| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Advocatenwet
STAGEVERORDENING
2005
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
Het College van Afgevaardigden van de Nederlandse Orde van
Advocaten;
Overwegende dat het gewenst is regelen te stellen ten aanzien van de
uitoefening van de praktijk door en de opleiding van advocaten en
procureurs die nog niet over voldoende kennis en ervaring beschikken;
Gelet op de artikelen 9b tot en met 9i van de Advocatenwet;
Gezien het ontwerp van de Algemene Raad met de bijbehorende
toelichting;
Gelet op de adviezen van de Raden van Toezicht;
Stelt de navolgende verordening vast:
Definities
Artikel 1
In deze verordening wordt verstaan onder:
a. Raad van Toezicht: de Raad van Toezicht in het arrondissement
waar de advocaat kantoor houdt;
b. De advocaat: de in Nederland ingeschreven advocaat, alsmede de
advocaat, die is ingeschreven overeenkomstig artikel 2a van de wet,
indien deze in de lidstaat van herkomst een verklaring heeft
verworven waaruit blijkt dat de stage aldaar is afgerond;
c. De stagiaire: de advocaat die niet in het bezit is van de
verklaring als bedoeld in artikel 10;
d. De patroon: de advocaat onder wiens toezicht de stagiaire, met
goedkeuring van de Raad van Toezicht, de praktijk uitoefent;
e. De stage: de periode gedurende welke de verhouding tussen de
patroon en de stagiaire als bedoeld in artikel 9b van de
Advocatenwet voortduurt;
f. De beroepsopleiding: de opleiding voor stagiaires als bedoeld
in artikel 9c van de Advocatenwet;
g. De wet: de Advocatenwet;
h. Opleidingsinstelling: de door de Algemene Raad als zodanig
erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon.
De stage
Artikel 2
Iedere advocaat is verplicht naar vermogen mede te werken aan de
opleiding van stagiaires en de begeleiding van hun praktijkuitoefening
tijdens de stage, zoals die in deze verordening zijn geregeld.
Artikel 3
De stage begint op de dag waarop de stagiaire de uitoefening van de
praktijk onder toezicht van een in hetzelfde arrondissement gevestigde
patroon heeft aangevangen. De patroon brengt dit tijdstip onverwijld
schriftelijk ter kennis van de Raad van Toezicht.
De patroon
Artikel 4
1.Elk patronaat behoeft de goedkeuring van de Raad van Toezicht.
2.De Raad van Toezicht verleent zijn bemiddeling bij het zoeken van
een patroon.
3.Patroon kan slechts zijn een advocaat die gedurende ten minste
zeven jaren als zodanig in Nederland ingeschreven is geweest, dan wel
een advocaat die overeenkomstig artikel 2a van de wet is ingeschreven
en die ten minste vier jaren in Nederland ingeschreven is geweest.
4.De Raad van Toezicht is bevoegd in bijzondere gevallen de in het
derde lid bedoelde termijn van zeven jaren, respectievelijk vier jaren
te verkorten, doch niet tot minder dan vijf jaren respectievelijk twee
jaren.
5.Indien de patroon in de uitoefening van de praktijk is geschorst
dan wel om andere redenen niet in staat is het patronaat uit te
oefenen, kan de Raad van Toezicht ambtshalve of op verzoek van de
stagiaire al dan niet tijdelijk een andere patroon aanwijzen.
Verplichtingen van de patroon
Artikel 5
1. De patroon verschaft de stagiaire leiding, voorlichting en raad
met betrekking tot de praktijkuitoefening in de ruimste zin des woords.
Hij schenkt daarbij bijzondere aandacht aan de introductie van de
stagiaire bij en vervolgens aan diens optreden jegens de rechterlijke
macht, beroepsgenoten en cliënten.
2. De patroon ziet er op toe dat de stagiaire alle verplichtingen
nakomt die door de Algemene Raad en de Raad van Toezicht voor
stagiaires zijn vastgesteld, opleidingsmaatregelen met name daaronder
begrepen.
3. De patroon stelt de stagiaire die bij hem kantoor houdt, met
behoud van diens salaris, in de gelegenheid gedurende kantooruren de
in het eerste en tweede lid genoemde verplichtingen na te komen en de
daartoe noodzakelijke voorbereiding te treffen.
4. De patroon van de stagiaire die bij hem kantoor houdt, dient de
stagiaire passende arbeid te verschaffen. De patroon houdt daarbij
rekening met de door de Algemene Raad en de Raad van Toezicht
vastgestelde verplichtingen voor stagiaires, als bedoeld in het tweede
lid.
5. De patroon schenkt bij zijn begeleiding van de stagiaire, die op
de voet van artikel 9b, derde lid, van de wet niet bij hem kantoor
houdt, bijzondere aandacht aan de inrichting van diens kantoor
inclusief de dienstverlening aan de cliënt en diens administratie, de
boekhouding daaronder begrepen.
6. De patroon van de stagiaire die:
a. bij hem kantoor houdt, brengt ten minste één maal per jaar
schriftelijk verslag uit aan de Raad van Toezicht omtrent het
verloop van de stage.
b. op de voet van artikel 9b, derde lid van de wet niet bij hem
kantoor houdt, brengt ten minste één maal per zes maanden
verslag uit aan de Raad van Toezicht omtrent het verloop van de
stage.
Verplichtingen van de stagiaire
Artikel 6
1. De stagiaire is, tenzij de Algemene Raad respectievelijk de Raad
van Toezicht anders bepaalt, gehouden de door de Algemene Raad voor
stagiaires vastgestelde verplichtingen, opleidingsmaatregelen met name
daaronder begrepen, na te komen.
2. De stagiaire die bij zijn patroon kantoor houdt, dient de hem
door de patroon opgedragen werkzaamheden te verrichten met dien
verstande dat de nakoming van de in het eerste lid genoemde
verplichtingen voorrang heeft.
3. De stagiaire, die op de voet van artikel 9b, derde lid, van de
wet niet bij zijn patroon kantoor houdt, is verplicht:
a. zijn patroon in de gelegenheid te stellen te voldoen aan de
verplichtingen als bedoeld in artikel 5, eerste, tweede en vijfde
lid.
b. aantoonbaar de organisatie van zijn kantoor inclusief de
dienstverlening aan de cliënt adequaat in te richten.
c. alleen zaken aan te nemen die hij gelet op zijn
kantoororganisatie adequaat kan behandelen en waarvoor hij de
deskundigheid bezit dan wel waarvoor hij gebruik maakt van de
deskundigheid van een andere advocaat.
Buitenpatronaat
Artikel 7
De Raad van Toezicht gaat niet over tot verlening van een
vrijstelling van de verplichting bij een patroon kantoor te houden als
bedoeld in artikel 9b derde lid van de wet, dan nadat de stagiaire in
voldoende mate heeft getracht een patroon te vinden bij wie hij kantoor
kan houden en daarin niet of niet op voor de Raad van Toezicht
aanvaardbare voorwaarden is geslaagd.
Deeltijd
Artikel 8
1.De stagiaire, die op de voet van het bepaalde in artikel 9b
tweede lid van de wet in deeltijd werkzaam wenst te zijn, dient van
het voornemen daartoe kennis te geven aan de Raad van Toezicht.
2.De stagiaire, die te kennen heeft gegeven in deeltijd werkzaam te
zullen zijn, zal de praktijk ten minste gedurende een door de Raad van
Toezicht vastgesteld minimum aantal uren per week uitoefenen. Dit
aantal zal in geen geval minder zijn dan 20 uren per week. De Raad van
Toezicht ziet erop toe dat de verplichting van de patroon, neergelegd
in artikel 5, tweede lid, onverminderd wordt nageleefd.
Tussentijdse beëindiging en schorsing van de stage
Artikel 9
1.De stage eindigt tussentijds:
a. Krachtens onderling goedvinden van patroon en stagiaire;
b. Na opzegging door de stagiaire;
c. Na opzegging door de patroon, indien deze is voorafgegaan
door goedkeuring van de Raad van Toezicht;
d. Door een ambtshalve beslissing van de Raad van Toezicht;
e. Zodra de patroon en de stagiaire niet langer in hetzelfde
arrondissement zijn ingeschreven.
2.De opzegging, als bedoeld in het eerste lid onder c, kan in ieder
geval plaatsvinden indien het bewijs dat met gunstig gevolg het in
artikel 9c van de wet bedoelde examen, niet meer kan worden overgelegd
binnen de termijn als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet.
3.De patroon brengt een tussentijdse beëindiging, als bedoeld in
het eerste lid onder a, b en c, onverwijld schriftelijk ter kennis van
de Raad van Toezicht.
4.De in het eerste lid onder c bedoelde goedkeuring wordt alleen
geweigerd indien de opzegging onredelijk is en een voor de stagiaire
aanvaardbare mogelijkheid om een andere patroon te verkrijgen niet
bestaat.
5.Het bepaalde in het voorgaande lid geldt niet indien het gaat om
de tussentijdse beëindiging als gevolg van een opzegging als bedoeld
in het tweede lid.
6.De stage is van rechtswege geschorst gedurende de tijd dat de
stagiaire
a. geen patroon heeft of
b. de praktijk niet onder toezicht van een patroon uitoefent of
c. de praktijk niet uitoefent.
Einde van de stageverplichting
Artikel 10
1.De verplichting de praktijk uit te oefenen onder toezicht van een
patroon eindigt zodra de duur van de stage op de voet van het bepaalde
in artikel 9b van de wet is verstreken en de Raad van Toezicht,
gehoord de patroon en de stagiaire, oordeelt dat de stagiaire naar
behoren aan de bij of krachtens deze verordening aan hem gestelde
eisen heeft voldaan en tevens over voldoende praktijkervaring
beschikt.
2.De Raad van Toezicht geeft aan de stagiaire, wiens
stageverplichting overeenkomstig het vorige lid is geëindigd een
verklaring dat de stage is voltooid.
3.De Raad van Toezicht gaat niet over tot de afgifte van een
verklaring als bedoeld in het tweede lid, dan nadat de stagiaire het
in artikel 8 derde lid van de wet bedoelde bewijs heeft overgelegd.
De opleiding
Algemeen
Artikel 11
In het kader van de opleiding van stagiaires komt aan de Algemene
Raad en de Raad van Toezicht de bevoegdheid toe opleidingsmaatregelen
verplicht te stellen, het afleggen van examens en toetsen daaronder
begrepen. De Algemene Raad respectievelijk de Raad van Toezicht kan van
de door hem verplicht gestelde opleidingsmaatregelen vrijstelling
verlenen, onverminderd het bepaalde in artikel 15. De Raad van Toezicht
houdt bij het verplicht stellen van opleidingsmaatregelen rekening met
de door de Algemene Raad verplicht gestelde maatregelen. De Raad van
Toezicht stelt de Algemene Raad in kennis van de door hem verplicht
gestelde opleidingsmaatregelen, alsook van de wijzigingen daarin.
De Algemene Raad is bevoegd een opleidingsmaatregel van een Raad van
Toezicht geheel of ten dele buiten werking te stellen, indien en
voorzover deze strijdig is met opleidingsmaatregelen door de Algemene
Raad genomen.
Artikel 11a
1.Erkenning van een opleidingsinstelling als bedoeld in artikel 1
sub h geschiedt uitsluitend op verzoek van die instelling. Alvorens te
beslissen op dat verzoek toetst de Algemene Raad of die instelling:
a. daadwerkelijk onderwijs verzorgt dat is gericht op de
scholing van de cursist naar vakbekwaamheid;
b. zich heeft verzekerd van de medewerking van deskundige
docenten;
c. het onderwijs door middel van opinieonderzoek onder de
deelnemers pleegt te evalueren;
d. de deelnemers steeds een bewijsstuk verstrekt voor het
daadwerkelijk gevolgd en voltooid hebben van een opleiding of het
succesvol hebben afgelegd van een daarop betrekking hebbende toets
of examen, aan welke verstrekking telkens per deelnemer een
betrouwbare aanwezigheidsregistratie ten grondslag ligt en uit
welk bewijsstuk het aantal behaalde opleidingspunten eenvoudig
valt af te leiden.
2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de Algemene Raad
aan een erkenning voorwaarden verbinden.
3.Een erkenning kan door de Algemene Raad te allen tijde worden
ingetrokken.
De beroepsopleiding
Artikel 12
De Algemene Raad bepaalt de inrichting van de Beroepsopleiding, de
cursusonderdelen welke deze zal omvatten, de inhoud van elk
cursusonderdeel, de plaatsen waar de opleiding zal worden gegeven en het
aantal dagen dat met de daartoe noodzakelijke voorbereiding en het
volgen van de opleiding is gemoeid.
Artikel 13
1.De stagiaire is verplicht deel te nemen aan het onderwijs in alle
onderdelen van de beroepsopleiding en zich op de voorgeschreven wijze
voor te bereiden. De stagiaire volgt daartoe de eerste cursuscyclus
die na zijn inschrijving binnen het arrondissement wordt gehouden. Om
organisatorische redenen kan hij door de Algemene Raad worden
verplicht deel te nemen aan een cursuscyclus of onderdelen daarvan in
een ander arrondissement.
2.Indien zijn stage van rechtswege is geschorst, zal de stagiaire
niet kunnen worden toegelaten tot de Beroepsopleiding, of indien hij
reeds was toegelaten, niet het onderwijs kunnen vervolgen.
3.Indien de stagiaire niet direct na inschrijving de eerste
cursuscyclus of een onderdeel daarvan volgt, als bedoeld in het eerste
lid, zal dit worden beschouwd als het niet behaald hebben van de toets
in de niet gevolgde onderdelen van de eerste cursuscyclus van de
Beroepsopleiding.
4.De Algemene Raad kan in gevallen waarin naar zijn oordeel de
toepassing van het derde lid tot een onbillijkheid van overwegende
aard zal leiden, besluiten af te wijken van het gestelde in het tweede
of derde lid.
Artikel 14
1.Aan de Beroepsopleiding is een examen verbonden dat bestaat uit
een aantal gedurende de cursuscyclus per onderdeel af te nemen
toetsen. De stagiaire is verplicht aan alle toetsen deel te nemen.
2.Een stagiaire kan één keer in alle onderdelen van het examen
een toets afleggen, met de mogelijkheid van twee herkansingen per
onderdeel.
3.De stagiaire is verplicht deel te nemen aan de toetsmogelijkheid
voor een bepaald onderdeel direct volgend op het gevolgde onderwijs
voor dat onderdeel van de Beroepsopleiding in de eerste cursuscyclus.
Indien vrijstelling van onderwijs is verleend, dient te worden
uitgegaan van de in de voorgaande volzin bedoelde examenmogelijkheid,
alsof geen vrijstelling zou zijn verleend.
4.Indien een toets in één of meer onderdelen van het examen niet
is behaald, is de stagiaire verplicht deel te nemen aan de direct
daaropvolgende herkansingsmogelijkheid voor het desbetreffende
onderdeel. Het bepaalde in de voorgaande volzin betreft alleen de
eerste herkansingsmogelijkheid.
5.De stagiaire wordt tot het examen respectievelijk de
onderscheiden onderdelen daarvan toegelaten indien hij aan zijn
verplichtingen als genoemd in artikel 13, eerste lid, naar behoren
heeft voldaan. Deze verplichting rust niet op de stagiaire voor zover
hij van het volgen van het onderwijs van de Beroepsopleiding is
vrijgesteld ingevolge artikel 15, eerste lid.
6.Indien niet wordt voldaan aan de verplichting, als bedoeld in het
derde en vierde lid, zal dit worden beschouwd als het niet behaald
hebben van dat onderdeel van het examen.
7.De Algemene Raad stelt een examenreglement vast waarin nadere
regels zijn gesteld omtrent de inrichting en de organisatie van het
examen, de tijdstippen waarop daaraan kan worden deelgenomen, de wijze
waarop het examen wordt afgenomen en de samenstelling en taken van een
Examencommissie.
8.De stagiaire die het examen met gunstig gevolg heeft afgelegd,
ontvangt van de Examencommissie het bewijs als bedoeld in artikel 8,
derde lid, van de wet.
9.De stagiaire die is geschrapt op grond van artikel 8, derde lid,
van de wet, kan de Algemene Raad verzoeken om binnen twee jaar na de
schrapping nog maximaal twee keer een toets in de nog niet behaalde
onderdelen van het examen te mogen afleggen. Met betrekking tot het
bepaalde in de voorgaande volzin dient het maximum aantal keren dat
een toets afgelegd kan worden, zoals bepaald in het tweede lid, in
acht te worden genomen.
10.Het verzoek, als bedoeld in het voorgaande lid, wordt slechts
ingewilligd indien:
a. het onderwijs in het onderdeel van de Beroepsopleiding
waarop het verzoek ziet, is gevolgd danwel indien daarvoor een
vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, is verleend en
b. de afwijzing daarvan naar het oordeel van de Algemene Raad
zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
11.De Algemene Raad kan in gevallen waarin naar zijn oordeel de
toepassing van het derde, vierde of zesde lid tot een onbillijkheid
van overwegende aard zal leiden, besluiten af te wijken van het
gestelde in het zesde lid.
Artikel 15
1.Van de verplichting tot het volgen van onderwijs in één of meer
onderdelen van de Beroepsopleiding, als bedoeld in artikel 13, kan de
Algemene Raad op schriftelijk verzoek van de stagiaire geheel of
gedeeltelijk vrijstelling verlenen.
2.Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid wordt slechts
verleend indien de stagiaire genoegzaam aantoont op grond van
opleiding en praktijkervaring op elk van de rechtsgebieden waarvoor de
vrijstelling wordt verzocht een gelijkwaardige theoretische en
praktische bekwaamheid te hebben verworven of binnen een redelijke
termijn bij een door de Algemene Raad erkend opleidingsinstituut te
zullen verwerven.
3.Alvorens te beslissen op een vrijstellingsverzoek wint de
Algemene Raad, indien de aard van het verzoek daartoe aanleiding
geeft, het advies in van de Examencommissie en/of de Raad van
Toezicht.
4.Onverminderd het bepaalde in de voorgaande leden kan de Algemene
Raad de afdoening van vrijstellingsverzoeken opdragen aan de Raad van
Toezicht onderscheidenlijk de Examencommissie.
5.Van het afleggen van de toets in één of meer onderdelen van het
examen zal geen vrijstelling worden verleend, tenzij dat naar het
oordeel van de Algemene Raad tot een onbillijkheid van overwegende
aard zal leiden.
6.Alle beschikkingen als bedoeld in dit artikel worden onverwijld
bekend gemaakt aan de betrokkenen.
Artikel 16
1.De deelnemers aan de beroepsopleiding respectievelijk aan het in
artikel 14 genoemde examen zijn cursus- en examengeld verschuldigd.
2.De hoogte van deze bedragen en de wijze van inning worden
vastgesteld door de Algemene Raad.
3.Bij voortijdige beëindiging van deelname aan de beroepsopleiding
blijven reeds in rekening gebrachte cursus- en examengelden
onverminderd verschuldigd.
Voorwaarden
Artikel 17
1.De Algemene Raad is bevoegd voorwaarden te verbinden aan een
beslissing vrijstelling te verlenen van de door hem op grond van de
artikelen 11, 13 of 14 verplicht gestelde opleidingsmaatregel.
2.De Raad van Toezicht is bevoegd voorwaarden te verbinden aan een
beslissing genomen op grond van de artikelen 9b, leden 2, 3 en 4 van
de wet, artikel 4, vierde lid en artikel 11, dit laatste voor zover
het betreft de beslissing vrijstelling te verlenen van een door hem
ingevolge artikel 11 verplicht gestelde opleidingsmaatregel.
Beroep
Artikel 18
1.Naast het bepaalde in artikel 9b vijfde lid van de wet, staat
tegen de navolgende beschikkingen van de Raad van Toezicht voor
belanghebbenden administratief beroep open op de Algemene Raad:
b. De verlenging van een voorwaardelijke vrijstelling ingevolge
artikel 9b derde lid van de wet jo artikel 17 tweede lid;
b. De beschikking tot beëindiging van de verhouding tussen
patroon en stagiaire ingevolge artikel 9 eerste lid, onder d;
c. De voorwaardelijke aanwijzing van een patroon als bedoeld in
artikel 9b vierde lid van de wet jo artikel 17 tweede lid;
d. De weigering van de goedkeuring van een patronaat als
bedoeld in artikel 4 eerste lid.
e. De weigering de inschrijftermijn van zeven jaar als advocaat
als bedoeld in artikel 4 vierde lid te verkorten;
f. De voorwaardelijke verkorting van de inschrijftermijn van
zeven jaar als advocaat als bedoeld in artikel 4 vierde lid jo
artikel 17 tweede lid;
g. De goedkeuring door de Raad van Toezicht van de opzegging
van de stageovereenkomst door de patroon als bedoeld in artikel 9
eerste lid aanhef en onder c;
h. De beschikking tot beëindiging van de stage ingevolge
artikel 9 eerste lid aanhef en onder d;
i. De weigering tot afgifte van een verklaring als bedoeld in
artikel 10, tweede lid.
2.Alle beschikkingen bedoeld in dit artikel worden onverwijld
bekend gemaakt aan de betrokkenen.
Artikel 19
1.Een beschikking van de Raad van Toezicht waartegen krachtens
artikel 9b vijfde lid van de wet of het voorgaande artikel
administratief beroep op de Algemene Raad open staat, wordt door de
secretaris van de Raad van Toezicht onverwijld bekend gemaakt aan de
betrokkenen, alsmede aan de secretaris van de Algemene Raad.
2.Het beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de bekendmaking
van de in het eerste lid bedoelde beschikking. De hoofdstukken 6 en 7
van de Algemene Wet Bestuursrecht zijn van toepassing.
Overgangsbepaling
Artikel 20
De bepalingen genoemd in de artikelen 12 t/m 16 zijn van
overeenkomstige toepassing op de advocaten die ingevolge de
overgangsbepalingen van de wet (art. II) verplicht zijn de
beroepsopleiding te volgen.
Artikel 21
1.Deze verordening kan worden aangehaald als: Stageverordening
2005.
2.Deze verordening treedt in de plaats van de Stageverordening van
9 juni 1988, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze
verordening vervalt, met inachtneming van het gestelde in het derde
lid laatste volzin van dit artikel.
3.Deze verordening is van toepassing op stagiaires die na
inwerkingtreding van deze verordening beginnen met de
Beroepsopleiding. Voor stagiaires die, op het moment van
inwerkingtreding van deze verordening, reeds met de Beroepsopleiding
zijn begonnen of deze hebben voltooid, blijft de Stageverordening 1988
van toepassing.
Artikel 22
De Algemene Raad bepaalt het tijdstip van inwerkingtreding van deze
verordening.
|
|
|