| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
BESLUIT
SAMENLOOP ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSUITKERING MET
INKOMSTEN UIT ARBEID
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2010
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de
Graaf;
Gelet op artikel 34, derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, artikel 45, derde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 39, vijfde lid, van de Wet
overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 32,
vierde lid van de Ziektewet;
Besluit:
Artikel 1
Voor de toepassing van deze beschikking wordt verstaan onder:
a. AAW:
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1980, 28);
b. WAO:
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492);
c. ZW:
Ziektewet (Stb. 1967, 473);
d. WW:
Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421);
e. WSW:
Wet Sociale Werkvoorziening (Stb. 1967, 687);
f. dienstverband:
dienstbetrekking in de zin van de WSW.
Artikel 2
1. Voor de toepassing van artikel 34,
eerste lid, van de AAW wordt degene, aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, bij een
arbeidsongeschiktheid van 25–35%, 35–45%, 45–55%, 55–65%, 65–80%,
onderscheidenlijk 80% of meer, geacht 70%, 60%, 50%, 40%, 25%,
onderscheidenlijk 10% arbeidsgeschikt te zijn.
2. Voor de toepassing van artikel 45, eerste lid, van de WAO
wordt degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend,
bij een arbeidsongeschiktheid van 15–25%, 25–35%, 35–45%, 45–55%,
55–65%, 65–80%, onderscheidenlijk 80% of meer, geacht 80%, 70%, 60%,
50%, 40%, 25%, onderscheidenlijk 10% arbeidsgeschikt te zijn.
3. Voor de toepassing van de artikelen 34, eerste lid, van de AAW
en 45, eerste lid, van de WAO, worden de inkomsten uit een dienstverband
geacht meer te bedragen dan evenredig is aan de nog resterende
arbeidsgeschiktheid.
4. Voor de toepassing van artikel 45, eerste lid, van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt onder dagloon verstaan het
dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering zou worden berekend,
indien het bepaalde in het eerste lid van artikel 9 van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering niet van kracht was.
Artikel 3
1. Onder inkomsten uit arbeid, als
bedoeld in de artikelen 33, eerste lid, en 34, eerste lid, van de AAW,
en de artikelen 44, eerste lid, en 45, eerste lid, van de WAO, worden
mede begrepen de volgende uitkeringen, indien deze ter zake van die
arbeid worden verleend:
a. een uitkering krachtens de ZW, waaronder begrepen een uitkering
op grond van artikel 46 van die wet;
b. een uitkering bij ziekte krachtens een regeling, welke geldt
voor personen, die op grond van het bepaalde in artikel 6, eerste lid,
onder a of b, van de ZW niet ingevolge die wet verzekerd zijn;
c. een uitkering bij ziekte krachtens de sociale wetgeving van een
andere mogendheid;
d. een uitkering krachtens de WW;
e. een uitkering bij werkloosheid krachtens een regeling, welke
geldt voor personen, die op grond van het bepaalde in artikel 6,
eerste lid, onder a of b, van de WW niet ingevolge die wet verzekerd
zijn;
f. een uitkering bij werkloosheid krachtens de sociale wetgeving en
een andere mogendheid;
g. een uitkering als bedoeld in de artikelen 6 en 51 van de
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, alsmede een uitkering
verleend krachtens een verordening als bedoeld in artikel 131 van
laatstgenoemde wet.
2. Onder inkomsten uit arbeid als bedoeld in de artikelen 33,
eerste lid, en 34, eerste lid, van de AAW en de artikelen 44 eerste lid,
en 45, eerste lid, van de WAO wordt niet begrepen:
a. vakantietoeslag;
b. aanspraak op vakantietoeslag;
c. bedragen, uitbetaald als beloning voor overwerk;
d. toeslag, uitbetaald als beloning voor arbeid verricht buiten de
gebruikelijke werktijden.
3. Voor de toepassing van de artikelen 34, eerste lid, van de AAW
en 45, eerste lid, van de WAO, wordt onder inkomsten per dag verstaan de
som van in een kalendermaand genoten inkomsten gedeeld door het aantal
uitkeringsdagen in die maand.
Artikel 3a
Voor de toepassing van de artikelen 33, eerste lid, en 34, eerste
lid, van de AAW en de artikelen 44, eerste lid, en 45, eerste lid, van
de WAO worden onder inkomsten uit arbeid, die niet in dienstbetrekking
worden verricht, verstaan de bruto-inkomsten, verminderd met het bedrag
aan premies op grond van de AAW en de AWBZ, berekend met inachtneming
van de premiepercentages, zoals deze voor die wetten zijn vastgesteld op
grond van artikel 2 van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen
overheveling opslagpremies (Stb. 1989, 127).
Artikel 4
1. Voor de toepassing van artikel 3,
eerste lid, wordt de betrokkene geacht een uitkering te ontvangen, als
bedoeld in dat lid, indien door zijn toedoen of in verband met het
doormaken van wachtdagen die uitkering niet wordt uitbetaald.
2. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, onder a,
onderscheidenlijk onder d, wordt de betrokkene geacht een uitkering
krachtens de ZW, onderscheidenlijk de WW, te ontvangen, gelijk aan de
inkomsten uit arbeid, waarmee laatstelijk vóór de aanvang van de
ongeschiktheid tot werken, onderscheidenlijk de werkloosheid bij de
toepassing van de artikelen 33 of 34 van de AAW en/of de artikelen 44 of
45 van de WAO rekening is gehouden.
Artikel 5
Indien degene, ten aanzien van wie de artikelen 33 of 34 van de AAW
en/of de artikelen 44 of 45 van de WAO toepassing vinden, recht heeft op
een uitkering, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a of d, wordt
het van de arbeidsongeschiktheidsuitkering uit te betalen bedrag niet
verder beperkt dan tot het volle bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, verminderd met het bedrag van de in
artikel 3, eerste lid, onder a of d, bedoelde uitkering. Daarbij blijft
het bepaalde in artikel 4, tweede lid, buiten toepassing.
Artikel 6
Het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat wordt uitbetaald
aan degene ten aanzien van wie artikel 44 van de WAO toepassing vindt in
onmiddellijke aansluiting op een periode waarin artikel 30, eerste lid,
van de ZW, toepassing vond wordt zodanig vastgesteld dat de som van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de inkomsten uit arbeid niet minder
bedraagt dan laatstelijk aan ziekengeld en inkomsten uit arbeid bij
toepassing van voornoemd artikel 30 werd ontvangen.
Artikel 7
Indien de uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
verminderd met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 34
van de A.A.W., artikel 45 van de W.A.O., dan wel artikel 35 of artikel
41 van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering,
blijft artikel 32, tweede lid, van de Z.W. buiten toepassing.
Een vermindering van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
het overigens bij of krachtens de A.A.W., de W.A.O. en de Wet
overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering bepaalde vindt
plaats na toepassing van voornoemde artikelen 34 van de A.A.W., 45 van
de W.A.O., dan wel 39 of 41 van de Wet overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 8
1. Voor degene op wie op 31 december 1982
artikel 34 of 35 van de AAW en/of artikel 45 of 46 van de WAO van
toepassing was, wordt, zolang hij inkomsten uit arbeid blijft genieten,
het per dag tot uitbetaling komende bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, met inachtneming van het in het tweede
lid bepaalde, aangevuld met het verschil tussen het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering dat op 31 december 1982 tot uitbetaling
kwam en het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat op 31
december 1982 tot uitbetaling zou zijn gekomen indien artikel 34 van de
AAW en/of artikel 45 van de WAO zoals deze artikelen met ingang van 1
januari 1983 luiden, op 31 december 1982 van kracht zouden zijn geweest.
2. De in het eerste lid bedoelde aanvulling wordt met ingang van
1 januari 1983 verminderd met 1/6 deel van het in dat lid bedoelde
verschil doch met tenminste f 2,30 per dag, zo de aanvulling echter een
lager bedrag betreft met dat lagere bedrag, en ten hoogste f 4,60 per
dag Op 1 januari van elk volgend jaar wordt het bedrag van de
aanvulling, zoals dat gold op 31 december daaraan voorafgaand,
verminderd overeenkomstig het bepaalde in de vorige volzin.
Artikel 9
De beschikking van 18 januari 1968, nr. 61255 (Stcrt. 1968, nr. 20)
en de beschikking van 28 oktober 1976, nr. 55 276 (Stcrt. 1976, nrs. 213
en 216), zoals die beschikkingen sindsdien zijn gewijzigd, worden
ingetrokken.
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
publikatie in de
Nederlandse Staatscourant en werkt terug tot 1 januari
1983.
's-Gravenhage, 20 januari 1983.
De Staatssecretaris voornoemd,
L. de Graaf.
|
|
|