St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Advocatenwet

 

VERORDENING  OP  DE  PRAKTIJKUITOEFENING  (ONDERDEEL  WID  EN  WET  MOT)

Tekst zoals deze geldt op 26 februari 2008

Vervallen m.i.v. 1 augustus 2008

(Zie Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme)

 

  
•
•
•
•
 

 

 
     Het College van Afgevaardigden van de Nederlandse Orde van Advocaten;
     Overwegende dat de advocaat bij verlening van bepaalde aangewezen diensten een identificatie- en meldplicht heeft; dat het gewenst is dat de dekens toezicht uitoefenen op de financiλle integriteit van de advocaat;
     Gezien het ontwerp met toelichting van de Algemene Raad;
     Gelet op de artikelen 26, 28, 33, 34 van de Advocatenwet, de artikelen 5:17 en 5:20 Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 7, 8 en 8a, eerste lid Wet identificatie bij dienstverlening en de artikelen 9 en 17b, eerste lid Wet melding ongebruikelijke transacties;

     Stelt de navolgende verordening vast:

 

 

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. Advocaat: de in Nederland ingeschreven advocaat, de procureur daaronder begrepen, alsmede de advocaat bedoeld in artikel 16h van de Advocatenwet;

b. Deken: de deken van het arrondissement waar de advocaat staat ingeschreven;

c. Algemene Raad: de Algemene Raad bedoeld in artikel 18 van de Advocatenwet;

d. Wid: de Wet identificatie bij dienstverlening;

e. Wet MOT: de Wet melding ongebruikelijke transacties.

Artikel 2

De advocaat is verplicht met betrekking tot zijn praktijk een zodanige administratie te voeren dat daaruit te allen tijde genoegzaam blijkt van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wid en de Wet MOT.

Artikel 3

1. De advocaat is verplicht desgevraagd de deken of de namens de deken optredende secretaris van de Algemene Raad de gewenste inlichtingen te verschaffen over de door hem gevoerde administratie waaruit te allen tijde genoegzaam dient te blijken van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wid en de Wet MOT.

2. Wanneer de deken van oordeel is dat met betrekking tot die onderwerpen nader onderzoek noodzakelijk is, gaat hij daartoe over.

Artikel 4

Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening op de praktijkuitoefening (onderdeel Wid en Wet MOT).

De verordening treedt in werking op 1 januari 2006.

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Advocatenwet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x