. 70). Indien de politie of het openbaar ministerie een van de
betrokken partijen is, zal in de regel moeten worden teruggegrepen op de
Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
§ 4.12. Doorberekening van toelatings- en handhavingskosten
Aanwijzing 163
Bij de opneming in een regeling van bepalingen over het doorberekenen
van kosten voor toelating of voor preventieve of repressieve handhaving
van voorschriften, wordt het toetsingskader voor doorberekening van
toelatings- en handhavingskosten `Maat houden' (Stcrt. 2000, 90) in acht
genomen.
Toelichting: Onder toelating wordt verstaan het door de overheid
toetsen of bedrijven of burgers voldoen aan gestelde eisen en het
verlenen van toestemming - eventueel onder het stellen van aanvullende
eisen - voor het verrichten van bepaalde handelingen. Zie de artikelen
24 en 25 van de Diergeneesmiddelenwet voor een voorbeeld van de wijze
waarop doorberekening van kosten wordt geregeld. In artikel 13, tweede
lid, van de Dienstenrichtlijn is aangegeven, dat eventuele kosten voor
aanvragers van een vergunning in verband met hun aanvraag redelijk en
evenredig met de kosten van de vergunningprocedure in kwestie zijn en de
kosten van de procedure niet overschrijden.
Aanwijzing 163a
1.Indien het wenselijk is kosten voor toelating door te berekenen,
wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:
a. voor de afgifte van documenten:
1. De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen
van de aanvraag en de afgifte van de vergunning / de
ontheffing / het diploma / de concessie (etc.) en van de
overige documenten die bij of krachtens deze wet worden
afgegeven (, alsmede van duplicaten en gewaarmerkte
afschriften van deze documenten), worden ten laste gebracht
van de aanvrager van het document.
2. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij
ministeriële regeling vastgesteld.
b. voor het verrichten van werkzaamheden en diensten:
1. De kosten die samenhangen met het verrichten van
werkzaamheden als bedoeld in artikel... komen ten laste van
degene ten behoeve van wie deze werkzaamheden worden verricht.
2. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij
ministeriële regeling vastgesteld.
2.Indien het wenselijk is bedragen in de wet op te nemen en
vervolgens via indexering aan te passen, wordt een bepaling
overeenkomstig het volgende model aan het toepasselijke model van het
eerste lid toegevoegd:
2. De bedragen luiden als volgt :…
3. De bedragen, bedoeld in het tweede lid, kunnen bij
ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de (index)
daartoe aanleiding geeft (bijvoorbeeld de consumentenprijsindex).
§ 4.12a. Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Aanwijzing 163b
1. In een regeling die zowel in het Europese deel van Nederland als
in Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing is, worden, indien
dat de toegankelijkheid van de regeling ten goede komt, bepalingen die
specifiek betrekking hebben op de toepassing van de regeling in
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in een apart hoofdstuk of een aparte
paragraaf opgenomen.
2. Het aparte hoofdstuk of de aparte paragraaf voor Bonaire, Sint
Eustatius en Saba wordt opgenomen aan het einde van de regeling, voor
de slotartikelen en, in voorkomend geval, de evaluatiebepaling en het
overgangsrecht.
Toelichting
In een regeling die zowel in het Europese als het Caribische deel van
Nederland van toepassing is, zullen vaak bijzondere bepalingen nodig
zijn voor de toepassing van die regeling in het Caribische deel van
Nederland. Met name in bestaande regelingen, waarvan de werkingssfeer
pas na de totstandkoming van de regeling wordt uitgebreid tot Bonaire,
Sint Eustatius en Saba, kan het de toegankelijkheid van de regeling ten
goede komen, indien deze bijzondere bepalingen worden opgenomen in een
apart hoofdstuk of een aparte paragraaf aan het einde van de regeling.
Zie ook aanwijzing 120a.
§ 4.13. Evaluatiebepaling
Aanwijzing 164
Indien het wenselijk is te bepalen dat een wet eenmalig of periodiek
wordt geëvalueerd, of over de uitvoering daarvan verslag wordt gedaan,
wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:
Onze Minister van/voor ...... zendt (in overeenstemming met Onze
Minister van/voor ...... ) binnen ...... jaar na de inwerkingtreding van
deze wet (, en vervolgens telkens na ...... jaar,) aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van
deze wet in de praktijk (of nadere omlijning van aspecten of onderdelen
van de wet).
Toelichting:
Voor onderzoek komen in aanmerking zowel de mate van verwerkelijking
van de doelstellingen en de neveneffecten als de evenredigheid,
subsidiariteit, uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid, afstemming op andere
regelingen,eenvoud, duidelijkheid en toegankelijkheid. Welke vorm van
evaluatie moet worden gekozen, zal afhangen van onder meer het gewicht
van de betrokken regeling, de maatschappelijke betekenis ervan en de aan
evaluatie verbonden lasten. Er is een breed scala denkbaar van diepgaand
wetenschappelijk onderzoek tot rapportage door de uitvoeringsorganen.
In het algemeen lijkt een evaluatietermijn van vijf jaar in de rede
te liggen. Onder omstandigheden kan echter een andere termijn de
voorkeur verdienen. Indien voor de evaluatie de medewerking van een niet
onder ministeriële verantwoordelijkheid vallend orgaan nodig is, moet
daartoe een wettelijke voorziening worden opgenomen.
§ 4.14. Overgangsrecht
Aanwijzing 165
Bij een nieuwe regeling of wijziging van een regeling wordt overwogen
of overgangsbepalingen noodzakelijk zijn.
Toelichting:
In de praktijk wordt aan overgangsrecht vaak weinig aandacht
geschonken. Indien bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het
niet altijd duidelijk welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op
die regeling gebaseerde beschikkingen. Het is van belang tijdig na te
gaan welke elementen van een regeling aanleiding kunnen geven tot één
of meer overgangsbepalingen. Zie voor uitgangspunten voor overgangsrecht
en de daarbij te maken keuzes bijvoorbeeld het voor wijzigingen in de
socialezekerheidswetgeving opgestelde Toetsingskader Overgangsrecht
(Kamerstukken I 1999/2000, 25 900, EK 87, nr. 87b, blz. 5–7).
Als een wet wordt gevolgd door een invoeringswet, kan worden
overwogen het overgangsrecht op te nemen in die invoeringswet. Indien
mogelijk verdient het aanbeveling om in de memorie van toelichting bij
de eerste wet in te gaan op het voorgenomen overgangsrecht.
Aanwijzing 165a
Indien bij een wijziging van een regeling overgangsbepalingen
noodzakelijk zijn, worden deze in de te wijzigen regeling opgenomen,
tenzij dit gelet op de doelgroep, de geldigheidsduur of de
toegankelijkheid, onwenselijk is.
Toelichting
Door het overgangsrecht in de te wijzigen regeling op te nemen wordt
voorkomen dat verschillende wijzigingsregelingen van belang blijven
wegens het daarin opgenomen overgangsrecht. Tevens bevordert deze
handelwijze de kenbaarheid van het overgangsrecht, doordat dit in
dezelfde regeling is opgenomen als het recht waarop de
overgangsbepalingen betrekking hebben. Op deze hoofdregel kan een
uitzondering worden gemaakt indien het overgangsrecht een zodanig
beperkte doelgroep of geldigheidsduur kent, dat het overgangsrecht de te
wijzigen regeling zou ‘vervuilen’. In een dergelijk geval spelen de
genoemde argumenten voor het opnemen van het overgangsrecht in de te
wijzigen regeling ook een minder grote rol. Indien een invoerings- of
een overgangswet gebruikelijk is op het te regelen terrein, pleit de
toegankelijkheid van het overgangsrecht juist voor opname in de
betreffende invoerings- of overgangswet.
Aanwijzing 166
1.Een nieuwe regeling is niet slechts van toepassing op hetgeen na
haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar
inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en
verhoudingen (onmiddellijke werking).
2.Indien beoogd wordt af te wijken van het eerste lid, wordt dit
uitdrukkelijk bepaald.
Toelichting:
Indien in een regeling geen overgangsrecht wordt opgenomen, heeft
deze onmiddellijke (ook wel: exclusieve) werking. Hieraan kunnen
bezwaren kleven. In dat geval kan gekozen worden voor terugwerkende
kracht (aanwijzingen 167 en 168) of voor eerbiedigende dan wel
uitgestelde werking (aanwijzingen 169 en 170). Afwijkingen van de
hoofdregel dienen in beginsel in de regeling zelf te worden neergelegd.
Dit is evenwel niet altijd nodig. Er kunnen algemene bepalingen van
overgangsrecht bestaan, zoals artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van
Strafrecht, artikel 16 van de Grondwet, artikel 15 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en
artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden. Op grond van deze bepalingen kunnen
feiten die vóór de inwerkingtreding zijn geschied, niet strafbaar of
zwaarder strafbaar worden gesteld.
In de jurisprudentie is ook wel eens aanvaard dat uit een regeling
een afwijking van de hoofdregel moet worden afgeleid (HR 7 maart 1979,
NJ 319). Het is echter niet wenselijk bij het ontwerpen van een nieuwe
regeling van deze mogelijkheid uit te gaan.
Voor de beoordeling in hoeverre afwijking van de hoofdregel
noodzakelijk is, dient de ontwerper van een regeling zich de
maatschappelijke gevolgen daarvan voor te stellen. Punten van overweging
zijn daarbij het vertrouwensbeginsel, de redelijkheid en billijkheid, de
rechtszekerheid en het verrassingseffect (zie ook aanwijzing 167).
Het is niet altijd noodzakelijk op de gehele regeling van toepassing
zijnde overgangsbepalingen te ontwerpen; per onderdeel van een regeling
kunnen er ook verschillende overgangsregelingen gelden.
Aanwijzing 167
1.Aan een regeling wordt slechts terugwerkende kracht verleend,
indien daarvoor een bijzondere reden bestaat.
2.Door het verlenen van terugwerkende kracht aan een regeling
worden de in die regeling voorziene rechtsgevolgen gerekend te zijn
ingetreden vanaf een nader aangeduid tijdstip voorafgaande aan de
inwerkingtreding van die regeling.
3.Aan belastende regelingen wordt, behoudens in uitzonderlijke
gevallen, geen terugwerkende kracht toegekend.
4.Bij een regeling mag een feit dat vóór haar inwerkingtreding is
geschied, niet strafbaar of zwaarder strafbaar worden gesteld.
Toelichting:
Het toekennen van terugwerkende kracht brengt op zichzelf geen
verandering in de feiten zelf mee, maar in de rechtsgevolgen daarvan. De
mogelijkheid tot het verlenen van terugwerkende kracht wordt beperkt
door internationale en nationale wettelijke bepalingen (zie de
toelichting bij aanwijzing 166).
Bij belastende regelingen betekent terugwerkende kracht in beginsel
een aantasting van de rechtszekerheid van de burger. Een reden voor het
toekennen van terugwerkende kracht kan zijn de noodzaak tot het
plotseling laten gelden van een nieuwe regeling om te voorkomen dat
burgers maatregelen treffen waardoor de regeling haar beoogde effect
ontbeert of zelfs een tegenovergesteld effect sorteert. Alsdan kan de
grensdatum van de terugwerkende kracht samenvallen met de datum waarop
van betrokkenen redelijkerwijs kan worden gevergd dat zij reeds
voorafgaande aan de inwerkingtreding met de verandering in de
regelgeving rekening hielden. Voorts kan gedacht worden aan gevallen
waarin de regelgeving een achterstand heeft opgelopen ten opzichte van
in de praktijk noodzakelijk gebleken ontwikkelingen die legalisering
achteraf behoeven. Legalisering dient dan wel op zo kort mogelijke
termijn te geschieden, opdat de periode waarover de regeling terugwerkt,
beperkt blijft. Zie voor een nadere beschouwing over de uitzonderlijke
gevallen waarin aan belastende regelingen terugwerkende kracht kan
worden toegekend: de beleidslijn bij het toekennen van terugwerkende
kracht aan belastende fiscale maatregelen, zoals omschreven in
Kamerstukken II 1996/97, 25 212, nrs 1-3. Deze beleidslijn kan ook
worden toegepast buiten het terrein van de fiscale regelgeving.
Zie voor het het toekennen van terugwerkende kracht aan gedelegeerde
regelingen CRvB 20 oktober 1983 (AB 1984, 100).
Het kan wenselijk zijn in een regeling voorzieningen te treffen
waardoor kan worden voorkomen dat op een gegeven moment wijziging met
terugwerkende kracht de enig denkbare oplossing is: zie bijvoorbeeld
artikel 31 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Bij het achteraf legaliseren van praktische ontwikkelingen verdient
het de voorkeur gebruik te maken van specifieke constructies als
bekrachtiging en conversie in plaats van terugwerkende kracht, vergelijk
bij voorbeeld de artikelen 39 en 79, respectievelijk 50 en 86
Overgangswet voor het Nieuw Burgerlijk Wetboek.
Zie voor een kwestie waarbij de inhoud van het vierde lid in het
geding was het nader rapport bij het initiatiefvoorstel tot wijziging
van de Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijen (Bijvoegsel
Stcrt. 1986, 218).
Aanwijzing 168
1. Het verlenen van terugwerkende kracht geschiedt niet door middel
van een fictief tijdstip van inwerkingtreding.
2. Voor het verlenen van terugwerkende kracht wordt een van de
volgende modellen gebruikt:
A. Deze wet/Dit besluit/Deze regeling treedt in werking...... en
werkt terug tot en met ......
B. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip en kan terugwerken tot en met een in dat besluit te
bepalen tijdstip.
3. Indien dit voor de duidelijkheid van de beoogde rechtsgevolgen
van terugwerkende kracht nodig is, worden meer gespecificeerde
bepalingen opgenomen.
Toelichting:
Indien het wenselijk is om uitdrukkelijk aan te geven in hoeverre een
wet toepasselijk is op feiten die in het verleden hebben plaatsgevonden,
kan het volgende voorbeeld worden gebruikt:
Artikel 10 vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot feiten
als vorenbedoeld die in het jaar 1981 hebben plaatsgevonden.
Niet toegestaan is het gebruik van de formule: Deze wet wordt geacht
in werking te zijn getreden met ingang van ... (Zie hiervoor ook de
artikelen 88 en 89 van de Grondwet.)
Aanwijzing 169
Een nieuwe regeling kan een daarvoor geldende regeling blijvend
(eerbiedigende werking) of voor een bepaalde periode (uitgestelde
werking) van toepassing laten op nader aangeduide feiten of
verhoudingen.
Toelichting:
Het toekennen van eerbiedigende werking of uitgestelde werking kan
onder meer wenselijk zijn in de volgende gevallen. Het aan de nieuwe
regeling voorafgaande rechtsregime heeft geleid tot het ontstaan van
verwachtingen omtrent het voortduren van situaties dan wel het al dan
niet intreden van aan bepaalde handelingen verbonden rechtsgevolgen of
andere effecten, aan welke verwachtingen de nieuwe regeling afbreuk zal
doen. In hoeverre deze verwachtingen gehonoreerd moeten worden, hangt in
de eerste plaats af van de vraag of de overwegingen die geleid hebben
tot het tot stand brengen van de nieuwe regeling, daartoe de ruimte
laten. Voorts spelen het realiteitsgehalte van de verwachtingen en de
daarbij betrokken belangen een rol.
Leidt de toepassing van eerbiedigende of uitgestelde werking tot een
zeer ingewikkelde regeling, dan verdient het overweging de te handhaven
regeling opnieuw vast te stellen als onderdeel van en uitzondering op de
nieuwe regeling.
Aanwijzing 170
Bij het verlenen van eerbiedigende of uitgestelde werking dient
duidelijk uit de regeling te blijken welke rechtsgevolgen beoogd worden.
Toelichting:
De overgangsregeling dient zodanig specifiek te zijn dat duidelijk
blijkt wat rechtens de relevante situatie is. Zie bijvoorbeeld het
overgangsartikel in de intrekkingswet van de Wet Bezitsvormingsfonds:
Een lening die is verstrekt onder de werking van de Wet
Bezitsvormingsfonds wordt beheerst door de bepalingen van die wet. Zie
voorts de artikelen 58 Grondwaterwet, en 170, 171, tweede lid, en 187
Pachtwet.
Aanwijzing 171
In geval van nieuwe regels voor procedures en bevoegdheden van
organen ter zake van geschillen dient met betrekking tot de zaken die
voor de inwerkingtreding van deze regels aanhangig zijn gemaakt,
uitdrukkelijk in de regeling te worden bepaald of het oude dan wel het
nieuwe recht van toepassing is.
Voorbeeld: zie artikel 172 Pachtwet.
Toelichting:
Deze aanwijzing geldt ook in de sfeer van het strafprocesrecht. In de
sfeer van de strafvordering geldt niet een regel als die van artikel 1,
tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Bij verandering van de
bevoegde instantie of van de procedure dient men in die sfeer, evenals
elders in de sfeer van het procesrecht, na te gaan of de oude dan wel de
nieuwe regeling ook moet gelden voor de zaken, die bij de
inwerkingtreding van de nieuwe regeling aanhangig zijn.
§ 4.14a. Samenloop
Aanwijzing 171a
Bij een wetsvoorstel wordt bezien of het noodzakelijk is de samenloop
met een ander wetsvoorstel te regelen.
Toelichting
Onder samenloop wordt de situatie verstaan waarin een tekstuele
afhankelijkheid tussen twee (of meer) wetsvoorstellen (of met betrekking
tot een reeds tot wet verheven maar nog niet in werking getreden wet)
bestaat terwijl de procedures van totstandkoming in de tijd
onafhankelijk van elkaar verlopen. Het gaat hier dus niet om situaties
als die van een nieuwe wet en een invoeringswet daarbij, waar de inhoud
en procedurele voortgang van het ene voorstel rechtstreeks bepalend is
voor dat van het andere voorstel. Een samenloopprobleem zal zich over
het algemeen slechts voordoen bij wetsvoorstellen, aangezien bij
algemene maatregelen van bestuur, andere koninklijke besluiten en
ministeriële regelingen kort voor de publicatie nog wijzigingen kunnen
worden aangebracht en de tekst kan worden vastgesteld naar de situatie
die op dat moment bestaat.
Het verdient de voorkeur samenloopproblemen te voorkomen. Dit kan
worden bereikt door:
– een tweede wetgevingstraject pas te starten wanneer het
eerste zijn beslag heeft gevonden in een wet(swijziging) of
anderszins reeds verder in procedure is, zodat de volgorde van
inwerkingtreding duidelijk vooraf goed kan worden ingeschat;
– wetsvoorstellen aldus te formuleren dat geen tekstuele
afhankelijkheid bestaat;
– de wetsvoorstellen samen te voegen.
Verder kunnen samenloopproblemen soms worden voorkomen door te kiezen
voor inwerkingtreding bij koninklijk besluit. In dat koninklijk besluit
kan de volgorde van inwerkingtreding worden bepaald, waardoor
samenloopproblemen worden opgevangen. Zie aanwijzing 178, eerste lid,
model A en de toelichting daarbij.
Aanwijzing 171b
1. Indien de formulering van een wetsvoorstel tot wijziging van een
wet afhankelijk is van een wijziging die een ander wetsvoorstel beoogt
teweeg te brengen in diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling
overeenkomstig het volgende model opgenomen:
Indien het bij koninklijke boodschap van … (datum) ingediende
voorstel van wet … (opschrift en Kamerstuknummer) tot wet is of
wordt verheven en (artikel … van) die wet eerder in werking is
getreden of treedt dan (artikel … van) deze wet, wordt (artikel …
van) deze wet als volgt gewijzigd: ….
2. Indien een wetsvoorstel tot wijziging van een wet gevolgen heeft
voor de formulering van een ander wetsvoorstel tot wijziging van
diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende
model opgenomen:
Indien het bij koninklijke boodschap van … (datum) ingediende
voorstel van wet … (opschrift en Kamerstuknummer) tot wet is of
wordt verheven en (artikel … van) die wet later in werking treedt
dan (artikel … van) deze wet, wordt (artikel … van) die wet als
volgt gewijzigd: ….
3. Indien een wetsvoorstel tot wijziging van een wet beoogt een
wijziging teweeg te brengen die in strijd is met een wijziging die een
ander wetsvoorstel in diezelfde wet beoogt teweeg te brengen, wordt
een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:
1. Indien het bij koninklijke boodschap van … (datum)
ingediende voorstel van wet … (opschrift en Kamerstuknummer) tot
wet is of wordt verheven en (artikel … van) die wet eerder in
werking is getreden of treedt dan (artikel … van) deze wet,
wordt (artikel … van) deze wet als volgt gewijzigd: ….
2. Indien het bij koninklijke boodschap van … (datum)
ingediende voorstel van wet … (opschrift en Kamerstuknummer) tot
wet is of wordt verheven en (artikel … van) die wet later in
werking treedt dan (artikel … van) deze wet, wordt (artikel …
van) die wet als volgt gewijzigd: ….
4. Indien een wetsvoorstel tot wijziging van een wet gevolgen heeft
voor de formulering van een verwijzing naar diezelfde wet in een
wetsvoorstel dat beoogt een nieuwe wet tot stand te brengen, wordt een
samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:
Indien het bij koninklijke boodschap van … (datum) ingediende
voorstel van wet … (opschrift en Kamerstuknummer) tot wet is of
wordt verheven wordt (artikel … van) die wet als volgt gewijzigd:
….
5. Indien de formulering van een verwijzing naar een wet in een
wetvoorstel dat beoogt een nieuwe wet tot stand te brengen,
afhankelijk is van een wijziging die een ander wetsvoorstel beoogt
teweeg te brengen in diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling
overeenkomstig het volgende model opgenomen:
Indien het bij koninklijke boodschap van … (datum) ingediende
voorstel van wet … (opschrift en Kamerstuknummer) tot wet is of
wordt verheven en (artikel … van) die wet in werking treedt, wordt
(artikel … van) deze wet als volgt gewijzigd: ….
Toelichting
Zie bij de toepassing van de modellen aanwijzing 89a, tweede lid,
voor de wijze van aanhalen van het Kamerstuknummer.
Derde lid:
Het gaat hier om een situatie van wederzijdse tekstuele
afhankelijkheid van bepalingen in wetsvoorstellen, waarbij de
inwerkingtreding van de ene bepaling gevolgen heeft voor de formulering
van de andere. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als beide wetsvoorstellen
een lid aan een bestaand artikel willen toevoegen. Daarbij moeten twee
situaties worden geregeld:
de situatie waarin het andere wetsvoorstel eerder tot wet wordt
verheven en in werking treedt (en er dus aanpassing van het onderhavige
wetsvoorstel nodig is aan de wijzigingen die daardoor teweeg zijn
gebracht); en,
de situatie waarin het onderhavige wetsvoorstel eerder tot wet wordt
verheven en in werking treedt (en er dus aanpassing van het andere
wetsvoorstel nodig is aan de wijzigingen die daardoor teweeg zijn
gebracht).
§ 4.15. Inwerkingtreding
Aanwijzing 172
Een regeling voorziet in haar inwerkingtreding.
Toelichting:
Zie voor de formulering van inwerkingtredingsbepalingen de
aanwijzingen 178 en 180. Een regeling dient altijd een
inwerkingtredingsbepaling te bevatten. Artikel 7 van de Bekendmakingswet
is slechts bedoeld als vangnet voor het geval een bepaling omtrent de
inwerkingtreding achterwege is gelaten in algemeen verbindende
voorschriften afkomstig van de centrale overheid: de regeling treedt in
dat geval in werking met ingang van de eerste dag van de tweede
kalendermaand na de datum van bekendmaking.
Rijkswetten en algemene maatregelen van rijksbestuur. Artikel 7 kan
deze vangnetfunctie echter niet vervullen voor rijkswetten en algemene
maatregelen van rijksbestuur: krachtens artikel 22, tweede lid, van het
Statuut voor het Koninkrijk moeten de laatstgenoemde regelingen steeds
zelf hun inwerkingtreding regelen.
In verband met de bekendmaking in Aruba, Curaçao en Sint Maarten
verdient het aanbeveling voor de inwerkingtreding van rijkswetten en
algemene maatregelen van rijksbestuur minimaal een termijn van een maand
na de datum van uitgifte van het Staatsblad in Nederland aan te houden.
Aanwijzing 173
1. Het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een algemene
maatregel van bestuur wordt zodanig geregeld dat dit blijkt uit het
Staatsblad waarin de regeling is geplaatst of af te leiden is uit een
ander Staatsblad.
2. Het tijdstip van inwerkingtreding wordt niet afhankelijk gesteld
van de inwerkingtreding van een verdrag of van een andere niet uit het
Staatsblad blijkende gebeurtenis.
Aanwijzing 173a
Indien twee of meer wetten of twee of meer algemene maatregelen van
bestuur op hetzelfde tijdstip in werking treden, is voor de volgorde van
inwerkingtreding bepalend:
a. de datum van vaststelling (ondertekening door de Koningin) van
de regeling;
b. indien de datum van vaststelling van beide wetten of algemene
maatregelen van bestuur dezelfde is: de datum van uitgifte van het
Staatsblad;
c. indien de datum van vaststelling en de datum van uitgifte van
beide wetten of algemene maatregelen van bestuur dezelfde zijn: het
volgnummer van het Staatsblad.
Toelichting:
Deze volgorde laat onverlet het geval dat de wetgever evident een
andere volgorde heeft bedoeld.
De volgorde van inwerkingtreding kan ook worden bepaald door de
inwerkingtreding bij koninklijk besluit te regelen. Zie de toelichting
bij aanwijzing 178.
Aanwijzing 174
1. Een wet of een algemene maatregel van bestuur treedt in werking
met ingang van 1 januari of 1 juli.
2. Een ministeriële regeling treedt in werking met ingang van 1
januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober.
3. De termijn tussen de publicatiedatum van een wet, algemene
maatregel van bestuur of ministeriële regeling en het tijdstip van
inwerkingtreding is minimaal twee maanden. Indien een regeling direct
relevant is voor medeoverheden, is deze termijn minimaal drie maanden.
4. Uitzondering op de vaste verandermomenten of de
minimuminvoeringstermijn is mogelijk voor zover:
a. dit, gelet op de doelgroep of de jaarindeling, aanmerkelijke
ongewenste private of publieke voor- of nadelen voorkomt;
b. het spoed- of noodregelgeving betreft;
c. het reparatieregelgeving betreft;
d. het implementatie van bindende EU-rechtshandelingen,
verdragen of andere besluiten van volkenrechtelijke organisaties
betreft.
5. In de toelichting bij een regeling wordt de uitzonderingsgrond
gemotiveerd.
Toelichting:
De toepassing van vaste verandermomenten en een
minimuminvoeringstermijn zorgen ervoor dat degenen tot wie de regeling
zich richt, niet op te veel verschillende momenten worden geconfronteerd
met wijzigingen van regelgeving en dat ze tijd krijgen om zich hierop
voor te bereiden.
Het vaststellen van een alternatief tijdstip kan bijvoorbeeld aan de
orde zijn als sprake is van een andere jaarindeling. Bij regelingen op
het terrein van het onderwijs gelden de vaste data van het schooljaar en
het studiejaar die respectievelijk per 1 augustus en per 1 september
aanvangen. Dit geldt uiteraard ook voor de hiermee samenhangende
ministeriële regelingen.
Indien een regeling direct relevant is voor decentrale overheden,
wordt op grond van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen rekening
gehouden met een invoeringstermijn van minimaal drie maanden.
Aanwijzing 175
1. Het tijdstip van inwerkingtreding van een regeling ligt in ieder
geval na het tijdstip van de feitelijke verkrijgbaarstelling van het
betrokken publicatieblad.
2) De datum van bekendmaking van een koninklijk besluit tot
vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een
algemene maatregel van bestuur ligt in ieder geval vóór het tijdstip
van inwerkingtreding van de betrokken wet of algemene maatregel van
bestuur.
Toelichting:
Het tijdstip van inwerkingtreding moet - zo mogelijk - zodanig worden
vastgesteld, dat de betrokkenen (bijvoorbeeld de advocatuur, de
rechterlijke macht, gemeenten of uitvoeringsorganen) de gelegenheid
hebben om tijdig kennis te nemen van de nieuwe regeling. De Grondwet
verbiedt dat wetten, algemene maatregelen van bestuur en andere van de
centrale overheid afkomstige algemeen verbindende voorschriften in
werking treden voordat zij zijn bekendgemaakt (artt. 88 en 89, derde en
vierde lid). Ook bij de bekendmaking van koninklijke besluiten tot
vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of
algemene maatregel van bestuur wordt met deze grondwettelijke bepalingen
rekening gehouden.
Een regeling kan pas als bekendgemaakt worden beschouwd vanaf het
tijdstip waarop het betrokken publicatieblad verkrijgbaar is gesteld of
feitelijk naar buiten is gebracht (zie CRvB 6 januari 1987, AB 300, en
Afd. rechtspraak 14 augustus 1987, AB 1988, 498).
Het tijdstip van feitelijke beschikbaarheid van het Staatsblad en de
Staatscourant is het tijdstip waarop zij elektronisch worden
gepubliceerd op de website www.officielebekendmakingen.nl.
Aanwijzing 176
De inwerkingtreding van bepalingen betreffende inwerkingtreding en de
bekendmaking van een regeling, vaststelling van een citeertitel en
delegatie van regelgevende bevoegdheid wordt niet geregeld. Deze
bepalingen gelden vanaf het tijdstip van totstandkoming van de regeling.
Toelichting:
Deze aanwijzing houdt in dat voor de bedoelde bepalingen bij de
regeling van de inwerkingtreding geen afzonderlijke voorziening wordt
getroffen.
Deze aanwijzing geldt mede voor bepalingen over parlementaire
betrokkenheid bij de totstandkoming van regelgeving (zie aanwijzingen 35
e.v.).
Indien op grond van een bij de Staten-Generaal aanhangig wetsvoorstel
reeds een uitvoeringsregeling wordt voorbereid die met toepassing van
een in dat wetsvoorstel opgenomen bepaling met betrekking tot de
totstandkomingsprocedure tot stand gebracht moet worden, kan de
voorbereiding plaatsvinden overeenkomstig die bepaling. Bij de
vaststelling van de uitvoeringsregeling is dan aan de verplichtingen
inzake parlementaire betrokkenheid bij de uitvoeringsregeling voldaan.
De uitvoeringsregeling kan dan op hetzelfde moment in werking treden als
de wet waarop zij is gebaseerd.
Aanwijzing 177
Een koninklijk besluit tot vaststelling van het tijdstip van
inwerkingtreding van een wet of een algemene maatregel van bestuur
voorziet niet in zijn eigen inwerkingtreding.
Toelichting:
Een dergelijk koninklijk besluit geldt zodra het is bekendgemaakt.
Bij de bepaling van het tijdstip van inwerkingtreding wordt rekening
gehouden met aanwijzing 175.
Aanwijzing 178
1. Voor de inwerkingtredingsbepaling van een wet wordt het volgende
model gebruikt:
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
2. Voor de inwerkingtredingsbepaling van een algemene maatregel van
bestuur wordt een van de volgende modellen gebruikt:
A. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari/1
juli 2010.
B. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip.
3. Voor de inwerkingtredingsbepaling van een ministeriële regeling
wordt het volgende model gebruikt:
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari/1 april/1
juli/1 oktober 2010.
Toelichting:
Wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen
treden in beginsel in werking op vaste tijdstippen met een
voorgeschreven minimale termijn tussen publicatie en inwerkingtreding
(zie aanwijzing 174). In wetsvoorstellen wordt in beginsel geen concreet
inwerkingtredingstijdstip opgenomen. Een concreet
inwerkingtredingstijdstip kan, indien deze dicht ligt bij de indiening
van het voorstel bij de Eerste Kamer, een goede inhoudelijke behandeling
door de Eerste Kamer frustreren. Indien het tijdstip op het moment van
aanvaarding door de Eerste Kamer al (bijna) is verstreken, zal een
novelle nodig zijn om het inwerkingtredingstijdstip aan te passen.
Bovendien belemmert het opnemen van een tijdstip de naleving van
aanwijzing 174, derde lid. Zie aanwijzing 180 voor modellen voor
bijzondere gevallen.
Delegatie van het tijdstip van inwerkingtreding aan de regering is
mede aangewezen bij samenloop tussen verschillende wetsvoorstellen die
onderling samenhangen, bijvoorbeeld omdat zij dezelfde wetsartikelen
wijzigen. Via het tijdstip van inwerkingtreding kan immers de volgorde
van de desbetreffende wijzigingen worden bepaald. Dit kan geschieden
door ofwel verschillende tijdstippen vast te stellen (zie echter
ookaanwijzing 174), ofwel door in het koninklijk besluit een tijdstip te
noemen en daarbij de volgorde aan te geven. In dat laatste geval luidt
de aanhef van het koninklijk besluit: Met ingang van ... treden de
volgende wetten (of onderdelen daarvan) in werking, in de hieronder
aangegeven volgorde: ....
Tegen opneming van een concreet inwerkingtredingstijdstip in een
algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling bestaat in het
algemeen geen bezwaar (tweede lid, model A, onderscheidenlijk derde
lid), indien in het bijzonder aanwijzing 174, derde lid, in acht genomen
wordt. Dit is te beoordelen op het moment dat het nader rapport
onderscheidenlijk de ministeriële regeling in procedure wordt gebracht.
In andere gevallen is voor een algemene maatregel van bestuur het
gebruik van model B, genoemd in het tweede lid, aangewezen.
Indien het een regeling van het Koninkrijk betreft of een regeling
die zowel in het Europese deel van Nederland als in Bonaire, Sint
Eustatius geldt, kan het nodig zijn bij de inwerkingtreding rekening te
houden met het tijdsverschil tussen het Europese en de Caribische delen
van het Koninkrijk. Dit tijdsverschil bedraagt gedurende de wintertijd
in het Europese deel van het Koninkrijk 5 uur en gedurende de zomertijd
6 uur. Indien het noodzakelijk of wenselijk is om de regeling in beide
delen van het Koninkrijk op precies hetzelfde tijdstip in werking te
laten treden, wordt in de inwerkingtredingsbepaling ook uitdrukkelijk
het uur genoemd waarop de regeling in het Europese deel,
onderscheidenlijk de Caribische delen, van het Koninkrijk in werking
treedt. Zie voor een voorbeeld het Besluit van 23 september 2010 tot
vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen I en
II van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de
Nederlandse Antillen (Stb. 2010, 387).
Aanwijzing 179 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 180
Zo nodig kan voor de inwerkingtredingsbepaling van een regeling ook
een van de volgende modellen worden gebruikt:
A. Deze wet/Dit besluit/Deze regeling treedt in werking ... (als
aanwijzing 178) met uitzondering van de artikelen (hoofdstukken)
..., die in werking treden ... (als aanwijzing 178).
B. Deze wet/Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kan een ander
tijdstip worden vastgesteld waarop de artikelen (hoofdstukken) ...
in werking treden.
C. De artikelen (hoofdstukken) van deze wet/dit besluit treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor
de verschillende artikelen (hoofdstukken) of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
D. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.
E. Deze wet/Dit besluit/Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 januari 2010. Indien het Staatsblad/de Staatscourant
waarin deze wet/dit besluit/deze regeling wordt geplaatst, wordt
uitgegeven na 31 december 2009, treedt zij/het/zij in werking met
ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad/de
Staatscourant waarin zij/het/zij wordt geplaatst, en werkt
zij/het/zij terug tot en met 1 januari 2010.
F. Deze wet/Dit besluit/Deze regeling treedt in werking op het
tijdstip waarop ... (andere wet of ander besluit) in werking treedt.
G. Indien het bij koninklijke boodschap van .... (datum)
ingediende voorstel van wet (opschrift en Kamerstuknummer) tot wet
is of wordt verheven en die wet in werking treedt, treedt deze
wet/dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.
H. Deze wet/Dit besluit/Deze regeling treedt in werking met
ingang van de eerste dag van de ..... kalendermaand na de datum van
uitgifte van het Staatsblad/de Staatscourant waarin zij/het/zij
wordt geplaatst.
I. Deze wet/Dit besluit/Deze regeling treedt in werking met
ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad/de
Staatscourant waarin zij/het/zij wordt geplaatst.
Toelichting
Bij het gebruiken van de in deze aanwijzing opgenomen modellen A tot
en met H wordt aanwijzing 174, eerste tot en met derde lid, in acht
genomen, voor alle onderdelen van de regeling die in werking treden,
tenzij aanwijzing 174, vierde lid, van toepassing is. Model I wordt
slechts gebruikt in de in aanwijzing 174, vierde lid, genoemde
uitzonderingsgevallen.
Voor de inwerkingtredingsbepaling van een algemeen verbindend
voorschrift, niet zijnde een wet, algemene maatregel van bestuur of
ministeriële regeling, kan een formulering analoog aan die in
aanwijzing 178, derde lid, of aan de modellen A, E, F, H of I worden
gebruikt. Op basis van een inwerkingtredingsbepaling overeenkomstig
model C kunnen ook verschillende inwerkingtredingsbesluiten worden
vastgesteld.
Mocht in bijzondere gevallen het opnemen van een concreet tijdstip
van inwerkingtreding in een wet onvermijdelijk zijn (bijvoorbeeld bij
onlosmakelijke samenhang van de wet met een boekjaar of belastingjaar),
dan kan daarvoor model D of E worden gebruikt. Bij gebruik van model E
wordt hetgeen in aanwijzing 167 is opgemerkt over terugwerkende kracht
van regelingen in acht genomen. Zie voor het gebruik van model G ook
aanwijzing 34a, derde lid.
Indien een regeling voorziet in (de mogelijkheid van) gefaseerde
inwerkingtreding, zoals bij model C, dan kan bij verwijzingen niet een
formulering als‘het tijdstip waarop deze/die wet/dit/dat besluit in
werking treedt’ worden gebruikt. In plaats daarvan moeten in
dergelijke verwijzingen de desbetreffende artikelen of onderdelen
concreet worden aangeduid, door middel van een formulering als ‘het
tijdstip waarop artikel x van deze/die wet/dit/dat besluit in werking
treedt’.
§ 4.16. Tijdelijke regelingen
Aanwijzing 181
Voor het regelen van de werkingsduur van een tijdelijke regeling
worden de volgende voorbeelden als uitgangspunt genomen:
A. Deze wet/Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip en vervalt zes jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding.
B. Dit besluit/Deze regeling treedt in werking met ingang van 1
januari 2010 en vervalt met ingang van 1 januari 2015.
C Deze wet/Dit besluit/Deze regeling treedt in werking met ingang
van 1 januari 2010 en vervalt op een bij koninklijk besluit/door
Onze Minister (van/voor ......)/door de Minister (van/voor ......)
te bepalen tijdstip.
Toelichting
Bij het gebruiken van de modellen wordt aanwijzing 174 in acht
genomen. De in model C genoemde formulering wordt slechts gekozen,
indien vaststaat dat het om een tijdelijke regeling gaat, maar het
tijdstip waarop de regeling vervalt niet vooraf kan worden vastgesteld.
Aanwijzing 182
De tijdelijkheid van een regeling wordt in het opschrift en de
citeertitel tot uitdrukking gebracht.
Voorbeelden:
a. Wet van 5 oktober 1984 tot verlening van een uitkering met het
oog op de koopkrachtontwikkeling in 1984 aan personen die alleen dan
wel te zamen met een of meer anderen over niet meer dan een
minimuminkomen beschikken.
b. Wet van 18 juni 1987, houdende voorlopige voorziening inzake
geschillen waarvan de beslissing aan de Kroon is opgedragen
(Tijdelijke wet Kroongeschillen).
c. Wet van 10 januari 1985, houdende verbod tot vestiging en
uitbreiding van varkens- en pluimveehouderijbedrijven in Nederland
dan wel bepaalde delen daarvan (Interimwet beperking varkens- en
pluimveehouderijen).
Aanwijzing 183
1. Indien het gewenst is tijdelijk van een bestaande regeling af te
wijken, geschiedt dit ofwel in de vorm van een zelfstandige afwijkende
regeling ofwel in de vorm van een wijziging van de regeling met
tijdelijke werking.
2. In een wijzigingsregeling met tijdelijke werking wordt
aangegeven hoe de gewijzigde regeling luidt na het vervallen van de
tijdelijke wijziging.
Toelichting:
Niet toelaatbaar is dus een bepaling als: "Voor de duur van drie
jaar luidt artikel 10 als volgt".
§ 4.17. Citeertitel
Aanwijzing 184
1.Een regeling heeft een citeertitel, tenzij aan aanhaling van de
regeling in de praktijk geen behoefte zal bestaan.
2.Een wijzigingsregeling heeft slechts in bijzondere gevallen een
citeertitel.
3.Indien naar verwachting de behoefte zal bestaan een regeling
veelvuldig met een afkorting aan te halen, wordt in de toelichting op
de bepaling tot vaststelling van de citeertitel een aanbeveling
gegeven voor de te gebruiken afkorting.
Toelichting:
Tweede lid: Van een bijzonder geval kan sprake zijn bij zeer
uitgebreide of belangrijke wijzigingsregelingen of bij
wijzigingsregelingen die naast wijzigingen ook veel zelfstandige
bepalingen bevatten. Voorbeelden bij tweede lid: Aanpassingswet Awb III,
Leemtewet Awb, Wet beursgang KPN, Wet afschaffing adviesverplichtingen.
Zie ook aanwijzing 108.
Derde lid: Verwijzing naar een regeling door middel van een
standaardafkorting kan alleen geschieden in memories van toelichting,
nota's e.d. Verwijzingen in de wetteksten naar een andere regeling
vinden steeds plaats door aanhaling van de (citeer)titel van die
regeling.
Aanwijzing 185
1. Een citeertitel wordt kernachtig geformuleerd en bevat geen
afkortingen tenzij dit onvermijdelijk is.
2. Een bepaling tot vaststelling van een citeertitel wordt
overeenkomstig het volgende voorbeeld geformuleerd:
Deze wet wordt aangehaald als: Handelsregisterwet.
3. Slechts het eerste woord van een citeertitel wordt met een
hoofdletter geschreven.
4. In een citeertitel wordt alleen een jaartal opgenomen indien
daartoe behoefte bestaat ter onderscheiding van de betrokken regeling
van een andere regeling. In dat geval kan in een wet of een algemene
maatregel van bestuur de volgende formulering worden gebruikt: met
vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij/het zal
worden geplaatst.
5. In de citeertitel van rijksregelingen wordt tot uitdrukking
gebracht dat het een rijksregeling betreft.
6. In de citeertitel van een regeling die uitsluitend voor Bonaire,
Sint Eustatius en Saba geldt, wordt door de toevoeging ‘BES’tot
uitdrukking gebracht dat het een regeling voor die eilanden betreft.
Deze toevoeging blijft achterwege, indien de eilanden reeds voluit in
de citeertitel worden genoemd.
Toelichting:
Eerste lid: Als afkortingen worden gebruikt, moeten zij voldoende
algemeen bekend zijn.
Tweede lid: Deze citeertitel moet aan het slot van het opschrift van
de regeling tussen haakjes worden vermeld (zie aanwijzing 108).
Derde lid: Een citeertitel kan uiteraard ook woorden bevatten die
altijd met een hoofdletter worden geschreven, bijvoorbeeld: Wet
Nationale ombudsman.
Vierde lid: Het invullen van het jaartal in de citeertitel zoals deze
tussen haakjes is opgenomen aan het slot van opschrift van de regeling
(zie aanwijzing 108), kan dan tot aan de bekendmaking (dus uiterlijk in
de drukproeven) door het betrokken ministerie geschieden (zie ook
aanwijzing 90). Hiervoor is geen uitdrukkelijke opdracht in de
desbetreffende regeling vereist, zoals wel het geval is voor het
publiceren van een integrale tekst van een regeling (zie aanwijzing
246).
Het is ook mogelijk in de citeertitel expliciet het jaar van
inwerkingtreding op te nemen. In dat geval kan de werkwijze van
aanwijzing 90 worden toegepast. Aan het jaartal in de citeertitel
behoort niet het nummer van het Staatsblad te worden toegevoegd.
Voorbeelden bij zesde lid:
– de Wet geldstelsel BES
– de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
§ 4.18. Bekendmaking
Aanwijzing 186
1. In een regeling, houdende algemeen verbindende voorschriften,
worden geen bepalingen opgenomen over de plaatsing in het Staatsblad
of de Staatscourant van de regeling zelf of daarop berustende algemeen
verbindende voorschriften.
2. Een regeling schrijft, behoudens in uitzonderlijke gevallen,
niet voor dat op grond van de regeling genomen besluiten in het
Staatsblad worden geplaatst.
Toelichting:
De plaatsing van algemeen verbindende voorschriften in het Staatsblad
en de Staatscourant is reeds in de Bekendmakingswet geregeld. Volstaan
kan dus worden met de opdracht tot bekendmaking in het slotformulier.
Zie de aanwijzingen 193 e.v.
Het Staatsblad is in beginsel gereserveerd voor de bekendmaking van
wetten, algemene maatregelen van bestuur en besluiten tot
inwerkingtreding van deze regelingen. Daarnaast komen slechts bij
uitzondering koninklijke besluiten voor plaatsing in het Staatsblad in
aanmerking, bijvoorbeeld een koninklijk besluit tot ontbinding van de
Tweede Kamer.
Zie voor de bekendmaking van beleidsregels artikel 3:42 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Aanwijzing 186a
Regelingen worden na hun vaststelling zo spoedig mogelijk
bekendgemaakt.
Aanwijzing 187 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 188
Een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling kan
bepalen dat een daarbij behorende bijlage wordt bekendgemaakt door
terinzagelegging, indien:
a. de bijlage niet geschikt is voor publicatie in het Staatsblad
of de Staatscourant, en
b. de kenbaarheid voor de direct bij de regeling betrokken
personen daarmee voldoende verzekerd is.
Toelichting
Deze aanwijzing bevat criteria voor gebruikmaking van de
uitzonderingsmogelijkheid die wordt geboden door artikel 5 van de
Bekendmakingswet. Blijkens de wetsgeschiedenis is deze uitzondering met
name bedoeld voor stukken die niet in een elektronisch bestand zijn weer
te geven of alleen in een dermate groot bestand dat het niet geschikt is
voor de gedigitaliseerde plaatsing in het Staatsblad of de Staatscourant
(zie Kamerstukken II 2006/07, 31 084, nr. 3, blz. 23).
Het bepalen dat een bijlage wordt bekendgemaakt door terinzagelegging
geschiedt door middel van het slotformulier (zie aanwijzing 199).
Aanwijzing 189 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 190
Indien in een regeling normen die niet van publiekrechtelijke aard
zijn van toepassing worden verklaard, wordt, tenzij de kenbaarheid van
deze normen voor alle betrokkenen voldoende verzekerd is, bekendmaking
van de normen in de Staatscourant voorgeschreven. Aanwijzing 188 is van
overeenkomstige toepassing.
Aanwijzing 191 [Vervallen per 13-09-2008]
Aanwijzing 192
Indien het wenselijk is aan een regeling een inhoudsopgave toe te
voegen, wordt deze bij de bekendmaking van de regeling achter de
regeling opgenomen.
Toelichting:
De inhoudsopgave is geen onderdeel van de regeling. Bij de indiening
van een wetsvoorstel kan een inhoudsopgave afzonderlijk bij de stukken
worden gevoegd. Bij de publicatie van de integrale tekst van een
gewijzigde regeling wordt tevens een herziene inhoudsopgave opgenomen.
§ 4.19. Slotformulier
Aanwijzing 193
Voor het slotformulier van een (rijks)wet wordt het volgende model
gebruikt:
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad (, in het
Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het
Afkondigingsblad van Sint Maarten) zal worden geplaatst en dat alle
ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan
de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Aanwijzing 194
Voor het slotformulier van een algemene maatregel van (rijks)bestuur
wordt het volgende model gebruikt:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad (, in het Afkondigingsblad van Aruba, in
het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint
Maarten) zal worden geplaatst.
Aanwijzing 195
Voor het slotformulier van een koninklijk (rijks)besluit van
regelende aard, niet zijnde een algemene maatregel van bestuur, en van
een koninklijk (rijks)besluit betreffende de inwerkingtreding van een (rijks)wet
of een algemene maatregel van (rijks)bestuur wordt het volgende model
gebruikt:
Onze Minister van/voor ... is belast met de uitvoering van dit
besluit dat (met de daarbij behorende nota van toelichting) in het
Staatsblad (, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad
van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten) zal worden
geplaatst.
Toelichting:
Ook indien het besluit door een staatssecretaris is voorgedragen of
ondertekend, wordt in het slotformulier de minister met de uitvoering
belast.
Aanwijzing 196
1. Voor het slotformulier van een ministeriële regeling wordt het
volgende model gebruikt:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
2. Indien sprake is van een ministeriële rijksregeling, wordt het
volgende model gebruikt:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant, in het
Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in
het Afkondigingsblad van Sint Maarten worden geplaatst.
Toelichting:
De opdracht tot bekendmaking wordt dus niet in een artikel van de
regeling opgenomen. Indien de regeling geen toelichting bevat, wordt
vanzelfsprekend de zinsnede ‘met de toelichting’weggelaten.
Tweede lid: Indien de regeling niet voor in alle in het model
genoemde landen geldt, wordt de opdracht tot plaatsing aan die situatie
aangepast.
Aanwijzing 197 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 198 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 199
1. Indien een bij een (rijks)wet behorende bijlage door
terinzagelegging wordt bekendgemaakt, wordt voor het slotformulier het
volgende model gebruikt:
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad (, in het
Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in
het Afkondigingsblad van Sint Maarten) zal worden geplaatst, met
uitzondering van de bijlage(n) ..., die ter inzage wordt/worden gelegd
bij ..., en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen
houden.
2. Indien een bij een algemene maatregel van (rijks)bestuur
behorende bijlage door terinzagelegging wordt bekendgemaakt, wordt
voor het slotformulier het volgende model gebruikt:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad (, in het Afkondigingsblad van Aruba, in
het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint
Maarten) zal worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage(n) ...,
die ter inzage wordt/worden gelegd bij .....
3. Indien een bij een ministeriële (rijks)regeling behorende
bijlage door terinzagelegging wordt bekendgemaakt, wordt voor het
slotformulier het volgende model gebruikt:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant (, in het
Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in
het Afkondigingsblad van Sint Maarten) worden geplaatst, met
uitzondering van de bijlage(n) ..., die ter inzage wordt/worden gelegd
bij ....
Aanwijzing 200
De aanwijzingen 196 en 199 zijn van overeenkomstige toepassing op
andere regelingen dan wetten, algemene maatregelen van bestuur en
ministeriële regelingen.
§ 4.20. Ondertekening
Aanwijzing 201
1.Het aantal medeondertekenaars van een regeling wordt zoveel mogelijk
beperkt.
2.Een regeling wordt slechts ondertekend door de bewindspersoon of
bewindspersonen die belast is of zijn met de behartiging van een belang
dat de betrokken regeling beoogt te dienen.
3.Indien de uitvoering van de regeling geheel of in belangrijke mate
geschiedt door ambtenaren die ressorteren onder een andere
bewindspersoon dan de ondertekenaar of ondertekenaars krachtens het
tweede lid, wordt medeondertekening door die andere bewindspersoon
overwogen. Hetzelfde geldt indien de regeling deel gaat uitmaken van een
regeling die onder een andere bewindspersoon ressorteert.
4.Een coördinerende minister kan in gevallen waarin hij niet primair
verantwoordelijk is voor de regeling, medeondertekenen, indien die
regeling in betekenende mate raakt aan het beleidsterrein waarvoor de
coördinerende verantwoordelijkheid geldt.
5.Indien een regeling mede wijziging van een regeling betreft die
primair onder verantwoordelijkheid van een andere bewindspersoon valt,
wordt medeondertekening door die andere bewindspersoon overwogen.
Toelichting:
De ondertekening van een regeling brengt de verantwoordelijkheid voor de
voorbereiding en de inhoud van die regeling tot uitdrukking.
Ondertekening door een bewindspersoon die belast is met de behartiging
van een belang dat bij de regeling slechts van ondergeschikte aard is,
kan achterwege worden gelaten. Medeondertekening dient niet plaats te
vinden door bewindspersonen die verantwoordelijk zijn voor een belang
dat slechts door de regeling wordt geraakt. Zie voor de wijze waarop de
beleidsafstemming met die bewindspersonen moet plaatsvinden: aanwijzing
29. Indien het onderwerp van een regeling de portefeuilles van zowel de
minister als de staatssecretaris van het betrokken ministerie raakt, is
gezamenlijke ondertekening van de regeling door beiden niet nodig, maar
wel mogelijk.
Het derde lid heeft het oog op gevallen als het in het Wetboek van
Koophandel opnemen van bepalingen inzake de nationaliteit van
zeeschepen. Het derde lid is in overeenstemming met het uitgangspunt dat
niet onnodig tot introductie van nieuwe instrumenten van
overheidsingrijpen moet worden overgegaan en dat steeds lastenbeperking
moet worden nagestreefd (zie de aanwijzingen 7 en 14). Medeondertekening
van de desbetreffende regeling door de bewindspersoon onder wie de
uitvoerende dienst ressorteert, geeft dan uitdrukking aan zijn
verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de dienstuitvoering door het
bedoelde onderdeel.
Het is geen automatisme dat ministers die verantwoordelijk zijn voor de
totstandkoming van een bepaalde regeling ook verantwoordelijk zijn voor
wijziging van elk gedeelte van die regeling.
Anders dan bij wetsvoorstellen en algemene maatregelen van bestuur het
geval is, houdt de ondertekening van een ministeriële regeling de
vaststelling van die regeling in. Een ministeriële regeling kan dan ook
slechts worden ondertekend door de minister(s) aan wie terzake
regelgevende bevoegdheid is gedelegeerd.
Aanwijzing 202
Een wet of een koninklijk besluit wordt ondertekend door alle
voordragende personen, ook al zijn de voordracht en het eventuele nader
rapport slechts van één bewindspersoon, mede namens de anderen,
uitgegaan.
Aanwijzing 203
1.De ondertekening van een wet door een bewindspersoon brengt niet mee
dat die bewindspersoon ook alle uitvoeringsregelingen mede moet
voordragen en ondertekenen.
2.Het niet ondertekenen van een wet door een bewindspersoon sluit niet
uit dat die bewindspersoon als daartoe aanleiding is een of meer
uitvoeringsregelingen mede ondertekent.
Toelichting:
Welke minister of ministers een uitvoeringsregeling moeten voordragen of
ondertekenen, blijkt doorgaans uit de ondertekening van de delegerende
regeling en de aard van de materie of bij ministeriële regelingen uit
de delegatiebepaling (zie ook de aanwijzingen 29 en 30).
Aanwijzing 204
Bij een koninklijk besluit tot inwerkingtreding van een regeling kan
worden volstaan met voordracht en ondertekening door één
bewindspersoon.
Aanwijzing 205
1.Ondertekeningen worden geplaatst in deze volgorde:
a. de Minister-President;
b. de in het bijzonder bij de zaak betrokken minister(s) of
staatssecretaris(sen).
2.Bij gelijke mate van betrokkenheid is de volgorde van de hoofdstukken
van de rijksbegroting bepalend.
3.De Vice-Minister-President wordt alleen als zodanig aangeduid indien
hij ondertekent als vervanger van de Minister-President. Hij wordt dan
als eerste vermeld.
Aanwijzing 206
De Minister-President tekent als "De Minister-President, Minister
van Algemene Zaken" tenzij hij uitsluitend tekent als hoofd van
zijn ministerie. In dat geval tekent hij als "De Minister van
Algemene Zaken".
Toelichting:
De Minister-President kan op twee wijzen belast zijn met de behartiging
van een belang dat een regeling beoogt te dienen: uitsluitend als hoofd
van het Ministerie van Algemene Zaken (het gaat dan met name om interne
regelingen) of anderszins (in de regel externe regelingen). Ook in dat
laatste geval moet het gaan om een regeling voor de voorbereiding en
inhoud waarvan de Minister-President in het bijzonder
(mede)verantwoordelijk is (vgl. aanwijzing 201, tweede lid). Voorbeelden
zijn wijzigingen van de Grondwet, de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002 en aanwijzingen voor de rijksdienst.
Aanwijzing 207 [Vervallen per 01-01-2005]
Aanwijzing 208
Een minister die een andere minister bij tijdelijke afwezigheid
vervangt, tekent als "De Minister van/voor ...... a.i.,".
Toelichting:
In de vervangingsregeling in geval van tijdelijke afwezigheid van een
van de ministers, zoals deze bij het aantreden van elk nieuw kabinet bij
koninklijk besluit pleegt te worden vastgesteld, is bepaald dat een
minister bij tijdelijke afwezigheid wordt vervangen door de
staatssecretaris van hetzelfde ministerie, voorzover en voor zolang de
minister in de gelegenheid is om de staatssecretaris aanwijzingen
dienaangaande te geven. De staatssecretaris tekent ook in dat geval als
staatssecretaris, en dus niet als minister a.i. Deze aanwijzing heeft
derhalve alleen betrekking op die gevallen waarin een minister niet
wordt vervangen door een staatssecretaris maar door een andere minister.
Dat gebeurt bij gelijktijdige afwezigheid van een minister en de
staatssecretaris(sen) van hetzelfde ministerie, in het geval er geen
staatssecretaris van hetzelfde ministerie is en indien een minister door
ziekte of om een andere reden niet in de gelegenheid is zijn taak uit te
oefenen en aanwijzingen aan de staatssecretaris te geven.
De aanduiding a.i. blijft achterwege in de aanhef van een koninklijk
besluit dat is voorgedragen door een minister ad interim en in de aanhef
van een ministeriële regeling die door een minister ad interim wordt
getekend. De ondertekening van de voordracht geschiedt echter wel met de
aanduiding a.i.
Bij afwezigheid van een staatssecretaris tekent de minister. Bij een
ministeriële regeling wordt in dat geval, naast de aanduiding van de
ondertekening, ook de aanduiding van de bewindspersoon in de aanhef
aangepast. Bij een koninklijk besluit wordt de aanduiding van de
bewindspersoon in de aanhef slechts aangepast indien de afwezigheid van
de staatssecretaris heeft geleid tot ondertekening van het nader rapport
door de minister, dus niet in het geval de minister het besluit slechts
contrasigneert in plaats van de staatssecretaris.
Aanwijzing 208a
1.Bij een wijziging in de portefeuilleverdeling, een naamswijziging van
een ministerie of het vervallen van een functie in het kabinet, wordt de
aanduiding van de ondertekenende bewindspersoon in de tijdens de
parlementaire behandeling van een voorstel van wet in te dienen stukken
en in de vastgestelde wet dienovereenkomstig aangepast.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een algemene
maatregel van bestuur.
Toelichting:
De aanduiding van de ondertekenende bewindspersonen is geen vast
bestanddeel van de tekst van de genoemde stukken. De feitelijke
ondertekening kan derhalve van de eerder aangeduide afwijken. Indien het
een wetsvoorstel betreft is hiervoor geen nota van wijziging op het
voorstel nodig. Ook bij een algemene maatregel van bestuur kan men de
aanduiding van de ondertekenaar bij bijvoorbeeld het uitbrengen van het
nader rapport, aanpassen. Indien het nader rapport door een andere
bewindspersoon wordt ondertekend dan de voordracht, wordt dit in de
aanhef van het besluit tot uitdrukking gebracht (zie ook aanwijzing
208).
Het vervallen van een functie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien na
een kabinetswisseling op een bepaald ministerie geen staatssecretaris
meer wordt benoemd. De minister neemt dan de ondertekening over.
Aanwijzing 209
1.Een nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer en een
memorie van antwoord en een nota naar aanleiding van het eindverslag aan
de Eerste Kamer worden bij voorkeur alleen ondertekend door de
eerstverantwoordelijke bewindspersoon.
2.De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in
dat geval in de nota tot uitdrukking gebracht.
Aanwijzing 210
Een bij een regeling behorende bijlage die bekend wordt gemaakt door
terinzagelegging, wordt gewaarmerkt door daarop te vermelden:
‘Deze bijlage behoort bij ... (wet/besluit/regeling)’. De bijlage
wordt voorzien van ondertekening door het vaststellende orgaan of, in
het geval van een wet of een algemene maatregel van bestuur, door de
eerstverantwoordelijke minister of staatssecretaris.
Toelichting:
Een bijlage die samen met de regeling wordt gepubliceerd, behoeft niet
te worden ondertekend.
§ 4.21. Toelichting
Aanwijzing 211
1.Een wetsvoorstel wordt voorzien van een memorie van toelichting.
2.Een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van
regelende aard wordt voorzien van een nota van toelichting.
3.Een ministeriële regeling wordt voorzien van een toelichting, tenzij
dit gelet op de inhoud van de regeling niet nodig is.
Toelichting:
In deze aanwijzing wordt ervan uitgegaan dat een koninklijk besluit,
niet zijnde een algemene maatregel van bestuur, niet gebruikt wordt voor
het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften (zie aanwijzing
20). Tot de koninklijke besluiten van regelende aard zijn niet te
rekenen besluiten die wel van algemene strekking zijn maar geen
regelgeving bevatten, zoals inwerkingtredingsbesluiten.
Bij een ministeriële regeling kan een toelichting bij voorbeeld
achterwege blijven indien de regeling slechts technische voorschriften
bevat.
Aanwijzing 212
De toelichting bevat een verantwoording van de regeling. Daarbij komen,
voor zover ter zake, in ieder geval de volgende punten aan de orde:
a. de doelstellingen die worden nagestreefd en de te verwachten
(neven)effecten van de regeling, waaronder de mogelijke gevolgen voor de
positie van vrouwen en etnische minderheden alsmede voor de verwerking
van persoonsgegevens en voor de informatievoorziening van de
rijksoverheid;
b. de noodzaak tot overheidsinterventie bezien in relatie tot het
zelfregulerend vermogen in de betrokken sector of sectoren;
c. de overwogen varianten;
d. de uitvoerings- en handhavingsaspecten van de regeling, zoals de
keuze van het handhavingsstelsel en de mate waarin te verwachten is dat
de toepassing van de regeling aanleiding geeft tot conflicten;
e. de lasten voor de overheid, waaronder de lasten verbonden aan de
handhaving en rechtsbescherming en de lasten voor burgers, bedrijven en
instellingen;
f. de wijze waarop recht is gedaan aan het primaat van de wetgever,
alsmede een motivering van de keuze van de overheidslaag waaraan
bevoegdheden zijn toegedeeld;
g. de verhouding tot andere wetgeving en tot bestaande en komende
internationale regelingen en bindende EU-rechtshandelingen;
h. de positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de wijze waarop
rekening is gehouden met eventuele factoren waardoor die eilanden zich
wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland.
Toelichting:
De verantwoording betreft in hoofdzaak de toepassing die is gegeven aan
de aanwijzingen 6 tot en met 18, 21, 22, 24, 26, 35, 36, 38, 40, 42, en
47 tot en met 49. Het ligt overigens voor de hand dat een afwijking van
de aanwijzingen conform aanwijzing 5 op een wezenlijk punt in de memorie
van toelichting wordt gemotiveerd.
Wat het aangeven van lasten betreft wordt zoveel mogelijk gestreefd naar
kwantificering daarvan. Aangegeven wordt of en in hoeverre de belasting
van de met rechtspraak belaste instanties in verband met de handhaving
van de regeling en de rechtsbescherming ter zake van de toepassing wordt
beïnvloed.
Indien onzekerheid bestaat over precieze (financiële) omvang en
effecten op bij voorbeeld bedrijfsvoering of concurrentiepositie kan het
vermelden van bepaalde sleutelgegevens of scenario’s zeer illustratief
werken. Bij sleutelgegevens valt bij voorbeeld te denken aan aantal en
omvang van betrokken bedrijven, de kosten van de te treffen
voorzieningen per eenheid van het product of per bedrijf. Bij scenario’s
kan worden gedacht aan het weergeven van minimale en maximale effecten
bij bepaalde reëel te achten vooronderstellingen. Dergelijke methoden
zijn ook voor het aangeven van de kosten voor de overheid bruikbaar.
De onderhavige aanwijzing geldt voor ministeriële regelingen voor zover
deze zijn voorzien van een toelichting (zie aanwijzing 211, derde lid)
en voor zover de hierbedoelde punten niet in de toelichting op de hogere
regeling aan de orde zijn geweest.
Onderdeel h houdt verband met artikel 1, tweede lid,van het Statuut voor
het Koninkrijk.
Aanwijzing 213
1. Indien voor de totstandkoming van een regeling een bijzondere
procedure wettelijk is voorgeschreven, wordt aan het volgen daarvan in
de toelichting aandacht geschonken.
2. In de toelichting wordt vermeld welke adviescolleges en organisaties
van belanghebbenden ten aanzien van de regeling zijn gehoord.
3. Indien op hoofdpunten in een regeling wordt afgeweken van een
krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, wordt de reden
hiervan in de toelichting gemotiveerd.
Toelichting:
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de advisering door
de Afdeling advisering van de Raad van State. Zie hiervoor de
aanwijzingen 109 en 110.
Aanwijzing 214
De toelichting wordt niet gebruikt voor het stellen van nadere regels.
Toelichting:
De toelichting geeft een motivering en uitleg van de regeling maar mag
geen aanvullende normen bevatten. De te stellen normen worden in de
regeling zelf vastgelegd. Evenmin moet een toelichting gebruikt worden
voor een nadere omlijning van in de regeling voorkomende termen of
begrippen. Dit neemt niet weg, dat het in bepaalde gevallen wenselijk
kan zijn van in de regeling voorkomende termen of begrippen een nadere
verklaring te geven.
Aanwijzing 215
1.Indien een wetsvoorstel financiële gevolgen voor het Rijk bevat,
wordt in een afzonderlijk onderdeel van de memorie van toelichting dan
wel in een bijlage bij de memorie van toelichting aangegeven in welke
omvang daaraan hogere of lagere uitgaven of ontvangsten zullen zijn
verbonden.
2.In het in het eerste lid bedoelde overzicht wordt een onderscheid
gemaakt tussen programma- en uitvoeringskosten.
3.Indien op grond van compenserende maatregelen per saldo geen
budgettair effect te verwachten valt van een wetsvoorstel, dienen
eveneens de bruto financiële gevolgen in de memorie van toelichting te
worden vermeld.
4.Indien een wetsvoorstel geen financiële gevolgen heeft, dient dit
uitdrukkelijk uit de memorie van toelichting te blijken.
5.In de memorie van toelichting wordt tevens aangegeven of
respectievelijk in hoeverre de financiële gevolgen begrepen zijn in de
laatst ingediende begroting onderscheidenlijk in de ramingen voor de
vier op het begrotingsjaar volgende jaren.
6.Indien een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële
regeling leidt tot financiële gevolgen voor het Rijk wordt daaraan zo
nodig in de nota van toelichting, onderscheidenlijk in de toelichting
aandacht geschonken.
Toelichting:
Deze aanwijzing bevat onder meer de in artikel 16 van de
Comptabiliteitswet 2001 neergelegde verplichtingen inzake het
verschaffen van financiële informatie bij wetgeving. In dit verband zij
ook verwezen naar de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer met
betrekking tot dit onderwerp en de commentaren van de betrokken
bewindspersonen daarop (zie Kamerstukken II 1987/88, 20 485, nrs. 1-2,
blz. 21-51). Ook kan worden gewezen op de aanbevelingen en actiepunten
van de Commissie voor de Rijksuitgaven van de Tweede Kamer om de
controle op de verplichtingen tot het verschaffen van financiële
informatie te intensiveren (zie Kamerstukken II 1988/89, 21 121, nr. 1
(aanbeveling 4) en Kamerstukken II 1989/90, 21 121, nr. 4 (actiepunt 4).
Eerste lid: Gebruik kan worden gemaakt van het standaardformulier
"overzicht van de financiële gevolgen voor de
Rijksbegroting". Dit formulier kan geïntegreerd dan wel als
bijlage bij de memorie van toelichting worden opgenomen. Het verdient
daarbij aanbeveling aan te geven of en zo ja op welke wijze en wanneer
een financiële evaluatie van de wet ter hand zal worden genomen.
Tweede lid: Met programmakosten worden bedoeld kosten verbonden aan
beleidsontwikkeling.
Zesde lid: Het aangeven van de financiële gevolgen van een algemene
maatregel van bestuur of van een ministeriële regeling is niet nodig,
indien deze volledig bij de totstandkoming van de delegerende wet of
algemene maatregel van bestuur zijn behandeld dan wel de financiële
gevolgen uitdrukkelijk zijn voorzien in de laatst ingediende
begrotingswet.
Aanwijzing 216
1. Indien een wetsvoorstel leidt tot financiële gevolgen voor
decentrale overheden, wordt dit aangegeven in een afzonderlijk onderdeel
van de memorie van toelichting. Daarbij wordt onder meer ingegaan op de
uitvoering van artikel 105, derde lid, van de Provinciewet, artikel 108,
derde lid, van de Gemeentewet of artikel 136, derde lid, van de Wet
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, respectievelijk
artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet of artikel 87 van de Wet
financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2. Tevens wordt aangegeven via welke bekostigingswijze de in het eerste
lid bedoelde financiële gevolgen kunnen worden opgevangen.
3. Indien een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële
regeling leidt tot financiële gevolgen voor decentrale overheden, wordt
daaraan zo nodig in de nota van toelichting, onderscheidenlijk in de
toelichting aandacht geschonken.
Toelichting:
Ingevolge de genoemde artikelen van de Gemeentewet en de Provinciewet
vergoedt het Rijk de kosten van medebewindstaken voor zover deze ten
laste van gemeente respectievelijk provincie blijven. Artikel 2 van de
Financiële-verhoudingswet verplicht om bij een voorstel dat leidt tot
een wijziging in de uitoefening van taken door provincies en gemeenten
gekwantificeerd inzicht te geven in de financiële gevolgen en in de
wijze waarop deze kunnen worden opgevangen. Over de dekking van de
financiële gevolgen voor decentrale overheden van nieuwe of gewijzigde
taken dient overeenkomstig de artikelen 2 en 18 van de
Financiële-verhoudingswet tijdig overleg gevoerd te worden met de
Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van
Financiën.
Zie over het beoordelen van de gevolgen van een regeling voor decentrale
overheden ook aanwijzing 256a.
Derde lid: Zie de toelichting bij het zesde lid van aanwijzing 215.
Aanwijzing 217
1.De toelichting wordt verdeeld in een algemeen en in een artikelsgewijs
gedeelte, indien dit de toegankelijkheid bevordert.
2.Onderdelen van een toelichting worden genummerd, indien dit met het
oog op verwijzing wenselijk is.
Toelichting:
Bij omvangrijke regelingen kan het praktisch zijn een paragraaf
Hoofdlijnen op te nemen. Deze paragraaf kan een korte schets bevatten
van de strekking van de regeling, het probleem, de (politieke)
doelstelling, de gekozen oplossing en de systematiek van de regeling.
Uitgebreide historische beschouwingen blijven, tenzij onontbeerlijk,
achterwege. Een artikelsgewijze toelichting is met name nuttig bij
noodzakelijkerwijs uitgebreide en (technisch) complexe regelingen. Bij
eenvoudige regelingen kan worden volstaan met een verwijzing naar de
artikelen in het algemeen deel van de toelichting. Het is overbodig in
de toelichting een parafrase van de artikelen of een mededeling dat een
artikel geen toelichting behoeft, op te nemen.
Aanwijzing 218
1.In een toelichting wordt heldere en bondige taal gebruikt en een
logische indeling gevolgd.
2.De paragrafen 3.1, 3.3 en 3.4 van deze aanwijzingen zijn voor de
formulering van een toelichting van overeenkomstige toepassing, voor
zover zij verenigbaar zijn met de aard van een toelichting.
Toelichting:
Enige aandachtspunten voor helder en bondig taalgebruik zijn, in
aanvulling op hetgeen hierover in de paragrafen 3.1, 3.3 en 3.4 is
opgemerkt:
- vermijden van onnodige woorden in een zin;
- zinnen zo veel mogelijk in de bedrijvende vorm redigeren;
- vermijden van de aanvoegende wijs;
- consistentie in woordkeus en spelling;
- vermijden van jargon en zeer technische termen;
- formuleren in korte zinnen, vermijden van lange bijzinnen.
Aanwijzing 219
Verwijzing in een toelichting naar andere stukken geschiedt door een
nauwkeurige aanduiding van de vindplaats.
Aanwijzing 220
Bij het redigeren van een nota van toelichting bij een algemene
maatregel van bestuur of een toelichting bij een ministeriële regeling
wordt ervan uitgegaan dat de betrokken regeling al is vastgesteld.
Toelichting
Gelet op de aard van een wetsvoorstel geldt dit niet voor een memorie
van toelichting en toelichtingen bij nota’s van wijziging.
Aanwijzing 221
1.Bij de voordracht tot een voorstel van wet of een algemene maatregel
van bestuur "mede namens" andere bewindspersonen wordt de
memorie of de nota van toelichting bij voorkeur alleen door de
eerstverantwoordelijke bewindspersoon ondertekend.
2)De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in
dat geval in de toelichting tot uitdrukking gebracht.
Toelichting
Zie toelichting bij de aanwijzingen 110 en 111.
Deze aanwijzing geldt ook voor de ondertekening van de memorie van
toelichting bij een voorstel van wet tot goedkeuring van een verdrag en
van de toelichtende nota in geval van stilzwijgende goedkeuring van een
verdrag (zie aanwijzingen 313 en 322).
Aanwijzing 222
1. Een memorie van toelichting, een toelichting op een nota van
wijziging, een nota van toelichting en een toelichting op een
ministeriële regeling worden ondertekend.
2. Een memorie van toelichting, in voorkomend geval een toelichting op
een nota van wijziging en een nota van toelichting worden ondertekend na
de behandeling van het betrokken voorstel in de ministerraad en voordat
het aan het Kabinet der Koningin wordt toegezonden voor advies van de
Afdeling advisering van de Raad van State.
Hoofdstuk 5. Wijziging en intrekking van regelingen
§ 5.1. Wijziging van regelingen
Aanwijzing 223
Wijziging van een regeling geschiedt door een regeling van gelijke orde.
Toelichting:
Deze aanwijzing ziet mede op de een enkele maal in de praktijk
toegepaste techniek dat in een wijzigingswet tevens een met het
onderwerp van de wetswijziging nauw verbonden wijziging van een algemene
maatregel van bestuur wordt vastgesteld. Deze werkwijze is onwenselijk,
omdat zij onduidelijkheid kan opleveren over de status van een aldus
gewijzigde bepaling van een algemene maatregel van bestuur. Zie ook de
aanwijzingen 34 en 241.
Aanwijzing 223a
Indien een regeling strekt tot wijziging van een aantal regelingen,
kunnen de wijzigingsbepalingen worden geplaatst:
a. in alfabetische volgorde van de te wijzigen regelingen;
b. in volgorde naar het eerstverantwoordelijke ministerie waaronder de
te wijzigen regelingen ressorteren;
c. in volgorde naar omvang of aard van de wijziging.
Toelichting:
Er bestaat geen bepaalde voorkeur voor een van deze varianten. Bij
variant a is het eerste woord van de (citeer)titel van de regeling
bepalend. Bij variant b wordt de volgorde van de hoofdstukken van de
rijksbegroting gevolgd. Bij variant c kan gedacht worden aan het eerst
opnemen van de meer inhoudelijke wijzigingen in de betrokken wet en
daarna van de daaruit voortvloeiende technische aanpassingen in andere
wetten, zoals de Wet op de economische delicten.
Aanwijzing 224
Indien het voornemen bestaat in een regeling een omvangrijke wijziging
aan te brengen, wordt overwogen de regeling in te trekken en een nieuwe
regeling vast te stellen.
Aanwijzing 225
Indien de vaststelling van een nieuwe regeling een groot aantal
wijzigingen in bestaande regelingen nodig maakt, wordt overwogen deze
wijzigingen in een afzonderlijke regeling onder te brengen.
Toelichting:
De afzonderlijke regeling kan een aanpassings- of invoeringsregeling
zijn. Een aanpassingsregeling strekt alleen tot aanpassing van andere
regelingen aan de nieuwe regeling. Een invoeringsregeling voorziet ook
in de inwerkingtreding van de nieuwe regeling en eventueel in
overgangsbepalingen.
Aanwijzing 226
Het opschrift en de aanhef van een regeling worden niet gewijzigd.
Toelichting:
Het opschrift en de aanhef van een regeling vormen met het slotformulier
het deel van de regeling dat een eenmalige, aan het tijdstip van
totstandkoming gebonden, betekenis heeft. Dit deel, en dus ook de
considerans van een wet en de passage "Gelet op ..." in de
aanhef van een andere regeling, kan bij een latere wijziging van de
regeling niet meer worden gewijzigd. Indien de strekking van een wet
wordt gewijzigd, kan dit tot uitdrukking worden gebracht in het
opschrift en de considerans van de wet die in de wijziging voorziet. Wel
dient in het oog gehouden te worden dat bij wijziging van een
wetsvoorstel aanpassing van het opschrift en de considerans noodzakelijk
kan zijn. Dit kan geschieden bij nota van wijziging, maar het opschrift
kan ook op eenvoudiger wijze worden gewijzigd, bijvoorbeeld door een
opmerking in de nota naar aanleiding van het verslag. Het opschrift en
de considerans zijn ook vatbaar voor amendering.
Aanwijzing 227
1. Indien een gewijzigde dan wel nieuwe regeling een nieuwe grondslag
biedt aan bestaande uitvoeringsregelingen kan een bepaling
overeenkomstig het volgende model worden opgenomen:
Na de inwerkingtreding van deze wet berust het/de ...... (betrokken
uitvoeringsregeling) op artikel ...... (de nieuwe delegatiebepaling) van
deze wet.
2. Indien het wenselijk is dat niet in de hogere regeling, maar in de
uitvoeringsregeling de nieuwe grondslag wordt vermeld, kan een bepaling
overeenkomstig het volgende model worden opgenomen:
Dit besluit/Deze regeling berust op artikel/de artikelen ...... van
...... (titel delegerende wet/delegerend besluit).
3. Indien een regeling een nieuwe grondslag biedt aan een bestaande
uitvoeringsregeling of indien een uitvoeringsregeling wordt gewijzigd
met gebruikmaking van een nieuwe grondslag, wordt in de toelichting bij
die regeling een overzicht opgenomen van de verschillende onderdelen van
de integrale uitvoeringsregeling en de grondslagen waarop zij berusten.
Toelichting:
De bepalingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn wenselijk in
die gevallen waarin bestaande uitvoeringsregelingen een nieuwe
wettelijke grondslag krijgen en daarover onduidelijkheid kan bestaan.
Zie voor een voorbeeld van het tweede lid: artikel 1, tweede lid, van
het Besluit stikstofcorrectie Meststoffenwet.
Derde lid: Een dergelijk overzicht kan bij voorkeur in de vorm van een
tabel in de toelichting worden opgenomen. Interne regelingen worden niet
omgehangen. Immers, een interne regeling is geen algemeen verbindend
voorschrift en hoeft geen wettelijke basis te hebben.
Aanwijzing 228
Bij wijziging van een regeling kunnen bestaande bepalingen strekkende
tot wijziging van andere regelingen en andere uitgewerkte bepalingen van
die regeling vervallen.
Toelichting:
Het doen vervallen verdient in het bijzonder aanbeveling indien bij
wijziging van een regeling tevens opdracht wordt gegeven tot plaatsing
van de integrale actuele tekst van de regeling (zie aanwijzing 246,
tweede lid).
Bij uitgewerkte bepalingen kan gedacht worden aan overgangs- en
inwerkingtredingsbepalingen.
Aanwijzing 229
Bij complexe wijzigingsvoorstellen wordt ter verduidelijking van de
voorgestelde wijzigingen in een wet of algemene maatregel van bestuur,
een vergelijkend overzicht van de te wijzigen bepalingen en de
voorgestelde bepalingen aan de Afdeling advisering van de Raad van
State, respectievelijk aan de Tweede en Eerste Kamer gezonden.
Toelichting:
Dit overzicht kan een apart stuk zijn, dan wel in of als bijlage bij de
memorie of nota van toelichting worden opgenomen. Ook in een later
stadium van de behandeling van een wetsvoorstel (bij indiening van een
nota van wijziging) kan een vergelijkend overzicht nuttig zijn. Indien
er sprake is van een voorontwerp van wet kan dit ook in zo'n overzicht
worden betrokken.
Aanwijzing 230
Bij wijziging van een regeling wordt de formule "laatstelijk
gewijzigd bij ......" niet in het lichaam van de wijzigingsregeling
opgenomen.
Aanwijzing 231
Bij wijziging van een bepaling wordt ten minste een gehele lees- of
begripseenheid vervangen door een nieuwe lees- of begripseenheid.
Toelichting:
Een wijziging luidt dus niet: ‘Buitenlandse’ wordt vervangen door:
Algemene, maar ‘Ministerie van Buitenlandse Zaken’wordt vervangen
door: Ministerie van Algemene Zaken.
Aanwijzing 232
Het beëindigen van de gelding van een gehele regeling wordt aangeduid
met het werkwoord "intrekken", het schrappen van een artikel
of ander onderdeel van een regeling met het werkwoord "
vervallen"
Voorbeelden:
- De Wet rampenplannen wordt ingetrokken.
- Artikel 25, tweede lid, vervalt.
Toelichting:
Een uitzondering op deze aanwijzing betreft het geval waarbij de gelding
van een gehele regeling van rechtswege wordt beëindigd. In dat geval
spreekt men wel van het "vervallen" van de regeling (vgl.
aanwijzing 181, model B).
Aanwijzing 233
1.Vervanging van een tekst in een regeling wordt vorm gegeven met de
uitdrukking, "wordt vervangen door:" of, voor zover dit
taalkundig mogelijk is, met de uitdrukking "komt te luiden:".
2.Het te vervangen tekstgedeelte wordt tussen aanhalingstekens
geplaatst. Dit gebeurt niet met de nieuwe tekst, tenzij dit voor de
duidelijkheid nodig is.
3.Indien een artikel of onderdeel daarvan wordt vervangen, begint de
nieuwe tekst met de aanduiding van het artikel of het onderdeel.
Voorbeelden:
a. In artikel 5, derde lid, wordt "Omroepraad" vervangen door:
Mediaraad.
b. Artikel 7 komt te luiden:
Artikel 7
Regels over snelheidsbegrenzingen kunnen slechts worden gegeven bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur.
c. Artikel 18, derde lid, komt te luiden:
3.De in het eerste lid, onder a, bedoelde deskundigen worden door Onze
Minister aangewezen.
Toelichting:
Uit taalkundig oogpunt komt bij vervanging van een of meer woorden
alleen de uitdrukking "wordt vervangen door" in aanmerking.
Dit is ook het geval als bijvoorbeeld één artikel door twee artikelen
wordt vervangen.
De aan het slot van het tweede lid bedoelde uitzondering kan zich
voordoen, indien in één volzin twee of meer tekstwijzigingen zijn
opgenomen. In dat geval wordt achter "wordt vervangen door" of
"komt te luiden" geen dubbele punt geplaatst.
Aanwijzing 234
1. Een regeling die slechts betrekking heeft op wijziging of intrekking
van een of meer bestaande regelingen, wordt ingedeeld in artikelen met
Romeinse cijfers.
2. Indien een nieuwe regeling tevens strekt tot wijziging van bestaande
regelingen, worden ook de wijzigingsbepalingen genummerd met Arabische
cijfers.
3. In een omvangrijke aanpassings- of invoeringsregeling waarin
regelingen van verschillende ministeries worden gewijzigd, kan voor een
andere nummering worden gekozen.
Toelichting:
Indien een regeling als bedoeld in het eerste lid overgangsbepalingen
bevat, worden deze ook met Romeinse cijfers genummerd.
Bij omvangrijke aanpassings- of invoeringsregelingen waarin regelingen
van verschillende ministeries worden gewijzigd, kan uit het oogpunt van
overzichtelijkheid reden zijn voor een andere wijze van nummering.
Gebruikelijk is in dat geval een opzet waarin voor elk ministerie een
afzonderlijk hoofdstuk wordt opgenomen en binnen elk hoofdstuk voor
iedere te wijzigen regeling een met Arabische cijfers genummerd artikel
wordt gebruikt. Zie bijvoorbeeld de Wet Invoering en financiering Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Zie met betrekking tot een aanpassings- of invoeringsregeling ook
aanwijzing 225.
Aanwijzing 235
1.In een wijzigingsregeling en in slotbepalingen van een nieuwe regeling
wordt voor iedere te wijzigen regeling een artikel gebruikt.
2.Binnen een afzonderlijk artikel worden de verschillende wijzigingen
van een regeling aangeduid met hoofdletters.
3.In het geval, bedoeld in het tweede lid, worden de verschillende
wijzigingen in een artikel van een regeling aangeduid met Arabische
cijfers of kleine letters.
Voorbeeld:
Artikel I
Het Besluit Raad voor de Kunst 1977 wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel 3, tweede lid, onderdeel b, wordt de zinsnede
"bedoeld in het derde lid van artikel 16 van de wet" vervangen
door: bedoeld in artikel 17a van de wet.
B. De artikelen 5 en 6 vervallen.
Toelichting:
Worden in een regeling meer wijzigingen aangebracht dan het alfabet
letters telt, dan geschiedt de aanduiding van de volgorde verder met een
combinatie van hoofdletters.
Aanwijzing 236
1.De nummering van bij wijziging ingevoegde artikelen geschiedt door
toevoeging aan bestaande artikelnummers van a, b enzovoort.
2.Een eenmaal aangevangen wijze van nummering wordt voortgezet.
Toelichting:
De nummering, bedoeld in het eerste lid, geschiedt dus niet met 1bis,
1ter en dergelijke, tenzij een zodanige nummering al is ingezet.
Aanwijzing 237
Bij wijziging van regelingen waarvan de leden van de artikelen niet zijn
genummerd, kan alsnog nummering plaatsvinden, maar alleen indien de
leden van alle artikelen van een hoofdstuk, titel, afdeling of paragraaf
worden genummerd.
Toelichting:
Aan een nieuw lid dat opgenomen wordt in een artikel zonder genummerde
leden, wordt dus geen nummer gegeven.
Aanwijzing 238
1. Bij wijziging van regelingen worden artikelen, boeken, delen,
hoofdstukken, titels, afdelingen en paragrafen niet vernummerd, tenzij
dit noodzakelijk is.
2. De leden van een artikel, alsmede de met een letter aangeduide
artikelonderdelen worden wel vernummerd, onderscheidenlijk opnieuw
geletterd, tenzij daartegen overwegend bezwaar bestaat.
3) Het vernummeren of invoegen van een artikellid geschiedt
overeenkomstig de volgende voorbeelden:
A) Het eerste tot en met derde lid worden vernummerd tot tweede tot en
met vierde lid.
B) Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid
ingevoegd, luidende:
2) ...
4) Het wijzigen van de aanduiding van een artikelonderdeel of het
invoegen of toevoegen van een artikelonderdeel geschiedt overeenkomstig
de volgende voorbeelden:
A)
1)) De onderdelen c tot en met f worden geletterd d tot en met g.
2)) Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
c) ....
B)
Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een
puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
e) ....
C)
In onderdeel c vervalt ”, of”. Onder vervanging van de punt aan het
slot van onderdeel d door “, of” wordt een onderdeel toegevoegd,
luidende:
e) ....
5) Het toevoegen van een of meer leden aan een artikel dat nog niet uit
leden bestaat, geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld:
1)) Voor de tekst wordt de aanduiding ’1.’ geplaatst.
2)) Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2 ....
6) Het wijzigen van een uit leden bestaand artikel tot een artikel dat
niet uit leden bestaat, geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld:
Het tweede lid alsmede de aanduiding ’1.’ voor het eerste lid
vervallen.
7. Indien een lid of onderdeel in één wijzigingsregeling zowel wordt
gewijzigd als vernummerd of anders geletterd, wordt dat lid of onderdeel
ten behoeve van die wijziging aangeduid met de nieuwe nummering
onderscheidenlijk lettering, met toevoeging van de vermelding ‘(nieuw)’.
Aanwijzing 239
In een overgangsbepaling ter zake van een wijziging van een voorschrift
wordt verwezen naar het gewijzigde voorschrift en niet naar de
wijzigingsbepaling.
Toelichting:
Deze aanwijzing is het best toe te lichten aan de hand van een
voorbeeld:
In artikel I, onder C, van een wijzigingsregeling wordt een nieuw
artikel 8a ingevoegd, dat een beperking bevat van aanspraken die in
artikel 8 aan een bepaalde groep van personen worden gegeven. Die
beperking moet tot 1 januari 2004 niet gelden voor personen uit de groep
die zijn geboren voor 1 januari 1930. De betrokken overgangsbepaling van
de wijzigingsregeling moet dan niet luiden: ‘Artikel I, onder C, geldt
tot 1 januari 2004 niet voor personen die geboren zijn voor 1 januari
1930.’, maar: ‘Artikel 8a van (aanduiding gewijzigde regeling) geldt
tot 1 januari 2004 niet voor personen die geboren zijn voor 1 januari
1930.’.
§ 5.2. Intrekken en vervallen van regelingen
Aanwijzing 240
Bij vervanging van een regeling door een nieuwe regeling wordt de oude
regeling uitdrukkelijk ingetrokken.
Toelichting:
Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege
worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling
ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.
Vermeden wordt een formulering als: "wordt opnieuw vastgesteld als
volgt".
Aanwijzing 241
1.Intrekking van een regeling geschiedt door een regeling van gelijke
orde.
2.Intrekking door een regeling van hogere orde komt alleen in
aanmerking, indien de in te trekken lagere regeling niet wordt vervangen
door een lagere regeling van gelijke orde.
Toelichting:
Intrekking door een regeling van lagere orde is slechts mogelijk, indien
de in te trekken regeling daarin uitdrukkelijk voorziet. Intrekking op
deze wijze is in het algemeen onwenselijk. Zie ook aanwijzing 34.
Aanwijzing 242
Intrekking van een regeling geschiedt overeenkomstig het volgende
voorbeeld:
De Vuurwapenwet 1919 wordt ingetrokken.
Toelichting:
Bij intrekking van meer regelingen dienen deze elk afzonderlijk te
worden aangeduid. Intrekking door middel van een algemene formule is
niet toegestaan.
Intrekking van een regeling met uitzondering van een of meer artikelen
is niet mogelijk. In dat geval moet of voor wijziging worden gekozen of
voor onderbrenging van de overgebleven artikelen in een nieuwe regeling.
Aanwijzing 243
Intrekking van een regeling brengt mee dat de op die regeling gebaseerde
uitvoeringsregelingen van rechtswege vervallen, tenzij voor die
regelingen een nieuwe wettelijke grondslag in het leven wordt geroepen
of een grondslag bestaat in een andere regeling.
Toelichting:
Uitvoeringsregelingen van een ingetrokken wet behoeven dus niet
uitdrukkelijk te worden ingetrokken. Zie ook aanwijzing 227.
Er wordt een opsomming van de van rechtswege vervallende
uitvoeringregelingen opgenomen in de memorie van toelichting bij de
intrekkingswet of in de nota van toelichting bij een eventuele algemene
maatregel van bestuur die voortvloeit uit de intrekkingswet. Deze
aanwijzing heeft enkel betrekking op het intrekken van een gehele
regeling en het vervallen van rechtswege van gehele
uitvoeringsregelingen.
Aanwijzing 244
1.Een regeling die terstond is uitgewerkt nadat zij in werking is
getreden, wordt niet ingetrokken.
2.Evenmin wordt in een dergelijke regeling voorzien in het vervallen van
de regeling.
Toelichting
Voorbeelden van regelingen waarop deze aanwijzing betrekking heeft,
zijn:
– wetten tot goedkeuring van verdragen;
– wetten inzake gemeentelijke of provinciale herindeling;
– machtigingswetten tot oprichting van een privaatrechtelijke
rechtspersoon door de Staat (artikel artikel 34, vierde lid,
Comptabiliteitswet 2001);
– wetten inzake overdracht van beheer en onderhoud van
waterstaatswerken (artikel 1, eerste lid, van de Waterstaatswet 1900).
Eveneens vloeit uit deze aanwijzing voort dat wijzigingsregelingen niet
voor intrekking of verval in aanmerking komen, tenzij daarin
overgangsbepalingen staan, die niet onmiddellijk zijn uitgewerkt.
Op grond van deze aanwijzing komen wel voor intrekking in aanmerking
regelingen die bijvoorbeeld betrekking hebben op een financiële
aanspraak over een bepaalde periode, zoals de verstrekking van een
eenmalige uitkering over een bepaald jaar. In beginsel behoort overigens
in dergelijke regelingen, die per definitie een tijdelijk karakter
hebben, een horizonbepaling te worden opgenomen (zie aanwijzing 181 en
het in de toelichting bij aanwijzing 182, onder a, genoemde voorbeeld).
Aanwijzing 245
1.Het intrekken van een regeling waarbij wijzigingen in een andere
regeling zijn aangebracht, maakt die wijzigingen niet ongedaan.
2.Een ingetrokken regeling of een vervallen bepaling herleeft niet door
intrekking van de regeling, krachtens welke zij is ingetrokken of
vervallen.
Toelichting:
Is een regeling eenmaal vervallen, dan kan zij alleen door hernieuwde
vaststelling, eventueel met terugwerkende kracht, weer herleven.
Hiervan is te onderscheiden de situatie dat niet een regeling is
vervallen maar een bevoegdheid in een overigens van kracht blijvende
regeling. In dat geval kan door wijziging van deze regeling de vervallen
bevoegdheid met terugwerkende kracht weer in het leven geroepen worden.
§ 5.3. Publicatie van tekst van gewijzigde regelingen
Aanwijzing 246
1. Na wijziging van een regeling wordt geen integrale tekst van die
regeling in het Staatsblad of de Staatscourant geplaatst.
2. In afwijking van het eerste lid kan een integrale tekst worden
geplaatst, indien het gewenst is tevens tot vernummering van de gehele
gewijzigde regeling over te gaan, of de tekst van de gewijzigde regeling
die in oude spelling is geformuleerd, over te brengen naar de geldende
spelling. In die gevallen wordt daartoe een bepaling opgenomen in de
wijzigingsregeling. Deze bepaling luidt overeenkomstig het volgende
model:
De tekst van ...... (aanduiding van de betrokken wet, algemene maatregel
van bestuur of ministeriële regeling) wordt in het Staatsblad/de
Staatscourant geplaatst.
3. Ingeval van vernummering wordt aan het model, bedoeld in het tweede
lid, toegevoegd:
Voor de plaatsing in het Staatsblad/de Staatscourant stelt Onze/de
Minister (van/voor...) de nummering van de artikelen (, hoofdstukken en
paragrafen) van …… (aanduiding van de betrokken regeling) opnieuw
vast en brengt hij de in deze wet/dit besluit/deze regeling voorkomende
aanhalingen van de artikelen (, hoofdstukken en paragrafen) met de
nieuwe nummering in overeenstemming.
4. Ingeval van overbrenging in de geldende spelling wordt aan het model,
bedoeld in het tweede lid, toegevoegd:
Voor de plaatsing in het Staatsblad/de Staatscourant wordt de tekst door
Onze/de Minister (van/voor...) overgebracht in de geldende spelling.
Toelichting:
Integrale (geconsolideerde) teksten van regelingen worden reeds
gepubliceerd via het overheidswettenbestand (www.wetten.nl). In de
uitzonderingsgevallen waarin plaatsing van een integrale tekst gewenst
is, draagt de Minister van Veiligheid en Justitie zorg voor plaatsing
daarvan in het Staatsblad, waarbij de voor de regeling
(eerst)verantwoordelijke bewindspersoon zorg draagt voor de juistheid
van de tekst. De gewijzigde tekst van de regeling wordt tegelijk met de
wijzigingsregeling aan de Minister van Veiligheid en Justitie
toegezonden, zodat de plaatsing in het Staatsblad van de
wijzigingsregeling en de integrale tekst zo mogelijk in opeenvolgende
nummers geschiedt. Voor plaatsing van de integrale tekst van een
regeling in de Staatscourant wordt zorg gedragen door de voor die
regeling (eerst)verantwoordelijke bewindspersoon.
Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor plaatsing van een integrale tekst
van een regeling in een ander publicatieblad, bijvoorbeeld voor de
plaatsing van de tekst van een rijkswet of algemene maatregel van
rijksbestuur in het Afkondigingsblad van Aruba, het Publicatieblad van
Curaçao of het Afkondigingsblad van Sint Maarten. Bij rijkswetten en
algemene maatregelen van rijksbestuur moet men er wel op bedacht zijn
dat de bekendmaking van een integrale tekst niet geschiedt bij besluit
van de Minister van Veiligheid en Justitie, maar bij koninklijk besluit,
op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
Indien bij een omvangrijke regeling de wijzigingen tot een bepaald
gedeelte van de regeling beperkt blijven, kan volstaan worden met
tekstplaatsing van dat deel van de regeling.
Verbeteringen in de tekst van een regeling kunnen bij een integrale
tekstplaatsing niet worden aangebracht.
Aanwijzing 247 [Vervallen per 01-01-2005]
§ 5.4. Wijziging van wetsvoorstellen
Aanwijzing 248
1.Door de regering gewenste veranderingen in door haar ingediende
voorstellen van wet krijgen de vorm van een nota van wijziging.
2.Het opstellen van een nota van wijziging geschiedt overeenkomstig de
aanwijzingen 231 tot en met 233 en 236.
3)In het opschrift worden een tweede, derde en volgende nota van
wijziging als zodanig aangeduid.
4.De aanhef van een nota van wijziging luidt: Het voorstel van wet wordt
als volgt gewijzigd:
5.Een nota van wijziging wordt niet ingedeeld in artikelen. De
onderdelen worden met Arabische cijfers of hoofdletters aangeduid. Een
eventuele verdere onderverdeling geschiedt met de letters a, b, c
enzovoort.
Toelichting:
Bij nota van wijziging kunnen behalve het lichaam van het wetsvoorstel
ook het opschrift en de considerans worden gewijzigd.
Bij een nota van wijziging wordt uitgegaan van de meest recente tekst
van het wetsvoorstel, dus inclusief eventueel bij eerdere nota van
wijziging aangebrachte wijzigingen. De aanhef van een nota van wijziging
dient dus niet te luiden: "Het gewijzigde voorstel van wet wordt
als volgt gewijzigd:".
Van een nota van verbetering kan alleen sprake zijn, als het gaat om het
herstellen van afwijkingen tussen de ingediende en de gedrukte tekst van
een Kamerstuk. Een nota van verbetering wordt uitgebracht door het
Bureau wetgeving van de Tweede Kamer, respectievelijk de griffie van de
Eerste Kamer.
Aanwijzing 248a
Een nota van wijziging met inhoudelijke betekenis die tijdens de
schriftelijke behandeling van een wetsvoorstel wordt ingediend, wordt
ter toetsing voorgelegd aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie.
Toelichting
Zie over de toetsing van ontwerpregelgeving door de sector
Wetgevingskwaliteitsbeleid van de directie Wetgeving van het Ministerie
van Veiligheid en Justitie ten algemene: aanwijzing 254.
Om tijdsverlies in de wetgevingsprocedure te voorkomen en vanwege de
soms krappe termijnen tijdens de mondelinge behandeling, beperkt deze
toetsing zich tot nota’s van wijziging met inhoudelijke betekenis in
de fase van schriftelijke behandeling van een wetsvoorstel. Onderdeel
van de toetsing is de vraag of de nota van wijziging ingrijpend is en
dientengevolge aan de ministerraad moet worden voorgelegd, met het oog
op het vragen van advies daarover aan de Afdeling advisering van de Raad
van State (zie ook aanwijzing 277, tweede lid).
Aanwijzing 249
Indien de regering een ingediend amendement overneemt, blijft de
indiening van een nota van wijziging ter zake achterwege.
Toelichting:
Een amendement kan pas worden overgenomen, nadat is gebleken dat het
niet vanuit de kamer wordt bestreden. Overneming pleegt eerst in de
tweede termijn van de kamer of tijdens de artikelsgewijze behandeling
plaats te vinden. De voorzitter van de kamer overtuigt zich ervan dat
geen lid van de kamer tegen de overneming bezwaren heeft en constateert
vervolgens dat het amendement is overgenomen.
Aanwijzing 250
Tijdens de behandeling van een wetsvoorstel door de Tweede Kamer wordt
geen wijziging aangebracht in de nummering van de artikelen, tenzij dit
onvermijdelijk is.
Toelichting:
Tussentijdse wijziging in de nummering van een wetsvoorstel kan
noodzakelijk zijn, indien een in te voegen artikel anders niet op
praktische wijze van een nummer kan worden voorzien. Ingevolge artikel
106 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
is de voorzitter van de Tweede Kamer bevoegd een wetsvoorstel na
aanneming door de Tweede Kamer te vernummeren (zie ook aanwijzing 251).
Leden van artikelen worden bij wijziging van een wetsvoorstel wèl
vernummerd.
Aanwijzing 251
1. Indien er de voorkeur aan wordt gegeven dat de
(eerst)verantwoordelijke bewindspersoon en niet de voorzitter van de
Tweede Kamer zorg draagt voor een doorlopende nummering van een wet,
wordt dit bepaald overeenkomstig het volgende model:
Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister
van/voor ... de nummering van de artikelen (, hoofdstukken en
paragrafen) van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet
voorkomende aanhalingen van de artikelen (, hoofdstukken en paragrafen)
met de nieuwe nummering in overeenstemming.
2. In dat geval geschiedt de vaststelling van de nieuwe nummering en het
daarmee in overeenstemming brengen van de desbetreffende aanhalingen bij
een door de betrokken bewindspersoon vastgesteld en ondertekend besluit
overeenkomstig het volgende model:
De Minister van/voor ... /de Staatssecretaris van ...,
Gelet op artikel ... (bepaling overeenkomstig het in het eerste lid
gegeven voorbeeld);
Besluit:
Enig artikel
Overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage wordt de nummering
van de artikelen (, hoofdstukken en paragrafen) van de ... (citeertitel
van de wet) opnieuw vastgesteld en worden de in die wet voorkomende
aanhalingen van de artikelen (, hoofdstukken en paragrafen) met de
nieuwe nummering in overeenstemming gebracht.
Toelichting:
Eerste lid: Vooral bij omvangrijke nieuwe wetten kan het de voorkeur
verdienen dat de doorlopende nummering eerst na de afronding van de
parlementaire behandeling door beide kamers wordt aangebracht. Indien de
onderhavige bepaling wordt opgenomen, impliceert dit dat de voorzitter
van de Tweede Kamer geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot
vernummering, behoudens wat de leden van artikelen betreft (artikel 106
Reglement van Orde van de Tweede Kamer).
Tweede lid: Als bijlage bij het besluit wordt opgenomen een kopie van
het origineel van de wet, waarop zijn aangegeven de wijzigingen die
voortvloeien uit de bevoegdheid van de minister om de nummering van en
verwijzingen naar artikelen e.d. aan te passen. Het besluit en de
bijlage moeten aan het Bureau Kabinetszaken van het Ministerie van
Veiligheid en Justitie worden toegezonden tezamen met de gebruikelijke
stukken die bij het verzoek om plaatsing in het Staatsblad aan deze
afdeling moeten worden toegezonden.
Aanwijzing 252
Indien het gewenst is ten aanzien van een wetsvoorstel tijdens of na de
behandeling in de Eerste Kamer maar voor de bekrachtiging door de
Koningin een wijzigingsvoorstel in te dienen, wordt dit voorstel
geformuleerd overeenkomstig het volgende model:
Artikel I
Indien het bij koninklijke boodschap van ...... (datum) ingediende
voorstel van wet ...... (opschrift en Kamerstuknummer) tot wet wordt
verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd: ......
Toelichting:
Een wijzigingswet als in deze aanwijzing bedoeld wordt een novelle
genoemd. Zie met betrekking tot de inwerkingtreding van dergelijke
wetten aanwijzing 180, modellen F en G. Zie aanwijzing 89a, tweede lid,
voor de wijze waarop bij de toepassing van het model de verwijzing naar
het Kamerstuknummer wordt vormgegeven.
Aanwijzing 253
1.Een nota van wijziging wordt van een toelichting voorzien.
2.Betreft het een nota van wijziging die tegelijk met een nota naar
aanleiding van het verslag wordt ingediend, dan kan ter toelichting
worden volstaan met een verwijzing naar een bepaald gedeelte van de nota
naar aanleiding van het verslag.
Toelichting:
Zie ook aanwijzing 209.
Aanwijzing 253a
1.Een nota van wijziging wordt niet ondertekend, de toelichting op een
nota van wijziging wel.
2.De toelichting op een nota van wijziging wordt bij voorkeur alleen
ondertekend door de eerstverantwoordelijke bewindspersoon. De
medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in dat
geval in de toelichting tot uitdrukking gebracht.
Hoofdstuk 6. Procedures
§ 6.1. Voorbereiding en behandeling in de ministerraad
Aanwijzing 254
1. Wegens de primaire verantwoordelijkheid van de Minister van
Veiligheid en Justitie voor de toetsing van wetgeving op
rechtsstatelijke en bestuurlijke kwaliteit, met inbegrip van de
constitutionele, Europeesrechtelijke en internationaalrechtelijke
toetsing van wetgeving, worden de volgende stukken, voordat zij ter
behandeling aan de ministerraad of een onderraad worden aangeboden, ter
toetsing aan de Directie Wetgeving van het Ministerie van Veiligheid en
Justitie voorgelegd:
a. voorstellen van wet;
b. ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur;
c. ingrijpende nota’s van wijziging op een wetsvoorstel;
d. een voorstel van wet of ontwerp van een algemene maatregel van
bestuur en het nader rapport daarbij, ingeval het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State daarop ingrijpende kritiek op inhoud of
vormgeving bevat.
2. Wegens de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties voor het beheer van de Grondwet werkt het
Ministerie van Veiligheid en Justitie bij de constitutionele toetsing
van wetgeving samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
3. Wegens de verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Zaken
voor de eenheid van de uitleg van het internationale en Europese recht
werkt het Ministerie van Veiligheid en Justitie bij de
internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke toetsing van wetgeving
samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
4. Het voorleggen, bedoeld in het eerste lid, geschiedt dusdanig tijdig,
dat er voldoende ruimte is voor reëel overleg over alternatieve
mogelijkheden, indien de Directie Wetgeving dat noodzakelijk acht.
Toelichting:
Toetsing. De Minister van Veiligheid en Justitie is belast met de
primaire verantwoordelijkheid voor de toetsing van regelgeving op de
rechtsstatelijke en bestuurlijke kwaliteit. Dit neemt uiteraard niet weg
dat alle ministeries zelf zorg moeten dragen voor de kwaliteit van hun
wetgeving en daarvoor de nodige voorzieningen moeten treffen. Zie over
de toetsing van nota’s van wijziging die niet aan de ministerraad
behoeven te worden voorgelegd: aanwijzing 248a.
Elementen wetgevingstoetsing. Deze wetgevingstoetsing betreft met name
de volgende eisen van goede wetgeving:
a. rechtmatigheid (zie ook de aanwijzingen 15, 17 en 18 en de paragrafen
2.2, 2.3, 4.6, 4.14 en 4.15);
b. uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid (zie ook de aanwijzingen 11 tot
en met 14 en paragraaf 4.9);
c. doeltreffendheid en doelmatigheid (zie ook de aanwijzingen 7, 9, 13
en 14);
d. subsidiariteit en evenredigheid (zie ook de aanwijzingen 7, 8, 13, 15
en 16;
e. onderlinge afstemming (zie ook aanwijzing 9 en paragraaf 2.6);
f. eenvoud, duidelijkheid en toegankelijkheid (zie ook aanwijzing 10,
hoofdstuk 3 en de paragrafen 4.1 tot en met 4.4).
Toetsing nader rapport bij ingrijpende kritiek Afdeling advisering. Zie
voor de beoordeling of een advies van de Afdeling advisering ingrijpende
kritiek bevat: aanwijzing 276.
Coördinatie Directie Wetgeving (sector Wetgevingskwaliteitsbeleid). De
sector Wetgevingskwaliteitsbeleid van de Directie Wetgeving van het
Ministerie van Veiligheid en Justitie is het coördinatie- en
contactpunt voor deze toetsing. Indien bij de wetgevingstoetsing geen
overeenstemming is bereikt, worden door de sector
Wetgevingskwaliteitsbeleid de geschilpunten neergelegd in een
wetgevingsrapport dat door het desbetreffende ministerie met het
voorstel wordt meegezonden naar de onderraad of ministerraad, ten
behoeve van de beraadslaging aldaar.
Aanwijzing 255 [Vervallen per 01-01-2005]
Aanwijzing 256
1. In de toelichting bij ontwerpregelingen worden door het
eerstverantwoordelijke ministerie in daarvoor in aanmerking komende
gevallen de gevolgen van de regeling voor het bedrijfsleven, het milieu
en de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid gekwantificeerd.
2. De wijze waarop de genoemde aspecten in de toelichting bij de
regeling zijn weergegeven, wordt getoetst door de Ministeries van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, van Infrastructuur en Milieu
en van Veiligheid en Justitie.
Toelichting
Ten behoeve van het in kaart brengen van de verwachte effecten van
ontwerpregelgeving is een vragenlijst opgesteld. De vragenlijst bestaat
uit drie onderdelen, te weten:
– effecten voor het particuliere bedrijfsleven, de sociaal-economische
ontwikkeling en de marktwerking (bedrijfseffectentoets, BET);
– gevolgen voor het milieu (milieueffectentoets, MET);
– uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid (U&H-toets).
De kwantificering betreft alleen ontwerpregelgeving waarbij op deze
punten substantiële effecten te verwachten zijn. Om deze regelgeving te
selecteren wordt door het eerstverantwoordelijke ministerie op zijn
regelgevingsvoornemens een zogenoemde quick scan uitgevoerd. Sluitstuk
van deze quick scan is steeds een voorstel van het desbetreffende
ministerie voor het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van een of meer van
de genoemde toetsen of, bij verstrekkende voorstellen, een
kostenbatenanalyse. De quick scan wordt voorgelegd aan het Meldpunt
voorgenomen regelgeving bij het Ministerie van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie, waarmee concrete afspraken worden gemaakt omtrent
de uit te voeren effectentoetsen.
Het betrokken ministerie geeft de resultaten van de uitgevoerde
effectentoetsen of de kostenbatenanalyse weer in de toelichting bij de
regeling. Indien de regeling aan het Ministerie van Veiligheid en
Justitie wordt voorgelegd voor de wetgevingstoetsing (aanwijzing 254),
zorgt dit ministerie ervoor dat de opgenomen effectentoetsen worden
beoordeeld door de desbetreffende onderdelen van het Ministerie van
Veiligheid en Justitie, van het Ministerie van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie en van het Ministerie van Infrastructuur en
Milieu. Indien over deze beoordeling en de wetgevingstoetsing zelf geen
overeenstemming is bereikt, worden de geschilpunten door het Ministerie
van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met de twee andere
ministeries, neergelegd in een wetgevingsrapport (zie de toelichting bij
aanwijzing 254).
Aanwijzing 256a
1. In de toelichting bij ontwerpregelingen worden door het
eerstverantwoordelijke ministerie in daarvoor in aanmerking komende
gevallen de gevolgen van de regeling voor decentrale overheden
uiteengezet.
2. De wijze waarop dit aspect is verantwoord in de toelichting bij de
regeling wordt getoetst door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
Toelichting
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toetst de
beleids- en wetsvoorstellen van het Rijk waarin een rol is weggelegd
voor provincies en gemeenten of voor de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba. Het doel hiervan is de kwaliteit van de
interbestuurlijke verhoudingen in ons land te bewaken en te bevorderen.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een
‘Beoordelingskader Interbestuurlijke verhoudingen’ opgesteld ten
behoeve van de beoordeling van de relevantie van regelgeving op
rijksniveau voor decentrale overheden.
Indien in een regeling taken worden opgedragen aan decentrale overheden,
indien bestuursinstrumenten (met name specifieke uitkeringen) worden
ingevoerd of indien de regeling anderszins direct of indirect
consequenties heeft voor decentrale overheden, moet hieraan in de
toelichting bij de regeling aandacht worden besteed. Voor de beoordeling
van deze aspecten wordt in een zo vroeg mogelijk stadium contact
opgenomen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Zie in verband met de financiële gevolgen van
regelingen voor decentrale overheden aanwijzing 216.
Aanwijzing 257 [Vervallen per 11-05-2005]
Aanwijzing 258 [Vervallen per 01-01-1996]
Aanwijzing 259
Bij de voorbereiding van regelingen worden de onderdelen van andere
ministeries betrokken die bemoeienis hebben met het te regelen onderwerp
of een onderdeel daarvan of met onderwerpen die door de regeling worden
geraakt.
Toelichting:
Zie in dit verband aanwijzing 162.
Aanwijzing 260
1. Bij de voorbereiding van regelingen die koninkrijksaangelegenheden
betreffen, vindt overleg plaats met de kabinetten van de Gevolmachtigde
Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt van contacten met de
kabinetten van de Gevolmachtigde Ministers op de hoogte gehouden.
2. Het eerste lid is eveneens van toepassing bij de voorbereiding van
regelingen ten aanzien waarvan concordantie is voorgeschreven.
Toelichting:
Eerste lid: Ook in geval van twijfel of een bepaald onderwerp als
koninkrijksaangelegenheid moet worden behandeld, is het wenselijk
contact te zoeken met de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van
het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Tweede lid: Als onderwerpen die in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint
Maarten zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze geregeld moeten worden
(concordantiebeginsel), noemt artikel 39 van het Statuut voor het
Koninkrijk: het burgerlijk en handelsrecht, het strafrecht, de
strafvordering, het auteursrecht, de industriële eigendom, het
notarisambt en regelgeving inzake maten en gewichten.
Aanwijzing 261
Bij de aanhangigmaking van een wetsvoorstel of een ontwerp voor een
algemene maatregel van bestuur bij de ministerraad worden de Algemene
aanwijzingen inzake aangelegenheden van de ministerraad en onderraden in
acht genomen.
§ 6.1 a. Notificatie
Aanwijzing 261a
1. Bij de voorbereiding van regelingen beziet het voor de regeling
eerstverantwoordelijke ministerie steeds of EU- of andere internationale
verplichtingen ertoe noodzaken het ontwerp van de regeling te
notificeren aan een instelling van de Europese Unie of van een andere
internationale organisatie.
2. Bij de bepaling van het tijdstip van vaststelling van de regeling
wordt in voorkomend geval de voorgeschreven standstillperiode in acht
genomen dan wel stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring van de
desbetreffende instelling afgewacht.
Toelichting:
In veel gevallen moet de Europese Commissie in kennis worden gesteld van
autonome nationale ontwerp-regelgeving (zie voor de kennisgeving van (ontwerp-)
implementatieregelgeving aanwijzing 345). Dit om haar -en in bepaalde
gevallen de lid-staten -de gelegenheid te geven de nationale
ontwerp-regeling te toetsen op verenigbaarheid met het EU-recht en
eventueel wijzigingen voor te stellen. Ook de Wereldhandelsorganisatie
(WTO) kent notificatieverplichtingen, bijvoorbeeld op grond van de op 15
april 1994 te Marrakech gesloten Overeenkomst inzake technische
handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235). Ingevolge deze overeenkomst
moeten technische voorschriften worden gemeld aan het Secretariaat van
de WTO.
Het achterwege laten van deze zogenoemde notificatie kan de
rechtsgeldigheid van de regeling aantasten. Zie het Securitel-arrest (HvJ
EG, 30 april 1996, Jur. 1996, p.I-2201) inzake richtlijn nr. 83/189/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende
een informatieprocedure op het gebied van normen en technische
voorschriften (PbEG 1983, L 109). Deze richtlijn is inmiddels vervangen
door richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op
het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende
de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG 1998, L 204), zoals
gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG 1998, L
217).
Algemene informatie omtrent notificatieprocedures kan worden verkregen
bij de op ieder ministerie aangewezen notificatiecoördinator.
Vraagstukken omtrent notificatie met een interdepartementale dimensie
kunnen via de notificatiecoördinator worden voorgelegd aan de
Interdepartementale Commissie voor Europees Recht-Notificatie (ICER-N).
Informatie over de verplichting tot en de wijze van notificatie is
opgenomen in de ‘ICER-Handleiding notificatie van technische
voorschriften’ en de ‘ICER-Handleiding notificatie onder de
Dienstenrichtlijn’. Tevens is deze informatie te verkrijgen bij het
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
Belangrijk is ook artikel 108, derde lid, VWEU, inzake steunmaatregelen
van de lidstaten. Voorgenomen steunmaatregelen worden door het
desbetreffende ministerie aangemeld bij de Europese Commissie. Algemene
informatie omtrent deze meldingsprocedure kan worden verkregen bij het
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
De notificatie vindt plaats op een zodanig tijdstip dat enerzijds de
besluitvorming zoveel mogelijk is afgerond en anderzijds nog gelegenheid
bestaat om de regeling aan te passen. Voor wetsvoorstellen en algemene
maatregelen van bestuur wordt in de praktijk het moment van accordering
door de ministerraad aangehouden. Voor de handelwijze van de Afdeling
advisering van de Raad van State bij advisering over ontwerp-regelingen
die genotificeerd zijn, zie aanwijzing 263. Bij ministeriële regelingen
kan de notificatie geschieden zodra er een interdepartementaal afgestemd
ontwerp ligt, doch in elk geval vóór ondertekening door de minister.
Wanneer de regeling in de verdere procedure nog essentieel wordt
gewijzigd, moet opnieuw notificatie plaatsvinden.
Notificatie onder de Dienstenrichtlijn vindt in ieder geval onverwijld
na vaststelling van de desbetreffende regeling plaats. Indien op
onderdelen tevens richtlijn 98/34/EG van toepassing is, worden die
onderdelen wel in de ontwerpfase genotificeerd.
Aanwijzing 261b
1. Indien in een regeling voorschriften worden vastgesteld die ingevolge
een EU- of andere internationale verplichting in ontwerp zijn
genotificeerd aan een instelling van de Europese Unie of van een andere
internationale organisatie, wordt dat vermeld in het algemeen deel van
de toelichting bij die regeling, onder verwijzing naar de desbetreffende
EU- of internationale verplichting.
2. Voor de vermelding wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:
Het voorstel van wet/Het ontwerp-besluit/De ontwerp-regeling is op ...
(datum notificatie) ingevolge ... (aanduiding verplichting) voorgelegd
aan ... (aanduiding instelling). Naar aanleiding van de reacties van ...
(aanduiding instelling of andere betrokkenen) wordt het volgende
opgemerkt. ... (reactie of doorgevoerde aanpassingen).
Toelichting:
Indien het een notificatie ingevolge richtlijn nr. 98/34/EG (zie
aanwijzing 261a) betreft, dient in de toelichting tevens indicatief te
worden aangegeven welke bepalingen vermoedelijk technische voorschriften
bevatten en waarom deze bepalingen verenigbaar zijn met de artikelen 34
tot en met 36 VWEU (vrij verkeer van goederen).
Indien het betreft een notificatie aan het Secretariaat van de
Wereldhandelsorganisatie (WTO) in het kader van de op 15 april 1994 te
Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische
handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235), dient daarvan tevens melding te
worden gemaakt in de Staatscourant. Hiervoor geldt het volgende model
als uitgangspunt:
’Ter voldoening aan artikel 2, negende lid, / artikel 5, zesde lid,
van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst
inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235), deelt de
Minister van ... mee dat een voorstel van wet/ontwerp-besluit/ontwerp-regeling
tot/houdende ... waarin technische voorschriften worden gesteld aan ...,
is gemeld aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie.
Informatie over deze technische voorschriften kan worden ingewonnen bij
het Ministerie van ....’
De keuze voor een van beide genoemde artikelen is afhankelijk van de
vraag of in de regeling technische voorschriften (artikel 2, negende
lid) of voorschriften omtrent keuringen (artikel 5, zesde lid) zijn
opgenomen. Indien een regeling beide bevat, moeten beide artikelen
worden genoemd.
§ 6.2. Advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State
Aanwijzing 262
Aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden geen voorstellen
van wet voorgelegd, ten aanzien waarvan de beleidsvoorbereiding en de
besluitvorming in de ministerraad nog niet is afgerond.
Toelichting:
De Afdeling advisering adviseert als laatste adviseur van de regering
pas over een wetsvoorstel, nadat alle overige door de regering in te
winnen adviezen zijn uitgebracht. Deze aanwijzing belet niet dat de
ministerraad op voorhand besluit om het voorstel, na ontvangst van het
advies van de Afdeling, ongeacht het dictum daarvan, opnieuw in de
ministerraad te behandelen.
Aanwijzing 263
1. Indien over een voorstel van wet advies moet worden gevraagd aan de
Europese Commissie, kan het voorstel in spoedeisende gevallen aan de
Afdeling advisering van de Raad van State worden voorgelegd alvorens het
advies is ontvangen. Daarbij wordt aan de Afdeling advisering mededeling
gedaan van de eventuele adviestermijn waaraan de Europese Commissie is
gebonden.
2. Zodra de in het eerste lid bedoelde termijn is verstreken zonder dat
advies van de Europese Commissie is ontvangen, stelt de betrokken
minister de Afdeling advisering hiervan in kennis.
Toelichting:
Strikte toepassing van aanwijzing 262 kan in dit geval tot moeilijk
aanvaardbare gevolgen leiden. Dit zijn vooral gevolgen van financiële
aard of van tijdsverloop.
De Afdeling advisering zal in het algemeen de gestelde termijn afwachten
alvorens te adviseren. Na ontvangst van de in het tweede lid bedoelde
mededeling zal hij de advisering op zo kort mogelijke termijn afronden.
Indien de Afdeling advisering advies uitbrengt voordat het advies van de
Europese Commissie is ontvangen, is aanwijzing 277 van toepassing. Het
verdient aanbeveling om de Afdeling advisering een kopie van het advies
van de Europese Commissie te zenden.
De hier gehanteerde lijn geldt tevens bij notificatie van technische
voorschriften bij de Europese Commissie of een andere internationale
organisatie (zie aanwijzing 261a).
Aanwijzing 264 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 265
Indien een minister het wenselijk acht bij de voorlegging van een
wetsvoorstel aan de Afdeling advisering van de Raad van State de
bijzondere aandacht van de Afdeling advisering te vragen voor een
bepaald aspect van het voorstel, geschiedt dit in de brief aan de
Koningin waarbij verzocht wordt het voorstel bij de Afdeling advisering
aanhangig te maken.
Toelichting:
Indien een dergelijk verzoek gedaan wordt in een afzonderlijke brief van
de minister of staatssecretaris aan de Vicepresident van de Raad van
State, is voor de Afdeling onduidelijk of op de inhoud daarvan in het
advies over het wetsvoorstel moet worden ingegaan.
Aanwijzing 266 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 267 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 268
Bij een adviesaanvraag aan de Afdeling advisering van de Raad van State
over een voorstel van wet worden de volgende adviezen over dat voorstel
die door het ministerie zijn ontvangen, aan de Afdeling advisering
toegezonden, tenzij het advies is gepubliceerd of bekend is dat de
Afdeling daarover reeds beschikt:
a. adviezen van de Europese Commissie;
b) adviezen van adviescolleges;
c. adviezen van belangrijke organisaties van belanghebbenden indien
kennisneming ervan kan dienen tot een beter inzicht in de in het
voorstel van wet en de toelichting vervatte beleidskeuzen;
d. overige adviezen waarnaar in de memorie van toelichting wordt
verwezen;
e. overige adviezen, waarvan de minister de toezending wenselijk acht.
Aanwijzing 269 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 270 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 271
Indien aan de Afdeling advisering van de Raad van State bij de
aanhangigmaking van een voorstel van wet om een spoedbehandeling van de
op dat voorstel betrekking hebbende adviesaanvraag wordt verzocht,
geschiedt dit in rechtstreeks schriftelijk contact tussen de
eerst-verantwoordelijke bewindspersoon en de Vicepresident van de Raad
van State. Met het vragen van dergelijke spoedbehandelingen wordt grote
terughoudendheid betracht.
Toelichting:
Deze aanwijzing en aanwijzing 271a hebben geen betrekking op verzoeken
tot een spoedige afhandeling van ontwerp-regelingen die reeds bij de
Afdeling advisering aanhangig zijn, maar alleen op verzoeken die op het
tijdstip van aanhangigmaking van een ontwerp bij de Afdeling advisering
worden gedaan.
Aanwijzing 271a
1. Het vragen van een spoedbehandeling kan slechts worden gedaan met
machtiging van de ministerraad.
2. Een voorstel om een spoedbehandeling te vragen wordt door de
eerst-verantwoordelijke bewindspersoon aan de ministerraad gedaan in een
afzonderlijke brief die tevens een motivering bevat.
Toelichting:
Eerste lid: Indien een voorgesteld verzoek om spoedbehandeling
betrekking heeft op een ontwerp-regeling die in een onderraad van de
ministerraad wordt behandeld, kan het voorstel aan de onderraad worden
toegezonden.
Het ligt in de rede dat de ministerraadsbehandeling van een voorgesteld
verzoek om spoedbehandeling gelijktijdig plaatsvindt met de behandeling
van de ontwerp-regeling waarop het verzoek betrekking heeft. Dit zal
echter niet mogelijk zijn, indien er na de behandeling in de
ministerraad, doch voor de toezending aan de Afdeling advisering van de
Raad van State, nog tijd gemoeid is met andere procedures, zoals
voorpublicatie en advisering door adviescolleges. In die gevallen moet
een voorgesteld verzoek om spoedbehandeling na afronding van die
procedures aan de ministerraad worden voorgelegd, waarbij in het
algemeen evenwel kan worden afgeweken van de
"10-dagen-termijn".
De beslissing om een spoedbehandeling te vragen blijft primair behoren
tot de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon. Het is wel
van belang dat steeds een zorgvuldige afweging wordt gemaakt. Ook moet
in lijn worden gehandeld met de uitgangspunten die in hun algemeenheid
gelden bij het vragen van spoedadviezen (zie aanwijzing 271b). Het
Ministerie van Algemene Zaken draagt op dit punt zorg voor coördinatie
en afstemming. De aan de ministerraad gezonden brief wordt in eerste
aanleg bekeken door dat ministerie. Het ligt in de rede dat het
Ministerie van Algemene Zaken over te vragen spoedadviezen overleg
pleegt met de Directie Wetgeving van het Ministerie van Veiligheid en
Justitie. Dit overleg vindt steeds plaats via kort en snel ambtelijk
contact.
Tweede lid: De brief dient te worden geadresseerd aan de
Minister-President, voorzitter van de ministerraad. Hij dient te worden
verzonden als onderdeel van de ministerraadsstukken waarbij de
ontwerp-regeling ter goedkeuring aan de ministerraad wordt voorgelegd.
Uit doelmatigheidsoverwegingen kan het aanbeveling verdienen dat de
brief aan de ministerraad zoveel mogelijk gelijkluidend is aan de
ingevolge aanwijzing 271 aan de Vicepresident van de Raad van State te
zenden brief. Het kan praktisch zijn dat aan de ministerraad het concept
van de aan de Vicepresident te zenden brief wordt voorgelegd.
Aanwijzing 271b
Het vragen van een spoedbehandeling wordt zoveel mogelijk beperkt tot
gevallen waarin:
a. een implementatietermijn van een internationale regeling of bindende
EU-rechtshandeling is of dreigt te worden overschreden;
b. een andere fatale termijn is of dreigt te worden overschreden;
c. het achterwege laten van een spoedbehandeling substantiële
budgettaire gevolgen zou hebben;
d. door een spoedbehandeling de noodzaak tot het verlenen van
terugwerkende kracht aan de regeling wordt voorkomen of minder dringend
wordt;
e. sprake is van een urgent herstel van een gebrek in de regelgeving.
Toelichting:
De in deze aanwijzing genoemde gevallen rechtvaardigen een verzoek om
spoedbehandeling niet zonder meer. Bij de afweging of een
spoedbehandeling kan worden gevraagd, zal steeds een relatie moeten
worden gelegd met de termijn waarbinnen de ontwerp-regeling is
voorbereid op het ministerie. Vertragingen in de (inter)departementale
voorbereiding behoren niet te worden afgewenteld op de Afdeling
advisering van de Raad van State.
Onderdeel b: Als fatale termijnen zijn bijvoorbeeld te beschouwen: het
tijdstip waarop een tijdelijke wet vervalt; het tijdstip waarop een
ministeriële spoedregeling uiterlijk moet zijn vervangen door een
algemene maatregel van bestuur. Termijnen die voortvloeien uit
uitspraken of toezeggingen van een bewindspersoon over het tijdstip van
indiening of totstandkoming van nieuwe regelingen zijn geen fatale
termijnen in de zin van deze aanwijzing (zie ook aanwijzing 6).
Aanwijzing 272 [Vervallen per 01-12-2000]
Aanwijzing 272a
Indien tijdens de adviesprocedure bij de Afdeling advisering van de Raad
van State blijkt dat aan de voortzetting van de behandeling van een
wetsvoorstel geen behoefte meer bestaat, bevordert de
eerstverantwoordelijke bewindspersoon, daartoe gemachtigd door de
ministerraad (van het Koninkrijk), dat de adviesaanvraag wordt
ingetrokken.
Aanwijzing 273 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 274
In het nader rapport aan de Koningin inzake een voorstel van wet wordt
een gehele of gedeeltelijke weergave van het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State achterwege gelaten, tenzij deze
noodzakelijk is voor het betoog. Het nader rapport volgt de indeling in
genummerde onderdelen van het advies van de Afdeling.
Toelichting:
Aangezien in de Kamerstukken (de zgn. blauwe stukken) het advies van de
Afdeling advisering van de Raad van State en het nader rapport
puntsgewijs na elkaar worden afgedrukt, is een herhaling in het nader
rapport van de opmerkingen van de Afdeling niet zinvol.
Indien bij gelegenheid van het nader rapport wijzigingen worden
aangebracht die niet het gevolg zijn van het advies van de Afdeling (en
waarover de Afdeling niet ingevolge aanwijzing 277, eerste lid, wordt
gehoord) wordt daarvan mededeling gedaan in een afzonderlijk genummerd
punt aan het slot van het nader rapport.
Aanwijzing 275
1. Indien op grond van artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de Raad van
State publicatie van het advies van de Afdeling advisering van de Raad
van State inzake een voorstel van wet achterwege blijft, wordt aan het
begin van de memorie van toelichting in de marge de volgende zin
opgenomen:
Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (van het
Koninkrijk) wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer
instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat
(artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State).
Toelichting:
Het betrokken ministerie draagt zorg voor deze vermelding. Zie hierover
nader het Draaiboek voor de regelgeving, nr. 45.
Aanwijzing 276
Indien een advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
ingrijpende kritiek op de inhoud of de vormgeving van een wetsvoorstel
bevat, wordt het wetsvoorstel opnieuw in de ministerraad aan de orde
gesteld.
Toelichting:
De volgende dicta geven aan dat van ingrijpende kritiek sprake is:
‘De Afdeling advisering van de Raad van State geeft u in overweging
het voorstel van wet niet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te
zenden dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden’,
‘De Afdeling advisering van de Raad van State geeft u in overweging
het voorstel van wet niet aldus aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
te zenden’ en
‘De Afdeling advisering van de Raad van State geeft u in overweging
het voorstel van wet niet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te
zenden’.
In deze gevallen dienen het wetsvoorstel en het nader rapport tevens ter
toetsing te worden voorgelegd aan het Ministerie van Veiligheid en
Justitie (zie aanwijzing 254 en Draaiboek voor de regelgeving nr. 40).
Aanwijzing 276a
1. Indien naar aanleiding van een negatief advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State besloten wordt een wetsvoorstel niet in
te dienen bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal, wordt voor de
slotformule van het nader rapport het volgende model gevolgd:
Daartoe gemachtigd door de ministerraad (van het Koninkrijk) moge ik U
(, mede namens/in overeenstemming met/na overleg met mijn ambtgenoot
van/voor ...,) in overweging geven het hierbij gevoegde voorstel van (rijks)wet
overeenkomstig het advies van de Afdeling advisering van de Raad van
State (van het Koninkrijk) niet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
(, de Staten vanAruba, de Staten van Curaçao en de Staten van Sint
Maarten) te zenden en goed te vinden dat het onderhavige nader rapport
tezamen met het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
(van het Koninkrijk) en het voorstel van (rijks)wet en de daarbij
behorende memorie van toelichting zoals deze aan de Afdeling advisering
van de Raad van State (van het Koninkrijk) zijn voorgelegd, openbaar
wordt gemaakt.
2. Indien om andere redenen het voornemen bestaat om een wetsvoorstel
niet in te dienen, worden in het nader rapport deze redenen uiteengezet.
Voor de slotformule van het nader rapport wordt het volgende model
gevolgd:
Daartoe gemachtigd door de ministerraad (van het Koninkrijk) moge ik U
(, mede namens/in overeenstemming met/na overleg met mijn ambtgenoot
van/voor ...,) verzoeken goed te vinden dat het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State (van het Koninkrijk) buiten verdere
behandeling wordt gelaten en dat het onderhavige nader rapport tezamen
met het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (van het
Koninkrijk) en het voorstel van (rijks)wet en de daarbij behorende
memorie van toelichting zoals deze aan de Afdeling advisering van de
Raad van State (van het Koninkrijk) zijn voorgelegd, openbaar wordt
gemaakt.
Toelichting:
Uit de formules blijkt dat ook het voornemen tot niet indienen van een
wetsvoorstel in beginsel aan de ministerraad wordt voorgelegd. Indien
van deze lijn afgeweken moet worden, vindt hierover overleg plaats met
het secretariaat van de ministerraad. Het is niet nodig dat in het nader
rapport nog inhoudelijk op de opmerkingen van de Afdeling advisering
wordt ingegaan.
Aanwijzing 277
1. Indien in een wetsvoorstel waarover de Afdeling advisering van de
Raad van State advies heeft uitgebracht, vóór de indiening ingrijpende
wijzigingen worden aangebracht die niet het gevolg zijn van het advies
van de Afdeling advisering, wordt de Afdeling over deze wijzigingen
gehoord.
2. Indien in een ingediend wetsvoorstel door de regering ingrijpende
wijzigingen worden aangebracht, wordt de Afdeling advisering over deze
wijzigingen gehoord, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten.
3) De aanwijzingen 262, 263, 265, 268,271, 271a, 271b, 272a, 274, 275,
276 en276a zijn van overeenkomstige toepassing op de advisering door de
Afdeling advisering over een nota van wijziging.
Toelichting:
Of een wijziging als ingrijpend moet worden aangemerkt, zal van geval
tot geval, mede in het licht van het doel van de advisering door de
Afdeling advisering, moeten worden beoordeeld. Ook wijzigingen op
onderdelen kunnen van een zodanig groot belang zijn, dat het geboden is
de Afdeling advisering daarover te raadplegen. Een splitsing van een
wetsvoorstel (bijvoorbeeld om controversiële en niet-controversiële
gedeelten te scheiden) of een samenvoeging van twee wetsvoorstellen die
nauw samenhangen, zonder dat daaruit inhoudelijk wijzigingen
voortvloeien, is op zichzelf nog niet als een ingrijpende wijziging te
beschouwen. Ingevolge artikel 4 van het reglement van orde voor de
ministerraad beraadslaagt de ministerraad opnieuw over een wetsvoorstel,
indien dit belangrijk wordt gewijzigd. De ministerraad beslist over een
hernieuwde raadpleging van de Afdeling advisering. Ook in geval van
twijfel over de ingrijpendheid van een wijziging neemt de ministerraad
een beslissing.
Aanwijzing 277a [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 277b [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 278
Over een bij amendement voorgestelde ingrijpende wijziging van een
wetsvoorstel wordt de Afdeling advisering van de Raad van State alleen
gehoord, indien de minister of staatssecretaris daaraan met het oog op
zijn oordeelsvorming over het amendement behoefte gevoelt.
Toelichting:
Gaat het om een wijziging waarbij het functioneren van de Raad van State
in het geding is, dan ligt het voor de hand daarover het gevoelen van de
Raad van State te vernemen, hetzij in de vorm van een adviesaanvrage,
hetzij door raadpleging van de Vicepresident.
Aanwijzing 279
1. De aanwijzingen 262,263, 265, 268, 271, 271a, 271b, 274, 276 en 277,
eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de advisering door de
Afdeling advisering van de Raad van State over ontwerpen van algemene
maatregel van bestuur.
2. Aanwijzing 275 is van overeenkomstige toepassing op de publicatie van
het advies van de Afdeling advisering bij een ontwerp van een algemene
maatregel van bestuur, met dien verstande dat de daar genoemde zin in de
marge van de laatste bladzijde van het besluit wordt opgenomen.
Toelichting
Tweede lid: Anders dan bij wetsvoorstellen draagt bij algemene
maatregelen van bestuur de Directie Wetgeving van het Ministerie van
Veiligheid en Justitie zorg voor deze vermelding. Dit geschiedt bij de
gereedmaking van de stukken ten behoeve van de publicatie in het
Staatsblad (zie Draaiboek voor de regelgeving, nr. 182).
Aanwijzing 280
Een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur wordt in beginsel
niet eerder ter advisering aan de Afdeling advisering van de Raad van
State voorgelegd, dan nadat het wetsvoorstel dat aan de algemene
maatregel van bestuur ten grondslag ligt, door de Tweede Kamer is
aanvaard.
Toelichting:
In spoedeisende gevallen kan het wenselijk zijn om een algemene
maatregel van bestuur eerder ter advisering voor te leggen, bijvoorbeeld
wanneer het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer wordt ingediend of zelfs
gelijktijdig met de toezending van het wetsvoorstel aan de Afdeling
advisering. Voorlegging van een algemene maatregel van bestuur aan de
Afdeling advisering voordat het daaraan ten grondslag liggende
wetsvoorstel is voorgelegd, is uiteraard niet mogelijk. Het komt voor
dat bij een wetsvoorstel ter informatie van de Staten-Generaal een
concept-algemene maatregel van bestuur wordt gevoegd. Ook in dat geval
geldt de in deze aanwijzing neergelegde regel.
Aanwijzing 281 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 282 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 282a
1. Indien naar aanleiding van een negatief advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State het voornemen bestaat een algemene
maatregel van bestuur niet voor bekrachtiging in aanmerking te brengen,
wordt voor de slotformule van het nader rapport het volgende model
gevolgd:
Daartoe gemachtigd door de ministerraad (van het Koninkrijk) moge ik U
(, mede namens/in overeenstemming met/na overleg met mijn ambtgenoot
van/voor ...,) in overweging geven het hierbij gevoegde ontwerp-besluit
overeenkomstig het advies van de Afdeling advisering van de Raad van
State (van het Koninkrijk) niet te bekrachtigen en goed te vinden dat
het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State (van het Koninkrijk) en het
ontwerp-besluit en de daarbij behorende nota van toelichting, zoals deze
aan de Afdeling advisering van de Raad van State (van het Koninkrijk)
zijn voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.
2. Indien om andere redenen het voornemen bestaat om een algemene
maatregel van bestuur niet voor bekrachtiging in aanmerking te brengen,
worden in het nader rapport deze redenen uiteengezet. Voor de
slotformule van het nader rapport wordt het volgende model gevolgd:
Daartoe gemachtigd door de ministerraad (van het Koninkrijk) moge ik U
(, mede namens/in overeenstemming met/na overleg met mijn ambtgenoot
van/voor ...,) verzoeken goed te vinden dat het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State (van het Koninkrijk) buiten verdere
behandeling wordt gelaten en dat het onderhavige nader rapport tezamen
met het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (van het
Koninkrijk) en het ontwerp-besluit en de daarbij behorende toelichting,
zoals deze aan de Afdeling advisering van de Raad van State (van het
Koninkrijk) zijn voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.
Toelichting:
Uit de formules blijkt dat ook het voornemen tot niet bekrachtigen van
een algemene maatregel van bestuur in beginsel aan de ministerraad wordt
voorgelegd. Indien van deze lijn afgeweken moet worden, vindt hierover
overleg plaats met het secretariaat van de ministerraad. Het is niet
nodig dat in het nader rapport nog inhoudelijk op de opmerkingen van de
Afdeling advisering wordt ingegaan.
§ 6.2a. Bekrachtiging van algemene maatregelen van bestuur
Aanwijzing 282b
Aan het Kabinet der Koningin worden met het oog op de bekrachtiging van
een algemene maatregel van bestuur de volgende stukken toegezonden:
a. het nader rapport;
b. een afschrift van het nader rapport;
c. het originele exemplaar van het advies van de Afdeling advisering van
de Raad van State;
d. indien de tekst van het ontwerp-besluit of van de nota van
toelichting afwijkt van de tekst die aan de Afdeling advisering is
voorgelegd: het van de Afdeling advisering terug ontvangen exemplaar van
het besluit onderscheidenlijk de nota van toelichting;
e. het te bekrachtigen ontwerp-besluit met nota van toelichting en
eventuele bijlagen bij de nota van toelichting.
Toelichting:
Nadat de ondertekening door de Koningin heeft plaatsgevonden, zendt het
Kabinet der Koningin de onder e genoemde stukken terug naar het
eerstverantwoordelijke ministerie en het onder b genoemde afschrift naar
de Afdeling advisering. De onder a, c en d, genoemde stukken blijven bij
het Kabinet der Koningin.
§ 6.3. Parlementaire behandeling van regeringsvoorstellen van wet
Aanwijzing 283
1. Aan het Kabinet der Koningin worden met het oog op de indiening van
een wetsvoorstel de volgende stukken gezonden:
a. het nader rapport;
b. een afschrift van het nader rapport;
c. het originele exemplaar van het advies van de Afdeling advisering van
de Raad van State;
d. indien de tekst van het wetsvoorstel of van de memorie van
toelichting afwijkt van de tekst die aan de Afdeling advisering is
voorgelegd: het van de Afdeling advisering terug ontvangen exemplaar van
het wetsvoorstel onderscheidenlijk de memorie van toelichting;
e. het in te dienen wetsvoorstel met memorie van toelichting en
eventuele bijlagen bij de memorie van toelichting.
2. Tenzij het advies van de Afdeling advisering instemmend luidt of
uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat en in het nader
rapport geen nieuwe punten worden besproken, worden bovendien de
volgende stukken meegezonden:
a. een afschrift van het advies van de Afdeling advisering;
b. een tweede afschrift van het nader rapport.
Toelichting:
Het Kabinet der Koningin zendt de in het eerste lid, onder e, en tweede
lid bedoelde stukken door naar de Tweede Kamer en het in het eerste lid,
onder b, bedoelde afschrift van het nader rapport naar de Afdeling
advisering. De in het eerste lid, onder a, c en d, bedoelde stukken
blijven bij het Kabinet der Koningin.
Eerste lid, onder e: Indien het een voorstel van rijkswet betreft,
worden nog drie exemplaren van het wetsvoorstel met ondertekende memorie
van toelichting bijgevoegd ter doorzending naar de Staten van Aruba, de
Staten van Curaçao en de Staten van Sint Maarten.
Aanwijzing 284 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 285 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 286 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 287 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 288 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 289 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 290 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 291
De in aanwijzing 268 bedoelde adviezen over voorstellen van wet worden
aan de Tweede Kamer toegezonden.
Toelichting:
Ingevolge artikel 80, tweede lid, van de Grondwet worden adviezen van
vaste adviescolleges, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die
door of vanwege de Koning worden ingediend, behoudens bij de wet te
bepalen uitzonderingen aan de Staten-Generaal overgelegd. De aanwijzing
omvat mede de andere aan de Afdeling advisering van de Raad van State
overgelegde adviezen.
Aanwijzing 292 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 293
Bij het opstellen van verslagen wordt zoveel mogelijk de indeling en de
volgorde van de memorie van toelichting gevolgd. De nota naar aanleiding
van het verslag volgt zoveel mogelijk de indeling en de volgorde van het
verslag. Vragen worden slechts herhaald voor zover het nodig is om ze
aan te duiden.
Aanwijzing 293a
De beantwoording van een verslag van de Tweede Kamer vindt zo veel
mogelijk plaats binnen eenzelfde termijn als die welke de kamercommissie
heeft genomen voor het uitbrengen van het verslag, waarbij als
aanvangsdatum geldt de datum van de koninklijke boodschap.
Aanwijzing 294
Leden van de Tweede Kamer die een amendement willen voorstellen, kunnen
het betrokken ministerie bijstand verzoeken bij het formuleren van
amendementen. Deze bijstand wordt zoveel mogelijk verleend.
Toelichting:
Kamerleden, hun medewerkers en het Bureau Wetgeving van de Tweede Kamer
kunnen ambtenaren rechtstreeks om ambtelijke bijstand verzoeken bij het
opstellen van amendementen. Ambtenaren informeren hun minister over het
feit dat bijstand is verzocht en verleend. De ambtelijke bijstand
bestaat uit juridische en wetgevingstechnische adviezen bij het
formuleren van een amendement, of om toetsing van amendementen. De
adviezen kunnen bijvoorbeeld ook juridische inpassing van een amendement
in het wetsvoorstel betreffen, of de verenigbaarheid daarvan met
internationaal recht. Ingevolge artikel 96, eerste lid van het Reglement
van Orde van de Tweede Kamer, worden amendementen beknopt toegelicht. De
bijstand strekt zich in beginsel niet uit tot het formuleren van deze
toelichting. Zie verder het Draaiboek voor de regelgeving, nr. 69.
Aanwijzing 295 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 296
Een memorie van antwoord op een voorlopig verslag van de Eerste Kamer
wordt uiterlijk veertien dagen vóór de beoogde datum van openbare
behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel bij de Eerste Kamer
ingediend. In spoedeisende gevallen kan hiervan in overleg met de
griffie van de Eerste Kamer worden afgeweken.
Toelichting:
Het desbetreffende stuk behoeft alleen in origineel aan de voorzitter
van de Eerste Kamer te worden gezonden. Toezending van afschriften aan
de griffie van de Eerste Kamer is niet noodzakelijk.
Aanwijzing 297
1.Intrekking van een bij de Tweede of de Eerste Kamer aanhangig
wetsvoorstel geschiedt bij brief van de minister, daartoe gemachtigd
door de Koningin.
2.Is het wetsvoorstel aanhangig bij de Eerste Kamer, dan wordt ook aan
de voorzitter van de Tweede Kamer mededeling gedaan van de intrekking.
Toelichting:
De intrekkingsbrief kan uitgaan van alle ondertekenende ministers of van
de eerstverantwoordelijke, mede namens de andere. Het voornemen om een
wetsvoorstel in te trekken, wordt in de Ministerraad behandeld (artikel
4, tweede lid, onder a, reglement van orde voor de ministerraad.
§ 6.4. Behandeling van initiatiefvoorstellen van wet
Aanwijzing 298
Leden van de Tweede Kamer die een initiatiefvoorstel van wet aanhangig
willen maken, kunnen de betrokken minister bijstand verzoeken bij het
formuleren daarvan. Deze bijstand wordt zoveel mogelijk verleend.
Toelichting:
Het gaat hier, net zoals bij amendementen (aanwijzing 294), om
juridische en wetgevingstechnische bijstand. Daarnaast kan het gaan om
het verstrekken van feitelijke informatie ten behoeve van het door de
indiener op te stellen algemeen deel van de memorie van toelichting, om
het formuleren van passages voor de artikelsgewijze toelichting, of om
het (door de directie FEZ) doorrekenen van de financiële gevolgen van
het voorstel.
Voor het verlenen van bijstand bij het formuleren van een
initiatiefvoorstel behoeft een ambtenaar toestemming van zijn minister.
Zie verder het Draaiboek voor de regelgeving, nrs. 131 en 132 en
Kamerstukken II 2004/04, 30 095, nr. 5.
Aanwijzing 299 [Vervallen per 08-03-1998]
Aanwijzing 300
1.Ministers geven zowel bij de schriftelijke als bij de mondelinge
behandeling van een initiatiefvoorstel alle inlichtingen en adviezen die
van hen worden gevraagd en waarvan het verstrekken niet in strijd is met
het belang van de staat. Bij de mondelinge behandeling zijn de ministers
steeds aanwezig.
2.Ministers maken ook eigener beweging, zowel in de schriftelijke als in
de mondelinge fase, alle opmerkingen die zij dienstig achten om te komen
tot een goed wetgevingsproduct.
3.Ook tijdens de parlementaire behandeling van een initiatief-voorstel
wordt desgewenst aan de initiatiefnemers zoveel mogelijk en zo snel
mogelijk ambtelijke bijstand van juridische en wetgevingstechnische aard
verleend.
Aanwijzing 301
Ministers dragen er zorg voor dat zij in voorkomende gevallen over
initiatiefvoorstellen kunnen spreken namens het kabinet. Daartoe stellen
zij deze tijdig in de ministerraad aan de orde.
Aanwijzing 302
1. Zo spoedig mogelijk, doch niet later dan drie maanden na aanneming
van een initiatiefvoorstel door de Eerste Kamer doet de betrokken
minister mededeling aan de Staten-Generaal omtrent de besluitvorming
aangaande het al dan niet bekrachtigen van het voorstel, of, indien een
besluit nog niet is genomen, van de stand van zaken daaromtrent en van
het tijdstip waarop nieuwe mededelingen als vorenbedoeld zullen worden
gedaan.
2) In het algemeen wordt over een door de Staten-Generaal aangenomen
initatiefvoorstel door de regering geen advies aan de Afdeling
advisering van de Raad van State gevraagd, tenzij niet-bekrachtiging
wordt overwogen.
Toelichting:
Zie nader het Draaiboek voor de regelgeving, nr. 148.
§ 6.5 [Vervallen per 11-05-2011]
Aanwijzing 303 [Vervallen per 11-05-2011]
Hoofdstuk 7. Verdragen
§ 7.1. Voorbereiding van verdragen
Aanwijzing 304
1. Onder verdrag wordt verstaan: iedere op schrift gestelde overeenkomst
die volgens volkenrechtelijke criteria voor de staat verbindend is.
2. In verdragen wordt het Koninkrijk der Nederlanden als zodanig
aangeduid als partij bij het verdrag.
Toelichting:
Criteria voor verdragen. Niet bepalend voor de vraag of er sprake is van
een verdrag zijn de vorm (een verdrag kan uit één of meer stukken
bestaan), titel, wijze van totstandkoming en de functie van personen die
de regeling treffen. Voor wat betreft de volkenrechtelijke criteria
wordt verwezen naar het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht
(Nederlandse vertaling in Trb. 1985, 79). De verbindendheid van een
verdrag voor het Koninkrijk treedt eerst in na de inwerkingtreding voor
het Koninkrijk.
Benaming. In de Nederlandse vertaling van de titel van een verdrag wordt
bij voorkeur de grondwettelijke term "verdrag" gebruikt en
niet de term "overeenkomst". Als een verdrag niet de benaming
verdrag in de titel heeft, wordt het in stukken over het verdrag wel bij
voorkeur met de term verdrag aangeduid, tenzij dit verwarring kan
opleveren met andere in het stuk genoemde verdragen. Dat wil zeggen dat
bijvoorbeeld in een brief die als onderwerp vermeldt "Overeenkomst
inzake ...", geschreven wordt over "bovengenoemd
verdrag".
Partijen. Bij de onderhandelingen over ontwerp-verdragen wordt er naar
gestreefd om de staat - en derhalve niet de regering - als
verdragspartij aan te duiden. Mocht dit streven niet tot resultaat
leiden, dan wordt in de toelichting zo nodig aangegeven dat het verdrag
wel voor de staat zal gelden. Ook indien het om een verdrag gaat dat
binnen het Koninkrijk uitsluitend geldt voor Nederland, de Nederlandse
Antillen of Aruba is ‘Het Koninkrijk der Nederlanden’ het
volkenrechtelijk subject. De aanduiding ‘Nederland’ als
verdragsluitende partij is niet juist.
Internationale beleidsafspraken. Ter vermijding van misverstand moeten
verdragen goed worden onderscheiden van internationale beleidsafspraken
en van internationale privaatrechtelijke contracten die de staat of
staatsorganen sluiten.
Voor wat betreft internationale beleidsafspraken geldt het volgende.
Indien een regeling wordt beoogd die de staten niet volkenrechtelijk
verbindt, kan een internationale beleidsafspraak tot stand worden
gebracht tussen regeringen, een of meer ministers, of lagere
autoriteiten. Voor deze beleidsafspraken wordt bij voorkeur de benaming
"memorandum van overeenstemming" gebruikt. Het doel is veelal
om afspraken te maken voor toekomstig parallel optreden, of onderling
het beleid af te stemmen van overigens zelfstandige partijen.
Beleidsafspraken committeren de betrokken regeringen of ministers
politiek, maar leveren geen verplichtingen op waarvan men de naleving
rechtens kan vorderen. Strikt genomen hebben zij dan ook niet het
karakter van regelgeving. Van beleidsafspraken mag men echter wel
verwachten dat zij door de betrokken regeringen, ministers, enz. worden
nageleefd, voor zover de nationale grondwetten en wettelijke regels dat
toelaten. Voor wat Nederland betreft betekent dit dat het Nederlandse
parlement door middel van de ministeriële verantwoordelijkheid steeds
een eind zal kunnen maken aan de naleving van de afspraak en dat voor de
rechter stopzetting kan worden gevorderd als zou blijken dat naleving
strijdig is met de wet, of anderszins onrechtmatig is. Zie ook het
Draaiboek voor de regelgeving, Hoofdstuk VIII.
Overleg met Directie Juridische Zaken, Afdeling Internationaal Recht.
Over de voorbereiding van een internationale beleidsafspraak wordt in
een zo vroeg mogelijk stadium overleg gevoerd met de Directie Juridische
Zaken, Afdeling Internationaal Recht van het Ministerie van Buitenlandse
Zaken, ter vermijding van mogelijk internationaal misverstand over het
rechtskarakter van de afspraak en ter vermijding van ontstaan van
mogelijke frictie met de bepalingen van de Grondwet inzake verdragen.
Overleg met directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Wanneer
mogelijke frictie met de bepalingen van de Grondwet aan de orde is,
wordt tevens de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betrokken.
Aanwijzing 305
1. De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden in een zo
vroeg mogelijk stadium betrokken bij de totstandbrenging van verdragen
die deze landen kunnen raken en bij de ter zake te volgen procedures.
2. De Afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het
Ministerie van Buitenlandse Zaken onderhoudt de contacten hierover met
de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Toelichting:
Eerste lid: Volgens artikel 3 van het Statuut voor het Koninkrijk zijn
de buitenlandse betrekkingen koninkrijksaangelegenheid. Artikel 27 van
het Statuut bepaalt dat Aruba, Curaçao en Sint Maarten moeten worden
betrokken bij verdragen die hen ingevolge artikel 11 raken. In de
praktijk worden de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten met
betrekking tot alle verdragen benaderd met de vraag of het verdrag mede
moet gelden voor deze landen, en zo niet, of het verdrag in kwestie dan
wellicht die landen anderszins raakt in de zin van artikel 2, tweede
lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen. Dit laatste
wil zeggen dat het verdrag van zodanig belang wordt geacht dat het
betrokken land, hoewel het geen medegelding wenst, toch in de
gelegenheid wil zijn mee te spreken bij de parlementaire
goedkeuringsprocedure. De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten
worden alleen niet aldus benaderd met betrekking tot verdragen waarvan
zonder meer vaststaat dat zij alleen voor Nederland van belang zijn. Het
is niet nodig dat een verdrag voor alle vier de landen van het
Koninkrijk geldt. Gelding van het verdrag voor enkele van die landen van
het Koninkrijk is ook mogelijk. Wanneer ook de interne verhouding tussen
Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland in het geding is, wordt de
directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij de zaak betrokken.
Aanwijzing 306
1.Over de voorbereiding en goedkeuring van verdragen, over het tot
uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden
en over het voornemen een verdrag op te zeggen of al dan niet te
verlengen, wordt met het oog op de coördinatie ter verzekering van een
consistent verdragsbeleid in een zo vroeg mogelijk stadium contact
gezocht met de Afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken.
2.In gevallen dat het initiatief met betrekking tot verdragen bij het
Ministerie van Buitenlandse Zaken ligt, zoekt de Afdeling Verdragen van
de Directie Juridische Zaken op haar beurt in een zo vroeg mogelijk
stadium daarover contact met eventuele andere betrokken ministeries.
3.Over de voorbereiding en goedkeuring van verdragen, over het tot
uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden
en over het voornemen een verdrag op te zeggen of al dan niet te
verlengen, wordt eveneens contact gezocht met de onderdelen van andere
ministeries die bemoeienis hebben met het onderwerp waarop het verdrag
of een onderdeel daarvan betrekking heeft of met onderwerpen die door
het verdrag worden geraakt.
Toelichting:
Bij het overleg over de voorbereiding van verdragen dienen de
desbetreffende voorstellen, ontwerpen en instructies tijdig vooraf aan
de Afdeling Internationaal Recht van de Directie Juridische Zaken
gezonden te worden. Bij dit overleg moeten in elk geval de volgende
punten onder ogen worden gezien: de rubricering (openbaar, vertrouwelijk
of geheim), het niveau van sluiting, de status (zelfstandig of
uitvoering), de inwerkingtreding, de werkingsduur, eventuele
rechtstreekse werking en voorlopige toepassing, geschillenbeslechting,
eventuele voorbehouden en verklaringen, wijziging, opzegging en
territoriale gelding (zie ook aanwijzing 307).
Bij de voorbereiding van het sluiten, de behandeling in de (Rijks)ministerraad
en de goedkeuring van verdragen alsmede over het tot uitdrukking brengen
van instemming door een verdrag gebonden te worden, wordt de Afdeling
Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van
Buitenlandse Zaken tijdig vooraf ingeschakeld. Dit geldt eveneens voor
het voornemen een verdrag op te zeggen of al dan niet te verlengen.
Indien in de voorbereidende fase overleg met het parlement plaats zal
vinden, dient de Afdeling Verdragen daar ook bij betrokken te worden.
Bij overleg over de goedkeuring moet in elk geval bezien worden of
parlementaire goedkeuring wel of niet vereist is, of daarvoor de
uitdrukkelijke of de stilzwijgende procedure gevolgd zal worden, of er
een termijn voor de inwerkingtreding is en of de goedkeuring eventueel
na de binding plaats zou kunnen vinden. Ook de goedkeuringsstukken,
eventuele uitvoeringswetgeving, rechtstreekse werking en voorlopige
toepassing, zullen in dit overleg aan de orde moeten komen. Zie ook
aanwijzing 311.
Aanwijzing 307
1. Bij de voorbereiding van en de onderhandelingen over een verdrag
wordt tijdig en zorgvuldig aandacht besteed aan de gevolgen voor de
nationale wetgeving.
2. Zij die deelnemen aan de voorbereiding van of de onderhandelingen
over een verdrag dragen er zorg voor dat de centrale
wetgevingsafdelingen van de betrokken ministeries daarbij in een zo
vroeg mogelijk stadium worden ingeschakeld.
3. De onderhandelingsdelegaties nemen in hun verslag datgene op wat van
belang is voor de implementatie en voor de parlementaire goedkeuring.
Toelichting:
Eerste lid: Naast bestudering van vragen rond eventuele implementatie
dient ook aandacht te worden besteed aan de eventuele rechtstreekse
werking van de bepalingen van het verdrag en de gevolgen daarvan. Dat is
uiteraard nationaal van groot belang. Het kan echter ook nuttig zijn dit
punt internationaal aan de orde te stellen. Zie ook de toelichting op
aanwijzing 311.
Tweede lid: Vroegtijdige betrokkenheid is van belang met het oog op de
tijdige totstandbrenging van eventuele uitvoeringsregelgeving.
Derde lid: Indien tijdige aanpassing van Nederlandse wetgeving aan
toekomstige bindende besluiten op grond van het verdrag problematisch
kan zijn, wordt dit gesignaleerd in het verslag. Het gaat dan om
besluiten die bindend worden zonder dat daarvoor op enigerlei wijze nog
nationale instemming is vereist. Het verslag kan in dergelijke gevallen
analoge toepassing van aanwijzing 334 in overweging geven.
Aanwijzing 308
De opstelling van de authentieke Nederlandse tekst van een verdrag of
van de Nederlandse vertaling geschiedt door of onder
verantwoordelijkheid van de Afdeling Verdragen van de Directie
Juridische Zaken.
§ 7.2. Voorbereiding en implementatie van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties
Aanwijzing 309
Regeringsvertegenwoordigers die zitting hebben in een orgaan van een
volkenrechtelijke organisatie dat besluiten neemt die de lidstaten van
die organisatie binden, dragen er zorg voor dat, indien besluiten in
voorbereiding zijn die het regeringsbeleid betreffen of anderszins van
groot belang zijn, de ontwerpen voor deze besluiten voorwerp van overleg
vormen tussen de betrokken ministeries en in de ministerraad aan de orde
worden gesteld.
Toelichting:
EU-regelingen zijn ook besluiten van een volkenrechtelijke organisatie.
Deze aanwijzing en aanwijzing 310 zijn daarop ook van toepassing.
Aanwijzing 310
1.Bij de voorbereiding van besluiten van volkenrechtelijke organisaties
wordt aandacht besteed aan de gevolgen voor de nationale wetgeving.
2.Wanneer een het Koninkrijk bindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie tot stand is gekomen dat voor zijn uitvoering wettelijke
voorschriften vereist, worden deze zo spoedig mogelijk en binnen de
eventueel voorgeschreven termijn tot stand gebracht.
3.Indien het besluit bepalingen bevat die een ieder kunnen verbinden en
niet verenigbaar zijn met binnen het Koninkrijk geldende wettelijke
voorschriften, worden onverwijld maatregelen getroffen tot aanpassing
van de desbetreffende wettelijke voorschriften.
Toelichting:
Zie de toelichting bij aanwijzing 307, 309 en 311.
Aanwijzing 310a
1.Indien een verdrag een instantie aanwijst die bindende besluiten kan
nemen, zonder dat die instantie kan worden aangemerkt als orgaan van een
volkenrechtelijke organisatie in de zin van de artikelen 92, 93 en 94
van de Grondwet, of zonder dat duidelijkheid bestaat over deze vraag,
wordt in het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag een
machtigingsbepaling opgenomen, inhoudende dat de besluiten die door deze
instantie worden genomen, geen goedkeuring van de Staten-Generaal
behoeven.
2.In het in het eerste lid bedoelde geval wordt het verdrag steeds
goedgekeurd bij wet.
Toelichting:
Zie ook de artikelen 4 en 7, onderdeel a, van de Rijkswet goedkeuring en
bekendmaking verdragen en de aanwijzingen 312 en 320.
§ 7.3. Voorbereiding van wetgeving inzake goedkeuring en implementatie
Aanwijzing 311
1. Bij de voorbereiding van de parlementaire goedkeuring van een verdrag
wordt onderzocht in hoeverre de naleving door het Koninkrijk wettelijke
voorschriften vereist.
2. Indien tot stand te brengen voorschriften bij wet moeten worden
vastgesteld, wordt het desbetreffende wetsvoorstel in beginsel
gelijktijdig met het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag bij de
Tweede Kamer ingediend. Overwogen kan worden de goedkeuring en
uitvoering van het verdrag in één wet te regelen.
Toelichting:
Eerste lid: Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt ook
bezien of het verdrag bepalingen bevat die naar hun inhoud een ieder
kunnen binden en niet verenigbaar zijn met binnen het Koninkrijk
geldende wettelijke voorschriften, zodat aanpassing van die
voorschriften nodig is. Dit omdat artikel 94 van de Grondwet bepaalt dat
binnen het Koninkrijk geldende voorschriften geen toepassing vinden
indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende
bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties, en het, met het oog op de duidelijkheid van het geldende
recht en ter vermijding van een onnodige werklast voor de rechter,
wenselijk is wettelijke voorschriften die op grond van deze bepaling
niet meer zullen worden toegepast, aan te passen.
Tweede lid: Deze aanwijzing verplicht niet in alle gevallen tot
gelijktijdige indiening en/of inwerkingtreding van goedkeuringswet en
uitvoeringswet. Hierdoor kan de wet tot goedkeuring van het verdrag
eerder tot stand komen en in werking treden dan de in de regel wat
complexere formele uitvoeringswetgeving. Het verdrag kan dan sneller
worden geratificeerd. Dit kan wenselijk zijn in geval van politiek
belangrijke verdragen, waarvan verwacht wordt dat de inwerkingtreding
ervan lang op zich zal laten wachten en het wenselijk wordt geacht dat
ons land het verdrag in een vroeg stadium ratificeert. De
uitvoeringswetgeving moet uiteraard wel van kracht zijn of worden op het
moment dat het verdrag in kwestie in werking treedt.
Het ontwerp voor een mogelijk noodzakelijke algemene maatregel van
bestuur of ministeriële regeling moet met inachtneming van de
aanwijzingen 34a en 173, tweede lid, ook op een zodanig moment in
procedure worden gebracht dat tijdige inwerkingtreding is gegarandeerd.
Bij verdragen, die deels betrekking hebben op bevoegdheden van de EU en
deels betrekking hebben op bevoegdheden van Nederland, wordt bij de
toepassing van deze aanwijzing rekening gehouden met ratificatie door de
EU, met inbegrip van het tijdstip van ratificatie en de vaststelling van
eventuele bindende EU-rechtshandelingen.
Aanwijzing 311a
1. De uitdrukkelijke goedkeuring van verdragen die krachtens een
territorialiteitsbepaling of naar hun aard binnen het Koninkrijk alleen
voor Nederland gelden, geschiedt niet bij rijkswet, maar bij wet.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de goedkeuring
van verdragen waarbij medegelding voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten
weliswaar mogelijk is, maar waarbij reeds bij de indiening van het
goedkeuringswetsvoorstel definitief is vastgesteld dat het verdrag niet
mede voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten zal worden goedgekeurd.
Toelichting
Eerste lid: Het ligt niet in de rede de in dit lid bedoelde verdragen
bij rijkswet goed te keuren. Als het om regels inzake een
koninkrijksaangelegenheid gaat die niet gelden in Aruba, Curaçao en
Sint Maarten, geeft artikel 14, derde lid, van het Statuut voor het
Koninkrijk der Nederlanden expliciet aan dat deze bij gewone wet moeten
worden vastgesteld.
Tweede lid: In de in het tweede lid genoemde gevallen moet uit de tekst
van de goedkeuringswet blijken dat de goedkeuring voor het Koninkrijk
uitsluitend plaatsvindt voor Nederland (zie artikel 1 van het model,
genoemd in aanwijzing 312).
Aanwijzing 311b
Indien in een wet de uitvoering van verdragen en besluiten van
volkenrechtelijke organisaties wordt gedelegeerd naar een lagere
regeling, wordt voor de delegatiebepaling het volgende model als
uitgangspunt genomen:
Bij (of krachtens) algemene maatregel van bestuur/ministeriële regeling
worden regels gesteld ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien
uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke
organisaties.
Toelichting
Wanneer daarvoor gronden aanwezig zijn, kan van de standaard worden
afgeweken en voor een ruimere verwijzing gekozen worden. Zo kan het
nodig zijn om ter uitvoering van ‘aanbevelingen’ en ‘internationale
afspraken’ niet juridisch bindende regels vast te stellen. Zie ook de
aanwijzingen 23, 24, 25 en 334.
Aanwijzing 312
Voor een voorstel van (rijks)wet tot goedkeuring van een verdrag wordt
het volgende model gevolgd:
Goedkeuring van het op … te … tot stand gekomen verdrag …
Wij Beatrix, (enz.)
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op … te … tot stand
gekomen verdrag … ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Grondwet de
goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk
daaraan kan worden gebonden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State (van het Koninkrijk) gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, (de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde), hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Het op … te … tot stand gekomen verdrag …, waarvan de … tekst
(en de vertaling in het Nederlands) is (zijn) geplaatst in Tractatenblad
…, wordt goedgekeurd voor (het Europese/Caribische deel van)
Nederland/ voor Aruba / voor Curaçao/ voor Sint Maarten / voor het
gehele Koninkrijk.
(Eventueel: Artikel 2
Goedgekeurd wordt dat bij de binding van het Koninkrijk aan het in
artikel 1 genoemde verdrag voor (het Europese/Caribische deel van)
Nederland/ voor Aruba / voor Curaçao/ voor Sint Maarten / voor het
gehele Koninkrijk het volgende voorbehoud wordt gemaakt: … (tekst
eventueel voorbehoud).)
Artikel 2 (3)
Deze (rijks)wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen (enz.)
Toelichting:
Het maken van een voorbehoud heeft gevolgen voor de omvang van de
verdragsverplichtingen die het Koninkrijk op zich neemt. Vandaar dat te
maken voorbehouden parlementaire goedkeuring behoeven. Overigens kunnen
voorbehouden alleen worden gemaakt als zij volkenrechtelijk toelaatbaar
zijn.
Indien het gaat om een goedkeuring achteraf (dat wil zeggen dat het
Koninkrijk al aan het verdrag is gebonden omdat er sprake is van een
buitengewoon geval van dringende aard als bedoeld in artikel 10 van de
Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen) en indien het gaat om
goedkeuring van een (voornemen tot) opzegging, moet de tekst van het
wetsvoorstel uiteraard dienovereenkomstig worden aangepast.
In het geval dat een voorstel van wet tot goedkeuring van een verdrag
meer regelt dan alleen de goedkeuring van het verdrag - bijvoorbeeld ook
de uitvoeringswetgeving bevat - kan er aanleiding zijn een van de andere
in aanwijzing 178 vervatte inwerkingtredingsbepalingen te gebruiken.
Indien ten aanzien van een ter stilzwijgende goedkeuring aan de
Staten-Generaal overgelegd verdrag de wens te kennen is gegeven dat het
verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring zal worden onderworpen en de
Raad van State niet opnieuw gehoord wordt, blijven niettemin in de
aanhef de woorden "de Raad van State gehoord" staan, omdat de
Raad van State dan al is gehoord in het kader van de stilzwijgende
goedkeuringsprocedure.
Aanwijzing 313
1. Een wetsvoorstel tot goedkeuring van een verdrag wordt voorzien van
een memorie van toelichting.
2. Een voorstel tot stilzwijgende goedkeuring van een verdrag gaat
vergezeld van een toelichtende nota.
3. Toelichtingen op verdragen worden beperkt tot hetgeen voor een goed
begrip nodig is. In voorkomend geval wordt daarin aangegeven dat
wijziging van een bijlage die een integrerend onderdeel vormt van het
verdrag en waarvan de inhoud van uitvoerende aard is ten opzichte van de
bepalingen van het verdrag zelf, geen parlementaire goedkeuring behoeft,
tenzij de Staten-Generaal zich het recht daartoe voorbehouden.
4. Indien een verdrag gevolgen heeft voor de nationale regelgeving wordt
dit in de toelichting besproken. Bij de binding van het Koninkrijk te
maken voorbehouden en af te leggen verklaringen die geen voorbehouden
inhouden, worden eveneens in de toelichting besproken.
5. In de toelichting op een verdrag dat niet voor het Koninkrijk als
geheel wordt gesloten, worden de redenen beschreven om aan dat verdrag
wel of geen gelding of medegelding voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba
te verlenen.
Toelichting:
Als er in het kader van een internationale organisatie waarin de
onderhandelingen over een verdrag hebben plaatsgevonden, ook een
gemeenschappelijke toelichting is opgesteld, verdient het aanbeveling om
de Nederlandse vertaling van die gemeenschappelijke toelichting te
gebruiken, aangevuld met een bespreking van de specifiek Nederlandse,
Arubaanse, Curaçaose of Sint Maartense aspecten. Als de
gemeenschappelijke toelichting al te omvangrijk is kan beter een
beknopte eigen toelichting worden geschreven en de gemeenschappelijke
toelichting (onvertaald) ter griffie van beide kamers der
Staten-Generaal worden gedeponeerd ter inzage door de leden.
Wat betreft het vierde lid is van belang het onderscheid tussen
voorbehouden en verklaringen. Primair verschil is dat voorbehouden
meestal wijziging brengen in de verdragsverplichtingen, terwijl
verklaringen daarin geen verandering brengen. Er zijn velerlei soorten
verklaring mogelijk, bijvoorbeeld betreffende de interpretatie van
bepaalde verdragsartikelen, politieke intenties, aanwijzing van
autoriteiten, enz.
Zie voor de ondertekening van de memorie van toelichting bij een
voorstel van wet tot goedkeuring van een verdrag en de toelichtende nota
in geval van stilzwijgende goedkeuring van een verdrag aanwijzing 221.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken (afdeling Verdragen) wordt wel
steeds betrokken bij de voorbereiding van deze stukken en een
bewindspersoon van Buitenlandse Zaken is altijd medeondertekenaar van de
goedkeuringswet.
Vijfde lid
Verdragen kunnen, behalve voor het Koninkrijk als geheel, ook voor een
of meer specifieke landen of delen van het Koninkrijk worden gesloten.
Vanwege het feit dat Bonaire, Sint Eustatius en Saba in staatsrechtelijk
opzicht deel uitmaken van het land Nederland, maar in geografisch
opzicht tot het Caribische deel van het Koninkrijk behoren, is het
wenselijk om in de toelichting op een verdrag uitdrukkelijk stil te
staan bij de vraag of het verdrag ook voor Bonaire, Sint Eustatius en
Saba zal gelden. De geografische ligging kan aanleiding zijn om een voor
Aruba, Curaçao of Sint Maarten te sluiten verdrag ook voor Bonaire,
Sint Eustatius en Saba te laten gelden of een voor Nederland te sluiten
verdrag uitsluitend voor het Europese deel van Nederland te laten
gelden. Omgekeerd kan de staatsrechtelijke verbondenheid met Nederland
juist reden zijn om een Caribisch verdrag niet voor Bonaire, Sint
Eustatius en Saba te laten gelden of een voor Nederland te sluiten
verdrag gelijkelijk voor het Europese en het Caribische deel van
Nederland te laten gelden. In bijzondere gevallen is het zelfs denkbaar
dat een verdrag uitsluitend voor Bonaire, Sint Eustatius of Saba wordt
gesloten, zonder ook voor de overige delen van het Koninkrijk te gelden.
§ 7.4. Behandeling in de ministerraad
Aanwijzing 314
1. Met betrekking tot verdragen worden in de ministerraad gelijktijdig
aan de orde gesteld de ondertekening of totstandbrenging op andere wijze
en de eventuele voorlopige toepassing, alsook de parlementaire
goedkeuringsstukken, tenzij het noodzakelijk wordt geacht dat eerst
alleen de totstandkoming aan de orde wordt gesteld.
2. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken het verdrag niet zelf
ondertekent, verleent hij aan diegene die ondertekent een volmacht tot
ondertekening of zorgt hij dat er een koninklijke volmacht komt.
3. Bij de beraadslaging over de totstandbrenging van een verdrag spreekt
de ministerraad (van het Koninkrijk) zich erover uit of het verdrag
Aruba, Curaçao, Sint Maarten en het Caribische deel van Nederland al
dan niet raakt.
Toelichting:
Het kan ook voorkomen dat een verdrag niet wordt ondertekend, zoals
bijvoorbeeld met IAO-verdragen het geval is (zie voor wat IAO-verdragen
betreft ook de toelichting op aanwijzing 317). Voorts kan het voorkomen
dat een verdrag niet meer kan worden ondertekend en toetreding
plaatsvindt.
Voor wat betreft het derde lid wordt verwezen naar de toelichting op
aanwijzing 305.
§ 7.5. Bewaring en bekendmaking
Aanwijzing 315
Originele ondertekende exemplaren van bilaterale verdragen en
gewaarmerkte afschriften van multilaterale verdragen dienen aan de
Afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken te worden gezonden
ter deponering in het archief der verdragen, dat door het Ministerie van
Buitenlandse Zaken wordt beheerd.
Aanwijzing 316
Teksten van besluiten van volkenrechtelijke organisaties en
verdragsrechtelijke gegevens worden met het oog op de bekendmaking aan
de Afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken toegezonden.
Toelichting:
Besluiten van volkenrechtelijke organisaties. In ieder geval moeten
worden bekendgemaakt die besluiten:
- die hetzij rechtstreeks rechten en verplichtingen voor de burgers
kunnen meebrengen, hetzij voor de overheid rechten of verplichtingen van
voldoende betekenis tot gevolg hebben;
- die een verdrag, of bijlagen daarbij, wijzigen;
- die van het Koninkrijk of een van de landen daarvan aanvaarding
vergen, of
- die aan de Staten-Generaal, de Staten van Aruba, de Staten van
Curaçao of de Staten van Sint Maarten krachtens internationaal
voorschrift dienen te worden voorgelegd (bijvoorbeeld aanbevelingen van
de Internationale Arbeidsorganisatie).
Ter zake van de bekend te maken besluiten wordt ook verwezen naar de
artikelen 16 tot en met 20 van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking
verdragen.
In spoedeisende gevallen (de tekst dient immers in het Tractatenblad te
zijn bekendgemaakt vóór de datum van inwerkingtreding) is het
wenselijk tijdig met de Afdeling Verdragen van de Directie Juridische
Zaken contact op te nemen en eventueel alvast een ontwerp-tekst toe te
zenden. Bij twijfel of een besluit in aanmerking komt voor bekendmaking
in het Tractatenblad dient ook contact te worden opgenomen met de
Afdeling Verdragen.
Bindende EU-rechtshandelingen worden niet in het Tractatenblad maar in
het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.
Verdragsrechtelijke gegevens. Onder verdragsrechtelijke gegevens worden
verstaan gegevens betreffende ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding,
goedkeuring, toetreding, opzegging, territoriale toepassing, verklaring
van voortgezette gebondenheid, het maken van of het intrekken van
voorbehouden, het afleggen, wijzigen of intrekken van verklaringen, het
doen van in een verdrag voorziene mededelingen, voorlopige toepassing,
in- en buitenwerkingtreding en verlenging.
Aanwijzing 317
Wanneer een verdrag is ondertekend, wordt overleg gevoerd met de
Afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken over toezending van
de tekst aan het parlement.
Toelichting:
Alle verdragen (behalve vertrouwelijke en geheime) worden bekendgemaakt
in het Tractatenblad en komen daardoor ter kennis van het parlement.
Verdragen die geen goedkeuring behoeven, worden bovendien, zodra het
Tractatenblad is verschenen, door de Minister van Buitenlandse Zaken nog
speciaal ter kennis van het parlement gebracht. Ook vertrouwelijke en
geheime verdragen worden in beginsel ter kennis gebracht van het
parlement door de Minister van Buitenlandse Zaken, als vertrouwelijk of
op voorwaarde van geheimhouding. Verdragen die parlementaire goedkeuring
behoeven, komen ook daardoor onder ogen van het parlement. Het kan zich
echter voordoen dat bij het parlement zo grote belangstelling bestaat
voor een verdrag, dat wachten op het Tractatenblad en indiening ter
goedkeuring te lang zou duren. In dergelijke gevallen kan de tekst van
een verdrag direct na de ondertekening ter kennis van het parlement
worden gebracht in de vorm van een fotokopie van de ondertekende tekst.
IAO-verdragen worden niet ondertekend. Krachtens het IAO-Statuut moeten
deze binnen een maximumtermijn aan het parlement worden
"voorgelegd", dat wil zeggen dat zij ter goedkeuring worden
ingediend, of dat aan het parlement wordt medegedeeld dat en waarom het
verdrag in kwestie niet of nog niet ter goedkeuring wordt ingediend.
§ 7.6. Advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State
Aanwijzing 318
In spoedgevallen kan een voorstel tot goedkeuring van een verdrag bij de
Afdeling advisering van de Raad van State aanhangig worden gemaakt,
voordat ondertekening van het verdrag heeft plaatsgevonden, mits de
besluitvorming in de ministerraad over de tekst van het verdrag, de
toelichting daarop en de overige voor de goedkeuring door de
Staten-Generaal noodzakelijke stukken is afgerond.
Toelichting:
Na ondertekening van het verdrag wordt een kopie van het ondertekende
verdrag ondershands aan de Afdeling advisering toegezonden. Eerst daarna
brengt de Afdeling haar advies uit.
Aanwijzing 319
1. Voor de brief aan de Koningin waarbij een minister een verdrag
aanbiedt met het oog op stilzwijgende goedkeuring met het verzoek dit
bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk
aanhangig te maken, wordt het volgende model gevolgd:
Aan de Koningin
Verdrag … (naam van het verdrag met plaats en datum en
Tractatenbladnummer indien mogelijk)
Daartoe gemachtigd door de ministerraad van het Koninkrijk bied ik Uwe
Majesteit (, mede namens/in overeenstemming met/na overleg met mijn
ambtgenoot van …,) de tekst van bovengenoemd verdrag aan. Dit verdrag
gaat vergezeld van een toelichtende nota. (Over de tekst van dit verdrag
is overeenstemming bereikt met ... (aanduiding van de wederpartij(en))
en het zal binnenkort tot stand worden gebracht.)
Het verdrag behoeft de goedkeuring van de Staten-Generaal alvorens het
Koninkrijk daaraan kan worden gebonden.
In verband hiermee neemt de Minister van Buitenlandse Zaken zich voor
het verdrag ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste
en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en tevens over te leggen aan
de Staten van Aruba, de Staten van Curaçao en de Staten van Sint
Maarten.
Ik moge U verzoeken het verdrag aan de Afdeling advisering van de Raad
van State van het Koninkrijk ter advisering voor te leggen en de
Afdeling advisering te machtigen haar advies rechtstreeks aan mij te
doen toekomen (en afschrift van het advies toe te zenden aan mijn
bovenvermelde ambtgenoot).
De Minister van/voor ...
2. Indien een verdrag niet mede zal gelden voor een of meerdere landen
van het Caribische deel van het Koninkrijk, wordt het volgende model
gevolgd:
Aan de Koningin
Verdrag … (naam van het verdrag met plaats en datum en
Tractatenbladnummer indien mogelijk)
Daartoe gemachtigd door de ministerraad (van het Koninkrijk) bied ik Uwe
Majesteit (, mede namens/in overeenstemming met/na overleg met mijn
ambtgenoot van …,) de tekst van bovengenoemd verdrag aan. Dit verdrag
gaat vergezeld van een toelichtende nota. (Over de tekst van dit verdrag
is overeenstemming bereikt met ... (aanduiding van de wederpartij(en))
en het zal binnenkort tot stand worden gebracht.)
Het verdrag behoeft de goedkeuring van de Staten-Generaal alvorens het
Koninkrijk daaraan kan worden gebonden.
De ministerraad (van het Koninkrijk) heeft vastgesteld dat het verdrag
niet zal gelden voor voor Nederland / voor Aruba / voor Curaçao / voor
Sint Maarten en evenmin/maar wel voor Nederland / voor Aruba/ voor
Curaçao/ voor Sint Maarten anderszins raakt in de zin van artikel 2,
tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.
In verband hiermee neemt de Minister van Buitenlandse Zaken zich voor
het verdrag ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste
en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en tevens/doch niet over te
leggen aan de Staten van Aruba/ Curaçao/ Sint Maarten.
Ik moge U verzoeken het verdrag aan de Afdeling advisering van de Raad
van State (van het Koninkrijk) ter advisering voor te leggen en de
Afdeling advisering te machtigen haar advies rechtstreeks aan mij te
doen toekomen (en afschrift van het advies toe te zenden aan mijn
bovenvermelde ambtgenoot).
De Minister van/voor ...
Toelichting:
Bij tweede lid: Zie over artikel 2, tweede lid, van de Rijkswet
goedkeuring en bekendmaking verdragen de toelichting op aanwijzing 305,
eerste lid
Aanwijzing 320
Voor de brief aan de Koningin waarbij een minister een voorstel van wet
tot goedkeuring van een verdrag aanbiedt met het verzoek dit bij de
Afdeling advisering van de Raad van State (van het Koninkrijk) aanhangig
te maken, wordt het volgende model gevolgd:
Aan de Koningin
Voorstel van (rijks)wet, houdende goedkeuring van … (naam van het
verdrag met plaats en datum en Tractatenbladnummer indien mogelijk)
Daartoe gemachtigd door de ministerraad (van het Koninkrijk) bied ik Uwe
Majesteit (, mede namens/in overeenstemming met/na overleg met mijn
ambtgenoot van/voor …,) het bovenvermelde voorstel van (rijks)wet aan.
Het voorstel gaat vergezeld van een memorie van toelichting en van de
tekst van het verdrag waarop het voorstel betrekking heeft.
(Eventueel: De ministerraad (van het Koninkrijk) heeft vastgesteld dat
het verdrag niet zal gelden voor voor Nederland / voor Aruba / voor
Curaçao / voor Sint Maarten en evenmin/maar wel voor Nederland / voor
Aruba / voor Curaçao / voor Sint Maarten anderszins raakt in de zin van
artikel 2, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking
verdragen.)
Ik moge U verzoeken het voorstel aan de Raad van State (van het
Koninkrijk) ter advisering voor te leggen en de Afdeling advisering van
de Raad te machtigen haar advies rechtstreeks aan mij te doen toekomen
(en afschrift van het advies toe te zenden aan mijn bovenvermelde
ambtgenoot).
De Minister van/voor …
Aanwijzing 321
Indien ten aanzien van een ter stilzwijgende goedkeuring aan de
Staten-Generaal overgelegd verdrag de wens te kennen is gegeven dat het
verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring zal worden onderworpen en de
Afdeling advisering van de Raad van State niet opnieuw gehoord wordt,
wordt voor de brief waarbij een minister het desbetreffende voorstel van
(rijks)wet aan de Koningin voorlegt, het volgende model gevolgd:
Aan de Koningin
Voorstel van (rijks)wet, houdende goedkeuring van . . . (naam van het
verdrag met plaats en datum en Tractatenbladnummer)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van ..., nr. …,
machtigde Uwe Majesteit de Minister van Buitenlandse Zaken het verdrag
waarop het bovenvermelde voorstel van (rijks)wet betrekking heeft, met
het oog op stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de beide kamers
der Staten-Generaal en aan de Staten van Aruba/ Curaçao/Sint Maarten.
Bij brieven van … heeft de Minister van Buitenlandse Zaken vervolgens
het verdrag overgelegd (Kamerstukken II ...).
Op … hebben … leden van de Eerste/Tweede Kamer der Staten-Generaal
overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en
bekendmaking verdragen, de wens te kennen gegeven dat het verdrag aan de
uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal zal worden
onderworpen.
In verband hiermee bied ik U (, mede namens/in overeenstemming met/na
overleg met mijn ambtgenoot van ...,) het hierbovenvermelde voorstel van
(rijks)wet aan.
Op grond van artikel 19, onder b, van de Wet op de Raad van State kan
het horen van de Afdeling advisering van de Raad van State (van het
Koninkrijk) achterwege blijven aangezien de Afdeling advisering al
gehoord is in het kader van de stilzwijgende goedkeuringsprocedure.
Ik moge U derhalve verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van (rijks)wet
en de memorie van toelichting rechtstreeks aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal (, de Staten van Aruba/ Curaçao/Sint Maarten) te
zenden.
De Minister van/voor . . .
Toelichting:
Indien de wens te kennen is gegeven door of namens een van de kamers, of
door de Gevolmachtigde Minister van Aruba, Curaçao of Sint Maarten (zie
artikel 5, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking
verdragen), moet uiteraard een aangepaste redactie worden gevolgd.
Ingevolge artikel 19, onder b, van de Wet op de Raad van State kan het
horen van de Afdeling advisering van de Raad van State achterwege
blijven. Indien zich nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan kan het
echter zinvol zijn dat de Raad van State wel gehoord wordt. In
dergelijke gevallen dient de laatste alinea van het model de
gebruikelijke formulering te volgen. Zie aanwijzing 273.
Aanwijzing 322
Indien zich in het in aanwijzing 321 bedoelde geval geen nieuwe
omstandigheden hebben voorgedaan, wordt in de memorie van toelichting
geen extra toelichting gegeven en wordt daarvoor het volgende model
gevolgd:
Op ... (datum) gaven … (aantal) leden van de (Eerste)(Tweede) Kamer
der Staten-Generaal, overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de
Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de wens te kennen dat
het op . . . te . . . tot stand gekomen Verdrag …, overgelegd aan de
beide kamers der Staten-Generaal (en de Staten van Aruba/ Curaçao/ Sint
Maarten) bij brieven van ..., Kamerstukken …, aan de uitdrukkelijke
goedkeuring van de Staten-Generaal zal worden onderworpen. Het
onderhavige voorstel van (rijks)wet strekt daartoe.
Ter toelichting verwijzen wij naar de toelichtende nota die bij
bovengenoemde brieven was gevoegd.
De Minister van . . .
Toelichting:
De ondertekening van deze memorie toelichting blijft beperkt tot de
eerstverantwoordelijke minister (zie aanwijzing 221). Het Ministerie van
Buitenlandse Zaken wordt wel steeds betrokken bij de voorbereiding van
deze stukken.
Aanwijzing 323
Voor het nader rapport inzake stilzwijgende goedkeuring van een verdrag
wordt het volgende model gevolgd:
Aan de Koningin
Verdrag ... (vermelding van de naam van het verdrag met plaats en datum
van sluiting)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van ..., nr. ...,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State
(van het Koninkrijk) zijn advies inzake het bovenvermelde verdrag
rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd ..., nr.
..., bied ik U hierbij aan. Het verdrag geeft de Afdeling advisering van
de Raad van State (van het Koninkrijk) geen aanleiding tot het maken van
inhoudelijke opmerkingen (of: bespreking van de bezwaren of
opmerkingen).
Ik moge U (, mede namens/in overeenstemming met/na overleg met mijn
ambtgenoot van/voor ...,) verzoeken de Minister van Buitenlandse Zaken
te machtigen gevolg te geven aan zijn voornemen het verdrag vergezeld
van de (gewijzigde) toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over
te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (en
tevens over te leggen aan de Staten van Aruba/ Curaçao/ Sint Maarten).
De Minister van/voor ...
Toelichting:
Het nader rapport met betrekking tot een wetsvoorstel tot goedkeuring
van een verdrag volgt het model van aanwijzing 273. Indien het gaat om
de goedkeuring van het voornemen tot opzegging van een verdrag dient in
het nader rapport een aangepaste redactie gevolgd te worden.
§ 7.7. Parlementaire goedkeuring en totstandbrenging van de binding
Aanwijzing 324
Aan het Kabinet der Koningin worden met het oog op de verkrijging van de
machtiging tot overlegging van een verdrag ter stilzwijgende goedkeuring
de volgende stukken gezonden:
a. het nader rapport;
b. een afschrift van het nader rapport;
c. het originele exemplaar van het advies van de Afdeling advisering van
de Raad van State;
d. indien de tekst van de toelichtende nota afwijkt van de tekst die aan
de Afdeling advisering is voorgelegd: het van de Afdeling advisering
terug ontvangen exemplaar van de toelichtende nota;
e. de tekst van het verdrag met de toelichtende nota en eventuele
bijlagen daarbij.
Toelichting:
De stukken die in het kader van artikel 26 van de Wet op de Raad van
State moeten worden overgelegd aan de Staten-Generaal, worden pas
meegezonden met de in aanwijzing 326 behandelde overlegging van het
verdrag ter stilzwijgende goedkeuring bij het parlement.
Aanwijzing 325
Aan het Kabinet van de Koningin worden met het oog op de indiening van
een wetsvoorstel tot goedkeuring van een verdrag de stukken gezonden,
bedoeld in aanwijzing 283, en voorts een exemplaar van het Tractatenblad
met de tekst van het verdrag.
Toelichting:
Indien het gaat om een voorstel van rijkswet, omdat het verdrag Aruba,
Curaçao of Sint Maarten dan wel één of meer van die landen raakt,
worden één onderscheidenlijk twee of drie extra exemplaren van het
Tractatenblad bijgevoegd.
Aanwijzing 326
1. In geval van stilzwijgende goedkeuring van een verdrag wordt dit, na
daartoe van de Koningin verkregen machtiging, door de Minister van
Buitenlandse Zaken overgelegd aan de beide kamers van de Staten-Generaal
en, indien het verdrag Aruba, Curaçao, Sint Maarten of al die landen
raakt, gelijktijdig aan de Staten van de betrokken landen. Daarbij
worden meegezonden:
a. een Tractatenblad met de tekst van het verdrag;
b. de toelichtende nota en eventuele bijlagen daarbij.
2. Tenzij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
instemmend luidt, of uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat
en in het nader rapport geen nieuwe punten worden besproken, worden
tevens de volgende stukken toegezonden:
a. een afschrift van het nader rapport;
b. een afschrift van het advies van de Afdeling advisering;
c. een stuk waarin de teksten zijn opgenomen van die gedeelten uit de
aan de Afdeling advisering voorgelegde toelichtende nota, die na
voorlegging aan de Afdeling zijn gewijzigd.
Aanwijzing 326a
1.Voor overlegging van een verdrag aan de beide kamers der
Staten-Generaal ter stilzwijgende goedkeuring wordt een zodanig tijdstip
gekozen dat ten minste tweederde van de in artikel 5, eerste lid, van de
Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen bedoelde termijn buiten
een reces van de kamers valt.
2.Indien het eerste lid niet in acht genomen kan worden, wordt dit bij
de overlegging uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.
Toelichting:
Hiermee wordt zeker gesteld dat de Staten-Generaal hun rechten terzake
ook daadwerkelijk kunnen uitoefenen.
Aanwijzing 327
Voordat de Minister van Buitenlandse Zaken, na verkregen parlementaire
goedkeuring, de binding van het Koninkrijk aan een verdrag tot stand
doet brengen, vergewist de Afdeling Verdragen van de Directie Juridische
Zaken zich ervan bij de medebetrokken ministeries en in voorkomend geval
bij de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten dat
er geen bezwaar bestaat tegen de totstandbrenging van de binding.
Toelichting:
Het kan zich voordoen dat het direct tot stand brengen van de binding
niet opportuun is, bijvoorbeeld omdat dit gemeenschappelijk in EU-kader
dient plaats te vinden of omdat nog uitvoeringsmaatregelen moet worden
getroffen. Voorts zou het kunnen voorkomen dat door plotseling
veranderende omstandigheden de totstandbrenging van de binding niet meer
opportuun is. Zie ook het Draaiboek voor de regelgeving, nr. 257.
Aanwijzing 327a [Vervallen per 11-05-2005]
Hoofdstuk 8. Voorbereiding, totstandkoming en implementatie van bindende
EU-rechtshandelingen
§ 8.1. Begripsbepaling en toepassingsbereik
Aanwijzing 328
Onder implementatie wordt in dit hoofdstuk verstaan: de uitvoering van
bindende EU-rechtshandelingen in het nationale recht door middel van het
vaststellen van algemeen verbindende voorschriften.
Toelichting:
De in hoofdstuk 8 opgenomen aanwijzingen hebben tot doel de tijdige en
juiste implementatie van bindende EU-rechtshandelingen te realiseren
(zie voor het begrip bindende EU-rechtshandelingen aanwijzing 2).
Implementatie ziet in zijn algemeenheid op alle maatregelen van intern
recht die een lidstaat van de Europese Unie neemt ter uitvoering van
bindende EU-rechtshandelingen. Ten behoeve van implementatie kunnen
zowel regelgevende als niet-regelgevende activiteiten noodzakelijk zijn
(bijvoorbeeld de toepassing en handhaving en het verrichten van de
implementatiemelding). De implementatie van EU-richtlijnen is pas
afgerond indien de melding aan de Europese Commissie is voltooid
(zieaanwijzing 345). Dit hoofdstuk ziet op regelgevende activiteiten,
zoals:
a. het vastleggen van gewaarborgde rechten en verplichtingen;
b. het aanpassen van strijdige regelgeving;
c. het creëren van noodzakelijke uitvoerings- en handhavingsstructuren
(bijvoorbeeld het aanwijzen van een toezichthouder).
Deze aanwijzingen zijn als zodanig niet slechts van belang voor (wetgevings)juristen,
maar voor een ieder die bij de voorbereiding en implementatie van
bindende EU-rechtshandelingen is betrokken.
Aanwijzing 329
De hoofdstukken 2 tot en met 7 zijn van toepassing op de voorbereiding
en totstandkoming van regelgeving ter implementatie van bindende
EU-rechtshandelingen, voor zover hiervan niet wordt afgeweken in dit
hoofdstuk.
Toelichting:
Voor een aantal onderwerpen, zoals delegatie van regelgevende
bevoegdheid of procedures, geldt dat dit hoofdstuk 8 bijzondere regels
geeft, specifiek voor implementatie.
§ 8.2. Algemene uitgangspunten bij implementatie
Aanwijzing 330
Indien de te implementeren bindende EU-rechtshandeling tevens geldt voor
de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, wordt hier rekening mee
gehouden bij de vaststelling van het toepassingsbereik van de
implementatieregeling.
Toelichting:
Sinds de inwerkingtreding van de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte in 1994 en de Overeenkomsten tussen de EU en
Zwitserland wordt door het Gemengd Comité van de Europese Economische
Ruimte, respectievelijk het Gemengd Comité van de EU-Zwitserland,
bepaald of nieuwe bindende EU-rechtshandelingen op het terrein van de
Overeenkomsten in de bijlagen bij de Overeenkomsten worden opgenomen en
daarmee ook van kracht worden in niet-lidstaten die wel partij zijn bij
de Overeenkomsten. Het desbetreffende Publicatieblad vermeldt dan onder
het opschrift ‘(Voor de EER relevante tekst)’, of: (Voor Zwitserland
relevante tekst).
Aanwijzing 331
Bij implementatie worden in de implementatieregeling geen andere regels
opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk zijn.
Toelichting:
Gelet op de noodzaak van tijdige implementatie wordt vermeden dat de
implementatie van bindende EU-rechtshandelingen wordt‘meegenomen’ in
een bredere herziening van de desbetreffende regelgeving of dat in de
implementatieregeling‘extra’ nationaal beleid wordt meegenomen. Bij
dit laatste gaat het met name om regels die geen verband houden met de
bindende EU-rechtshandeling en om nodeloze verfijningen ten opzichte van
die regelgeving. Ook moet in het algemeen worden vermeden te wachten op
een volgende wijziging van de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling
teneinde deze in de implementatieregeling mee te nemen.
Deze aanwijzing strekt ertoe onnodige redenen voor vertraging te
voorkomen. Daarnaast kunnen, los van het gevaar van vertraging, ook
(bijvoorbeeld vanuit concurrentieoverwegingen) beleidsopvattingen
bestaan over de onwenselijkheid van het opnemen van regels die verder
gaan dan de bindende EU-rechtshandeling voorschrijft.
Aanwijzing 332
Bepalingen uit bindende EU-rechtshandelingen die verplichten tot
feitelijk handelen, worden niet geïmplementeerd.
Toelichting:
Dergelijke bepalingen (bijvoorbeeld een notificatieverplichting van de
lidstaat aan de Europese Commissie of het verzamelen en toezenden van
gegevens aan de Europese Commissie) komen naar hun aard niet voor
implementatie in aanmerking. Hetzelfde geldt voor bepalingen die zich
richten tot EU-instellingen. Dit laat onverlet dat duidelijk dient te
zijn hoe aan dergelijke verplichtingen invulling zal worden gegeven. Dit
kan gerealiseerd worden door in de toelichting bij implementatie
aandacht te besteden aan de aard en inhoud, de geadresseerde en de wijze
van uitvoering daarvan.
Indien voor het kunnen voldoen aan een feitelijke verplichting door
Nederland de medewerking van andere overheden dan het Rijk, van
zelfstandige bestuursorganen, of van particulieren noodzakelijk is,
kunnen wettelijke voorzieningen wel nodig of wenselijk zijn - zie onder
meer HvJ EG C-237/90 (Jur. 1992, p. I-5973) en de artikelen 119
Gemeentewet en 117 Provinciewet.
Aanwijzing 333
Bij implementatie wordt zoveel mogelijk aangesloten bij instrumenten
waarin de bestaande regelgeving reeds voorziet.
Toelichting:
Alleen al om vertraging bij de implementatie te voorkomen, is het van
belang zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande, wettelijk
geregelde stelsels van vergunningen en ontheffingen, verboden,
goedkeuringen, handhavingsmechanismen, systemen van rechtsbescherming en
dergelijke.
Aanwijzing 334
Bij de afweging op welk niveau van regeling implementatie dient plaats
te vinden, komt, onverminderd deaanwijzingen 23 en 24, delegatie van
regelgevende bevoegdheid eerder in aanmerking naarmate:
a. de te implementeren bindende EU-rechtshandeling de Nederlandse
wetgever bij de uitvoering minder ruimte laat voor het maken van keuzen
van beleidsinhoudelijke aard;
b. de te implementeren bindende EU-rechtshandeling gedetailleerder van
aard is;
c. de termijn waarbinnen volgens de te implementeren bindende
EU-rechtshandeling de implementatie moet geschieden korter is;
d. vaker verwacht mag worden dat in de toekomst de te implementeren
bindende EU-rechtshandelingen wijzigingen zal ondergaan;
e. in het bestaande systeem van regelgeving waarin de
implementatieregeling een plaats zal krijgen, vaker is gekozen voor
delegatie van regelgevende bevoegdheid.
Toelichting
Aan de in deze aanwijzing bedoelde afweging moet steeds de vraag vooraf
gaan of de Grondwet dan wel het primaat van de wetgever vereist dat
voorschriften in de wet zelf moeten worden opgenomen: zie deaanwijzingen
23 en 24. Wat het primaat van de wetgever betreft, brengt het karakter
van implementatieregelgeving – uitvoering van bindende
EU-rechtshandelingen die integrerend onderdeel uitmaken van de
Nederlandse rechtsorde – met zich mee dat daaraan een andere invulling
kan worden gegeven. De onderhavige aanwijzing moet dan ook worden gezien
als een nuancering ten opzichte van aanwijzing 22, tweede volzin, en
bevat enkele richtsnoeren voor het kiezen voor gedelegeerde regelgeving
bij implementatie. Ingevolge aanwijzing 33a wordt ten behoeve van
implementatie niet voorzien in delegatiebepalingen die afwijking van
hogere regelgeving door lagere mogelijk maken.
Aanwijzing 335
Bepalingen van een EU-verordening worden niet in nationale regelingen
overgenomen, tenzij daarvoor een bijzondere reden bestaat.
Toelichting:
Een verordening is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten van de
Europese Unie. Om deze rechtstreekse werking te garanderen is het in
beginsel niet toegestaan om bepalingen van een EU-verordening over te
nemen in nationale regelingen. Een bijzondere reden kan echter gelegen
zijn in de omstandigheid dat de verordening een uitdrukkelijke opdracht
tot het treffen van uitvoeringsmaatregelen bevat of dat anders in
ernstige mate afbreuk wordt gedaan aan de begrijpelijkheid van een
nationale regeling. Vaak is implementatie van de verordening nog
noodzakelijk in de zin dat in nationale regelgeving nog bepalingen
moeten worden opgenomen betreffende sanctionering, rechtsbescherming en
aanwijzing van met de uitvoering van de verordening belaste instanties
en met de verordening strijdige regelgeving moet worden aangepast. Bij
het ontwerpen van dergelijke nationale regelingen moet veel
zorgvuldigheid worden betracht, opdat wordt voorkomen dat de inhoud van
de verordening door de nationale maatregelen wordt gewijzigd.
Aanwijzing 336
1. Het verwijzen naar een bepaling van bindende EU-rechtshandelingen
zoals deze met inbegrip van toekomstige wijzigingen zal luiden
(dynamische verwijzing), geschiedt door de enkele verwijzing in de tekst
van de implementatieregeling naar de tekst van de Europese bepaling.
2. Bij een dynamische verwijzing naar bepalingen van een EU-richtlijn
wordt afzonderlijk aangegeven vanaf welk tijdstip wijzigingen van de
desbetreffende bepalingen doorwerken in het Nederlandse recht. Hiervoor
wordt in de implementatieregeling het volgende model gebruikt:
Een wijziging van ... (aanduiding van [de bepaling uit] de EU-richtlijn
waarnaar is verwezen) gaat voor de toepassing van ... (aanduiding van de
nationale regeling of de nationale bepaling waarin de verwijzing is
opgenomen) gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijziging uitvoering moet zijn gegeven.
3. Indien het gewenst is dat een ander tijdstip kan worden gekozen,
wordt aan het model, onder vervanging van de punt aan het slot door een
komma, de volgende zinsnede toegevoegd:
tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt
bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
4. Het verwijzen naar een bepaling van een bindende
EU-rechtshandelingzoals die op een bepaald moment luidt (statische
verwijzing), geschiedt door verwijzing naar de tekst van die bepaling
volgens de volgende voorbeelden:
Richtlijn 2010/11/EU van de Commissie van 9 februari 2010 tot wijziging
van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde
warfarine als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen (PbEU
2010, L 37), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld.
Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni
1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en
technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de
informatiemaatschappij (PbEG 1998, L 204), zoals deze laatstelijk
gewijzigd is bij Richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 20 juli 1998 (PbEG 1998, L 217).
Toelichting
Eerste lid:
Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen statische en dynamische
verwijzing. Bij statische verwijzing wordt verwezen naar specifieke
Europese bepalingen zoals die op een bepaald moment luiden, terwijl bij
dynamische verwijzing wordt verwezen naar Europese bepalingen inclusief
de toekomstige wijzigingen of aanvullingen daarvan. Bij dynamische
verwijzing zijn toevoegingen als‘zoals deze nader is of zal worden
gewijzigd’ overbodig. Indien geen clausulering in de zin van het
vierde lid is aangebracht, is sprake van een dynamische verwijzing.
Dynamische verwijzing biedt het voordeel dat wijzigingen in de
desbetreffende bindende EU-rechtshandelingniet steeds nopen tot
aanpassing van de nationale regelgeving. Bij dynamische verwijzing moet
men er steeds op bedacht zijn dat toekomstige wijzigingen in de
desbetreffende bindende EU-rechtshandeling automatisch doorwerken in de
nationale regelgeving. Een dynamische verwijzing zal nimmer volledig
kunnen voorkomen dat na wijziging van de desbetreffende bindende
EU-rechtshandeling een aanpassing van de nationale regelgeving
noodzakelijk is. Aanpassing is bijvoorbeeld noodzakelijk indien de
artikelnummers veranderen van bepalingen uit de bindende
EU-rechtshandeling waarnaar is verwezen. Ook kan het soms nodig zijn dat
de nationale regelgeving voorziet in overgangsrecht na een wijziging van
de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling of dat aanvullende
bepalingen moeten worden opgenomen.
Indien geïmplementeerd is door middel van dynamische verwijzing moet
uit het oogpunt van kenbaarheid van de doorwerking van wijzigingen in de
betreffende bindende EU-rechtshandeling melding worden gedaan in de
Staatscourant (zieaanwijzing 339). Indien gebruik wordt gemaakt van een
in de nationale regeling voorziene mogelijkheid om een ander tijdstip
van toepassing te kiezen (zie het derde lid), geschiedt deze melding bij
de bekendmaking van dit ministerieel besluit.
Tweede en derde lid:
Deze leden gelden alleen voor richtlijnen. Bij dynamische verwijzing
naar een verordening is een dergelijke bepaling in de meeste gevallen
niet nodig en ook niet wenselijk. Bepalingen in een verordening omtrent
het tijdstip van inwerkingtreding en het van toepassing worden, werken
immers rechtstreeks door in het Nederlandse recht. Er kunnen echter
bijzondere redenen bestaan die toch tot implementatie van een
verordening noodzaken (zie aanwijzing 335). Indien in dergelijke
gevallen dynamisch naar een verordening wordt verwezen, kan het, in
afwijking van het eerder gestelde, zinvol zijn de standaardbepaling van
deze aanwijzing ook voor verordeningen te gebruiken.
Het zal meestal gaan om het vaststellen van een eerder tijdstip. Voor
het vaststellen van een later tijdstip kan uiteraard slechts aanleiding
zijn indien de richtlijn niet alleen een uiterste implementatiedatum
bevat, maar ook een latere datum met ingang waarvan de lidstaten de
nationale implementatieregelingen uiterlijk dienen toe te passen (dus
bij in de richtlijnopgenomen overgangsrecht).
Vierde lid:
Statische verwijzing kan worden bewerkstelligd door achter de aanduiding
van bindende EU-rechtshandelingen overeenkomstig aanwijzing 89 een
zinsnede toe te voegen die het statische karakter weergeeft.
Aanwijzing 337
In de eerste alinea van de toelichting bij een implementatieregeling
wordt vermeld:
a. dat de regeling strekt tot implementatie, met een verwijzing naar de
bindende EU-rechtshandeling overeenkomstig aanwijzing 89;
b. de uiterste datum waarop de implementatie moet zijn gerealiseerd;
c. een verwijzing naar het onderdeel van de toelichting waarin de
transponeringstabel is opgenomen.
Toelichting:
Onder a: indien veel bindende EU-rechtshandelingen tegelijkertijd worden
geïmplementeerd en dus aangehaald, is het met het oog op de
overzichtelijkheid en leesbaarheid van de toelichting beter om een
verkorte aanduiding te gebruiken, met daarbij in een voetnoot de
volledige aanduiding, bedoeld in aanwijzing 89.
Aanwijzing 338
1. De toelichting bij een regeling ter implementatie van een bindende
EU-rechtshandeling bevat een transponeringstabel waaruit blijkt of en
hoe de afzonderlijke bepalingen van de desbetreffende bindende
EU-rechtshandeling zijn of worden geïmplementeerd. De
transponeringstabel bevat een verwijzing naar de desbetreffende bindende
EU-rechtshandeling overeenkomstig aanwijzing 89.
2. Indien een bepaling uit de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling
ruimte laat voor, dan wel verplicht tot het maken van beleidskeuzes,
wordt dit in de transponeringstabel aangegeven en wordt verwezen naar de
passages in de toelichting waarin de door de regering gemaakte keuzes
worden toegelicht.
3. Indien een bepaling uit een bindende EU-rechtshandeling geen
implementatie behoeft, wordt dit vermeld in de transponeringstabel.
Hierbij wordt aangegeven wat de reden daarvan is, en wordt indien
noodzakelijk verwezen naar de passages in de toelichting waar daar nader
op wordt ingegaan.
4. De transponeringstabel maakt onderdeel uit van de toelichting van de
bij de bindende EU-rechtshandeling horende implementatieregeling(en).
Toelichting:
Het model transponeringstabel wordt door de Interdepartementale
Commissie Europees Recht - Implementatie (ICER-I) vastgesteld.
Uit het oogpunt van kenbaarheid verdient het aanbeveling de
transponeringstabel op te nemen aan het einde van de toelichting. Als
een bepaling niet tot wijziging van bestaande regelgeving of nieuwe
regelgeving leidt, wordt in de transponeringstabel kort aangegeven
waarom dat het geval is. Daarbij valt te denken aan de volgende
gevallen:
a. de bepaling behoeft naar zijn aard geen implementatie (zie
bijv.aanwijzing 332);
b. het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt
wordt;
c. de bepaling is reeds geïmplementeerd door middel van bestaand recht.
Daar waar nadere toelichting nodig is (bijvoorbeeld om aan te geven op
welke wijze bestaand recht als implementatie van de nieuwe
EU-verplichting gezien kan worden) wordt in de transponeringstabel
verwezen naar de desbetreffende passage in de toelichting.
Indien de bindende EU-rechtshandeling mede in andere nationale
regelingen wordt geïmplementeerd, behoren die ook in de tabel te worden
vermeld. Deze aanwijzing laat de aanwijzingen 114en 119onverlet.
Aanwijzing 339
1. Indien een bindende EU-rechtshandeling implementatie behoeft en aan
deze verplichting reeds uitvoering wordt gegeven door middel van
bestaand recht, doet de eerstverantwoordelijke bewindspersoon onverwijld
na het van kracht worden van de desbetreffende bindende
EU-rechtshandeling mededeling in de Staatscourant van:
a. de te implementeren bindende EU-rechtshandeling;
b. de bestaande nationale regelingen door middel waarvan reeds aan de te
implementeren bindende EU-rechtshandeling wordt voldaan;
c. de datum met ingang waarvan de te implementeren regeling in de
Nederlandse rechtsorde van toepassing is dan wel vanaf welk tijdstip
wijzigingen van de desbetreffende bepalingen van de bindende
EU-rechtshandeling doorwerken in het Nederlandse recht;
d. de inaanwijzing 338 bedoelde transponeringstabel.
2. De mededeling kan achterwege blijven indien de implementatie geen
materiële wijziging teweegbrengt in het geldende recht en de
implementatie door middel van de bestaande nationale regelingen langs
andere weg reeds genoegzaam is bekendgemaakt.
Toelichting:
Deze aanwijzing ziet op het geval dat de nationale wet- en regelgeving
reeds in overeenstemming is met de te implementeren bindende
EU-rechtshandeling.
Daarbij vallen twee situaties te onderscheiden:
a. Het bestaande recht voldoet aan de implementatieverplichting dankzij
een eerder in de regelgeving opgenomen dynamische verwijzing die de
nieuw te implementeren bindende EU-rechtshandeling dekt (zie aanwijzing
336).
In dit geval treedt een materiële wijziging van het geldende recht op,
omdat de achterliggende norm inhoudelijk is gewijzigd. Omwille van de
kenbaarheid van het geldende recht is het wenselijk dat hier steeds
melding van wordt gemaakt in de Staatscourant.
b. Het bestaande recht voldoet aan de implementatieverplichting doordat
het anders dan door dynamische verwijzing inhoudelijk voldoet aan de
door de bindende EU-rechtshandeling gecreërde
implementatieverplichting.
In dit geval is, in tegenstelling tot het hierbovengestelde onder a,
juist geen sprake van wijziging van het materiële recht. Wel is het,
omwille van de doorzichtigheid van het stelsel van nationale regelgeving
en bindende EU-rechtshandelingen, van belang dat het implementerende
karakter van die nationale bepaling wordt bekendgesteld. Indien in het
geheel geen implementatieregeling opgesteld wordt, dient aan deze
verplichting invulling te worden gegeven door een mededeling in de
Staatscourant te plaatsen. Wanneer wel een implementatieregeling vereist
is naast de bestaande regelgeving zal in de toelichting bij die regeling
reeds uiteengezet worden hoe de bindende EU-rechtshandeling wordt
geïmplementeerd, met inbegrip van de implementatie door middel van
bestaand recht. Het tweede lid van deze aanwijzing bepaalt dat in dat
geval een aparte mededeling achterwege kan blijven.
De mededeling in de Staatscourant kan gelijktijdig geschieden met de
implementatiemelding aan de Europese Commissie. Zoals in de toelichting
op aanwijzing 336, derde lid, is aangegeven, wordt in voorkomend geval
de bekendmaking van het daar bedoelde besluit tot vaststelling van een
ingangsdatum van de geldingsdatum gecombineerd met de in deze aanwijzing
bedoelde mededelingen.
§ 8.3. Voorbereiding van en procedures bij implementatie
Aanwijzing 340
1. Zij die deelnemen aan de voorbereiding van of de onderhandelingen
over bindende EU-rechtshandelingendragen er zorg voor dat de (centrale)
wetgevingsafdelingen van de betrokken ministeries daarbij worden
ingeschakeld.
2
De inschakeling vindt plaats in een zo vroeg mogelijk stadium, doch
uiterlijk bij de invulling van het in aanwijzing 341 bedoelde formulier.
Toelichting:
Tijdige inschakeling van de (centrale) wetgevingsafdeling kan problemen
bij de implementatie van eenmaal vastgestelde bindende
EU-rechtshandelingen voorkomen en een bijdrage leveren aan de juridische
kwaliteit van de bindende EU-rechtshandelingen.
Afhankelijk van de aard van de materie kan de betrokkenheid van centrale
wetgevingsafdelingen variëren. Mogelijke varianten zijn:
– het toezenden van EU-documenten met een aanduiding van het stadium
waarin het voorstel zich bevindt en een gericht verzoek om commentaar;
– het houden van een intern instructie-overleg ter afstemming van de
inbreng (als geen wetgevingsjuristen deelnemen aan de onderhandelingen);
– het deelnemen aan de onderhandelingen indien implementatie naar
verwachting belangrijke consequenties zal hebben voor de nationale
regelgeving;
– het inrichten van een dossierteam, waarin de wetgevingsjurist van
het onderhandelingsstadium tot en met het implementatiestadium in
oplopende mate betrokken is.
Aanwijzing 341
1. Met betrekking tot een aan Nederland toegezonden voorstel voor een
bindende EU-rechtshandeling vult het eerstverantwoordelijke ministerie
op verzoek van de Werkgroep beoordeling nieuwe Commissievoorstellen het
daarvoor bestemde fiche in.
2. Indien meer ministeries bij de uitvoering van de desbetreffende
bindende EU-rechtshandeling zijn betrokken, geschiedt de invulling in
overeenstemming met die ministeries.
3. De invulling geschiedt door of in overeenstemming met de (centrale)
wetgevingsafdeling van het voor de implementatie eerst verantwoordelijke
ministerie.
4. De ingevulde formulieren berusten bij het secretariaat van de
Werkgroep beoordeling nieuwe Commissievoorstellen.
Toelichting:
Deze aanwijzing betreft het opstellen van de zogenoemde‘fiches’, die
in de vorm van een door de Werkgroep beoordeling nieuwe
Commissievoorstellen vastgesteld standaardformulier door die werkgroep
worden verspreid. In de werkgroep zijn alle ministeries
vertegenwoordigd. Zij staat onder leiding van het Ministerie van
Buitenlandse Zaken.
Aanwijzing 342
1. Bij nieuwe voorstellen voor bindende EU-rechtshandelingen wordt door
de eerstverantwoordelijke minister steeds bezien of er aanleiding is om
ten behoeve van de bepaling van het Nederlandse standpunt adviescolleges
en representatieve organisaties van belanghebbenden te raadplegen die de
regering zou horen indien het regeringsvoorstellen betrof.
2
In beginsel wordt over het ontwerp van een implementatieregeling geen
advies gevraagd of extern overleg gevoerd en wordt een zodanig ontwerp
niet voorgepubliceerd, ter inzage gelegd of anderszins extern
bekendgemaakt.
Toelichting:
Eerste lid:
Het raadplegen van adviescolleges en representatieve organisaties van
belanghebbenden door het eerstverantwoordelijke ministerie kan een
bijdrage leveren aan een zorgvuldige voorbereiding van bindende
EU-rechtshandelingen. Steeds moet worden bezien of dit in de gegeven
omstandigheden zinvol is. Met name kan raadpleging zin hebben indien
voorzienbaar is dat bij de implementatie geen of weinig ruimte meer zal
bestaan voor het maken van keuzen (‘gebonden’ implementatie).
Raadpleging is voorts slechts zinvol, indien adviezen op zodanige
termijn kunnen worden gegeven en van zodanige aard zijn, dat zij van
invloed kunnen zijn op de bepaling van het Nederlandse standpunt. Over
de wijze en de termijn van advisering moeten bovendien concrete
afspraken worden gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met het
tijdstip van aanvang en met de voortgang van de besprekingen in
internationaal verband. In gevallen waarin het horen van adviescolleges
en andere instanties over nationale regelgeving niet wettelijk is
voorgeschreven, ligt het in de rede dat de raadpleging in de fase van de
voorbereiding van bindende EU-rechtshandelingenin de plaats treedt van
het horen over de uiteindelijke implementatieregeling.
Tweede lid:
Ingevolge titel 1.2 van de Algemene wet bestuursrecht gelden voor
regelingen ter implementatie van bindende EU-rechtshandelingen geen
advies-, overleg-, inspraak-, en voorpublicatieverplichtingen. Hierop
bestaat een uitzondering voor bepaalde voorhangprocedures (zie artikel
1:8, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht).
Voor een afwijking van het beginsel om geen advies te vragen of extern
overleg te voeren over implementatieregelingen, is slechts reden als het
vragen van advies of voeren van overleg noodzakelijk is voor een
zorgvuldige voorbereiding van de regeling. Dat kan bijvoorbeeld het
geval zijn indien de te implementeren bindende EU-rechtshandeling
wezenlijke beleidskeuzen openlaat, die nog niet in een eerdere fase bij
advisering of overleg aan de orde zijn geweest.
De term‘voorpubliceren’ heeft betrekking op de praktijk waarbij een
ontwerpregeling in een publicatieblad wordt bekendgemaakt, waardoor de
mogelijkheid tot inspraak wordt geboden.
Aanwijzing 343
1. Indien vereist, wordt van een voorstel voor een EU-richtlijn door of
in overeenstemming met de (centrale) wetgevingsafdeling van het
eerstverantwoordelijke ministerie een implementatieplan opgesteld, zo
nodig samen met andere betrokken ministeries.
2. Het implementatieplan wordt binnen twee maanden na vaststelling van
de desbetreffende EU-richtlijn bij de ICER-I ingediend, of, in het geval
van de gewone wetgevingsprocedure met meer lezingen, binnen twee maanden
na de mededeling van de Raad van de Europese Unie, bedoeld in artikel
294, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese
Unie.
3. Het implementatieplan geeft zo gedetailleerd mogelijk weer op welke
wijze de betrokken EU-richtlijn zal worden geïmplementeerd. Indien de
kans groot is dat de uiteindelijke EU-richtlijn op voor de wijze van
implementatie wezenlijke punten zal afwijken van de mededeling, bedoeld
in het tweede lid, wordt dit in het implementatieplan aangegeven met zo
mogelijk een omschrijving van de mogelijke alternatieven voor de
implementatie.
4. Het eerstverantwoordelijke ministerie verwerkt de gegevens van het
implementatieplan in het door het Ministerie van Buitenlandse Zaken
beheerde elektronische voortgangssysteem.
Toelichting:
Eerste en tweede lid:
Een implementatieplan wordt gemaakt om in een vroegtijdig stadium
inzicht te geven in de wijze waarop een EU-richtlijn geïmplementeerd
zal worden en daarmee tijdige en juiste implementatie te bevorderen.
Indien implementatie plaatsvindt door middel van een zogenoemde ‘dynamische
verwijzing’(zie aanwijzing 336, eerste, tweede en derde lid) is
wijziging van regelgeving niet aan de orde en blijft een
implementatieplan achterwege. Ook in geval van toepassing van aanwijzing
344, derde lid, (zeer korte implementatietermijn bij vaststelling) hoeft
geen plan (meer) te worden opgesteld. Implementatieplannen worden
besproken in de maandelijkse vergaderingen van de ICER-I, die als taak
het bewaken van de voortgang en het adviseren over
implementatievraagstukken heeft. Met het oog op de uitvoering van die
taak wordt door de ICER-I het model voor het implementatieplan
vastgesteld.
Derde lid:
In het geval van de gewone wetgevingsprocedure van artikel 294 van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt het standpunt
van de Raad in eerste lezing voorafgaand aan de tweede lezing aan het
Europees Parlement bekend gemaakt. De tekst daarvan biedt in de regel in
een relatief vroeg stadium al voldoende aanknopingspunten voor het
opstellen van een uitgewerkt implementatieplan.
Vierde lid:
Ten behoeve van tijdige implementatie wordt de voortgang bewaakt door
middel van de i-Timer, op basis waarvan de kwartaalrapportages aan de
Kamer worden opgesteld.
Aanwijzing 344
1. Indien voor implementatie van een bindende EU-rechtshandeling een
algemene maatregel van bestuur nodig is, wordt het ontwerp daarvoor ten
minste 9 maanden voor afloop van de implementatietermijn aan de
ministerraad voorgelegd.
2. Indien voor implementatie van een bindende EU-rechtshandeling een wet
nodig is, wordt een voorstel daarvoor ten minste 18 maanden voor afloop
van de implementatietermijn aan de ministerraad voorgelegd.
3. In afwijking van het eerste of het tweede lid wordt het ontwerp
respectievelijk het voorstel zo snel mogelijk doch uiterlijk 2 maanden
na vaststelling van de bindende EU-rechtshandeling aan de ministerraad
voorgelegd, indien de implementatietermijn bij vaststelling korter is
dan 9 respectievelijk 18 maanden.
Toelichting
De aanwijzing bevat voor bindende EU-rechtshandelingen een nadere
invulling van het reeds in aanwijzing 310, derde lid, neergelegde
vereiste van tijdige implementatie van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties. De in een bepaald geval geldende implementatietermijn
blijkt uit de bindende EU-rechtshandelingen zelf. Uit het
implementatieplan op grond van aanwijzing 343 blijkt of formele
wetgeving noodzakelijk is of dat kan worden volstaan met het vaststellen
van een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling. De
aanwijzing dwingt er toe om op een zodanig moment te beginnen met de
(interdepartementale) voorbereidingen dat na de ministerraad nog
voldoende tijd beschikbaar is voor advisering door de Afdeling
advisering van de Raad van State of parlementaire behandeling. Onder ‘voorlegging
aan de ministerraad’ moet in de regel voorlegging aan de in het
betrokken geval bevoegde onderraad begrepen worden. Indien de
implementatieregeling ook in een ambtelijk voorportaal moet worden
behandeld, heeft de termijn van 9 of 18 maanden betrekking op de
voorlegging aan dat voorportaal.
Aanwijzing 345
1. Bij de voorbereiding en vaststelling van implementatieregelingen
beziet het eerstverantwoordelijke ministerie steeds of Europese
verplichtingen ertoe noodzaken de Europese Commissie van het ontwerp van
de implementatieregeling dan wel van de vastgestelde
implementatieregeling in kennis te stellen.
2. De notificatie van regelingen ter implementatie van EU-richtlijnen
geschiedt elektronisch via het daartoe bestemde notificatiesysteem van
de Europese Commissie.
3. De notificatie van regelingen ter implementatie van andere soorten
bindende EU-rechtshandelingen geschiedt schriftelijk aan het Ministerie
van Buitenlandse Zaken, die de gegevens doorzendt aan de Europese
Commissie en in voorkomende gevallen tevens aan de Raad van de Europese
Unie.
4. Door middel van de notificatie wordt de Europese Commissie in kennis
gesteld van:
a. de daartoe voorgenomen of vastgestelde implementatieregelingen en de
bijbehorende transponeringstabel(len);
b. de bestaande nationale regelingen die reeds aan de te implementeren
bindende EU-rechtshandeling voldoen;
c. de datum met ingang waarvan de te implementeren bindende
EU-rechtshandeling in de Nederlandse rechtsorde van toepassing is, of
met ingang waarvan de effectieve werking ervan verzekerd is.
Toelichting:
Eerste en tweede lid:
EU-richtlijnen bevatten altijd een verplichting om de Europese Commissie
in kennis te stellen van de daartoe vastgestelde
implementatieregelingen, bij andere soorten bindende
EU-rechtshandelingen is dit ook steeds vaker het geval. Een daartoe
strekkende bepaling is doorgaans aan het slot van de bindende
EU-rechtshandeling opgenomen.
Men moet erop bedacht zijn dat soms ook al eerder een ontwerp ter
informatie aan de Europese Commissie moet worden gezonden dan wel ter
goedkeuring aan de Commissie moet worden voorgelegd.
Derde lid:
Het elektronische voortgangssysteem van de Europese Commissie biedt
(vooralsnog) alleen de mogelijkheid tot het melden van implementatie van
richtlijnen.
|